Het ambacht van de zilversmeden te Kortrijk in de tweede helft van de 18de eeuw. (Valerie Vanhoutte)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

DEEL I HET RELIGIEUZE, POLITIEK-MILITAIRE, FINANCIËLE EN GERECHTELIJKE LEVEN VAN HET KORTRIJKSE AMBACHT VAN DE ZILVERSMEDEN

 

HOOFDSTUK 4: DE FINANCËLE TOESTAND VAN HET KORTRIJKSE AMBACHT VAN DE ZILVERSMEDEN (1745-1793)

4.1    Inleiding

4.1.1 Bespreking van de bron

In het Rijksarchief te Kortrijk wordt het rekeningenboek van het ambacht van de zilversmeden bewaard voor de periode 1745-1793.

“Het Neeringboek van de Neering der Goudt - en Silversmeden deser Stadt” wordt vermeld op de voorkant van de perkamenten boekband van het rekeningboek van het ambacht van de zilversmeden te Kortrijk. Op de voorpagina staat geschreven “Register van de rekeningen der afgaande dekens beginnende met het jaar 1756”. Het papier draagt het watermerk “Propatria WKM”. Het boek is volledig gevuld met rekeningen en bevat 84 folio’s.

Elke rekening vertoont volgende kenmerken:

1)   Aan het begin van de rekening worden verschillende gegevens vermeld door de rendant: de naam van de rendant, het tijdsinterval waarover de rekening zich uitstrekte en het tijdstip waarop de rekening gecontroleerd werd door de andere leden van het ambacht.

2)  Een eerste post die opgenomen werd in de rekening was deze van de “Ontfanck”, waarin de ontvangsten van de behandelde periode zijn opgenomen. De bedragen werden telkens naast de beschrijving van de ontvangst vermeld. Onderaan werd een som gemaakt van alle ontvangsten.

3)  Een tweede post die opgenomen werd, was de “Betaelinghen gedaen iegens den voorenstaenden ontfanck”, waarin de uitgaven van de behandelde periode zijn opgenomen. De optekening van de uitgaven was dezelfde als die van de inkomsten.

4)  Vervolgens werd het saldo berekend dat negatief (verlies) of positief (winst) kon zijn.

5)  Tenslotte werd de rekening gecontroleerd (auditie) door andere leden van het ambacht en plaatsten zij onder de rekening hun handtekening als teken van goedkeuring. Dit gebeurde vaak enkele dagen na de afsluiting van de rekening.

De bedragen die opgenomen werden in het rekeningenboek werden algemeen uitgedrukt in guldens, stuivers en denieren. Soms werd er gebruik gemaakt van andere muntsystemen zoals: pond grooten of pond parisis. In deze financiële studie werden alle bedragen omgezet in guldens, stuivers en denieren.

 

Tabel 4: Overzicht van de muntsystemen in de 18de eeuw

 

1 gulden = 20 stuivers

1 gulden = 240 denieren

1 stuiver = 12 denieren

 

 

1 gulden = 2 ponden parisis

1 gulden = 1/6 pond groot/Vlaams

 

4.1.2 Werkwijze

In het totaal zijn er 13 rekeningen opgenomen door de rendanten van het ambacht. Aan de hand van deze rekeningen wordt getracht een beeld te schetsen van de financiële toestand van het ambacht in de 18de eeuw.

Eerst en vooral worden de ontvangsten, de uitgaven en het saldo van elke rekening weergegeven in een tabel.

In de tabellen werd de berekening opnieuw gemaakt, waarbij andere getallen (de totale inkomsten, de totale uitgaven en de saldi) bekomen werden dan in de originele rekening. Volgens Eric Aerts is dit te verklaren door[1]:

1)  Rekenkundige fouten: in het verleden was de kennis van de wiskunde beperkt en had men enkel telramen en rekenpenningen als hulpinstrumenten. Bovendien geldt ook hier de regel dat “waar mensen zijn, worden fouten gemaakt”.

2)  Boekhoudkundige fraude: al te vaak werd er geknoeid met de bedragen van de rekeningen om een beter beeld te brengen van de financiën. Op die manier is een reëel beeld echter onmogelijk.

3) Een slechte begrenzing van een boekjaar: deze grenzen werden vaak niet gerespecteerd door de rendanten. Vaak boekte men zaken voor het volgende boekjaar in de vorige rekening. Anderzijds noteerde men ook kosten of inkomsten van het toenmalige jaar in een  volgende rekening.

4)  Tenslotte moet ook gewezen worden op het gebrek aan kaseenheid. Naast de algemene kas waren er nog verschillende onafhankelijke kassen waar kosten en uitgaven werden geboekt. Meestal is deze keten van kassen niet volledig overgeleverd en ontbreken er op die manier verschillende inkomende en uitgaande posten. De  zilversmeden hielden een aparte boekhouding bij voor de verkoop van hun zilverwerk en de aankoop van hun grondstoffen en werkinstrumenten. Deze verkopen en aankopen zijn dus niet terug te vinden in de algemene ambachtsrekeningen die bewaard gebleven zijn in het Rijksarchief.

Deze getallen werden ook in de cirkeldiagrammen en in het besluit gebruikt in plaats van de getallen uit de originele rekeningen. Het bedrag uit de originele rekening werd dan in een voetnoot weergegeven.

Vervolgens werden de ontvangsten en de uitgaven in procenten berekend zodat een visueel beeld kon gegeven worden door middel van een aantal cirkeldiagrammen.

Daarnaast werd ook nog de samenstelling van de inkomsten en de uitgaven van het ambacht uit de doeken gedaan.

 

Tenslotte werden alle 13 rekeningen in een besluit met elkaar vergeleken om bepaalde evoluties en verbanden op te sporen.

Om een vergelijking mogelijk te maken tussen de rekeningen die soms een langere periode dan twee jaar beslaan, werd er gewerkt met jaarlijkse gemiddelden. Op die manier kon de evolutie worden geschetst in een grafiek van de gemiddelde jaarlijkse inkomsten en gemiddelde jaarlijkse uitgaven.

Ook het procentueel aandeel van de verschillende posten binnen de totale inkomsten en de uitgaven werd in een grafiek weergegeven.

 

4.1.2.1 De ontvangsten

De ontvangsten worden onderverdeeld in: de eigen ontvangsten van de meesters van het ambacht, de vreemde ontvangsten, de kapitaalkas en de positieve overdracht.

1)  Onder de noemer “eigen ontvangsten” verstaat men het geld dat door de leden aan het ambacht zelf werd betaald, zoals de meestergelden, de leergelden en de jaargelden.

2)   De vreemde inkomsten zijn vaak de inkomsten afkomstig van de verkoop van zilverwerk.

3)  De kapitaalkas  bij de rubriek “ontvangsten” verwijst naar het kapitaal dat het ambacht leende van derden of het kapitaal dat het ambacht uitleende aan meesters en hierbij terugvorderde.

4)   De positieve overdracht is de boeking van de winst van het vorig boekjaar in de rekening.

 

4.1.2.2 De uitgaven

De uitgaven worden opgedeeld in religieuze, economische en corporatieve uitgaven met daarnaast de kapitaalkas en de negatieve overdracht.

1)  De religieuze uitgaven bestaan hoofdzakelijk uit de kosten voor de jaarlijkse vieringen (betalen van de kapel, kapelaan, zangers, …) en de caritatieve uitgaven (weduwensteun en broden).

2)  De economische uitgaven zijn bijvoorbeeld de uitgaven voor de winkel of voor allerlei gereedschap dat het ambacht in de mogelijkheid stelde om haar economische functie uit te oefenen.

3)  De corporatieve uitgaven kunnen onderverdeeld worden in: gerechtskosten, traktaties en vergaderingen, administratie, intrestbetalingen en de vergoeding van knechten.

4)  De kapitaalkas in de rubriek “uitgaven” verwijst naar een kapitaal dat het ambacht leende aan leden van het ambacht of aan derden.

5)  De negatieve overdracht is de boeking van een verlies uit het vorige boekjaar in de rekening.

 

4.1.2.3 Het saldo

Na de ontvangsten en de uitgaven werd ook telkens het saldo berekend om een zicht te krijgen op de som die het ambacht tekort of teveel had bij de afsluiting van een rekening. Een positief saldo betekende winst voor het ambacht en werd in de volgende rekeningen als een inkomst geboekt. Een negatief saldo betekende een verlies voor het ambacht en werd het volgende boekjaar opgetekend als een uitgave.

De overdracht van het verlies of van de winst werd in de originele rekeningen niet altijd op de juiste manier geboekt. Zo werd in de tweede en vierde originele rekening het verlies van het vorig boekjaar niet opgenomen bij de uitgaven. Deze fout werd vermeld in een voetnoot. In de tiende en elfde rekening werd een verkeerd bedrag overgedragen als verlies, dat werd dan ook vermeld in een voetnoot.

De balansvorming en de overdracht van het saldo van het vorig boekjaar vormen een algemeen obstakel voor de studie van rekeningen[2]. Zoals E. Aerts het formuleerde was de balans “een gevaarlijk instrument voor de historicus”. Het saldo kon geen beeld geven over de financiën van een instelling: een verlies betekende niet noodzakelijk dat de instelling in de problemen zat en omgekeerd was een winst geen bewijs van een goed financieel boekjaar. Zo gebeurde het dat men de overdracht van het saldo een paar jaar uitstelde of slechts gedeeltelijk boekte in het volgende boekjaar.

Zo kan verklaard worden waarom het verlies van de eerste rekening van de zilversmeden pas in de tiende rekening gedeeltelijk werd overgedragen.

Dat verlies bedroeg 142.15.0 en kwam niet voor bij de uitgaven van de tweede rekening. In de tiende rekening was er een overdracht van –126.6.0 terwijl het verlies van de negende rekening slechts 68.14.3 bedroeg. Er werd dus 57.11.9 teveel overgedragen wat een deel van het verlies zou kunnen zijn dat men in de eerste rekening vergat over te schrijven.

4.2 De 1ste rekening van 06/03/1745 tot 23/01/1756 onder de rendant Pieter Nolf[3]

4.2.1 Overzicht[4]

Tabel 5: Een overzicht van de 1ste rekening

Ontvangsten

 

 

 

Eigen inkomsten

508.19.0

81,5%

Vreemde inkomsten

73.13.0

12%

Kapitaalkas

42.0.0

6,5%

Subtotaal ontvangsten

624.12.0

100%

 

 

 

Overdracht

47.13.0

 

Totale ontvangsten

672.5.0

 

 

 

 

Uitgaven

 

 

 

Religieuze uitgaven

169.18.0

21%

Economische uitgaven

92.5.6

11,5%

Corporatieve uitgaven

473.7.0

58,5%

Kapitaalkas

72.12.0

9%

Totale uitgaven[5]

 

808.2.6

100%

Saldo[6]

- 135.17.6

 

 


4.2.2 Grafieken

 

4.2.3 Bespreking

Het overgrote deel van de inkomsten bestaat uit de eigen inkomsten. Voornamelijk de aanwerving van 4 nieuwe meesters, waaronder 2 vreemdelingen, bracht het ambacht heel wat op. Ook het grote aantal leerlingen en de verdubbeling van het leergeld deden de inkomsten van het ambacht aangroeien.

De verkoop van zilverwerk als vreemde opbrengst leverde ook een bijdrage tot de inkomsten van het ambacht. Het overlijden van D. De Lattre, de weduwe van J. Laridon en A. Vandemaele zorgde ervoor dat het kapitaal, dat zij destijds geleend hadden van het ambacht, de kapitaalkas van het ambacht spijsde.

Bij de uitgaven waren het de corporatieve uitgaven die het leeuwendeel innamen. Deze uitgaven bestonden hoofdzakelijk uit de gerechtskosten, de reizen naar Brussel en Gent en de administratie. De gerechtskosten bestaan vooral uit de betaling van de procureurs Arnoudt van Gent en Joannes Depratere. De administratiekosten zijn vooral de kosten die het ambacht maakte door kapitaal te lenen in 1746 aan haar nieuwe meesters.

De religieuze uitgaven bestaan hoofdzakelijk uit liefdadigheidswerk, namelijk de aankoop van 100 broden om uit te delen aan de arme mensen.

Bij de economische uitgaven zijn het vooral de herstellingswerken aan de naalden die het ambacht veel geld kostten. In de volgende rekeningen zullen de economische kosten haast verdwijnen. De terugvordering van geleend kapitaal aan vijf meesters betekende slechts een kleine uitgave voor het ambacht.

In deze eerste rekening was het saldo negatief en had het ambacht af te rekenen met een groot verlies.

4.3 De 2de rekening van 23/01/1756 tot 31/12/1758 onder de rendant Guillaume van de Maele[7]

4.3.1 Overzicht [8]

Tabel 6: Een overzicht van de 2de rekening

Ontvangsten

 

 

 

Eigen inkomsten

182.0.6

52%

Vreemde inkomsten

85.12.0

24%

Kapitaalkas

84.0.0

24%

Totale ontvangsten

 

351.12.6

100%

Uitgaven

 

 

 

Religieuze uitgaven

43.13.0

17%

Economische uitgaven

0.0.0

0%

Corporatieve uitgaven

66.2.9

27%

Kapitaalkas

142.0.0

56%

Totale uitgaven[9]

 

251.15.9

100%

Saldo[10]

+99.18.3

 

 

4.3.2 Grafieken

 

 

4.3.3 Bespreking

De inkomsten in deze rekening bestaan hoofdzakelijk uit de aanwerving van één nieuwe meester, Dhr. J. Veys, die hierbij heel wat geld moest afstaan. Het ambacht verkocht ook heel wat zilverwerk, wat een flink aandeel had in de totale ontvangsten, naast de gewone inkomsten (leergelden, rondes, …). Verder waren er 6 meesters die hun geleende kapitaal van 14.0.0 moesten terugbetalen aan het ambacht.

In deze rekening werden er geen economische kosten gemaakt. Alhoewel de religieuze uitgaven een aanzienlijk stuk van de totale uitgaven vormen en in vergelijking met de voorgaande rekening enorm stegen, zijn het toch de corporatieve uitgaven die het zwaarst doorwegen. Meer bepaald de uitgaven van de ambachtslui in verschillende vergaderingen en bijeenkomsten liepen hoog op. Het ambacht moest nog verschillende leningen en intresten uitbetalen aan meesters van het ambacht. Deze uitgaven betekenden dan ook de grootste kost voor het ambacht.

Het saldo was positief en het ambacht boekte een winst van 100.18.3. 

4.4 De 3de rekening van 01/01/1759 tot 31/12/1761 onder de rendant Charles Desmit [11]

4.4.1 Overzicht[12]

Tabel 7: Een overzicht van de 3de rekening

Ontvangsten

 

 

 

Eigen ontvangsten

339.8.0

32%

Vreemde inkomsten

368.12.0

35%

Kapitaalkas

350.0.0

33%

Subtotaal

1058.0.0

100%

 

 

 

Overdracht

97.12.9

 

Totale ontvangsten[13]

 

1155.12.9

 

Uitgaven

 

 

 

Religieuze uitgaven

172.17.0

15%

Economische uitgaven

15.19.0

1%

Corporatieve uitgaven

985.9.7

84%

Kapitaalkas

0

0%

Totale uitgaven[14]

 

1174.5.7

100%

Saldo[15]

-19.7.2

 

4.4.2 Grafieken

 

4.4.3 Bespreking

In deze derde rekening had het ambacht vooral gerechtelijke inkomsten in de zaak “Dhr. Devos” en de zaak “Juffr. Dewaele”. De aanstelling van 2 nieuwe meesters en de leergelden van de 4 leerlingen droegen ook bij tot de totale inkomsten. Ook de lening die het ambacht aanging bij Nuyttens bracht geld in het laatje bij het ambacht.

Ook de uitgaven zijn grotendeels van gerechtelijke aard: het betalen van getuigen, advocaten en procureurs. De economische kosten waren miniem en bestonden hoofdzakelijk uit de aankoop van grondstoffen en herstellingswerken. De religieuze kosten bestonden naast de gewone uitgaven, voornamelijk  uit de aankoop, versiering  en bewaring van een relikwie en een reliekhouder. De economische kosten zijn opnieuw van ondergeschikt belang en dat blijft ook zo in de volgende rekeningen.

De overdracht van de winst uit het vorig boekjaar kon niet verhinderen dat het ambacht een klein verlies leed.


4.5  De 4de rekening van 01/01/1762 tot 31/12/1764 onder de rendant Philip Devos[16]

4.5.1 Overzicht[17]

Tabel 8: Een overzicht van de 4de rekening

Ontvangsten

 

 

 

Eigen inkomsten

139.8.6

100%

Vreemde inkomsten

0

0%

Kapitaalkas

0

0%

Totale ontvangsten

 

139.8.6

100%

Uitgaven

 

 

 

Religieuze uitgaven

61.6.0

66 %

Economische uitgaven

0

0%

Corporatieve uitgaven

32.0.0

34%

Kapitaalkas

0

0%