Jan Van Boendaele, Brabantse Yeesten, XXIV. Een diplomatische editie van Brussel, k.b. hs. 19607, fol. 236 va, 33 – fol. 247 ra, 15 met een onderzoek naar de incorporatie van het oorkondenmateriaal. (Katell De Groote)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Hoofdstuk 3: De incorporatie van het oorkondenmateriaal

 

1. Inleiding

 

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het oorkondenmateriaal.  Het probleem is dat om in te gaan op oorkondenmateriaal, er ook oorkondenmateriaal voorhanden moet zijn.  In dit deel van de Voortzetting zijn er, zoals in de rest van de Voortzetting, verwijzingen naar oorkonden genoeg, de erbij behorende historische stukken zijn nagenoeg helemaal verdwenen.  Een klassiek oorkondenonderzoek is hier dus niet mogelijk. 

We weten uit hoofdstuk twee reeds hoe belangrijk diplomatiek materiaal en de leveranciers van dit diplomatiek materiaal zijn, maar er moet toch nog iets gezegd worden over oorkonden zelf.

Van Caeneghem leert ons wat oorkonden nu juist zijn. Oorkonden of charters worden opgesteld als bewijs van de verkrijging of bevestiging van een recht of om het leveren van bewijs mogelijk te maken.  De oorkonden worden officieel gemaakt door de opsteller of oorkonder door ze van zijn zegel te voorzien.  Zulke oorkonden zijn de zogenaamde carta.  Oorkonden zonder rechtsbewijs bevatten meestal een lijst van getuigen die een rechtsovereenkomst hebben meegemaakt of iets dergelijks waar bewijskracht uit geput kan worden.  Zulke oorkonden zijn notitia.  Verder worden er nog diplomata onderscheiden.  Dit zijn oorkonden in hun meest plechtige vorm; ze werden opgesteld in naam van pausen, keizers, koningen en vorsten van rang.  Deze oorkonden waren in de karolingische tijd bekend onder de naam praeceptum of placitum.  Oorkonden werden vanaf de twaalfde eeuw meestal opgesteld door kanselarijen.

Oorkonden geven ons objectieve informatie, we krijgen exacte data, exacte cijfers, exacte informatie, maar we kunnen ons de vraag stellen of we die informatie wel mogen vertrouwen.  Oorkonden bevatten naast feitelijke informatie namelijk ook een verhalend element.  Daar komt bij dat er in de Middeleeuwen meer dan eens valse oorkonden zijn opgesteld, meestal niet met kwaad opzet, maar om de echte die verloren gegaan was of te zeer beschadigd, te vervangen.  Ook werden gulle schenkers weleens mooier en rijker voorgesteld in oorkonden dan ze feitelijk waren.  Voorzichtigheid bij het onderzoek naar oorkonden is dus geboden.[134]

 

Nu we weten waarvoor oorkonden staan, kunnen we ernaar op zoek.  Stein maakte een lijst van oorkonden die hun oorsprong in de Historia van De Thimo vinden.[135]  Die lijst echter is niet volledig en kan worden aangevuld.  Dat is wat dit hoofdstuk poogt te doen.  De eerste poging om de lijst van Stein te vervolledigen, is naar het werk van Verkooren kijken.  Verkooren maakte samenvattingen van wat er in oorkonden allemaal te vinden was.[136]  De oorkonden die betrekking hadden op mijn stuk; zou ik dan gaan opzoeken in het Algemeen Rijksarchief te Brussel.  Het Rijksarchief boodt evenwel niet veel hulp.  De weinige oorkonden die er te vinden waren, waren ofwel in het Latijn opgesteld en / of vrij tot zeer onleesbaar.  Bij het opstellen van deze oorkonden werd klaarblijkelijk niet veel rekening gehouden met het ‘uiterlijk’; het zou dus goed kunnen zijn dat de stukken die ik onder ogen heb gehad tot de categorie van de notitia gerekend moeten worden.  De letter was dan vaak een snelle – lees onontcijferbare – cursief.  Ik had graag kopieën ingesloten om dit te bewijzen, maar dit werd mij in het Rijksarchief helaas niet toegestaan.  Wegens tijdsgebrek kon ik geen andere archieven bezoeken, wat ervoor zorgt dat de volgende analyse – een inhoudelijke vergelijking van het oorkondemateriaal met het door mij geëditeerde deel van de Voortzetting – dus bijna volledig op Verkooren is gebaseerd.  Heel veel van wat in Verkooren staat, zijn trouwens hoofdstukken[137] van de Chronica van De Dynter dat, zoals we weten uit het tweede hoofdstuk, gebaseerd is op de Voortzetting.  Als nu de Voortzetting gebaseerd is op diplomatiek materiaal en de Chronica is gebaseerd op de Voortzetting, moet de Chronica, – rechtstreeks of onrechtsreeks – ook op dat diplomatiek materiaal gebaseerd zijn.  De stukken van De Dynter waar Verkooren naar verwijst, zijn echter allemaal bijna letterlijke vertalingen van de overeenkomstige stukken die in de Voortzetting voorkomen. Voor een vergelijkend onderzoek heeft de Chronica dus weinig relevantie, maar voor de volledigheid wordt het werk van De Dynter echter wel altijd vermeld.

Rest mij nu nog te zeggen dat er een grote autoriteit aan Verkooren wordt toegewezen; er moet vanuit gegaan worden dat wat Verkooren altijd aanhaalt als ‘substance’ van het door hem bestudeerde ambtelijk materiaal, juist is.

 

 

2.  Lijst van oorkonden

 

De volgende lijst is gebaseerd op Stein en Verkooren.  De oorkonden die Stein aangeeft, zijn gemarkeerd met een asterisk.  De stukken uit de Chronica worden gemarkeerd met een superscripte o (een ‘gradenbolletje’).  In de eerste kolom staat het nummer dat ik zelf aan de oorkonden gegeven heb, in de tweede kolom de datum, in de derde een titel die aangeeft waarover de oorkonde gaat en in de laatste kolom de versregels waar de oorkonde in is verwerkt.[138]

 

Nr

Datum

Inhoud

Regels

1

02.09.1420°

03.09.1420*

Jan Clutinc wordt amman en sluit zich aan bij het broederschap.

1-117

2

11.09.1420

Jan IV benoemt zijn raadslieden.

119-148

3

29.09-08.11.1420°

De aankomst van Filips van Sint-Pol in Brussel en de vlucht van Jan IV naar Leuven.

151-355

4

29.09-20.11.1420°

De belegering van Hoesdein. 

356-559

5

[28.11.1420]

 

[29.11.1420]

 

[eind november]

[De aanstelling van Filips van Sint-Pol tot ruwaard.]

[De aanvaarding van Filips van de taak]

 

[Reden waarom voor Sint-Pol gekozen is als ruwaard]

[573-577]

 

[...]

 

[592-601]

6

24.11.1420-

20.01.1421°

Verschillende dagvaarten die gehouden werden om de hertog terug naar Brussel te krijgen.

560-687

7

21.01.1421°

Jan IV bereidt zijn terugkomst naar Brussel voor.

700-834

8

22.01-27.01. 1421°

Filips van Sint-Pol gaat naar Leuven

835-959

9

27.01.1421°

De opstand in Brussel en wat Jan IV doet om het volk te sussen

960-1028

10

29.01.1421°

De gevangenneming van de ‘vremde gasten’

1029-1070

11

29.01-30.01.1421°

De gevangenneming van nog andere sympathisanten van Jan IV.

1071-1146

 

12

31.01-09.02.1421°

09.02.1421*

Veroordeling van de edelen / sympathisanten van hertog Jan en de benoeming van nieuwe schepenen.

Staten regelen veroordeling edelen

1147-1331

13

09.02.1421*

Philips van Sint-Pol creëert nieuw politiek statuut in Brussel.

1332-1387

14

11.02.1421°

Hoe Brussel voortaan geregeerd zal worden

1332-1387

15

16.02-

26.03.1420°

Tochten van Jan IV, vertrek van Jacoba naar Engeland en bezoek van Filips de Goede in Brussel

1388-1429

16

16.03-

18.04.1421°

Arrestatie Geert vander Straten.  Executie van enkele edelen.

1430-1509

17

20.04.1420*

Filips van Sint-Pol verdedigt de gang van zaken in een brief aan Sisismund en andere Duitse vorsten.

1510-1917

18

04.05.1421* 

04.05.1421

Jan IV erkent het ruwaardschap van Filips van Sint-Pol

1918-2023

 

 

3.  Analyse van het oorkondenmateriaal

 

Hier probeer ik te onderzoeken hoe de oorkonden en mijn stuk uit de Voortzetting bij elkaar passen.  Het probleem hierboven uitgelegd (geen of nauwelijks toegangbare oorkonden) dwingt mij ertoe om een iets andere aanpak te volgen dan de aanpak die in eerdere verhandelingen is gepraktiseerd.  Waar ik wil proberen achter te komen, is waar ooit een oorkonde of een ander stuk diplomatiek materiaal voorhanden geweest moet zijn en hoe dat materiaal in de Voortzetting werd ingepast (heeft de Voortzetter de oorkonde of een origineel gezien of niet?)  Ik baseer mij hiervoor, zoals aangekondigd vooral op Verkooren, maar ik probeer ook zoveel mogelijk tekstinterne informatie toe te voegen. Voor zover het materiaal het toelaat wil ik ook bezien of er een zinvolle hypothese opgesteld kan worden over een eventuele manipulatie van het ambtelijk materiaal (schriftelijk dan wel mondeling aan de Voortzetter bezorgd): is er een parti pris van de kant van de Voorzetter (en/of zijn informanten) zichtbaar in de tekst?

De stukken tekst die in bovenstaande lijst voorkomen behandel ik stuk per stuk.  De titel ik die eraan geef, is de titel zoals die in de Voortzetting voorkomt.  Als er stukken tekst uit de Voortzetting geciteerd worden, worden de opgeloste afkortingen niet gecursiveerd.[139]  De analyse wordt steeds voorafgegaan door een korte inhoudelijke samenvatting.

 

1.  Hoe Jan Cluytinck Everaerts sone Amman te Bruesele wert ende waer toe hij hem verbant

 

Dit stuk gaat over de aanstelling van Jan Clutinc als amman door Jan IV.  Waarschijnlijk vond de hertog dat Jan Taye van Elewijt te veel sympathie had voor de Staten en zette hij hem om die reden af.  Clutinc moest echter ook enkele beloften doen tegenover Jan IV.  Zo moest hij kiezen voor de edelen in de broederschap (d.i. het geheim genootschap dat Jan IV had opgesteld tegen de Staten van Brabant, die volgens hem teveel macht wilden.  De Staten van Brabant beschuldigden Jan IV echter van hetzelfde) en sommige edelen afzweren. 

Stein verwijst hier naar als afkomstig van een oorkonde en afkomstig van de Historia van De Thimo.[140]  Een blik in Verkooren levert echter enkel een verwijzing naar De Dynters Chronica op.[141]  Het is uiteraard goed mogelijk dat Verkooren de Historia niet heeft geraadpleegd, hij verwijst immers nooit naar de Historia.  Het is ook goed mogelijk dat Verkooren hier gewoon geen diplomatiek materiaal voor gevonden heeft.  De Chronica geeft een bijna letterlijke vertaling van de Voortzetting in het Latijn; zelfs de titel van het kapittel is dezelfde (Qualiter Johannes Clutinck, filius Everardi, fuit factus ammanus Bruxellensis, et ad que se oblavit).[142]  Er moet echter wel een oorkonde of tenminste een brief geweest zijn over de aanstelling van Jan Clutinc als amman, want de Voortzetter verwijst er zelf naar: op v. 10 verwijst hij naar een open beseghelde brieve.  Of hij deze onder ogen heeft gehad, is mij een raadsel.  Hij neemt ze in ieder geval niet letterlijk over, want hij geeft de substantie (v. 11).  Hij besluit deze samenvatting als volgt:

 

Dits die s(u)stantie des briefs ende sen

Met meer woirden beghrepen daer in                                                                            (v. 117-118)

 

Het is dus goed mogelijk dat De Dynter voor een samenvatting van het diplomatiek materiaal heeft gezorgd en dat de dichter deze samenvatting in rijm omzette.  Juist omdat de dichter hier over ‘sustantie’ spreekt, ga ik ervan uit dat het De Dynter of De Thimo was die de samenvatting maakte.  We weten immers al dat de rol van de dichter niet echt creatief was en dat hij enkel de dingen die hij aangereikt kreeg in rijm omzette.  Er blijft uiteraard ook de mogelijkheid dat de dichter op aanwijzen van De Dynter en De Thimo de brief heeft samengevat.

 

2.  Vanden Andren Raetslieden die de Hertoghe Jan van Brabant maecte ende onthielt 

 

De titel zegt reeds waarover dit gaat; het is een opsomming van de nieuwe raadsleden door Jan benoemd.  Verkooren verwijst hier naar een oorkonde die ik onder ogen heb gekregen en naar de Chronica van De Dynter.[143]  De oorkonde is opgesteld in het Middelnederlands en lijkt heel sterk op de tekst die de Voortzetter geeft.  Zoals de Voortzetting ons een lijst van namen voorschotelt, zo krijgen we in de oorkonde ook een lijst van de nieuwe raadsleden (niet enkel de naam, maar ook met specificaties als Heer van...).  De stoplappen en minieme verschillen in de grammaticale constructies zijn op het eerste zicht zowat het enige merkbare verschil.  Wanneer we echter verder kijken, weidt de oorkonde nog uit over de functies van deze nieuwe raadslieden en hoe ze deze functies moeten invullen, maar liefst anderhalf folium van de oorkonde komt niet in de Voortzetting voor.  Wie deze informatie overbodig vond, is echter niet af te leiden.  Ik veronderstel dat de Voortzetter de oorkonde of minstens een kopie ervan onder ogen heeft gehad wegens de bijna letterlijke overeenkomst en dat één van de informanten heeft gezegd dat een opsomming van de namen van de nieuwe raadsleden zou volstaan.  De verwijzing die de Voortzetter maakt is deze:

 

Ghelijc alst blijct biden      

Brieven van haerer commissien die ghegeven             

Waren te Bruesele ende ghescreven                                                                             (v. 146-148)

 

Ik vermoed dat de informatie over de invullingen van de functies is weggelaten omdat ofwel, De Thimo of De Dynter het niet belangrijk genoeg vonden of omdat ze het niet nodig vonden.  Aangezien de Voortzetting in opdracht van de stadsmagistraat vervaardigd werd, zal dit wel gelezen (of aanhoord) zijn door mensen die iets van het besturen van een stad afwisten.  Waarschijnlijk vonden de informanten (of één ervan) de informatie over de bestuursfuncties overbodig omdat het publiek toch al wist welke die functies waren en hoe die functies ingevuld moesten worden.

3.  Hoe de Baenroetsen metter Stad van Luevene den Greve van Simpoel uyt Vranckerijcke daden halen en Hoe hertoge Jan van Bruesele schiet ende waer hij toech tot dat hij te Tricht quam[144]

 

De enige die hierover informatie geeft, is Verkooren en dan gaat het nog over een stuk uit de Chronica.[145]  Het bevat een samenvatting van de gebeurtenissen tussen 29 september en 8 november 1420.  Op vraag van de Staten van Brabant, kwam Filips van Sint-Pol, samen met de ambassadeurs van de Franse koning en de Bourgondische hertog naar Brussel zodat Filips van Sint-Pol er het ruwaardschap kon opnemen.  De Staten waren namelijk misnoegd over de manier waarop Jan IV regeerde.  Na eerst zijn broer ontmoet te hebben, vluchtte Jan IV met zijn sympathisanten uit Brussel alhoewel er de volgende dag een dagvaart naar Vilvoorde gehouden werd bij wijze van verzoening.  Hertog Jan kwam in Herlaar, Nieuwland, ’s Hertogenbosch, Bokhoven, Hees, Deurne en Maastricht.  Verkooren vermeldt hier ook, op basis van de Chronica, Ravenstein, maar in de Voortzetting komt dit niet voor. 

Rest mij enkel nog naar de tekst zelf te kijken zoals ze in de Voortzetting voorkomt.  Er wordt in dit stuk tekst ook verwezen naar twee brieven, één van de stad aan hertogin Jacoba en haar moeder en één brief die hun antwoord zou bevatten:

 

            Die baenroetse ende edelen van Brabant

Die hem pijnden te weckene sijts ghewes

Die stede aen hem alst voirseit es

Des ghelijc screven sij met minnen

Aen miere vrouwen der hertoginnen

Ende haer moeder seggic u bloet

Die doen lagen tot Keynoot

Ende die screven hem weder alsoe dat

Die edele ende van Lovene die stat                                                                                             

Hem troesten ende verlieten in allen zinnen

Op mier vrouwen der hertoginnen                                                                                          (v.160-170)

 

Of die brieven bewaard zijn gebleven en zo ja, waar ze zich dan bevinden, is mij onbekend.  Aangezien de Voortzetter er eigenlijk niet veel over schrijft, betwijfel ik ook of hij ze onder ogen heeft gehad.  Wat wel opvallend is, is dat dit stukje niet in De Dynters Chronica voorkomt.  Ofwel heeft ook De Dynter deze brieven niet gezien, ofwel vond hij het, tegen de tijd dat hij zijn Chronica schreef, niet relevant meer.  Waar de Voortzetter deze informatie vandaan heeft, is mij dus een raadsel.  Ik vermoed dat het hier om een ‘à-propos’-tje gaat en dat iemand dit het oor van de Voortzetter heeft ingefluisterd.    

In vers 155 staat er hoerdic sagen en in vers 267 zien we soe wij hoerden.  Dit kan een aanwijzing zijn dat er een mondelinge informatieoverdracht heeft plaatsgevonden.  Toch lijken mij dit eerder een stoplappen, want in vers 290 kunnen we de uiting seeght die gloese zien.  Dit kan op twee dingen slaan; enerzijds kan er diplomatiek materiaal zijn waar de Voortzetter naar verwijst en waar een glosse bijstaat, maar die Verkooren noch Stein heeft teruggevonden.  Anderszijds kan dit slaan op De Mutatione waar De Dynter of zelfs De Thimo een voetnoot heeft geschreven bij het desbetreffende stuk.[146]  De context maakt ons niet veel wijzer.  Het gaat hier over de personen die Jan IV hielpen vluchten uit Brussel.  Misschien had De Dynter niet vermeld wie deze personen waren en vond hij het ofwel zelf nog interessant om het te vermelden ofwel had hij op aanwijzen van De Thimo nog snel de namen erbij geschreven, als het al niet De Thimo zelf was die de gloese schreef.  Of hoerdic sagen nu effectief wijst op een mondelinge informatieoverdacht, dan wel als stoplap is te beschouwen, is moeilijk te zeggen.  Het kan uiteraard dat er én een mondelinge én een schriftelijke overdracht is geweest.  Over de schriftelijke overdracht kunnen we, naar mijn mening, vrij zeker zijn.  De mondelinge overdracht durf ik betwijfelen.


 

4.  Hoe die greve van Simpoul Rewaert van Brabant wert ghemaect ende van Hoesdeyn ende Sinte Gheertruden Berghe

 

Ook hier staat in Verkooren enkel een verwijzing naar De Dynter.[147]  Hier worden de gebeurtenissen van 29 september tot en met 20 november samengevat.  Het begint met een dagvaart die gehouden werd naar Vilvoorde en de beslissing om de verloren gebieden van Hoesdein (Heusden) en Sint-Geertruiden-Bergen terug te winnen op Jan van Beieren.  Deze gebieden lagen in Holland, dat Jan IV samen met Zeeland en Friesland in pand had gegeven aan Jan van Beieren zonder dat de rechtmatige eigenares, Jacoba van Beieren, Jan IV van Brabants vrouw daar iets van afwist.  Samen met de Staten en Filips van Sint-Pol, slaagden ze erin deze gebieden te herovereren, maar niet zonder belegering.  Arend van Zevenbergen slaagde erin het kasteel van Hoesdein terug te winnen en het bezet te houden; daarvoor werd hij dan ook rijkelijk beloond.  Ondertussen werd Filips van Sint-Pol trouwens officieel beëdigd als ruwaard van Brussel in de afwezigheid van zijn broer.  Het enige document dat we hierover hebben, is zoals vermeld, het stukje samenvatting van de tekst van De Dynter.  We moeten dus weer tekstinterne informatie zoeken.  Die tekstinterne informatie is er echter vrijwel niet. Er staat nergens een aanwijzing over een bepaalde oorkonde, brief of zelfs glosse.  Dit is vrij vreemd, want normaalgezien werden dagvaarten wel vastgelegd in diplomatieke teksten.  Ofwel is het diplomatieke materiaal van dit stuk verdwenen, ofwel was er gewoon geen.  Ook staat er nergens een aanwijzing als zou de dichter de informatie mondeling gekregen hebben.  Nu weten we uit het vorige hoofdstuk wel dat Emond De Dynter persoonlijk aanwezig was bij deze moeilijke erfkwestie en goed op de hoogte was van de problemen daaromtrent.  Ik acht het met andere woorden zeer waarschijnlijk dat De Dynter de informatie mondeling heeft doorgegeven.  Misschien is dat ook de reden dat er in zijn Chronica zoveel aandacht aan geschonken wordt.  Verkooren geeft weliswaar enkel een ‘substance’, maar deze samenvatting is toch wel vrij lang in vergelijking met de andere. 

Omdat er van dagvaarten normaliter schriftelijke verslagen vervaardigd werden, moet er wel diplomatiek materiaal geweest zijn.  Het is niet gezegd echter dat de Voortzetter dit materiaal ook gezien en gebruikt heeft.  Alleszins is het materiaal dat er normaal had moeten zijn, waarschijnlijk verloren is gegaan (of Verkooren heeft het gewoon niet teruggevonden), dus vergelijken kunnen we niet.  Ik besluit voor dit stukje dat de Voortzetter waarschijnlijk zijn informatie mondeling heeft gekregen – mede door het ontbreken van verwijzingen naar een schriftelijke bron.  Daar komt bij dat, als we de tekst in de Voortzetting nog eens onder ogen nemen, ik toch moet constateren dat het verhaal over de belegering van Hoesdein verdacht veel weg heeft van een ooggetuigenverslag – eventueel dat van De Dynter.

 

[5.  De aanstelling van Filips van Sint-Pol tot ruwaard]

 

Dit vinden we niet letterlijk in de tekst van de Voortzetter terug, maar ik vind dat dit zeker niet mag ontbreken.  Verkooren verwijst ons drie keer naar de aanstelling van Filips van Sint-Pol tot ruwaard van Brabant.[148]  Op 28 november werd een oorkonde gemaakt waarin de redenen van Filips’ aanstelling tot ruwaard uit de doeken gedaan werden. Die redenen kunnen kortweg samengevat worden met: de Staten vonden dat Jan IV te veel beslissingen op eigen houtje nam.  Ook stond erin dat de graaf zolang in Jans naam mocht regeren als die weg bleef.  Bij Verkooren wordt er verwezen naar zo een oorkonde.  Die oorkonde heb ik teruggevonden in het Rijksarchief.  Ze is opgesteld in het Middelnederlands en bevat, behalve de formele tekst over de aanstelling van Filips van Sint-Pol als ruwaard, een hele lijst namen van aanwezigen.  Dat dit dan een notitia zou zijn en geen carta zou ik echter niet durven beweren.  Verkooren zegt namelijk expliciet: “Noms des membres qui furent présente à l’assemblée et qui appendirent leurs sceaux à la présente charte.”[149]

Op 29 november werd een oorkonde gemaakt waarin Filips van Sint-Pol zijn taak als ruwaard aanvaardde.  Ook deze Middelnederlandse oorkonde heb ik teruggevonden, maar ze was weer vrij tot zeer onleesbaar.  De namen van de betrokkenen kon ik – met verschrikkelijk veel fantasie – nog herkennen, maar dat was het dan ook.  Maar de oorkonde bestaat tenminste.

Eind november tenslotte werd er nog een oorkonde opgesteld die nogmaals de redenen van de aanstelling van Filips van Sint-Pol duidelijk maken.  Deze was in volkomen onleesbaar Middelnederlands opgesteld; zelfs een naam kon ik niet herkennen.  Ik neem Verkooren dus op zijn woord wat de inhoud betreft.

De Voortzetter vermeldt eigenlijk maar vluchtig dat Filips officieel tot ruwaard is gemaakt,[150] dus één van deze drie oorkonden – laat staan alle drie – echt vergelijken met een stuk tekst uit de Voortzetting, is nogal moeilijk.  Ook verwijst de Voortzetter niet naar oorkonden of brieven met zulke inhoud.  Waarom ik ze dan toch vernoem, is omdat ze – naast het feit dat het zowat de enige oorkonden zijn die ik gevonden heb – toch een belangrijke gebeurtenis bevatten en daarom mogen ze zeker niet over het hoofd gezien worden. De vraag is natuurlijk, waarom de Voortzetter niet uitvoeriger op deze kwestie is ingegaan.  Zijn opdrachtgevers hebben altijd de Staten van Brussel gesteund en daarmee waarschijnlijk ook Filips van Sint-Pol.[151]  Dat ze dan juist diens aanstelling achterwege laten, is eigenlijk heel vreemd.  Misschien vonden ze dit niet interessant genoeg of misschien verdiende de aanstelling van de Filips tot ruwaard geen of weinig aandacht omdat hij maar tot ruwaard is benoemd, en niet tot hertog.  Een vergelijking met andere aanstellingen van bijvoorbeeld Jan IV zou wel eens interessante informatie kunnen opleveren.

 

6.  Vanden dachvaerden ende tractaten tusschen den hertoge Jan ter eenre ende den Rewaert sinen Brueder ter ander sijde

 

Hier geeft Verkooren een samenvatting van de gebeurtenissen tussen 24 november 1420 en 20 januari 1421.[152]  Jan van Brabant was naar Maastricht gevlucht en ondertussen werd Filips tot ruwaard van Brabant beëdigd.  Hij stelde Willem van Montenaken aan als drossaart en Jan van Diedegem werd amman.  Hij wilde zich verzoenen met zijn broer Jan IV en stuurde delegaties eerst naar Maastricht en daarna tweemaal naar Diest, waar Jan IV ondertussen heen getrokken was en tenslotte naar Eindhoven.  Alle pogingen waren vruchteloos. 

Verkooren vermeld weer enkel De Dynter als bron hier.  De Voortzetter vermeld slechts een enkele maal een schriftelijke bron:

 

Met hueren brieven dat es waer

Van gheloeve ghemechticht daer                                                                                   (v. 596-597)

 

Maar verdere informatie daarover is er niet te vinden.  Op v. 650 is er wel te lezen hebbic vernomen, maar dat kan weer louter een stoplap zijn en daarmee weten we nog steeds niet of de dichter dit mondeling dan wel schriftelijk vernomen heeft.  Er wordt wel nogal wat uitgeweid over de dagvaarten, die – zoals we ondertussen al wel weten, sowieso gedocumenteerd werden – dus de dichter zal wel informatie genoeg gehad hebben, maar van wie en op welke manier valt hier niet sluitend uit af te leiden.   

 

7.  Hoe die hertoghe met sinen vrienden te Bruesele inne quam

 

Hier is sprake van een brief gedateerd op 21 januari 1421, die volgens mij, niet teruggevonden is, maar die Verkooren aan de hand van De Dynter heeft kunnen reconstrueren.[153]  Jan IV wilde terug naar Brussel, omdat er maar geen eind kwam aan de vete tussen hem en zijn broer Filips.  Hij was echter niet zeker dat, of hoe, hij ontvangen zou worden.  Een aantal ex-schepenen, zoals de afgezette Jan Clutinc, wilden de terugkeer van de hertog voorbereiden.  Met zijn gevolg (dat bestond uit Duitse troepen gestuurd door Sigismund en Jan van Beieren) keerde Jan terug naar Brussel, waar zijn sympathisanten hem stonden op te wachten, maar de poorten van de stad bleken gesloten.  Uiteindelijk mocht hij binnen en had hij een kort onderhoud met Filips. 

Ik veronderstelde hierboven dat de brief waarover sprake niet werd teruggevonden, anders had Verkooren er zeker wel naar verwezen.  De Voortzetter verwijst naar de brief als volgt:

 

Ende hertoge Jan alsic u las

In siere stat van tsHertogenbossche comen was

Heeft hij doen scriven cort na dat

Aen viere scepenen sijnder stat...                                                                                  (v. 700-703)

 

Hij geeft in enkele verzen de inhoud van de brief mee (Jan wilde weten of hij en zijn vrienden – lees: binnen- en buitenlandse medestanders – de stad Brussel binnen mochten).  Dit is misschien nogal wat kort.  Of de voortzetter deze brief onder ogen heeft gehad, is daarom misschien twijfelachtig.  Of hij heeft orders gekregen om het zo kort te houden.  Er is voor de rest geen verwijzing in het stuk naar de informatie die de Voortzetter kreeg, we hebben enkel de verwijzing naar de brief die hertog Jan schreef.  De Dynter was bij dit alles echter nauw betrokken (hij zorgde grotendeels voor de communicatie) en daarom is het goed mogelijk dat hij deze informatie mondeling doorgegeven heeft aan de Voortzetter.  In vers 726 kunnen we overigens hoerdic verclaren lezen.  We moeten toch uiterst voorzichtig met deze informatie zijn.  Direct concluderen dat de Voortzetter zeker en vast zijn informatie mondeling kreeg, is wat voorbarig.  Op vers 822 tenslotte lezen we nog eens hebbic vernomen en op 828 alsic vernam.  Dat er een bron moet geweest zijn, is duidelijk, en dat de Voortzetter ze gebruikt heeft, ook.  Maar in welke mate, kunnen we moeilijk opmaken.

 

8.  Hoe die greve van Saintpoul rewaert van Brabant tot Lovene trac ende wat de hertoge doen dede ende hoe hij ghetroest waert  

 

Een samenvatting van de gebeurtenissen van 22 tot 27 januari 1421 op basis van De Dynter’s Chronica:  Filips van Sint-Pol trok naar Leuven en de hertog wilde zijn plaats als machthebber terug.  Het gevolg van de hertog gedroeg zich echter abominabel en de inwoners van Brussel voelden zich bedreigd.  Een opstand was in de maak.

Ook hier vermeld Verkooren enkel De Dynter als bron.[154]  We weten ondertussen al dat De Dynter bij dit alles nauw betrokken was en het dus zeer goed mogelijk is dat hij – aangezien hij er met zijn neus op stond te kijken – alles mondeling aan de dichter heeft medegedeeld (ook hier lijken vele stukken op een ooggetuigenverslag), maar de verwijzingen door Stein naar zijn memoriale spreken dit iet of wat tegen.[155]  Uiteraard is er veel informatie waarschijnlijk mondeling overgeleverd, maar voor dit stukje kunnen we in vers 955 lezen alsoe wi lesen.  Aangezien er geen origineel voorhanden is, kunnen we niet weten wat, hoeveel en hoe de Voortzetter overgenomen heeft wat hij gelezen heeft, maar hij laat tenminste weten dat hij hier iets las.  Op vers 837 staat er ook nog alsic vernam, maar veel hebben we daar niet aan.  We weten alleszins dat er iets moet geweest zijn.  Verkooren biedt ook niet veel hulp, die vernoemt enkel de geciteerde namen. 

 

9.  Hoe die ghemeynte te Bruesele op stont en om wat zaken

 

De Brusselse bevolking had genoeg van de vreemde bezetters in hun stad en kwam in opstand op 27 januari.  Jan IV probeerde de gemoederen te bedaren door de bevolking toe te spreken.  Dit is het enige wat Verkooren hierover kwijt wil en hij verwijst weer enkel en alleen naar De Dynter.[156]  We zullen onze informatie weer enkel tekstintern moeten zoeken.  De Voortzetter lijkt precies te weten wat de hertog allemaal gezegd heeft en hoe de bevolking erop gereageerd heeft.  Hij moet over dit gedeelte van de geschiedenis zeer goed geïnformeerd geweest zijn (als hij er trouwens ook al niet bij was).  Hij verwijst ook naar de informatie die hij gekregen heeft.  In vers 1006 staat er Mids der informatien voirscreven (al kan dit tekstintern zijn).  In vers 966 zien we hoerdic tellen en op het einde van dit kapittel laat de Voortzetter wat meer los:

 

Wat ic niet wel claer en weet dbediet

Weder dopsat was ghemaect of niet

Soe en canic niet voor waer

Te rechte daer af ghedoen verclaer

Maer ic scrive daer met latict liden

Dat ic hebbe gehoert van beiden siden                                                                         (v. 1023-1028) 

 

Het is duidelijk; de Voortzetter heeft zijn informatie mondeling verkregen en dan heeft hij nog wel beide versies van het verhaal gekregen (weer doet het hier aan als een ooggetuigenverslag).  Aangezien De Dynter in opdracht werkte van de stad, zal hij de ene kant van het verhaal vertegenwoordigen en misschien heeft de Voortzetter de andere kant van het verhaal van hertog Jan zelf gekregen.  We weten immers dat de Voortzetter de hertog persoonlijk gekend hebben,[157] al besef ik dat dit een misschien wat zware en voorbarige gevolgtrekking is. 

 

10.  Hoe die heere van Heynsberghe en dander vremde gaste ende die Greve van Mours ghevangen worden

 

Jan van Heinsberg en de graaf van Mours vallen in handen van Jan Clutinc, die zichzelf weer amman waande.  Zij werden gevangen gezet samen met andere edelen die Filips van Sint-Pol steunen in het stadhuis.  Verkooren vermeldt alweer enkel De Dynter als bron en geeft een zeer korte samenvatting.[158]  Veel is er over dit stuk niet te zeggen; in de Voortzetting gaat dit over een 40-tal verzen waarin er geen enkele verwijzing is naar een geschreven of gesproken bron, geen verwijzing naar een brief of een oorkonde, enkel soe ic vernam (v. 1048 en als ic vernam op v. 1059), waar we niets uit kunnen afleiden, behalve dan dat de Voortzetter zijn informatie ergens vandaan heeft.  We zouden hier dus terecht de vraag kunnen stellen of er aan deze passage in de Voortzetting daadwerkelijk diplomatiek materiaal ten grondslag ligt.

 

11.  Hoe die Rewaert tot Bruesele quam ende int tshertoghen hof sijn Residentie hielt ende van andren dinghen die doen gheschieden

 

Filips van Sint-Pol kwam terug naar Brussel om orde op zaken te stellen.  De edelen die het hof had overgenomen, werden gevangen genomen en de oorspronkelijke amman Jan van Diedegem werd weer in zijn functie hersteld.  De onrust in Brussel werd wat getemperd. 

Ook hier vermeldt Verkooren enkel De Dynters Chronica.[159]  Toch vinden we tekstintern wat informatie.  Wanneer het over de personen gaat die gevangen worden (de aanhangers van de hertog, dus) schrijft de dichter tot tweemaal toe hoerdic verclaren (v. 1092 en 1100)  Er wordt dus niet gesuggereerd dat er een schriftelijke bron voorhanden was, maar het is uiteraard wel mogelijk.  We mogen natuurlijk ook niet uit het oog verliezen dat de voorgenoemde hoerdic verclaren een doodgewone stoplap kan zijn en dus niets te maken heeft met een mondelinge bron.  Als het dan toch een mondelinge bron is, dan is de kans weer heel groot dat deze bron Emond De Dynter heet.  Weer kan het hier ook om een oogetuigenverslag gaan, dat dan weer grote kans heeft dat die ooggetuige Emond De Dynter is.

 

12.  Hoe de hertoghe van Bruesele tot Luevene track ende hoe Jan Cluetinck tshertoghen Amman ghericht wert vanden live ende viere scepenen te Bruesele ontset ende vele notabele porters ghevanghen ghepijnt ende tot diversen plaetsen ghevuert

 

Toen Filips zijn residentie in het hof op de Coudenberg had genomen, begon hij orde op zaken te stellen.  De aanhangers van hertog Jan (de zogezegde ‘vremde gasten’) werden vervoerd naar diverse gevangenissen, verbannen of onthoofd.  De aanhangers op internationaal en landelijk niveau werden gevangengezet; die op lokaal niveau terechtgesteld  De schepenen aangesteld door hertog Jan werden vervangen door nieuwe schepenen aangesteld door Filips en de Staten van Brabant.  De Staten hadden met andere woorden, samen met Filips van Sint-Pol, hun macht terug genomen.

Verkooren vermeldt nog maar eens enkel De Dynters Chronica.[160]  Textintern kunnen we dan weer eens afleiden dat er een mondelinge informatieoverdracht heeft plaatsgevonden.  Tweemaal kunnen we weer lezen hoerdic verclaren (v. 1149 en 1164).  Ik vermoed dat de gebeurtenissen die hier plaatsvonden wel zo belangrijk en vooral zo berucht waren dat het niet anders kon dan dat De Dynter en eventueel De Thimo zelf ze hadden meegemaakt of er tenminste uitgebreid over hadden horen vertellen.  Toch vind ik het vreemd dat er geen aanwijzing van een schriftelijke bron is, net omdat deze  gebeurtenissen toch belangrijk geweest zijn voor de stad Brussel.  Stein vermeldt namelijk twee oorkonden over de gebeurtenissen in februari 1421; twee oorkonden die dateren van negen februari.[161]  Verkooren vermeldt niets.  Ik volg Stein; er moeten wel oorkonden – of ander diplomatiek materiaal – geweest zijn, maar waar die zich bevinden, is mij niet duidelijk geworden, en hoe ze in de Voortzetting passen, is ook een raadsel.

 

13.  Hoe die stat van Bruesele voortane bijden VII gheslechten ende IX Natien sal werden gheregeert.

 

Onder invloed van de Staten van Brabant creëert Filips van Sint-Pol een nieuwe politiek in Brussel.  De ambachten werden gegroepeerd in negen naties.  Zeven schepenen zouden jaarlijks worden aangeduid, samen met twee ontvangers (rintmeesters) en een burgemeester.  Daaraan werden een tweede burgemeester, zes raden en twee ontvangers toegevoegd.  Deze bestuurders werden gekozen uit de voorname geslachten van Brussel. 

Verkooren vermeldt hier naast (weer eens) de Chronica van De Dynter ook een oorkonde.[162]  Deze oorkonde, opgesteld in het Middelnederlands heb ik gezien.  Ik vermoed dat het deze oorkonde is, die Stein als tweede van 9 februari 1421 vermeldt, al dateert Verkooren ze twee dagen later.  Ze zag er zeer mooi uit, maar enkel de titel heb ik na lang staren kunnen ontcijferen; De previlegien vanden burtenmeesterscape rentmeesterscape ende vande scape den natien verleent.  Ik vermoed dat de Voortzetter deze oorkonde wel onder ogen heeft gehad.  Ze is niet overgenomen, want het stuk in de Voortzetting is een stuk korter dan de oorkonde zelf.  Ook vermeld de Voortzetter dat er nog meer in de brief stond dan dat hij opschreef: 

 

                Alle die zaken vore vercleert

                Met meer andren poenten dits waer

                Verleende ende gaf aldaer

                Die greve van Saintpoul als ruwaert

                Des lants van Brabant die hij ter vaert

                Der stat met sinen openen brieven

                Bezeghelde met groeter lieven                                                                                            (v. 1359-1375)

 

Dit is ook de reden waarom ik aanneem dat de dichter de oorkonde zelf onder ogen heeft gehad en niet een samenvatting van De Dynter.  Hoe zou de Voortzetter namelijk anders weten dat er nog meer in de brief stond dan wat hij net opgeschreven had.  Op aanwijzingen van zijn informanten zal hij dan de essentieelste informatie uit deze oorkonde gehaald hebben.

 

14.  Hoe hertoghe van Leuvene tot Bruesele ende van daer tot Antwerpen ende namaels in Henegouwe trac ende weder te Bruesele quam ende hoe de hertoghinne trac in Inghelant

 

In dit stuk wordt een samenvatting gegeven van de gebeurtenissen tussen 16 februari en 26 maart 1421.  Filips ging zijn broer halen in Leuven en nam hem mee naar Brussel.  Tegelijkertijd vertrok hertogin Jacoba naar Engeland.  Zij zou er gaan trouwen met Humphrey van Gloucester (deze vooruitwijzing komt enkel in De Dynters Chronica voor, niet in mijn deel van de Voortzetting).  Jacoba was lichtjes misnoegd omdat Jan IV haar gebieden Holland, Zeeland en Friesland in leen had gegeven aan Jan van Beieren.  De hertog ondernam nog wat tochten.  Filips De Goede (die Filips van Sint-Pol altijd gesteund had) kwam naar Brussel en ter ere van hem werden er toernooien gehouden. 

Nogmaals wordt hier enkel naar De Dynters Chronica verwezen door Verkooren.[163]  Ook de Voortzetter laat niets los over waar hij zijn informatie vandaan heeft.  Het kan gebaseerd zijn op mondelinge informatie, maar ook schriftelijke; de Voortzetter laat niets los.  Het is natuurlijk altijd mogelijk dat het hier om een gegeven gaat dat nu eenmaal niet schriftelijk vastgelegd werd.  In dat geval is het niet verbazingwekkend dat hier geen schriftelijke bronnen voor werden gevonden.

 

15.  Hoe die proofst van Coudenberghe ghevanghen her Everaert tSerclaes riddere Geldof van Coudenberghe ende Willem Pypenpoy ghericht worden

 

In alweer een hoofdstuk van De Dynters Chronica als enige verwijzing worden de gebeurtenissen van 16 maart tot 18 april 1421 verhaald.  Enkele leden van de geheime genootschap (de broederschap) die hertog Jan IV had opgericht, werden alsnog veroordeeld en onthoofd, zoals Everaert Serclaes.  De dag erna werden er nog toernooien en steekspelen georganiseerd ter ere van Filips de Goede in Brugge en in Rijsel, waar Jan en Filips van Sint-Pol uiteraard heen trokken.

Zoals gezegd, is De Dynter hier weer de enige waarop Verkooren beroep doet.[164]  Ook de Voortzetter vermeldt zijn bronnen niet.  Hij spreekt wel over orconde met betrekking tot het geheime genootschap, maar de term kan hier nmiet opgevat worden als een verwijzing naar een ambtelijk bescheid; het betekent hier veeleer iets als ‘kennis, nieuws’:

 

                Ende alsmen wiste die waere orconde

                Dat selcke geheime verbonde

                Ende vrientscapen ghevesticht waren                                                                              (v. 1444-1446)

 

Toch ligt het voor de hand dat er diplomatiek materiaal geweest moet zijn; ik kan me nauwelijks voorstellen dat veroordelingen en executies nergens schriftelijk werden bijgehouden.  Ook over de steekspelen zal er wel iets officiëels gedocumenteerd geweest zijn; de spelen waren immers ter ere van Filips de Goede, toch niet de eerste de beste.  Die documentatie over de steekspelen zou misschien in Brugge of Rijsel te vinden kunnen zijn, maar zeker ben ik daar niet van: een raadpleging van archieven aldaar viel buiten het bestek van deze verhandeling.

 

16.  Hoe de Greve van Saintpoul Rewaert van Brabant screef den Roemschen Coninc ende andren princen vorsten ende heeren

 

Op 20 april schreef Filips van Sint-Pol een open brief naar de Rooms-Koning Sigismund en naar andere vorsten om uit te leggen wat er zich in Brabant allemaal had afgespeeld.  Hij verdedigde zijn acties en de acties van de Staten van Brussel.  Eigenlijk is dit één grote samenvatting van wat er allemaal gebeurd en reeds verteld is, vanuit het standpunt van Filips van Sint-Pol, natuurlijk.

Verkooren maakt hier geen melding over, maar Stein wel.[165]  De brief zelf heb ik niet gezien, ik wist namelijk niet waar ik had moeten zoeken.  Aangezien er ruim 400 verzen aan deze brief gewijd zijn in de Voortzetting, hebben we veel tekstinterne informatie. Het lijkt alsof de Voortzetter de brief vrijwel woord voor woord overnam.  De verwijzingen naar de brief zijn de volgende:

 

                Greve van Saintpoul ende van Lynci

                Als ruwaert van Brabant seggic dij

                Sijn open brieve screven ter stede

                Daer hij sinen zegel aenhangen dede                                                                                (v. 1514-1517)

 

                Onder meer ander poente dits waer

                Die bescreven volgen hier naer                                                                                          (v. 1536-1537)

 

                Item die greve screef voirt aen                                                                                                      (v. 1684)

 

                Voort screef hij sij u bekant                                                                                                        (v. 1699)

 

                Daer op ende screef hoe ende twij                                                                                               (v. 1738)

 

                Met sinen openen brieven tot dien

                Niet eer ghescreven maer aen ghesien

                Dat hij nu die waerheit blijckelike

                Bevinden hadde claerlike

                Soe cundichde hij allen dien met lieve

                Daer ane sijn voirseide open brieve                                                                            (v. 1870-1875)

 

                Sijn open brieve souden comen                                                                                                   (v. 1894)

 

                Inden poenten bescreven hier boven                                                                                          (v. 1902)

               

    Ende in oirconden van der waerheit

                Heeft die greven van Saintpoul voirseit

                Sinen properen zeghel doen hangen na dat

                Aen den openen brief daer inne dat

                Alles dese poente blijckelijcke

                Begrepen stonden volcomelijcke

                Welcken brief ghemaect was ende gegheven                                              (v. 1908-1914)

 

Al deze verwijzingen doen mij vermoeden dat de dichter de brief waarvan hier sprake, of minstens een kopie, voor hem had liggen.  Er wordt zo vaak verwezen naar de brief dat het bijna niet anders kan dan dat de dichter de brief in handen heeft gehad.  Dat de brief hoogstwaarschijnlijk van De Dynter zelf kwam, valt nauwelijks te betwijfelen.  Het is goed mogelijk dat De Dynter deze brief in handen heeft gehad of hem zelf heeft geschreven.  Alleszins kunnen we hier, al zijn er misschien geen rotsvaste bewijzen, toch wel aannemen dat de dichter deze brief gezien heeft.  Of hij die letterlijk overnam, is een andere zaak en aangezien er niets is om mee te vergelijken, kunnen we hier ook niets sluitend over zeggen, maar ik denk wel dat we uit de tekstinterne informatie kunnen aannemen dat er vrij letterlijk geciteerd is.  Toch moet nog worden vermeld dat de dichter ook nog naar een mondelinge informatiebron verwijst: in vers 1666 staat er hoerdic verclaren, op vers 1801 hoerdic rueren.  Deze twee uitingen zijn mij een beetje een raadsel.  Ik neem aan dat het stoplappen zijn, want het is nogal duidelijk dat de Voortzetter de brief van Sint-Pol voor zich had liggen en dat hij daar zijn informatie uitnam.  Het lijkt mij vreemd dat er hier nog een tweede – mondelinge – bron aan te pas kwam.

 

17.  Hoe die hertoge bekinde dat sijn brueder te rechte rewaert van Brabant ghemaect ware ende confirmeerde al dat hij inden rewaertscape ghedaen hadde.

 

Dit is een bekentenis van hertog Jan.  Hij beseft dat hij ‘stout’ geweest is en dat de aanstelling van Filips tot ruwaard een goede zaak is geweest voor de stad en voor hem zelf.  Hij ziet zijn fouten in en neemt de verdere gang van zaken aan.

Verkooren vermeldt hier, naast De Dynter, ook een oorkonde.[166]  Deze heb ik kunnen bekijken in het Rijksarchief, maar ook hiervan kon ik enkel de titel ontcijferen: De confirmacie vanden rewaertscape ende vanden handelingen ende ... te Brussel geschiet.  Uit de tekstinterne informatie kunnen we afleiden dat de dichter ofwel een korte inhoud ofwel een kopie (of de brief zelf?) ter beschikking had.  Wat volgt in de tekst van de Voortzetting is namelijk een samenvatting van wat de brief bevat.  De Voortzetter vermeldt:

 

                (...) hertoge Jan ende gaf

                Sijn open bezeghelden brieve daer af

                In houdende ter substancien claer

                Tghene dat bescreven volgt hier naer.                                                                             (v. 1920-1923)

 

                Met vele meer poenten ende clauselen

                In sinen openen brieven bescreven.                                                                         (v. 2019-2020)

 

De conclusie is weer dezelfde; het is zeer waarschijnlijk dat De Dynter deze brief kon bemachtigen en dat hij die (of een kopie ervan) aan de dichter kon doorgeven, maar het is even goed mogelijk dat De Dynter of De Thimo rechtstreeks een samenvatting van deze brief aan de Voortzetter gaf.  Het eerste geval veronderstelt meer creativiteit van de dichter dan het tweede, maar we kunnen echt niet sluitend zeggen welke van de twee gevallen hier aan de orde is.  Waarom dan informatie uit de brief is weggelaten (zoals blijkt uit vss. 2019-2020, hierboven geciteerd), is ook onduidelijk. Het gaat hier immers om een zeer belangrijke brief.  Misschien moeten we ook in dit geval weer voorkennis van de het geïntendeerde publiek veronderstellen; er zullen zeker wel geruchten de ronde hebben gedaan over deze brief, veronderstel ik.  Of misschien was de rest van de brief niet niet relevant.  Wat we uit de Voortzetting te weten komen, is de reactie van  hertog Jan IV op de gebeurtenissen die vroeger in de Voortzetting beschreven staan.  Misschien bevatte de rest van de brief informatie over gebeurtenissen die niet in de Voortzetting vermeld staan of die het publiek niet interesseerde.

 

 

4.  Besluit

 

We weten dat er veel diplomatiek materiaal gebruikt is voor het schrijven van de Voortzetting, maar we kunnen het moeilijk achterhalen.  Veel van dit diplomatieke materiaal is verloren gegaan, al zouden we in andere streken misschien wel kopieën vinden (ik denk hierbij aan het de brief van Sint-Pol aan Sigismund). 

Door de afwezigheid van veel informatie, heb ik mij vooral moeten toespitsen op tekstinterne informatie en de informatie die Verkooren kon geven.  Wat we daaruit kunnen besluiten, is echter louter speculatief.  Er zijn vele aanwijzingen dat de Voorzetter verschillende documenten of kopieën ervan onder ogen heeft gehad; de aanwijzingen in de tekst duiden dat aan, maar over hoe die informatie precies verwerkt is, kunnen we echter enkel speculeren.  Ook kunnen we zien dat de Voortzetter bij sommige passages diplomatiek materiaal in handen moet hebben gehad, maar zelf maakt hij daar geen opmerkingen over en we kunnen het materiaal ook niet via bijvoorbeeld Verkooren terugvinden.  Toch kunnen we uit de context van de passages afleiden dat de Voortzetter diplomatiek materiaal moet hebben gebruikt, hetzij mondeling aan hem overgeleverd, hetzij schriftelijk.

Wat we kunnen besluiten, is dus vooral dat we niet veel kunnen besluiten en dat aangereikte oplossingen vooral bij gissingen en speculaties blijven.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[134] Van Caeneghem 1962, p. 62.

[135] Stein 1994, p. 317-320.

[136] Verkooren 1988, dl. III, p. 159-180.

[137] Verkooren verwijst ons regelmatig door naar hoofdstukken van De Dynters Chronica.  Hij geeft dan een korte inhoud of ‘substance’ van wat er in dat hoofdstuk staat.

[138] De versregels zijn die van mijn editie.

[139] De transcripties zijn de mijne.

[140] Stein 1994, p. 319

[141] Verkooren, 1988, dl. III, p. 159-160, nr 9863 (Chambre des Comptes, n° 10, f° 366).  

[142] De stukken van De Dynters Chronica zijn altijd een bijna letterlijke vertaling van de Voortzetting.  Er wordt door Verkooren zeer vaak naar verwezen en om niet in herhaling te vallen, vermeld ik nu dat het altijd om een bijna letterlijke vertaling gaat; in de hoofdtekst zal dit dus niet meer vermeld worden.

[143] Verkooren 1988, dl. III, p. 161 nr 9867 (Chambre des Comptes, n° 10, f° 454 v° en f° 366 v°).  

[144] Dit gaat over twee kapittels in de Voortzetting, waarvoor Verkooren slechts één verwijzing geeft.

[145] Verkooren 1988, dl.III, p.162, nr 9873 (Chambre des Comptes, n° 10, f° 367).  

[146] We weten uit hoofdstuk twee dat de Voortzetter informatie gebruikte uit o.a. De Mutatione.  We weten ook dat hij waarschijnlijk een bewerking van De Mutatione heeft gebruikt aangezien er in de overgeleverde versie geen aantekeningen staan.  In die bewerking kan evengoed een voetnoot of een glosse gestaan hebben, van de hand van De Thimo of De Dynter.  Zie Stein 1994, p. 50, zie ook hoofdstuk twee, 2.2.2.

[147] Verkooren 1988, dl. III, p. 164, nr 9876 (Chambre des Comptes, n° 10, f° 367 v° en f°338).   

[148] Verkooren 1988, dl. III, p. 165,-166 nrs 9878, 9879 en 9880 (Chambre des Comptes, n° 131, f° 144 en f°147).  

[149] Citaat overgenomen uit Verkooren 1988, dl. III, p. 165.  De cursivering is van mij,KDG.

[150] Op der stat huys van Bruesele nu hoert / Wert die greve van Saintpoul rechtvoert /  Int ruwaertscap gheconfirmeert staat er te lezen in v. 574-576.

[151] Zie Stein 1994, p. 93.

[152] Verkooren 1988, dl. III, p.171-172, nr 9897 (Chambre des Comptes, n° 10, f° 368).  

[153] Verkooren 1988, dl. III, p. 172, nr 9898 (Chambre des Comptes, n° 10, f° 368 v°).  

[154] Verkooren 1988, dl. III, p. 172, nr 9899 (Chambre des Comptes, n° 10, f° 369).  

[155] We weten (wederom uit hoofdstuk twee) dat De Dynter een dagboek bijhield waaruit hij zijn De Mutatione baseerde.  Het zou mij sterk verbazen dat hij over een opstand-in-de-maak niet zou schrijven.  Ook de stoplappen wijzen op een geschreven bron.  Zie ook hoofdstuk twee, 2.2.2 en Stein 1994, p.  90.

[156] Verkooren 1988, dl. III, p. 173, nr. 9900 (Chambre des Comptes, n° 10, f° 369v°).

[157] Stein vermeldt immers dat de Voortzetter regelmatig in contact kwam met hertog Jan IV en dat hij zeer gehecht was aan zijn hertog.  Het zou kunnen dat hertog Jan IV en de Voortzetter af en toe tot een gesprek kwamen en dat de Voortzetter zo extra informatie kreeg.  Dit is een zeer zware hypothetische  veronderstelling en ik wil daarom ook niet beweren dat het heel waarschijnlijk is; het zou enkel een mogelijkheid kunnen zijn.  Stein 1994, p. 127.

[158] Verkooren 1988, dl. III, p. 173, nr. 9901 (Chambre des Comptes, n° 10, f° 369 v°).

[159] Verkooren 1988, dl. III, p. 173, nr 9902 (Chambre des Comptes, n° 10, f° 370).

[160] Verkooren 1988, dl. III, p. 173-174, nr 9903 (Chambre des Comptes, n° 10, f° 370).

[161] Stein 1994, p. 319.

[162] Verkooren 1988, dl. III, p. 174-175, nr 9904 (Manuscrit divers, n°5/A, f° 278, n°5/B, f°164 v° en Chambre des Comptes, n° 10, f° 370 v°).

[163] Verkooren 1988, dl. III, p. 173, nr 9909 (Chambre des Comptes, n° 10, f° 371).

[164] Verkooren 1988, dl. III, p. 173, nr 9919 (Chambre des Comptes, n° 10, f° 371).

[165] Stein 1994, p. 317.