Tituli honorarii, monumentale eregedenktekens. Ere-inscripties ten tijde van het Principaat op het Italisch schiereiland. Een statistisch-epigrafisch onderzoek. (Annelies De Bondt)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL 1

 

Analyse van de elementen.

 

Hoofdstuk 2. De dedican(te)s.

 

1. Inleiding.

 

Wanneer we de tituli honorarii - of ere-inscripties - bekijken, volgt algemeen gezien na het element van de geëerde - met duiding van diens carrière of maatschappelijke verwezen-lijkingen - het element van de dedicantes. Vaak volgt voorafgaand aan de vermelding van de oprichter(s) nog een aanwijzend voornaamwoord in de datief om de geëerde te herhalen. De benoeming van de dedicantes gebeurt meestal aan de hand van een enkel woord, dat de inhoud van de maatschappelijke positie van de geëerde omvat, gevolgd door een woord, dat de relatie met de geëerde verklaart.[234]

 

Wat betreft de dedicantes kunnen we een eerste opdeling maken op basis van de gebruikte woordsoorten. Wanneer een of meerdere eigennamen worden gehanteerd om de oprichters aan te duiden, gaat het over individuen, die op eigen initiatief een standbeeld besloten op te richten en daartoe de goedkeuring kregen van de gemeenteraad. Dit laatste vertaalt zich onder andere in de formule L(ocus) D(atus) D(ecreto) D(ecurionum) (cf. hoofdstuk 3, pp. 114). Deze individuen, die als dedicantes optreden, worden besproken in een eerste paragraaf.

 

De tweede mogelijkheid, die veel uitgebreider aan bod zal komen, o.a. door het veelvuldig voorkomen, betreft algemeen genomen namen van collectieven - hoofdzakelijk substantieven. Hierbij wordt in naam van alle leden van een bepaalde groep een ere-inscriptie opgericht, waarbij eveneens een goedkeuring van de decuriones kon nodig zijn geweest. Binnen een gemeenschap waren er talrijke verenigingen, waaronder niet alleen de gevestigde, politieke ordo decurionum, maar ook religieuze, professionele en andere verenigingen. In de tweede paragraaf wordt vooreerst een algemeen overzicht gegeven van de groepen, die als oprichters optreden. Hierna worden de collectieven ingedeeld volgens categorie om zo een beter beeld te kunnen schetsen van de collectieven als oprichters. Een aantal van deze werden echter reeds besproken in het vorige hoofdstuk en zullen daarom eerder summier worden verklaard om herhaling te voorkomen.

 

Uiteraard kan niet worden voorbijgegaan aan de vraag wat nu net de relatie was tussen de oprichters en de geëerde en wat de geëerde zo speciaal maakte dat net hij - of zij - een monumentaal eerbetoon verdiende van de hieronder besproken individuen en groepen. Daarom werd geopteerd de lezer een algemene beeld aan te bieden op deze relaties, eerst bij de individuen, dan ook bij de collectieven. Maar net omdat deze laatste categorie zo veelzijdig en veelomvattend is, zal ook per individuele subcategorie worden nagegaan wat de banden waren tussen dedicantes en dedicatus.

 

Tenslotte dient nog gezegd dat niet alle inscripties hier kunnen onderzocht worden op het element “dedican(te)s”, aangezien we met een aantal inscripties zitten, waarbij de oprichter onbekend is, doordat het niet vermeld werd (30/696 - 4.31%)[235] of doordat de inscriptie te zeer beschadigd was (31/696 - 4.45%)[236]. In een enkel geval kunnen we echter wel enigszins achterhalen om welke groep het ging. Hierbij werden deze inscripties gesorteerd onder de categorie, waarvan vermoed wordt dat de inscriptie ertoe hoort, met een vraagteken achter de inscriptienummer.[237]

 

 

2. Individu(e)n als dedican(te)s.

 

Na het totaal aantal inscripties te hebben verminderd met het hierboven berekende aantal aan onbekende oprichters, komen we tot een totaal van 650 inscripties, waarvan de oprichter geïdentificeerd kan worden. Bij deze 650 inscripties kunnen we vervolgens een onderscheid maken tussen individuen als oprichters enerzijds (65/650 - 10%) en collectieven als oprichters anderzijds (585/650 - 90%).

 

Hierbij dient echter wel gezegd dat twee inscripties tot beide categorieën behoren, zijn de InscrNrs. 105 en 661. Wat betreft de eerste inscriptie - nr. 105[238] - zien we inscripties aangebracht op drie kanten van een basis. De oprichter van de eerste inscriptie is Egnatia Salviana, echtgenote van Caius Servilius Diodorus (tekst I vooraan). Deze eerste inscriptie is te ressorteren onder de categorie, die hier besproken wordt: individuen als oprichters. Op de rechterkant van dezelfde basis staat echter een gemeenteraadsbesluit, waarin de oprichtster van de eerste inscriptie, Egnatia Salviana, wordt gecoöpteerd tot patrona. Deze inscriptie, die los staat van de eigenlijke tabula patronata, is omwille van deze tekst dan ook te vermelden onder de categorie van collectieven als dedicantes.

 

InscrNr. 661[239] is heel wat korter, maar geeft een gelijkaardig probleem. Als oprichter wordt naast de cultores van het college van de Lares een man genoemd, Iunius Evira[---], wiens relatie tot de geëerde Ignota 4 niet geheel duidelijk is door de geschonden staat van de inscriptie. Mogelijks verwijst “patronae” niet alleen op de relatie van de geëerde met de cultores, maar ook met deze man. Een andere mogelijkheid is dat het hier gaat om haar echtgenoot. In ieder geval is de man niet noodzakelijk een lid van het collectief van cultores Larum en dus een individuele oprichter te noemen, terwijl de cultores logischerwijs tot de categorie van collectieven worden gerekend.

 

Laten we van start gaan met de personen, die de oprichting voor hun persoonlijke rekening hebben genomen en buiten een collectief kader als dedicantes optreden. Zoals gezegd gaat het hier om een 10% van de inscripties, waarvan de oprichter(s) geduid kunnen worden (65/650 - 10%). Deze werden gesorteerd op inscriptienummer in bijlage 20.[240]

 

De omschrijving van individuen als dedicantes dient hier te worden toegelicht. Deze categorie onderscheidt zich van de collectieven, doordat deze individuen niet noodzakelijk allen - wanneer meerdere individuen vermeld zijn als oprichters - tot een municipale entiteit hoeven te behoren. Het gaat hier om personen, die een relatie hebben met de geëerde, die persoonsgebonden is en dus afhankelijk is van de geëerde. Vaak gaat het hier om amicale, familiale en huishoudelijke relaties, die persoonlijk en emotioneel kunnen zijn. Meestal wordt in de inscriptie niet meer vermeld dan de benaming van de oprichters en een enkel woord, dat de relatie met de geëerde verklaart.[241] Deze korte en bondige voorstelling van de oprichter(s) staat in schril contrast met andere inscripties, waarin meer aandacht wordt besteed aan de oprichter en een lange en gedetailleerde voorstelling van diens loopbaan op de naam van de geëerde volgt.[242] In dit corpus komt dit laatste type echter niet voor; blijkbaar was het ongebruikelijk in inscripties met een of meerdere stereotiepe formuleringen een langere voorstelling van de dedicant te geven dan alleen zijn naam en relatie tot de geëerde.

 

Om deze categorie te kunnen bespreken hebben we ook nood aan een overzicht van de relaties tussen deze individuen en de geëerde. Deze gegevens werden geordend in bijlage 21 en konden - zoals boven reeds werd aangehaald - worden toegewezen aan de onderverdelingen “familia (brede betekenis)” voor de huishoudelijke relaties (24/65 - 36.92%), “familia (enge betekenis)” voor de familiale relaties in de moderne betekenis (17/65 - 26.15%), “vriend” voor amicale relaties (8/65 - 12.31%), “leger” voor verbanden binnen het leger op individuele basis (4/65 - 6.15%), “R(es)P(ublica)” voor persoonlijke relaties op municipaal niveau (1/65 - 1.54%) en tenslotte “onbekend” voor de onbestemde individuele relaties (10/65 - 15.38%).[243]

 

Ten eerste hebben we de categorie van de “familia”. Er wordt hier een onderscheid gemaakt tussen de enge en de brede betekenis van het woord familia. Dit verschil tussen enerzijds familiale en anderzijds huishoudelijke relaties is gebaseerd op het onderscheid in het Latijn tussen respectievelijk gens en familia. Hetgeen wij de dag van vandaag als familie beschouwen, is gebonden door een bloedband. De familia bij de Romeinen omvatte eigenlijk alle familieleden en bedienden, die samen in één huis woonden[244], en doelt dus op wat wij vandaag als een huishouden zouden benoemen.

 

De eerste subcategorie “familia (brede betekenis)” staat aldus voor de relaties tussen de personen binnen een huishouden. Het gaat hier niet om de bloedverwanten, aangezien deze aan bod komen in de volgende onderverdeling, “familia (enge betekenis)”, maar wel om de bedienden - servi of slaven en liberti of vrijgelatenen - en het cliënteel van het kerngezin (24/65 - 36.92%). Wat betreft de liberti kan het ofwel gaan om vrijgelatenen, die in dienst van hun voormalige meester(es) blijven werken, ofwel om vrijgelatenen, die hun eigen weg inslaan. In beide gevallen hebben zij een band opgebouwd met de familie, waarbij ze eertijds als slaaf in dienst waren, die hier de basis, maar ook de aanleiding voor de oprichting vormt.

 

Het vaakst gaat het om vrijgelatenen als oprichters (16/24 - 66.67%)[245], gevolgd door de clientes (6/24 - 25%)[246] en het minst vaak om slaven (2/24 - 8.33%)[247]. Eenmaal krijgen we zelfs een meer specifieke beschrijving van de functie van één van de leden van de familia, zijnde de nutritor of opvoeder.[248] Dat ook slaven deelnamen in de oprichting van een eremonument is toch enigszins opmerkelijk, aangezien zij in dit corpus niet - en over het algemeen in ere-inscripties zeer zelden - aan bod komen als de geëerden van een monumentaal eerbetoon. Het was dus voor hen blijkbaar wel mogelijk om een standbeeld op te richten - alleen of samen met andere (ex-)leden van de familia, maar dan alleen op individuele basis. Dit gaf hen de kans een standbeeld op te richten met hun eigen naam op, zij het wel in een secundaire rol. Een eigen publiek standbeeld was voor zulke mensen vaak onbereikbaar en aldus kon dit standbeeld voor een patroon als een soort surrogaat fungeren.[249]

 

Binnen deze onderverdeling kunnen we ook een geslachtelijk onderscheid maken. Een dertig procent van deze inscripties werd opgericht door een (voormalig) lid van de familia voor een vrouwelijk lid van het kerngezin, betiteld als patrona[250], domina[251] of regina[252] - meesteres (7/24 - 29.17%). Daarentegen staat bijna zeventig procent opgericht door dezelfde categorie voor een mannelijk lid van het kerngezin van de familia, die dan meestal als patronus of beschermheer wordt benoemd (15/24 - 62.5%). Tenslotte is er nog één inscriptie opgericht voor een medehuisgenoot of contubernalis[253].

 

De tweede subcategorie binnen de familia - nl. “familia (enge betekenis)” - omhelst dus de familiale relaties in de moderne betekenis, meerbepaald de bloedverwantschappen, die zich hoofdzakelijk beperken tot de familiale relaties tussen de leden van het kerngezin van een familia, ook wel de gens genoemd (17/65 - 26.15%). Ten eerste hebben we hier de conjugale banden tussen man en vrouw (7/17 - 41.18%), vertegenwoordigd door zeven inscripties, waarbij een man een titulus opricht voor zijn echtgenote (3/7) of de vrouw voor haar man (4/7). Vervolgens hebben we ook relaties in de eerste graad, waarbij de ouder voor een kind een inscriptie laat plaatsen (7/17 - 41.18%), maar ook omgekeerd is geattesteerd, waarbij in dit laatste geval alleen de vader als geëerde wordt genoemd (2/17 - 11.76%). De verst gaande relaties reiken tot de tweede graad en verhouden zich tussen een grootouder en een kleinkind (2/17 - 11.76%). Tussen broeders en zusters blijkt er weinig interactie te zijn op vlak van de oprichting van tituli honorarii, van welke relatie slechts één inscriptie opgemerkt is (1/17 - 5.88%).

 

In een achttal inscripties treffen we ook vrienden als oprichters aan, die onder de derde subcategorie “vriend” staan (9/65 - 12.31%). M.i. zou men veel meer ere-inscripties kunnen ontdekken[254], waarbij de oprichter een amicale relatie heeft met de geëerde, maar die komen niet in dit corpus aan bod, omdat niet doelgericht werd gezocht op dit element. Het zou echter een interessante onderzoekspiste zijn op geografisch, chronologisch en sociaal vlak, maar is echter niet mogelijk binnen deze context, wegens het te beperkt aantal inscripties. Kort willen we er even op wijzen dat de bemerking van Alföldi niet geldt voor het gehele Italische schiereiland: hij maakte op dat municipale magistraten alleen familieleden en ten hoogste vrienden onder de dedicantes konden rekenen voor hun huldebetoon.[255] In dit corpus zien we dat slechts twee van de negen inscripties opgericht door een amicus werden opgericht voor een municipaal magistraat (cat. 4.), alsook twee keer voor een functionele eques (cat. 2.1.) en zelfs vijf keer voor leden van de ordo senatorius. Deze cijfers werden verkregen vanuit een ander perspectief, hetgeen een heel ander beeld creëert dan wat Alföldi voorstelde.

 

Vervolgens hebben we nog een aantal inscripties, die we hier gemakkelijkheidshalve hebben onderverdeeld onder de noemer “leger” (4/65 - 6.15%). De personen uit deze categorie behoorde inderdaad tot een georganiseerde instelling - het leger - maar worden wel tot de categorie van de privati gerekend, omdat het telkens gaat om één enkel individu. De personen waren respectievelijk beneficiarius[256] (454), consocer a militiis (436), cornicularius[257] (116), veteranus Augustorum (226). De functie van de oprichter, die bij de bepaling van de oprichter wordt vermeld, verklapt onmiddellijk de band met de geëerde. Door het uitoefenen van die functie was deze persoon in contact gekomen met de geëerde in kwestie. Zo konden beide partijen een vertrouwensband opbouwen, die uiteindelijk zodanig waardevol was geworden, dat ze kon worden bekroond met een erestandbeeld. Dit is natuurlijk verklaard vanuit het standpunt van de geëerde, maar het spreekt voor zich dat een dergelijke handeling ook consequenties had voor de oprichter.

 

Tenslotte rest ons nog één inscriptie, die men op het eerste zicht zou kunnen toewijzen aan de collectieven, die als oprichters optreden, door de vermelding van twee quaestores als oprichters van deze inscriptie bij gemeenteraadsdecreet (1/65 - 1.54%). Toch werden deze quaestores als individuele oprichters beschouwd binnen de subcategorie “R(es)P(ublica)”. Het gaat hier om inscriptie 559[258], waarin geld onder de decuriones werd ingezameld voor de oprichting van een standbeeld voor Lucius Valerius L. f. Fabia Timinianus, die een honorifieke eques was te Capena en alle municipale ambten had uitgeoefend tot en met de quinquennalitas. Net omdat de quaestores worden aangeduid als oprichters en niet de decuriones, hoewel zij het geld ingezameld hadden, doet vermoeden dat het hier gaat om een private beslissing van de decuriones. Het is mogelijk dat de quaestores hier als oprichters worden genoemd, omdat zij de initiatiefnemers waren tot de toekenning van het eerbetoon of gewoon omdat zij het ingezamelde geld hadden beheerd en zich op een voortreffelijke manier van hun taak hadden gekweten om een erestandbeeld te laten oprichten.

 

 

3. Collectieven als dedican(te)s.

 

In deze paragraaf gaat het niet om individuele oprichtingen, maar wel over oprichtingen door een groep mensen, die lid zijn of deel uitmaken van één van de vele entiteiten binnen een gemeenschap. De leden hiervan vereenzelvigen zich dan ook met dat collectief, dat niet persoonsgebonden is, maar wel geografisch, sociaal, professioneel, religieus e.d. gebonden. Hier is de relatie gebaseerd op het gezamenlijk lidmaatschap of de gemeenschappelijke deelname van oprichters en geëerde aan een dergelijk collectief, waaraan men officieel of officieus verbonden was.

 

In de praktijk zien we als oprichters de municipale ordines - de ordo decurionum en de ordo *Augustalium - optreden, maar ook de gehele gemeenschap of één van diens geledingen - bvb. plebs rustica of de vicani - en de verscheidene colleges. Hierbij dient echter opgemerkt dat combinaties tussen de genoemde categorieën kunnen optreden, waarbij bvb. decuriones, Augustales en de populus als dedicantes genoemd worden.

 

Laten we vooreerst een grove schets maken van de erende collectieven. Algemeen gezien kunnen we vijf categorieën onderscheiden naast de privati (65/650 - 10%), die in de vorige paragraaf reeds aan bod kwamen, namelijk de decuriones (centumviri, ordo decurionum, decuriones e.a.), de *Augustales, het volk (plebs, populus, civitas, res publica, vicani e.a.), de colleges en de andere.

 

Wanneer we de verscheidene, algemene categorieën tegenover elkaar gaan vergelijken,[259] zien we dat het het volk is dat in al zijn verdelingen en verschijningsvormen deelneemt aan de oprichting met een aandeel van bijna de helft van de inscripties door collectieven opgericht (258/585 - 44.10%). Het grootste deel van deze oprichtingen werd door een enkele categorie binnen de gemeenschap volbracht zonder bijdrage van andere collectieven (161 tegen 97, ratio 1.7:1).

 

Deze categorie wordt echter op de voet gevolgd door de decuriones (245/585 - 41.88%), die voornamelijk alleen de oprichting in handen hadden (151 tegen 94, ratio 1,6:1).

 

De verscheidene colleges bekleden een eervolle derde plaats met een aandeel in meer dan een vijfde van de inscripties door groepen opgericht (128/585 - 21.88%). Ook zij profileerden zich hoofdzakelijk alleen als oprichters (125 tegen 3, ratio 41,7:1).

 

De *Augustales, die normaal behoren tot de categorie van de colleges, werden hier afzonderlijk genomen, omdat het hier om de enige colleges gaat die in een voldoende groot aantal werden geattesteerd om als een aparte groep beschouwen. Daarbij dient herhaald dat dit veel voorkomend college eveneens als een ordo[260] werd beschouwd, die als een sociale tussenschakel functioneerde tussen de decuriones en het volk. Zij vertegenwoordigen een aandeel van ca. tien procent (62/585 - 10.60%) met tenslotte ook hier meer oprichtingen door een college als collectief alleen, hoewel het verschil met de oprichtingen door meerdere collectieven, waaronder een college van *Augustales hier minder groot is dan bij de vorige categorieën (39 tegen 23, ratio 1,7:1).

 

Deze cijfers bewijzen in eerste plaats dat het niet alleen de decuriones waren, die het straatbeeld van de gemeente bepaalden, maar dat eerder het volk tot de beslissing hieromtrent bijdroeg, het volk in al zijn verschijningsvormen zonder onderscheid te maken tussen de gemeenschap en zijn onderverdelingen. Ook de colleges, die algemeen gezien al individueel deel uitmaakten van de municipale bevolking en zo aldus eveneens hun stem lieten gelden, kregen eigenlijk een tweede stem in de colleges, die op hun beurt eveneens een eerbetoon tot stand konden brengen. De *Augustales vormden hier enigszins een uitzondering op, aangezien de ingenui-leden onder hen zelfs drie stemmen konden hebben, namelijk als lid van de municipale gemeenschap, als lid van de *Augustales en tenslotte als lid van de ordo decurionum.

 

Laten we vervolgens de verschillende categorieën van naderbij bekijken en binnen die categorieën eveneens de relaties tussen de geëerden en hun oprichters onderzoeken. De informatie omtrent de ordo decurionum of *Augustalium kwam reeds uitgebreid aan bod in het vorige hoofdstuk en wordt daarom tot een minimum beperkt om niet in herhaling te vallen. De bespreking van de categorieën aan collectieven verloopt volgens hun frequentie als oprichters: eerst het volk (258/585 - 44.10%), vervolgens de decuriones (245/585 - 41.88%), dan de colleges (128/585 - 21.88%), waaronder ook de *Augustales (62/585 - 10.60%).

 

3.1. De municipale bevolking.

 

Zoals gezegd treedt het volk het vaakst op als collectief oprichter (258/585 - 44.10%), waarbij het grootste deel van de oprichtingen door een enkele categorie binnen de gemeenschap werd volbracht zonder bijdrage van andere collectieven (161 tegen 97, ratio 10:6).

 

Hierbij moeten echter wel een aantal nuances worden gemaakt. Het zou immers fout zijn te zeggen dat het gehele volk zo vaak optreedt als oprichters. Daarom dient onder deze subtitel een verdere opdeling te worden weergegeven van de gemeenschap: ten eerste de gemeenschappen als een geheel, vervolgens enkele municipaal geografische entiteiten binnen die gemeenschap, dan enkele groepen, die slechts een bijkomstige categorie aan oprichters vormen (zoals bvb. vrouwen) en tenslotte de verscheidene benamingen voor de bevolking, waartoe niet steeds de gehele bevolking behoorde (bvb. plebs urbana, cives, incolae, cf. infra). In het verlengde hiervan zou de stelling eveneens foutief zijn, dat de subdivisies van het volk representatief zouden zijn voor de gehele gemeenschap, aangezien het soms gaat om een bevolkingssegment.

 

3.1.1. De gemeenschap.

 

Van de inscripties waar het “volk” als dedicant optreedt, zijn er tweeënvijftig te onderscheiden, waarvan men met zekerheid kan stellen dat het om de gehele bevolking gaat van een gemeente (52/258 - 20.16%). Zoals blijkt uit bijlage 23[261] wordt de gemeenschap het vaakst aangeduid met de naam van de inwoners van de gemeenschap, die gebaseerd is op de naam van de municipaliteit (31/52 - 59.62%). Men spreekt dan bijvoorbeeld voor de inwoners van Atina over de Atinates.[262] Tot deze groep behoorden alle inwoners van deze gemeente, gaande van de leden van de ordo senatorius tot het plebs en hier kan men terecht zeggen dat de inwoners zich vereenzelvigden met hun gemeente van herkomst. Zo kan men tot deze categorie niet alleen “het volk” rekenen, maar ook de decuriones, collegeleden en *Augustales van diezelfde municipaliteit.

 

Wanneer men zich afvraagt of dit fenomeen geografisch gebonden is (figuur 6), zien we dat frequentieel op het totaal van de inscripties, waarbij de inwoners van een gemeente worden geduid aan de hand van de naam van de gemeente, de meeste inscripties in regio I voorkomen (18/31 - 58.06%), een gedeelde tweede plaats is weggelegd voor de regiones III, VI en VII (3/31 - 9.68%) en regio IV komt op de derde plaats met twee inscripties (2/31 - 6.45%). De regiones V en IX tellen ieder één inscriptie (1/31 - 3.23%), terwijl regiones II, VIII, X en XI er geen tellen.

 

Regio

n

%

(totaal 31)

n

(per R.)

%

(totaal per R.)

I

18

58.06

18 /286

6.29

II

0

0.00

0 / 50

0.00

III

3

9.68

3 / 34

8.82

IV

2

6.45

2 / 67

2.99

V

1

3.23

1 / 20

5.00

VI

3

9.68

3 / 96

3.13

VII

3

9.68

3 / 45

6.67

VIII

0

0.00

0 / 20

0.00

IX

1

3.23

1 / 8

12.50

X

0

0.00

0 / 54

0.00

XI

0

0.00

0 / 16

0.00

Figuur 6: Geografische verspreiding van het duiden van

de inwoners a.d.h.v. de naam van de gemeente.

 

Wanneer we anderzijds deze getallen vergelijken tegenover het aantal ere-inscripties geattesteerd per regio, zien we dat het fenomeen binnen dit kader het meest typisch is voor regio IX (12.50%), maar er moet rekening worden gehouden met het lage aantal ere-inscripties daar geattesteerd. Regio III volgt op de tweede plaats (8.82%) en regio VII op de derde plaats (6.67%). M.i. kan men stellen dat dit fenomeen over het gehele, Italische schiereiland verspreid en gebruikt is.

 

Om alle inwoners van een gemeente te duiden wordt er anderzijds nauwelijks gebruik gemaakt van het statuut van de verscheidene gemeenten, namelijk of ze colonia of municipium waren. Het concept van het municicipium[263] is ontstaan in een eerste fase van de evolutie van het Imperium Romanum, ca. 381/380 v.C. Dit was oorspronkelijk een soevereine polis, wiens gebied geannexeerd werd door Rome en vervolgens geïncorporeerd werd door het populus Romanus. De inheemse bevolking mocht er wel blijven wonen[264] en ook zijn traditionele instellingen behouden wat betreft interne aangelegenheden.[265]

 

Anderzijds had men coloniae.[266] Hierbij kan men een onderscheid maken tussen coloniae Romanae en coloniae Latinae. De coloniae Romanae waren inplantingen van een driehonderdtal gezinnen van boeren-soldaten. Aan de kust waren namelijk garnizoenen gevestigd, waarvan de soldaten een stukje grond kregen om voor hun eigen levensonderhoud in te staan. Dit gebied behoorde tot de ager Romanus en was een autonoom onderdeel van de Romeinse staat.[267] Anderzijds had men de coloniae Latinae, hetgeen inplantingen waren van nieuwe entiteiten op grondgebied, dat ten nadele van de overwonnen vijanden geconfisqueerd was. Het gaat hier om juridisch soevereine entiteiten, bestaande uit Romeinse burgers, die het burgerschap van hun nieuwe staat moesten opnemen.[268] Men vond echter voor dit laatste type coloniae vanaf 167 v.C. geen gegadigden meer om deze coloniae Latinae te bevolken door het verlies van burgerrecht, waardoor er coloniae Romanae nieuwe stijl gaan ontstaan: dit zijn coloniae Romanae, waarvan de inwoners voortaan Romeinse burgers zijn (of blijven), maar met de morfologische kenmerken van coloniae Latinae.[269] In een laatste fase, na de Bellum Sociale in 90 v.C. werden alle coloniae Latinae op het Italische schiereiland municipia civium Romanorum.[270] Samen vormen de coloniae en municipia voortaan het populus Romanus. Van deze coloniae Romanae hebben we slechts één voorbeeld, zijnde de Colonia Aurelia Augusta Pia Canusium als oprichter in InscrNr. 313 (1/52 - 1.92%).[271]

 

Wat dan weer meer gebruikelijk was, was de gemeente te benoemen met de uitdrukking “res publica”, hetgeen zeven keer geattesteerd werd en vier keer vermoed wordt (11/53 - 20.57%). Een andere mogelijkheid was ook de benoeming “civitas”, hetgeen slechts één keer met zekerheid is geattesteerd en één keer vermoed kan worden (2/53 - 3.77%). Tenslotte kan men ook “universi” ressorteren onder de noemer gemeenschap, indien het gaat om alle inwoners. Deze werd echter slechts éénmaal teruggevonden als dedicant (1/53 - 1.89%).

 

Tenslotte hebben we nog enkele inscripties, waarin een gehele regio of zelfs een provincie een inscriptie opricht. Vijfmaal gaat het om een regio (5/52 - 9.62%): regio Compiti (uit Capua), regio Iovia (uit Nola), regio Romana (uit Nola), regio Hortensia (uit Salernum), regio Esquilina (uit Beneventum). Eenmaal gaat het over een gehele provincie, namelijk de provincia Mauretania Tingitana, die een inscriptie (uit Tusculum) zou hebben opgericht voor consul Caius Iulius Asper (1/52 - 1.92%). Ook hier kan men deze interpreteren als een verzamelnaam voor de gehele bevolking van de regio of provincie.

 

Relatie

n

%

civis

2

3.85

patronus

30

57.69

gemeenteraadslid

2

3.85

civis et patronus

1

1.92

patronus et curator rei publicae

1

1.92

matrona

2

3.85

uxor patroni

1

1.92

filio pii, amantissimi rei publicae

1

1.92

ter ere van de familie

1

1.92

onbekend

11

21.15

Totaal

52

100.00

Figuur 7: Relatie tussen gemeenschap en geëerde.

 

Laten we vervolgens de relatie tussen geëerde en gemeenschappen als oprichters eens van naderbij bekijken (cf. figuur 7). Welke band tussen een gemeenschap en een persoon kon tot de oprichting van een monumentaal eerbetoon leiden? Zoals blijkt uit bovenstaande figuur - waarbij rekening werd gehouden met de meest benadrukte band - is de meest voorkomende band het patronaatschap van de geëerde over het geheel aan inwoners (alle patroni 32/52 - 61.54%). Andere mogelijkheden zijn hier het gedeelde burgerschap (2/52 - 3.85%) - hoewel patroni meestal eveneens burger van de gemeenschap waren, maar ook het bekleden van een municipaal bestuursambt (2/52 - 3.85%) of het behoren tot de gens van een voor de gemeenschap belangrijke figuur (3/52 - 5.77%). Tenslotte vernoemt men nog twee matronae als oprichters (2/52 - 3.85%), hetgeen geen patronaatschap aanduidt, dan wel de kwaliteiten van de geëerde als deugdelijke vrouw[272], hetgeen niets verteld over de relatie met de oprichters. Het enige dat matrona kan impliceren is dat de vrouw een kwestie een voorbeeldfunctie bekleedde.

 

3.1.2. Municipaal geografische entiteiten.

 

Een beperktere subdivisie is die van de groepen binnen een gemeenschap, die gestoeld is op een municipale afbakening (20/258 - 7.75%).[273] Het gaat hier ten eerste om de centuriae[274] binnen een gemeenschap, de stemafdelingen waartoe de burgers waren ingedeeld. Het gaat hier waarschijnlijk niet om militaire centuriae omdat in dat geval het legioen of de cohorte zou zijn vermeld, waartoe de centuria behoorde, of een meer precieze omschrijving van diezelfde militaire centuria. Zo zijn er twee inscripties geattesteerd, waarbij een centuria als oprichter van het eerbetoon werd genoemd (2/20 - 10%). De relatie met de geëerde kan bij deze oprichters alleen het gedeelde burgerschap zijn binnen de gemeente.[275]

 

Ten tweede kennen we ook vicani als dedicantes. Dit waren de bewoners van wijken, die aldus geografisch verbonden waren tot een nabuurschap. In zestien inscripties treden zij op als oprichters (16/20 - 80%), en additioneel in nog eens drie inscripties vormen ze met de decuriones en Augustales een groep oprichters (3/21 - 15%). In dit laatste geval, kan men zich afvragen of men niet eerder de dorpsbewoners bedoeld in plaats van de inwoners van een wijk. Het lijkt dan ook enigszins vreemd dat de rest van de bevolking van een gemeente zou worden uitgesloten, alhoewel dit nog gebeurde met andere bevolkingsgroepen binnen een gemeente (cf. infra).

 


 

Relatie

n

%

patronus municipii

1

5.56

patronus

4

22.22

patronus vici

2

11.11

gemeenteraadslid

1

5.56

sevir Augustalis

1

5.56

matrona

1

5.56

onbekend

8

44.44

Totaal

18

100.00

 

Figuur 8: Relatie tussen vicani en geëerde.

 

De relatie tussen de vicani en de geëerde (cf. figuur 8) is ook hier - met de onbekende relaties buiten beschouwing gehouden - voornamelijk gebaseerd op het patronaatschap van de geëerde over de vicus, waartoe de vicani behoorden (6/18 - 33.33%). Andere mogelijkheden waren dat de persoon geen patroon was van een vicus, maar van de gemeente (1/18 - 5.56%), of helemaal geen patroon was geweest maar wel gemeenteraadslid (1/18 - 5.56%). Ook hier noemt men nog één vrouw matrona (1/18 - 5.56%), hetgeen zoals gezegd doelt op haar eigenschappen van de ideale huisvrouw en zo de hier vermelde relatie hoogstens betrekking kan hebben op haar voorbeeldfunctie.

 

3.1.3. Marginale bevolkingsgroepen.

 

Vervolgens hebben we nog enkele groepen, die slechts marginaal in de ere-inscripties uit dit corpus aan bod komen als oprichters. Tot deze onderverdeling werden enerzijds de vrouwelijke oprichters gerekend en anderzijds de verscheidene legerafdelingen, die als oprichters naar voren traden.[276]

 

i. Vrouwelijke oprichters.

We beginnen met de vrouwelijke oprichters. In totaal hebben we zes inscripties, waarin vrouwen als dedicantes genoemd worden (6/258 - 2.33%). Slechts twee inscripties noemen alleen vrouwen als oprichters, terwijl in de andere vier de vrouwen naast een groep mannen verschijnen als dedicantes. Laten we deze inscripties kort overlopen.

 

De twee inscripties, waarin alleen vrouwelijke oprichters worden genoemd zijn InscrNrs. 427 en 474. In de eerste[277] richten de mulieres Trebulanae voor hun patrona een standbeeld op (cat. 8.1.). In inscriptie 474[278] gaan de mulieres (getrouwde vrouwen), namelijk de matronae (deugdelijke, vrije vrouwen) en de libertinae (vrijgelaten vrouwen) een monumentaal eerbetoon oprichten voor een gemeenteraadslid (cat.