| Het ambacht van de zilversmeden te Kortrijk in de tweede helft van de 18de eeuw. (Valerie Vanhoutte) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
DEEL
II:
In dit deel worden de zilversmeden bestudeerd van het ambacht te Kortrijk in de 18de eeuw.
Eerst en vooral wordt hun plaats in de hiërarchie van het ambacht achterhaald aan de hand van de rekeningen. Verder wordt de functie die zij vervulden in het ambacht gedefinieerd.
De hiërarchie in het ambacht zag er als volgt uit:

Er wordt vooral veel aandacht geschonken aan de aanwerving van nieuwe leerlingen, het behalen van het meesterschap en het jaarlijkse ledensysteem van het ambacht.
In een tweede hoofdstuk komt de vraag aan bod: “Wie waren de zilversmeden als burgers[1] in Kortrijk in de 18de eeuw?” .
Hierbij worden drie verschillende bronnen geraadpleegd:
1)
De parochieregisters
Hierbij
moet een opmerking gemaakt worden over de problematiek van dit soort bronnen.
Het gebrek aan verifieerbare gegevens in verband met de identiteit van bepaalde
zilversmeden, maakt het prosopografisch onderzoek moeilijk. Vele mensen uit de
18de eeuw dragen dezelfde naam. Een naam is onvoldoende om de persoon,
over wie inlichtingen worden gezocht, terug te vinden in de parochieregisters (adres,
huwelijk, overlijden, doopsel, …) . Zo stel ik vast dat bij
dezelfde naam verschillende geboortedata, ouders, echtgenotes, … horen.
Daarom is het noodzakelijk om de volkstellingen, de parochieregisters en het
werk van P. De Brabandere te vergelijken om het spoor niet bijster te geraken.
2) De bevolkingstellingen
3) De wezerijregisters
Aan de hand van deze bronnen wordt op zoek gegaan naar de volgende gegevens in verband met de zilversmeden van Kortrijk in de 18de eeuw:
1) Hun geboorteplaats en geboortedatum
2) Hun ouders
3) Hun echtgenote en hun huwelijksdatum
4) Hun schoonouders
5) Een overzicht van hun bezittingen aan de hand van de Staten van Goed die overgeleverd werden
6) Het adres van hun woonst
Aangezien het ambacht zijn ledenkring beperkte tot enkele families, waren verschillende zilversmeden verwant met elkaar. Deze relaties worden geschetst aan de hand van enkele stambomen.
In
dit hoofdstuk wordt de hiërarchie van ambten in het ambacht van de zilversmeden
te Kortrijk overlopen.
Eerst
en vooral wordt de functie van gezworen wisselaar, de gezworene, de onderdeken,
de overdeken, de deken en de knecht kort besproken.
Vervolgens
wordt meer aandacht besteed aan het leerlingschap en het meesterschap. Hierbij
komen de voorwaarden en de organisatie aan bod aan de hand van de keuren die
hiervoor werden uitgevaardigd.
Tenslotte
wordt er ook nog aandacht geschonken aan de verschillende systemen van
lidmaatschap binnen het ambacht gedurende de 18de eeuw.
Dit
waren muntdeskundigen die door de Generale Munt werden aangesteld om handel te
drijven in munten. Enkel de gezworen wisselaars mochten valse munten vernietigen,
opsporen of wisselen. Deze personen werden gekozen uit de goud- en zilversmeden
en ze waren op de hoogte van de wisselkoersen. Zij moesten de eed afleggen voor
de plaatselijke overheid. Het was sedert 19/07/1749 verboden dat ze ontwaarde
munten verkochten aan de goud-en zilversmeden. Zij onderscheidden zich in de
stad door een uithangbord voor hun huis te plaatsen met daarop de keizerlijke
wapens, het Bourgondisch kruis en het opschrift “gezworen wisselaar”.
De gezworen wisselaar had verschillende rechten en privileges in de stad. In een resolutie van 18 februari 1751 werden deze privileges opgetekend[3]. Wel werd erop gewezen dat deze vrijstellingen enkel van toepassing waren op de oudste gezworen wisselaar die de functie effectief uitvoerde.
In het ambacht van de zilversmeden te Kortrijk werden er telkens twee gezworen wisselaars aangesteld. In 1749 waren de gezworen wisselaars van de stad: J.F. Vanderghinste en P. Devos. Zij werden bijgestaan door P. Nolf[4]. Aangezien er verschillende misbruiken bestonden omtrent de muntpolitiek in Kortrijk, kregen deze drie muntdeskundigen als enigen de juiste gewichten om munten te wegen. Zij moesten deze gewichten namaken, deze gewichten merken en onder de kooplui en handelaars van de stad verspreiden. Guillaume-Jozef Vandemaele nam in 1749 de plaats in van P. Devos. J.F. Vanderghinste was toen de oudste wisselaar en had verscheidene privilegies. Hij oefende echter zijn functie niet meer uit zoals het hoorde en verschillende kandidaten boden zich aan om zijn plaats in te nemen naast Guillaume-Jozef Vandemaele. Jozef-Frans Veys II vroeg in 1764 om gezworen wisselaar van Kortrijk te mogen worden. Zijn verzoek werd ingewilligd, maar hij mocht pas zijn functie, als gezworen wisselaar van Kortrijk, uitoefenen indien hij de oudste was van de twee. Voor Jozef Veys II, die op dat moment tamelijk jong was in vergelijking met Guillaume-Jozef Vandemaele, duurde het veel te lang en hij vroeg in 1773[5] of hij gezworen wisselaar van de stad Tielt mocht worden en of hij zich daar ook als meester mocht vestigen, wat hem werd toegestaan. Na zijn overlijden in 1780 nam zijn weduwe de taak van gezworen wisselaar over, maar in 1791 stelde Jan Larmuseau[6] zich kandidaat om gezworen wisselaar van Tielt te worden en de weduwe Veys II te trouwen om zo de winkel over te nemen. Op 13 augustus 1792 hernieuwde hij zijn aanvraag en vroeg of hij het bord met de keizerlijke wapens van de overleden Veys II opnieuw mocht uithangen. In 1793 kreeg hij nog steeds geen antwoord, waarschijnlijk door de militaire troebelen van de Brabantse omwentelingen. In 1795 sprak het ambacht zich echter negatief uit over zijn aanvragen.
Aangezien Jozef Veys II zich ging vestigen in Tielt, kwam er opnieuw een plaats als gezworen wisselaar vrij binnen Kortrijk. Joos-Frans Alison diende een aanvraag in op 9 november 1780[7] om gezworen wisselaar van de stad Kortrijk te worden.
Hij sterkte zich met het feit dat hij reeds 30 jaar een gerespecteerd smid was binnen de stad Kortrijk en dat er slechts één wisselaar aanwezig was in Kortrijk. Hij werd aanvaard als meester binnen het ambacht op 28 november 1780. De hoofdreden van zijn aanstelling was wellicht het feit dat men nood had aan een tweede wisselaar in de stad.
Ook Pieter Nolf was nog steeds een muntdeskundige en hielp de stad bij de zoektocht naar ontwaarde munten[8].
De gezworene was de meester die de deken bijstond in het keuren, stempelen en reizen. Hij had net zoals de deken verschillende voorrechten zoals het bezit van de sleutel van de koffer van het ambacht, zijn aanwezigheid en zijn handtekening bij resoluties en andere bescheiden. De gezworene werd aangesteld door de stadsmagistratuur en fungeerde op die manier ook in andere ambachten.
In
1771 was J. Veys II[10]
een gezworene van het ambacht en in 1779 had Pieter Nolf[11]
die functie. Hendrik Vanleerberghe was gezworene van het ambacht in 1784. In
1791 werd Pieter La Heyne[12]
in de rekeningen opgenomen als gezworene. In 1791 bij de vernieuwing van de eed
werd A.Vandewinckele als gezworene aangesteld[13].
Op
3 augustus 1650 werd een ordonnantie[14] opgesteld waarbij onder andere de regeling omtrent het
dekenschap uit de doeken werd gedaan.
Een
overdeken en zijn mededekens werden om het jaar of om de twee jaar aangesteld.
De dekens hadden verschillende taken in het ambacht[15]:
1)
De keuring van de goud-en zilverwerken van het ambacht zoals dat in de
andere steden gebeurde.
2)
Daarnaast keurden zij ook de merken van de edelsmeedwerken die
circuleerden in Kortrijk en bestempelden ze die met hun merkteken als waarborg
voor de echtheid. Op die manier werd fraude en bedrog bestreden. Oorspronkelijk
gebeurde dit keuren bij de deken thuis elke vrijdag van de week. Op 30 november
1765 echter beslisten de schepenen er anders over en vond de keuring plaats in
het stadhuis, waar ook de koffer met de merktekens en de stempels werd geplaatst[16].
3)
Volgens de ordonnantie van 24 juni 1688 controleerden de dekens hun
meesters dikwijls op hun merktekens en de ijking van hun weegschaal.
4)
De dekens moesten ook toezien op de orde en de naleving van de
ordonnanties in het ambacht.
Deze vier vormen van controle worden ook wel eens de “visitaties”[17] genoemd of “rondes”. De dekens, ouderlingen en de onderdeken bezochten onverwachts de meesters tijdens de uitoefening van hun stiel. Ze moesten toezien of de keuren werden nageleefd in de huizen en de winkels van de meesters. Ze kwamen tussen bij eventuele fraude en wanpraktijken en ze inden dan ook de boetes die de meesters hierbij moesten betalen.
5)
Tenslotte hielden de dekens zich bezig met de administratie van het
ambacht. Zo tekenden zij nauwkeurig de leerlingen op in het “neerinckboucke”
met hun naam, familienaam, leeftijd en geboorteplaats[18].
De betaling door hun meester van het leergeld moest zorgvuldig opgetekend worden
om latere twisten te vermijden. Indien er later toch onenigheid zou ontstaan,
werd de deken volledig verantwoordelijk gesteld en moest hij het leergeld uit
eigen zak betalen. Vooral de overdeken had een belangrijke administratieve
functie aangezien hij de rekeningen van het ambacht moest bijhouden.
De
gewone dekens werden aangesteld door een stadsmagistraat en moesten de eed van
de keure van het ambacht afleggen telkens er een nieuwe keure werd uitgevaardigd.
Zij ontvingen geen wedde. Na hun ambtstermijn werden ze vervangen door een
andere deken en bleven zelf als ouderling in het ambacht fungeren.
-
G. Vandemaele[19]
was deken van 1745 tot 1756
-
C. Desmit was deken van 1756 tot 1761
-
Devos Philip-Joos was deken in 1773
-
J. Veys II was deken vóór 1 januari 1774
-
H.A. Vanleerberghe was deken vóór 1 januari 1780
-
J.J. Simons[20]
was deken van 1777 tot 1779
-
J.F. Alison[21]
was deken in 1780
-
P. Waldack[22]
was deken vóór 5 mei 1783
-
P.E. La Heyne[23]
was deken in 1787
-
A. Vandewinckele[24]
was deken van 1 december 1789 tot eind december 1791
-
Augustinus Descamps[25]
werd deken van het ambacht bij de vernieuwing van de “Eed” in 1791.
Een
overdeken was de opperste van de dekens van het ambacht of het hoofd van de
gezamenlijke ambachten van de stad. Samen met de dekens en de gezworenen, vormde
de overdeken de “Eed” van het ambacht. Zij hadden het bestuur van het
ambacht in handen.
De
“Eed” werd opnieuw samengesteld,
wanneer er een nieuwe keure werd uitgevaardigd[27].
In
de keure van het ambacht uit 1650 werd bepaald dat er om het jaar of de twee
jaar een nieuwe overdeken moest aangesteld worden. De overdeken moest een eed
afleggen voor de stadsmagistratuur, waarin hij plechtig beloofde de keuren van
het ambacht (de keure van 20 oktober 1608 en de keure van 14 april 1612, die
beiden teruggaan op de keure die Karel V opstelde voor de ambachten) na te leven.
Wat
betreft de bevoegdheden van de overdeken kunnen we verwijzen naar de eerder
vermelde bevoegdheden van de deken met toevoeging van de vier volgende functies:
1)
De overdeken hield zich bezig met de controle op de zilverwerken en de
merktekens van de meesters. Elk voorwerp dat hij gecontroleerd had, tekende hij
met zijn letter (A:, B:, …). De letter van een overdeken werd op een koperen
plaat geslagen met zijn naam en ambtstermijn. Zo kon een meester of koper van
het zilverwerk weten door wie en wanneer zijn zilverwerk was gekeurd.
2)
Indien het ambacht betrokken was bij
processen, moest de overdeken een compromis trachten te sluiten tussen
beide partijen. Hij moest koste wat kost een proces vermijden.[28]
Op die manier moest hij de naam en de faam van het ambacht beschermen.
3)
Bovendien stond hij ook in voor de welstand van het ambacht. Volgens de
instructie van 10 december 1732 mocht hij als eerste de rekening bekijken en
goedkeuren. Daarbij werd hem toegestaan om “de welstand te veranderen, te
vermeerderen of te verminderen”[29]. Eventueel zou deze uitspraak erop wijzen dat de
rekeningen door hem aangepast konden worden, zodat het financieel beeld van het
ambacht opgesmukt werd, wat de problemen in verband met de onjuistheid van de
rekeningen verklaart[30].
4)
Na zijn ambtstermijn werd de overdeken opgevolgd door één van zijn
mededekens. De “afgaenden” overdeken moest de rekening van het ambacht
bijhouden en werd als een “rendant” aangesteld[31].
Na het opstellen van de rekening werd hij vervolgens ouderling van het ambacht.
Bij
het ambacht van de zilversmeden werd om de drie jaar een rekening opgemaakt door
een nieuwe rendant[32].
Hij schreef alle ontvangsten en uitgaven zorgvuldig op en berekende het saldo.
Indien het saldo negatief was, moest de rendant het verlies ("lastelyck
slot") bijleggen en overdragen onder uitgaven bij de volgende rendant. Het
is niet duidelijk of de rendant werd vergoed voor deze administratie. In elke
rekening werd wel onder uitgaven een bedrag vermeld " voor het stellen
dezer rekeninge" van 4.10.0. Maar of het om de papierkosten en het betalen
van de inkt gaat of om de vergoeding van de rendant is onzeker.
De
rendanten in de rekeningen van 1745 tot 1793:
-
Pieter Nolf was rendant in de 1ste rekening van 6/03/1745 tot
23/01/1756.
-
Arnoud Vandemaele was rendant in de 2de rekening van 23/01/1756 tot
31/12/1758.
-
Charles Desmit was rendant in de 3de rekening van 01/01/1759 tot
31/12/1761.
-
Philip Devos was rendant in de 4de rekening van 01/01/1762 tot
31/12/1764.
-
Gaspard De Millecamps was rendant in de 5de rekening van 01/01/1765
tot 31/12/1767.
-
Judocus Alison was rendant in de 6de rekening van 01/01/1768 tot
31/12/1770.
-
Philip Devos was rendant in de 7de rekening van 01/01/1771 tot
31/12/1773.
-
Jozef Veys II was rendant in de 8ste rekening van 01/01/1774 tot
01/01/1777.
-
J.J. Simons was rendant in de 9de rekening van 01/01/1777 tot
31/12/1779.
-
H.A. Vanleerberghe was rendant in de 10de rekening van 01/01/1780 tot
01/01/1783.
-
Pieter Waldack was rendant in de 11de rekening van 05/01/1783 tot
31/12/1785.
-
Pieter La Heyne was rendant in de 12de rekening van 01/01/1786 tot
31/12/1788.
-
Augustin Vandewinckele was rendant in de 13de rekening van 01/01/1789
tot 31/12/1793.
-
In 1756 was P. Devos onderdeken
-
Na 1756 was J.F. Vanderghinste onderdeken
-
In 1779 was H.A. Vanleerberghe[33] onderdeken
-
In 1784 was P.E. La Heyne[34]
onderdeken
-
In 1791 was I. Vanroosebeke[35] onderdeken
Nadat de rendant de rekening opgesteld had, werd deze gecontroleerd door een aantal personen die vermeld worden op het einde van de rekening. Deze personen zijn de bestuursleden van het ambacht: de meesters, de gezworenen, de dekens, de overdeken en de ouderlingen. Meestal werd de controle reeds in de presentatie aangeduid van de rekening:"... presenterende deze in auditie van den modernen deken, onderdeken en voor de suppoosten van hetzelfde ambacht..."
|
Tabel 22: Overzicht van de controleurs van de rekeningen |
||
|
|
Namen van de controleurs |
Datum |
|
1ste
rekening |
G.J. Vandemaele, Charles Desmit, Jozef
Veys, Philip Devos, Pieter De Proost en J.F. Alison |
23/01/1756 |
|
2de
rekening |
Charles Desmit, Philip Devos, J.F. Vanderghinste, Pieter Nolf , J.F. Alison en J. Veys |
29/04/1759 |
|
3de
rekening |
G. De Millecamps, Ph. Devos, J.F. Alison, P. De Proost, J. Veys, H. Vanleerberghe, J.J. Simons en C. Desmit |
12/06/1765 |
|
4de rekening |
G. De Millecamps, J.F. Alison, C. Desmit, P. De Proost, J. Veys, J.J. Simons en Ph. Devos |
12/06/1765 |
|
5de rekening |
J.F. Alison, G.J. Vandemaele, P.J. Nolf, J. Veys, P. De Proost en J.J. Simons |
13/01/1768 |
|
6de rekening |
Ph. Devos, J. Veys, J. Simons, P.J. Nolf, H. A. Vanleerberghe |
03/01/1771 |
|
7de rekening |
J. Veys, J.J. Simons, H. Vanleerberghe, P.J. Nolf en J.F. Alison |
04/01/1774 |
|
8ste rekening |
J.F. Alison, Ph. Devos, P.J. Nolf, J. Simons en H.A. Vanleerberghe |
24/01/1777 |
|
9de rekening |
J.F. Alison, A.V. Descamps, Ph. Devos, P.J. Nolf, H.A. Vanleerberghe en P. Waldack |
17/01/1780 |
|
10de
rekening |
A.V. Descamps, C.P. Desmit, Ph. Devos, P. La Heyne, P.J. Nolf, J. Simons, A.J. Vandewinckele en Ph. Vanroosebeke |
19/12/1782 |
|
11de rekening |
A.V. Descamps, P.J. Devos, P. La Heyne, A. Vandewinckele en H. Vanleerberghe |
05/01/1786 |
|
12de rekening |
J. Alison, C.J. Alison, E.H. Crombeke, A.V. Descamps, J. Desmit, P. Desmit, P.J. Devos, P. La Heyne, A. Opdewinckel, A. Vandewinckele en P.H. Vanroosebeke |
13/01/1789 |
|
13de rekening |
P.J. Boucquillon, A.V. Descamps, J. Desmit, P. Desmit, P.J. Devos, J. Nuyttens, A. Vandewinckele, G. Van Kooigem en P.H. Vanroosebeke |
19/12/1795 |
De
knecht of knaap had als voornaamste taak de leden van het ambacht samen te
roepen of te manen. Dit gebeurde bijvoorbeeld wanneer een ordonnantie werd
uitgevaardigd en er dus een eed afgelegd moest worden. Op de jaarlijkse
feestdagen van St.-Elooi maande de knecht ook alle leden om samen een zielmis te
vieren of om de leden ervan op de hoogte te brengen dat het jaarlijkse lidgeld
betaald moest worden. Voor zijn maningen kreeg hij een kleine vergoeding en
daarnaast ook een bescheiden loon. De knecht was de rechterarm van de dekens en
vergezelde hen bij hun visitaties en nam de voorwerpen in ontvangst die gekeurd
moesten worden. De knecht nam ook deel aan de religieuze feesten van het ambacht
en moest hierbij een uniform dragen met een zilveren schild. F. Vanroosebeke was
lange tijd de belangrijkste knecht van het ambacht van de zilversmeden.
In de keuren van 3 oktober 1650 en van 8 november 1748 werd de regeling in verband met de leertijd vastgelegd[37]. De leerlingen waren verplicht hun vier leerjaren onafgebroken bij één en dezelfde meester te voltooien. Indien de meester stierf of de stad verliet, kon de leerling in de leer gaan bij een andere meester. De meester diende ook een leergeld (inschrijvingsgeld) te betalen voor zijn leerling van 4 ponden groot of 24.0.0. De inschrijving gebeurde onder het toezicht van de overdeken.
Vreemdeling-meesters die vanuit een andere stad naar Kortrijk kwamen om er vrije meester te worden, moesten een certificaat met zich mee hebben om te bewijzen dat ze hun leertijd hadden volbracht in die andere stad. Verder moesten ze nog 2 jaar voor een meester werken zonder loon als gezel om hun capaciteiten te tonen. Hun meester betaalde hiervoor 2 ponden groot of 12.0.0. Deze leerlingen werden ook opgetekend in het neeringboek door de overdeken.
In
1768 werd een aanvraag ingediend bij de regering om een nieuw reglement omtrent
het leerproces op te stellen omwille van de verscheidene misbruiken[38].
Dit werd toegestaan en de belangrijkste artikelen in deze herziening waren[39]:
1)
De leerlingen moesten vier jaar bij een meester inwonen om hun leertijd
te doen. Slechts deze leerlingen konden meester worden.
2)
De leertijd begon op de dag dat de leerling ingeschreven was door zijn
meester in het neeringboek in aanwezigheid van de dekens, de overdeken en een
aantal gerechtelijke bedienden.
3)
Een soort inschrijvingsakte moest opgesteld worden en zowel de meester
als de leerling moesten over een kopie van deze akte beschikken.
4)
Indien aan één van de drie vorige voorwaarden niet werd voldaan, werd
de leertijd nietig verklaard door de deken.
5)
Indien de meester van een leerling stierf, mocht hij de rest van zijn
leertijd afmaken bij een andere meester. Indien geen enkele meester vrij was,
werd de leerling aangeduid als opvolger van zijn overleden meester indien hij
over voldoende ervaring beschikte. Hij werd opgenomen als meester in het ambacht,
maar dan wel onder het waakzaam oog van de andere meesters.
6)
Indien een leerling zijn vier jaar had volbracht, werd hem een
getuigschrift van zijn goed gedrag en zijn leerjaren toegekend door de overdeken.
7)
Een meester mocht slechts 1 leerling
tegelijk opleiden.
8)
De leerlingen verkregen een soort pensioen van hun meester. Het bedrag
van dit pensioen mocht niet vastgelegd worden. Zo konden de leerlingen kiezen
bij welke meester, met het meest gunstige pensioen, ze in de leer gingen. Er
ontstond een hevige concurrentie tussen de meesters onderling die de pensioenen
steeds meer optrokken. Deze monopolievorming bleef toch binnen de perken door de
controle van de magistraten.
|
Tabel 23: Overzicht van de nieuwe leerlingen |
||||
|
Naam
van de leerling |
Meesterszoon,
vrije meester, poorter of vreemdeling |
Leergeld |
Leermeester
tijdens de leerjaren |
Datum
van inschrijving |
|
1ste
rekening |
|
|
|
|
|
Philip Rogiers |
Vrije meester |
12.0.0 |
|
1748 |
|
Guillaume Nolf |
Poorter |
24.0.0 |
|
1745-1755 |
|
Jakob Samyn |
Meesterszoon |
24.0.0 |
|
1745-1755 |
|
Anthonius Ovyn |
|
24.0.0 |
|
1745-1755 |
|
Jan
Simons |
|
24.0.0 |
Ph.
Joos Devos |
1745-1755 |
|
Jan
Walgrave |
|
24.0.0 |
|
1745-1755 |
|
Frans
Macleod |
|
24.0.0 |
|
1745-1755 |
|
2de rekening |
|
|
|
|
|
Michel De Coninck |
|
24.0.0 |
Philip
Devos |
21/08/1757 |
|
Pieter
Waldack |
|
24.0.0 |
Jozef Veys |
01/05/1758 |
|
3de rekening |
|
|
|
|
|
Pieter Gantier |
|
24.0.0 |
|
1759-1758 |
|
Ignaas Veys |
|
24.0.0 |
|
1759-1761 |
|
Ivo Ovyn |
|
19.0.0[40] |
|
1759-1761 |
|
Philip Vanroosebeke |
|
24.0.0 |
|
01/05/1759 |
|
5de rekening |
|
|
|
|
|
Augustinus Descamps |
|
24.0.0 |
H. Vanleerberghe |
1765-1767 |
|
Joannes de Bree de Jonghe |
|
24.0.0 |
Pieter Nolf |
09/08/1765 |
|
7de rekening |
|
|
|
|
|
F.J.
Pulinx |
|
24.0.0 |
J. Veys |
1771-1773 |
|
11de rekening |
|
|
|
|
|
Augustinus Vandewinckele |
|
24.0.0 |
|
1785 |
|
13de rekening | ||||