Overzicht van de neo-Assyrische administratie op municipaal, provinciaal en centraal niveau ten tijde van de dynastie der Sargonieden ( 722 - 610 bc ). (Toni De Winne)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

De interesse in de geschiedkunde, met zijn vele verschillende aspecten, lijkt zich in ons geval vooral te manifesteren in een mateloze verwondering en bewondering voor de grote wereldrijken die eens, in lang vervlogen tijden, uitgestrekte gebieden onder hun controle konden brengen. Zo laaide onze verbeelding reeds van kindsbeen af hoog op bij de gedachte aan het machtige Romeinse imperium, het immense rijk van Alexander en andere ‘Groten’ der geschiedenis. Een minder bekend, maar daarom niet minder interessant, wereldrijk was het Neo-Assyrische rijk, dat ruim gezien tussen de 9e eeuw en 7e eeuw BC een ongekende suprematie over het Oude Nabije Oosten ten toon spreidde.

 

Het Neo-Assyrische rijk bleek een bijzonder dankbaar onderwerp voor deze dissertatie te zijn, daar voor deze periode relatief veel bronnen, en belangrijker nog, een grote hoeveelheid vertaalde bronnen, beschikbaar zijn. Vooral de gloednieuwe reeks ‘State Archives of Assyria’, uitgegeven door de Universiteit van Helsinki en opgevat als thematisch gerangschikte bundeling van alle teruggevonden Neo-Assyrische teksten, verdient in dit verband een zeer eervolle vermelding.  

 

Een verdere afbakening van ons onderwerp was snel gevonden. De grote verdienste van het Neo-Assyrisch rijk bestond immers niet zozeer uit de verovering van een immens gebied, maar uit het vasthouden van een efficiënte controle op die veroverde gebieden, en dat onafgebroken gedurende een periode van ruim drie eeuwen. De sleutel tot deze bewonderenswaardige prestatie vormde de administratieve inrichting van het rijk, die vooral door de hervormingen van koning Tiglat-Pileser III (744 - 727 BC) tot een ongekend efficiënt bureaucratisch apparaat uitgebouwd werd. De precieze reconstructie van de Neo-Assyrische administratie vormt bijgevolg een uiterst interessant vraagstuk waarin vele assyriologen en historici zich inmiddels verdiept hebben. In 1910 publiceerde Klauber met ‘Assyrisches Beamtentum’ reeds een overzicht van de Neo-Assyrische centrale administratie. Een eerste groot synthesewerk waarin alle administratieve niveaus opgenomen zijn, liet echter nog meer dan 60 jaar op zich wachten tot, in 1972, het werk ‘The Nimrud Wine Lists’ van Kinnier-Wilson gepubliceerd werd. Deze auteur baseerde zich echter slechts op één reeks bronnen, teruggevonden in het paleis van de hoofdstad Calah. Het werk schetste dus het beeld van één Neo-Assyrische stad. Verder werd later eveneens vastgesteld dat dit werk meer dan goed was de fundamenten van zijn betoog in analogieën met andere, latere, rijken zocht.    

 

Wij willen in deze dissertatie eveneens een poging ondernemen om de Neo-Assyrische administratie zo volledig mogelijk te reconstrueren. Van de vijf administratieve niveaus die in het Neo-Assyrische rijk te onderscheiden zijn, zullen we de administratie van de tempels en de militaire administratie echter niet opnemen in ons overzicht. Voor meer informatie omtrent deze twee administratieve niveaus verwijzen we respectievelijk naar het werk ‘Assyrische Tempel’, door Barbara Menzel, en ‘L’Armée et l’organisation militaire de l’Assyrie d’après les lettres des Sargonides trouvées à Nineve’, van de hand van Florence Malbran-Labat. Deze werken, beide gepubliceerd begin jaren ’80, gelden nog steeds als accurate standaardwerken met betrekking tot hun respectievelijke onderwerpen. Voor zowel de municipale als de provinciale administratie is er echter nooit een werk gepubliceerd dat betracht een overzicht van alle municipale of provinciale functionarissen te geven. Bovendien dateert het laatste soortgelijke werk in verband met de centrale administratie zoals gezegd reeds van het begin van deze eeuw. Deze dissertatie stelt zich bijgevolg als doel om, aan de hand van literatuur en de Neo-Assyrische bronnen, een overzicht te geven van de municipale, provinciale en centrale administratie.

 

Uiteraard werden in dit ruime onderwerp verdere thematische afbakeningen aangebracht. De Neo-Assyrische administratie zal, op municipaal, provinciaal en centraal niveau, besproken worden voor de dynastie der Sargonieden (722-610 BC). Een meer uitgebreide bespreking van dit chronologisch kader is te vinden in hoofdstuk I. We hebben het bovendien nuttig geacht om in dit hoofdstuk, naast een korte geografische bespreking, enkele krachtlijnen van de Neo-Assyrische administratie te vermelden. Het is verder belangrijk om weten dat in het overzicht van de administratie de situatie van de Assyrische vazalstaten niet behandeld wordt. Zulke staten behielden immers hun eigen lokale instellingen, zodat hun opname in dit werk over de Neo-Assyrische administratie niet relevant zou zijn. Om dezelfde redenen werden Babylonische bronnen angstvallig gemeden. Hoewel we in de Neo-Assyrische geschiedenis zelfs een dubbelmonarchie tussen Assyrië en Babylonië zien optreden, is de Babylonische situatie te verschillend van de Assyrische om ons nuttige informatie omtrent de Assyrische administratie te kunnen verschaffen.

 

Eens het onderwerp strikt afgebakend was, kon een begin gemaakt worden met het onderzoek naar de concrete invulling van de Assyrische administratie. De eerste fase van het onderzoek omvatte het napluizen van literatuur en bronnen op zoek naar de Akkadische titels van zoveel mogelijk Neo-Assyrische functionarissen. Er werd gepoogd voor elke teruggevonden ambtenaar een hiërarchische positie en een omschrijving van het takenpakket uit de bronnen af te leiden. Tenslotte werden aan de hand van de inmiddels verkregen informatie de functionarissen ingedeeld bij één van de drie besproken administratieve niveaus. De weergave van het teruggevonden beeld voor respectievelijk de municipale, provinciale en centrale administratie is terug te vinden in de hoofdstukken II tot en met IV.

 

In hoofdstuk V gaan we na of de teruggevonden informatie schematisch weer te geven valt in verschillende organigrammen. Het vatten van een historische samenleving in een modern instrument om banden van ondergeschiktheid en beïnvloeding weer te geven, leek ons een bijzonder nuttige werkwijze om de verstrekte informatie toegankelijker te maken voor de hedendaagse lezer.

 

We hebben het tenslotte nuttig geacht in bijlage enkele kaartjes toe te voegen. Voor Assyrische steden die vermeld zullen worden in dit werk, verwijzen we naar bijlagen 3a, 3b, 3c, 3d en 3e , pagina’s 166 tot en met 170.

 

 

I. De Neo-Assyrische staat onder de dynastie der Sargonieden

 

1. HISTORISCH - METHODOLOGISCHE PROBLEMEN

 

In de beschrijving van, in het algemeen, een aspect van een historische samenleving en, in het bijzonder, de administratieve niveaus van het Neo-Assyrische rijk, zagen wij ons geconfronteerd met een aantal problemen - sommige inherent aan de Neo-Assyrische staat onder de Sargonieden - die we hier groeperen onder de noemer historisch-methodologische problemen.

 

1.1. Het is de taak van de historicus om, aan de hand van bronnen, de puzzel van het verleden te reconstrueren. Deze eenvoudig uitgesproken opgave is in de praktijk vaak echter moeilijk uitvoerbaar : er is geen voorbeeldopgave van de puzzel voorhanden, vele puzzelstukken zijn nog niet teruggevonden, het aantal stukken van de puzzel is onbekend, een onbekend aantal puzzelstukken is vernietigd of op een andere manier voorgoed verloren, enzovoort. Specifiek toegepast op het onderwerp van deze dissertatie staat een deel van onze kennis van het Neo-Assyrisch administratief apparaat zo goed als vast, terwijl we niet weten hoeveel functies er nog ontbreken in ons verkregen overzicht. Enig instrument dat enig soelaas biedt, blijft, naast een grondige studie van alle mogelijke bronnen dienaangaande, het gezond verstand van de historicus. Bij de oplossing van dit probleem houden we ons dus een uitspraak van Professor Sidney Smith in het achterhoofd : “If it makes sense, it may well be wrong; if it makes nonsense, it is wrong”[1].

 

1.2. Enkele andere problemen gaan gepaard met het gebruik van spijkerschrifttabletten als historische bron. De terminologie, gebruikt in de Assyrische teksten, leidt in vele gevallen tot ambiguïteit. Enkele voorbeelden zullen dit verduidelijken : de term alu (stad) wordt zowel voor een grootstad als Nineveh als voor een plattelandsdorp of een nomadennederzetting gebruikt, de titel sarru kan slaan op een nomadenhoofdman of op een heerser over een uitgestrekt rijk[2]. Enkel een kritisch vergelijkend onderzoek van de bronnen zal hier de kans op het maken van foute veronderstellingen doen afnemen. Een ander blijvend probleem in verband met omzeggens alle historische teksten is de vraag in hoeverre de vermelde feiten een normale, dan wel een uitzonderlijke situatie reflecteren. Daar deze vraag nooit volledig beantwoord kan worden, gaan wij ervan uit dat het veilig is te betrouwen op de weldoordachte assumpties en interpretaties van assyriologen en historici met een goede bronnenkennis.

 

1.3. Een bijzonder probleem in verband met deze dissertatie betreft, gezien onze zeer geringe kennis van het Akkadisch, het genoodzaakt gebruik van bronnen in vertaling. Het is uiteraard waar dat de vertaling van een bron reeds een deel interpretatie ‘opdringt’ aan de lezer. Wij zouden dit probleem echter willen gelijkstellen met de vraag of dit onderzoek beter gevoerd had kunnen worden door een student die het Akkadisch min of meer machtig is. Deze vraag beantwoorden wij uiteraard ontkennend. De  meningsverschillen die op het vlak van de bronnenvertaling vaak optreden onder Assyriologen, zorgen immers voor een grote hoeveelheid van interpretaties waaruit wij, als ‘leek’ in de kennis van het Akkadisch, net zo goed een goed overdachte keuze kunnen maken, evenwel steeds gebaseerd op de eigen ervaringen met informatie uit secundaire bronnen, de achtergrond van historicus-in-spe en het gezond verstand. Gezien de moeilijkheidsgraad van het Akkadisch en de vele vraagtekens die zelfs bij Assyriologen nog steeds aanwezig zijn, durven we stellen dat de eigen inbreng van een student Oosterse Talen en Culturen op het vlak van bronnenvertaling zo goed als onbetekend zou zijn. We erkennen dus dat, door het gebruik van bronnen in vertaling, de interpretatie van de vertaler overgenomen wordt, maar tegelijkertijd zouden we met klem willen benadrukken dat wij niet één interpretatie klakkeloos overnemen : op gebieden waar een consensus heerst onder Assyriologen lijkt het ons veilig de interpretatie in kwestie over te nemen en als een accurate vertaling te aanzien. Passages daarentegen waarbij meningsverschillen optreden tussen de verschillende vertalers zijn ons in talrijke verschillende vertalingen voorhanden, zodanig dat wij de kans krijgen om, na een kritisch vergelijkend onderzoek, en vaak in overleg met de promotor, zelf een goed overdacht oordeel te vormen met betrekking tot een aannemelijke vertaling. Wij zijn bijgevolg van oordeel dat het genoodzaakt gebruik van bronnen in vertaling op geen enkele manier de accuraatheid en wetenschappelijke waarde van dit onderzoek in het gedrang gebracht heeft.   

 

1.4. Een andere steeds terugkerende en moeilijk te overwinnen moeilijkheid betreft het beschrijven van een historische leefwereld aan de hand van hedendaagse terminologie. Het ligt bijvoorbeeld voor de hand dat een Assyrische stad niet te vergelijken is met ons hedendaags beeld van een stad. Om de lezer een beter beeld te schetsen van de concrete inhoud van een functie zullen wij evenwel soms de functie in kwestie benoemen met een hedendaagse min of meer vergelijkbare term. Wanneer wij echter de Assyrische ‘hazannu’ als ‘burgemeester’ omschrijven houdt dit geenszins in dat het takenpakket van de hazannu volledig zou samenvallen met het takenpakket van een hedendaagse burgemeester. Wij zijn echter de mening toegedaan dat door het gebruik van een hedendaagse term de lezer in bepaalde gevallen gemakkelijker de functie in kwestie kan duiden. Door een simpele vergelijking met een bekend begrip uit zijn hedendaags referentiekader wordt het voor de lezer eenvoudiger zich een concreet beeld van de functie en zijn hiërarchische positie voor te stellen. In zulke gevallen verzoeken wij de lezer niet strikt ‘hedendaags’ te denken, maar de informatie te verwerken tegen de achtergrond van een historische, en totaal verschillende, maatschappij.

 

1.5. Vermelden we tot slot nog een zeer specifiek probleem in verband met de Neo-Assyrische staatsarchieven. In die archieven, hetzij provinciale of koninklijke, duiken regelmatig documenten op waarin ambtenaren optreden als koper of verkoper. De moeilijkheid bij deze documenten zit in de vraag of de vermelde ambtenaren optreden als functionaris of als individu. Een aantal van deze teksten is namelijk moeilijk anders dan als private documenten te interpreteren.[3] Het antwoord op de vraag waarom deze private documenten zich dan in de staatsarchieven bevinden, is moeilijk te achterhalen. We kunnen enkel aannemen dat de Neo-Assyrische staat geen duidelijke scheiding hanteerde tussen publieke en private zaken. Een mogelijke hypothese is dat, in het kader van controle op de ambtenaren, al hun private documenten opgenomen werden in een staatsarchief, misschien eveneens om later de wettelijkheid van een transactie te kunnen bewijzen zodat geen Assyrische ambtenaar in opspraak zou komen door twijfel omtrent de rechtsgeldigheid van een private aankoop of verkoop. Het is hoe dan ook duidelijk dat de scheiding tussen een ambtenaar in functie en die ambtenaar als individu uitermate vaag was. We kunnen hypothetisch stellen dat het in functie treden als ambtenaar van de Assyrische kroon een totaal engagement en een opgave van het leven als individu vereiste. Zo zouden de ambtenaren steeds onder hun titel van ambtenaar door het leven gaan. Het dragen van de titel van ambtenaar was met andere woorden geen ‘negen tot vijf’ - verantwoordelijkheid. Ook al engageert de ambtenaar zich op eigen initiatief in een transactie, toch wordt hij in de wettelijke documenten opgetekend als zijnde ambtenaar van de Assyrische kroon, hoewel die hoedanigheid van functionaris niets te zien heeft met de transactie in kwestie. Dit feit maakt het uiteraard moeilijker het takenpakket van een functionaris uit de bronnen af te leiden.

 

 

2. GEOGRAFISCHE EN CHRONOLOGISCHE BESCHRIJVING

 

2.1. Geografisch [4]

 

Het Assyrisch kernland noemen we de streek in het huidige Irak tussen de rivieren Tigris, Boven-Zab en Neder-Zab. Dit gebied zal zich, ondermeer in de Neo-Assyrische periode maar ook reeds in vroegere perioden, sterk uitbreiden. De staat die op die manier ontstond, krijgt de naam Assyrië. De stad Assur, genoemd naar de gelijknamige godheid, schonk, als belangrijkste stad van het Assyrisch kernland en oudste hoofdstad van Assyrië, zijn naam aan het gehele gebied. Het Assyrisch kerngebied wordt in de bronnen omschreven als ‘Land van Assur’. Voor een voorstelling van het Assyrische kernland verwijzen we naar het kaartje in bijlage 3a, pagina 166.

 

De gebiedsuitbreidingen zijn onder het Neo-Assyrische rijk immens. De eerste slachtoffers zijn de Arameese stammen langs de Eufraat. Daarop wordt de Eufraat overgestoken en vestigen de koningen gestadig hun controle over het Syro-Palestijnse gebied. Tegelijkertijd worden in het noordwesten, het noorden en het oosten systematisch gebieden met een lager beschavingsniveau ingelijfd. Op die manier wordt het Assyrisch rijk het eerste grote rijk in de geschiedenis. Dankzij een efficiënte administratieve inrichting van het rijk en een superieur militair apparaat kan het Neo-Assyrische rijk zijn positie als dominante macht in het Oude Nabije Oosten ruim drie eeuwen handhaven. De uitbreiding van het rijk kent met de verovering van Egypte een laatste hoogtepunt in 671 BC. De uitbreiding van het Assyrische rijk wordt voorgesteld in kaartje 3b, pagina 167 van dit werk.

 

2.2. Chronologisch [5]

 

Deze dissertatie zal zich zoals gezegd beperken tot het Neo-Assyrische rijk onder de dynastie der Sargonieden. Voor een goed begrip van het Assyrisch staatsbestel beginnen we onze chronologische bespreking echter met de koningen Tiglat-Pileser III en Shalmaneser V, waarna de verschillende koningen van de Sargoniedendynastie aan bod komen. De hervormingen van de eerstgenoemde koning vormden immers de hoeksteen van de Assyrische administratieve inrichting zoals ze hier besproken zal worden. Een diepgaande bespreking van de hervormingen van Tiglat-Pileser III is verder in dit hoofdstuk onder punt 3 van dit hoofdstuk te vinden. 

 

2.2.1. Tiglat-Pileser III (744-727 BC)

 

Deze koning, waarschijnlijk een usurpator[6], wordt over het algemeen vooropgesteld als feitelijke grondlegger van het Neo-Assyrische rijk.[7] Zijn vermelde hervormingen op militair en administratief vlak verstevigden de greep van de koning op het administratief apparaat. Voor het eerst in de geschiedenis konden dan grote gebieden onder blijvende controle van de Assyrische kroon geplaatst worden. De stad Calah (Nimrud), hoofdstad van het rijk sinds de regeringsperiode van Assurnasirpal II (884-859 BC), werd door Tiglat-Pileser III als hoofdstad behouden.

 

Op militair vlak wordt Tiglat-Pileser III herinnerd omwille van zijn succesvolle Syrische campagnes, uitgevoerd in drie etappes tussen 743 en 732 BC, met als eindresultaat de inrichting van Syrië in drie Assyrische provincies[8]. Bovendien stoot het Assyrische rijk onder zijn bewind diep door in het huidige Iran in een verwoede strijd met de Perzen en de Meden. Na de verovering van Babylonië in 729 BC is Tiglat-Pileser de eerste Assyrische vorst die ook te Babylon de koningskroon ontvangt. Deze beslissing kadert in de grote eerbied voor de Babylonische cultuur : onderwerping als provincie of vazalstaat van Assyrië werd in het geval van Babylonië niet gepast geacht.

 

2.2.2. Shalmaneser V (726 - 722 BC)

 

Tiglat-Pileser III werd in 726 BC opgevolgd door zijn zoon Shalmaneser V, die slechts vijf jaar de troon in handen zou hebben. Zijn annalen werden ons niet overgeleverd maar we kunnen stellen dat zijn beleid over het algemeen aanknoopte met de politiek, gevoerd door zijn vader : ook hij besteeg de troon in Babylon en breidde het rijk verder uit met ondermeer Samaria, de hoofdstad van Israël.[9]

 

2.2.3. De Sargonieden

 

2.2.3.1. Sargon II (722-705 BC)

 

Na de dood van Shalmaneser V in 722 BC kwam Sargon II op de troon. Zijn bewind leidde de dynastie der Sargonieden in. Gedurende vele jaren was men er in assyriologische kringen van overtuigd dat deze Sargon een usurpator, en dus niet de wettelijke opvolger, was. Dit leidde men ondermeer af uit zijn koningsnaam, die als ‘wettelijke koning’ te vertalen is. Ook het feit dat deze koning zich in inscripties nooit beroemt op zijn afstamming, gold als een indicatie dienaangaande. Tegenwoordig concentreert men zich echter meer op één inscriptie van Sargon[10], waarin hij vermeldt een zoon van Tiglat-Pileser III te zijn. Zijn koningsnaam zou dan slaan op het feit dat hij, als een jongere zoon van koning Tiglat-Pileser normaliter niet in aanmerking zou gekomen zijn voor het koningschap.

 

De veldtochten van Sargon II waren ondermeer gericht tegen Syrië, Palestina en, vooral, Urartu. In het binnenland trok Sargon II weg uit de toenmalige hoofdstad Calah en liet een nieuwe hoofdstad bouwen, die hij Dur-Sarrukin of ‘Sargonsburcht’[11] noemde. De koning zou de stad echter nooit in gebruik nemen. Nog voor de werken volledig beëindigd waren, sneuvelde Sargon II, in 705 BC, in Klein-Azië.

 

2.2.3.2. Sanherib (705-681 BC)[12]

 

De zoon van Sargon II, Sanherib, besteeg de troon op 12 Abu[13] 705 BC. Hij verplaatste de regeringshoofdstad aanvankelijk van Dur-Sarrukin naar Assur, om later, vanaf 701 BC, Nineveh als verblijfplaats te kiezen. Onder zijn bewindsperiode werd Babylon met de grond gelijk gemaakt door de Assyrische troepen en tot vazalstaat van de Assyrische kroon gedegradeerd.

 

De 20e Tebetu[14] van het jaar 681 BC werd Sanherib vermoord omwille van perikelen in verband met de opvolging. De Bijbel[15] vertelt dat de koning vermoord werd in een tempel van de god Nisrok[16] door zijn zonen Adramelek[17] en Sarezer. Deze twee zonen stonden waarschijnlijk aan het hoofd van een groep aristokraten en prinsen die zich, door de uitverkiezing van Asarhaddon als kroonprins, gepasseerd voelden. De opstand te Assyrië, die door de moord op Sanherib ingeleid werd, zou anderhalve maand, van 20 Tebetu[18] tot 2 Addaru[19] 680 BC duren.

 

2.2.3.3. Asarhaddon (680-669 BC)

 

Asarhaddon, de zoon van Sanherib, werd op 18 of 28 Addaru[20] 680 BC op de Assyrische troon geplaatst. Zijn naam betekent letterlijk ‘Assur hat einen Bruder gegeben’[21] of ‘de god Assur heeft een broer geschonken’[22]. Hieruit blijkt duidelijk dat Asarhaddon niet de oudste zoon was zodat de legitimiteit van zijn koningschap aangevochten kon worden. Om hieraan te verhelpen schonk zijn vader hem de klinkende troonnaam Assur-etel-ilani-mukin-apli ‘Assur, der Held unter den Göttern, macht den Erben fest’[23], vrij te vertalen als ‘Assur, de eerste onder de goden, doet de erfgenaam gelden (of legitimeert deze erfgenaam)’. Hij bleef Nineveh als hoofdstad verkiezen. Zijn bewind betekende een verzoening tussen Assyrië en Babylon. Asarhaddon liet de verwoeste stad heropbouwen, waarna hij er zich tot koning liet kronen.

 

Op zijn militair palmares prijken ondermeer campagnes tegen Nabu-zer-kitti-liser[24], die zich tot heerser van Zuid-Babylonië uitgeroepen had, Elam, Urartu en Egypte. Hij regelde zijn troonopvolging zodanig dat zijn zoon Samas-sum-ukin de troon te Babylonië en zijn zoon Assurbanipal de troon te Assyrië zouden bestijgen. Asarhaddon stierf in 669 BC.

 

2.2.3.4. Assurbanipal (669 - ? BC)

 

Assurbanipal werd op 1 Kislimu[25] 669 BC heerser over Assyrië. Samas-sum-ukin besteeg pas in mei 668 BC de Babylonische troon. Assurbanipal vormde in de dynastie der Sargonieden de enige koning met een enorme belangstelling voor kunst en kultuur. Zijn ambtenaren kregen de opdracht oude teksten op te speuren en naar de hoofdstad Nineveh te brengen, waar de bibliotheek van Assurbanipal ongemeen grote afmetingen aannam[26]. Onder Assurbanipal kende het Assyrische Rijk ook geografisch zijn grootste uitbreiding. De Egyptische campagne van zijn vader Asarhaddon werd succesvol afgerond en tot 651 BC kon Egypte onder Assyrisch gezag gehouden worden. Verder werden een aantal succesvolle campagnes tegen staten in het noorden van het rijk, Elam en een aantal Arabische stammen gevoerd. Rond 654-653 BC ging Samas-sum-ukin, die door zijn broer eerder als een vazal dan als een gelijke beschouwd werd, een bondgenootschap aan met onder andere Elam, een aantal Arabische stammen, verscheidene prinsen van Palestina en Egypte, in de hoop het Assyrische juk af te werpen. De broederoorlog die daarop volgde in 652 BC zou vijf jaren aanslepen. In 648 BC kwam Babylon, na een twee jaar durend beleg, in handen van het Assyrische leger. Samas-sum-ukin kwam om tijdens de inname van de stad. De stad werd ditmaal echter gespaard en Assurbanipal stelde Kandalanu aan als vazalvorst van Babylon.

 

De eerste 30 jaar van Assurbanipals bewind betekenden voor het Assyrisch rijk nog een tijd van voorspoed en relatieve rust. Vanaf 639 BC werden echter geen koninklijke annalen meer opgetekend, zodat de precieze aftredings- en sterfdatum van Assurbanipal onbekend is. Zeker is dat de laatste jaren van Assurbanipals bewind een begin maakten aan de snelle aftakeling van het machtige Neo-Assyrische rijk.

 

2.2.3.5. De laatste koningen van een grootmacht in verval

 

Na 635 BC werd Assyrië ondergedompeld in een echte burgeroorlog. Verschillende troonpretendenten bevochten elkaar of riepen zichzelf uit tot koning. Assur-etel-ilani, een jongere broer van Assurbanipal, kwam in 633 BC aan de macht. Hij beheerste eerst vanuit Nineveh grote delen van Assyrië en Babylonië tot 628/627 BC en later, tot 625/624 BC, vanuit Harran een deel van het westelijk rijk. Sin-sum-liser riep in 632 BC zichzelf tot koning uit en regeert tot ongeveer 626 BC over delen van Babylonië. In Nineveh werd Sin-sar-iskun in 629 BC nog tot koning van Assyrië gekroond. Babylonië zou in 626/625 BC in handen komen van Nabupolassar, die later, gesteund door de Meden onder leiding van Cyaxares en de Scythen, de ondergang van het Assyrische rijk voorgoed zou bezegelen : in 614 BC werd de stad Assur ingenomen; in 612 BC viel de stad Nineveh en met haar eindigde ook de bewindsperiode daar van Sin-sar-iskun, die omkwam tijdens het beleg. Daarop riep Assur-uballit II zich te Harran uit tot nieuwe Assyrische koning. Deze stad kon nog twee jaar stand houden alvorens in 610 BC de laatste restanten van het Neo-Assyrische rijk van de kaart geveegd werden.        

 

 

3. HERVORMINGEN VAN TIGLAT PILESER III

 

We vermeldden eerder reeds dat de hervormingen van deze koning de feitelijke basis legden voor de Neo-Assyrische staatsinrichting zoals we ze hier zullen bespreken. Tiglat-Pileser III voerde een herinrichting van de Assyrische staat door op bestuurlijk en militair vlak. Daarnaast betekenden zijn reeds aangehaalde veroveringen een belangrijke stap in de uitgroei van het Assyrische kernland naar het immense rijk dat de Sargonieden onder hun controle zullen kunnen houden.

 

3.1. Bestuurlijk

 

3.1.1. Een eerste essentiële maatregel om de uitbreiding van het rijk en de doorgedreven centralisatie en bureaucratisering, onder sterke supervisie van de koning, mogelijk te maken, was het aanstellen van eunuchen op belangrijke posten, bijvoorbeeld in de hofhouding of het provinciebestuur[27]. Op die manier kon de macht van de hogere adel, die normaliter deze hoge posities bekleedde, sterk beknot worden. Eunuchen hadden immers geen nakomelingen, zodat kon verondersteld worden dat ze de koning steeds trouw bleven. De aristokratie zou vanaf dat moment enkel nog invloed op het beleid kunnen uitoefenen langs magisch-religieuze weg : de astrologen, zieners en voorspellers die de koning steeds diende te raadplegen alvorens belangrijke beslissingen te nemen, konden via hun relaas van de wil van de goden de beleidsdaden van de koning op subtiele wijze beïnvloeden[28].

 

3.1.2. Het systeem van provinciale besturing werd door de Neo-Assyrische koningen overgenomen uit de Midden-Assyrische periode (15e - 13e eeuw BC)[29]. Omstreeks het begin van de 8e eeuw BC schijnt een zwakke monarchie sommige provinciebestuurders een aanzienlijke mate van zelfstandigheid te hebben toegelaten[30], wat het sein betekende voor Tiglat-Pileser III om drastische hervormingen door te voeren[31]. De creatie van veel kleinere provinciale eenheden en vermoedelijk een versterking van het centrale bestuur vormden de sleutelpunten van deze hervormingen[32]. Op die manier werd de te grote machtsaccumulatie van de provinciegoeverneurs, die voorheen bijna als autonome vorsten hun omvangrijke provincies konden besturen, krachtig ingedijkt. De nieuwe kleinere provincies (pihati) kwamen daarenboven regelmatig onder de supervisie van eunuchen met de titel bel pihati. 

 

3.1.3. Tussen de provinciehoofdsteden en de toenmalige Assyrische hoofdstad Calah werd een efficiënt communicatienetwerk ontwikkeld[33]. Op die manier werden de goeverneurs permanent van hogerhand gecontroleerd. Dit netwerk steunde op de oprichting van verschillende kalliu ‘posting stations’, die onder goevernementeel gezag kwamen te staan. De kalliu, onder leiding van een rab kallie[34], stonden in voor de opvang van boodschappers en hun paarden.

 

3.1.4. Teneinde elk streven naar zelfstandigheid en het opduiken van rebellieën, gericht tegen de Assyrische kroon, in de provincies van zijn rijk volledig in te dijken, werd de bestaande deportatiepolitiek[35] door Tiglat-Pileser fors uitgebreid. Gehele bevolkingsgroepen werden zonder veel omhaal uit hun thuisland weggerukt en honderden of duizenden kilometers verder gedropt, met als doel het vormen van heterogenene bevolkingsgroepen in de provincies. De bronnen maken alleen al voor de regeringsperiode van Tiglat-Pileser III gewag van 155.000 gedeporteerde Chaldeese burgers en 65.000 gedeporteerde Meden[36]. De gedeporteerde personen behielden wel hun rechten en plichten als onderworpenen aan de Assyrische kroon. Een zeer groot aandeel van hen kwam in het Assyrische kernland, en zelfs aan het koninklijk paleis terecht[37].

 

3.2. Militair

 

3.2.1. Het instellen van een beroepsleger door Tiglat-Pileser III zorgde voor de noodzakelijke ruggesteun van een absoluut regime. Vanaf nu konden belegeringen omzeggens heel het jaar door volgehouden worden. Het voeren van militaire campagnes werd enkel afhankelijk van de klimatologische omstandigheden, waar men in vroeger tijden een vastgelegd ‘campagneseizoen’ van enkele maanden kende[38]. Tiglat-Pileser III organiseerde zijn leger daarenboven in drie groepen van soldaten[39]: een vaste kern van professionele soldaten[40], die heel het jaar door onder de wapens lagen, personen die gelicht werden voor een bepaalde periode in het kader van hun ilku-verplichtingen[41] aan de Assyrische kroon, en personen die slechts uitzonderlijk voor de duur van een grote campagne onder de wapens geroepen werden. In tijden van nood kon de vaste kern van het leger dus snel aangevuld worden met de nodige versterkingen[42]. We mogen aannemen dat vanaf deze hervormingen het Assyrische leger, of althans toch een substantieel deel ervan, omzeggens steeds in staat van paraatheid verkeerde. Deze mogelijkheid tot snelle mobilisatie en militaire akties verschafte het Neo-Assyrische rijk een onmiskenbaar voordeel op zijn vijandige buurstaten[43].

 

3.2.2. Een reeks bijkomende militaire ingrepen maakten van het Assyrisch leger een geduchte en wendbare krijgsmacht : onder invloed van de buurstaten Perzië en Urartu werd de cavalerie, in plaats van de eenheid van strijdwagens, de sterke speerpunt in de aanvalslinies[44]. Verder werden de bestaande eenheden in de strijdwagendivisie - 10 strijdwagens onder leiding van een rab esirte - hoogstwaarschijnlijk onder Tiglat-Pileser III omgebouwd tot eenheden van 50 strijdwagens onder de rab kisri[45].

 

 

4. KRACHTLIJNEN VAN DE ASSYRISCHE STAATSINRICHTING

 

4.1. De ambtenaren van de koning

 

4.1.1. Zoals eerder vermeld kunnen we het Neo-Assyrisch administratief apparaat opdelen in centrale, provinciale en municipale administratie, tempel- en legeradministratie. Deze gehele organisatie stond exclusief onder de supervisie van de Assyrische vorst. De vorst, als hoogste burgerlijke instantie, culmineerde in zijn persoon dan nog de ambten van opperbevelhebber, opperpriester en opperrechter van het rijk. Een diepgaandere bespreking van het  Assyrisch staatsbestel en de rol van de koning is te vinden in hoofdstuk V, punt 1.

 

4.1.2. Elke ambtenaar van het rijk werd door de koning benoemd. Een verplichte eed van trouw[46] vanwege de ambtenaar bevestigde zijn positie als werknemer van de koning. In de praktijk zullen we zien dat de benoeming van minder belangrijke magistraten door de koning in feite neerkwam op een bekrachtiging van de beslissingen dienaangaande genomen door de provinciegoeverneurs[47]. De benoeming van ambtenaren was totaal onderworpen aan de willekeur van de koning[48] : wie in de gunst van de koning stond, kreeg een post in zijn administratief apparaat. Het Neo-Assyrische rijk kende dus niet zoiets als een te doorlopen loopbaan voor zijn ambtenaren. Promotie was niet gestoeld op capaciteiten of anciënniteit van de ambtenaar maar enkel op de aard van zijn relatie met de koning. Het is dan ook niet verwonderlijk dat omkoperij en vleierij veelbeproefde middelen vormden om een post aan het koninklijk paleis te bemachtigen[49]. In het paleis werden enkele ambten ook van vader op zoon doorgegeven[50]. Stond de vader in een goede relatie met de koning, dan kon hij zijn zoon gemakkelijk aanbevelen bij de koning[51].

 

4.1.3. De uitbetaling van de ambtenaren kende in het Neo-Assyrische rijk waarschijnlijk een geleidelijke verschuiving van natura-betalingen naar betalingen in kostbare metalen[52]. We zouden deze stelling echter willen nuanceren : we gaan ervan uit dat de belangrijke rijksfunctionarissen en de vertrouwelingen van de koning op gestelde tijden een deel van de kostbare voorwerpen uit de tribuutsbetalingen[53] ontvingen. Het merendeel van de functionarissen - het lager palatiaal, militair en administratief personeel - zal het ons inziens echter moeten stellen hebben met een betaling in natura[54]. De paleisfunctionarissen en andere hoge ambtenaren zoals de provinciegoeverneurs, ontvingen daarenboven landschenkingen van de koning[55]

 

4.2. Het Neo-Assyrisch imperialisme

 

4.2.1. Oorzaken [56]

 

Een frappant kenmerk van de Neo-Assyrische staat was de niet aflatende zucht naar gebiedsuitbreiding. Alle koningen vertoonden de drang om zich te onderscheiden in grootse militaire campagnes, en zo het werk van hun voorgangers verder te zetten. We benadrukken dat geen van de hierondervermelde drijfveren als de enige oorzaak van dit imperialisme bestempeld kan worden. Verschillende faktoren samen lagen aan de grondslag van het Neo-Assyrisch imperialisme.

 

4.2.1.1. Allereerst dienen we te wijzen op de intense vermenging van het religieuze en bestuurlijke leven. Doorheen de loop van de geschiedenis werd de god Assur een te duchten krijgsgod, die tot zijn meerdere eer en glorie uitgebreide veroveringen verwachtte. De uitbreiding van het rijk werd dus voor de Neo-Assyrische koningen een vanzelfsprekende religieuze plicht[57]. Deze plicht werd van harte ondersteund door de - per definitie conservatieve - aristokratie van het Assyrisch kernland, die door de veroveringen hun persoonlijk fortuin en bijgevolg hun aanzien en macht aanzienlijk konden vergroten.  

 

4.2.1.2. Hoewel dit zeker niet de hoofddrijfveer betekende, dient verder onderstreept te worden dat economische motieven zeker een rol speelden in het expansieproces : het prestige van de koning werd uitgebouwd door de bouw van grote steden, tempels en paleizen; het enorme militaire en administratieve apparaat diende vergoed te worden, enz. Het spreekt vanzelf dat hiervoor financiële middelen gezocht werden. Het is ook zo dat Assyrië zijn gebrek aan vooral koper, tin en timmerhout niet kon opvangen langs de gewone handelswegen. Deze liepen immers buiten Assyrië van Urartu naar de belangrijke Phoenicische steden. De controle over Syrië en Phoenicië werd dus essentieel voor de Assyrische koningen.

 

4.2.1.3. Ook de theorie van de voorwaartse verdediging kan een verklaring bieden. Uit vrees voor de Arameeën en Chaldeeën, die in Assyrische koningsinscripties als de ergste vijanden beschreven werden, koos Assyrië voor de aanval als de beste verdediging. In dit kader kunnen we de veldtochten van Asarhaddon en Assurbanipal tegen Egypte beschouwen als een poging definitief af te rekenen met de opruiende rol die Egypte vooral in Palestina speelde. Onder de andere belangrijke vijanden waarmee Assyrië poogde af te rekenen, kunnen we Urartu en Elam rekenen. De belangrijkste buurvolkeren van de Neo-Assyrische staat worden voorgesteld in kaartje 3f, pagina 171 van dit werk.

 

4.2.1.4. Het Assyrisch imperialisme zou ook verklaard kunnen worden vanuit de interne situatie van het Neo-Assyrische rijk. De legitimiteit van de koningen was meer dan eens zeer dubieus : Tiglat-Pileser III kwam door een staatsgreep aan de macht; Sanherib kon zich niet beroepen op afstamming daar het lijk van zijn vader Sargon II na een veldtocht niet meegevoerd kon worden, wat aanzien werd als een straf voor een zware zonde; Asarhaddon was niet de oudste zoon van Sanherib en diende eerst militair af te rekenen met zijn broers alvorens de troon te bestijgen; Assurbanipal tenslotte diende de concurrentie met zijn broer Samas-sum-ukin aan te gaan. Het spreekt vanzelf dat deze koningen enerzijds moeilijkheden in verband met opvolgingskwesties uit de weg wilden gaan. Anderzijds diende hun koninklijke macht zo snel en zo overtuigend mogelijk gelegitimeerd te worden. Militaire successen vormden natuurlijk een uitgelezen middel om dit tweeledig doel te verwezenlijken.    

 

4.2.2. Inrichting van de veroverde gebieden

 

De overwonnen gebieden werden ingericht als vazalstaat of als provincie. Een uitgebreide bespreking van deze twee vormen is te vinden in hoofdstuk III.

 

4.3. Het belastingssysteem[58]

 

De Neo-Assyrische staat kende verschillende vormen van belastingen. We wijzen hier allereerst op het gevaar hedendaagse connotaties te verbinden aan de term ‘belastingen’. ‘Belasting’ is hier in een zeer ruime betekenis te interpreteren. We zullen immers zien dat de ilku-belasting eveneens het lichten van werkkrachten of militairen omvatten. Een beter voorbeeld om het totalitaire en militaristische karakter van de Neo-Assyrische staat dient niet gezocht te worden. Elke onderdaan van de Assyrische koning werd ertoe verplicht legerdienst of fysieke arbeid in dienst van de staat uit te voeren.

 

Een uitgebreide bespreking van de verschillende vormen van belastingen zou ons te ver leiden. Voor deze dissertatie volstaat het ons inziens elke belasting kort te definiëren.

 

4.3.1. Soorten belastingen

 

4.3.1.1. De vaak geattesteerde term ‘ilku’ vormde de belangrijkste pijler van het Assyrische belastingssysteem. De ilku-verplichtingen van de Assyrische burgers waren tweeledig. Vooreerst zien we burgers in het kader van hun ilku-verplichtingen gelicht worden als arbeidskracht voor openbare werken[59] of als militair. Deze lichtingen[60] geschiedden door de rab kisri en vielen onder verantwoordelijkheid van de goeverneur[61]. Daarnaast omvatte ilku ook het betalen van een belasting in natura. Deze betalingen - georganiseerd op provinciaal niveau en waarschijnlijk jaarlijks geïnd - waren in se gericht aan de koning en stroomden in theorie allen naar de verschillende departementen in de hoofdstad die instonden voor het verzamelen van alle vormen van natura-betalingen, hetzij onder de vorm van belastingsbetalingen, hetzij onder de vorm van tribuut van de vazalstaten. Vanuit de hoofdstad werden de goederen dan opnieuw verdeeld onder de functionarissen van het rijk[62]. De Neo-Assyrische administratie was echter dermate efficiënt ingericht dat het deel van de provinciale ambtenaren reeds direct in de provinciale hoofdstad opgeslagen werd. Dit ophalen en verdelen van de natura-betalingen ging bijgevolg gepaard met een uitgebreide wederzijdse communicatie tussen het koninklijk paleis en de verschillende provinciale hoofdsteden.

 

We hebben kunnen vaststellen dat ilku-verplichtingen verbonden waren aan de stad, het dorp of de organisatie waarin men tewerkgesteld was. Zo waren bepaalde steden, dorpen of landerijen vrijgesteld van de ilku-verplichtingen. De inwoners of werknemers in kwestie dienden dan noch ilku-betalingen noch ilku-arbeid of legerdienst te verrichten.

 

4.3.1.2. Een bijzondere vorm van belasting is bekend onder de naam ‘iskaru’. We zullen verder in dit werk meermaals zien dat ambtenaren van de koning landgoederen konden ontvangen. De begunstigde ambtenaar diende dan jaarlijks een iskaru-betaling, meestal in zilver, aan de koning over te maken. ‘Sibtu’ is de akkadische term voor een belasting op schapen en runderen van private personen. Een, tot nog toe onbekend, aantal dieren diende aan de centrale overheid afgestaan te worden, afhankelijk uiteraard van de grootte van de kudde. ‘Sibsu’ en ‘nusahe’ tenslotte doelen respectievelijk op een belasting gehoffen op stro en graan. Het deel dat afgestaan diende te worden was hier respectievelijk één vierde en één tiende[63]. De laatstgenoemde belasting geldt waarschijnlijk eveneens als een belasting op andere agrarische produkten.

 

4.3.2. Inning van de belastingen

 

Het innen van de belastingen was, mits een enkele uitzondering[64], steeds op provinciaal niveau georganiseerd. De functionarissen die door de goeverneur belast werden met de inningen droegen de titel van qepu of makisu. Sa qurbuti stonden in voor de centrale controle op de goeverneur voor wat betreft de belastingsinningen. Al de besproken vormen van belasting werden meer dan waarschijnlijk jaarlijks geïnd. Eerder vermeldden we al het bestaan van departementen in de Assyrische hoofdstad die instonden voor de opslag en verdeling van de geïnde goederen. Voor een vollediger beeld van deze inningen en functionarissen verwijzen we naar de besprekingen van goeverneur, qepu, makisu, sa qurbuti en ‘ministeries’ verder in dit werk[65].

 

Om de inningen vlot te laten verlopen, werden lijsten van Assyrische inwoners aangelegd. De ‘Harran census’[66] is meer dan waarschijnlijk te interpreteren als een dergelijke ‘volkstelling’. Het opstellen van lijsten als deze was klaarblijkelijk op provinciaal niveau ingericht en werd uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van de lokale provinciegoeverneur, uiteraard na koninklijk bevel[67]

 

4.4. Het limmu-systeem

 

4.4.1. De Neo-Assyrische staat hanteerde een administratief jaartellingssysteem dat de jaren benoemde aan de hand van een opeenvolging van functionarissen die elk voor één jaar de titel van limmu of eponiem ontvingen. Van oudsher[68] werd het eponiem doorgegeven in een min of meer vastgelegde dalende hiërarchische orde. De koning bekleedde het eponimaat in het tweede volle jaar van zijn regeringsperiode[69], waarna het eponiem doorgegeven werd aan achtereenvolgens de turtanu, de rab saqî, de nagir ekalli, de (a)barakku en een resem belangrijke saknu-goeverneurs met als eerste de goeverneur van de provincie Assur[70]. Deze basissequentie geldt min of meer nog voor de 8e eeuw BC. Onder de Sargonieden zullen we echter zien dat de keuze van de jaarlijkse eponiem steeds meer afhangt van de koninklijke willekeur, zodat steeds meer lagere functionarissen en goeverneurs, die in de gunst van de koning staan, in de limmu-lijsten opduiken[71]. De limmu van de koning situeert zich dan ook niet noodzakelijk meer in zijn tweede regeringsjaar[72]. Het is zelfs bijzonder waarschijnlijk dat de Sargonieden na Sanherib zelf niet langer het eponimaat bekleed hebben[73].

 

4.4.2. De limmu-lijsten zijn in te delen in twee klassen : de ‘Eponym Lists’ en de ‘Eponym Chronicles’[74]. Waar de eerste slechts een opsomming van namen geven, vermelden de ‘chronicles’ per eponiem belangrijke gebeurtenissen die plaatsvonden tijdens dat eponimaat. Meestal gaat het om militaire of bouwkundige verwezenlijkingen van de koning, zonsverduisteringen, cultische zaken, troonsbestijgingen, en dergelijke meer. Of we zulke kronieken kunnen interpreteren als echte geschiedschrijving met als doel het nageslacht in te lichten omtrent de belangrijke gebeurtenissen in het verleden, is niet te bevestigen. De mogelijkheid moet opengelaten worden dat zij vooral dienst deden als geheugensteun voor het opstellen van voorspellingen[75].  

 

4.4.3. De opeenvolging van eponiemen kon voor de Neo-Assyrische periode min of meer volledig gereconstrueerd worden. Tot en met het jaar 648 BC is de teruggevonden sequentie volledig en vrij betrouwbaar. Falkner[76] kon onder voorbehoud de resterende limmu-sequentie, 647 - 612 BC, reconstrueren. In bijlage is een eponiemenlijst te vinden, lopend vanaf het eponimaat van Tiglat-Pileser III in 743 BC tot en met het jaar 612 BC. De eponiemen tot en met 648 BC werden overgenomen uit Millard; voor de latere eponiemen waren we aangewezen op Falkner en aanvullingen op haar werk door Whiting[77].

 

 

II.  De municipale administratie

 

Onder de municipale administratie verstaan we de administratie op lokaal, stedelijk  niveau.  In het efficiënte en nauwkeurig gestructureerde raamwerk van de Assyrische bureaucratie vormt deze stedelijke administratie het laagste niveau. Ze behartigt de belangen van de stad, regelt de verhoudingen tussen de burgers en voert bij tijden opgelegde taken van hogerhand uit. Alle informatie die op stedelijk vlak vergaard wordt, vindt geleidelijk aan, soms direct, soms via het hoger provinciaal niveau, zijn weg naar de centrale administratie, in casu het koninklijk paleis in de Assyrische hoofdstad. 

 

De beslissingen op municipaal vlak worden genomen door de hazannu, bijgestaan door zijn ondergeschikte, de sa muhhi ali en de tupsar ali. Verder in dit werk zullen we zulke drietrapsconstructie nog ettelijke malen kunnen onderscheiden op andere niveaus : het gaat in se steeds om een leidinggevende functie, een tweede in rang of san(i)u en een klerk[78]. Verder omvat de municipale administratie een sibuti of ‘raad der ouderen’. De personen die gerechtigd waren te zetelen in deze sibuti waren meer dan waarschijnlijk hoofden van families uit de sociaal-economische toplaag van de stad, wat van de sibuti dus een oligarchisch-aristokratisch orgaan maakt[79]. Hoewel de bronnen weinig concrete informatie prijsgeven in verband met de bevoegdheden van deze raad, kunnen we bijna zeker stellen dat de leden van de sibuti, omschreven door de term qaqqadati, ten gevolge van hun belangrijke positie in de stad, hoogstwaarschijnlijk een grote invloed op het stedelijk beleid uitoefenden, hoewel dus de hoogste feitelijke beslissingsmacht bij de hazannu lag[80]. Onze visie op de positie van de qaqqadati in de samenleving laat een vergelijking met de Romeinse senaat toe. Hoewel de feitelijke beslissingsmacht van de qaqqadati veel beperkter was, dwongen zij door hun aanzien en rijkdom waarschijnlijk een verstrekkende invloed op het stedelijk beleid af. Verder moeten we in het achterhoofd houden dat de Neo-Assyrische staat een echte absolute monarchie was : de uiteindelijke beslissingen op alle vlakken, dus ook op municipaal niveau, lagen bij de koning. Vandaar ook het efficiënt communicatienetwerk, dat er ondermeer voor zorgde dat de hazannate hun beleidsdaden en eventuele vraagstukken steeds aan de koning dienden voor te leggen.

 

 

1. DE ASSYRISCHE STEDEN

 

1.1. Alvorens een beschrijving aan te vatten van de verschillende functies op municipaal niveau wijzen we nogmaals op het gevaar om, in deze context, hedendaagse connotaties te verbinden aan het begrip ‘stad’. De historische gemeenschap die we hier als ‘stad’ omschrijven, is uiteraard op vele, zoniet alle, vlakken totaal verschillend van de hedendaagse stedelijke gemeenschap. Olmstead stelt als algemene regel dat de gemiddelde Assyrische stad zeker een even groot bevolkingscijfer kende als de gemiddelde Griekse polis[81]. Uiteraard dienen we ons niet te laten misleiden door dergelijke veralgemeende cijfers. Het Assyrisch imperium kende op het municipaal niveau een zeer grote diversiteit. De informatie die we bezitten in verband met het stedelijk leven is voor het overgrote deel afkomstig uit grote en belangrijke steden als Calah, Assur, Nineveh en Dur-Sarrukin. Bevolkingscijfers voor deze steden zijn niet voorhanden, maar het leidt geen twijfel dat het aantal inwoners voor elke stad ver boven de 6.000 zal liggen[82].

 

1.2. Het is verder belangrijk om weten dat enkele belangrijke steden en hun burgers een speciale, ‘gepriviligeerde’ status[83] bezaten, die onder andere vrijstelling van militaire dienst, opgelegde handarbeid of corvee en belastingen, en het recht om een beroep op de koning te doen in rechtzaken, kon inhouden[84]. Deze verworven vrijheden hadden ze waarschijnlijk oorspronkelijk te danken aan de positie van de Babylonische steden. Uit respect voor de Babylonische cultuur met zijn sterk ontwikkeld stedelijk leven beslisten de Assyrische koningen na de onderwerping van Babylon deze bloeiende steden niet blind in een keurslijf van Assyrische onderdrukking en uniformisering te persen. Babylon was bijgevolg de eerste stad die een gepriviligeerde status, met name de kidinnutu-status, ontving[85]. Uit een inscriptie van Assurbanipal[86] weten we dat ook de Babylonische stad Sippar dezelfde kidinnutu-status bezat. Wat de Assyrische steden betreft is enkel de kidinnutu-status van Assur en de zakutu-status van Harran met zekerheid geattesteerd[87]. Hoewel we verstoken blijven van concrete attestaties dienaangaande, zou het ons niet verbazen de Assyrische hoofdsteden Calah en, vooral, Nineveh in het rijtje van gepriviligeerde steden te zien staan.

 

Niet in het minst op grond van hun prestige, maar evenzeer op grond van hun economisch belang[88], konden deze grote Assyrische en Babylonische ‘vrije’ steden een grote invloed hebben op de beleidsdaden van de koning en zijn staf. Het was voor elke monarch opnieuw van essentieel belang deze steden en hun burgers te vriend te houden. Het is in deze context dat we prestigieuze bouwondernemingen, het toekennen van uitzonderlijke rechten, het in ere houden van bestaande tempels of het bouwen van nieuwe tempels moeten zien. Zulke beleidsdaden, die op het eerste zicht uitgevoerd worden uit religieuze plicht of tot meerdere glorie van de heerser, herbergen vaak een onderliggende knieval aan het adres van de machtige Assyrische en Babylonische steden.

 

1.3. Het spreekt vanzelf dat het merendeel van de steden niet zulk een glorieuze positie innam in het rijk. Toch willen we aannemen dat elke Assyrische stad een zekere mate van autonomie bezat. De koning diende natuurlijk ten allen tijde op de hoogte gehouden worden van de ontwikkelingen en beleidsdaden in de stad, maar zolang er zich geen problemen of bedreigingen voordeden, was de invloed van de hoofdstad op de gewone steden ons inziens niet prominent aanwezig. De leiders van steden of provincies konden in het leven van alledag op eigen initiatief en naar eigen goeddunken hun beleid uitstippelen. We nemen aan dat er in normale situaties geen sterke druk of verstikkende controle vanwege de hogere administratieve echelons uitgeoefend werd. Toch was het de taak van elke leidinggevende ambtenaar de koning geregeld aan te schrijven. Een voorbeeld van zulke berichtgeving aan de koning, de tekst ND 2372[89], geeft ons een rapport in zijn simpelste vorm. De standaardzinnen ‘To the king my lord your servant Ululaya. May it be very well with the king my lord. It is well with the land of Assur. It is well with the temples, it is well with the fortresses of the king, all (of them). Let the heart of the king my lord be glad.’ willen zoveel zeggen als ‘niets belangrijks te rapporteren’, waaruit we kunnen afleiden dat normaal de koning uitsluitend op de hoogte gehouden diende te worden van staatsbelangrijke zaken of zaken in verband met doorstroming van bijvoorbeeld belastingen of buit van het provinciaal naar het centraal niveau. Het alledaags administratief en juridisch gebeuren, zowel op municipaal als provinciaal vlak, werd met een mate van autonomie afgehandeld door de bevoegde magistraten.

 

1.4. Deze situatie van relatieve autonomie vinden we zeker ook terug in steden buiten het Assyrische kernland, althans voor zover zij geen vijandige houding tegenover de Assyrische veroveraar handhaven. We kennen voorbeelden van lokale stadsheersers die, na hun onderwerping door Assyrië, hun functie blijven behouden, zij het onder een Assyrische titel, met name ‘bel ali’[90].

 

 

2. OVERZICHT VAN MUNICIPALE MAGISTRATEN

 

Het is belangrijk om weten dat de informatie die hieronder verstrekt zal worden in hoofdzaak, zo niet uitsluitend, afkomstig is van de grotere Assyrische steden als Calah, Assur en Nineveh. We kunnen uiteraard de vraag stellen of, gezien de grote diversiteit tussen de Assyrische steden, deze informatie door te trekken valt naar kleinere steden. Deze vraag moet volgens ons, althans voor het Assyrisch kernland, met een bijna aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid bevestigend beantwoord worden. Een sterk gecentraliseerde en bureaukratisch ingerichte staat als de Neo-Assyrische dient een éénduidig systeem in te voeren om de centralisatie in de hand te werken en de communicatie tussen de verschillende niveaus te vergemakkelijken. Uiteraard zullen er waarschijnlijk kleine, onbetekenende lokale verschillen bestaan hebben, die getolereerd werden door de Assyrische koningen voor zover ze de efficiëntie van het communicatienetwerk en het beleid niet in het gedrang brachten. Een voorbeeld van een lokale anomalie vormt de situatie in de stad Assur : zoals in vele grotere steden vinden we hier drie hazannate[91], maar enkel hier worden die ambtenaren aangeduid met een geografische bepaling, die waarschijnlijk hun bestuurlijke zone afbakent. We krijgen melding van een hazannu van de Assur Gate, een hazannu van de Samas Gate en een hazannu van de Tigris Gate[92], waar er elders in de bronnen steeds gewag gemaakt wordt van een hazannu, een hazannu san(i)u en een hazannu salsu om deze drie-eenheid van drie hazannate weer te geven[93]. Het spreekt vanzelf dat dergelijke kleine verschillen van geen belang zijn, daar ze op geen enkele manier het beleid verstoren. Wat betreft de steden buiten het Assyrische kernland speelt vanzelfsprekend de graad van onderwerping en Assyrische beïnvloeding een cruciale rol. In recent onderworpen gebieden of streken die zich zonder hardnekkig verzet laten inpalmen hebben, zullen zeker nog eigen municipale instellingen in stand gehouden worden, voor zover er natuurlijk, afhankelijk van gebied tot gebied, al gesproken kan worden van een uniform municipaal systeem voor een groot gebied.

 

2.1. Hazannu [94]

 

2.1.1. De hazannu was de belangrijkste magistraat in de Assyrische stad, met jurisdictie over hetzij de gehele stad hetzij een deel van een stad. Kleinere steden stonden volledig onder bevoegdheid van één hazannu; grotere steden als Assur, Calah en Nineveh en de meeste provinciehoofdsteden telden twee of drie hazannate[95], elk met bevoegdheid over een deel van de stad. Wanneer een stad onder jurisdictie van meerdere hazannate stond, maken de bronnen onderscheid tussen een hazannu, een hazannu san(i)u[96] en een hazannu salsu[97]. Afgaande op de aanduidingen san(i)u en salsu stellen wij dat er tussen de hazannate een zekere hiërarchie bestond, die zich echter in de praktijk waarschijnlijk niet scherp aftekende. Wat het dagelijks leven in de stad betreft, leidt elke hazannu naar eigen goeddunken en met een mate van zelfstandigheid zijn stadswijk, terwijl beslissingen aangaande de gehele stad steeds genomen worden door de eerste hazannu in samenspraak met de tweede en derde hazannu. Vermelden we nog de eerder aangehaalde uitzonderlijke situatie van een hazannu van de Assur Gate, een hazannu van de Samas Gate en een hazannu van de Tigris Gate[98] in de stad Assur. De hazannu wordt aangesteld door de koning en is in die mate ook verantwoording schuldig aan het hof[99].

 

2.1.2. Het takenpakket van een hazannu omvat verscheidene bevoegdheden. Eerst en vooral is de hazannu de eerste verantwoordelijke voor de stad, haar grondgebied en haar burgers[100]. Het is daarenboven een kenmerk van de toenmalige steden dat de grens van het wettelijke grondgebied van de stad niet samenviel met de stadsmuren. Ook het omliggende gebied, voornamelijk bestaande uit landbouwgronden, viel binnen de jurisdictie van de hazannu[101]. In welke mate deze verantwoordelijkheid zich uitstrekt, wordt ons gesuggereerd door een tekst[102] met instructies van de koning gericht aan de hazannate-ambtenaren : ‘…every hazannu is responsible for (lit. : watches over) the outlying territory around his town, and should it happen that a tower in the open country is abandoned, he is likewise responsible - there must be no case of robbery nor of enemies killing (people) and taking booty - if it happens that a robbery is committed or the enemies have taken booty or killed (people) in the outlying territory of his town, the hazannu shall pay damages. Should it happen that a tower which is within the outlying territory of said town is abandoned, the hazannu shall pay damages. If it happens that a runaway from Arrapha runs away from the outlying territory of said town and enters another country, the hazannu himself shall pay damages…’ [103]. De hazannu draagt dus klaarblijkelijk volledige verantwoordelijkheid voor de infrastructuur binnen en buiten de stad en voor de daden van de burgers en de omwonenden. In samenwerking met andere administratieve eenheden ziet hij toe op naleving van de wet en ordehandhaving binnen de stad en het omliggende gebied. Hij bezit bevoegdheid om personen te arresteren en om recht te spreken in rechtbanken[104]. In ABL 493 zien we een hazannu een priester arresteren op verdenking van diefstal na informatie te hebben gekregen van de sangu van de tempel van Ninurta. Een ander voorbeeld van samenwerking, ditmaal met de goeverneur van Assur, levert ons ABL 91, een tekst in verband met herstellingswerken aan het paleis. Een aspect van de ordehandhaving hield in dat de hazannu verplicht was aankomst en vertrek van de leden van de stadsgemeenschap op te tekenen[105]. Het lijkt logisch dat het eigenlijke optekenen van deze informatie door de tupsar ali[106] uitgevoerd werd.

 

2.1.3. Informatie over de positie van de hazannu in de Assyrische bureaukratie uit de bronnen halen, ligt moeilijker. Op het municipaal vlak wordt de hazannu vaak samen vermeld met de sa muhhi ali[107], dit is zijn naaste medewerker, ‘deputy’ of ‘tweede in rang’[108]<