Constructief zappen. Over televisiekijken als hybride burgerschapspraktijk. (Esther Hammelburg)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

‘Ik heet Arno Tieck, ook al slaat dat nergens op, en ik zit in de werkelijkheid zoals ik hier in deze stoel zit. De wereld zoals die volgens de wetenschap schijnt te zijn, wordt steeds verder ontmanteld, daar valt natuurlijk niet mee te leven. We moeten er tenslotte ook nog gewoon een beetje zijn. Maar af en toe, als iemand weer eens diep in de natuur gekeken heeft, krijg ik een aanval van duizeligheid. Nog meer nullen, nog meer wegvliegende melkwegstelsels, nog meer lichtjaren, en aan de andere kant die ándere afgrond, die van het kleine, supersnaren, antimaterie, de werkelijkheid op de rasp, atomen die tegen hun eigen lichaam liegen, tot er niets meer te zien is en er toch iets is, en wij onszelf namen blijven geven alsof we de zaak nog in de hand hebben!’[1]

 

 

‘Toen ik klein was, ben ik, ter gelegenheid van Pesach of Rosj Hasjana, een paar keer meegenomen naar de studio van Edi Roegoznik op het Bograsjovstrand in Tel Aviv. Bij Edi Roegoznik stond een reusachtige bodybuilder. Een boom van een vent, geschilderd, uit karton geknipt, met zijn stierenlendenen, en hij had bergen van spieren, en een machtige, harige borst, bruinverbrand als koper. Deze kartonnen reus had een gat in plaats van een gezicht en een trapje aan de achterkant. Je moest achter de held om lopen, de twee treetjes van het trapje beklimmen, je kleine hoofd door het gezichtgat van deze Hercules steken in de richting van de camera, Edi Roegoznik beval je te glimlachen, niet te bewegen of met je ogen te knipperen, en hij drukte op het knopje. Na tien dagen gingen we de foto’s ophalen, waarop je mijn bleke, ernstige gezichtje zag, gedragen door de hoogverheven, dooraderde stierennek, omgeven door Simsonlokken, verbonden aan Atlasschouders, een Hectorborst, Kolossosarmen.

Nodigt niet elk goed literair werk ons uit ons hoofd door de gestalte van een of ander

Edi Roegoznik-schepsel te steken? In plaats van te proberen het hoofd van de schrijver erdoorheen te steken, zoals de banale lezer doet, kun je misschien beter proberen je eigen hoofd door de opening te steken, en te zien wat er gebeurt.

Dat wil zeggen: het gebied dat de goede lezer wil doorploegen tijdens het lezen van bellettrie is niet de afstand tussen het geschrevene en de schrijver, maar de afstand tussen het geschrevene en jou […].’[2]

 

 

Inleiding

 

Sanne:       ‘Ik denk dat de meeste mensen dat wel een keer hebben, dat ze heel erg moeten huilen bij een tv-serie.’

Esther:      ‘Kun je je herinneren wanneer dat voor ’t laatst was?’

Sanne:        ‘Ehm… Nou, recentelijk niet echt…’

Esther:       ‘Of kun je je nog een serie herinneren waarvan je denkt van: “Nou, daar heb ik het meest bij gehuild,” of…?’

Sanne:        ‘Ja, toen ik veertien/vijftien was keek ik altijd Heartbreak High. En dat

      vond ik echt heel erg. [Lach] En toen ging op een gegeven moment, ik weet niet, Nick ging dood. Dat vond ik echt heel erg.       [Lach]’[3]

 

Esther:      ‘Ben je je d’r altijd van bewust, wanneer je fictie kijkt, dat ’t fictie is?’

Sanne:      ‘Ja, vaak wel ja. Ik kan ‘r wel in opgaan hoor, absoluut. Maar toch. Je kan ook je

   emoties tonen door die fictie, maar je weet wel dat ’t gewoon niet waar is. Dus als daar iemand overlijdt, is ’t een stuk
   minder erg dan in een nieuwsuitzending of in een actualiteitenrubriek. Want dat is echt…
   En dat vind ik altijd erger dan... een serie.’

Esther:      ‘Maar je zei dat je moest huilen toen Nick doodging…’

Sanne:      ‘Ja precies! Ja, ja, ja. Hé, toen was ik veertien hè. Gebruik ’t niet tegen me.

                   [Lach]’

Esther:      ‘Nee, oké, maar als voorbeeld…’

Sanne:      ‘Nee, klopt. Je kan je heel makkelijk verplaatsen in die personages,

                   maar je weet dat ’t niet waar is. En dat is altijd een groot voordeel, denk ik.’

Esther:      ‘En als je op ’t nieuws een item ziet dat Nick in Australië dood is gegaan…?’

Sanne:      ‘Ja dat… je weet dat dat waar is, maar je kent… Je identificeert je niet met ’t

    karakter, denk ik, op die manier. Maar je weet wel dat die jongen gewoon echt familie heeft en
    vrienden en dat die nu allemaal om moeten gaan met zijn dood.’

Esther:      ‘Zou je d’r ook om huilen?’

Sanne:      ‘Waarschijnlijk niet, omdat je je niet identificeert met die Nick in Australië en in

                   de serie ken je, ken je ‘m al. [Lach] Hoe erg ’t ook is…’[4]

 

De moderne samenleving is per definitie onderhevig aan constante, snelle en permanente verandering.[5] In laatmoderne samenlevingen zoals de onze, worden er continu vragen opgeroepen over culturele uitingen en het gebruik daarvan, de invloed van de media en de staat van politiek en burgerschap. Dit onderzoek valt binnen deze discussie. Een veld waarin steeds nieuwe vragen, antwoorden, ideeën, kritieken, theorieën en verklaringen naar boven komen.

 

 

Onderzoeksopzet en -vragen

 

Focuspunt van dit onderzoek is de relatie tussen televisie en burgerschap, een onderwerp waarover in de wetenschap, de politiek en het dagelijks leven hevig wordt gediscussieerd.[6] Analytisch is er een helder beeld te scheppen waarin politieke en populaire cultuur twee gescheiden gebieden zijn.[7] Naar mijn idee zijn deze terreinen in de huidige samenleving echter dusdanig vermengd, dat het niet mogelijk is om ze los van elkaar te zien. Ik zal daarom in dit stuk pleiten voor de erkenning van overlappingen tussen en gelijke waardering van de twee velden en de mogelijkheden die door deze benadering worden gecreëerd.[8]

Televisie is – in inhoud en receptie – een medium dat deze vermenging demonstreert. Met het concept burgerschap als leidraad zal ik een beschrijving geven van twee verschillende vertogen die een rol spelen bij het begrijpen van televisie: het moderne en het postmoderne vertoog. Mijn grootste interesse ligt bij de wisselwerking tussen verschillende burgerschapsvertogen in de praktijk van het denken en spreken over televisie. Drie centrale vragen zijn sturend geweest voor het pad van onderzoek:

 

In het eerste hoofdstuk staat het moderne vertoog centraal. Dit is een beter ontgonnen gebied dan het postmoderne discours, waardoor het een heldere uitgangspositie biedt. Mijn beschrijving van het moderne vertoog is erop gericht kernbegrippen en –verbanden te introduceren. Eerst zal ik ingaan op het moderne begrip van realisme om vervolgens te laten zien hoe een gevoel van betrokkenheid kan worden bewerkstelligd door de werking van dit realisme. Deze betrokkenheid is de basis voor een specifiek moderne vorm van burgerschap, die ik het universeel burgerschapsvertoog zal noemen.

In de volgende twee hoofdstukken zal het postmoderne vertoog aan de orde komen. Hier zal ik de geïntroduceerde kernconcepten, die binnen het moderne vertoog helder zijn gedefinieerd en afgebakend, problematiseren. In het tweede hoofdstuk wordt realisme geproblematiseerd; in het derde hoofdstuk burgerschap. Gaandeweg wordt het onderscheid tussen publiek en privé, feit en fictie minder duidelijk en krijgen de begrippen realisme, identiteit, betrokkenheid en burgerschap een andere invulling. Ik zal laten zien dat ook het postmoderne begrip van realisme - het empatisch realisme - betrokkenheid bewerkstelligt en doorwerkt in particuliere vormen van burgerschap. Aan het eind van het derde hoofdstuk staan er dan twee sterke concepten van burgerschap: het (moderne) universele burgerschapsvertoog en het (postmoderne) particuliere burgerschapsvertoog.

Dit zal de basis vormen voor het laatste hoofdstuk, waarin ik dieper inga op de werking van en de wisselwerking tussen de twee verschillende vertogen in de praktijk. De eerste drie hoofdstukken tonen vooral de werking van de afzonderlijke vertogen; het vierde inventariseert de wijze waarop kijkers deze in de praktijk samen gebruiken en combineren. Hier ontstaat dan een schets van wat ik hybride burgerschapspraktijken zal noemen.

 

 

Methode en theoretisch kader

 

De keuze voor publieksonderzoek en vertooganalyse als methode voor dit onderzoek houdt nauw verband met mijn interesse in de praktijk.[9] Wie weet er nou meer van de praktijk dan televisiekijkers en burgers zelf?[10] Vertooganalyse, een kwalitatieve, empirische onderzoeksmethode, is bij uitstek geschikt om de subtiliteiten van betrokkenheid bij televisie te onderzoeken.[11] Vertogen vormen de wijze waarop televisie wordt begrepen.[12] Televisie-inhoud en –receptie, het medium en zijn publiek, worden niet als losstaande onderdelen beschouwd, wat het mogelijk maakt om over televisie te spreken zonder daadwerkelijke programma’s te analyseren. Juist door aandacht te geven aan de context van interpretatie door kijkers – in plaats van de televisietekst – is er meer te zeggen over de betrokkenheid van kijkers bij dit medium en de wijze waarop zij televisie gebruiken.[13] We krijgen zo een beeld van de ‘ongoing struggle over meaning and pleasure which is central to the fabric(ation) of everyday life.’[14]

            De theorie over discours is gebaseerd op het werk van Michel Foucault. Hij ziet een vertoog als een systeem van tekst, taal en machtsrelaties werkend in een bepaald veld – bijvoorbeeld in het denken, of in een sociale of politieke praktijk.[15] Interne regels en procedures vormen het vertoog, dat de wereld beschrijft, en hiermee vormende scheidslijnen creëert.[16] Door de werking van deze scheidslijnen - en de waardeoordelen die daaraan verbonden worden - heerst er binnen het systeem een binaire en hiërarchiserende logica.[17] De kracht van discours zit in het vanzelfsprekende.[18] Een vertoog wordt meestal ongemerkt gebruikt en ideologie wordt binnen een vertoog gepresenteerd als objectieve waarheid.[19] Een bepaalde ideologie wordt dan genaturaliseerd, door de integratie in het dagelijks denken en spreken. Dit maakt het interessant om vanzelfsprekendheden in het ‘normale,’ dagelijkse spreken te analyseren. Door te kijken naar de wijze waarop kijkers spreken over televisie en hun betrokkenheid bij programma’s, wordt het verband tussen televisie en burgerschap duidelijker en begrijpelijker.

            Interessant hierbij is dat er meerdere vertogen naast elkaar kunnen bestaan.[20] Dit maakt vertooganalyse een geschikte methode om te kijken naar de spanningen in het denken over televisie en burgerschap. Het biedt de mogelijkheid om concepten variabel – discursief - in te vullen en wijzen van reflectie naast elkaar te analyseren, zonder één invulling of vorm van reflectie boven de ander te stellen.

 

Het gespreksmateriaal vormt de primaire bron voor dit onderzoek. Dit materiaal omvat de letterlijke transscriptie van elf door mij gevoerde gesprekken met televisiekijkers. In de uitwerking zijn niet de echte namen van de informanten opgenomen, maar door hun zelf gekozen pseudoniemen. Slechts één pseudoniem – Eefje - heb ik zelf toegekend. De transcriptie van de gesprekken is als bijlage aan dit stuk toegevoegd. In de inleiding bij de bijlagen is informatie opgenomen over de wijze waarop het materiaal is verzameld, de duur en setting van de gesprekken en de informanten.

 

Om mijn interpretatie van dit materiaal theoretisch te gronden, moest het worden gekoppeld aan bestaande theorie. Hierbij is het mijn streven om deze theorie aan te scherpen door die te verbinden aan verhalen van kijkers. Sterker: door analyse van zowel gesprekken als theorie, ontstaat een nieuwe visie op burgerschap, televisie en hun onderlinge verband.[21]

            Het overgrote deel van de gebruikte theorie komt uit de Cultural Studies hoek. Binnen dit onderzoeksveld is veel gekeken naar populaire cultuur; culturele uitingen waaraan binnen andere onderzoeksvelden weinig (positieve) aandacht wordt besteedt.[22] Binnen Cultural Studies wordt theorievorming niet beschouwd als een streven naar de allesomvattende beschrijving van de ‘werkelijkheid’. Cultuurtheorie moet meer een discussie[23] zijn. Het doel van deze discussie - en onderzoek binnen het culturele veld -  is het gebied in kaart te brengen[24] en hierdoor beter te begrijpen wat er speelt in de samenleving.[25] De (etnografische) onderzoekspraktijk van culturele analyse werd door de antropoloog Clifford Geertz treffend omschreven als een proces van constant gissen naar betekenis, het onderzoeken van de hieruit voortkomende ideeën en verklarende conclusies trekken uit de betere gedachten.[26] De resultaten van onderzoek zijn dan ook altijd incompleet en tijdelijk.[27] Deze houding wordt mooi verwoord door Stuart Hall: ‘I am not interested in Theory, I am interested in going on theorizing.’[28] Vandaar wellicht dat er zo vaak wordt opgeroepen tot het doen van verder onderzoek.[29]

Dit theoretisch kader, waarin kwalitatieve onderzoeksmethoden de voorkeur genieten, bleek erg bruikbaar voor mijn onderzoek. Kwantitatieve gegevens kunnen in sommige gevallen veel informatie geven, toch geloof ik meer in de rijke uitleg van cultuur die binnen Cultural Studies centraal staat.[30] Om het kader uit te breiden heb ik ook veel ‘geleend’ uit het domein van de filosofie. Daar is wellicht niet veel geschreven over het medium televisie, maar wel over burgerschap en maatschappijvisies. Het is waardevol om dit werk mee te nemen, omdat gedachten over televisie en burgerschap hiermee een vastere bodem krijgen. Door theorie uit verschillende vakgebieden te combineren ontstaat naar mijn idee een wijder beeld en daarmee een beter begrip van burgerschap.[31]

 

De selectie van literatuur is uiteraard sturend geweest in dit onderzoek. Bij het opzetten van deze scriptie heb ik veel algemene literatuur gelezen over populaire en politieke cultuur. Deze theorie komt hier beperkt terug. Door het uitwerken en analyseren van mijn gespreksmateriaal is de lijn van het onderzoek duidelijker geworden en ontstond er een meer specifieke ‘literatuurbehoefte.’ Op deze plaats wil ik mijn keuze voor een aantal auteurs verantwoorden.

In het eerste hoofdstuk refereer ik op een aantal plaatsen aan het WRR-rapport focus op functies. Hiermee toon ik aan dat het Nederlandse mediabeleid in belangrijke mate gebaseerd is op het moderne denken. Bovendien is dit rapport een recent discussiepunt, omdat het een reorganisatie van de Publieke Omroep voorstelt waar veel programma- en opiniemakers op tegen zijn. Een ander artikel dat belangrijk is voor mijn eerste hoofdstuk is ‘Television, broadcasting, flow: key metaphors in TV theory’ van Jostein Gripsrud. Dit gebruik ik, omdat het een helder beeld geeft van het moderne denken over televisie. De bespreking van het universeel burgerschap is voornamelijk gebaseerd op (besprekingen van) het werk van Jürgen Habermas. De door hem gevormde theorie geeft een duidelijk beeld van het universele burgerschapsvertoog en hij is – mede door de veelvuldige bespreking van zijn werk - toonaangevend binnen dit denken. In mijn beschouwing van waardering en kritiek vanuit het moderne vertoog passeren verscheidene auteurs de revue. Ortega y Gasset komt hier uitdrukkelijker naar voren. Zijn denken over de massa in de moderniserende samenleving biedt bruikbare aanknopingspunten. Door deze te gebruiken – en te verbinden aan mijn gespreksmateriaal - toon ik aan dat oude ideeën nog steeds een grote rol spelen bij de waardering van televisie.

Het tweede hoofdstuk rust voor een belangrijk deel op de problematisering van ‘realisme.’ Hier bleek het werk van Umberto Eco en Jean Baudrillard erg bruikbaar. Zij zijn spilfiguren in het denken over de realiteit en vooral het betwijfelen van de absolute werkelijkheid. De overgang van deze deconstructie naar de opbouw van een postmodern realisme, heb ik gemaakt aan de hand van werk van Stuart Hall. Zijn theorie over identiteit breekt moderne bouwwerken af en brengt tegelijkertijd nieuwe inzichten die het begrip van het postmoderne vergroten. Ien Ang biedt de theoretische achtergrond voor het laatste deel van dit hoofdstuk. Ik evalueer en scherp haar werk hier aan door het te verbinden aan mijn gespreksmateriaal. Op deze wijze ontstaat een beeld van het empathisch realisme en de realisme-ervaring van fictieve amusementsprogramma’s.

Hoofdstuk 3 grijpt terug op het identiteitsbegrip van Hall door te laten zien dat dit een grote rol speelt bij de beleving van vermaakstelevisie. De stap van betrokkenheid naar burgerschap maak ik aan de hand van het begrip cultureel burgerschap dat door verschillende auteurs is gehanteerd. Het werk van Martha Nussbaum articuleert daarna de grote rol die voor emotie en het persoonlijke is weggelegd in het postmoderne begrip van burgerschap. Nussbaum heeft veel en rijk geschreven over dit onderwerp. Haar pleidooi voor de waarde van emotie is sterk en maakt daarmee het particulier burgerschap dat ik beschrijf een stevig concept. De functie van televisie – vooral in haar populaire uitingen - voor het particulier burgerschap, bespreek ik aan de hand van verschillende auteurs. In het derde en vierde hoofdstuk verwijs ik vaak naar Liesbet van Zoonen en Joke Hermes. Zij zijn momenteel uitgebreid bezig met (cultureel) burgerschap en populaire cultuur; hun werk is recent en uitgesproken. Dit neemt niet weg dat het verder besproken werk ook zeer waardevol is.

In het laatste hoofdstuk wordt op veel van de eerder gebruikte literatuur teruggegrepen. Waar ik in eerdere hoofdstukken de auteurs gescheiden heb behandeld, komen zij nu naast elkaar terug om de wisselwerking tussen de vertogen te analyseren.

 

 

Eigen invalshoek en uitwerking

 

Binnen de theorie over vertooganalyse wordt verondersteld dat meerdere vertogen naast elkaar kunnen bestaan[32] en dat begrippen binnen een discours bepaald worden. Zelf merkte ik tijdens dit onderzoek dat ook mijn gedachten en verwoordingen vaak vertooggebonden zijn; wisselend tussen de rol van de afstandelijke moderne wetenschapper en die van de betrokken postmoderne wetenschapper. Ik ben net zo goed deel van ‘het publiek,’ een ‘kijker.’ Het is dan ook geenszins mijn bedoeling mezelf als onderzoeker boven of naast dit publiek te plaatsen en een beeld te creëren waarin dit ‘object van onderzoek’ geheel gescheiden is van ‘de afstandelijk wetenschappelijk onderzoeker.’[33] Onderzoek is nooit neutraal, maar is door het interpretatieve karakter altijd ‘“interested” in the strong sense of that word.’[34]

Deze houding maakt ook dat ik niet spreek over interviews, maar over gesprekken. Het woord interview doet denken aan een vraaggesprek. Ik heb aan de hand van een topiclijst (opgenomen in de bijlagen) zo normaal mogelijke gesprekken gevoerd. Uiteraard ben ik me ervan bewust dat je als onderzoeker de sturende factor bent in zo’n gesprek en wel degelijk vragen stelt. Ik heb echter getracht om me te laten leiden door onderwerpen in plaats van vragen en om mee te gaan in de verhalen van mijn gesprekspartners.

            Zowel bij mijn gesprekspartners als bij mezelf merkte ik een gebrek aan termen op. Het vinden van de definitieve terminologie voor dit stuk, bleek een lang proces van  analyse en herschrijven. In de eerdere versies van dit stuk noem ik het postmoderne vertoog nog vaak het ‘andere vertoog’ of het ‘tweede vertoog’.[35] Vooral wanneer ik nadacht over de werking van dit vertoog, bleken de woorden vaak lastig te vinden. Dit lijkt erop te duiden dat er inderdaad behoefte is aan meer onderzoek op dit gebied en het uitbreiden van het vocabulaire. Het begrippenpaar politieke en populaire cultuur bleek erg bruikbaar voor dit onderzoek, waarin ik laat zien dat deze twee gebieden een rol spelen binnen het kader van burgerschap èn televisie.

Ik ben erg oplettend geweest bij de verwoording van mijn ideeën. Bepaalde termen hebben een duidelijk modernistische connotatie, waardoor ze slecht bruikbaar zijn bij de beschrijving van het postmoderne vertoog. Mijn verhaal laat zien hoe begrippen vertooggebonden worden gedefinieerd.[36] Wanneer ik bij deze definiëring weer vertooggebonden termen zou bezigen, frustreer ik hiermee mijn opzet. Soms bleek het nodig zelf termen te introduceren om concepten werkbaar te maken. ‘Universeel-’ en ‘particulier burgerschap’, ‘empathisch realisme’ en ‘hybride burgerschapspraktijken’ zijn eigen verwoorde begrippen. Ik zal deze in de tekst verantwoorden.

 

In de tekst zijn veel en lange citaten opgenomen. Ik heb mezelf beperkt bij het citeren van literatuur. Het is echter voor het betoog noodzakelijk om uit mijn gesprekken te citeren. Ik laat hiermee zien hoe beschreven ideeën functioneren in het denken en spreken van mijn informanten.

Omdat spreektaal anders is dan schrijftaal, zijn de letterlijke transcripties niet altijd even leesbaar. Ik heb daarom in deze tekst de citaten – waar nodig voor de leesbaarheid - geschoond van stopwoordjes en herhalingen, en hier en daar extra leestekens toegevoegd en taalfoutjes gecorrigeerd. Wanneer versprekingen, herhalingen of denkpauzes echter veelzeggend waren, heb ik deze laten staan. Bij elk citaat wordt verwezen naar de letterlijke transcripties die als bijlagen zijn bijgevoegd. Dit maakt het mogelijk om te verifiëren hoe iets daadwerkelijk is uitgesproken.

De uitwerkingen van mijn gesprekken zijn een bolwerk van betekenis. Dit maakte het af en toe lastig om citaten te plaatsen. Omdat er constant sprake is van wisseling in vertogen, was dit vooral ingewikkeld in het begin van dit stuk. In het vierde hoofdstuk, waar ik juist inga op de wisselwerking tussen vertogen, werd het iets makkelijker. Daar was meer ruimte om de veelzijdigheid van een citaat tot haar recht te laten komen.

 

Ten slotte wil ik hier nog iets zeggen over de wijze waarop ik theorie heb gebruikt. Zoals gezegd, hanteer ik zowel het Modernisme als het Postmodernisme als vertoog.[37] Het gaat hierbij vooral om de ideologische punten uit beide stromingen en ideeën die tezamen een beeld schetsen van het discours. Met het plaatsen van auteurs onder een van de twee vertogen wil ik niet de indruk wekken dat zij zichzelf in deze hoek zouden plaatsen. Soms gaat het zelfs enkel om een specifiek deel van hun theorie die goed past binnen het vertoog zoals ik dat beschrijf.

 

 

Hoofdstuk 1. Televisie: een venster op de wereld

‘Beelden liegen niet’[38]

 

Lang voordat er daadwerkelijk een televisietoestel in onze huiskamers stond, werden er al stukken geschreven over zijn betekenis. Er werd voorzien dat mensen door dit medium veel sneller uitgebreide informatie konden verkrijgen over wat er gaande was in de wereld, wat een positief effect zou hebben op de samenleving. Tegelijkertijd was men bang voor de invloed die televisie zou hebben op de massa. Deze vroege ideeën over televisie passen wat betreft tijd en inhoud in het plaatje van een moderniserende samenleving. Ze kunnen dan ook modern worden genoemd.

Hierboven spreek ik in de verleden tijd, wat impliceert dat er nu heel anders over televisie wordt gedacht. Dit is echter niet het geval. Het moderne vertoog is nog steeds prominent aanwezig in het denken en spreken over televisie en burgerschap. De oorsprong van dit vertoog is verbonden aan een bepaalde periode, maatschappelijke ontwikkelingen in die tijd en een filosofische stroming. Deze elementen zijn van belang voor het begrip van het ‘moderne’ en zullen dan ook in dit stuk terugkomen om kernconcepten te verduidelijken. Ze vormen echter niet de bepaling ervan. Het discours zal hier voornamelijk duidelijk worden aan de hand van huidige beleidsstukken, theorie en citaten uit de gesprekken die ik heb gevoerd. Hiermee wil ik laten zien hoe dit discours werkt als systeem van denken en spreken, met daaruit voortvloeiende verwachtingen en eisen.

In dit hoofdstuk zal ik eerst een aantal uitgangspunten van het moderne denken introduceren. Vervolgens zullen deze punten verbonden worden aan een typisch moderne vorm van burgerschap: het universele burgerschap. Tenslotte zal ik de hiërarchiserende logica van het moderne vertoog analyseren. Hierbij wordt duidelijk dat er sprake is van waarderingsdenken en een specifiek modern verwachtingspatroon.

           

 

Realisme en burgerschap

 

‘De meest volwassen ernst is op en voor zichzelf de ernst om de waarheid te leren kennen.’[39]

 

De objectieve weergave van de realiteit

 

Twee begrippen liggen aan de basis van het moderne discours: moderniteit en modernisme. Moderniteit verwijst naar een historische periode; Modernisme naar een stroming in de filosofie en de kunst. De twee begrippen zijn verwant, maar niet aan elkaar gelijk te stellen.

Grofweg 500 jaar geleden zette - in Europa - de modernisering in. Deze ontwikkeling wordt gekenmerkt door de opmars van kapitalisme, wetenschap en technologie, wat grote sociale veranderingen met zich meebracht.[40] Industrialisatie, urbanisatie, democratisering en schaalvergroting zijn typisch (vroeg)moderne processen; de Industriële en de Franse twee typisch moderne revoluties.[41] Moderniteit verwijst daarom naar hoofdzakelijk economische, sociale, wetenschappelijke en politieke processen. Modernisme betreft de filosofische en culturele uiting van moderniteit. De Verlichting bracht een eerste aanzet, door de explicitering van de modernisering in het denken.[42] Rond de eerste helft van de negentiende eeuw was er geen radicale modernisering meer gaande; de moderne samenleving was gevestigd.[43] Hierdoor ontstond er een zelfbewustzijn van de moderne conditie, dat de problemen van de Moderniteit onder ogen moest komen: het Modernisme.[44]

De term ‘modern’ herbergt dit gehele spectrum. Uitgelegd als vertoog, is het echter vooral van belang om te kijken naar de ideologische aspecten. Het moderne denken berust op twee belangrijke (ideologische) pijlers: het bestaan van een absolute werkelijkheid[45] en het vertrouwen in de rede. De rede wordt binnen dit vertoog hoog gewaardeerd, juist omdat de mens hiermee de werkelijkheid kan leren kennen. De moderne beschouwing van werkelijkheid en de rede wordt mooi verwoord door de Duitse filosoof Hegel:

De moed van de waarheid, geloof in de macht van de geest, is de eerste voorwaarde voor de filosofiestudie […]. Het verborgen wezen van het universum heeft geen kracht in zich, die aan de moed van het kennen weerstand zou kunnen bieden, het moet hiervoor wel opengaan en zijn rijkdom en zijn diepten voor ogen voeren en laten genieten.[46]

 

Bij het denken over televisie komt het geloof in een objectieve waarheid en de redelijke mens heel direct tot uiting. Het medium biedt mogelijkheden om direct beelden te tonen en ons daarmee te laten zien wat er gebeurt in de wereld. ‘“Tele-visie” betekent “ver-zien”’[47] Het is een manier om de wereld te aanschouwen; een venster op de wereld.

 

Sanne: ‘Dat je denkt: “Jee, het kan echt. Het bestaat.” Want vaak hoor je wel verhalen over - of de Tokkies die zijn ook helemaal gehyped - dat je weet dat mensen zo leven, maar als je ’t dan ziet dan denk je: “Jee, ’t is echt waar.”’[48]

Hermelien: ‘Ik heb laatst een keer iets gezien over kinderen die meenden dat ze in een verkeerd lichaam geboren werden. Ja, dat zijn dingen waar je over het algemeen niet echt over nadenkt, dat soort onderwerpen…… Ja, daar heb ik wel enigszins een beeld bij en daar heb ik ook wel enigszins een mening over, voor zover dat kan. […] Ja, ik denk niet dat mijn mening daardoor beïnvloed wordt, maar het is wel iets van: “Oh ja, dat bestaat als het ware ook nog.’[49]

 

Gelijktijdigheid, de mogelijkheid om een gebeurtenis in de werkelijkheid direct op televisie te brengen is dan ook een specifiek kenmerk van televisie.[50] Aanvankelijk was elke uitzending live; inmiddels is bijna alles tevoren opgenomen. Toch zijn gelijktijdigheid en ‘liveness’ nog steeds kernwaarden binnen de televisie-esthetiek.[51] Hiermee wordt een element toegevoegd aan het waarheidsidee: het is niet alleen van belang dat iets werkelijk waar is, het is ook nog eens op dit moment gaande.[52] Er is een conceptueel verband tussen ‘live’ en ‘werkelijk’. Op het moment dat je iets direct te zien krijgt kan er niet tussendoor aan zijn geknoeid. Of zoals Griprud zegt: ‘[l]ive is taken to mean “not staged”’[53] Deze waarde van televisie is verbonden aan het onverzadigbare verlangen naar realiteit binnen moderne samenlevingen.[54] Een medium dat ons de rauwe realiteit direct kan tonen, lijkt onmogelijk te kunnen liegen. Hier wordt de kwaliteit van televisie bepaald in verband met typisch moderne waarden van realisme en waarheid.  Het geeft haar de sociale rol als ‘provider of “reality”’[55] 

Blaadje: ‘Maar soms zie je. Ja, toen […] ze hadden een filmpje gevonden, gevonden van mannen die, in Srebrenica was dat geloof ik, werden vermoord. Ja, dat was echt, dat vond ik echt, echt, echt heel gruwelijk… Ik denk iedereen wel, op zich, maar. Ja, daar was ik wel echt eh, ja, van onder de indruk, zeg maar. [Esther: ‘Kun je daar iets meer over vertellen? Waarom maakte dat zo veel indruk?’] [Stilte] Ja, omdat je écht de laatste momenten ziet van die mensen, zeg maar. Eh… Ehm… Ja, je kan ’t nu nog beter inbeelden, omdat je de beelden hebt gezien d’r bij… Ik had ’t bijvoorbeeld ook. Ik heb dus in Frankrijk gestudeerd vorig jaar. En toen had ik van Milaan [ze bedoelt waarschijnlijk Madrid] de… aanslagen, hoorde ik ook pas twee dagen later, omdat ik geen tv had en heel weinig radio luisterde. Die heb ik hier de hele dag aanstaan, dus ik wist gelijk, van Londen wist ik gelijk wat er aan de hand was. Daar was ik ook denk ik meer van onder de indruk, omdat ik, ja, toegang had tot nieuws en eh, en beelden echt. Terwijl van Madrid heb ik ook geen beelden gezien, of zo, dus ik... Ja, wat foto’s, maar dat is ‘t, dus… Ja, dan maakt het toch meer indruk. Het helpt wel een beeld erbij… Ja…… [Esther: ‘En… Ja… Wou je wat zeggen?’] Ja, nou ja, dat is [Lach] ook bij die Srebrenica zo, zeg maar. Als je beeld erbij hebt. Je hoort wel van, ja: “Zevenduizend mensen vermoord,” maar ja… Hoe dat eruit ziet en hoe die laatste momenten zijn en zo, dat kan je je helemaal niet voorstellen. Nu dus wel. Niet eh, heel leuk, nee…’[56]

 

Televisie brengt ons echter niet enkel informatie over de werkelijkheid, maar ook fictionele programma’s. Binnen het moderne vertoog is er een zeer duidelijke en strikte scheiding van deze twee velden, van feit en fictie. Een programma toont ofwel direct en objectief de werkelijkheid, of we hebben te maken met een door de mens geconstrueerde tekst.

David: ‘Ik stap niet ’s ochtends wezenlijk anders uit m’n bed doordat ik een serie of een film of nieuws heb gezien. Nou, het nieuws misschien wel, omdat dat invloed heeft op mijn realiteit en een beeld geeft van de realiteit waarin ik leef. Maar die andere dingen niet.’[57]

Voortvloeiend uit deze scheiding van feit en fictie, is er binnen het moderne vertoog een grove scheiding tussen informatievoorziening en amusement. Deze twee categorieën wil ik hier de naam functie geven. Er is vaak een functie-indeling gemaakt op basis van uiteenlopende criteria.[58] Het begrip functie is lastig te definiëren en is daarom kwetsbaar voor kritiek. De vraag is of het begrip functie samenvalt met bedoelingen van programmamakers; de inhoud van een programma; interpretaties van en effecten op kijkers; of ideeën over de maatschappelijke rol van televisie.[59] Binnen dit onderzoek gebruik ik deze term om een (vertooggebonden) binaire tegenstelling te onderscheiden. In literatuur en gespreksmateriaal bestaat een begrip van de twee functies; er wordt een duidelijk onderscheid gemaakt dat vanzelfsprekend lijkt. De categorieën zijn ideaaltypisch[60] en diep geworteld in het denken.

In dit stuk zal ik nieuws-, actualiteiten-, debat- en discussieprogramma’s en documentaires onder de functie informatievoorziening scharen. De amusementsfunctie – die ik ook wel vermaak of entertainment zal noemen – wordt binnen dit onderzoek voornamelijk ingevuld door fictieseries en -films.[61] Deze indeling is grotendeels gebaseerd op de voorbeelden die mijn gesprekspartners aandroegen.

 

De informatievoorzieningfunctie refereert aan het vensteridee van televisie zoals hierboven besproken. De vermaakfunctie valt binnen een modern concept van vrijetijdsbesteding, vermaak van de massa en fictie.

Moppie: ‘Journaal heb je natuurlijk altijd, meestal, eh, reality-beelden.[62] En dat zijn dus echt de daagse dingen die gebeuren in het leven. Een film, tuurlijk kan die op waarheid berusten, maar meestal is het toch wel een verhaal, fictie…’[63]

Boer: ‘Als ik naar Het Journaal kijk of naar Nova of naar eh, dan kijk je toch vooral denk ik om geïnformeerd te worden. En het is natuurlijk ook wel een percentage vermaak. Ik bedoel, je wilt misschien ook wel een klein beetje vermaakt worden, maar het is toch vooral geïnformeerd willen worden. En als ik naar een Allo Allo of Married With Children of dat soort oude series kijk, ja dan wil je gewoon lachen en dan wil je gewoon vermaakt worden. […] Dan eh, nee, dat is voor mij gewoon puur vermaak.’[64]

De twee gebieden, zoals die binnen het moderne vertoog bestaan, worden mooi verwoord door John Hartley in The television genre book. Hij spreekt hier over twee rijken. Enerzijds het rijk van nieuws en anderzijds dat van drama. Over drama zegt hij dat dit het gebied is van het privé-domein, de kijkers, het dagelijks leven en emotie. Het nieuwsrijk biedt ruimte aan de publieke sfeer, burgerschap, politieke economie en waarheid.[65] Hartley vat de kern van het onderscheid, en de associaties die ermee samenhangen, duidelijk samen.

Cloud: ‘Dat [een televisieserie] is leuk en ontspannen om naar te kijken en ’t nieuws is wat serieuzer om naar te kijken’[66]

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (de WRR) stelt - in het recent uitgebrachte rapport Focus op functies – een functiegerichte benadering van het mediabeleid voor. De WRR onderscheidt hierbij onder andere de nieuwsvoorzieningfunctie, en het bieden van mogelijkheden voor opinievorming en achtergrondinformatie (platformfunctie), [67] die ik hier beide onder de informatievoorzieningfunctie plaats. De WRR-functies vermaak (amusement en vermaak) en uitingen van kunst en cultuur[68] passen in mijn begrip van amusement.

 

Sanne: ‘Ja en informatievoorziening, dat is een tweede [reden om televisie te kijken]. Want op het moment dat er dus iets groots gebeurt, zoals in Londen, dan gaat iedereen tv kijken. Ik heb op m’n werk inderdaad tv zitten kijken, Journaal zitten kijken.’[69]

 

Universeel burgerschap

 

Televisie geeft binnen haar informatievoorzieningsfunctie een beeld van de werkelijkheid. De kijker krijgt de gebeurtenissen in de wereld mee en is daarmee in staat zich een beeld te vormen van deze wereld. Op dit punt ligt een verband tussen realisme en burgerschap. Het raakpunt ligt in betrokkenheid, die wordt opgewekt door een realiteitsbeleving. Dat iets waar is, maakt het van belang binnen het moderne denken. Verweven in het moderne vertoog zit dan ook een heel specifiek idee van burgerschap, dat ik hier het universeel burgerschap noem.

Boer: ‘[Esther: ‘Heb je het idee dat je politieke standpunten ook wel ’s gevormd kunnen worden door wat je ziet op televisie?’] Eh… ja, dat denk ik best, want televisie is toch een informatiebron. Ehm, ja… Ik weet niks van Marokkanen en als ze op televisie mij laten zien: “Marokkanen zijn dom en Marokkanen zijn slecht.” Of tenminste, men brengt het beeld wel zodanig genuanceerd, maar mijn simpele boerenverstand dat denkt niet verder dan: “Oh, nou, Marokkanen zijn dom en slecht.” Dan, ja, dan wordt mijn beeld wel degelijk eh, gevormd. En sowieso alles wat ‘r over de grenzen gebeurt. Ik kan niet overal heen om te kijken wat ‘r gebeurt, dus sowieso eh, als ik ’s avonds de televisie aanheb en men laat mij zien wat er allemaal in de wereld is gebeurd… dan beïnvloedt dat direct mijn, mijn denken over eh, ja, wat er momenteel gaande is in wereld. En zelfs in zoverre dat ik mogelijk zakelijke beslissingen daarop zou nemen. Dus als ik zie: “Hittegolf en bosbranden in Italië, Spanje en Portugal en overstroming in Roemenië,” dan zou ik wel ’s kunnen denken van eh: “Nou ja, die en die gewassen kunnen wel eens duur worden, want die worden daar veel verbouwd. Laat ik die en die gewassen, laat ik die inkopen en weer verkopen.” Ja… Of je gaat informatie zoeken op ’t internet en in de krant, maar wel naar aanleiding van wat je op televisie hebt gezien.’[70]

Om een helder beeld te vormen van dit burgerschap, zal ik eerst ingaan op het werk van Habermas. Vervolgens laat ik zien dat het universeel burgerschapsvertoog een grote rol speelt in de (huidige) beleidsvorming ten opzichte van televisie en dat het sturend werkt in het gebruik van televisie door kijkers.

 

De Duitse filosoof Jürgen Habermas heeft vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw geschreven over het burgerideaal. Zijn theorie is een grote rol gaan spelen bij het denken over burgerschap en hij wordt dan ook veelvuldig aangehaald in literatuur hierover.[71] In zijn boek - Strukturwandel der Öffentlichkeit - beschrijft Habermas de vorming van een publiek domein als basis voor het ontstaan en voortbestaan van een gezonde democratische staatsvorm. Binnen deze publieke sfeer nemen debat en het redelijke argument een cruciale positie in.[72]

De publieke sfeer is in Habermas’ beeld een openbaar domein, los van overheids- en marktbelangen waarin de actieve burger zijn mening kan vormen op basis van een objectieve, rationele uitwisseling van argumenten.[73] Hij koppelt dit idee van de publieke sfeer aan de door Hegel gebruikte term ‘bürgerliche Gesellschaft’ – in de Engelse vertaling ‘civil society.’[74] Omdat deze publieke sfeer losstaat van de staat en commerciële belangen ontstaat hier de ruimte om de samenleving te beschouwen op basis van rede, zonder verstrikking in belangen. Dit werd bij uitstek de plek waarin de staat ‘could be confronted and subjected to criticism’.[75] In feite betoogt Habermas dat objectiviteit - en daarmee een direct verband met de absolute werkelijkheid - tot stand komt middels het rationele debat. De dialoog tussen rationeel denkende mensen is een uitwisseling van ideeën die hun oorsprong hebben in de privé-sfeer, de persoonlijke achtergrond van de afzonderlijke actoren. Middels debat worden de aanspraken die afzonderlijke personen maken op de waarheid aan elkaar getoetst, waardoor er een evenwichtig rationeel en genormeerd beeld ontstaat over de leefwereld.[76]

Dit beeld is typisch modern te noemen. Habermas verwijst hiernaar wanneer hij wijst op het belang van de pogingen van Kant om een universele en rationele fundering te ontwikkelen voor democratische instituties.[77] ‘With Kant, the modern age is inaugurated.’[78] Habermas waarschuwt voor contextualiteit, relativisme en nihilisme. Met zijn theorie strijdt hij voor een universeel geconstitueerd idee van democratie.[79] De nadruk ligt op rede en redelijkheid. De mens is een democratisch wezen en debat en argumentatie is de manier om tot de waarheid te komen.[80] ‘Argumentation insures that all concerned in principle take part, freely and equally, in a cooperative search for truth […].’[81]

Het moderne begrip van burgerschap wordt in de literatuur met verschillende termen aangeduid. Ik zal hier de term ‘universeel’ hanteren, omdat deze goed bruikbaar blijkt in dit onderzoek. ‘Universeel’ wordt vaak gebruikt in besprekingen van het moderne burgerschap[82] en het is een mooie articulatie van de verschillende ideeën die een rol spelen in dit burgerschapsvertoog. De idee van een absolute waarheid is een universeel beeld. Ook het vertrouwen in de ratio wordt uitgedrukt door deze term, omdat de rede volgens moderne ideeën de mens tot universeel wezen maakt. Het denken in universele begrippen, wordt mogelijk gemaakt door de rationele eigenschappen van de mens. Rationeel heeft hierdoor een extra betekenis gekregen als universeel geldig. Hierboven schreef ik al - ontleend aan Flyvbjerg - dat Habermas strijdt voor een universeel geconstitueerd idee van democratie.[83] Het moderne wereldbeeld en de moderne visie op burgerschap, herbergen een universaliteitclaim. Er wordt uitgegaan van een wereld, een werkelijkheid, en een waarheid die objectief kan worden gezien door een rationeel wezen: de mens.

 

Dit universeel burgerschapsvertoog vindt zijn weerslag in het denken over televisie. Veelvuldig wordt er in literatuur, overheidsstukken en mijn gesprekken verwezen naar de vormende werking van televisie op het gebied van burgerschap. Onafhankelijke media zijn vanuit dit standpunt van cruciaal belang: in het moderne ideaalbeeld functioneren zij als bron van objectieve informatie en als forum voor rationeel publiek debat. Deze rol wordt vooral toegedicht aan nieuws en actualiteiten, documentaires en serieuze discussieprogramma’s.[84]

Eefje: ‘Nou, gewoon informatie van eh. En ook van verschillende kanten of van verschillende standpunten… Gewoon horen hoe mensen over dingen denken, over dingen die er gebeuren en dan eh… Nou ja, een beetje kijken wat ik er nou van vind.’[85]

Boer: ‘Nou ik denk vooral wat je in het nieuws ziet, NOS Journaal, Nova, Den Haag Vandaag, en de manier waarop daar de politiek behandeld wordt, ik denk dat dat best wel invloed heeft op mijn, ja, de manier waarop ik naar politiek kijk…’[86]

Gripsrud wijst op de rol van het universeel burgerschapsvertoog binnen het denken over televisie door de veel gebruikte term broadcasting te analyseren:

Broadcasting’ originally meant sowing (spreading seeds) broadly, by hand. It is in other words not only an agricultural metaphor, it is also one of optimistic modernism. It is about planned growth in the widest possible circles, the production, if the conditions are right, of a rich harvest.[87]

Hij verwijst hiermee naar het stichtende karakter van broadcasting. Televisie kan de (universeel) burger vormen, door te voorzien in objectieve informatie en het verzorgen van een zo breed mogelijk programma – in inhoud en receptie - om een beeld te geven van de wereld en de daarin circulerende opinies. In de moderne optiek die Gripsrud beschrijft, biedt broadcasting zo de mogelijkheid tot bewuste, geïnformeerde en autonome participatie in het politieke, sociale en culturele leven; de televisiekijker wordt aangesproken als burger.[88]

Devil: ‘Ja… En nieuwsgierigheid, zo van: “Hé, wat zou d’r gebeurd zijn?” En ook wel dingen willen weten. […] Ik heb zoiets, ik wil wel weten wat er allemaal gebeurt in de wereld. […] Maar dat vind ik dan wel belangrijk van het nieuws, dat je weet wat er in de wereld gebeurt.’[89]

Boer: ‘Ik denk wel dat m’n mening… Dat ik televisie gebruikt heb om m’n mening te vormen over zaken. [Esther: ‘Kun je daar wat meer over vertellen?’] Eh, nou, vooral wat betreft ’t nieuws, zeg maar. Alles wat ‘r gebeurt in verre landen, daarvan is televisie toch wel m’n eerste bron, zeg maar.’[90]

Het eerder genoemde rapport Focus op functies is gebaseerd op deze democratiserende werking van televisie.

Het medialandschap wordt […] bezien als systeem met […] functies die van belang zijn voor de bijdrage die dat landschap levert aan het functioneren van de samenleving, de economie en de democratie.[91]

Meerdere keren wordt in dit rapport verwezen naar samenleving en democratie. Zoals Gripsrud de term broadcasting uitlegt, zo kun je ook spreken over het Nederlands mediabeleid. De WRR neemt de publieke belangen als ‘het meest algemene uitgangspunt van het beleidskader.’[92] ‘Het medialandschap is een belangrijke voorwaarde voor (en onderdeel van) een levende “publieke sfeer” waarin burgers, maatschappelijke organisaties en ondernemingen in beginsel in alle vrijheid hun zeer gevarieerde aanbod presenteren.’[93]

Devil: ‘Ja, ik denk […] wel [dat televisie een rol speelt bij het vormen van een mening]. Omdat je door televisie… […] word je heel erg op de hoogte gehouden van wat er allemaal gebeurt en zich afspeelt in de wereld…… […] En ik denk dat je daar een mening van krijgt…… [Esther: ‘Van wat voor programma’s?’] Wat voor programma’s…… Ja, ik denk Het Journaal. Denk ik… Ja…’[94]

Moppie: ‘[Esther: ‘Als je d’r vanuit gaat dat mensen hun mening, meningsvorming door de televisie beïnvloed wordt, wat voor soort programma’s denk je dat jouw mening beïnvloedt?’] Ik denk toch door die nieuwsprogramma’s. Ik denk niet dat je met een… Hoe heet dat spelletje met die letters? [Esther: ‘Lingo?’] Lingo of zoiets, dat je daar een andere mening door krijgt. Dat, dat geloof ik niet.’[95]

 

De WRR stelt voor om de in het rapport onderscheiden functies te koppelen aan een aantal waarden, die het maatschappelijk belang van het medialandschap tot uitdrukking brengen. Deze waarden zijn bij uitstek modern van aard. Als eerste stap worden in het rapport twee overkoepelende waarden geïntroduceerd, namelijk vrijheid en gelijkheid.[96][97] Wanneer deze metawaarden in de context van het medialandschap worden uitgewerkt resulteert dit in de waarden toegankelijkheid, onafhankelijkheid en pluriformiteit.[98] Deze waarden zijn een concrete uitwerking van het moderne beeld van de media. Zonder de premisse van een absolute waarheid, is een begrip als onafhankelijkheid leeg. Toegankelijkheid en pluriformiteit zijn te verbinden aan Habermas’ visie van de publieke sfeer en de uitwerking van het concept broadcasting door Gripsrud. Ze verwijzen naar het universeel burgerschapsvertoog.

De drie bovengenoemde historische waarden wil de WRR aanvullen met drie nieuwe waarden die hij van belang acht binnen het huidige en toekomstige medialandschap. Het gaat dan om kwaliteit, sociale samenhang en bescherming van de persoonlijke levenssfeer.[99] Ook deze waarden vallen perfect binnen het moderne vertoog. Het ijkpunt kwaliteit, zoals dat hier wordt gebruikt, veronderstelt een objectieve standaard, een absolute werkelijkheid aan de hand waarvan kwaliteit toetsbaar is. Sociale samenhang als waarde van belang, wijst op een belangrijke functie van televisie voor de samenleving. Dit wordt in het WRR-rapport zeer beperkt en modernistisch uitgewerkt in termen van het universeel burgerschap. Deze waarde biedt echter, buiten het moderne vertoog, ook veel potentie voor andere vormen van burgerschap. De laatste waarde is in mijn ogen een juridisch punt en in mijn verhaal weinig relevant. Het gaat om de bescherming van burgers tegen de media. Ik wil hier alleen wijzen op het verband met de moderne invulling van de publieke- en de privé-sfeer.

De WRR ziet de aangedragen waarden als ‘fundamentele waarden die aan het mediabeleid ten grondslag liggen’[100] Deze uitwerking maakt duidelijk dat het moderne vertoog zeer prominent aanwezig is in de vormgeving van het Nederlandse mediabeleid. De kijker wordt hier gezien als actieve burger binnen het universeel burgerschapvertoog.

 

Devil: ‘[Over geraakt worden door het nieuws] Ja, omdat ik meer heb, zoiets van dat we meer moeten gaan helpen daar of zo eh… Ik doe d’r zelf ook heel weinig aan hoor. Ik steun wel een paar goede doelen en zo, omdat ik dat gewoon belangrijk vind. Maar ik heb af en toe ’t gevoel, als ik daar naar kijk, dat wij zoveel meer kunnen doen voor die mensen en… Ik bedoel we volgen wel alles en we kijken wel alles en we vinden het allemaal bij elkaar allemaal heel zielig, maar in principe doen we d’r weinig voor. Heb ik af en toe ’t gevoel……’[101]

 

Behalve het brengen van informatie, heeft televisie ook een functie ter ontspanning. Dit is zelfs meestal het eerste dat mijn gesprekspartners noemen, wanneer ik ze vraag met welk doel ze de televisie aanzetten. Ik besprak al dat deze twee functies duidelijk gescheiden zijn binnen het moderne vertoog. Aan deze indeling is ook een duidelijk waarderingsdenken gekoppeld. Zo veel als er binnen dit vertoog is gezegd en geschreven over het belang en de invulling van de informatievoorzieningfunctie van televisie, zo weinig woorden lijken er te zijn voor de waarde van amusement. Over het algemeen worden er aan vermaak - binnen het moderne vertoog - enkel woorden ‘vuilgemaakt’ in de vorm van kritiek. In de volgende paragraaf zal ik verder ingaan op het moderne waarderingssysteem en verwachtingspatroon.

 

Goofy: ‘Ik denk echt inderdaad, bij die series dan kijk ik gewoon van: “Nou, leuk, eens kijken wat er gebeurt,” en zo. Maar dan ben ik niet vatbaar voor, ja, dingen die bijvoorbeeld m’n mening zouden kunnen veranderen of zo. Ik heb zoiets van: “Ja, dat gebeurt daar en ik zit hier en gewoon leuk kijken.” En bij dingen als Netwerk, ja, ook al zijn ze niet helemaal objectief… Je gaat daar toch naar kijken van… Dat je dan net voor de reclame zoiets ziet van: “Nou, dat is interessant.” Ik denk dat je je dan meer openstelt van ja, wat is er gebeurd of laat hun kant van ’t verhaal laten zien. Ik denk dat je dan heel anders naar zo’n programma kijkt dan echt naar zo’n Goede Tijden; Slechte Tijden of zo… Want je weet dat dat allemaal bedacht is.’[102]

Eefje: ‘[Esther: ‘Heb je wel ’s dat je later nog nadenkt over wat je hebt gezien?’] Nee, niet bij die series. Dat is gewoon puur even vermaak. Dat is wel bij de actualiteitenprogramma’s natuurlijk en…… Kan ik er wel bij stilstaan… Een mening te vormen wat ik ergens van vind of… Kan me wel bezighouden... Maar bij series, of zo, of…… Nee.’[103]

 

 

Waardering, kritiek, eisen en verwachtingen

 

‘De maatschappelijke betekenis van het medialandschap voor de samenleving is groot, maar niet alles wat zich in dat landschap afspeelt, draagt daar in gelijke mate aan bij.’[104]

Moderne waardering en kritiek

 

Televisieamusement kan worden ondergebracht in het domein van de populaire cultuur. Deze term herbergt meerdere betekenissen en connotaties. Binnen het moderne vertoog wordt voornamelijk aandacht besteed aan de grote aantallen ontvangers en geïnteresseerden, de nadruk op vermaak in plaats van vorming (Bildung), en de grote rol die commerciële belangen spelen in het veld van de populaire cultuur.[105] Deze verschillende invullingen van populaire cultuur zal ik hier bespreken aan de hand van moderne kritiek op televisie en de invloed van dit medium op de samenleving. Lastig aan het gebruik van de term populaire cultuur is dat het een relationeel object aangeeft, waardoor de betekenis in de loop der tijd kan verschuiven. Het wordt vaak gedefinieerd in relatie tot de cultuur van de elite en hierdoor zit er een hiërarchie in besloten.[106] Er is binnen het moderne denken een duidelijke scheiding tussen hoge en lage cultuur en populaire cultuur wordt onder lage cultuur geplaatst.

 

Devil: ‘Ja, af en toe in de slaapkamer een beetje soapjes kijken en… Daar kun je heerlijk bij ontspannen.’[107]

Moppie: ‘Ja, eh, dat is entertainment en je kijkt d’r naar en het gaat d’r hier in en aan de achterkant weer d’r uit, zeg ik altijd maar. Nee, als ik al ‘ns een keer zoiets zie, dan gaat het mij ook het ene oor in en het andere uit. Ik zal d’r niet wakker van liggen; ik zal ’t niet onthouden en eh… Nee.’[108]

 

De wijze waarop er over de categorie vermaak wordt gesproken geeft regelmatig blijk van wantrouwen; amusement wordt binnen dit vertoog minder positief gewaardeerd dan informatievoorziening. Sterker nog, vaak is er sprake van angst voor het effect dat het vele amusement heeft op het televisiepubliek.[109] Deze denktrant is, via de grote groepen ontvangers van populaire cultuur, te verbinden aan de moderne idee van de massa.[110] Door modernisering zijn allerlei zaken breder toegankelijk geworden. Samenlevingen werden beter georganiseerd. Door werktijdwetten kregen mensen meer vrije tijd, en door verdere modernisering van de samenleving konden meer mensen hun vrije tijd op een luxe manier besteden. Ideeën over democratie zijn doorgevoerd en het algemeen stemrecht ingevoerd.[111] Het begrip van burgerschap, zoals hierboven beschreven is echter selectief, en dat de massa rechten en mogelijkheden kreeg werd en wordt vaak met angst en beven bezien.

[…] [T]he masses are to-day exercising functions in social life which coincide with those which hitherto seemed reserved to minorities; and secondly, these masses have at the same time shown themselves indocile to the minorities – they do not obey them, follow them; on the contrary, they push them aside and supplant them.[112]

Bovenstaand citaat komt uit het essay The revolt of the masses geschreven door José Ortega y Gasset, dat voor het eerst werd uitgebracht in 1930. Het beeld dat hij schetst van de massa heeft veel gelijkenis met het beeld dat in het moderne vertoog bestaat van het door amusement gegrepen televisiepubliek. Ortega y Gasset beschrijft de massamens als een verwend kind dat zich slechts bezighoudt met het eigen welbevinden, terwijl het geen oog heeft voor het ontstaan van dat welbevinden. Aan zijn denken kun je een onderscheid ontlenen tussen enerzijds de actieve burger zoals hierboven beschreven en anderzijds de massa. De actieve burger - of zoals Ortega y Gasset het verwoordt ‘the excellent man[113] - eist veel van zichzelf. Hij beschouwt de wereld – de werkelijkheid zoals die is - en voelt daarbij de plicht om iets goeds te doen in die wereld. De gewone massamens is passief en gemakzuchtig.[114] Het werk van Ortega y Gasset is een voorbeeld van het moderne discours van angst voor popularisering, een angst voor de democratisering van smaak.[115]

 

David: ‘Ja, je staat ‘r nooit zo bij stil. Het gaat heel erg automatisch, dat eh… [televisiekijken]’[116]

Goofy: ‘Echt ‘t gevoel dat als ’t programma is afgelopen dat ik wakker word.’[117]

Devil: ‘Goede Tijden; Slechte Tijden. […] Ja, vind ik erg leuk. Gaat nergens over maar, ja…… [Esther: ‘Wat vind je er leuk aan?’] Nou, volgens mij is het meer een verslaving.’[118]

 

Dat dit beeld van de massa nog steeds bestaat en verbonden is met het denken over

amusementstelevisie en haar publiek toont mijn gespreksmateriaal. Op de vraag of

entertainmentprogramma’s ook invloed zouden kunnen hebben op de publieke opinie,