Tituli honorarii, monumentale eregedenktekens. Ere-inscripties ten tijde van het Principaat op het Italisch schiereiland. Een statistisch-epigrafisch onderzoek. (Annelies De Bondt)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL 1

 

Analyse van de elementen.

 

Hoofdstuk 5. De financiering van het monument.

 

1. Inleiding.

 

Een ander gegeven dat in de honoraire inscriptie kan worden vermeld, is de herkomst van de gelden voor de oprichting van het monument. Met de herkomst wordt tevens de wijze bedoeld, waarop de initiatiefnemers het geld hebben bijeengekregen. Dit is hier zeer belangrijk, omdat we over de financiering niet meer informatie verstrekt krijgen dan deze. Over de hoeveelheid aan financiële middelen wordt niet gesproken, alhoewel dit allicht ondervangen werd door het voorkomen en de plaatsing van het monument zelf.

 

Bij de formuleringen, die aangewend werden ter voorstelling van de herkomst van deze gelden, dient men een onderscheid te maken tussen de gelden, die werden vrijgemaakt alvorens de geëerde op de hoogte te brengen, en die financiële middelen, die ter beschikking kwamen nadat de dedicatus zijn fiat had gegeven.

 

In dit hoofdstuk is het voornamelijk de eerste categorie, die hier wordt toegelicht. Deze middelen werden omschreven door verscheidene formuleringen, verwijzend naar gelden uit de kas van een college of gemeente (vb. pecunia publica), naar een geldinzameling onder de initiatiefnemers (vb. aere conlato) of naar een individuele financiering (vb. pecunia sua). De tweede categorie – financiële middelen, die ter beschikking werden gesteld nadat de geëerde op de hoogte was gebracht en (eventueel) zijn toestemming had gegeven – wordt hier slechts summier besproken vanuit het belang van de herkomst van de gelden. Op de diepere betekenis wordt echter ingegaan in het volgende hoofdstuk, waar de nadruk wordt gelegd op de reactie vanwege de geëerde en diens appreciatie voor het eerbetoon.

 

 

2. Expliciet: formuleringen.

 

Laten we vooreerst eens kijken naar de verschillende formules, die de manier en herkomst van de financiële middelen aanduiden in de hier onderzochte inscripties. Zoals reeds boven werd gesteld kunnen we ook hier een onderscheid maken naargelang de financiële bron alsook het statuut van deze gelden. Voor de frequentietabel met de gebruikte terminologie voor de aanduiding van gelden, cf. tabel in bijlage 92[1061].

 

Vooreerst gaan we de kenmerken van de geldinzamelingen bekijken o.b.v. de voorhanden terminologieën (vb. ex aere conlato).[1062] We nemen deze categorie apart, aangezien we meer informatie kunnen halen uit het bestuderen van het fenomeen op zich, dan de formuleringen op te splitsen volgens de sociale groepen, waarbij de geldinzameling werd gehouden. Dit fenomeen vertelt vooral wat meer over de manier waarop het geld werd vergaard, daar waar de andere formules te stereotiep zijn om dit uit te kunnen afleiden. Vandaar de keuze om dit fenomeen apart te bespreken. In de rest van dit hoofdstuk is het daarom ook verstandiger zich toe te leggen op de herkomst van het geld en dit per financierscategorie te bekijken.

 

Vervolgens gaan we verder, niet aan de hand van de verschillende formuleringen, maar met de studie van de sociale groepen van wie de financiële middelen afkomstig waren. We maken hier een onderscheid tussen de publieke gelden, de collegiale gelden en de private gelden. Met de publieke gelden worden die gelden bedoeld, die door de decuriones worden vrijgemaakt uit de gemeentekas (pecunia publica). Hier gaan we eveneens een onderscheid maken, aangezien we enkele inscripties aantreffen, die vermelden dat slechts een gedeelte van de res publica gezorgd heeft voor de financiële middelen, zoals de vicani, de plebs, de decuriones alleen enz. Na de publieke gelden, gaan we over tot het bestuderen van de gelden afkomstig van een engere groep uit de gemeente, namelijk de collegia – vandaar de titel “collegiale gelden”. We sluiten af met een benadering van de private gelden, i.e. de gelden, die ten individuelen titel en op vrijwillige basis ter beschikking werden gesteld door een vrijgevig man (of vrouw), al dan niet de geëerde zelf. Dit wordt echter niet in extenso uitgewerkt, aangezien het volgende hoofdstuk verder ingaat op de reactie van de geëerde, zijnde diens blijk van appreciatie, wat vaak gevolgd wordt door sponsoring van de oprichting.

 

2.1. Geldinzamelingen.

 

Zoals ook uit onderstaande figuur blijkt (figuur 36) is de meest gebruikelijke formule om een geldinzameling aan te duiden de formule “(ex) aere conlato of collato”, hetgeen letterlijk “uit de inzameling van bronzen geldstukken” betekent (91/107 – 85.05%). Voorts heb je nog enkele formules, met dezelfde stam en gelijkaardige betekenis: “ex aere quod conlatum est” betekent dan “uit het bronsgeld dat ingezameld werd” (1/107 – 0.93%); “ex collato” hetgeen de bredere betekenis heeft van “uit het ingezamelde” (2/107 – 1.87%) net als “conlatione”, uit de inzameling (7/107 – 6.54%), en “quod contulerant” – wat ze hadden bijeengebracht (1/107 – 0.93%). Een zeldzamere formule is “in se conlata” (1/107 – 0.93%), hetgeen we in een andere context en met een andere betekenis terugvinden bij de motivatieformulering, vb. ob plurima ac maxima beneficia eius in se conlata[1063], waar in se conlata gebruikt wordt om te wijzen op de vele en zeer grote weldaden van hem, die hij vergaard heeft voor zichzelf. Een andere afwijkende formule is “stipe conlata” (1/107 – 0.93%), hetgeen zoveel betekent als “na de gift vergaard te hebben”.

 

Merkwaardig is het gebruik van stips[1064] als aanduiding van financiële middelen, aangezien we hier een uniek geval hebben in alle ere-inscripties, die hier bestudeerd worden. Ook hier moeten we ervan uitgaan dat het gaat om bronzen munten, zoals ook de Digesten ons vertellen: "Stipendium" a stipe appellatum est, quod per stipes, id est modica aera, colligatur.[1065] Hieruit leiden we aldus af dat het gaat om een bronzen munt van weinig waarde.

 

Een andere merkwaardige formule is “aere collocato” (1/107 – 0.93%), waarbij ofwel een fout werd gemaakt vanwege het atelier door de overbodige letters ‘oc’ aan te brengen. Ofwel heeft men het hier effectief over de plaatsing op basis van bronsgeld. Tenslotte hebben we nog “pecunia conlata” met de betekenis van “na geld ingezameld te hebben” (2/107 – 1.87%).

 

Figuur 36: Frequentietabel geldinzamelingformuleringen.

Categorie

Catalogusnrs.

n

ex aere quod conlatum est

595

1

in se conlata

587

1

stipe conlata

203

1

(ex) aere conlato/collato

18, 22, 31, 32, 36, 42, 51, 56, 60, 67, 84, 90, 158, 163, 177, 183, 187, 189, 213, 221, 222, 230, 261, 280, 297, 315, 316, 317, 318, 327, 328, 334, 337, 338, 339, 340, 341, 347, 352, 358, 359, 361, 362, 377, 378, 380, 384, 385, 390, 409, 411, 425, 427, 455, 464, 466, 468, 470, 472, 473, 474, 476, 477, 492, 493, 499, 504, 505[1066], 507, 535, 544, 550, 551, 552, 555, 563, 578, 579, 583, 588, 589, 591, 594, 596, 604, 612, 634, 672, 673, 676, 686

91

Aere collocato

405

1

e(x) collato

37, 388

2

conlatio(ne)/quod contulerant

253, 470, 471, 559, 560, 561, 581 (HS25.000), 589

8

pecunia conlata

355, 558

2

 

Totaal collatio

107

 

Na dit kort overzicht van de gebruikte formules kunnen we vervolgens dieper ingaan op de geografische en chronologische verspreiding, en kijken of er een sociale differentiatie op te maken valt wat betreft de financiers enerzijds en de begunstigde geëerden anderzijds. Ook de inzameling zelf nemen we even onder handen, alsook gaan we dieper in op de respectievelijke betekenis van de gebruikte substantieven om het geld aan te duiden, maar ook of de geëerde de inzameling terugbetaalde. Tenslotte bekijken we nog het concrete doel van de gelden. We toetsen telkens ieder onderwerp afzonderlijk eerst aan (ex) aere conlato of collato en vervolgens op het geheel aan inscripties met vermelding van financiering.

 

2.1.1. Geografische en chronologische spreiding.

 

Laten we vooreerst de geografische spreiding bekijken van (ex) aere conlato of collato. Zoals blijkt uit nevenstaande figuur (nr. 37) is het vooral in het centrum – of zelfs nog breder genomen – in de laars van het Italisch schiereiland, waar de nadruk ligt op deze formule.

 

 

Regiones I (24/91 – 26.37%) en VI (20/91 – 21.98%) zijn hier de koplopers. De regiones III (11/91 – 12.09%), IV en VII (beide 10/91 – 10.99%) volgen op een lagere frequentie. In het Noorden van het schiereiland, alsook in Picenum (1/91 – 1.10%), zien we een veel lager aantal – regiones VIII (2/91 – 2.20%), X (4/91 – 4.40%) en XI (1/91 – 1.10%) tellen ieder slechts enkele attestaties van ex aere conlato. In regio IX daarentegen ontbreekt zelfs iedere attestatie van deze formule. Zoals ook verder beneden zal blijken, komt in regio IX geen enkele inscriptie voor met de vermelding van een of andere geldinzameling. Veronderstellen dat deze regio absoluut geen notie had van het concept is te ver gezocht, maar men moet eerder in die richting denken, dat men het niet belangrijk genoeg achtte dit gegeven – als het dan al plaatsvond – te vermelden. Anderzijds moeten we er ook rekening mee houden, dat slechts een beperkt aantal inscripties aan ons zijn overgeleverd en ook dit een vertekend beeld kan geven. Maar deze gedachte geldt zeker niet alleen hier. We kunnen ook nu weer concluderen dat de nadruk vooral op het centrum ligt, maar zelfs met 91 attestaties zijn de conclusies nog steeds hypothetisch.

 

Wanneer we de andere aanverwanten van vorig genoemde formule er aan toevoegen, krijgen we een gelijkaardig beeld, met eveneens de nadruk op het centrum van het Italisch schiereiland en een graduele afname naar het Noorden toe, cf. onderstaande figuur (nr. 38)[1067].

 

 

Ook hier zijn de regiones I en VI de koplopers (met resp. 27/107 – 25.23% en 22/107 – 20.56%), gevolgd door regio VII (18/107 – 16.82%) en daarna door de regiones III en IV (beide 12/107 – 11.21%). De regiones V, VIII, X en XI tellen ook hier slechts een beperkt aantal attestaties van een geldinzameling in de inscripties (resp. 1/107 - 0.93%, 2/107 - 1.87%, 4/107 - 3.74% en 1/107 - 0.93%). Tenslotte telt regio IX ook hier geen attestaties. Enige uitzondering betreft regio VII waar we een toename zien, veroorzaakt door de formule conlatio/collatio, waarbij er 5 van de 7 inscripties uit deze regio afkomstig zijn.

 

Wat betreft de geografische spreiding van de attestaties van geldinzamelingen zien we als algemeen voorkomend fenomeen dat het centrum de meeste attestaties kent van geldinzamelingen in de inscripties, waar het Noorden verstek laat met slechts één enkele attestatie, of zelfs geen in het geval van regio IX. Het fenomeen was dus in alle regiones bekend, maar niet noodzakelijk evenveel geattesteerd. Tenslotte moeten we ook hier weer de bedenking – blijven – herhalen dat dit beeld vervormd werd door de keuze van de tand des tijds om slechts deze aan ons over te leveren.

 

 

Laten we vervolgens ook de chronologische evolutie in acht nemen. In nevenstaande figuur (nr. 39) werden de chronologische spreidingen van (ex) aere conlato/collato en alle formuleringen m.b.t. de geldinzameling naast elkaar gezet. Op deze manier kunnen we bij beiden nagenoeg dezelfde constatatie doen: zowel wat betreft (ex) aere conlato of collato als de andere formuleringen van geldinzameling zien we een graduele toename vanaf de eerste eeuw n.C., met een climax in de tweede helft van de tweede eeuw n.C. Ook in de derde eeuw liggen de attestaties nog hoog. We moeten ook hier weer rekening houden met het feit dat slechts een beperkt aantal inscripties op het jaartal precies gedateerd is (totaal m.b.t. geldinzamelingen: 12) en dat we vaak dateringen krijgen, die niet nauwkeuriger zijn dan een halve eeuw (totaal van 28 inscripties tot op de halve eeuw nauwkeurig).[1068]

Laten we nu de hier opgeleverde resultaten m.b.t. (ex) aere conlato of collato vergelijken met de resultaten verstrekt door Mrozek.[1069] Hoewel enkele van diens dateringen onjuist zijn[1070]-[1071], merkt hij op dat de inscripties gesitueerd zijn tussen het begin van de eerste eeuw n.C. en 341 n.C. De meeste inscripties uit zijn sample – afkomstig van het Italisch schiereiland, excl. Rome – dateren uit de 2e eeuw n.C. (6/13), daar waar er uit de eerste, derde en vierde eeuw telkens twee afkomstig zijn (2/13). Wat betreft zijn inscripties uit de tweede eeuw zijn er evenveel afkomstig uit de eerste helft als uit de tweede helft (elk 3/6). Het gehele sample – incl. Rome en de provincies – kent dan weer een overwicht toe aan de tweede helft van de tweede eeuw (11/24). De minder precies gedateerde inscripties vallen zowel op de tweede eeuw als op de eerste helft van de derde eeuw terug. Zoals duidelijk blijkt uit deze aantallen, heeft Mrozek zich niet gebaseerd op alle voorhanden inscripties met attestatie van ex aere conlato, waar dit geheel een stuk uitgebreider is.

 

Zowel bij Mrozek als hier zien we dat de nadruk ligt op de tweede eeuw n.C., met een gradueel opkomen in de eerste eeuw n.C. en een voortgezet gebruik in de derde eeuw – op een iets lagere frequentie dan in de tweede eeuw – en zelfs tot in de eerste helft van de vierde eeuw. Hoewel niet alle inscripties even nauwkeurig te dateren zijn, krijgen we hier toch enigszins een kijk op de evolutie van de formule ex aere conlato en daarmee samenhangend ook op de andere formuleringen m.b.t. geldinzamelingen. Mrozek merkt nog op dat er geen sprake is van een chronologische vervanging van formules[1072], zoals bvb. door de formule pecunia conlata. Dit lijkt enigszins evident, aangezien deze formule zeer duidelijk de inhoud weergeeft, namelijk dat de leden van de groep oprichters hebben samen gelegd. De formule was blijkbaar duidelijk genoeg, dat het telkens als stereotiepe formulering werd benut zelfs tot in de vierde eeuw. Eenmaal zien we een variant verschijnen op deze veel-gebruikte formule, die zowel in de tweede als derde eeuw opduikt, maar deze blijkt geen trend te zetten. In dit laatste geval kunnen we m.i. spreken van creatiever woordgebruik, misschien om op te vallen, of om niet tweemaal dezelfde formule te hanteren.[1073]

 

2.1.2. Organisatie van geldinzamelingen.

 

Wat betreft de organisatie kunnen we vier feiten opmaken uit de inscripties, namelijk wie een geldinzameling organiseerde, wat er werd ingezameld, hoeveel dit bedroeg, op welke manier de inzameling gebeurde en tenslotte wanneer dit precies gebeurde.

 

i. Inrichters van de geldinzameling.

Laten we beginnen met de personen of groep, die een inzameling inrichtten ter financiering van een eremonument. Mrozek stelde in zijn artikel reeds dat er geen enkele reden is om de sociale motivatie te handhaven voor het gebruik van aere conlato of pecunia conlata, aangezien we de eerste uitdrukking zowel gebruikt vinden voor decuriones als voor de lagere sociale lagen[1074]. Aangezien Mrozek met een veel kleiner aantal inscripties met (ex) aere conlato of collato werkte en er daarbij enkele inscripties met deze attestatie zijn bijgekomen sinds 1981, lijkt het hier opportuun deze these op zijn juistheid te controleren met de gegevens die heden voorhanden zijn. De gegevens worden verstrekt, eerst o.b.v. (ex) aere co(n)(l)lato of collato, erna o.b.v. alle formuleringen met betrekking tot de geldinzameling.

 

Hiervoor werden alle gegevens i.v.m. de financiers bij de geldinzameling in een tabel verzameld (cf. bijlage 96), eerst per voorkomen en vervolgens volgens de deelname van de respectievelijke sociale categorie.[1075] We moeten hier echter wel opletten, aangezien de financiers niet steeds dezelfden zijn als de oprichters van het eerbetoon. Zo hebben we bijvoorbeeld in inscriptie 455 de vrouwen die een geldinzameling houden, waar de plebs Praetuttiana als dedicant wordt aangeduid.[1076]

 

Uit deze tabel blijkt inderdaad dat de formule van toepassing is voor alle sociale lagen van de maatschappij als financiers. Wanneer we alleen de inscripties met (ex) aere conlato of collato bekijken, zoals ook Mrozek doet in diens artikel, zien we dat in 25 gevallen van de 91 is de financiering afkomstig van verscheidene groepen (27.47%), 18 keer is het afkomstig van de gehele bevolking (19.78%) en tenslotte hebben we nog 45 attestaties waar slechts één groep als financier optreedt (49.45%). Ingedeeld in de verscheidene sociale lagen, zien we een nagenoeg gelijk optreden van zowel decuriones, *Augustales, andere colleges en het volk[1077]. We zien wel dat het volk in een lichte meerderheid van de inscripties participeert aan de geldinzameling (69/91 - 75.82%).

Indien we anderzijds het geheel aan inscripties met geldinzamelingen bekijken, zien we niet zoveel verschil: in 30 inscripties gaan meerdere sociale bevolkingslagen samen leggen (28.57%), 20 keer schiet heel de bevolking van een gemeente financieel bij (19.05%) en 52 keer betreft het één bevolkingsgroepering (49.52%). Ook hier zien we dat de individuele bevolkingslagen van de decuriones, *Augustales en de andere colleges een nagenoeg zelfde aandeel hebben in de geldinzamelingen.[1078] Het grootste aandeel gaat ook hier naar het volk of een deel van de bevolking als participant aan de geldinzameling.

 

Deze vaststelling komt overeen met de these van Mrozek, dat er geen sociale motivatie voorhanden is voor het gebruik van de formule “ex aere conlato” en dit geldt - zoals boven werd aangetoond - voor alle formuleringen, die duiden op een geldinzameling. We zagen boven dat het volk een groter aandeel had, maar dit is niet het meest significante. Wat beduidend is, is dat de decuriones een iets kleiner, maar toch niet onaanzienlijk aandeel hadden bij de geldinzamelingen. Het opmerkelijke ligt hem hierin, dat normaal gezien de gemeentekas de financiële middelen voorzag voor de oprichting van een eremonument voor wie zich jegens de gemeente verdienstelijk had gemaakt[1079]. Het feit dat de decuriones onder hen geld inzamelden i.p.v. het geld uit de gemeentekas te nemen kan op verscheidene oorzaken wijzen. Naar de derde eeuw toe was men veel meer weigerachtig om een gemeentelijk magistratuur op zich te nemen wegens de hoge kosten dat dit met zich meebracht – zo vertellen ook de inscripties ons[1080] – zoals de summa honoraria, hetgeen de gemeentekas spijsde, en de munera personalia[1081]. Betekende dit dat uit de gemeentekas geen geld kon worden vrijgemaakt ter besteding aan de oprichting van het monument, omdat de kas van een armlastige gemeente simpelweg te weinig middelen bevatte? Wilden de decuriones daarom de gemeentekas ontlasten? De gemeentekas werd dan wel weer aangespijsd met nieuwe inkomsten zoals bijvoorbeeld uit de gemeentelijke belastingen, de summae honorariae van de magistraten en decuriones, de boetes, de verpachting van het patrimonium en het uitlenen van geld tegen interest.[1082]

 

Maar men moet echter bedenken dat het geld uit de gemeentekas voornamelijk de publiek-administratieve kosten moest dekken, zoals het uitbetalen van salarissen van de lagere dignitarissen en het onderhoud van de servi publici - of staatsslaven. Voor de organisatie van spelen en banketten en de bouw van publieke gebouwen moest men zich echter richten tot de municipale elite. Van hen werd dan ook vanuit hen functie verwacht dat zij deze als munera personalia zouden bewerkstelligen. Dit genereus gebaar vanwege de decuriones moeten we hier dan ook kaderen binnen het kader van deze munera personalia. Anderzijds kunnen we ons ook afvragen of deze handelingen al dan niet van private aard konden zijn.

 

We hadden misschien een antwoord hierop kunnen vinden door te gaan kijken naar het verband tussen het optreden van de decuriones bij een geldinzameling en de chronologie van de inscriptie. Maar zoals blijkt uit bijlage 97[1083] valt hier weinig uit op te maken.

 

Wat betreft de “inzameling uit bronzen munten” blijken zeven inscripties niet te dateren, en nog eens zeven kunnen niet nauwkeuriger dan op twee eeuwen worden gedateerd en vallen dus in de tijdspanne van 101 tot 300 n.C. (2e of 3e eeuw n.C.). Een overwicht blijkt voor de tweede eeuw n.C., maar het betreft slechts zeven inscripties. We hebben wel een attestatie van een geldinzameling, waaraan de decuriones hebben deelgenomen, uit de eerste eeuw n.C.[1084] De toevoeging van de andere terminologieën in het chronologisch overzicht verandert echter niet zo veel aan dit beeld; in dat geval gaat het om negen inscripties zonder datum, acht attestaties uit de tweede of derde eeuw n.C. en een climax in de tweede eeuw wat echter gebaseerd is op een tiental opschriften.

 

Die ene inscriptie uit de 1e eeuw n.C. zet echter aan tot nadenken, aangezien op dit moment geen economische crisis invloed uitoefende op de hoedanigheid van de gemeentekas. Ergo, we kunnen hier althans niet spreken van een tekort aan middelen om een standbeeld op te richten. Daarbij zitten we hier nog in een periode waarin stilaan een toename was te merken in de oprichting van standbeelden voor private personen. Deze inscriptie is zeker indicatief voor de motivering van de decuriones om deel te nemen aan een geldinzameling en wijst erop dat het ging om een privé-initiatief van de decuriones als private personen om een standbeeld op te richten, buiten het kader van hun gemeentelijk ambt.

 

Een ander argument, om de these van de privé-aangelegenheid te ondersteunen, zou het verband zijn tussen de decuriones als oprichters - en dus hier geldinzamelaars - en de geëerde. Wanneer we gaan kijken naar de opschriften, waar alleen de decuriones geld inzamelden (9 inscr. m.b.t. geldinzamelingen), zien we één inscriptie voor een vrouwelijke sacerdos van de vergoddelijkte Faustina, één voor een ridder op rijksniveau, twee voor patroni van de gemeente, drie voor een gemeenteraadslid, één voor een man die zowel patroon als gemeenteraadslid was en tenslotte nog één voor een honoratus van het college van de fabri.[1085] Van deze negen personen zijn er zes met wie de decuriones een nauwere relatie zouden kunnen hebben opgebouwd, namelijk hun medegemeenteraadsleden en de patroni van de gemeente.

 

Vervolgens worden de inscripties onder de loep genomen waar de decuriones samen met andere bevolkingslagen geld inzamelden en dus expliciet vermeld staan als een individuele groep (21 inscr. m.b.t. geldinzamelingen). We weten in vijf opschriften niet wat de functies waren van de geëerden, in drie inscripties gaat het om een patroon, in zeven om een gemeenteraadslid, tweemaal om een man die zowel patroon als gemeenteraadslid was, éénmaal om een man met ornamenta decurionalia, twee keer om een aediel en tenslotte nog één keer om een sevir.[1086] Vijftien keer gaat het hier eveneens om een persoon met wie de decuriones - vaak ambtshalve - nauw in contact stonden. Het feit dat het in de meerderheid van deze inscripties gaat om een persoon, met wie de decuriones al dan niet ambtshalve een band hadden opgebouwd, geeft te kennen dat de beweegreden voor de inzameling en de oprichting van private aard was of dit althans kon zijn. Toch kunnen we het motief van de lege gemeentekas niet zomaar van de hand doen.

 

Een andere opmerking m.b.t. diezelfde decuriones is hier tenslotte nog op zijn plaats. We zien dat in vier van de negen inscripties waar zij zelf het geld inzamelen (44.44%) de procedure wordt doorgetrokken tot in de gemeenteraad, waar de beslissing officieel werd gemaakt. Als we de opschriften meetellen, waarin diezelfden mee optreden als een individuele groep, zien we veertien inscripties op de zevenendertig (37.84%) waarin de beslissing eveneens werd officieel gemaakt door een decreet.[1087] Wat is dan het verschil tussen beide? Waarom gaan de decurionen de ene keer over tot een officieel besluit en laten ze het de andere keer bij een officieuze procedure? Of is deze bemerking slechts een brug te ver?

 

Een andere opmerking van Mrozek betreft de stelling dat er geen standbeelden zijn opgericht pecunia conlata door het plebs.[1088] Dit klopt, al moet gezegd dat het slechts om twee inscripties gaat uit het Italische schiereiland[1089], waarbij de eerste werd opgericht door de ordo decurionum voor een mannelijke sacerdos en de tweede door de decuriones, Augustales, honorati en vicani voor een vrouwelijke sacerdos. Veel gevolgtrekkingen kunnen we hieruit dus niet maken.

Wat tenslotte nog opvalt is dat er ook monumenten zijn opgericht van het geld uit een inzameling onder vrouwen enerzijds, en door kinderen anderzijds. Laten we het vooreerst over die eerstgenoemde categorie hebben en een overzicht bieden van de voorhanden inscripties.

 

In ieder van deze drie opschriften, waar de vrouwen vermeld worden als financiers van het eerbetoon, werd de meest gebruikte formule aangewend, respectievelijk aere conlato, aere collato en ex aere conlato. De eerste werd opgericht door de volwassen of althans gehuwde vrouwen (mulieres) van Trebula Mutuesca voor hun patrona, die de echtgenote bleek te zijn van de consul Marcus Laberius Maximus.[1090]

 

De tweede inscriptie - nr. 455[1091] - werd opgericht voor de moeder van de gemeente en de colonia van Interamnia Praetuttiorum (mater municipii et coloniae). Opmerkelijk is echter dat als oprichters de plebs Praetuttiana wordt genoemd, daar waar expliciet staat vermeld dat de inzameling van de middelen onder de gehuwde vrouwen gebeurde (mulierum aere collato). Hoewel de vrouwen dus het monument financieren, wordt het plebs beschouwd als de oprichters en plebs slaat volgens Mrozek alleen op de mannelijke bevolking.[1092] Was het aandeel van de vrouwen hier niet groot genoeg om hen als oprichters te beschouwen i.t.t. de vorige inscriptie, of werd de tussenkomst van hun echtgenoten als danig belangrijk geacht dat het nodig was hen als dedicantes te noemen. De volgende zinsnede is naar onze maatstaven even opmerkelijk. Wat betreft de inhuldiging word er vermeld “ob cuius dedicationem singulis HS IIII nummos dedit”. We kunnen hier in vraag stellen wie men met singulis bedoelt: het plebs in zijn geheel, ergo mannen en vrouwen, de vrouwen die het geld hebben ingezameld, of alleen de mannen van het plebs? Waarschijnlijk gaat het hier om het plebs en specifieker om de mannelijke bevolking, zoals men veronderstelt dat het de gewoonte moet geweest zijn.[1093] Als de vrouwen eveneens als dedicantes kunnen beschouwd worden, dan zou dit voor hen althans de ideale gelegenheid zijn geweest om revanche te nemen op hun sekse en konden zij hopen dat de geëerde ook hen zou begunstigen bij de inhuldiging.[1094] Maar indien we hier inderdaad het plebs als dedicantes beschouwen, zou het logischer zijn dat alleen zij worden begunstigd, tenzij er expliciet vermeld zou staan dat de vrouwen eveneens een aandeel hierin hadden.

 

In het derde opschrift - nr. 474[1095] - zijn het dan weer de gehuwde vrouwen, matronen en vrijgelaten vrouwen (?) die hier een standbeeld oprichten uit een geldinzameling voor hun gemeenteraadslid. Ook hier stellen we vast dat, ondanks het feit dat zij de financiers en dedicantes waren van het monument, zij niet begunstigd worden bij het uitdelen van sportulae bij de inhuldiging, hoewel zij de oprichters waren. Er wordt wel de term populus gebruikt, maar ook hier zal het waarschijnlijk eerder gaan om de mannelijke bevolking. Maar ook populus wordt - volgens Mrozek - alleen gebruikt om de mannelijke bevolking aan te duiden. Wanneer men ook de vrouwelijke bevolking wenste sportulae te geven, zou dit er expliciet hebben bijgestaan.[1096]

 

Hetgeen net uitzonderlijk is aan deze situatie, is dat de vrouwen hier expliciet vermeld worden als financiers, aangezien het normaal de man in kwestie was, of althans de pater familias, die de financiële belangen behartigde en dus het geld van het gezin beheerde.[1097] Het gaat dan ook niet om de vrouwen van het plebs, maar vrouwen uit hooggeplaatste (of hogergeplaatste) families, waarbij we zien dat deze vrouwen in de derde eeuw financieel vermogender en zelfstandiger worden.[1098]

 

Het tweede luik betrof een inscriptie[1099] opgericht voor Caius Alfius C. f. Sergia Clemens Maximus, gemeenteraadslid van Asisium en gewezen quaestor alimentorum. Hier zijn het echter kinderen - pueri et puellae - die als oprichters worden genoemd. Het betreft hier niet alle kinderen van de gemeente, maar wel zij die van de keizer alimenta kregen, hetgeen waarschijnlijk neerkwam op een rantsoen van minder dan 5 modii graan per maand.[1100] Deze kinderen werden uitgekozen en het waren de municipale quaestores alimentorum - een kleinere ambt, die men kon uitoefenen tussen twee magistraturen in - die moesten toezien op de uitvoering van de toekenning van deze alimenta.

 

Dit linkt hen dan ook direct aan de geëerde, aangezien deze heeft ingestaan voor de verdeling van de alimenta over de aangeduide kinderen uit diens gemeente en deze inscriptie lijkt een bedanking te zijn voor deze dienst. Er staat wel uitdrukkelijk bij dat zij dit hebben opgericht met de toestemming van de ouders (consensu parentium), al moet men ook hier eerder veronderstellen dat zij de beslissing hiertoe zullen genomen hebben in naam van hun kinderen. De beslissing van de ouders - en hiermee bedoelt men de vaders - was dan ook onontbeerlijk voor een dergelijke beslissing. De formule die hier gebruikt wordt - ex aere conlato - vermeldt niets over wie hier financiert, maar aangezien men in iedere andere inscriptie zonder meer informatie ervan zou uitgaan dat de dedicantes en de financiers ex aere conlato dezelfden zijn, zouden hier de kinderen ook de financiers zijn. Dit is echter niet mogelijk aangezien de kinderen onder de patria potestas van de vader stonden en dus niet zelf het beheer van het geld in handen hadden. Vandaar waarschijnlijk de behoefte om consensu parentium te vermelden, waarbij men - zoals gezegd - moet gedoeld hebben op de vaders van deze kinderen, die de familiale financiën in handen hadden en hun fiat moesten geven voor dergelijke beslissingen. Als men het zo stelt is de situatie net omgekeerd dan wat er in de inscriptie wordt uitgedrukt: wat betreft de financiering - en waarschijnlijk ook de beslissing tot de oprichting - zijn het de ouders - of specifieker de vaders - die het geld hebben ingezameld in naam van hun kinderen.

 

ii. Wat zamelde men in?

In deze paragraaf willen we even kort ingaan op wat men precies kan verstaan onder een geldinzameling en dan meerbepaald in welke vorm de financiën werden ingezameld. Wat betreft de formule ex aere co(l)(n)lato kunnen we collatus - van conferre - letterlijk vertalen als “bijgedragen” of “ingezameld” en aes[1101] als “koper-” of “bronsgeld”, samen “uit het ingezamelde bronsgeld”. Pecunia conlata daarentegen heeft een meer algemene betekenis[1102] en lijkt te staan voor “uit het ingezameld geld”. Ook Mrozek zegt dat aere conlato in theorie voor bronzen geldstukken staat, waar pecunia conlata eerder doelt op de inzameling van geldstukken van willekeurig metaal.[1103] De nadruk dient hier inderdaad gelegd te worden op “in theorie”, aangezien het gaat om een stereotiepe formulering, die enerzijds teruggaat op een vroeger gebruik en na verloop van tijd gefossiliseerd is geworden.

 

Laten we naar de vroegste en best dateerbare inscripties kijken met (ex) aere co(l)(n)lato. De eerste betreft een inscriptie 378[1104] uit het midden van de eerste eeuw n.C., dewelke de formule aere conlato bevat. Twee andere inscripties zijn afkomstig uit Herculaneum en dateren bijgevolg van voor de uitbarsting van de Vesuvius in 79 n.C[1105]. De eerste vermelde attestatie van Mrozek is dan weer afkomstig uit Rome en dateert uit de periode van 14 tot 19 n.C.[1106] Hoe kunnen we deze inscripties nu verbinden met het bronsgeld en in welke context moeten we die eerste vermelding van inzameling van bronzen munten plaatsen?

 

Hiervoor moet gekeken worden naar de evolutie van het bronzen muntmetaal. We weten dat het bronsgeld reeds van alouds van groot belang was in het monetaire systeem. In de Republiek echter werd de bronzen officiële rekenmunt (aes grave) geleidelijk aan vervangen door de zilveren sestertius (waarschijnlijk ca 141 v.C.). Het is vanaf dit moment dat het belangrijkste Romeinse muntmetaal werd gedegradeerd tot kleingeld en in steeds kleinere oplagen werd geslagen, zodat de bronsgeldvoorraad uit de late Republiek berustte voor 90% op de oude muntstukken.[1107] Deze inscripties dateren echter uit de periode, waarin het Augusteïsche muntsysteem al in voege was en een hervorming van de aes-munten was doorgevoerd.[1108] Door Augustus krijgen we hier namelijk een uitgebreider en diverser aanbod aan bronsmunten - de sestertius, dupondius en semis in orichalcum[1109] en de as en quadrans in koper - met eveneens de sestertius als rekenmunt, die nu een grote bronzen munt was geworden uit orichalcum. Het verschil in kleur - orichalcum was goudgeel en koper rood - verdween naar verloop van tijd.

 

Zoals blijkt uit dit korte overzicht was in die eerste eeuw n.C. een grote voorraad bronzen munten voorhanden, dat als kleingeld gebruikt werd en het gemakkelijkst in de hand lag. Het was dan ook meer waarschijnlijk dat, wanneer er een collecte onder het volk werd gehouden, het vooral dit bronzen kleingeld was dat werd ingezameld en niet de gouden of zilveren munten met een grotere (intrinsieke) waarde. Dit kunnen we misschien voorzichtig vergelijken met het gebruik van de Kerk om tijdens een Eucharistieviering met een collecteschaal rond te gaan voor de offerande. Niet de manier waarop de collecte gebeurde is dan van belang, maar wel het geld dat een individu in de schaal legde. Dit betreft meestal ook kleingeld, in de periode van de euro eveneens bronzen centjes (€0.05 - €0.02 - €0.01) en munten van messing (€0.50 - €0.20 - €0.10). Deze uitweiding dient slechts als vergelijking. Evident is in ieder geval, dat het ingezamelde geld uit bronzen munten bestond, daar waar ook het meeste kleingeld uit brons was vervaardigd. Het volk, of zelfs nauwer het plebs, had waarschijnlijk slechts het bronzen geld in handen. Vandaar dat zo ook inscriptie 405 duidelijker wordt, indien er effectief aere collocato bedoeld wordt: het gehele plebs van de gemeente Histonium plaatst een standbeeld uit bronzen geld.[1110]

 

Een andere argumentatie voor de effectieve inzameling van bronzen munten vinden we in de uitdrukking “stipe conlata”.[1111] Deze stips werden ingezameld in de orchestra (cf. infra) onder de aanwezigen, waarbij slechts een beperkt aantal tot de elite behoorde en het merendeel van de toeschouwers uit het plebs afkomstig waren. Het lijkt dus niet onlogisch dat het plebs eerder kleine bijdragen zou doen dan grotere en in dat geval past de term stips wel. Dit is echter de enige attestatie waarin stips gebruikt wordt in de plaats van aes. Uit Capua hebben we echter geen andere inscripties, die wijzen op een geldinzameling, waardoor we niet kunnen zeggen of het om bewust of abusief woordgebruik gaat, noch of het gaat om een lapsus vanwege de decuriones of de opsteller. Misschien was het de bedoeling om nadruk te leggen op de bijdrage van het volk, die - hoewel individueel klein was - samen een bedrag vormde dat leende tot de oprichting van een dergelijk groot monument. Hoewel de grootte van het monument niet bekend is - wel van de plaat met de tekst op (0.45 x 0.67 x 0.04 m) - zou dit betekenen dat heel veel mensen hadden bijgelegd en aldus genegenheid koesterden voor deze duumvir. Anderzijds - en dit is m.i. een meer valabele theorie - wou men de nadruk leggen op het feit dat het geld effectief werd ingezameld onder alle mensen van de gemeente, die gevraagd hadden voor de oprichting van dit standbeeld (postulatu populi), en niet alleen de decuriones.

 

Anderzijds zou het absurd zijn indien men bij een geldinzameling alleen bronzen munten zou aanvaarden. Zoals ook bleek uit bijlage 96[1112] namen de decuriones, *Augustales en andere colleges eveneens deel aan de geldinzamelingen (ex) aere co(n)(l)lato, ergo de gemeentelijke elite. Waarom zou deze elite niet evengoed met denarieën kunnen betaald hebben? In theorie betekent deze formule dan wel uit het ingezamelde bronsgeld en in praktijk zal men waarschijnlijk voornamelijk bronzen kleingeld hebben ingezameld, maar dat wil niet zeggen dat men niet evengoed kon betaald hebben met munten van een ander metaal. Hier kunnen we dus besluiten dat in de praktijk deze formule kan vergeleken worden met “pecunia conlata”: uit het ingezamelde geld.

 

iii. Hoeveel werd er ingezameld?

We kunnen ons eveneens de vraag stellen bij dit gebeuren welke sommen werden ingezameld. Uiteraard was dit afhankelijk van het type standbeeld dat men van plan was op te richten, alsook van de gebruikte materialen en de grootte en hoedanigheid van het geheel. Maar uit de inscripties zelf met de vermelding van een inzameling vinden we slechts één attestatie terug waarbij men expliciet vermeld hoeveel men had ingezameld. Het gaat hier om de funeraire inscriptie nummer 581 uit Perusia uit de eerste eeuw n.C.[1113]

--- aqu]am Virgine(m) / [--- Her]culis ad vetere / [--- cum sal]iente in foro fecit de / [HS ---]C(milia) VIIIvir arbitratu / [---]i sternendum curavit / [municipes e]t incolae in statuam HS XXV(milia) / [contulerunt decurionesque titulum ei i]n comitio ponendum censuer(unt) / [ordo decurionum quo die funere pub]lico est elatus / [---]equites Romani eum ad rogum / [ut deferrent et qui honor primo ei est h]abitus ei in comitio statua / [ut poneretur decrev]it

 

[Voor Ignotus 71,] die de Aqua Virgo[1114] [---] van Hercules in zijn vroegere staat (?) [---] met springbronnen op het forum heeft gemaakt uit HS (+)100.000, hij heeft als octovir gezorgd voor het plaveien [---], (voor hem) hadden de inwoners van de gemeente met en zonder burgerrechten voor een standbeeld HS25.000 bijgedragen en de decurionen hebben de inscriptie voor hem in het noordelijk deel van het forum laten plaatsen. De orde van de decurionen, door wie hij op de dag met een publieke uitvaart werd begraven, [---] de Romeinse ridders hebben hem toen naar de brandstapel gebracht en die eer is aan hem als eerste toegekend, de orde van de decurionen heeft besloten dat voor hem in het noorden van het forum een standbeeld zou worden geplaatst.

 

Hier wordt aldus vermeld dat de inwoners van de gemeente - de burgers of municipes en niet-burgers of incolae - vroeger reeds hadden geld ingezameld o.w.v. de verdiensten van de man aan de water- en wegenwerken. Hier ging het om HS25.000 wat een niet onaanzienlijk bedrag was voor de oprichting van een standbeeld, hoewel we er rekening mee moeten houden dat het om een marmeren standbeeld ging. Dit weten we dankzij het onderzoek van Duncan-Jones, die stelt dat de kosten, die men uit inscripties kan afleiden, op het Italische schiereiland variëren van maximum HS43.000 tot minimum HS800.[1115]

 

Het standbeeld wordt getypeerd als “statua”, wat een algemene bewoording is en kan slaan op een statua pedester of equester. De externe gegevens vertellen ons niet veel over het type, aangezien er ons alleen nog een plaat rest, die gebroken is aan de linkerzijde, en dewelke was hergebruikt in het verleden in een buitenmuur naast de poort van een kerk te Perugia. We weten echter wel dat het materiaal, waaruit de basis van het standbeeld was gemaakt, uit marmer bestond, maar dit zegt nog niet veel meer over wat we ons precies moeten voorstellen bij een standbeeld ter waarde van vijfentwintigduizend sestertiën. We weten ook de plaatsing van dit standbeeld, namelijk in het noorden van het forum. Zoals ook Zimmer reeds stelde kan men een zekere voorkeur vaststellen voor de plaatsing van erestandbeelden, maar dit hangt af van de oriëntering en ruimtelijke indeling van het forum variërend van plaats tot plaats[1116]. Hoe het forum in Perusia georiënteerd was of welke standbeelden in de omgeving stonden en welke standbeelden in de naburigheid stonden - wat van belang was voor de geluksuitstraling - werd vooralsnog niet systematisch bestudeerd. Zijn status is niet bekend door de hiaten in zijn carrière, maar doet vermoeden dat het om een municipaal magistraat gaat, eventueel van equestrale stand.

 

Al deze gegevens samen doen vermoeden dat het om een niet gering monument ging, maar de precieze context en hoedanigheid kunnen we echter niet met precisie achterhalen. Wanneer we dit nog vergelijken met een andere prijs, die ons bekend is, nl. in inscriptie 53[1117], waar HS8.000 uit de gemeentekas wordt genomen om een standbeeld te plaatsen op een publieke plaats. Dit is slechts een derde van de som die door het volk werd ingezameld in de eerste inscriptie. Het betreft hier anderzijds ook ‘slechts’ een kalkstenen cippus van ca. één meter hoog, een halve meter breed en een halve meter diep. Het lijkt hier in elk geval om een standbeeld te gaan van een meer bescheiden allooi i.t.t. inscriptie 581.

 

iv. Hoe gebeurde de inzameling?

Vervolgens kunnen we ons de vraag stellen hoe een dergelijke geldinzameling in zijn werk ging. Uit de inscripties zelf krijgen we alleen sporadisch informatie over de locatie van de inzameling. Het vaakst wordt gerefereerd naar de plaats waar spelen georganiseerd werden. In inscriptie 203 zegt men dat giften werden vergaard in de orchestra[1118] bij de zitplaatsen van de decuriones. Ook in opschrift nummer 594 werd het monument opgericht uit het ingezamelde geld, dat alle inwoners van de municipium en de ordo voor hem hebben vergaard in de orchestra tijdens de spelen, net als in inscriptie 595.[1119] Men vermeldt in beide zelfs specifiek dat de inzameling tijdens de spelen gebeurde.[1120] Uit inscriptie 380 kunnen we niet met zekerheid opmaken of alleen de vraag van het volk om een biga op te richten voor Caius Sallius Proculus in de orchestra gebeurde of ook de inzameling voor diezelfde oprichting zoals in bovengenoemde inscriptie 594 en 595.[1121]

 

Zoals dus blijkt uit bovengenoemde inscripties vonden deze specifieke inzamelingen - maar niet noodzakelijk ook in het algemeen - telkens plaats in de orchestra. Eigenlijk was dit de zogenaamde parterre en dit vormde een halve cirkelvormige ruimte tussen het podium en de zitplaatsen.[1122] Uit de literaire bronnen vernemen we dat in het theater te Rome de orchestra voorbehouden was voor de senaat[1123] en de functionele equites, maar spijtig genoeg niets over inzamelingen die daar werden georganiseerd in de municipaliteiten buiten Rome.

We hebben nu al een idee gekregen waar men een geldinzameling kon houden, maar weten nog steeds niet hoe de inzameling zelf nu in zijn werk ging. Spijtig genoeg bieden de inscripties hierover geen informatie, zodat men zich moet behelpen met conjecturen. Hier willen we ons beperken tot één hypothese omtrent de vraag of de bijdrage per persoon genoteerd werd. We weten namelijk dat in de hellenistische periode (2e tot 1e eeuw v.C.) in de Griekse poleis geldinzamelingen gebeurden, om de stadstaat financieel uit de nood te helpen. Zo werden er volksvergaderingen georganiseerd waarop de burgers hun hand kon opsteken om een bod te doen voor een lening waarop de magistraten het hoogste uitkozen. De namen van de mannen, die geld leenden aan de polis, werden opgetekend samen met het bedrag dat ze hadden uitgeleend en een kopie werd bewaard in het archief van de stadstaat op een houten plankje. Daarnaast maakte men er in de Griekse stadstaten een gewoonte van deze lijsten publiek te maken en een afschrift op een steen te beitelen of op ander materiaal, zodat hieraan een honorifieke functie werd toegekend.[1124]

 

Uiteraard gaat het hier om een ander context, namelijk leningen aan de stad in tijden van financiële nood. Daarom ook had het optekenen van de namen en van de bedragen de bedoeling dat men later zou weten hoeveel men had geleend bij de burgers en hoeveel interest ze daarop moesten betalen. Maar zou het niet mogelijk zijn dat ook de Romeinen tijdens het Principaat - en dan in het bijzonder de lokale magistraten - notitie namen van welke persoon welke bijdrage deed? Een indicatie hiervoor zou het volgende kunnen zijn: wanneer de geëerde besloot om de geldinzameling terug te betalen aan de initiatiefnemers als betoon van dankbaarheid[1125], zou het veel eenvoudiger en praktischer zijn geweest, indien men een lijst had waarop de namen en bedragen werden genoteerd. Deze terugbetaling komt anderzijds slechts in vijf inscripties voor, zodat we geen overtuigend argument hebben om deze these te ondersteunen.[1126]

 

Zou men dan zoals in de Griekse stadstaten ook in de Romeinse gemeenten deze lijst redigeren en de individuen met de grootste bijdrage bovenaan plaatsen?[1127] Ook dit zou niet onmogelijk zijn, aangezien we toch een 27 inscripties hebben waarbij een standbeeld werd opgericht met gelden uit een inzameling en waarop een inhuldigingsfeest volgde, zijnde een kwart van de inscripties met attestatie van een geldinzameling.[1128] Bij deze inhuldiging stonden de oprichters en/of financiers toch ook steeds mee in de kijker en indien men net als in de Griekse poleis een houten tablet of ander beschreven materiaal uitstalde op die dag met de namen van de oprichters, zouden deze op zekere manier worden meegeëerd. Ook dit zou een exemplarische functie kunnen gehad hebben tegenover de andere inwoners van de gemeente, met als doelpubliek meerbepaald de gemeentelijke elite. Dit zijn slechts conjecturen en zijn geenszins hard te maken door epigrafische bewijzen.

 

Tenslotte dient nog één aspect te worden aangehaald, waar Waltzing nadrukkelijk op wijst.[1129] De gelden, die werden ingezameld, rekent hij tot de recetten van een collegekas, meer bepaald tot de buitengewone en occasionele inkomsten. Dit kan verruimd worden tot de kas van de gemeente en andere maatschappelijke organen. Dit lijkt contradictoir met de bedoeling: het geld werd ingezameld om direct weer uit te geven. Als we inderdaad geldinzamelingen rekenen tot de inkomsten van de - gemeentelijke of collegiale - kas, kunnen we stellen dat de formule “pecunia sua”, die gebruikt werd om te duiden op de eigen middelen van de dedicantes - wat dus ook de kas van een organisatie kon zijn, eveneens de betekenis van ‘geldinzameling’ kan dragen. Bij deze formule zou men dan een stap zijn overgeslagen, namelijk die waarbij het geld werd ingezameld. Wanneer we pecunia sua echter tegenkomen, kunnen we niet zomaar uitgaan van de betekenis ‘geldinzameling’, aangezien de inkomsten van een kas uit meervoudige bronnen afkomstig zijn. We kunnen echter wel in het achterhoofd houden dat de gelden uit een kas kunnen afkomstig zijn uit een inzameling, gehouden onder de leden.

 

Anderzijds telt de formule aere conlato een groter aantal inscripties (91) dan pecunia sua (29) of gelijkaardige formules, waardoor we kunnen afleiden dat men wel degelijk belang hechtte aan geld afkomstig uit een inzameling en men dus in dat specifiek geval ook deze formule ging aanwenden in plaats van een meer algemene formule. In deze context kunnen we gelden verkregen door een geldinzameling niet rekenen tot de inkomsten van een kas, maar eerder een onafhankelijke financiële aangelegenheid, die plaatsvond binnen een groep mensen naast de andere financiële transacties.

 

2.1.3. Begunstigde geëerde.

 

In functie van het bepalen van de motivering van de decuriones om een geldinzameling te houden hebben we reeds kort een aantal begunstigden besproken. Hier wordt deze keer een overzicht gegeven van alle geëerden voor wie een standbeeld werd opgericht uit ingezamelde gelden. Zoals blijkt uit bijlage 102[1130] wijst het totaal aan inscripties met vermelding van een geldinzameling erop dat de geldinzamelingen het vaakst voorkomen wanneer de geëerde tot de municipale elite behoorde (13.64% honorifieke equites en 50% municipalen), waarvan het merendeel nooit het municipale kader verlaten had (resp. 10% en 42.73%). Dit is echter niet zo afwijkend van het globaal beeld dat we van de geëerden hebben.[1131] Indien we hier dan al conclusies uit willen trekken, dan moet deze conclusie vertellen dat de geldinzameling vooral gebeurde voor personages, die goed bekend stonden in de gemeente. Dit is evident, aangezien de inwoners van de gemeente verondersteld worden op zijn minst hun lokale magistraten gekend te hebben.

 

We zouden ons anderzijds kunnen afvragen of het gebruik van de varianten op het stereotiepe (ex) aere co(n)(l)lato verband houdt met de status van de respectievelijke geëerden, maar dit lijkt te ver gezocht. Het beeld dat blijkt uit dezelfde bijlage 102 geeft een grote gelijkenis tussen het gebruik van aere conlato en zijn varianten. We stellen wel vast dat er geen varianten gebruikt werden voor senatoren en functionele equites, voor hen blijft de stereotiepe formulering van toepassing. Misschien heeft dit inderdaad met hun status te maken, dat men er op toekeek dat de correcte formuleringen werden toegepast, zeker als het ging om een lid van de ordo senatorius of de ordo equester. Maar dit kan enerzijds toeval zijn door het beperkt aantal varianten en anderzijds stellen we wel vast dat voor de honorifieke equites niet zo nauw werd gekeken en beide voorkomen.

 

Slechts in een bepaald aantal gevallen gaat de geëerde ook het geld van de inzameling teruggeven. Maar aangezien daarover reeds boven verder werd ingegaan en ook het volgende hoofdstuk handelt over de terugbetaling van de onkosten, wordt hier niet verder op in gegaan onder deze paragraaf.[1132]

 

2.1.4. Bestemming van het ingezamelde geld.

 

Wat betreft de bestemming van de ingezamelde gelden poneerde Mrozek reeds de stelling dat het materiaal met de vermelding van aere conlato in principe refereert naar de oprichting van standbeelden, evenals bij de enkele attestaties van pecunia conlata.[1133] Volgens wat Seneca iunior zegt, was het echter mogelijk dat een begrafenis bekostigd werd door een geldinzameling,[1134] hetgeen normaal de verantwoordelijkheid was van de familie of eventueel van de staat - in het geval van een funus publicum. We hebben hier echter geen enkele inscriptie waar melding wordt gemaakt van een bekostiging van een standbeeld én een funus publicum of alleen een funus publicum met geld uit een inzameling. Ook hier werden alle attestaties gezocht met een geldinzameling en slechts enkele konden niet gebruikt worden, namelijk de inscripties ter ere van een keizer en die na 284 n.C. Dit betekent dan ook inderdaad dat de inscripties opgericht met ingezameld geld voornamelijk op eremonumenten stonden geschreven.

 

Ook expliciet vermeldt men in de inscripties geen andere oprichting dan die van een standbeeld.[1135] In 22 inscripties vermeldt men letterlijk om welk type het gaat (22/105 - 14.29%), daar waar we in 53 gevallen (49.53%) de informatie hebben uit de bronnenuitgaven (al dan niet summier). In 30 inscripties is niet geweten om welk type het gaat (28.57%). We zien hierbij dat het voornamelijk een standbeeld (statua) met basis betreft (30/105 - 28.57%). Daarbij kennen we nog 28 gevallen, waar alleen de basis (26.67%) is gebleven, en 10 inscripties met alleen het epigrafisch veld (9.52%). Dit wijst samen alvast op de oprichting van 68 statuae (64.76%). De andere inscripties wijzen op de oprichting van een tweespan (3/105 - 2.86%), een lapis, donum of tabula en uit de archeologische context kennen we ook het bestaan van één cisterne (elk 1/105 - 0.95%).

 

2.2. Openbare gelden.

 

Aangezien een overzicht van de verscheidene formularia wel een duidelijk beeld zou geven van de betekenissen van deze formules, zou dit beeld nog steeds algemeen blijven doordat het niet binnen zijn context bekeken werd. Vandaar dat er hier werd geopteerd voor een bespreking van de gelden per herkomst: gelden afkomstig uit de staatskas - hetgeen in deze paragraaf zal worden besproken, afkomstig van de decuriones als private dedicantes - onafhankelijk van hun ambtelijke plichten, van de colleges afkomstig en tenslotte de formules die erop wijzen dat het geld afkomstig was van het volk, of althans bepaalde geledingen van het volk.

 

Vooreerst vindt u in onderstaand figuur (nr. 40) een overzicht van de inscripties waar we zeker zijn, dat het geld afkomstig is uit de gemeentekas. Hier kan men zien dat de meest frequent gebruikte formule om het geld aan te duiden, dat afkomstig is uit de gemeentefinanciën, pecunia publica is (27/41 - 65.85%). Varianten hierop, die eveneens a.d.h.v. het adjectief publicus verwijzen naar het publieke karakter van het geld, zijn impensa publica (3/41 - 7.32%) en sumptu publico (2/41 - 4.88%). Een andere inscriptie gebruikt dan weer de verwoording sumptu rei publicae, maar dit vinden we slechts één enkele keer terug (1/41 - 2.44%).

 

Bij deze laatste zinsnede dient echter vermeld, dat deze formulering op twee manieren kan geïnterpreteerd worden. Deze twee woorden vinden we namelijk terug in de volgende woordengroep: frater remisso rei publicae sumptu.[1136] Ofwel is rei publicae hier een genitief van bezit en doelt de zinsnede op de teruggave van de gelden, die door de res publica verstrekt waren en dus bezit waren van de gemeente. Anderzijds kunnen deze twee woorden ook in een datief staan als meewerkend voorwerp bij remittere en in dit laatste geval gaat de broer van de geëerde het geld terugbetalen aan de gemeente. In beide gevallen kunnen we afleiden dat het desbetreffende geld afkomstig was van de res publica. Deze interpretatie heeft ertoe geleid om de formules o.b.v. impensa (1/41 - 2.44%), pecunia sua (2/41 - 4.88%) en sumptus (1/41 - 2.44%) op te nemen onder deze paragraaf, die werden opgericht door de res publica en waarbij we dus kunnen veronderstellen dat het geld afkomstig was uit de gemeentekas.

 

Figuur 40: Overzicht van de formuleringen m.b.t. de gemeentelijke financiering.

Categorie

Catalogusnrs.

n

Impensa publica

346, 488, 568