Tituli honorarii, monumentale eregedenktekens. Ere-inscripties ten tijde van het Principaat op het Italisch schiereiland. Een statistisch-epigrafisch onderzoek. (Annelies De Bondt)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL 1

 

Analyse van de elementen.

 

Hoofdstuk 3. De monumentale context.

 

1. Inleiding.

 

Bij een onderzoek naar het fenomeen van de honoraire inscriptie, is het opportuun eveneens te kijken naar het monument zelf dat voor een individu werd opgericht binnen het municipale kader. Want het is net dit kader dat bepalend is voor de locatie, de materiële context en de vorm van de standbeelden. En net daarin verschillen de municipale standbeelden en andere monumentale eerbetonen van caput Roma.

 

Vooreerst dienen enkele basiswerken vermeld te worden, die bijzonder nuttig waren ter bespreking van deze materie. Vooreerst hebben we Lahusen, de man, die zich heeft verdiept in het fenomeen van de erestandbeelden te Rome, en zijn bevindingen heeft neergeschreven in het boek “Untersuchungen zur Ehrenstatue in Rom: Literarische und Epigraphische Zeugnisse”[397]. Hij bespreekt de opstelplaats van de verscheidene standbeelden, de typologie van de standbeelden die werden opgericht, de motivatie voor het oprichten van erestandbeelden, de opdrachtgevers van de oprichting, het ius imaginis en tenslotte de functie en betekenis van een dergelijk standbeeld. Zijn bevindingen zullen ten gepaste tijden worden getoetst aan de municipale variant, hetgeen onderwerp is van deze dissertatie.

 

Een meer algemeen werk in verband met het topic standbeelden, dat hiervan een globale bespreking geeft in alle verschijningsvormen en contexten, is het recente werk van Peter Stewart - Statues in Roman Society: Representation and Response - uitgekomen in 2005.[398] In dit werk gaat hij eveneens in op de natuur, functie en typische vormen, of althans wat de iconografie en taal ons hierover leren. Hij bespreekt portretstandbeelden en beeldjes, simulacra en insignia en standbeelden in zowel de publieke als de private sfeer.

 

In dit hoofdstuk wordt vooreerst gekeken naar de locatie van een erestandbeeld in het municipaal straatbeeld, vooral op basis van wat weergegeven wordt in de inscripties zelf. De archeologische context komt hier minder aan bod, aangezien de nadruk hier ligt op de intern-specifieke kenmerken en niet op het extern-fysieke karakter. Om dit aspect niet geheel te verwaarlozen wordt weliswaar een uitweiding gemaakt op basis van de casus Ostia. Vervolgens wordt ook de materiële context kort besproken - zoals omvang, materiaal en decoratie - maar weerom met de nadruk op de gegevens, die door de inscripties zelf verschaft worden. Een uitweiding op de typologie van de opgerichte monumenten is echter meer op zijn plaats en deze types dienen onderzocht te worden op hun sociale karakter. Tenslotte wordt nog nagegaan of het eerbetoon postuum was of nog tijdens het leven van de geëerde werd opgericht.

 

 

2. Locatie.

 

2.0. Inleidende bemerkingen.

 

In deze paragraaf is het de bedoeling om de epigrafische informatie over de setting te plaatsen tegenover de archeologische context. Onder de eerste titel gaan we dan ook dieper in op de gegevens, die door de inscripties zelf aan ons verschaft worden. In het tweede luik bekijken we dan weer in welke archeologische omstandigheden de inscripties werden aangetroffen. Aangezien dit laatste niet zonder problemen was (cf. infra), werd ervoor gekozen om zich te beperken tot een casus over de gemeente, die de meeste inscripties opleverde, namelijk Ostia.

 

Vooraleer met het eigenlijke betoog aangevangen wordt, dienen de problemen, die zich stellen bij dit onderzoek, bij naam te worden genoemd, opdat de lezer een beter zicht zou krijgen op het onderzoek zelf.

 

Ten eerste was het verzamelen van het materiaal geen sinecure, aangezien we hiervoor aangewezen waren op het materiaal verschaft door de redactie van de CIL en deze niet steeds even consequent de precieze vindplaats vermeldde, alhoewel hier toch poging toe werd gedaan. Soms werd alleen de vindplaats vermeld, zoals men die kende op het einde van de negentiende of begin van de twintigste eeuw.

 

Bvb. in een oude wijk[399], in een kerk, die ondertussen niet meer bestaat of niet gelokaliseerd werd, bij graafwerken aan een huis, of in de tuin van een persoon, die wel bij naam wordt genoemd, maar van wie we het adres niet kennen en daarbij reeds lange tijd overleden is. Het is mogelijk dat de inscriptie hier werd aangetroffen bij toeval en dat de tuin de archeologische context bevat. Maar in de laatst vermelde situatie is het ook mogelijk dat archeologen of vorsers de inscripties mee naar huis namen om ze daar uit te stallen in de woning[400] of de tuin[401].

 

Anderzijds, zoals ook reeds in de inleiding werd vermeld en hier gerecapituleerd dient te worden, kan het standbeeld ook in het verleden zijn gegrepen door natuurrampen, zoals in Pompei en Herculaneum door de vulkaanuitbarsting van de Vesuvius op 24 en 25 augustus in 79 n.C. Monumenten kunnen door dergelijke natuurlijke manifestaties verplaatst of extra beschadigd zijn. Ook de mens kan verantwoordelijkheid dragen voor de verplaatsing van een monument en dit zowel in de oudheid - bij hergebruik of herbestemming[402] - als in de eeuwen daaropvolgend. In de Oudheid kon men een monument hergebruiken als drager van een nieuwe inscriptie[403], maar ook bij de opbouw van grootschaligere constructies, zoals bij de bouw van een amfitheater.[404]

 

Ook vanaf de middeleeuwen kon het zijn dat men antieke inscripties ging gebruiken om andere constructies te kunnen verwezenlijken, waarbij het vaak ging om de bouw van woningen[405] en dan in het bijzonder van gebouwen met een katholieke bestemming, zoals kerken[406], kathedralen[407] en kloosters. We hebben ook één attestatie in dit corpus daterend uit de middeleeuwen, waar een Christelijke inscriptie werd aangebracht op de achterzijde van een antieke basis met opschrift en we dus ook hier van hergebruik kunnen spreken. Het betreft hier inscriptie 569 uit het antieke Falerii Novi.[408] Van de voorkant rest ons niet meer dan een fragment, maar we weten dat dit fragment deel uitmaakte van een basis, waar op de achterkant in de 15e eeuw een Christelijk opschrift in bas-reliëf werd aangebracht rond de afbeelding van een schaap met eronder de initialen. Boven de decoratie staat het jaartal vermeld, waardoor we weten dat dit opschrift in 1487 werd aangebracht.

 

 

De meest recente vorm van verplaatsing en conservatie is de transportatie van de opschriften en hun dragers naar kabinetten en later naar musea. Deze laatste was de meest ideale omstandigheid waarbij vooral de conservatie van het monument in het middelpunt stond, maar de bewaring van de archeologische gegevens vaak vergeten (te vermelden) werd. Het is pas recent dat men ook hieraan belang begint te hechten. Zelfs in het Vaticaans museum zien we dat er nog niet veel moeite werd gedaan om de gegevens met betrekking tot de archeologische context publiek te maken, zoals ook blijkt uit bijlage 34.[409] Hier werd gezocht naar de informatie bij de basis met de inscriptie voor Publius Horatius Chryseros (InscrNr. 122), die niet vermeld werd op de panelen, die informatie moeten bieden bij de daar aan te treffen basissen. Zoals ook hieruit afgeleid kan worden, wordt weinig informatie aangeboden aan het publiek.

 

Deze problematiek heeft in het eerste luik - van de expliciet vermelde locatie - ertoe geleid, dat de vergelijking tussen de gegevens door de inscripties verstrekt en de informatie uit de archeologische context vaak wordt bemoeilijkt of zelfs onmogelijk wordt gemaakt. Daarom wordt dit onderzoek voornamelijk beperkt tot de epigrafisch verschafte informatie.

 

Voor het tweede luik heeft dit tot gevolg dat men niet op een consequente manier de archeologische vindplaats kan nagaan, noch de inscripties in serie zetten. Daarom werd geopteerd voor het bespreken van een casus over een gemeente, namelijk het beter geattesteerde Ostia.

 

2.1. Expliciet.

 

Onder dit kapittel is het de bedoeling om de gegevens, die door de inscripties zelf verschaft werden, te gaan bekijken en tegenover elkaar af te zetten. Diezelfde gegevens toetsen op hun realiteitswaarde en dus vergelijken met de archeologische context is echter moeilijk en kan weinig representatief genoemd worden door de bovenbesproken moeilijkheden. In bijlage 35[410] werden de verscheidene formuleringen, die expliciet verwijzen naar de plaatsing en locatie van de standbeelden, in een overzicht geplaatst. In totaal gaat het hier om 286 inscripties (268/696 - 38.51%).

 

2.1.1. Locus datus decreto decurionum.

 

Zoals reeds boven werd gesteld gaat het hier om 286 inscripties, waarin expliciet over een plaatsing wordt gesproken. Maar hierbij dient opgemerkt dat een groot aantal besloten ligt in de formule locus datus decreto decurionum en zijn varianten (192/268 - 71.64%). Deze formule vertelt ons dan ook niets over de plaatsing zelf, maar wel over het officieel karakter van de beslissing en dat de decuriones een - waarschijnlijk - publieke plaats hebben toegekend voor de oprichting van het eerbetoon. Hetzelfde geldt voor de formuleringen waarbij aan locus datus decreto decurionum, decreto decurionum, (locus) datus of (loco) decreto het woord publice wordt toegevoegd (24/268 - 8.96%). Tenslotte hebben we nog de formulering loco publico, waarvan we vier attestaties hebben (4/268 - 1.49%).

Bij ieder van deze formularia zijn we - quasi - zeker dat het telkens om een publieke plaats ging, maar weten we nog steeds niet waar precies. Daarom dat de vraag naar het publieke karakter van de locaties zich opdringt.

 

2.1.2. De publieke aard van de plaatsing.

 

Wanneer publice[411] vermeld staat (totaal 46/268 - 17.16%), zijn we zoals gezegd zeker dat het om een publieke plaats gaat. Dat dit woord slaat op de publieke plaatsing en niet op de publieke financiering - dus uit pecunia publica[412] - blijkt uit volgende argumenten. Ten eerste hebben we 22 inscripties, waarbij de vermelding van publice niet staat bij de stereotiepe zinsnede locus datus decreto decurionum of varianten, maar wel degelijk op die plaats in de zin waar men spreekt over de plaatsing van een standbeeld en publice dus duidt op de publieke plaats, zoals ook loco publico zou gedaan hebben (cf. infra). Zoals ook blijkt uit het onderstaand opschrift[413]. In deze inscriptie zien we namelijk, dat publice slaat op de plaats van het standbeeld aangezien het woord bij ponendam hoort, waardoor de vertaling met ‘publieke kosten’ wordt verworpen. Verder - op het einde van de ere-inscriptie aan de voorzijde - staat dan nog eens de vermelding dat de decuriones bij decreet deze plaats bepaald hebben.

Voorzijde: Q(uinto) Plotio Q(uinti) fil(io) / Quir(ina) Romano / equo publico exorn(ato) / a divo Hadriano / aed(ili) flam(ini) Rom(ae) et Aug(ustorum) / flamini divi Titi / huic decuriones / statuam publice ponend(am) / decreverunt / Plotius Niger pater honore usus / de suo posuit l(ocus) d(atus) d(ecreto) d(ecurionum) //

Linkerzijde: Dedic(ata) XVI Kal(endas) Apr(iles) / T(ito) Hoenio Severo / M(arco) Peducaeo Priscino co(n)s(ulibus) (CIL 14, 400 - InscrNr. 128)

 

Voor Quintus Plotius Romanus, zoon van Quintus, uit de Quirina tribus, geëerd met een staatspaard door de vergoddelijkte Hadrianus, aediel, flamen van Roma en de Augusti, flamen van de vergoddelijkte Titus, voor hem hebben de decuriones de beslissing genomen tot de plaatsing van een standbeeld op een publieke plaats. Plotius Niger, zijn vader, heeft van de eer gebruik gemaakt en op eigen kosten (het standbeeld) geplaatst. De plaats werd toegewezen bij decreet van de decuriones.

Ingehuldigd op de 16e kalenden van april onder het consulaat van Titus Hoenius Severus en Marcus Peducaeus Priscinus. (17 maart 141 n.C.)

 

Ten tweede komen we in de inscripties ook meldingen tegen van publice samen met een woordengroep, die duidt op de financiering van het standbeeld. In de volgende inscriptie[414] zien we enerzijds dan ook pecunia collata staan, hetgeen duidt op de manier van financiering, en anderzijds de vermelding van publice wat op de aard van de plaats (locum publice) slaat.

Variae Italiae / Pacati Fausti / sacerdoti et cultrici / Cereris et Veneris dignissimae / ob merita eius / decuriones Augustales honorati / et vicani pecunia collata posuerunt / eique locum publice censuerunt. (AE 1954, 166 - InscrNr. 558)

 

Voor Varia Italia, echtgenote van Pacatus Faustus, sacerdos en vereerster van Ceres en Venus, voor haar aan wie het het meest toekomt hebben de decuriones, Augustales, zij die een ereambt bekleden en de vicani (dorpsbewoners) uit ingezamelde gelden (dit monument) geplaatst en aan haar een plaats publiek toegekend.

 

Van deze inscripties, met vermelding van publice of locus datus decreto decurionum en aanverwanten, weten we nu wel dat ze op een publieke plaats stonden, maar daarmee weten we echter nog niet veel meer over de precieze locatie.[415] En aangezien niet van iedere inscriptie met deze vermelding ook de archeologische context bekend is, kunnen we deze gegevens niet op een representatieve manier toetsen aan de realiteit om de precieze inhoud van het publieke karakter te achterhalen.

 

Daarom moeten we ons behelpen met de gegevens, die in casu wel voorhanden zijn, beginnende met de literaire bronnen. In eerste instantie krijgen we informatie over het domein, dat als publiek beschouwd werd, uit de Digesta in boek XLIII.8.2.3:

Ulpianus 68 ad ed.

Publici loci appellatio quemadmodum accipiatur, labeo definit, ut et ad areas et ad insulas et ad agros et ad vias publicas itineraque publica pertineat.

 

Labeo defines the term, "public place," as applying to such localities, houses, fields, highways, and roads as belong to the community at large.[416]

 

We krijgen echter nergens informatie over wat men precies onder een “publieke plaats” verstond. Maar uit de verscheidene rechtsadagia leren we wel dat publieke wegen - en de berm ernaast[417] - alsook rivieroevers[418], rivieren zelf en havens[419], fora, maar ook gebouwen en dergelijke meer behoren tot het publieke bezit, naast het publieke patrimonium dat door servi publici - staatsslaven - werd ontgonnen.

 

Dat het ook beter is om een monumentaal eerbetoon in het openbaar te krijgen, leren we uit een brief van Plinius, namelijk aan Macrinus.[420]

His ex causis statua Cotti publice laetor, nec priuatim minus. Amaui consummatissimum iuuenem, tam ardenter quam nunc impatienter requiro. Erit ergo pergratum mihi hanc effigiem eius subinde intueri subinde respicere, sub hac consistere praeter hanc commeare.

 

Looking at it in this light then, I am glad, upon public grounds, that a statue is decreed Cottius: and for my own sake too, just as much; for I loved this most favoured, gifted youth, as ardently as I now grievously miss him amongst us. So that it will be a great satisfaction to me to be able to look at this figure from time to time as I pass by, contemplate it, stand underneath, and walk to and fro before it.[421]

 

Enerzijds kunnen we uit bovenstaand citaat niet alleen een zeker gevoel van genegenheid tegenover de jongeman bemerken, maar deze zinsnede toont ook een scepticisme ten opzichte van de personen, die geëerd konden worden. Een jongeling als Cottius verdiende een dergelijke - postume - eer, met de subtiele connotatie dat anderen een gelijkaardig eerbetoon veel minder waard zijn. Daarom heeft Plinius dan ook geen bezwaren om een standbeeld van een personage als Cottius tegen te komen. Bij dit laatste benadrukt hij dan ook nog eens de alomtegenwoordigheid van een dergelijk eerbetoon in het straatbeeld: wanneer je door de stad loopt, loop je naar standbeelden toe, erlangs, er voorbij of je houdt erbij halt. Hoe je het draait of keert, het standbeeld werd opgemerkt net omwille van het publieke karakter van het standbeeld. In tegenstelling tot het vorige fragment gaat het hier niet over de exacte locatie van het standbeeld, maar wel om het publieke karakter van de locatie en wat voor een invloed het had op de passanten.

 

Wanneer we ons tot de inscripties wenden, om meer te weten te komen over de expliciet publieke locaties van de opgerichte standbeelden, vinden we soms formuleringen terug, die ons meer informatie verschaffen - al dan niet impliciet - over de plaatsing van het standbeeld of monument. Laten we beginnen met de vermelding van een plaatsing op het forum, hetgeen het duidelijkst en best geattesteerd is in de inscripties (13/268 - 4.85%).

 

2.1.3. Het forum.

 

Zoals gezegd hebben we een dertiental monumenten, waarvan we zeker weten, dat ze op het forum - “in foro” - werden geplaatst, hetgeen we vernemen uit de inscriptie zelf (13/268 - 4.85%).[422] Wat betreft de precieze plaatsing van het standbeeld krijgen we slechts een minimum aan informatie, die zich voornamelijk beperkt tot de bewoording “in foro”.

 

Slechts in vier inscripties (1-4) krijgen we een iets meer gedetailleerde omschrijving, die meer verwijst naar het eervolle karakter van de plaatsing, dan de precieze locatie aan te duiden.

 

i. Ubi ipse vellit.

We hebben vooreerst twee inscripties (1 & 2), waarin duidelijk wordt gesteld dat de geëerde zelf de plaats op het forum mag kiezen.[423] We kunnen echter veronderstellen dat de Romein - die zo gesteld was op het verbreiden van zijn persoonlijke eer, roem en naambekendheid - niet zal getwijfeld hebben om de belangrijkste, beschikbare plaats uit te kiezen wat uiteindelijk zijn recht was. Indien de man in kwestie dit effectief deed, zou het hem niet worden kwalijk genomen, aangezien het hem beloofd was. Maar zelfs indien de persoon in kwestie zich tevreden had betoond met een meer discrete plaatsing, zou dit ook als een blijk van bescheidenheid kunnen geïnterpreteerd worden. Voor de toenmalige - gealfabetiseerde - voorbijganger was het wel duidelijk uit de context, waarin men het standbeeld aantrof, hoe men deze plaatsing diende te interpreteren. De connotatie bleef echter steeds dezelfde: één van de hoogste municipale eerbetonen, die kon worden toegekend aan private personen, was ook aan deze persoon aangeboden.

 

Uit inscriptie 39 (1)[424] leren we dat Aulus Quinctilius Priscus deze gelegenheid niet zomaar voorbij liet gaan en een doordachte keuze maakte met betrekking tot de plaatsing van diens monument.[425] Wat de reële feiten ons duidelijk maken is dat het hier lijkt te gaan om een tweevoudig eerbetoon. Vooreerst werd een standbeeld toegekend aan deze man - een statua togata - op het tweede forum van Ferentinum - het forum pecuarium[426]. Vervolgens werd een tweede monument opgetrokken voor hem, waarvan de tekst, de hier besproken inscriptie, in de rotswand erboven was ingekerfd. Men kan zich echter de vraag stellen of de bepaling uit de tweede inscriptie “statuam publice ponendam in foro ubi ipse vellet” zowel verwijst naar het standbeeld ten voeten uit én de inscriptie op de rotswand of alleen slaat op de statua togata. M.i. kunnen we echter veronderstellen dat beide met elkaar verband houden, al lijkt de tweede inscriptie achteraf aangebracht te zijn geweest.

 

Enerzijds hebben we aldus een statua togata, geplaatst op het tweede forum van Ferentinum, dewelke tekst hier niet besproken wordt wegens het ontbreken van de hier gebruikte zoekwoorden (CIL 10, 5852). Uit de keuze voor het tweede forum blijkt alleszins een zekere bescheidenheid, aangezien de geëerde in kwestie niet koos voor het belangrijkste forum van de gemeente, waarrond de meest belangrijke publieke gebouwen en tempels stonden. Anderzijds heeft deze man ten volle gebruik gemaakt van het eerbetoon, dat aan hem werd toegewezen, door toch te opteren voor een forum, dat vooral als economisch en commercieel centrum dienst deed (cf. statua pecuarium). Het standbeeld stond dan ook niet op een willekeurige locatie op het forum, maar op een zorgvuldig uitgekozen plaats, namelijk aan de via Latina[427] - de hoofdweg, die doorheen de gemeente liep en een in- en uitweg was voor zowel de inwoners van Ferentinum als voor de bezoekers.

 

Nog opmerkelijker en beter uitgekozen was de plaats van de inscriptie met stipulatie van een uitgebreide fundatie. Hieruit vernemen we iets over de besluitvorming van de gemeenteraad om het vorige standbeeld te plaatsen op net die locatie. Net omwille van het feit dat onder deze tekst het betreffende standbeeld was geplaatst met een individuele tekst, doet vermoeden dat de tweede inscriptie alleen de plaatsing van dit standbeeld op het forum wil aanhalen om de tweede beslissing van de gemeenteraad te bekrachtigen. De tweede inscriptie werd aangebracht in de rotswand boven het standbeeld, waar een ruimte werd voorzien van 4m40 op 5m50, met daarin een epigrafisch veld van 2m13 x 1m85. Het lijkt onwaarschijnlijk dat men de uitgebreide tekst van ver had kunnen lezen en om toch de aandacht naar deze inscriptie te trekken, had men de tekst geplaatst binnenin een tempelfaçade (aedicula), met in het timpaan de afbeelding van Dionigia. Dit lijkt een goed doordachte zet geweest te zijn door deze tekst op een dergelijke manier te presenteren,[428] aangezien deze inscriptie op deze manier niet alleen het secundair forum van Ferentinum domineerde, maar ook de aandacht van inwoners en bezoekers trok, niet alleen naar de tempelconstructie toe, maar zeker ook naar de statua togata van dezelfde persoon eronder.

 

Tenslotte kunnen nog twee andere inscripties aangehaald worden, die een gelijkaardig formularium hebben, maar niet expliciet vermelden dat een plaats op het forum mocht gekozen worden. De eerste inscriptie - nr. 209[429] - vertelt ons dat voor Lucius Antistius Campanus een verguld standbeeld zou opgericht worden waar zijn zoon dit verlangde. Anderzijds zouden nog andere standbeelden en medaillons worden geplaatst ter zijner eer na diens dood, eveneens op een plaats naar believen, maar in dit laatste geval met de stipulatie dat het ergens langs de Via Appia moest zijn, één van de belangrijkste wegen, die leidde vanuit Rome naar Brundisium. Het is vooral het eerste standbeeld dat ons hier interesseert. Een verguld standbeeld op zich was al een uitermate eervolle erkenning en waar het ook zou geplaatst worden, de geëerde kon met zekerheid rekenen op het prestige dat van een dergelijk standbeeld uitging. De geëerde kreeg daarbij een tweede erkentelijk eerbetoon: de zoon mocht zelf de - publieke - plaats kiezen. Het lijkt niet onlogisch dat men nog meer prestige wou nazoeken en dat de voorkeur bijgevolg zou vallen op een plaatsje op het forum. We weten echter niet waar deze inscriptie gevonden werd, om uitsluitsel te kunnen bieden omtrent deze these.

 

De tweede inscriptie - nr. 537[430] - is echter vager dan de vorige inscriptie. Uit deze inscriptie, een gemeenteraadsdecreet op een marmeren plaat, blijkt dat de decuriones van Tuficum met instemming van het plebs besloten hadden een standbeeld ten voeten uit - statua pedester - op te richten voor de centurio Aetrius Ferox. Het gaat hier “slechts” om een statua pedester, maar ook hier stelt men duidelijk, dat hij deze mocht laten plaatsen op de plaats die hij zelf verlangde - “ubi ipse desideravit”. De CIL vermeldt alleen dat deze inscriptie te Tuficum werd gevonden en zo kunnen we ons alleen aan conjecturen wagen. De keuze om het woord “desiderare” aan te wenden is mogelijks niet geheel onschuldig. Dit werkwoord drukt immers een intens verlangen, begeerte uit[431], waar “velle[432] en “eligere” een neutralere woordkeuze zouden zijn geweest. Wat zou een centurio meer kunnen verlangen, dan de oprichting van een standbeeld in zijn patria o.w.v. zijn militaire verdiensten? Misschien wel dat wat voorlopig onbereikbaar voor hem zou zijn, aangezien hij (nog) geen municipale carrière had gemaakt: de oprichting van een standbeeld op een publieke plaats. En wat was er meer publiek dan het forum. Ook hier zou het niet geheel onlogisch zijn geweest, indien de centurio had gekozen om afgebeeld te worden tussen de groten der aarde - de keizer, goden en rijkselite - en der gemeente - de lokale magistraten.

 

 i. Standbeelden op de fora in Rome.

Vervolgens hebben we nog twee inscripties (3 & 4), die een meer gedetailleerd beeld opleveren van de plaatsing, maar ook hier ligt de nadruk eerder op het eervolle karakter van de plaatsing dan op een beschrijving van de locatie zelf. In de eerste inscriptie - nr. 576[433] (3) - krijgen we een wel zeer uitgebreide beschrijving van het postuum eerbetoon dat aan Lucius Volusius L. f. Saturninus werd toegekend. Deze staat beschreven in een inscriptie, die aanvoelt als een ere-inscriptie, maar op een zeer private locatie was gevestigd: namelijk in het Lararium van de villa der Volusii[434] - dit was een soort tempeltje voor de Lares familiares of huisgoden. De tekst vermeldt de oprichting van acht verscheidene, postume standbeelden in Rome.[435] Er was echter wel een verschil tussen de oprichting van standbeelden in een kleinere gemeente en die in de metropool van Rome. Daarom is het nodig de situatie van Rome eerst te duiden.

 

In Rome was het forum in de Republiek voorbehouden voor zegerijke veldheren, hoge magistraten en invloedrijke senatoren. Vanaf de keizertijd echter konden private personen geen standbeelden meer op het forum oprichten en werden nog uitsluitend keizerstandbeelden opgericht en standbeelden voor de leden van de Domus Augusta. Hier waren echter uitzonderingen op. Enerzijds had men de triomfale standbeelden op het Augustusforum, die in de Republiek aan militaire triomfators en vanaf Augustus aan senatoren en hoge beambten werden toegekend. In deze laatste fase is het echter zo dat alleen de keizer nog de eer van de triomfen kon opeisen. In plaats daarvan werd dan als hoogste onderscheiding aan de rijkselite ornamenta triumphalia toegekend. Hiertoe hoorde eveneens de oprichting van een standbeeld met de persoon afgebeeld als triomfator.[436] Anderzijds bleek alleen op het forum van Trajanus plaats voor standbeelden voor privati voorbehouden voor senatoren, de hoogste magistraten en naasten van de keizer.[437]

 

Wanneer we terugkeren naar de standbeelden opgericht voor Lucius Volusius Saturninus, blijken drie statuae triumphales opgericht voor deze man, waarvan één bronzen op het forum van Augustus en twee marmeren in de nieuwe tempel van de vergoddelijkte Augustus. Het was - zoals blijkt uit de bovenstaande geschetste situatie van Rome - niet ongebruikelijk dat statuae triumphales werden opgericht en dat deze op het forum geplaatst werden. Het meer opmerkelijke is echter dat het hier om drie triomfale standbeelden gaat. Hiernaast werden nog drie statuae consulares opgericht, waarvan één in de tempel van de vergoddelijkte Iulius, een andere op het Palatium waarschijnlijk onder de boog van Octavius en een derde in de bibliotheek van de Apollotempel. De oprichting van standbeelden in tempels was niet ongebruikelijk, net zoals de oprichting van standbeelden in bibliotheken, waar “onsterfelijke zielen tot ons spreken”, van familieleden en wijlen intellectuele groten.[438] De oprichting van standbeelden op het Palatium daarentegen was echter wel een uitzonderlijke praktijk,[439] zoals eveneens blijkt uit Suetonius[440]. Vervolgens hebben we nog een standbeeld met klederdracht van een augur - een statua auguralis - welk type maar één keer geattesteerd is in de epigrafie, zijnde hier. Dit zou geplaatst zijn geweest in de Regia[441], wat niet onlogisch is, gezien deze de functie vervulde van oudste verzamelplaats van Romeinse staatspriesters en gezien de priesterfuncties door de geëerde bij leven uitgeoefend werd. Vervolgens werd nog een ruiterstandbeeld opgericht naast de Rostra te Rome, waar normaal alleen voor keizers en hun verwanten statuae equestres werden opgericht. Dat dit één van de hoogste onderscheidingen was, die men kon ontvangen, lijdt geen twijfel, des te meer omdat het bevestigd wordt door o.a. Plinius maior: in qua legatione interfecto senatus statuam poni iussit quam oculatissimo loco, eaque est in rostris.[442] Tenslotte werd nog één standbeeld opgericht, dat geplaatst werd in de zuilengalerij van de familie Lentuli in het theater van Pompeius. Dit standbeeld betreft een voorstelling van de geëerde, al zittend op een sella curulis, mogelijks met zijn insignes van praefectus urbis[443].

 

Van de bovenbesproken types zijn enkele ons bekend uit de epigrafie en de literatuur, zoals de statuae triumphales, equestres en in sella curuli. Onbekend echter waren de statuae consulares en augurales. Met betrekking tot de typologie is deze inscriptie echter van belang omdat we geen andere epigrafische attestaties hebben van standbeelden met augurale of consulaire klederdracht. Blijkbaar was een meer uitgebreide typologie bekend, dan wij kunnen afleiden uit de aan ons overgeleverde bronnen.

 

 ii. In celeberrima fori nostri.

De laatste inscriptie, die getuigt van een meer gedetailleerde omschrijving van de plaatsing op het forum is nr. 678[444] (4). Het gaat hier om de basis van een ruiterstandbeeld voor Lucius Fabius L. f. Pupinia Severus, waarop aan de voorzijde de ere-inscriptie was aangebracht en op de rechterzijkant het decreet, waarin men het heeft over de plaatsing van het standbeeld - “in celeberrima fori nostri”.[445] In deze tekst heeft men het over een verguld ruiterstandbeeld, dat geplaatst zou worden op het drukst bezochte gedeelte van het forum.[446] Op de formulering “in celeberrimo loco” komen we later terug. Wat hier echter van belang is, is dat het hier niet gaat om een zelf uit te kiezen of willekeurige locatie op het forum, maar wel om een zeer specifieke locatie. De meest gefrequenteerde plaats van het forum kan - mede door het gebrek aan onderzoek naar dit fenomeen - niet tot een algemeen patroon herleid worden, maar hangt eveneens af van de municipaliteit zelf, het stratenplan en de inplanting van de publieke en openbare gebouwen. Het gaat hier dan ook om de grootste eer, die men binnen een municipaliteit kon verwerven. Door de hoge frequentie aan passanten en bezoekers zou dit standbeeld op deze locatie het meest in het oog springen en dus ook het meest bekeken worden, des te meer in zijn vergulde hoedanigheid.

 

 iii. Toetsing aan de archeologie.

Uit de inscripties zelf krijgen we aldus geen gedetailleerde omschrijving van de plaatsing op het forum. Nochtans moet deze van belang geweest zijn, zoals deze ook in Rome belangrijk was. Om de plaatsing vooralsnog te bestuderen dient toevlucht te worden gezocht tot de archeologie. Maar aangezien dit niet binnen het werkingsgebied van dit onderzoek valt en wegens de problematiek die uitgaat van de verschafte informatie (cf. infra), wordt dit aspect beperkt tot het reeds verrichte - maar beperkte - onderzoek op dit vlak.

 

Zimmer heeft zich bezig gehouden met het onderzoek naar de plaatsing van standbeelden op het forum[447], maar beperkt zich tot twee Noord-Afrikaanse geromaniseerde coloniae - Thamugadi (Timgad) en Cuicul (Djemila) - zonder een voorafgaande contextualisering te geven van het Italische voorbeeld. Dit is echter een noodzakelijk kwaad, aangezien - zoals Zimmer ook zelf al vermeldde - onderzoekers zich vanaf het begin van de twintigste eeuw amper nog interesseerden voor de opstelling van standbeelden op een forum.[448]

 

Uit het onderzoek van Zimmer is vast te stellen dat in beide steden een zekere voorkeur te bemerken valt voor de keuze van de staanplaatsen voor privati;[449] in Cuicul is dit langs de oostzijde van het forum[450], in Thamugadi krijgen we een duidelijkere concentratie aan de noordzijde van het forum, tussen de hoofdingang en het podium van de tempel[451]. Maar de beslissing van ieder afzonderlijk geval naar het beoordelen van de dedicati en dedicantes werd telkens goedgekeurd door de decuriones, hetgeen verklaart dat standbeelden voor goden, keizers en privati naast elkaar geplaatst werden.

 

De casussen Cuicul en Thamugadi helpen ons wat betreft de precieze plaatsing op fora niet veel vooruit, aangezien we in deze steden geen patroon of regelgeving opmerken, waaraan men esthetisch of socio-politiek gebonden was. Afhankelijk van de gemeente en diens oriëntering en ruimtelijke indeling van het forum moet er een voorkeur vast te stellen zijn geweest voor de plaatsing van ere-inscripties, maar dan nog werd deze ruimte niet uitsluitend voorzien voor één type standbeelden.[452] De logica is te zoeken in het hergebruik van standbeelden, hun sokkels en dus ook de plaats. Wanneer een bepaald standbeeld niet meer belangrijk of relevant genoeg werd geacht, kon deze verwijderd worden om door een ander standbeeld te worden vervangen[453]. Dit moest wel gebeuren of na verloop van tijd zou het forum volledig gevuld worden met alleen maar standbeelden en dat kan niet de bedoeling zijn geweest van de centrale vergaderplaats van een gemeente.[454] Of het hier ging om het verwijderen van een godenbeeld of oprichting voor een privatus was hierin niet belangrijk. Het is best mogelijk dat men zich probeerde te houden aan de opstelling van standbeelden voor privati in een bepaalde regio van het forum, maar indien daar geen plaats voorhanden was, kon men een andere plaats op het forum toegewezen krijgen.

 

 iv. Statusafbakening?

Zoals reeds boven werd aangehaald waren de plaatsen op de fora in Rome voor privati beperkt in aantal en was het vooral de beeltenis van de keizer en zijn aanverwanten, die een plaats verdienden. Dat onder die privati alleen de rijkselite waargenomen werd - aldus senatoren en equites op rijksniveau - is ongetwijfeld verbonden met het feit dat de publieke oprichting van een erestandbeeld voor een privé-persoon diende goedgekeurd te worden door de senaat en dus indirect door de keizer zelf.[455]

 

In tegenstelling tot in Rome zien we in de gemeenten geen stand- of statusafbakening tot één enkele personengroep wat betreft de begunstigden, zoals ook Bergemann reeds vaststelde.[456] We kunnen beter definiëren dat de plaats van het erestandbeeld met de uitdrukking “in foro” bestemd was voor gemeentelijke notabelen.[457] Al lijkt het forum echter voorbehouden voor burgers, die juridisch gezien een vrijgeboren status droegen - ingenui. Ruiterstandbeelden op het forum werden alleszins volgens Bergemann niet toegekend aan slaven en *Augustalen[458], al wilt dit niet noodzakelijk zeggen dat alle standbeelden voor deze personen van het forum geweerd werden (cf. infra).

 

Zoals blijkt uit voorgenoemde bijlage 36[459] gaat het vooral om municipale magistraten, die een plaats verdienden op het forum (totaal 8/13 - 61.54%)[460]. Hier gaat het in twee inscripties om een honorifieke eques (2/13 - 15.38%) en in zes attestaties om een municipaal magistraat (6/13 - 46.15%), waarbij beide categorieën nooit het municipaal kader verlaten hadden. In het merendeel van deze gemeentelijke magistraten (7/8) gaat het om één van de burgemeesters van de gemeente - een duumvir of quattuorvir. In slechts twee inscripties wordt een standbeeld vermeld opgericht op het forum voor iemand van senatoriale rang (2/13 - 15.38%)[461] en geen enkele inscriptie attesteert een expliciete vermelding van standbeelden opgericht voor functionele equites op het forum, hoewel die er zeker geweest waren. De staving van de hypothese dat het forum niet noodzakelijk op status toegekend werd, wordt geleverd door nr. 156 waar in de eerste eeuw n.C. een statua werd opgericht op het forum voor een vrijgelatene, die magister was van een college van vrijgelatenen. Hoewel de meeste standbeelden op het forum opgericht werden voor ingenui, zien we aldus dat het niet onmogelijk was dat een standbeeld voor een persoon met de juridische status van een libertus op het forum werd opgericht, al lijkt het een minder frequent gegeven te zijn geweest (1/13 - 7.69%)[462]. Slaven blijven echter zoals steeds de grote afwezigen.

 

Wat betreft de patroni over wie we een expliciet epigrafische attestatie hebben van een oprichting van een standbeeld op het forum, treffen we er slechts twee aan en dan nog onder de municipale magistraten (2/13 - 15.38%)[463]. Dit patroon contrasteert met Noord-Afrika, zoals blijkt uit de twee casussen van Zimmer, waar patroni worden uitgekozen met macht op rijksniveau en dus hogere ambten uitoefenden.[464] Maar hierbij dient opgemerkt dat slechts een beperkt aantal van de standbeelden voor privati was opgericht. Daarbij kennen we het Italische voorbeeld niet en het beperkt aantal inscripties hierboven beschreven met expliciete getuigenis van een dergelijke getuigenis kan niet representatief genoemd worden voor alle op het forum opgerichte standbeelden. Vandaar dat een onderzoek naar de plaatsing van standbeelden voor privati op het forum zich opdringt in de toekomst met oog voor zowel archeologie als epigrafie.

 

 v. Standbeeldentypen op het forum.

Als we gaan kijken naar wat precies werd gezet op deze fora, zien we dat men het vaakst de algemene term “statua” gebruikt (6/13 - 46.15%)[465]. In enkele gevallen gaat men dit ook verduidelijken en komen we te weten dat het gaat om een bepaald type van standbeeld: drie keer gaat het dan om een statua equester - of ruiterstandbeeld (4/13 - 30.77%)[466], één keer om een statua pedester - standbeeld ten voeten uit - en één keer om een biga - of tweespan (telkens 1/13 of 7.69%)[467]. Opmerkelijk is toch dat deze ruiterstandbeelden telkens werden opgericht - excl. nr. 576 - voor een lid van de lokale elite, hetgeen strookt met de vaststelling van Bergemann.

Nr. 576 betreft de bovenbesproken inscriptie voor Lucius Volusius Saturninus. Laten we de voor hem op het forum te Rome opgerichte standbeelden even recapituleren. Er werd één statua triumphalis opgericht in brons op het forum van Augustus en ook nog een statua equester nabij de rostra. De zeven andere standbeelden werden opgericht in of nabij tempels, in het theater en op de Palatijn. Het tweede type, het ruiterstandbeeld, is ons bekend uit de epigrafie, waar de statua triumphalis echter nergens in de inscripties uit de Italische gemeenten voorkomt. Zoals reeds gezegd moet men een grotere variëteit aan typologieën gekend hebben, dan aan ons werd overgeleverd via de epigrafie en andere bronnen. Maar net door het zwijgen van de bronnen kunnen we niet bepalen welke types dominerend waren op de fora van Italische gemeentes voor privaatpersonen, hetgeen nu reeds moeilijk is met het beperkt aantal voorhanden attestaties.

 

2.1.4. De meest frequent bezochte plaats.

 

Reeds eerder werd het ruiterstandbeeld, opgericht voor Lucius Fabius L. f. Pupinia Severus[468], besproken, dat bij decreet op het forum werd geplaatst “in celeberrimo loco [469] Zoals gezegd is het moeilijk een veralgemenend model te schetsen van de meest gefrequenteerde plaats op het forum, door zowel gebrek aan - archeologisch - onderzoek naar dit element, als door het gebrek aan gegevens, die volgens de “méthode de l’épigraphiste” zouden moeten meegedeeld worden. Wel dient herhaald dat de ruimtelijke indeling van ieder forum verschilde van gemeente tot gemeente.

 

Algemeen was de plaatsing van standbeelden op het forum een privilege dat slechts aan enkele werd toegekend, hoewel er meer standbeelden voor privati op het forum hebben gestaan dan de inscripties inhoudelijk doen uitschijnen. Vaak was de plaatsing zelf reeds voldoende voor interpretatie door de passant en toeschouwer en dus diende dit element niet expliciet vermeld te worden op de basis van het standbeeld zelf. De eer, die uitging van deze plaatsing, kon echter worden vermeerderd. Enerzijds door het type standbeeld (cf. infra) en anderzijds door een specifiekere plaatsing. Afhankelijk van de invalshoek, was de ene toekenning eervoller dan de andere, maar het hoogste eerbetoon in een gemeente was ofwel de toekenning van een plaats, die de geëerde zelf mocht uitkiezen (vb. ubi ipse vellet), of een locatie, die het meest gefrequenteerd werd (celeberrimo of frequentissimo loco).

 

De formule “in frequentissimo loco” of aanverwanten komt volgens de opzoekingen op zoekwoord in de databank niet voor in de Italische regiones, maar wel in Rome zelf[470] en de provincies[471]. De aanverwante formule “in celeberrimo loco”, die een gelijkaardige betekenis draagt, komt echter wel een aantal keer voor in dit corpus (4/696 - 0.57%)[472]. De betekenis van deze formule - ‘op de drukst bezochte plaats’ - dient echter verbonden te worden aan een ander kenmerk van deze plaats, namelijk dat deze standplaats het best zichtbaar was van waar men ook kwam.[473]

 

Enkel in inscriptie 678, die boven reeds aan bod kwam, staat expliciet dat deze plaats op het forum werd uitgekozen. Ook met betrekking tot inscriptie nr. 220[474] kunnen we achterhalen waar we de drukst bezochte plaats van Herculaneum kunnen vinden.

 

Dit postuum eerbetoon - in de vorm van een altaar - werd opgericht voor Marcus Nonius Balbus en stond op het terras ten Westen van de thermae suburbanae (gebouw G op het plan in bijlage 39)[475]. De plaatsing van dit monument was op zich al opmerkelijk, vandaar dat een korte bespreking van deze locatie op zijn plaats is. De beslissing om dit altaar net hier op te richten was namelijk niet zo onschuldig. Deze thermen worden namelijk verondersteld gesticht te zijn door Marcus Nonius Balbus, dezelfde voor wie dit standbeeld werd opgericht op het terras. Daarbij denkt men ook dat het huis met de fresco van Telefus - dat met de thermen verbonden is door middel van een directe toegang (gebouw 26 op het plan in bijlage 39) - dat van Marcus Nonius Balbus was.[476] Deze feiten leiden tot de conclusie dat ook dit standbeeld een zekere publieke status genoot.

 

Het is echter de inhoud van deze inscriptie, die ons meer interesseert, met name lijnen 4 t.e.m. 6, die spreken over de opstelling van een ruiterstandbeeld door de decuriones opgericht op de “celeberrimus locus” op publieke kosten. Ook werd de precieze bewoording van de inscriptie - voor het standbeeld bestemd - weergegeven.

(…) placere decurionibus statuam equestrem ei poni quam / celeberrimo loco ex pecunia publica inscribique "M(arco) Nonio M(arci) f(ilio) Men(enia) Balbo pr(aetori) proco(n)s(uli) patrono universus / ordo populi Herculanie(n){s}sis ob merita eius" (…)

(AE 1947, 53 - InscrNr. 220)

 

(…) de decuriones hebben een ruiterstandbeeld besloten voor hem, dat op de drukst bezochte plaats uit publieke gelden zou geplaatst worden en beschreven met de woorden “Voor Marcus Nonius Balbus, zoon van Marcus uit de Menenia tribus, praetor, proconsul en patroon (heeft) de gehele ordo en het volk van Herculaneum o.w.v. diens verdiensten (opgericht)”

 

Nu kunnen we ons hier afvragen waar dit ruiterstandbeeld moet gestaan hebben. De drie ruiterstandbeelden, die in Herculaneum zijn aangetroffen, werden besproken in het werk van Bergemann[477]. De eerste (P32) is hier van geen belang, aangezien het de vader van Balbus aanbelangt, die dezelfde naam draagt. Van het tweede standbeeld (P33) is eveneens de inscriptie bewaard gebleven, maar deze verschilt enigszins van de tekst, die bestemd was voor het specifiek in boven genoemde inscriptie beschreven staat.

M(arco) Nonio M(arci) f(ilio) / Balbo pr(aetori) proco(n)s(uli) / Herculanienses.

 

Voor Marcus Nonius Balbus, zoon van Marcus, praetor en proconsul, (hebben) de inwoners van Herculaneum (dit opgericht).

 

Indien we ervan uitgaan dat de inscriptie (nr. 220) was aangebracht na de oprichting van het ruiterstandbeeld, kunnen we uitgaan van een getrouw citaat van de inscriptie op dit standbeeld. Maar zelfs indien het in deze inscriptie ging om de intentie om een dergelijk standbeeld op te richten, is het niet onlogisch dat men diezelfde bewoording zou hergebruiken om op de basis van het standbeeld te zetten. Aangezien er meerdere standbeelden voor deze man waren opgericht, zou net deze specifieke tekst dit standbeeld onderscheiden van de andere standbeelden, als het ruiterstandbeeld dat de decuriones na de dood van Balbus besloten hadden op te richten als postuum eerbetoon. Binnen deze polemiek en met de wetenschap dat de tekst van de derde bronzen statua equester (P69) verloren is gegaan, zouden we kunnen stellen dat de citaat, die in inscriptie 220 wordt vermeld, hoorde bij dit standbeeld.

 

De drie ruiterstandbeelden zijn in hetzelfde gebied gevonden in 1743 op één maand tijd, ten Oosten van het theater in het gebied dat in de 18e eeuw als het forum geïdentificeerd .[478] Waarschijnlijk stonden deze ruiterstandbeelden aldus op het forum, waarvan minstens één op het drukst bezochte deel van het forum.

 

Wat betreft de inscripties 198 en 219, die eveneens de formule “in celeberrimo loco” bevatten, is de archeologische context ons echter onbekend. Theoretisch gezien hoeft deze formule niet noodwendig op een stelplaats op het forum te duiden en kan het gaan om een willekeurige publieke plaats in de gemeente, waarvan men meende dat deze het meest gefrequenteerd werd door passanten. Maar de enkele attestaties, waarbij we meer weten over hun vindplaats, lijken erop te wijzen dat vaak het forum als drukst bezochte plaats werd beschouwd[479] en dat men ook op het forum zelf gradaties hierin had[480].

Bergemann merkte op dat - m.b.t. de oprichting van ruiterstandbeelden - de formule “in celeberrimo loco” uitsluitend wordt gebruikt bij oprichtingen voor leden van de domus Augusta en voor senatoren.[481] Uit het hier aangewende materiaal blijkt inderdaad dat twee ruiterstandbeelden[482] opgericht werden voor senatoren, namelijk voor respectievelijk Marcus Nonius M. f. Menenia Balbus en Lucius Fabius L. f. Pupinia Severus. Maar het gebruik van de formule “in celeberrimo loco” kan niet veralgemenend indicatief voor senatoren worden genoemd, aangezien de twee andere inscripties met deze formule[483] opgericht werden voor leden van de ordo municipalis, waarbij de ene quattuorvir was (198) en de andere patronus civitatis Foropopiliensium (patroon van de gemeente Forum Popilii) (219). Bij deze laatste twee attestaties weten we echter niet om welk type standbeelden het gaat, zodat voorbarige conclusies omtrent de connectie tussen de formule en het type standbeeld dienen geweerd te worden. Ook de vindplaats van beide inscripties is ons onbekend.

 

Dat de plaatsing op de drukst bezochte plaats een ongelofelijk groot eerbetoon moet geweest zijn, lijdt geen twijfel. De epigrafie lijkt erop te wijzen dat dit eerbetoon niet vaak werd toegekend, hetgeen impliceert dat een zekere garantie uitging van de plaatsing. Namelijk de garantie dat het een uniek eerbetoon was, dat niet zomaar aan iedereen werd toegekend, en dat het standbeeld nog een lange tijd zou kunnen blijven staan op deze plaats. Omdat dit eerbetoon slechts sporadisch werd toegekend, was er geen dringende nood aan deze locatie, zodat minder snel moest worden plaats geruimd op deze plaats. Zo was men zeker dat een dergelijk eerbetoon niet alleen voor de tijdgenoten, maar ook voor het nageslacht en de toekomst zou worden bewaard.[484]

 

Tenslotte kan men zich nog de vraag stellen of een dergelijk voornaam eerbetoon niet leidde tot de postume oprichting van standbeelden “in celeberrimo loco”. Een uitspraak van Plinius lijkt hier immers op te wijzen.[485] Wat betreft ruiterstandbeelden weten we namelijk dat eerbetonen aan keizers, senatoren en functionele equites vooral tijdens het leven werden geëerd, alsook decuriones en patroni van hun gemeente, waar andere decuriones en lagere municipale beambten eerder postuum met een ruiterstandbeeld werden geëerd.

 

Het collectief inscripties hier van toepassing wijst echter op het tegendeel. Laten we verschillende inscripties kort overlopen. De eerste inscriptie, nr. 198[486] lijkt niet postuum te zijn opgericht, omdat deze beloond wordt om wille van de recente zorg voor gladiatorenspelen, tijdens de uitoefening van diens ambt als quattuorvir. De volgende inscriptie - nr. 219[487] - is eveneens bij leven opgericht. Dit vernemen we uit de directe rede, die gehanteerd wordt in een moeilijk aan te vullen afgekorte zin, alsof men een deel conversatie met de man wil integreren in deze inscriptie.[488] Dan hebben we nog inscriptie nr. 220[489], de boven beschreven postume inscriptie voor Marcus Nonius Balbus, voor wie niet alleen een ruiterstandbeeld werd opgericht op de drukst bezochte plaats van de gemeente, maar ook een marmeren altaar op de plaats waar diens assen verzameld waren. Daarnaast zou nog een optocht worden voorzien, die op de Parentalia zou vetrekken van aan dit altaar, sportieve spelen worden gehouden en een stoel worden geplaatst in het theater. Tenslotte hebben we nog nr. 678[490], dewelke niet postuum werd opgericht, aangezien ook hier de geëerde een eerbetoon mag ontvangen voor recente weldaden, na vele verdiensten jegens de gemeente te hebben geaccumuleerd.

 

Uit dit collectief kunnen we aldus niet afleiden dat de lokale magistraten eerder een postuum eerbetoon zouden ontvangen op die plaats, aangezien het enige postume eerbetoon dat aan de senator Marcus Nonius Balbus blijkt te zijn. Eerder lijken deze inscripties erop te wijzen, indien we ze representatief kunnen noemen voor de plaatsing van standbeelden op een zeer druk bezochte plaats, dat de standbeelden bij leven werden geplaatst, maar dat dit ook na de dood kon worden toegekend.

 

2.1.5. Andere locaties.

 

Tenslotte kunnen we nog enkele inscripties aanhalen, waarin we eveneens iets meer te weten komen over de plaatsing van het monument door een expliciete vermelding hiervan, en dewelke niet tot de boven beschreven categorieën horen (forum, celeberrimus locus). Het gaat hier echter om uitzonderingen, aangezien de passant vaak geen informatie nodig had uit de inscriptie wanneer hij zelf de context kon waarnemen met eigen ogen. Deze inscripties werden reeds (soms zijdelings) besproken in de bovenstaande uiteenzetting

 

De eerste inscriptie - nr. 209[491] - kwamen we reeds tegen onder 2.1.3. Het forum, i. Ubi ipse vellit. Het aspect dat ons deze keer interesseert is niet dat de keuze voor de plaatsing aan de geëerde werd overgelaten, aangezien dit boven reeds werd besproken, maar wel dat verscheidene standbeelden, clupea (cf. infra) en geschenken voor Lucius Antistius Campanus mocht opgericht worden aan de Via Appia, één van de belangrijkste wegen, die leidde vanuit Rome naar Brundisium.[492] De vindplaats van dit standbeeld is ons onbekend, maar de inscriptie lijkt erop te wijzen dat het graf van de man langs de Via Appia gelegen was, net als de verscheidene standbeelden, die hij postuum had mogen ontvangen en waarvan we kunnen vermoeden dat deze inscriptie (met decreet) op de basis van één van hen stond. Een andere mogelijkheid is dat deze inscriptie op de basis van de statua inaurata stond, maar dan zou Bergemann deze inscriptie moeten opgenomen hebben. Deze laatste overweging is bijgevolg niet uitgesloten. De standbeelden opgericht aan de Via Appia stonden waarschijnlijk niet op private grond, maar op publieke grond, aangezien in de ere-inscriptie, die volgt op het decreet met de toekenning het woord decreto voorkomt, wat duidt op de toekenning van een private standplaats.[493]

 

Vervolgens hebben we inscriptie 280[494], dewelke hoofdzakelijk funerair van aard is, maar een honoraire connotatie heeft. Het lijkt hier te gaan om een funerair grafschrift voor een koppel, waarbij aan beide naast een publieke plaats voor het graf ook een postuum standbeeld aan elk wordt toegekend. De plaats van het standbeeld van de man wordt niet verder bepaald, maar over de plaatsing van het postuum erestandbeeld van de vrouw weten we meer:

--- s]acerd(oti) public(ae) Vener(is) / [et Cereris? h]uic matronae statuam / [ex aere coll]ato in aedem Veneris / [ponendam cu]raverunt huic / [decuriones p]ublice locum sepulturae et / [in funere iis ---] et statuam decreverunt. (CIL 10, 00689 - InscrNr. 280)

 

Voor [Ignota 3] sacerdos van Venus en Ceres, hebben de matronen een standbeeld uit een geldinzameling in de tempel van Venus opgericht laten plaatsen, voor haar hebben de decuriones een publieke plaats voor de begrafenis en [voor de uitvaart ---] en een standbeeld bij decreet besloten.

 

De oprichting van standbeelden in tempels was - zoals boven reeds gezegd werd bij de casus van Lucius Volusius Saturninus - niet ongebruikelijk.[495] Haar standbeeld werd geplaatst in de tempel van Venus, van wie zij ook priesteres was. Zo zien we dat de plaats van een standbeeld ook verband kan houden met de functie, die de geëerde persoon bij leven had uitgeoefend, in dit geval het priesterschap van de godin Venus.

 

Tenslotte hebben we nog één inscriptie voor Lucius Volusius Saturninus - inscriptie nr. 576[496] - over wie we het boven reeds uitgebreid gehad hebben, eveneens met betrekking tot de verscheidene plaatsen, die toegewezen konden worden aan private personen.[497] Samenvattend kunnen we vaststellen dat ten eerste drie triomfstandbeelden werden opgericht, waarvan één bronzen op het forum van Augustus en twee marmeren in de nieuwe tempel van de vergoddelijkte Augustus te Rome. Zoals reeds gezegd was dit type standbeelden nog toegelaten voor privati op de keizerlijke fora, maar betrof het vooral een uitgeholde eer vanaf Augustus.[498] Deze eer werd alleen nog in de eerste eeuw n.C. nog aan privati toegekend en in de regel alleen nog postuum.[499]

 

Vervolgens werden nog drie statuae consulares opgericht. Eén werd geplaatst in de tempel van de vergoddelijkte Iulius, een andere op de Palatijn en nog een derde in de bibliotheek van de Apollotempel. Zoals reeds gezegd werd, waren standbeelden in tempels niet ongebruikelijk. Ook in bibliotheken verschenen afbeeldingen van privati naast die van intellectuelen uit het verleden. De Palatijn daarentegen werd eerder als een unieke plaats beschouwd voor de plaatsing van eerbetonen.[500]

 

Dan zou volgens de inscriptie nog een statua auguralis opgericht, waarop de geëerde werd afgebeeld met de kledij van een augur, dewelke in de Regia zou hebben gestaan. Zoals gezegd houdt deze plaats verband met diens functie bij leven van augur, aangezien Romeinse staatspriesters hier geregeld vergaderden.

 

Er werd ook nog een ruiterstandbeeld opgericht naast de Rostra te Rome. Hierbij stelden we reeds dat aan de Rostra normaal alleen voor keizers en hun verwanten statuae equestres werden opgericht. Dit brengt ons tot de conclusie dat deze laatste een zeer hoge onderscheiding moet zijn geweest.

 

Tenslotte werd nog een standbeeld met de afbeelding van de geëerde al zittend op een sella curulis opgericht in de zuilengalerij van de familie van de Lentuli in het Pompeiaans theater. Ook dit laatste was geen ongebruikelijke praktijk, al was de toekenning vaak van een iets bescheidener aard; ook voor Marcus Nonius Balbus werd in Herculaneum een sella geplaatst in het theater na diens dood[501], maar hier gaat het echter alleen om een sella zonder een daadwerkelijke voorstelling van de geëerde, zittend op deze sella.

 

2.1.6. Conclusie

 

Wanneer een plaats werd toegekend door de oprichters of de bevoegde instanties om een standbeeld op te richten voor een privatus, ging men zeer zorgvuldig te werk met het uitkiezen van een plaats, die geschikt zou zijn om de dedicatus voldoende eer aan te doen. Uit de boven beschreven inscripties merken we zo twee mogelijkheden op: en