Jan Van Boendaele, Brabantse Yeesten, XXIV. Een diplomatische editie van Brussel, k.b. hs. 19607, fol. 236 va, 33 – fol. 247 ra, 15 met een onderzoek naar de incorporatie van het oorkondenmateriaal. (Katell De Groote)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Hoofdstuk 2: Stand van onderzoek

 

1. Jan van Boendale

 

1.1.  Biografische schets

 

Het is de verdienste van R.P.A. Dozy geweest klaarheid te brengen in het waas rond de naam ‘Jan de Clerck’.  In 1845 ontdekte hij namelijk in de Bodleian Library in Oxford een handschrift dat de werken Melibeus, Jan Testeeye en Het boec vander Wraken bevat.  In de proloog van het tot dan toe onbekende Jans Teesteye stond er dit:

 

                Alle die ghene die dit werc

                Sien, lezen ende horen,

                Die gruetic, Jan, gheheten Clerc,

                Vander Vueren gheboren.

                Boendale heet men mi daer,

                Ende wone tAntwerpen nu,

                Daer ic ghescreven hebbe menech jaer

                Der scepenen brieve, dat seggic u.                     (1-8)[1]

 

Van een ‘Jan de Clerck’ had men toen zeker al gehoord, J.F. Willems had deze Jan zelfs al aangeduid als auteur van de Brabantse Yeesten, alhoewel hij er eerst van overtuigd was dat de Yeesten moesten toegeschreven worden aan ene ‘Nicolas De Klerk’, in navolging van P. Divaeus.[2]  Ook in het Leidse handschrift van de Brabantse Yeesten stond er geschreven:

 

Rijmchronijck van Brabant in rijme gestelt by Niclaes De Clerck in sijnen leven secretaris der stadt van Antwerpen A° 1318.[3]                                                                                             

 

Willems ontdekte echter dat er oorspronkelijk niet ‘Niclaes’ had gestaan, aangezien deze naam op rasuur werd aangebracht.  Wat er dan wel gestaan had, was ‘Jan De Clerck’.[4]  De reden dat iemand ‘Jan’ door ‘Niclaes’ had vervangen, lag volgens Willems in het feit dat men in de zestiende eeuw ontdekt had dat de klerk van Antwerpen rond 1318 ‘Nicolas’ heette.  Toch lag de naam ‘Jan’ voor Willems zo goed als vast, mede door het feit dat verder in het handschrift kon gelezen worden:[5]

 

Anno 1351 sterf Jan De Clerck, secretaris van Antwerpen, die den Duytschen Doctrinael hadde ghemaect, in chronico rhytmico parvo.[6]  

 

Hiermee had Willems dan wel de voornaam van de auteur van de Brabantse Yeesten kunnen definiëren; over de geslachtsnaam bestond nog twijfel.  De toenaam ‘De Clerck’ stond voor de beroepsactiviteit van ‘Jan’, maar gold daarom nog niet als geslachtsnaam. Bij Valkenisses Annales Antverpienses echter vond Willems een variatie van bovengenoemd citaat:                       

 

In dit jaer stirf Jan Deckers, secretaris deser stadt, die den Duytschen Doctrinael maecte en vele andere boecken.[7]               

 

Ook hier ging het om het jaar 1351.  Elders vond Willems nog de naam ‘Jan Dekens’ en veronderstelde dat deze ‘Jan Dekens’ dezelfde was als ‘Jan Deckers’ en ‘Jan de Clerck’.  Willems wist dat er in de eerste helft van de veertiende eeuw in Antwerpen een ‘Jan de Clerck’ gewoond had die twee werken geschreven had, de Leeken Spiegel en de Dietsche Doctrinael.[8]  Het is niet verwonderlijk dat Willems daardoor in verwarring geraakte en ‘Jan de Clerck’ als ‘Jan Dekens’ of ‘Deckers’ identificeerde.[9]  Het zou volgens De Vries echter allemaal gebaseerd zijn op een doodgewone leesfout van Valkenisse.[10]

‘Jan de Clerck’ zou dus tot Dozy’s ontdekking als ‘Jan Dekens / Deckers’ gekend zijn.  De Vries nam Dozy’s stelling over evenals Génard, die in verschillende oorkonden in de stedelijke archieven van Antwerpen dit terugvond: Johannes dictus de Boendale Clericus Oppidi.[11] 

Dozy heeft dus wel degelijk klaarheid gebracht in het waas rond Boendales naam; het heeft dan ook niet lang geduurd eer de naam ‘Jan Deckers / Dekens’ niet meer gebruikt werd en iedereen eensgezind over ‘Jan van Boendale’ begon te spreken.

 

Er mag dan al wel duidelijkheid wezen over de naam ‘Jan van Boendale’, maar over de persoon zelf heerst nogal wat mysterie.  Zo is er heel wat onduidelijkheid over zijn geboorte- en sterfdatum, zijn komst naar Antwerpen en wat nu juist die ‘Clerck’ betekende. 

Over het algemeen wordt aangenomen dat Boendale rond 1280 geboren is.  Zelfs Siegenbeek, die nog in de waan was dat de auteur van de Brabantse Yeesten Niklaes De Klerk was, geeft ca. 1280 aan als geboortejaar.[12] Willems volgt hem hierin, evenals Génard, De Vries, Snellaert, Bormans, Serrure, Van Mierlo, Mellaerts en Stein.[13]  Enkelen zijn vager en vermoeden een geboortejaar tussen 1280 en 1290, zoals Jonckbloet, Te Winkel en Van Gerven.[14]  Deschamps geeft echter 1279 op als geboortejaar, Haerynck houdt het op het einde van de dertiende eeuw en Stecher vermeldt 1285.[15]  Ongeveer het enige waar iedereen het over eens is, is de geboorteplaats van Boendale, namelijk Tervuren.  Boendale – als plaats – is een gehucht in Tervuren, daarvan komt dan ook Boendales naam.

Ook over het sterfjaar van Boendale is men niet echt zeker.  De Vries geeft 1351 als enige mogelijkheid, waarmee hij zich afzette tegen Willems die aangaf dat Boendale in 1358 nog geleefd zou hebben.  Willems’ argument was het volgende: in 1358 zou te Sint-Wijnoxbergen een compromissale uitspraak mee ondertekend zijn door “Johannes, clerc van der stat (Antwerpen)”.[16]  Te Winkel gebruikt hetzelfde argument en specificeert zelfs het sterfjaar, namelijk 1365.  Te Winkel verklaart zijn keuze voor 1365 als sterfjaar via Van Even die in de rekeningen van Leuven van 1365 dit vond: “ Item van der doet van Jan van Boendale, van V stuvers ’s jaers – XXXII stuvers payemants”.[17]

Dit voldoet volgens De Vries niet.  De Jan van Boendale die bovenstaande uitspraak mee ondertekend heeft, is niet noodzakelijk onze Jan van Boendale.  Daarbij komt dat Boendale op dat moment minstens 78 jaar oud moest zijn, wat een zeer hoge leeftijd zou zijn voor een diplomatisch uitstapje.  Bovendien zou Boendale dan ruimschoots de tijd hebben gehad om de laatste vijf regeringsjaren van Jan III, die in 1555 gestorven was, ook in zijn Brabantse Yeesten op te nemen.  Aangezien de Brabantse Yeesten met het jaar 1550 eindigen, is dit duidelijk niet gebeurd.  De Vries zag dit vroegtijdige beëindigen van het relaas over de regeringsperiode van Jan III als een aanwijzing dat Boendale weleens oud begon te worden en niet meer kon schrijven.[18]  Het bovengenoemde citaat in het Leidse handschrift over de dood van Jan de Clerck steunt hem daarbij. Génard, Serrure, Van Mierlo, Stein volgen de mening van De Vries.[19]

Haerynck en Mellaerts zijn voorzichtiger en geven 1351 en 1365 als mogelijke sterfdata, maar geven toch de voorkeur aan 1351.[20]

Over wat Boendale met zijn leven heeft aangevangen, is ook niet iedereen het eens.  Vast staat dat Boendale een opleiding genoten heeft; zijn kennis van het Latijn is daarvoor een onmiskenbaar argument.  Ook staat vast dat Boendale schepenklerk was.  Waar niet iedereen het over eens is, is of Boendale geestelijke was.  Volgens De Vries was Boendale een geestelijke; hij vond argumenten in het ambt dat Boendale bekleedde –schepenklerken waren veelal geestelijken – maar ook in Boendales werken, zoals Der Leeken Spieghel,[21] wanneer Boendale zich uitlaat over leken in boek III:

 

               

             Om dat die leeke van allen zaken

             Rime ende dichte willen maken

             Ghelijc clerken, dat wonder es,

            So hebbic mi bewonden des

Dat ic nu wil bringhen voort

Wat enen dichter toe behoort                                                                                                        (v. 1-6)

 

Want die niet en versinnet des

Wat consten gramarie es,

Alse leecke lieden, die en moghen

Te goeden dichters niet doghen                                                                                              (v. 39-42)[22]

 

Volgens De Vries zou een leek dit nooit kunnen en mogen zeggen.  Ook Mellaert gelooft hierin: uit Boendales werk zou overduidelijk naar buiten komen dat hij een opleiding ter voorbereiding van een geestelijk leven heeft gehad.[23]  De Vries herinnert ons er echter aan dat een geestelijke opvoeding niet noodzakelijk betekende dat Boendale “als priester, te Antwerpen de kerkelijke dienst heeft waargenomen.”[24]  Ook Jonckbloet vermeldt de geestelijke opleiding van Jan van Boendale.[25]

Waar ook nog steeds geen éénduidigheid over bestaat, is wanneer Boendale nu precies naar Antwerpen vertrokken is.  De Vries, Génard, Snellaert, Serrure geloven dat Boendale reeds in 1310 te Antwerpen verbleef,[26] terwijl Haerynck en Te Winkel de mening zijn toegedaan dat hij pas in 1312 naar Antwerpen vertrok.[27]  Zeker is dat Boendale vanaf 1312 de positie van schepenklerk bekleedde, aangezien hij in dat jaar, in die positie van schepenklerk, een Statenvergadering bijwoonde in Tervuren.

Alhoewel Boendale een geboren en getogen Tervurenaar was, spreekt hij toch van Antwerpen als zijn stad.  In Vanden Derden Eduwaert bijvoorbeeld kunnen we lezen:

               

                Al ‘tAntwerpen in die stat,

                Daer ic woene, als ic thuus ben.                                                                                                 (v. 108) [28]

 

Génard zag in deze uitspraak een bewijs dat Boendale veel moest reizen.  Dit zag Génard nogmaals gestaafd toen hij de rekeningen van 1324 bekeek; waaruit bleek dat Boendale uitstappen maakte naar Brussel, Gent, Male, Aerdenburg, Sint-Niklaas en Brugge.[29]

Over de periode 1324-1330 weten we haast niets, documenten uit die tijd met Boendales naam zijn niet teruggevonden. Wel weet Génard dat hij in die periode Der Leeken Spieghel maakte.[30]

 

                Omme dat ic niet en wille leiden

                In onnutter ledicheiden

                Den tijt die mi gheeft onse here,

                Die ghelooft si emmermere                                                                                                            (v. 1-4)[31]

 

De volgende notie van Boendale die we terugvinden, is in 1332, waar hij aanwezig was bij “de monstering der troepen van den Hertog in het kamp van Helleshem”, aldus Génard.[32]  De volgende verzen uit het vijfde Boek van de Brabantse Yeesten zouden daar op wijzen:

 

             Ic en sach nie so menighen man

             als ic sach opten sondach,

daer men theerscouwene besach                                                                        (BY, V v.2418-2420) [33]

 

Na nog wat kleine vermeldingen[34] is Boendales ontmoeting met Koning Eduard III van Engeland wel het vermelden waard.  Génard is ervan overtuigd dat Boendale de Engelse koning tijdens diens verblijf in Antwerpen (1338-1340) ontmoet heeft.[35]  Hij beargumenteert dit met de volgende woorden uit Vanden Derden Edewaert:

 

                Doe die coninc dat vernam

                Dat die keiser niet en quam,

                Sprac hij aldus dese woerde,

                Also icse seggen hoerde.                             (495-498) [36]                   

 

Ook zou Boendale Jacob Van Artevelde ontmoet hebben.[37]  Uit Vanden Derden Eduwaert neemt Génard dit over:

 

Nu moegdi horen vremde dinc

Hoet in Vlaenderen nu staen ginc.

Binnen Gent so was verhaven

Een knappe, niet rike van haven,

Ende van geenre grooter geboort.

Die so wart getogen voert.

Dat al tlant aen hem vel;

Maer hi conste spreken wel

Ende wart van groeter gewelde,

Ende hiet Jacob van Artevelde,

Daer al tlant aen viel seere,

Jeghen den grave sinen here. [38]

 

Eén van de laatste vermeldingen van Boendale vinden we op een verkoopsakte uit 1344; Boendale staat er samen met Hendrik Suderman op vermeld; ze waren buren en goede vrienden.[39]  Het jaar ervoor treedt Boendale trouwens als getuige op, samen met Nicolaas Noese, voor diezelfde Suderman bij de stichting van het Onze LieveVrouwe-convent.[40]

 

1. 2.  Boendales oeuvre

 

Er zijn twee manieren om Boendales werken te categoriseren.  Ten eerste kunnen we een onderscheid maken tussen zijn didactische (Jan Testeeye, Der Leeken Spieghel) en zijn historiografische werken (Brababantse Yeesten, Vanden Derden Eduwaert en de Korte Rijmkroniek van Brabant) en ten tweede is er het onderscheid tussen de werken die zeker van Boendale zijn en werken waarvan zijn auteurschap niet helemaal vaststaat.  We hanteren hier het tweede onderscheid en laten de Brabantse Yeesten buiten beschouwing aangezien dit uitgebreid behandeld wordt verderop in dit hoofdstuk.  Er moet nog worden gezegd dat de beschrijving van Boendales werken op zeer summiere manier wordt gedaan, aangezien het zwaartepunt van deze verhandeling bij de Voortzetting ligt en niet bij de Boeken die Boendale geschreven heeft.

 

1.2.1  Werken van Boendale

 

Korte Rijmkroniek van Brabant

Een samenvatting van de Brabantse Yeesten.

Voltooid in 1322.[41]

 

Der Leken Spieghel

Een zedenkundig werk geschreven in Antwerpen dat uit vier delen bestaat en raadgevingen aan de leek meegeeft.  Opgedragen aan Rogier van Leefdale en diens vrouw met een vermelding aan Hertog Jan III. 

Voltooid in 1330.[42]

 

            Dies boec was volmaect al

Doe dcarnatioen was int ghetal

Dertien hondert ende dertich mede                                                                                         (v. 9-12) [43]

 

Jans Teesteye

Zedenkundig werk in dialoogvorm.  Ook opgedragen aan Rogier van Leefdale. 

Voltooid in 1331-1332.[44]

 

Vanden Derden Eduwaert

Loflied op de Engelse koning Eduard III en hertog Jan III van Brabant; het vertelt de gebeurtenissen van 1338-1340. 

Slechts fragmentarisch overgeleverd.  Gedateerd in 1348.[45]

 

1. 2. 2.  Werken die niet helemaal zeker van Boendale zijn

 

Melibeus of Boec van troeste ende van rade

Vermoedelijk geschreven in 1342 en door Snellaert en Serrure aan Boendale toegeschreven.[46] 

 

Dietsche Doctrinael

Dit zou ook een zedenkundig werk zijn.  Door de aantekening van Gervartius “Anno 1351 sterf Jan De Clerck, secretaris van Antwerpen, die den Duytschen Doctrinael hadde ghemaect, in chronico rhytmico parvo”[47] aan Boendale toegeschreven.  De Vries en Génard echter geloven dit niet.[48]  Te Winkel en Stein durven er geen uitspraak over doen.[49]

 

Boec van der Wraken

Bestaande uit drie boeken (al is er een verwijzing naar een vierde boek door de auteur), voltooid rond 1353.[50]  Wegens gelijkenis met de Brabantse Yeesten aan Boendale toegeschreven. Opgedragen aan Hertog Jan III.

Exemplaer

Zou komen uit de Dietschen Doctrinael.  Dit kan echter enkel van Boendale zijn als is bewezen dat ook de Dietschen Doctrinael van zijn hand is.[51]

 

 

2.  De Brabantse Yeesten

 

Er kan nog meer worden onderzocht over de Brabantse Yeesten dan zijn auteur en het leven van die auteur.  In dit deel worden achtereenvolgens de datering, de bronnen, de bedoeling en functie, de opdrachtgever en de structuur ervan behandeld.  Er wordt eerst ingegaan op de Brabantse Yeesten en daarna op de Voortzetting.

 

2.1.  Boek  i – Boek v

 

2.1.1. Datering

 

De eerste die over meer dan twee redacties van de Brabantse Yeesten spreekt, is Stein.[52] Tot dan toe is er altijd geloofd in twee redacties; één eerste voor het eerste deel (Boek I tot Boek V, v. 900) en een tweede voor het overige deel van het vijfde boek.[53]  In Boek V echter staat in de verzen 877-890 een mededeling van Boendale dat – indien nodig – hij verder zou schrijven.  Dit is een mededeling die Boendale eerder al had aangekondigd in Boek I.

 

                Ende hier sal ic u tellen dan

                Die yeeste tote opten derden Jan,

                Oft vorder, eist Gods ghedoghe

                Dat ic langher leven moghe                                                                                       (BY I, v. 569-572) [54]

 

Stein baseert zich op de overlevering van de verschillende handschriften van de Yeesten , waarin hij de uitgave van Willems als standaardtekst beschouwt.[55] Er zijn nogal wat afwijkingen tegenover de standaardtekst te vinden in de handschriften.  Niet alleen staat er in in sommige handschriften een uitgebreidere versie van Boek IV, maar Stein ontdekte ook een panegyriek[56] in het vijfde Boek, die op verschillende plaatsen in de handschriften te vinden is. Deze panegyriek – in zijn volledigheid – bestaat uit twee hoofdstukken; het eerste gaat over hertog Jan III en het tweede over Maria van Evreux.  Het vreemde aan deze panegyriek is niet alleen dat ze op verschillende plaatsen in de verschillende hoofdstukken voorkomt, maar ook dat ze niet eens volledig in alle handschriften voorkomt; sommige handschriften bevatten maar één van de twee hoofdstukken.  Wat ook opmerkelijk is, is dat het hoofdstuk over Maria van Evreux nu eens in het in het praesens voorkwam en dan eens in het imperfectum.  Stein gaat dieper in op het handschrift-Kluit om hiervoor een verklaring te zoeken.  Dit handschrift werd namelijk gekopiëerd door twee handen.  Dit zorgde ervoor dat sommige delen tweemaal voorkwamen in de tekst.  Eén van die dingen was de panegyriek.  Stein kan niet anders dan besluiten dat er voor het afschrift van dit handschrift twee verschillende leggers moeten gebruikt zijn.  Door de plaats waar de panegyriek voorkomt in het handschrift-Kluit, kon Stein besluiten dat deze panegyriek de afsluiting moet geweest zijn van de eerste ontstaanfase van het handschrift.  Het eerste deel van het handschrift  moet gebaseerd geweest zijn op een redactie die de tekst van BY I –BY V 1504 bevatte.  Door deze werkwijze, door de verschillen in de tijden van de bovengenoemde werkwoordsvormen (voor of na de dood van Maria van Evreux) en door de feiten in de verschillende redacties, komt Stein tot de conclusie dat de Yeesten in vijf fasen moet zijn ontstaan:

 

 

Boendale heeft dus woord gehouden, al is Stein zeer behoedzaam over de zekerheid van dit alles.

 

2.1.2.  Bronnen

 

De Brabantse Yeesten is vooral gebaseerd op Spieghel Historiael van Jacob van Maerlant.  Willems, Te Winkel en Stein vertelden dit, [57] maar Boendale zelf zei het ook al:

 

                Ende hoer hier al dat hercomen

                Alsoe ict hebbe vernomen

                In den Spieghel historiael,

                Daer ict uut trac al te male                                                                                               (pag. 2) [58] 

 

Verder vermeldt Willems ook Van Heelu’s Slag bij Woeringen, tweemaal een vermelding van een Latijnse tekst en vooral ooggetuigenverslagen; Boendale dicht vooral de visu.[59]

Te Winkel liet weten dat Boendale – vooral voor de eerste drie Boeken – bijna letterlijk de woorden van Maerlant overnam, enkel het rijm werd gewijzigd (alhoewel hij vanaf v. 849 van het eerste boek stukken bijna volledig ongewijzigd overnam).  In het eerste Boek zijn zo een 360 verzen letterlijk overgenomen, in het tweede Boek waren dit er maar liefst 4470 en in het derde boek 1640.  Vanaf het vierde Boek moest Boendale dan zelfstandig gaan werken, aangezien Maerlant zo ver nog niet was gekomen en Boendale waarschijnlijk nog niet bekend was met de Voortzetting van Velthem.  Boendale gebruikte dan ook Heelu’s Slag bij Woeringen en Latijnse bronnen.[60]

Stein sluit zich aan bij de bevindingen van Willems en Te Winkel in verband met Maerlant, maar hij vermeldt ook nog de anonieme Chronica de origine ducum Brabantiae als grote invloed op Boendale.  Stein specificeert ook de invloed van Maerlant op Boendale.  Aan de hand van Te Winkels berekeningen, zegt hij dat de eerste drie Boeken van de Yeesten inhoudelijk voor 90% ontleend zijn aan Maerlants Spieghel Historiael.  De inhoudelijke aanvullingen van Boendale aan de Spieghel zijn van drieërlei aard.  Ten eerste worden de dynastieke elementen versterkt en de legitieme positie van de voorouders van de Brabantse hertogen benadrukt.  Ten tweede wordt ook de morele inhoud van het heersersschap versterkt (centraal staat hierbij dienstbaarheid aan God en Kerk) en tenslotte geeft Boendale een moraliserende toets aan zijn werk.[61]

 

2.1.3.  Doel en functiie

 

Er zijn twee tegenstrijdige visies op het doel en de functie van de Brabantse Yeesten.  De eerste visie is die van Willems, Jonckbloet en Stecher die stelden dat de Yeesten voor een verheerlijking en legitimatie van Brabantse hertogen stond.[62]  Boendale wilde zich afzetten tegen de loze verhalen dat de hertogen van Brabant zouden afstammen van de Zwaanridder.  Jonckbloet verwoordt het zo:

 

Het is hem lang genoeg hen als afstammelingen van Karel den Groote voor te stellen:  hij heeft niet noodig op hunne afkomst van den Zwaanridder te brallen; ja ’t is vooral om dergelijke leugenverhalen uit te roeyen, dat hij zijn kronijk schrijft.  Ook hij wil dus de geschiedenis tegenover de sage, wetenschap tegenover poëzie stellen en handhaven.[63]

 

Hage, Van den Berg en De Ridder hebben een soortgelijke mening en zien het hertogelijke hof als plaats van ontstaan.[64]  Van Gerven, Van der Eerden en Avonds zien dit echter anders.  In de plaats van een duidelijke hertogelijke visie, zien zij de Yeesten als stedelijk en anti-hertogelijk.  Boendale zou een sterke sympathie voor de arme stadsmensen hebben en daardoor anti-hertogelijke, anti-oligarchische idealen koesteren.  Boendale wilde vooral een goede samenwerking tussen alle klassen.  Van der Eerden vindt Boendale, in tegenstelling tot Van Gerven, niet zozeer anti-hertogelijk, maar ook niet pro-hertogelijk.[65]

Stein is van de mening dat de Yeesten wel ontstaan zijn in een stedelijk omgeving, maar dat dat daarom niet hoeft te betekenen dat de Yeesten anti-hertogelijk zijn.  De steden hadden namelijk geen probleem met een hertog als gezaghebbend figuur; ze hadden problemen met de edelen die de macht van de steden probeerden te beknotten.  In 1314 werd namelijk een staatsgreep gepleegd door de steden, ze zetten daarbij de edelen van hertog Jan III af en vormden een regentieraad, aldus Stein.  Tijdens hertog Jan II hadden de steden namelijk al eens gezien dat de edelen rond de hertog het geld van de stad opsoupeerde en dit wilden ze vermijden.  Boendale legitimeert én de stedelijke acties én de hertogelijke acties.[66]  Om het met de woorden van Stein zelf te zeggen:

 

Mijns insziens geeft de Brabantsche Yeesten [...] een stedelijke visie weer op het hertogschap.  Deze visie wordt echter niet gekenmerkt door een dualisme tussen hertog en steden, maar juist door een gemeenschappelijk belang, sinds 1314 gepersonifieerd door de stedelijke regentieraad.[67]

 

2.1.4. Opdrachtgever(s)

 

Boendale vermeldt zijn opdrachtgever zelf in zijn Yeesten.  De Antwerpse schout Willem van Bornecolve zou hem de opdracht hebben gegeven om dit werk te schrijven:

                Alsoe bat ende beval

                Van Antwerpen heer Willem,

                Bornecolve noemt men hem.[68]

 

In één handschrift echter, het handschrift-Tongerlo, staat een andere opdracht, ditmaal aan hertog Jan III:[69]

 

                Hertoge Jan van Brabant

                Die derde van den name int lant,

                Ontfaet dit boexken; eist u bequame

                Ende ontfankelic, zo dunkt my

                Dat mijn pijne [wel] bestaet sy,

                Ende den tijd die icker toe doe.

                Ende en eest oic niet alsoe,

                Soe sal my dat herte verseeren;

                Want ic maect in uwer eeren.[70]

 

Hage heeft dit proberen te verklaren.  Hij beargumenteert dat Jan III nog minderjarig was toen Boendale aan zijn Yeesten begon en dus moeilijk de opdracht gegeven kon hebben om een rijmkroniek te maken.  Toen Boendale echter aan zijn vervolg begon, was Jan III volwassen en Bornecolve waarschijnlijk overleden; daardoor kon de dedicatie aan de eerste worden doorgegeven aan de tweede.

 

2.1.5.  Structuur

 

In navolging van zijn grootste bron – Jacob van Maerlant[71]–, deelde Jan van Boendale zijn Brabantse Yeesten op in vijf ongelijke boeken.  De eerste vier Boeken behandelen elk zes vorsten, terwijl het vijfde de regeringen van Jan I, Jan II en Jan III verhaalt.  Te Winkel vat de geschiedenis verteld in de vijf Boeken zo samen:

 

 

Na deze vijf Boeken volgen de twee Boeken van de anonieme Voortzetting.  Deze anonymus en zijn werk worden verder in dit hoofdstuk besproken onder 2.2.

Algemeen wordt aangenomen dat Jan van Boendale de auteur is van de Brabantse Yeesten, toch moet nog worden gezegd dat Heymans zo ongeveer de enige is die het schrijversschap van Boendale in vraag stelt.  Hij legt dit uit aan de hand van het feit dat in de Brabantse Yeesten zelf de auteur nergens bij naam wordt genoemd en aan de hand van de proloog waarmee de Voortzetter zijn werk begint.  Daarin wordt gesteld dat de Yeesten niet door één man geschreven zouden zijn.

 

                Of si oec niet volbracht en waert

                Bi hem allene, des mach men moeden,

                Soe biddic Gode dat hi wil hoeden

                Hare alre zielen, wi si sijn,

                Of wie si waren, voor dewege pijn,

                Ende met den eewegen licht verlichten,

                Die dese ieesten holpen dichten.                                                                                           (VI 50-56)[73] 

 

Aangezien er verder geen aanwijzingen gegeven worden in de Voortzetting, kunnen we geen verdere argumentatie hierop voortbouwen, maar Heymans stelt dat dit toch op zijn minst vreemd is voor de middeleeuwse traditie.[74]

 

2.2.  Boek VI-VII[75]

 

2.2.1.  Datering

 

De datering van de Voortzetting is niet moeilijk te bepalen.  Op 3 december 1432 voltooide de dichter van de Voortzetting het zesde Boek, dat 11982 verzen bevatte en het zevende Boek, goed voor 18186 verzen, werd voltooid in 1441.[76]  Dit weten we niet alleen doordat de anonymus dit zelf vertelt in de Voortzetting, maar we kunnen het ook afleiden uit de autograaf van de Voortzetting, die onder signatuur 17017 in Brussel bewaard wordt. Deze autograaf bevat bijna de hele tekst van het het zesde Boek (Johannes Gevartius voegde enkele folia toe) geschreven door de auteur van de Voortzetting.  Er zit ook een latere kopie van Boek zeven in.[77]   Wanneer we in het vervolg over de ‘autograaf’ spreken, dan bedoelen dan uiteraard het autografische gedeelte van het zesde Boek. De datering van de watermerken sluit heel goed aan bij de voorgenoemde data.  Twijfel omtrent deze data is dus zo goed als uitgesloten.

Stein vermeldt dat, zoals de Brabantse Yeesten, de Voortzetting ook in fasen ontstaan is.  Dit wordt duidelijk als we de autograaf bekijken.  In die autograaf vinden we vier handen terug.  De eerste hand, die 98% van het zesde Boek heeft geschreven, is die van de dichter zelf.  De tweede hand is, net als de eerste, vijftiende eeuws en komt verspreid voor.  Deze hand zorgde er met verwijzingstekens voor dat bepaalde stukken op een andere plaats terecht kwamen en hij herschreef ook verschillende verzen.[78]  Stein noemt deze hand “structurerend en corrigerend.”[79]  We zullen zien dat dit de hand van Petrus De Thimo is.  De derde hand komt voor op fol. 48r en 49r.  Omdat dit de enige plaatsen zijn waar ze voorkomt, is deze niet zo belangrijk.  De vierde hand is een zeventiende eeuwse cursief van Gevartius die, naast het toevoegen van enkele folia, ook aantekeningen maakte bij de tekst.

Zoals gezegd, is de autograaf van onontbeerlijk belang voor het onderzoek naar de fasering van de Voortzetting.  Stein ontdekte dat de dichter een verzentelling aanbracht terwijl hij aan het schrijven was.  Dankzij deze verzentelling – en vooral het verstoren ervan – en dankzij de andere overgeleverde handschriften waarin de Voortzetting is opgenomen[80] kunnen we de oudste delen van de tekst achterhalen.  De vier ontstaansfasen van de Voortzetting zijn de volgende:

 

 

Dankzij een vermelding van de auteur weten we dat de twee Boeken van de Voortzetting door éénzelfde dichter geschreven zijn en het voorkomen van zijn hand in alle schrijffasen bevestigt dit.[84]  Enkel de hand van Petrus de Thimo komt ook voor in meerdere schrijffasen; de tweede en de vierde.

 

2.2.2 Bronnen

 

Te Winkel is – behalve Stein, uiteraard – ongeveer de enige die iets vermeldt over de bronnen die de anonieme Voortzetter heeft gebruikt.  Hij vertelt ons:

Als bron gebruikte de schrijver, behalve mededelingen van ooggetuigen, ook uitvoerig door hem vertaalde officiëele stukken, het geschiedwerk van Meester Jan Froysart”, het gedicht van den Grimbergschen Oorlog en de Latijnse kroniek vanMeester Emont van Dynter”,  reeds onder Hertog Anthonys en verder tot aan zijn dood in 1448 geheimschrijver der Brabantsche hertogen, die zelf weer voor vroegeren tijd de Yeesten van Boendale had gebruikt.[85]

 

Ook Stein vermeldt mondelinge overleveringen en historiografische werken als bronnen voor de Voortzetting.  De werken die hij noemt zijn deze:

 

 

Het is zeer waarschijnlijk dat er nog historiografische bronnen gebruikt zijn die verloren zijn gegaan.[86]  Aangezien de dichter er zelf naar verwijst in de Voortzetting staat het gebruik van deze bronnen zo goed als vast, al zou het kunnen dat er tussen de Chronique Latine van Stavelot en de Voortzetting een omgekeerde relatie aan de gang was, evenals tussen de Chronique du règne en de Voortzetting.  Het is mogelijk dat beide Chroniques schatplichtig waren aan de Voortzetting en niet omgekeerd.

Het moet ook vermeld dat het waarschijnlijk is dat de Voortzetter niet persoonlijk de Chroniques van Froissart heeft gebruikt, zoals is af te leiden uit de afkortingsfout die hij maakte in de naam; eerst schreef hij “Froysater” en pas later veranderde hij dit in het juiste “Froysart”. 

Hoe belangrijk deze bronnen ook mogen geweest zijn, ze zijn lang niet zo belangrijk als twee andere bronnen die de Voortzetter kon gebruiken; De Mutatione van Emond De Dynter en de Brabantiae historiae diplomatica van Petrus De Thimo.  Deze bronnen worden hier achtereenvolgens besproken.

 

De Mutatione

 

Dit is een kort traktaat van Emond De Dynter.[87]  Deze naam kennen we volledig dankzij een notarisoorkonde uit 1411.  Emondus Ambrosii de Dynter alias de Gravia, ondertekende de oorkonde.[88]  Emond De Dynter stamt af van het riddergeslacht De Dynter, leenmannen van de heren van Cuyk en was waarschijnlijk afkomstig uit Grave, blijkens het hierboven genoemde citaat.  Hij werd waarschijnlijk tussen 1370 en 1380 geboren als zoon van Ambrosius.  Rond 1403 trouwde hij met Hildegonde van Olmen, waarmee hij een jaar later een zoon had.  In oktober 1394 zien we hem eerst vernoemd als prebendehouder van de Sint-Pieterskerk in Braux en te Mezières in het diocees Reims.  In Brussel, waar hij lange tijd woonde, wordt hij het eerst vernoemd in 1411.  Men neemt aan De Dynter het Duits beheerste en waarschijnlijk de meestertitel in de artes behaalde in zijn jeugd.  In 1412 trad hij waarschijnlijk in hertogelijke dienst.  Zoals hierboven vermeld, was hij notaris, al gebruikte hij dit waarschijnlijk als opstap voor een ambtelijke carrière.  Hij zou tot 1438 in dienst blijven van de hertogen en sterven in 1449.  Ook zijn zoon Ambrosius trad in 1426 in hertogelijke dienst.  De Dynter was hertogelijk secretaris en moest daarvoor veel reizen maken; hij maakte behoorlijk wat mee.  In 1442 werd hij door Filips de Goede benoemd tot kannunik in de Sint-Pieters kapittel in Leuven, waar hij in 1425 mee de universiteit had opgericht.  In 1443 moet hij echter weer in Brussel hebben gezeten, want hij gebruikte voor zijn Chronica gegevens uit de hertogelijke kanselarij.  Hij stierf in 1449 en werd begraven in de Sint-Jacobskerk op de Coudenberg. 

Wat De Dynter nu zo uitermate geschikt maakte voor zijn rol als informant aan De Thimo en de voortzetter, was uiteraard zijn positie als hertogelijk secretaris.  Als hertogelijk secretaris moest De Dynter vaak in de hertogelijke kanselarij zitten.  Daar werden redacties en expedities van de akten van de hertog gemaakt, het was de ‘pedant’ van de kerkelijke en stedelijke administratie.  Er waren zo vijf tot zeven secretarissen in de kanselarij die allemaal bijgestaan werden door klerken.  Secretarissen moesten oorkonden en kopiën van oorkonden van het centraal gezag opstellen en zich ervoor garant stellen met een handtekening.  Het was deel van hun taak om de hertogelijke raad bij te staan op diplomatieke missies en bij het beëdigen van de wet in steden, waar ze een formele rol van griffier en organisator vervulden.  Het staat bij gevolg vast dat De Dynter aanwezig was bij tal van belangrijke gebeurtenissen en beslissingen en zo veel kennis kon vergaren.  Zo heeft hij de problematische relaties tussen Rooms-koning Sigismund en de Bourgondische en Brabantse hertogen, en de problemen met de Bourgondische erfopvolging in Brabant van dichtbij mogen meemaken.  Beide aspecten zijn belangrijk in de Voortzetting.  De Dynter stond echter niet alleen passief toe te kijken, hij werkte ook actief mee aan bepaalde gebeurtenissen, zoals het huwelijk van Jan IV met Jacoba van Beieren, en het – later afgelaste – huwelijk van Filips van Sint-Pol met Jolanda van Sicilië.  De Dynter had dus veel kennis over het leven van de hertogen en de politieke situaties waarmee ze te maken kregen.  Al deze kennis en informatie hield De Dynter bij in een soort dagboek, zijn ‘memoriale’:

 

Qua missa finita, et dictis hiis que erant dicenda de tempore quo fuerunt penes regem, emondus, habens in manu sua memoriale suum, continuavit relacionem suam de hiis que viderat et audiverat ...[89]

 

Dit dagboek heeft hij hoogstwaa