Tituli honorarii, monumentale eregedenktekens. Ere-inscripties ten tijde van het Principaat op het Italisch schiereiland. Een statistisch-epigrafisch onderzoek. (Annelies De Bondt)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL 1

 

Analyse van de elementen.

 

Hoofdstuk 4. De motivering.

 

1. Inleiding.

 

“The identities that were preserved through monumentalization might be defined essentially, in terms of qualities or virtues, such as conjugal affection, loyalty or patriotism, for example; or of personal achievements (res gestae) such as embassies performed, military successes, or the magistracies or priesthoods held.” (G. WOOLF)

 

In dit hoofdstuk is het de bedoeling de motivatie achter de oprichting, zoals die expliciet wordt weergegeven in de tekst van de inscriptie zelf, te belichten. Dit is misschien wel het element waarbinnen de meeste variatie mogelijk was en waarbij men de meeste keuze had, weliswaar uit een lijst van stereotiepe uitdrukkingen. Het is echter zo dat dit onderwerp - geheel of ten dele - reeds uitgebreid besproken is geweest door tal van onderzoekers. Er zijn een hele reeks artikels verschenen omtrent deze verscheidene deugden en waarden, die aldus geprezen worden in de inscripties. Het belangrijkste onderzoek dat omtrent de expliciete motivatie voor de oprichting van ere-inscripties reeds is verschenen, is dat van Forbis.

 

Elizabeth Forbis heeft namelijk een onderzoek gevoerd naar de municipale deugden in het Romeinse Rijk, waarbij ze zich baseerde op de ere-inscripties afkomstig uit het Italische schiereiland.[826] Forbis baseerde zich hiervoor aldus op de deugden, die naar voor werden geschoven in de stereotiepe formuleringen, die aan de ere-inscripties eigen zijn. Op deze manier heeft zij eigenlijk het hele spectrum van redegevende elementen overspannen. Het bovenstaande citaat van Woolf[827] sluit dan ook aan bij de inhoud van het onderzoek dat zij gevoerd heeft.

 

Ook zij heeft een proefneming gedaan van een groot aantal honoraire inscripties, afkomstig uit de elf regiones van het Italisch schiereiland, waarbij het merendeel van haar inscripties terugkomt in dit corpus. Net omwille van het overlappend bronnenmateriaal, is het niet de bedoeling het onderzoek van Forbis geheel over te doen. De analyse van dit element kan echter niet achterwege worden gelaten, om verscheidene redenen. Ten eerste gaat het in dit corpus om een uitgebreider bronnengeheel, dewelke eventueel lichte veranderingen kunnen aanbrengen aan de conclusies van Forbis. Ten tweede is de motivatie een wezenlijk element in de honoraire inscriptie, die vaak een heel deel van de voorziene plaats binnen het epigrafisch veld innam, zodat dit element niet achterwege kan gelaten worden in een werk dat tracht een volledige analyse te maken van alle aspecten, waaruit een ere-inscriptie is opgebouwd.

 

Daarom is een verantwoording van de benaderingswijze van dit onderwerp hier op zijn plaats. Forbis deelde haar onderzoek op basis van de belangrijkste connotatie van de verschillende woorden op, die een deugd of kwaliteit belichamen. Zo onderscheidde zij vijf categorieën, namelijk ten eerste een algemeen vocabularium van woorden van lof en eer, vervolgens de kwaliteit van financiële vrijgevigheid, ten derde de persoonlijke motivatie voor het patronaat, ten vierde de administratieve deugden en tenslotte de persoonlijke kwaliteiten van een persoon, die eigen zijn aan diens karakter.

 

Zoals gezegd is het niet de bedoeling het gehele onderzoek van Forbis zomaar over te nemen. Hier wordt het element van de motivatie opgedeeld volgens de manier, waarop de deugden en kwaliteiten in de inscriptie werden voorgesteld, eigenlijk onder te verdelen in drie categorieën, die op de grammaticale constructie van de elementen gebaseerd is. Ten eerste hebben we de stereotiepe formulering, hetgeen voornamelijk gaat om substantieven, vaak ingekapseld in een woordgroep met voorzetsel, of ook om losse ablatieven. Ten tweede hebben we de epitheta, gecombineerd met substantieven als vir, patronus, maritus e.d. of met de naam van de geëerde. Tenslotte hebben we nog de categorie, waarin de kwaliteiten van de desbetreffende man - of vrouw - omschreven worden. Deze laatste staat op zichzelf als motivatie, maar kan ook voorkomen in combinatie met één van de vorige categorieën. In dit laatste geval is deze categorie verklarend voor de eerste lofuitingen in de vorm van substantieven of epitheta.

 

Binnen deze categorieën wordt vervolgens het door Forbis gehanteerde stramien aangewend, waarbij een synopsis wordt gegeven van de bevindingen van Forbis per onderzochte term. We gaan hier ook niet alle termen overnemen, maar wel de nadruk leggen op die, die enerzijds het meeste voorkomen in dit corpus en anderzijds op basis van dewelke zoektermen dit corpus werd samengesteld, nl. benefactor en beneficentia (benef_c%); ob honorem (ob und honor%); adfectio, affectio (a_fecti%); ob amorem, amore, (amor% oder amant%); honoris causa, caussa of kausa (honoris caus% oder honoris kaus%); munifica, munificentia (munific%); ob merita, pro merita of meritis en merento of merentibus (resp. ob und merit%, pro und merit% en merent%).

 

Vervolgens gaan we per woord en de bijhorende stereotiepe formulering ervan, de verdeling ervan binnen dit corpus, en binnen de individuele regiones bekijken en verifiëren met de bevindingen van Forbis. Tenslotte wordt hieraan nog informatie uit andere artikels, boeken en wetenschappelijke literatuur toegevoegd om een zo volledig mogelijk beeld te kunnen schetsen van de motivatie in ere-inscripties.

 

 

2. Motivatie voor ere-inscripties in Rome.

 

Vooraleer kan worden aangevangen met het eigenlijke betoog omtrent de motivatie van ere-inscripties afkomstig van het Italische schiereiland, is het misschien opportuun de situatie in Rome in ogenschouw te nemen. Dit element werd namelijk ook door Lahusen opgenomen in zijn betoog omtrent de erestandbeelden in Rome.[828]

 

De eerste reden voor de oprichting van erestandbeelden in Rome heeft betrekking tot het militaire succes van de geëerde, dat in de Republiek gekoppeld werd aan de toekenning van de eretitel triumphator.[829] In de Keizertijd, zo zegt Lahusen, worden officiële erestandbeelden nog slechts zelden aan private personen toegekend, maar onder deze waren de triomfstandbeelden de meest prestigieuze.[830] Vanaf Augustus werden geen volle triomfen meer toegekend aan privé-personen, omdat de keizer de opperbeveldrager was en dus de enige persoon was, die de eer van triomfator mocht opstrijken. In plaats daarvan gaf men aan militaire verdienstelijken de ornamenta triumphalia, waaronder de oprichting van een triomfstandbeeld viel en dewelke vooral werden toegekend aan de nobilitas.[831] Vanaf Tiberius werden deze niet alleen omwille van militaire prestaties toegekend en vanaf Marcus Aurelius - eigenlijk al ingezet vanaf Traianus en Hadrianus - blijkt de ornamenta triumphalia niets meer te maken te hebben met militaire prestaties en gaat het louter om een postume eer van een triomfstandbeeld.[832]

 

De oprichting van erestandbeelden kan ook het gevolg zijn van de voorbeeldige daden, waarmee de geëerde zich nuttig had gemaakt jegens de res publica. Hiertoe worden die handelingen gerekend, waarbij men bij niet-militaire ondernemingen het leven voor zijn res publica liet. Dit kon gezanten tijdens de uitoefening van hun ambt in de Republiek te beurt vallen.[833] Een andere voorbeeldige daad was het leveren van buitengewone prestaties om de staat uit een zware crisis te redden.[834]

 

Ten derde werden er ook een aantal standbeelden opgericht voor schenkers van openbare gebouwen. In de Keizertijd was het namelijk mogelijk dat private personen de bouw en restauratie van een publiek gebouw financierde en dus ter aanleiding daarvan een erestandbeeld oprichtte voor zichzelf en zijn familieleden.[835] Een groot deel van dit type inscripties uit de Italische regiones met uitzondering van Rome werd echter niet in dit corpus opgenomen, omdat deze eerder onder de noemer “bouwinscripties” vallen.

Het patronaat of het uitoefenen van de functie van stadhouder (praefectus urbis) kon eveneens de aanleiding vormen tot de oprichting van een erestandbeeld in Rome. Voor stadhouders werden niet alleen erestandbeelden opgericht, maar ook monumenten van een andere aard. Anderzijds had men patroni, voornamelijk senatoren uit Rome of voormalige magistraten, die het patronaat van coloniae en municipia op hadden genomen en zo de politieke en gerechtelijke interesses van deze gemeenten in Rome verdedigden en bouwprojecten financierden. In Rome gebeurde de oprichting van erestandbeelden voor deze laatste categorie voornamelijk binnen het private bereik en het betrof voornamelijk busten.[836]

 

Tenslotte kan men nog een aantal prestaties vermelde,, die verricht werden binnen het ambt van een Romeins magistraat. Eigenlijk werd zo vaak de manier, waarop het ambt werd uitgeoefend, geloofd en beloond. Ook kon men, terwijl men een bepaald ambt uitoefende, zijn invloed aanwenden om iets te verwezenlijken op economisch of sociaalpolitiek vlak.[837]

 

 

3. Stereotiepe formuleringen.

 

Met stereotiepe formuleringen worden die verwoordingen bedoeld, die volgens een vast stramien zijn opgesteld. Meestal gaat het om formules o.b.v. substantieven, die voor ons een zeer algemene betekenis lijken te hebben. Deze formules werden echter niet automatisch aan een inscriptie toegevoegd, noch hadden ze een volledig algemene betekenis.[838] De aard van deze woorden kan echter vaak achterhaald worden, door de omschrijving die hierop volgt.

 

In deze zin komt deze categorie overeen met de eerst onderscheiden categorisering van de motivering door Kajanto: «Se il motivo era enunciato, lo era generalmente dalla preposizione ob, seguito da un nome astratto o di natura analoga, che individuava una qualità od un’ azione degna di lode.»[839] Het gaat dus vaak om een uitdrukking gebaseerd op een voorzetsel, die een redengevende connotatie heeft en die gevolgd wordt door een substantief, vb. ob amorem. Een andere mogelijkheid is het gebruik van een losse ablatief, zoals bij bene merenti. De termen zijn abstract of doelen op - voornamelijk hoge - kwaliteiten en werden door Forbis geanalyseerd.

 

Zoals reeds gezegd is, worden alle termen, die door Forbis worden besproken, hier niet herhaald. Hier wordt de nadruk gelegd op de woorden, die gehanteerd werden om het bronnenmateriaal gebruikt in dit corpus te verzamelen. Deze benaderingswijze is te verantwoorden door de wetenschap, dat in theorie alle inscripties uit Italia (excl. Rome) in dit corpus werden bijeengebracht, waarin de volgende woorden voorkomen: honor, merita, beneficia, munificentia, liberalitas, largitio, amor, adfectio en honorificentia.

 

3.1. Voorkomen van de verscheidene categorieën.

 

Laten we eerst de frequentie van de onderstaande categorieën eens bekijken. We kunnen hiervoor de attestaties wel optellen per categorie, maar mogen ze niet vergelijken tegenover het totaal aantal ere-inscripties, aangezien bepaalde inscripties meerdere van de hier besproken categorieën opsommen om de motivatie van de oprichting van het monumentaal eerbetoon aan te halen. We kunnen het totaal aantal attestaties per categorie wel tegenover elkaar zetten, om te zien welke categorie het meest populair is[840].

 

1.1 Categorie

n

%

A. Algemeen lofvocabularium

301/696

43.25

B. Financiële vrijgevigheid

72/696

10.34

C. Persoonlijke motivatie

64/696

9.20

D. Administratieve deugden

36/696

5.17

E. Persoonlijk karakter

6/696

0.86

Figuur 35: Voorkomen van de verscheidene categorieën m.b.t. de motivering.

 

Zoals blijkt uit bovenstaande figuur (nr. 35), ordende Forbis haar onderzoek volgens het voorkomen van de individuele categorieën. Het algemene vocabularium is veruit het meest gebruikte om de oprichting te motiveren (301/696 - 43.25%), niettegenstaande dat deze woorden al dan niet geflankeerd kunnen worden door bijkomende uitleg en woorden uit andere categorieën. Het feit dat men voornamelijk vage en veelomvattende termen wil gebruiken, getuigt van een sterke drang naar traditie in het honoraire formularium. Daarnaast kunnen we hypothetiseren dat het mogelijk is dat de inwoners van de gemeente het niet nodig zagen extra uitleg te geven over de verdiensten van de geëerde, gezien die voor hen overduidelijk waren (en per letter diende betaald te worden). Voor een buitenstaander – uit een andere gemeente, regio of zelfs provincie - zou het daarentegen heel wat onduidelijker geweest zijn, hoewel deze zich wel de traditie zal herinneren van de formules, dewelke zich samen met de romanisering verbreidde doorheen het Romeinse Rijk.

 

Op de tweede plaats leidde de financiële vrijgevigheid van de geëerde tot de oprichting van het erestandbeeld, maar we zien wel dat de frequentie van dit type motivaties veel lager is dan de eerste categorie (72/696 - 10.34%). Gezien het algemene lofvocabularium vaak geflankeerd wordt door een woord met de betekenis van vrijgevigheid, kunnen we stellen dat geld van groot belang was binnen de lokale gemeenschap. Hoewel wel degelijk belastingen werden geheven door het lokaal bestuur en de gemeentekas voldoende gespijsd was[841], werden deze gelden echter niet aangewend voor openbare werken en ontspanning, zodat men voor deze zaken afhankelijk werd van individuele, vrijgevige personen. De moraal en de levenskwaliteit van een gemeenschap hingen dus af van de meer gegoeden en het lokaal bestuur. Verder werden municipale magistraten ook geacht niet alleen in te staan voor hun eigen levensonderhoud - de ambten waren namelijk niet bezoldigd - maar ook voor de munera patrimoniorum en personalia. Zelf waren de lokale functies niet bezoldigd, dus er waren dus er sowieso gegoede mensen nodig, die zich als dusdanig financieel wouden inzetten.

 

Op de derde plaats staan de persoonlijke motiveringen, op niet zo grote afstand van de tweede categorie (64/696 - 9.20%). Blijkbaar werd de genegenheid, die de bevolking gewaar werd, toch danig geapprecieerd, zeker wanneer we bedenken, dat deze genegenheid zich soms uitte in vrijgevig gedrag, zodat we weer bij het geldelijke aspect terechtkomen.

 

De vierde plaats wordt bekleed door motivatie op basis van administratieve deugden (36/696 - 5.17%). Dit is echter zeer weinig, indien men de vorige hoofdstukken in het achterhoofd houdt, waarin toch voornamelijk de municipale elite en dus ook de municipale magistraten werden geëerd. Dit betekent dan ook dat de oprichters van de inscripties meer belang hechten aan de geldelijke input van deze magistraten dan aan het goed uitoefenen van deze functie, alhoewel deze lijn tussen deze twee aspecten zeer dun is en het onderscheid bijgevolg niet absoluut.

 

Tenslotte hebben we nog de karakteriële motivatie (6/696 - 0.86%), die slechts in zeer beperkte mate aan bod komt. De deugden behorende tot deze categorie waren blijkbaar belangrijk genoeg om vermeld te worden, maar konden niet competeren tegen de financiële kwaliteiten van de geëerden, die duidelijk hoger geacht werden.

 

3.2. Algemeen vocabularium.

 

In deze paragraaf gaat het om die woorden, die algemeen gezien de betekenis van verdienste, eer of weldaad dragen en daardoor typisch zijn voor het type inscripties, dat in dit corpus onder handen wordt genomen. De termen, die binnen dit kader passen, zijn honor, merita en beneficia. Tot deze categorie horen echter ook nog een aantal adjectieven, die zullen besproken worden in sectie 4. Epitheta, nl. optimus, dignissimus en paestantissimus.

 

3.2.1. Honor.

 

Wanneer we de term honor gaan bekijken (47/696 - 6.75%), richten we ons op een aantal van zijn betekenissen, namelijk ‘respect’ en ‘dankbaarheid’, de kwaliteit, die een persoon kon bezitten. Voor de analyse hier werden aldus de uitdrukkingen omnibus honoribus functo - na alle waardigheidsfuncties te hebben bekleed[842] - en honore contentus[843] - tevreden met de eer - achterwege gelaten, mede omdat deze formules reeds in andere hoofdstukken aan bod komen.

 

Het woord honor (47/696 - 6.75%) vertegenwoordigt in se het respect van de oprichters jegens de geëerde[844], enerzijds hetgeen de geëerde verdiende omwille van zijn talloze verdienstelijkheden voor de dedicantes en anderzijds wat van de dedicantes uitging en hen zo eveneens honor verstrekte: hun respect was prijzenswaardig. Deze laatste connotatie zorgt dat de term ook de betekenis van dankbaarheid krijgt.[845] Er dient echter wel opgemerkt dat - ondank de betekenis van dankbaarheid vanwege de oprichters jegens de geëerde - de nadruk wel degelijk ligt op de bewezen diensten van de geëerde. Deze geëerde maakt dan ook aanspraak op het respect en erkenning omwille van deze bewezen diensten.[846] Deze laatste werd zo als een rolmodel - een exemplum - voorgesteld aan het lezerspubliek.[847] Deze deugdelijkheid kon worden uitgedrukt door formules als ob honorem (6/47 - 12.77%), in honorem (11/47 - 23.40%) en honoris causa (20/47 - 42.55%), hetgeen we in alle regiones tegenkomen.[848] Wanneer men aldus een eerbetoon honoris causa kreeg, dan was dit vaak in de passieve zin van het woord: iemand verdiende sociale erkenning als logisch gevolg van het zich nuttig maken binnen de maatschappij.[849]

 

De begunstigden van inscripties honoris causa of in honorem zijn afkomstig uit alle geledingen van de maatschappij en in plaats van sociaal-discriminerend prestige aan de geëerde toe te kennen met deze formule, suggereert deze formule echter dat de oprichters vasthielden aan een lange traditie met stereotiepe, maar standvastige waarden, die sinds lange tijd hun kracht hebben weten te handhaven.[850]

 

We krijgen echter weinig expliciete, bijkomende uitleg over de specifieke reden voor het eerbetoon, we weten enkel dat de geëerde hiervoor gerespecteerd werd door de oprichters. Daarom moeten we dit proberen af te leiden aan de hand van inscripties, waarbij meer dan een formule is gegeven met betrekking tot de motivatie, omdat de tweede formule vaak de eerste verduidelijkt. We hebben 12 inscripties, die meer verduidelijking geven over de motivatie.[851] Het vaakst gaat het om een financiële prestatie (5/12 - 41.67%) - gaande van een schenking, over de restauratie van publieke gebouwen, tot de organisatie van spelen. Dit is echter niet absoluut, aangezien er eveneens uitdrukkingen volgen, die zowel wijzen op een persoonlijke motivatie, als op administratieve deugden (resp. 3/12 - 25%).[852]

 

3.2.2. Merita.

 

Merita is wel degelijk het vaakst voorkomende substantief, gebruikt in een stereotiepe formule. Net omdat dit woord via de databank van Clauss-Slaby werd opgezocht, hebben we een meer volledige reeks verkregen, met vijfenvijftig meer attestaties dan bij Forbis (228/696 - 32.76%).[853]

 

Dit is eigenlijk het standaardwoord om de gunsten, die uitgewisseld werden tussen patroni en clientes, aan te duiden.[854] Het woord wordt in de inscripties gebruikt om gebaren van publieke eer uit te leggen en te verantwoorden. De dedicantes stelden zich voor als goede en trouwe clientes, die de weldaden van patroni met een monument beantwoorden.[855]

 

Zoals gezegd wordt deze term voornamelijk bij patroni aangewend, afkomstig uit alle sociale klasses van de maatschappij. Maar zoals blijkt uit bijlage 71,[856] ligt de nadruk toch veel meer op de municipale elite (111/228 - 48.69%), dan op de imperiale aristocratie (36/228 - 15.79%).[857] Het lijkt wel alsof de lokale elite meer uitleg nodig had om het monument beter te begrijpen, al kan men dit ook bekijken als een benadrukking van de deugden van municipale magistraten opdat de druk op andere toekomstige weldoeners zou verhoogd worden zich evenzeer of nog meer weldadig tegenover hun clientes en de gemeente te stellen.

 

De definitie van merita wordt verder aangevuld door de toegevoegde formules van motivatie in de inscriptie. Daaruit blijkt dan ook dat het vaak om aangeboren deugden of opmerkenswaardige daden of beide gaat.[858] Hoewel deze daden veel energie en organisatorische vaardigheden vergden, was ook hier de basisvereiste de rijkdom van de weldoener. Voor het publiek had merita aldus een hoofdzakelijk financiële bijklank.[859]

 

Indien we de geografische opdeling van Forbis - regiones I t.e.m. III in het Zuiden en regiones IV t.e.m. XI in het Noorden - handhaven krijgen we met het nieuwe materiaal een verdeling van resp. 44.30% (101/228) tegenover 55.70% (127/696), hetgeen beide regiones dichter bij elkaar brengt en dus een meer gelijke verdeling over het Italisch schiereiland toont.[860] Hier delen we het Italisch schiereiland echter op in een Noorden (regiones VIII t.e.m. XI), centrum (I, VI, V, VI en VII) en een Zuiden (II en III). Volgens deze verdeling is net het centrale gedeelte van het schiereiland het meest voorzien van deze inscripties (173/228 - 75.88%), waarbij de hoofdmoot afkomstig is uit regio I, zoals zo vaak het geval zal zijn. Het Noorden en Zuiden van dit schiereiland heeft een even groot bronnenmateriaal aan inscripties met merita als motivering (resp. 27/228 - 11.84% en 28/228 - 12.28%). Wat betreft de chronologie zien we ook hier dat de vroegste inscriptie afkomstig is uit de vroege eerste eeuw n.C. (InscrNr. 635) en dat deze formule werd gehanteerd tot de late derde eeuw n.C. (InscrNr. 553).[861]

 

3.2.3. Beneficia.

 

Dit woord lijkt qua betekenis sterk op merita, aangezien het eveneens staat voor de gunsten, die tussen een patroon en zijn clientes werden uitgewisseld[862], alhoewel beneficium - meestal in het meervoud - heel wat minder aan bod komt in de inscripties (26/696 - 3.74%).[863] In de literatuur zien we echter het omgekeerde gebeuren: daar vindt men beneficium meer terug dan meritum, hoewel ook daar niet veel verschil in gebruik is. Beide beschrijven ze hetzelfde type van gunsten, die door dezelfde weldoeners zijn verleend.[864]

 

Net als merita wordt deze bewoording gebruikt in inscripties ter ere van geëerden uit alle klassen van de maatschappij, met een quasi gelijke verdeling over de sociale categorieën. Alleen de rijkselite is iets beter vertegenwoordigd dan bij merita.[865] De meer marginaal voorkomende sociale categorieën zijn minder (*Augustales) of zelfs niet (keizerlijke vrijgelatenen en bestuursleden van colleges) vertegenwoordigd bij het gebruik van deze formule.

 

Ook de types van weldaden, dewelke dit algemene woord omhelst, zijn hoofdzakelijk financieel[866], hoewel het slechts om een lichte meerderheid gaat (4/26 - 15.38%) en het een enkele maal ook gaat om een persoonlijk - affectieve relatie (3/26 - 11.54%) of om administratieve deugden (1/26 - 3.85%).[867]

 

Tenslotte kijken we nog even naar de geografische en chronologische spreiding. De formules o.b.v. beneficium komen over het gehele Italische schiereiland voor met de nadruk op de regiones I en VI. Met een uitzondering van een enkeling in de eerste eeuw v.C. komen de meeste inscripties met beneficia voor in de tweede en derde eeuw n.C.[868]

We kunnen stellen dat de algemene, retorische bedoeling van ere-inscripties was om de geëerden zodanig te flatteren, zodat zij zich in de toekomst nog vrijgeviger zouden zijn jegens de oprichters. Anderzijds had men als doelpubliek potentiële weldoeners op het oog, die erkenning zochten, zoals ze aan de geëerden werd toegekend.[869]

 

3.2.4. Voorkomen van het algemeen vocabularium bij de klassieke auteurs.

 

Het eerste woord, honor, slaat zoals boven reeds gezegd werd op de eer, die de dedicanten toekenden aan de geëerde, omdat zij iets van deze laatste ontvangen hebben, zij het in materiële vorm, of in de vorm van (administratieve) diensten. In de literatuur wordt ook gewezen op een openbare erkenning, maar wordt deze erkenning beperkt doordat het aan een aantal voorwaarden moet voldoen, namelijk de voorwaarde dat de geëerde uit virtus handelde en het om merita ging, verdienstelijkheden tegenover het gemene goed. Dit komt enigszins overeen met de epigrafische betekenis: de bewezen verdiensten waren evident, gezien zij onderwerp van de hulde waren.

Cf. Cicero, Philippicae, 5.38.

«Atque etiam M. Lepido pro eius egregiis in rem publicam meritis decernendos honores quam amplissimos censeo.»

 

En ook heb ik gestemd dat zo prachtig mogelijke huldebetonen worden toegekend aan Marcus Lepidus, omwille van zijn voortreffelijke verdiensten jegens de res publica.

 

Beneficium heeft ongeveer dezelfde betekenis van merita in de inscripties, van weldaden en verdiensten. Dit zien we ook terug bij Seneca, die de beide begrippen door elkaar gebruikt.[870]

«Eodem animo beneficium debetur, quo datur, et ideo non est neclegenter dandum sibi enim quisque debet, quod a nesciente accepit; ne tarde quidem, quia, cum omni in officio magni aestimetur dantis voluntas, qui tarde fecit, diu noluit; utique non contumeliose: nam cum ita natura conparatum sit, ut altius iniuriae quam merita descendant et illa cito defluant, has tenax memoria custodiat, quid expectat, qui offendit, dum obligat?»

 

Les sentiments de l’obligé reflèctent exactement ceux du bienfaiteur; et c’est là une raison pour ne pas se désintéresser du bien que l’on fait – nul ne doit en effet qu’à lui-même ce qu’il a reçu de nous à notre insu; pour éviter même tout lentuer (en effet, comme en matière de services on attache toujours un grand prix à l’intention de celui qui les rends, si l’execution a tardé, c’est que l’intention, longtemps, a manqué); pour éviter en tout cas à l’obligé toute humiliation, car, puisque selon l’ordre naturelle des choses, les injures pénètrent plus profonément que les bons offices, que ceux-ci ont tôt fait de s’échapper de notre esprit, tandis que celles-là sont conservées par une mémoire qui ne laisse rien sortir, que peut bien attendre celui qui blesse en obligant?[871]

 

Seneca geeft zelfs een precieze betekenis aan het woord beneficium in zijn ‘de Beneficiis’:

«(beneficium) non enim res est, sed actio.»[872]

Een weldaad is immers geen zaak, maar een handeling.

 

«Non est beneficium id quod sub oculos venit sed beneficii vestigium et nota»[873]

Een beneficium is niet dat wat men kan zien, maar wel de sporen en het kenmerk van de weldaad.

 

«Quid est ergo beneficium? Benevola actio tribuens gaudium capiensque tribuendo in id, quod facit, prona et sponte sua parata.»[874]

Wat is dus beneficium? Een daad van welwillendheid, die vreugde verschaft en die, daardoor, de vreugde vergezeld, op het zelfde moment van een buiging en spontane maatregelen om ze te verwezenlijken.

 

In de inscripties werd dit woord ook gekoppeld aan munificentia, met in dat geval duiding van financiële en zelfs politieke prestaties[875]. Cicero gebruikt beneficium ook in combinatie met liberalitas, zoals in InscrNr. 30, en zelfs in de pejoratieve betekenis van liberalitas[876]. Hierbij moet wel vermeld, dat Cicero van 106 tot 43 v.C. leefde en dat de pejoratieve associatie van beneficium met liberalitas niet overgenomen werd in inscripties. Integendeel, we zien reeds vanaf de tweede eeuw n.C. een duidelijke profilatie van beneficium in het lofvocabularium, gebruikt in ere-inscripties.

 

3.3. Financiële vrijgevigheid.

 

Waar Forbis ons uitdrukkelijk op wees, is dat de honoraire inscripties een overwegend financieel thema hebben als het gaat om de motivering. De vrijgevigheid vanwege de geëerde manifesteerde zich op allerlei manieren, namelijk door het financieren van spelen, van herstel- en bouwprojecten van openbare gebouwen en van de voedselbevoorrading en los daarvan ook door geldschenkingen. Al deze aspecten van vrijgevigheid kunnen uiteindelijk geressorteerd worden onder dezelfde noemer, nl. die van financiële vrijgevigheid. De overvloed en beschikbaarheid van geld vanwege de geëerden ging de bevolking het meeste aan, zeker vanaf de tweede eeuw n.C., toen steeds minder mensen vrijwillig een lokaal magistratuur wouden bekleden en de daartoe behorende financiële lasten wouden of konden dragen.[877]

 

Onder deze categorie vallen meerdere woorden, waarvan we hier drie willen bespreken (cf. bijlage 74).[878] Het gaat om de termen munificentia (50/696 - 7.18%), liberalitas (14/696 - 2.01%) en largitio (6/696 - 0.86%). De andere termen, die Forbis nog onder deze categorieën noemt - bonitas en benignitas, komen echter zelden of niet voor en worden daarom achterwege gelaten in de bespreking.[879]

 

3.3.1. Munificentia.

 

Munificentia komt veel meer voor dan de andere twee woorden, die binnen deze categorie thuishoren (50/696 - 7.18%).[880] In tegenstelling tot de twee andere termen is dit de meest neutrale en waardevrije term, die men had om specifiek de vrijgevigheid van de geëerde te duiden. Omdat de andere twee termen te veel deden denken aan hun negatieve connotatie van baatzuchtige vrijgevigheid[881] uit de Republiek, lijkt het alsof de dedicantes daarom deze term prefereerden.[882]

 

In tegenstelling tot de voorgaande termen is dit woord niet persé gelinkt aan het patronaatschap, maar gaat het om de vrijgevigheid, die afkomstig kon zijn van personen uit alles sociale geledingen van het volk.

 

Inhoudelijk weten we - dankzij de toegevoegde informatie uit de inscriptie - dat dit woord van vrijgevigheid een hele resem van weldaden belichaamde, zoals het organiseren van publieke spelen (6/50 - 12%)[883], het financieren van publieke werken (3/50 - 6%)[884], het houden van publieke feesten (1/50 - 2%)[885], het schenken van legaten (3/50 - 6%, cf. infra)[886] en het sponsoren van de graanvoorziening (1/50 - 2%)[887]. Hierbij dient wel opgemerkt dat het uitreiken van sportulae of maaltijden bij de inhuldiging inderdaad een handeling van financiële vrijgevigheid was, maar niet kan gerekend worden tot de verduidelijking van de motivering, in casu van munificentia. Hierover later meer.

 

Geografisch gezien ligt de nadruk van het voorkomen van deze term in regio I (26/50 - 52%), een relatief goede vertegenwoordiging in het Zuiden van het Italisch schiereiland (12/50 - 24% voor regiones II en III), net als in het centrum (10/50 - 20% voor regiones IV-VII). Alleen in het Noorden komt deze term slechts een enkele keer voor in de regiones VIII en XI (1/50 - 2%). Tenslotte zien we nog dat deze term het vaakst voorkomt in de tweede eeuw n.C., met een aanvang in de eerste eeuw en een doorlopend gebruik, maar in mindere mate, in de derde eeuw n.C.[888]

 

3.3.2. Liberalitas en largitio.

 

Liberalitas heeft betrekking op de vrijgevigheid, die zich alleen inlaat met het welzijn van de begunstigden.[889] Largitio had aanvankelijk dezelfde betekenis van liberalitas, maar kreeg de betekenis van officiële betalingen van magistraten[890]. Ten tijde van de Republiek veranderde echter de connotatie van politiek-neutraal, naar negatief: het verwees naar de politiek geïnspireerde uitgaven - vaak met de bedoeling om stemmen te ronselen[891] - in plaats van onbaatzuchtige vrijgevigheid - alhoewel men zich kan afvragen of de vrijgevigheid van weldoeners ooit onbaatzuchtig was.[892]

 

Door de associatie met ambitio[893], die men eertijds placht te geven, werden deze woorden veel minder gebruikt dan munificentia en ook op een later tijdstip, wat bewijst dat het publiek nog steeds gevoelig was voor deze negatieve connotatie, met name die van politieke omkoperij onder lokale magistraten. Liberalitas vinden we namelijk slechts veertien keer terug (14/696 - 2.01%), terwijl largitio - dat de sterkste, negatieve connotatie bezat - slechts zes keer in dit corpus opdook (6/696 - 0.86%).

 

Ook deze woorden werden in inscripties voor zowel patroni als niet-patroni aangewend, uit alle klassen afkomstig, met een nadruk op de municipale elite. Geografisch zijn deze termen over het gehele Italische schiereiland gespreid. Wat betreft de chronologie dateren ze grotendeels uit de tweede eeuw n.C., ten vroegste uit de tweede helft van de eerste eeuw n.C. (InscrNr. 243) en ten laatste uit de late derde eeuw n.C. (InscrNr. 304).[894] Het is vanaf Caesar dat deze woorden hun negatieve connotatie begonnen in te boeten, werd dan even niet meer gehanteerd binnen het imperiaal jargon, om dan vanaf Claudius weer gangbaar werd. Het is pas vanaf de tweede eeuw dat deze woorden veelvuldig terugkwamen in de keizerlijke propaganda en zo hun weg naar de inscripties vonden.[895]

 

Bij de inhoudelijke betekenis dient nog toegevoegd, dat deze woorden enigszins verschillen van munificentia. Munificentia staat eerder voor de voorwerpen van vrijgevigheid (een bouwwerk, geld, spelen e.d.) terwijl liberalitas eerder verwijst naar de vrijgevige aard van de weldoener. Toch worden deze woorden allen verwisselbaar met elkaar gebruikt en dus zowel de vrijgevige aard van de geëerde als de voorwerpen van diens vrijgevigheid belichamen.[896] De vrijgevigheid kon ook hier weer meerdere vormen aannemen, waaronder het steunen van de bouwwerken aan een amfitheater (InscrNr. 653), of de constructie van een stad (InscrNr. 304, Canopus), maar vaak gaat het toch om spelen in het algemeen en gladiatorenspelen in het bijzonder (5/14 - 35.71%).

 

3.3.3. Voorkomen van het vocabularium m.b.t. financiële vrijgevigheid bij de klassieke auteurs.

 

In de tweede categorie – vrijgevigheid – hebben we de termen munificentia, liberalitas en largitio gezien. Munificentia wordt ook bij de klassieke auteurs als een positieve term ervaren. Kijk maar bij Cicero, in zijn betoog voor Quintus Roscius[897], dewelke Cicero verdedigde. De aanklacht luidde dat Roscius iemand anders had bedrogen voor HS50.000. De kern van de verdediging hield in dat Roscius te rijk en vrijgevig – munificentissimus – was om zich met zo’n criminele feiten in te laten. Met deze interpretatie lijkt het geen wonder dat dit meer neutrale woord meer voorkwam in de inscripties dan de andere twee termen uit dezelfde categorie.

 

Liberalitas wordt op dezelfde wijze als munificentia door Cicero op een positieve manier beschreven. Hij kent het woord een specifieke vrijgevigheid toe, dat zich alleen inlaat met het welzijn van de ontvangers, en niet met het feit dat die daden goed zouden zijn voor diens reputatie.

«Neque enim bonitas nec liberalitas nec comitas esse potest, non plus quam amicitia, si haec non per se expetantur, sed ad voluntatem utilitatemve referantur.»[898]

 

For neither goodness nor generosity nor courtesy can exist, any more than friendship can, if they are not sought of and for themselves, but are cultivated only for the sake of sensual pleasure or personal advantage.[899]

 

«Quid tam porro religium, tam liberale, tam munificum, quam opem ferre supplicibus, excitare adflictos, dare salutem, liberare periculis, retinere homines in civitate?»[900]

Wat is er verder evengoed waardig, voornaam en betrouwbaar, als hulp bieden aan smekelingen, het afwenden van onheilen, mensen te groeten, te ontdoen van gevaren en het bewaren van de mannen in de stad?

 

Largitio, zoals boven reeds werd aangegeven, had een negatievere connotatie in de literatuur, hoewel de oorspronkelijke betekenis eerder neutraal moet geweest zijn. Het kreeg de betekenis van uitgaven door magistraten verricht, later verengd tot omkoopsommen voor corrupte doeleinden besteed en geassocieerd met ambitio[901]. Deze negatieve connotatie vinden we terug bij Cicero, die largitio en ambitio in één adem noemde en ze tegenover liberalitas en benignitas plaatste:

«Nam et de pecuniis repetundis quae maximae sunt, neganda fere sunt omnia, et de ambitu raro illud datur, ut possis liberalitatem ab ambitu atque largitione seiungere.»[902]

 

Want ook terug te betalen sommen geld, die zeer groot zijn, moeten bijna allemaal worden geweigerd, ook dat wat wordt gegeven door zeldzame ambitie, opdat je vrijgevigheid en liefdadigheid zou kunnen onderscheiden van omkoperij en corruptie.

 

Dit moet hebben doorgeklonken in de epigrafie. Deze vervaging blijkt het duidelijkst uit het feit dat de term ook gebruikt werd in beschrijvingen van deugden, die aan de keizers werden verbonden en een keizer kon men onmogelijk van ambitio verdenken.

«In omne hominum genus liberalissimus explevit censum senatorium, consulares inopes quingenis sestertiis annuis sustentavit, plurimas per totum orbem civitates terrae motu aut incendio afflictas restituit in melius, ingenia et artes vel maxime fovit.»[903]

 

Tegenover alle maatschappelijke klassen was hij bijzonder vrijgevig. Van senatoren bracht hij het vermogen op het vereiste minimum, behoeftige oud-consuls gaf hij een jaarlijkse ondersteuning van 500.000 HS. Zeer veel steden over de gehele wereld, die door een aardbeving of brand getroffen waren heeft hij fraaier herbouwd. Kunsten en wetenschappen heeft hij in het bijzonder begunstigd.[904]

 

De term largitio werd dus uiteindelijk toch gebruikt, wat tevens ten dele kan verklaard worden door de stijgende financiële nood op lokaal niveau. In ieder geval zijn er slechts weinig voorbeelden bekend, wat bewijst dat de betekenis van corruptie toch enigszins bekend was bij de dedicanten, zodat deze laatsten eerder geneigd waren een meer neutraal woord te gebruiken, zoals munificentia. Voor de negatieve connotatie bij klassieke auteurs dient te worden verwezen naar Cicero[905]:

«Hac tanta perturbatione civitatis ne noctem quidem consules inter meum (interitum) et suam praedam interesse passi sunt: statim me perculso ad meum sanguinem hauriendum, et spirante etiam re publica ad eius spolia detrahenda advolaverunt. Omitto gratulationes, epulas, partitionem aerari, beneficia, spem, promissa, praedam, laetitiam paucorum in luctu omnium.»[906]

 

The city being in this state of confusion, the consuls did not allow even one night to ellapse between my misfortune and their acquisition of plunder: instantly, the moment I was struck down, they flew to drink my blood, and, while the republique was still bleeding to carry off and divide my spoils, I say nothing of their mutual congratulations, of their banquets, of their division of the treasury, of their liberality, of their hopes, of their promisses, of their booty of the joy of few amid the universal mourning.[907]

 

3.3.4. Dedicatio als motief?

 

Hier moeten we de onderzoeker behoeden voor een foute interpretatie. Ook Forbis vermeldde reeds dat zij tot de vrijgevigheid van de geëerde ook publieke feesten, schenkingen en sportulae rekende.[908] Men moet echter een onderscheid maken tussen enerzijds de feesten, schenkingen en gelduitdelingen, die de oprichting van het standbeeld vooraf gingen en dus een deel uitmaken van de reden, waarom een standbeeld werd opgericht en anderzijds die publieke manifestaties, die als reactie volgden op het toegekende eerbetoon. Het is namelijk zo dat men rekening moet houden met de sequentie van de gebeurtenissen, die de oprichting van een standbeeld voorafgaan.

 

Wanneer de dedicanten besloten dat de weldaden van een zeker individu opmerkelijk genoeg waren om te worden beloond met een eremonument, hadden ze reeds voorafgaand een beweegreden, die hen dreef tot de oprichting van een dergelijk kostelijk eerbetoon. Vervolgens wordt dit individu op de hoogte gebracht van de intenties van de dedicanten, zodat deze zijn dankbaarheid voor deze eer eventueel zou kunnen betonen - wanneer deze dat zou wensen - door de kosten terug te betalen (cf. hoofdstuk 6), of maatregelen te treffen voor de dedicatio (cf. hoofdstuk 7). Vervolgens wordt bij de dedicatio het monument opgericht, maar zeker niet steeds mét inscriptie. Het lijkt onwaarschijnlijk dat telkens op voorhand bekend was of en wat de geëerde zou uitdelen. Er moest dus gewacht worden tot de dedicatio voorbij was om de inscriptie aan te brengen. De dedicatio kon dus zeker niet de primaire motivatie zijn om een dergelijk monument op te richten, maar hooguit als bekrachtiging, verantwoording en versterking van de primaire beweegreden. Het gebaar werd dus wel ten volle geapprecieerd, waardoor dit element ook een plaats waardig was binnen de inscriptie.

 

3.4. Persoonlijke motivatie voor het patronaat.

 

Ook binnen deze categorie bespreekt Forbis een hele serie aan woorden, die de aandacht trekken naar het persoonlijke karakter van de geëerde, waarbij een beeld wordt geschetst van de relatie tussen patroon en client(es) of tussen dedicatus en dedican(te)s.[909] Het gaat hier om de termen amor (32/696 - 4.60%), adfectio (18/696 - 2.59%), benevolentia (3/696 - 0.43%), spes (2/696 - 0.29%), voluntas (2/696 - 0.29%), studium (2/696 - 0.29%), obsequium (3/696 - 0.43%), reverentia (0/696), honorificentia (4/696 - 0.57%) en pietas (7/696 - 1.01%). Uit deze tien woorden gaan we echter enkele termen selecteren, die in dit corpus voldoende attestaties opleveren om zinvolle conclusies aan te kunnen geven en waarop gezocht werd op de databank van Clauss-Slaby. Daarom hebben we gekozen voor de termen amor (32/696 - 4.60%), adfectio (18/696 - 2.59%) en pietas (7/696 - 1.01%),[910] dewelke tussen één en vijf percent uitmaken van dit gehele corpus en dus in theorie niet echt representatief zijn, omdat minstens tien percent nodig is om te kunnen spreken van representativiteit (cf. bijlage 75). Daarbij werden de andere termen volgens Forbis minder gebruikt omwille van hun connotatie van een politieke partijgeest van lagere klassen en van slaafse gedweeheid.[911]

 

3.4.1. Amor en adfectio.

 

De eerste term, amor, komt in dit corpus nog relatief vaak voor, namelijk tweeëndertig keer (32/696 - 4.60%) en is zo met merita (228), beneficia (26), honor (47) en munificentia (50) één van de vaakst voorkomende woorden, die bij de motivatie een deugd aanduiden. Het woord bevat een chauvinistische of persoonlijke toewijding, gemotiveerd door echte genegenheid, waarbij geen verplichtingen opgelegd waren.[912] Net door de genegenheid, die de geëerden ontvingen van de dedicantes, voelde hij zich nog meer geneigd om zich vrijgevig op te stellen tegenover hen.[913]

 

Nochtans kan amor ook dankbaarheid betekenen vanwege de dedicantes jegens hun weldoener. Dit laatste kwam tot uiting in InscrNr. 481[914] uit Ocriculum, waarin “amatores” de dankbaarheid beschrijft van de inwoners van de gemeente tegenover hun weldoener. Opvallend is dat de term amor met deze betekenis voorkomt in een brief, die ten gevolge van de uitvaardiging van een decreet ter coöptatie van een patroon naar de desbetreffende geëerde was gestuurd en de hele motivering bevat o.a. met betrekking tot genegenheid.

(…) // II viri et decuriones Foro Semproniens(es) Vero / salutem / et dignitatis tuae tot tantique tituli iudici(i)s / principalibus pulchri et in rem publicam n(ostram) / notabilis munificentia et adfectus quos civi/bus nostris nunc ipse praestas nunc ab eis per/cipis et praecipue morum tuorum modestia / singularis reverentia insignis necessario / nos compulit ut tandem parem tibi grati/am in quantum potest dum ignoras refera/mus nam statuam tibi pedestrem de nostro / ponendam iam pridem decrevimus sed idcirco / decretum ad te non misimus ne nunc quoq(ue) / sicut antea cum publice tibi statua decreta / est fecisti honore tantummodo te conten/tum esse rescriberes quae res tuam quidem / modestiam inlustraret nobis vero velut / segnitiam exprobraret (…).

 

(…) De decurionen en duumviri van Forum Semproni groeten Verus. De zo grote en zovele eretitels van uw waardigheid, die naar het oordeel van de keizer zo mooi zijn; en de alom bekende vrijgevigheid jegens onze gemeenschap; en de gevoelens van genegenheid, die je nu enerzijds laat blijken jegens onze burgers en die je anderzijds van hen mag ontvangen; en vooral de uitzonderlijke bescheidenheid van uw aard; en uw opmerkelijke schroom dwingen ons ertoe, dat wij eindelijk gelijkwaardige dank aan u betuigen, in de mate het mogelijk is, terwijl u er niet van op de hoogte bent. Want we hadden reeds vroeger besloten voor u een standbeeld op te richten op onze kosten, maar we hebben daarom precies ons neergeschreven besluit niet naar u gestuurd, opdat niet nu zoals tevoren – toen voor u op publieke kosten een standbeeld besloten werd op te richten – u zich zodanig tevreden stelde met het gebaar, hetgeen u terugschreef, hetgeen uw bescheidenheid zelfs illustreerde en ons echter blootstelde aan luiheid.(…)

 

De betekenis van oprechte toewijding - die in de eerste paragraaf werd aangehaald - verbindt amor met affectio (18/696 - 2.9%).[915] Op zich betekent adfectio liefde, of affectie en is zo een synoniem voor amor.[916] Anderzijds is adfectio eigenlijk de geestesgesteldheid van de weldoener, terwijl amor doelt op de invloed, die op die geestesgesteldheid inspeelt. Beide woorden worden vaak geplaatst in een constructie met voorafgaand ob en vervolgens de termen in de accusatief. Hierna volgt vaak de beschrijving van de collectieven of individuen tegenover wie deze gevoelens bedoeld waren (vb. erga cives), waarbij amor en adfectio worden voorgesteld als persoonlijke deugden, die prijzenswaardig waren. Hierbij wordt anderzijds de gemeenschappelijke dankbaarheid en affectie vanwege de begunstigden beschreven.[917]

 

Deze deugden werden zowel voor patroni als voor niet-patroni gebruikt, waarbij ieder van de geëerden worden voorgesteld als een exemplum van goede, weldadige Romeinen, waarbij voornamelijk weerom hun financiële vrijgevigheid wordt beschreven en dan voornamelijk met betrekking tot de organisatie van publieke spelen. Hoewel het uitdelen van sportulae slechts secundair en na de toekenning van het monumentaal eerbetoon een deel ging uitmaken van de geaccumuleerde financiële vrijgevigheid,[918] kunnen we echter wel zeggen dat hierdoor de loyaliteit van de geëerde tegenover zijn “amatores” eveneens zijn eigen gevoelens van genegenheid illustreerde aan zijn oprichters.[919]

 

Beide termen zijn goed verspreid over alle regiones - met uitzondering van regiones VIII, IX en XI - met de grootste representatie in regio I, waaruit ook de meeste inscripties afkomstig zijn.[920] Dit gebruik was echter dun bezaaid in het Noorden, maar niet ongebruikelijk. In het centrum vindt men deze formuleringen het vaakst terug. Het Zuiden is proportioneel gelijk vertegenwoordigd, hoewel het in vergelijking met de inscripties met de termen uit andere regiones om een gering aantal gaat. Chronologisch zijn de termen ook hier voornamelijk toe te wijzen aan de tweede en - vooral - derde eeuw n.C.[921] Ook hier dient weer herhaald, dat de meeste ere-inscripties dan ook afkomstig waren uit deze eeuwen.

 

3.4.2. Pietas.

 

Wanneer men het in de inscripties had over het woord pietas in de motivering, ging het vaak niet om zijn religieuze - plichtsgetrouw gedrag jegens de goden - of politieke betekenis - politiek plichtsgevoel, maar eerder die betekenis, die aansluit bij munificentia. Het gaat hier om de toewijding en genegenheid jegens een gemeente of corporatief geheel, die de geëerde uitte door middel van financiële weldaden.[922] Dat dit woord ietwat meer voorkomt in dit corpus dan de andere woorden, die binnen de categorie van persoonlijke motivatie horen, heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat dit een deel is van het jargon van de imperiale propaganda.[923]

 

Deze deugd was evenmin voorbehouden aan een bepaalde sociale klasse, maar te vinden bij personen uit alle lagen van de Romeinse samenleving, zowel voor patronen als niet-patronen.[924]

 

Pietas kan eigenlijk vergeleken worden met het woord affectio, aangezien het ook hier om een geestesgesteldheid gaat en dus ook hier de associatie met financiële vrijgevigheid kan worden gemaakt, al was deze betekenis reeds latent door het gecombineerd optreden van dit woord met munificentia. Hier dient nog vermeld dat deze deugd geen betrekking had op de dedicantes in de connotatie van dankbaarheid, maar louter duidt op de deugdelijkheid van de geëerde.[925]

 

Tenslotte kan nog worden gezegd dat dit woord geen specifiek geografische of chronologische tendensen kent, aangezien de term doorheen heel Italia voorkomt en te dateren is van de eerste tot en met de derde eeuw, met zijn zwaartepunt in de tweede en derde eeuw, zoals gezegd, net zoals de meeste van de ere-inscripties.[926]