| De ceremoniële dansen van de Wodaabe nomaden uit Niger. Een onderzoek naar de gelaatsbeschilderingen. (Jacques Van Nieuwerburgh) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
In dit hoofdstuk proberen we een overzicht te geven over de algemene aspecten die deze gemeenschap karakteriseren. We bekijken hun leefmilieu en de klimatologische omstandigheden die sterk bepalend zijn voor hun overlevingskansen.
De Wodaabe zijn een etnische minderheid die deel uitmaakt van de grote Fulbe groep, verspreid over westelijk Afrika, van Senegal tot Soedan. Ze spreken een gemeenschappelijke taal Fulfulde, waarin duidelijke dialecten te herkennen zijn naargelang de regio. We willen hoe ze in Niger terechtkwamen en welke de grote lijnen in hun geschiedenis reconstrueert. Hierbij is het interessant na te gaan wat ze zelf weerhouden hebben van deze geschiedenis.
Deze herdersgemeenschap staat bekent omwille van hun typische koeien van het Bororoji ras. We willen nagaan hoe de sociale en economische eenheden functioneren en op welke manier ze in relatie staan met de algemene markteconomie. De grootte van de sociale gemeenschap en van de kudde moet evenwichtig zijn en wordt bepaald door de beschikbaarheid van factoren als arbeid en melk. Om dit evenwicht te bewaren wordt gebruik gemaakt van verschillende sociale mechanismen.
De organisatie van hun kampementen laat een duidelijke hiërarchie zien die een weerspiegeling is van de sociale organisatie. Op dezelfde wijze krijgt alles een oriëntatie mee volgens de vier windstreken. Van de opstelling in de dansen tot de kalebassen in de woonst wordt alles geschikt volgens bepaalde oriëntatieprincipes. We gaan na hoe de ruimtelijke indeling bij deze nomadengroep uitdrukking krijgt.
We proberen een overzicht te geven hoe een individu binnen deze gemeenschap opgroeit en de belangrijke gebeurtenissen die zijn leven markeren. We gaan na op welke wijze het individu functioneert binnen de gemeenschap en hoe deze gemeenschap op zich georganiseerd is.
Deze nomadische groep leeft volgens een gedragscode die zich onderscheid van de andere Fulbe groepen. Ze zien zichzelf als de enige dragers van de traditie die ze van hun voorouders gekregen hebben. Deze gedragscode is verweven in alle aspecten van het dagelijks leven. Het bepaalt tegenover wie extreme terughoudendheid moet getoond worden en met welke aanverwanten een schertsrelatie aangegaan wordt.
Deze etnische groep die het onderwerp vormt van onze studie is een nomadengemeenschap die in de loop der eeuwen grote gebieden doortrokken heeft. Veel informatie is hierover niet overgebleven en wat over deze groep gezegd kan worden heeft doorgaans betrekking over algemene lijnen. Er bestaat geen eensluidende zekerheid over hun afkomst en in de geschreven geschiedenis worden ze meestal in de marge vernoemd. Tot op de dag van vandaag worden hun aantallen slechts bij benadering weergegeven. Dit komt omdat ze niet integraal deel uitmaken van volkstellingen en omdat hun mobiliteit deze volkstellingen omzeilt.
Dit nomadisch volk dat deel uitmaakt van de grote Fulbe gemeenschap heeft weinig sporen achtergelaten bij hun migraties over de eeuwen heen. Pas in de zeer recente geschiedenis worden ze voor het eerst vernoemd, meestal in de marge van de grote evenementen. In het historische luik gaan we uitgebreid op zoek naar het ontstaan van deze etnische identiteit en de ontwikkelingen die hen tot in Niger brachten. Deze verhandeling heeft enkel betrekking op de Wodaabe die hier hun migratieroutes hebben.
1.1.1. Geografische situering:
De Wodaabe verblijven sinds langer dan een eeuw in de sahelzone van Niger. Hun overlevingskansen in deze streek zijn afhankelijk van een kwetsbaar evenwicht van verschillende factoren, zowel op klimatologisch als op ecologisch vlak. De beschikbaarheid van water is daarin het meest cruciaal, zowel voor mens en dier.
1.1.1.1. Algemene afbakening
De Republiek Niger situeert zich in West-Afrika, ten zuidoosten van Algerije en benoorden Nigeria, tussen de 16° en 8° noorderbreedte. De totale oppervlakte van 1.267 miljoen km2, waarvan slechts 300 km2 water, ligt over de gehele omtrek omsloten door land. De langste grenzen worden gevormd met Nigeria (1497km), Tsjaad (1175 km) en Algerije (956 km). Niger wordt eveneens afgebakend door Mali, Burkina Faso, Benin en Libië. De hoofdstad Niamey is zuidwestelijk aan de Niger rivier gelegen. Het hele gebied wordt verdeeld in administratieve divisies.
Niger is in 1958 onafhankelijk geworden van Frankrijk, na 60 jaar koloniaal bewind. Pas in 1993 heeft dit land voor het eerst openlijke verkiezingen gehouden, waarna verschillende machtsovernames gebeurd zijn. In 1995 werd een vredesverdrag gesloten met noordelijke Touareg rebellen.
De totale bevolking van de Republiek Niger wordt geschat op ongeveer 10 miljoen inwoners. Met een kindersterfte van 12.4%, is de gemiddelde leeftijdsverwachting slechts 41jaar.
1.1.1.2. Klimatologische omstandigheden:
Algemeen kunnen we zeggen dat de uitgestrektheid van Niger, aanleiding geeft tot verschillend klimaatzones, waardoor er ook verschillende landschapstypes voorkomen. Over de zuidelijke regio’s, van 14° tot 16° noorderbreedte loopt de hele Sahel strook. Benoorden de Sahel bevindt zich de Sahara woestijn, met bergen en ook vlakten met duinheuvels. Deze sahelstrook daarentegen is gekenmerkt door steppe graslanden met dun bezaaid struikgewas, met weinig bomen. In deze onherbergzame regio’s migreren de Wodaabe. In de zuidelijke regio’s krijgen we meer gemiddelde jaarlijkse neerslag, waardoor beperkte landbouw mogelijk is. Dit woestijnklimaat maakt Niger tot een van de warmste landen van de wereld. De terugkomende droogtes vormen dan ook de belangrijkste natuurlijke gevaren.
Vanwege de strikte relatie tussen klimatologische omstandigheden, en beschikbare graslanden, is de seizoensgebondenheid voor een herdersvolk zoals de Wodaabe uiterst belangrijk. De jaarindeling van de Wodaabe heeft daarom een eigen schema gekregen, waarbij we het noodzakelijk achten om dieper in te gaan. Binnen de tweeledige opsplitsing van droog -en regenseizoen weet Dupire M. onderscheid te maken tussen 5 seizoenen die het levensritme van deze nomaden bepaald. Bonfiglioli vermeldt dat sinds de jaren ’40 de periodes meer geaccentueerd worden en dat men tot een indeling van 8 seizoenen per jaar komt. (Bonfiglioli 1988: 134)
Regenseizoen
Wanneer de zuidwestelijke moesson zich installeert, breekt het regenseizoen (duungu) aan. In deze winterperiode zijn de regens onregelmatig en lokaal. De hoeveelheid neerslag kan van jaar tot jaar sterk variëren, evenals de periode waarin deze neerslag valt. Aan de eerste regens gaan hevige zandstormen vooraf. Door de neerslag kan het gras op de steppe groeien en vormen zich waterpoelen in de lagergelegen gebieden en uitgedroogde rivierbeddingen. De temperaturen blijven hoog tijdens dit seizoen.
De graslanden in de noordelijke valleien bezitten specifieke minerale waarden die noodzakelijk zijn voor een evenwichtige voeding van de kuddes. Deze migraties worden omwille van deze zoute graslanden, cure salée genoemd. De waterpoelen die zich gevormd hebben bieden voldoende water voor kudde en mens. Deze periode duurt ongeveer 3 maanden in de sahelzone, 2 maanden in de soedanzone, en slechts één maand in de Sahara, boven Agadez. Aan het einde van deze periode vinden de grote festiviteiten plaats die de Wodaabe groepen verenigen. Hierna worden de regens minder frequent (jawo -seizoen). De poelen worden droog en de nomaden trekken zuidwaarts (Dupire 1996: 60).
Droogseizoen
Vanaf de maand oktober verminderen de regens en start het droogseizoen dat zal duren tot juni. Rond december waait de warme noordwestenwind uit de woestijngebieden (harmattan) over de steppe. December en januari zijn bij uitstek koude periodes, vooral tijdens de nacht daalt de temperatuur tot rond het vriespunt en verwarmt men zich rond kampvuren. Deze periode van extreme temperatuursverschillen wordt dabbunde genoemd.
De droge periode (ceedu), februari tot maart, kent overdag temperaturen van 50°C in de schaduw. Soms wordt de zon door het opwaaiend zandstof en windhozen verduisterd en zakt de temperatuur tot 15°C.. Gedurende deze periode is de voedingswaarde van het gras sterk gedaald. De watervoorziening voor mens en dier is beperkt tot waterputten, waardoor de Wodaabe zich meestal terugtrekken in de pré-sahelregio, waar vooral grassteppe is (Dupire 1996: 59).
De daaropvolgende maanden moeten als een overbruggingsperiode (guulele) gezien worden. De maanden april en mei kennen zeer hoge temperaturen. In deze periode is er veel schaarste aan water en voeding voor mens en dier. Dit is de periode dat de landbouwactiviteiten voor de sedentaire gemeenschap beginnen.
1.1.1.3. Vegetatie en fauna:
Vegetatie
Zoals we gezien hebben volgt de vegetatie de verschillende klimaatzones die Niger doorkruisen. In het noordelijk gedeelte, vanaf Agadez, treffen we woestijngebied aan, waarvan grote delen uit zandduinen bestaan, zoals de Ténéré, of uit rotswoestijnen, zoals de Aïr. Enkel in de oasen van deze regio’s treft men permanent bewoonde plaatsen aan. Het zuidelijke deel, de sahelzone en soedanzone, omvatten ongeveer een vijfde van de totale oppervlakte. Deze klimaatzones hebben als typisch kenmerk dat naarmate men meer zuidelijk gaat, de steppe begroeiing veranderd in savanne, door de toename aan neerslag.
Deze heuvelachtige steppe wordt in het westen en centralezuiden gekenmerkt door oude, uitgedroogde riviervalleien, zoals die van de Azawag en Golbin. Ze vloeien vanuit noordoostelijke richting naar de Niger rivier. In deze steppe en savanne, die ongeveer 7% uitmaakt van de totale oppervlakte, kan men aan beperkte veeteelt en landbouw doen. Het overgrote deel (90%) is hiervan afhankelijk. Toch is slechts een fractie van de totale oppervlakte (3%) geschikt voor landbouw. Het zijn vooral sedentaire gemeenschappen, zoals Haussa en Djerma – Songhaï, die aan beperkte landbouw doen. De landbouwproducten die men teelt zijn vooral gierst en sorghum en in mindere mate tapioca, aardnoten en katoen. De veeteelt heeft vooral betrekking op runderen, geiten, schapen, kamelen en ezels. Slechts 17% van de bevolking leeft in stedelijke gebieden. Andere natuurlijke rijkdommen zoals uranium, ijzererts, tin, goud en petroleum zijn slechts in beperkte mate aanwezig. Meer dan 63% van de bevolking leeft dan ook onder de armoedegrens.
De Sahel regio kent verschillende variëteiten van grassoorten, die bij de eerste regens zeer snel kiemen en groeien. Dit landschap heeft heel weinig bomen en struiken. Het is vooral de doornige acacia boom, met wortels tot dertig meter onder de grond die hier in verschillende soorten voorkomt. De Acacia senegal wordt gebruikt voor het vlechten van touwen, waardoor de boom in aantal sterk verminderd is. Ze zijn ook voedzaam voor de dieren. Bij de waterpoelen vindt men struik -en bladergewas, die als ingrediënten die in maaltijden bereidt worden. Hier treft men ook de zoete bessen van de tanni boom (Balanites aegyptiaca) (van Offelen 1983: 118).
Fauna
De meeste grote diersoorten die men in deze gebieden aantrof werden tijdens de grote droogtes gejaagd of zijn gevlucht naar meer zuidelijke gebieden. In de verhalen komen deze dieren uitgebreid aan bod. Zoals de giraffen, nijlpaarden en hyena’s komen voor in de metaforen en zegswijzen. Vooral de gazelle wordt geprezen om haar elegantie en ranke nek, karakteristieken die de mannelijke dansers nastreven. (van Offelen 1983: 119)
Ook vogels komen aan bod, zoals de gieren en wevervogels. De kraanvogels waarover men in de legendes verhaalt blijken verband te houden met de ceremoniële dansen van de Wodaabe. De pluimen van de struisvogel maken nog steeds deel uit van de basisopmaak bij deze ceremoniële dansen. Andere vogels, zoals de trapgans en de veereiger worden omwille van hun karakteristieke kenmerken verwerkt in magische preparaten. Ook de kameleon, met zijn veranderende huidskleur en typische oogbewegingen, wordt om diezelfde reden in preparaten vermengd. Het zijn kwaliteiten die zeer belangrijk zijn bij het dansen (van Offelen 1993: 119).
Zoals we later zullen bespreken, jagen de Wodaabe niet op wilde dieren. De pijlenkoker en boog, die vroeger deel uitmaakten van de basisuitrusting van deze herders, diende enkel ter bescherming van aanvallen van wilde dieren of veedieven. Slechts enkele typische dieren worden gebruikt in magische brouwsels, maar ze worden niet genuttigd.
De bodemerosie, overbegrazing en verdere uitbreiding van de woestijn vormen de grootste ecologische bedreigingen. Deze gebieden kennen een ondergrondse waterlaag die enkel toegankelijk is via diepe waterputten. Deze waterlagen situeren zich in de oude uitgedroogde valleien die tot aan de Aïr reiken.
1.1.2. Etnische situering
De Republiek Niger kent een grote verscheidenheid aan etnische groepen. Elk hebben ze hun plaats in die maatschappij en de onderlinge relaties krijgen een verschillende invulling. De invloed van naburige volkeren heeft niet enkel betrekking op de externe, materiële cultuur zoals bij de Touareg. Zo hebben de Wodaabe ook socio -politieke structuren overgenomen van de Haussa. (Dupire 1996: 59).
Niettegenstaande de Wodaabe slechts een minderheidsgroep binnen de grote Fulbe gemeenschap vormt, vinden wij het toch noodzakelijk om deze gemeenschap apart toe te lichten. Met name de onderlinge relaties met de Wodaabe gemeenschap zijn van belang. Het is ook noodzakelijk om bepaalde cultuuraspecten in een ruimer kader te plaatsen. In het historische deel krijgen we een idee hoe deze Fulbe2 gemeenschappen zich over West-Afrika verspreiden en in Niger aangekomen zijn. Eerst bekijken we deze Fulbe gemeenschap in Niger.
1.1.2.1. Etnische groepen in Niger
De totale bevolking van 10 miljoen wordt voor meer dan de helft opgemaakt uit Haussa (56%). Ze zijn meestal handelaars, maar doen soms aan landbouw of hebben andere beroepen. Ze leven verspreid in de centraal zuidelijke regio, langs de grens met noord Nigeria. Ze zijn afkomstig uit deze regio en hier treft men nog steeds de grootste concentratie aan. Deze sedentaire samenleving heeft zich eveneens gevestigd in de verschillende regio van Niger, zoals de Ader, Damergou, Damagoram en Goulbin. Een groot deel van de Fulbe gemeenschap leeft samen met de Haussa.
De Touareg gemeenschap bestaat voornamelijk uit nomaden die in de noordelijke woestijngebieden handel drijven met hun kamelen. Ze zijn in aantal ongeveer even groot als de Fulbe gemeenschap (8,5%). In de 17e eeuw kwamen ze vanuit de Magreb en vestigden zich in de Aïr zone van noord Niger. Ze leven in clanverband in verspreide gebieden en hun sociale organisatie kent sociale kasten. Het zijn geduchte krijgers die in de populaire literatuur ook wel de “Blauwe Mannen” genoemd worden. Dit komt omdat de indigo kleur van hun tulband afgaat op de huid (van Offelen 1993: 90). Sommige Touareg clans, zoals de Kel-Gress, leven een sedentair bestaan ten zuiden van Agadez. Men treft er ook Arabieren aan, die sterk beïnvloed zijn door de Touareg en ook hun taal Tamacheq overgenomen hebben.
Deze Touareg hebben met de Wodaabe een ambivalente verhouding. Enerzijds respecteren ze deze groep en nemen ze de kledinggewoontes over, evenals hun rijk ambachtelijke materiaal. Sommige families onderhouden sinds vele generaties, vriendschappelijke contacten en leggen wederzijdse beleefdheidsbezoeken af tijdens feesten. Anderzijds geringschatten ze de Touareg omdat ze in tenten leven en dus geen echte nomaden zijn (Brandt 1956:75). De relaties worden vaak bezoedeld door de disputen tussen beide gemeenschappen omwille van het gebruik van de waterputten.
De Bouzou, ook wel Bella genoemd, waren een voormalige dienarenkaste van de Touareg. Nu zijn het herders in loondienst of smeden die zich in dorpen vestigden. Hun vrouwen leggen zich toe op het bewerken van leer. De Wodaabe doen beroep op deze smeden om hun zwaarden, messen en juwelen te maken. Deze activiteiten vinden ze voor zichzelf onwaardig. Een andere significante groep zijn de Djerma- Songhaï (22%), die zich ophouden in de zuidwestelijke regio van Niger
Verder zijn er nog de Beri Beri (4.3%) die zichzelf Kanouri noemen en afkomstig zijn uit Borno, Nigeria. Deze groepen houden zich voornamelijk op in de omgeving van Zinder, Tanout en Gouré. De kleinere gemeenschappen, zoals de Gourmantche of de Maouris, die nabij Dogondoutchi verblijven, of de Toubous nabij Tibesti, zijn zeer beperkt in aantal. (Dupire 1992: 25)
1.1.2.2. De Fulbe gemeenschap:
De Fulbe populaties zijn wijd verbreid over westelijk Afrika. Ze komen voor in 18 landen van Senegal tot Centraal Afrika, (Krt. 1). Onder de Engelstalige term kennen we ze als Fulani. De Franstaligen gebruiken de term Peul en in sommige Afrikaanse landen staan ze bekend onder Pulaar, Fula of Fellata. Wij verkiezen de term Fulbe, waarmee ze ook zichzelf aanduiden. Over het algemeen spreken de Fulbe groepen, naast hun eigen taal, ook nog de taal van de sedentaire gemeenschappen bij wie ze leven. (Dupire 1996: 51)
Heel deze gemeenschap, waar de Wodaabe deel van uitmaken, worden geschat op ongeveer 20 miljoen leden. De Fulbe zijn met 8.5% van de totale bevolking in Niger, de vierde grootste etnische groep. Ze zijn als laatst in Niger binnengekomen en hebben zich gevestigd op de plaatsen die het minst bevolkt waren. De demografische samenstelling is volgens Dupire M. slecht gekend door de fluctuerende migraties. (Dupire 1996: 59)
Volgens Bovin hebben ze 3 kenmerken gemeenschappelijk. Ze spreken allemaal dezelfde taal, Fulfulde, uiteraard met dialectische variaties naargelang het gebied. Hun levensvisie wordt bepaald door een gemeenschappelijke, morele gedragscode, laawol pulaaku, de Fulbe levenswijze (zie 1.5.4). Een laatste kenmerk is hun sterke affiniteit met vee. (Bovin 2001: 13)
Bonfiglioli maakt een onderverdeling van de Fulbe die zich in Niger ophouden. Als eerste heeft men de pure nomaden, waaronder de Wodaabe. Ze zijn gekend onder de naam Bororos, genoemd naar de typische zeboe runderen van hun kuddes (zie 1.2.3.2). Een tweede groep zijn de Fulbe na’i. Het zijn veehouders die afhankelijk van de geografische zone en tijdens het regenseizoen aan transhumance doen. De Fulbe siire zijn de groepen die in stedelijke centra wonen en over het algemeen handel drijven of kuddes bezitten die verzorgd worden door herders in loondienst. De laatste groep wordt gevormd door geaffilieerde groepen. Ze kunnen zich verder onderverdelen op basis van religieuze achtergronden (zoals de Toroobe), of omwille van hun professionele activiteiten, zoals smeden en handelaars (de jawanbe). Deze groepen zijn niet strikt afgelijnd en moeten daarom gezien worden als een algemene indeling. (Bonfiglioli 1988: 24)
1.1.2.3. Relatie tussen Fulbe en Wodaabe
In Niger net zoals in andere landen leven de Wodaabe geografisch dicht bij de andere Peul. Ze houden er een ambigue relatie op na, ook al zijn ze van dezelfde familiegroep. Enerzijds voelen ze zich verbonden door cultuur en door taal, maar anderzijds voelen ze zich volledig vreemden, vooral wanneer het op religieuze aspecten betrekking heeft. Bonfiglioli vindt dit een gevolg van de splitsing die zich voordoet tussen rurale bewoners en het ontstaan van een stedelijke elite, zoals dit bij meerdere etnische groepen voorkomt. (Bonfiglioli 1988: 57).
Dit in tegenstelling tot Dupire die deze splitsing binnen de Fulbe wereld ziet als een gevolg van de verschillende waarde die gegeven wordt aan de morele gedragscode, pulaaku, en waaruit tegengestelde conclusies gedestilleerd worden. Dupire duidt erop dat de relatie tussen de Fulbe gemeenschap en de Wodaabe, als een slingerbeweging kan gezien worden. Omwille van die reden is er geen duidelijke culturele grens tussen beide gemeenschappen kan getrokken worden. (Dupire 1996: 39)
De karakteristieke verschillen tussen de Fulbe en de Wodaabe zoals deze eertijds golden, zijn tegenwoordig nog weinig hanteerbaar. De typische lederen omslagdoek van de Wodaabe, de dedo, draagt men enkel nog tijdens de ceremoniële dansen. Deze geerewol dans, die zijn naam aan de ceremonie gegeven heeft komt enkel bij de Wodaabe voor. De Fulbe daarentegen kennen traditionele soro ceremonie, een soort martiale dans. Ook het teegal huwelijk is bij de Wodaabe nog in gebruik, terwijl de sedentaire Fulbe het islamitische huwelijk volgen. Ook erfenisregeling werd bij de Fulbe geïslamiseerd. (Dupire 1996: 39)
De fysionomie van de Wodaabe onderscheidt zich volgens Dupire duidelijk van de omringende volkeren. De verschillen betreffen vooral de musculatuur en het beendergestel. Ze hebben uitgesproken ranke en slanke lichamen, met lange ledematen en fijne gelaatstrekken. In hun trage, maar sierlijke bewegingen ziet de schrijfster de voortzetting van de houding van hun voorouders. Het verbindt de Fulbe over de eeuwen heen met de volkeren van de Nijl (Dupire 1996: 5). Hun huidskleur is lichtbruin en roodachtig. En de huid van hun pasgeborenen verkleurt opmerkelijk minder snel dan van hun buurvolkeren. De babylichaampjes worden gemasseerd, alsof men het wil modeleren. Dit verandert ongetwijfeld weinig aan de morfologie, maar laat wel duidelijk hun aspiraties zien. (van Offelen 1993: 17).
Nog volgens Dupire zijn deze nomaden zich volledig bewust van hun somatische afkomst en hebben ze er een schoonheidscultuur van gemaakt, die hen voortdurend bezighoudt. Dit wordt dagelijks bevestigd door het aanbrengen van mascara en de zorg voor het gelaat. Zij gebruiken alles wat in hun mogelijkheid ligt, zowel natuurlijke of magische middelen, om het archetype dat zij voor ogen hebben, te evenaren.
Vanuit hun etnocentrisme zien de Wodaabe zichzelf helemaal boven aan de top van de etnische hiërarchie. Ze vinden zichzelf de zuivere Fulbe omdat zij de originele Fulbe erfenis bewaren en de nomadische levenswijze van hun voorouders verder zetten. Ze zijn van mening dat de sedentaire Fulbe hun afkomst loochenen. (Bovin 2001: 14) (Loncke 2000: 29). Over hun negroïde buurvolkeren zeggen ze dat ze een lelijke fysionomie hebben en hun huid te zwart is om mooi te zijn. Ze verachten hun vraatzucht en vinden ze praatziek. Alle handenarbeid, landbouw of artisanaal werk wordt met minachting bekeken. Alle negroïde personen worden minachtend Haabe genoemd. (Brandt 1956: 75). (van Offelen 1993: 90). Bovin vermeldt dat de Wodaabe op gelijke voet en zonder nederigheid met westerlingen omgaan, iets wat bij andere etnische groepen niet evident is (Bovin 2001: 10).
Zoals de Wodaabe hun eigen cultuur vooropstellen, zo gaat het ook met hun buurvolkeren die minachtend neerkijken op de levenswijze van de Wodaabe. (Bovin 2001: 15) De sedentaire Fulbe, die sterk geïslamiseerd zijn, zien de Wodaabe als zwervers, aan de rand van de geciviliseerde wereld, levend in een wildernis waar men onmogelijk kan overleven zonder pakt gesloten te hebben met de geesten. (Loncke 2000: 29)
1.1.2.4. Wodaabe in Niger
Deze etnische minderheid die in de marge van de Fulbe gemeenschap leeft, noemt zichzelf Wodaabe3. Een lid van deze groep noemt men Bodaado, omdat elk lid de mboda of taboe naleeft. De term Wodaabe wordt daarom vertaald als: “mensen van de taboe”. Deze etnische term verwijst naar de talrijke taboes en verbodsbepalingen die ze naleven. Het vormt de basis van hun etnische identiteit. De verbodsbepalingen, die betrekking hebben op het uitspreken van namen en sociale omgang met verwanten wordt verder beschreven in 1.5.1. (Bovin 2001: 11).
De etnische groep waarop deze verhandeling betrekking heeft kent ongeveer een totale populatie van 125.000 personen. Verspreid over Tsjaad, Kameroen, Nigeria en Centraal Afrika, met het overgrote deel in de Republiek Niger. Men schat hun aantal op ongeveer 65.000, maar gezien hun nomadische levenstijl kan dit cijfer slechts bij benadering vermeld worden. Loncke en Bonfiglioli hebben het over aantallen tussen de 80-100.000 leden in Niger (Loncke 2000: 21)(Bonfiglioli 1988: 12). Bij hun migraties worden ook nationale grenzen overschreden.
De Wodaabe zijn niet op de hoogte van hun soortgenoten in andere West-Afrikaanse landen. Hun geografisch, historisch en sociaal universum is een synthese van enkele voorafgaande generaties. (Dupire 1996: 324). Het moet gezegd worden dat de talrijke Wodaabe die sinds de laatste jaren enkele westerse landen bezoeken, daar ongetwijfeld verandering in gebracht hebben.
De exacte verdeling van de Wodaabe over Niger, kan omwille van het nomadisch bestaan, slechts bij benadering aangegeven worden. Ook de nationale grenzen worden bij hun migraties overschrijden. Ze zijn verdeeld over de gehele sahelzone, tussen de 14° en 16° noorderbreedte. Men treft belangrijke concentraties aan ten noorden van de Ader, tussen Tahoua, In-Gall en Tchin – Tabaraden, met name de valleien van de Azawagh en de Azar. Een andere belangrijke concentratie is de Damergou regio, ten noorden van Tanout, in de valleien van de Tarka. De meest oostelijke concentraties zijn gelegen in de Manga regio in de Diffa departement. Bovin voegt hier nog de regio Maradi aan toe. Deze auteur heeft haar onderzoek vooral in de oostelijk gelegen Manga regio uitgevoerd. (Bovin 2001: 11).
Bij navraag aan verschillende overheidsinstanties, ministeries en N.G.O.’s in Niger, blijkt dat er geen kaarten beschikbaar zijn met de huidige verspreiding van de Wodaabe. De kaart (Krt. 2) die we voorstellen is een samenvoeging van verschillende kaarten uit de literatuur, aangevuld met informatie uit geschreven bronnen en informatie afkomstig van onze informanten.
Er zijn Wodaabe die over de grens in noordoostelijk Nigeria, in Kameroen, Tsjaad of in Centraal Afrika verblijven. Ze zijn afkomstig uit dezelfde maximale lineages van de Alijam of de Degereeji (zie 1.3.4) of behoren tot andere maximale lineages, zoals de Waandu en Yaajaagooru (Bonfiglioli 1988:12).
1.1.2.5. Aanverwante groepen:
De analyse van deze Fulbe gemeenschap is door Dupire zeer grondig gebeurd. We wensen slechts een beperkt aantal aspecten hiervan te belichten die enerzijds de complexiteit van deze materie aanduiden en anderzijds verduidelijking kunnen brengen in de etnische situering van de Wodaabe. (Dupire 1993: 41-46)
In haar uiteenzetting maakt de schrijfster een onderscheid tussen bororo Wodaabe en andere bororo groepen. De term bororo4 wordt door haar gebruikt als aanduiding voor alle nomadische of semi-nomadische groepen van veehouders van het Bororoji zeboe ras. (Dupire 1993: 320). Ze vermeldt ook dat de van alle nomadische groepen, de Wodaabe het meest homogeen zijn.
Zoals we in het historische luik kunnen zien waren de verschillende Fulbe groepen gevestigd in de noordelijke regio van Nigeria, met centra als Sokoto en Borno. Veel aspecten van hun verblijf in deze omgeving zijn nu nog terug te vinden in hun cultuur en taal.
Sommige Wodaabe groepen (Dabanko’en; Katsinanko’en) werden hier afgesplitst omdat ze tot slaaf gemaakt werden door andere Fulbe en Wodaabe. Andere groepen werden in de loop der tijden sterk geïslamiseerd (zoals de Kabawa). Bepaalde Fulbe groepen werden na een sedentair bestaan opnieuw nomaden voor lange perioden zoals Wewebe groepen uit de Damergou. Hun gewoontes vertonen sterke gelijkenissen met die van de Wodaabe. Andere groepen zijn volledig sedentair geworden en vermengd met andere etnische groepen, en spreken niet langer de Fulbe taal.
Uit het onderzoek van Dupire (Dupire 1993: 41-46) naar de aanverwante groepen van de Wodaabe binnen de Fulbe gemeenschap zien we vooral de dynamische relaties tussen deze groepen, die een zeer nauwe interactie vertoont met de omgevingsfactoren. Er kunnen bij deze gemeenschappen geen rechtlijnige onderverdelingen gemaakt worden tussen sedentaire of nomadische groepen. Afhankelijk van socio-economische en ecologische factoren kiest men de meest adequate levensvorm van het moment. Deze flexibiliteit, in sommige gevallen opportunisme, vinden we ook nu sterk terug bij de Wodaabe gemeenschappen in Niger.
1.1.3. Historische situering
Wanneer we de geschiedenis van de Wodaabe bekijken moeten we in hoofdzaak teruggaan naar de Fulbe gemeenschap in zijn geheel. Het is pas in de meest recente geschiedenis dat we de Wodaabe als dusdanig kunnen bespreken. Op welk moment en welke wijze deze groep ontstaan is, kan niet achterhaald worden. In een volgend luik wensen we op zoek te gaan naar hun eigen ontstaansgeschiedenis en in welke mate deze nomaden een orale traditie kennen.
1.1.3.1. Ontstaansgeschiedenis
De vroegste tijden
Over de afkomst van de Fulbe groepen bestaat geen eensluidende visie. Bepaalde antropologen die zich baseren op legendes leggen de oorspong in het oosten. Ze zouden een mengeling zijn van Egyptische joden die, vervolgd door de Romeinen, uit Egypte gevlucht waren en zich vermengd hebben met andere Afrikanen. Andere theorieën zien een morfologische gelijkenis van de Fulfulde taal met Dravidische talen. Op basis hiervan leggen ze de oorsprong in Iran, waarbij ze een vergelijk maken met de Perzische nomaden. (van Offelen 1993: 30)
De meest aanvaarde theorie is dat ze afkomstig zouden zijn uit Ethiopië. Vóór de aankomst van de Berbervolken (3000 v. Chr.) zouden ze Noord- Afrika bevolkt hebben. In 1860 stelde H. Barth een migratie voor van de Fulbe voorouders die door de Centraal Sahara en het Algerijns Tassili massief trokken. Door het onderzoek van Henri Lothe over de rotsschilderingen kon deze hypothese enigszins bevestigd worden. Deze hypothese werd door nieuwe bevindingen verstevigd. (van Offelen 1993: 29)
Deze rotsgraveringen die dateren uit 5000vC-1800vC geven nauwgezet weer hoe de herdersgroepen in deze periode leefden, toen de Sahara nog vruchtbaar was. Men vindt er de runderen op terug met de lange liervormige horens. Sommige taferelen tonen details die opmerkelijk veel gelijken op de hedendaagse Wodaabe cultuur (Fig. 1). De opstelling van de kampementen, de typische kalfskoord, de vrouwenkapsels en de lange silhouetten met vlechten doen sterk denken aan de Wodaabe herders. Loncke merkt hier evenwel op dat de huidige Fulbe geen enkele traditie van picturale weergave kennen naar het voorbeeld van hun hypothetische voorouders. (Loncke 2000: 21) (van Offelen 1993: 30)

Fig. 1: Sommige details uit de rotsgravures van het Algerijns
Tassali massief (5000 vC-1800 vC) vertonen veel
gelijkenis met de hedendaagse Wobaabe cultuur.
De nomaden die hier tussen 4000 tot 2000 vC zouden geleefd hebben, werden door de desertificatie van de Sahara gedwongen om westwaarts te gaan op zoek naar graslanden. Rond 800 nC vinden we Fulbe groepen in Senegal. Vanaf de 11e eeuw spreiden ze zich verder uit over de soedan -en sahelgebieden en van de 15e eeuw vinden we deze Fulbe groepen terug in Tsjaad en Kameroen. Gedurende deze hele periode erkenden ze geen enkel centraal gezag. Pas in de volgende eeuwen zien we dat deze Fulbe twee kleine theocratische staten stichten. Foûta Djalon werd gesticht in 1725 en Foûta Toro in 1776, ze zijn gelegen in het huidige Guinée en Senegal. (Loncke 2000: 25)
Het verblijf in Borno en Sokoto
Aan het einde van de 18e eeuw bekeert Osman dan Fodio, door de Wodaabe Sheefu genoemd, zich tot de islam. Hij verzamelde een leger, waarbij vooral Fulbe gerekruteerd werden om de heilige oorlog te strijden. Hij ontwikkelde een machtig moslimrijk dat zich uitstrekte van de Nigervallei tot het Tsjaadmeer. Hierdoor werden de Haussa stadstaten onder zijn gezag verenigd en de islamisering langzaam doorgevoerd. Dit grote rijk, het kalifaat van Sokoto komt in 1804 tot stand, waarbij het gezag in handen is van een islamitische stadselite.
Loncke vermeldt dat deze elite behoort tot de Toroobe clan van de Fulbe. ( Loncke 2000: 25) maar bij Bonfiglioli zien we dat de term Toroobe een verzamelnaam is voor groepen die zich de islamitische eenheidsgedachte toeeigenden en dus als religieuze beweging moeten gezien worden (Bonfiglioli 1988:63). Behalve de twee lineages van de Bii-Koro’en Gojeawa bleven de meeste buiten de religieuze oorlog van dan Fodio. Deze twee lineages zijn meer geïslamiseerd.
Bij de dood van Osman dan Fodio in 1817, breekt het rijk in twee. Het westen komt onder zijn zoon Abdullaahi te staan. Het oosten gaat naar zijn zoon Bello, die er de hoofdstad Sokoto van maakt (nu in Noord Nigeria gelegen). Dit rijk blijft bestaan tot de komst van de Britten, eind 19e eeuw. (van Offelen 1993: 31) (Loncke 2000: 25)
Bij Bonfiglioli krijgen we een beeld van de positie van Wodaabe groepen tijdens de crisissen waarin de hoofdstad Sokoto voortdurend verkeerde rond de jaren 1850. Deze crisis zorgde voor een splitsing binnen de Fulbe gemeenschap. Een differentiatieproces dat veroorzaakt werd door socio-economische conflicten over het vruchtgebruik of eigendom van gronden die zich afspeelt tussen dorpelingen en landelijke bevolkingsgroepen. Deze scheiding tussen de Wodaabe en de Fulbe kan daarom niet als een etnische splitsing gezien worden.
Voorheen waren er enkel de Fulbe en de anderen, die Haabe werden genoemd. Vanaf deze periode zien we echter dat de Wodaabe zich sterk bewust worden van hun nomadische identiteit en dat ze die nog versterken. Ze maken zich los van het sleutelwoord pulaaku, dat de levenscode van de Fulbe omvat, en ze creëren een nieuwe term: mbodangaaku (zie 1.5.4). De Fulbe die de sedentaire levenswijze navolgen, worden met een minachtende term Ndoowi’en genoemd. Bij hen is de pulaaku gecorrumpeerd door de Haussa. (Bonfiglioli 1988:63)
Tezelfdertijd krijgt men een tegengestelde reactie. We zien de integratie van enkele Fulbe lineages, zoals de Njapto’en, die zich integreren in de Wodaabe gemeenschap. Andere Wodaabe groepen, zoals de Kawaaje voelen zich aangetrokken door het sedentaire bestaan en worden volledig geïntegreerd binnen de sedentaire Fulbe gemeenschap.
De strubbelingen in verband met het geloof en de zware taxaties die voor de kuddes moesten betaald worden, dwongen de nomadische groepen om naar andere gebieden te trekken. Sommige groepen gingen in westelijke richting, vanaf 1860 in oostelijke richting. (Stenning 1959: 106) Rond 1890 kunnen we twee gebieden herkenen waar de Wodaabe zich gevestigd hebben: Kabi en Sokoto. Volgens Bonfiglioli situeert zich hier het uiteenvallen van de Wodaabe gemeenschap, waarbij men niet langer aanhankelijk is bij een bepaalde maximale lineage.
Toch zijn de nomadische Fulbe pas in het begin van de 20e eeuw Niger binnengekomen. Ze werden voorafgegaan door half - nomaden en muzelmannen. Ze infiltreerden zich met kleine groepjes in de gebieden die veroverd waren door de bondgenoten van Osman dan Fodio, zonder zelf mee te doen aan de heilige oorlog. Ander Fulbe groepen bleven langer in Borno en zijn sterk vermengd in Niger aangekomen. (Dupire 1992: 21)
Het koloniale tijdperk
De installatie van de koloniale mogendheid situeert zich in twee fasen. In een eerste beweging krijgen we de militaire bezetting, vanaf het jaar 1897, waarop een tweede periode volgt van politieke en administratieve organisatie tot 1922. De Wodaabe hadden in die periode zware verliezen geleden door runderpest, afkomstig uit Azië, die zich met grote snelheid over de Nigervallei had verspreid. Sommige haarden bleven tot in de jaren 1930 bestaan. Daar kwamen nog de grote droogtes van 1911-1914 bovenop. Hierdoor hadden veel Wodaabe geen andere keuze dan sedentair te worden. Zij die nog een kudde hadden trokken verder naar het noorden of oosten om het koloniale bestuur en taxatie te ontvluchten. (Loncke 2000:29).
Vanaf de jaren 1920, na het herstel van de kuddes, volgen voortdurend migraties die een gevolg zijn van de uitbreiding van de landbouwzones. De opmars van de koloniale mogendheid correspondeert met de gebieden die door de Wodaabe gebruikt werden, van West naar Oost Niger. Het franse bestuur gaf de macht aan sommige chefs om via hen de taxatie te innen van de verschillende Wodaabe groepen. Veel migraties gaan vanuit Niger naar Noord Nigeria, enkele lineages (Bibbe Denke en Bii-Ute’en) vestigen zich in de Damergou. (Bonfiglioli 1988:105)
De verbrokkeling van oude verwantschapsbanden en de vorming van nieuwe sociale groepen onder de Wodaabe waren zeer ingrijpend. Ze organiseerden zich op basis van de pastorale vereisten en niet volgens een gemeenschappelijke genealogie. De geografische nabijheid bepaalde de verwantschap, bestendigd door huwelijken en uitwisseling van vee. (Bonfiglioli 1988:06). Dupire ziet in deze problematiek van concentratie en verspreiding een cyclus die voortdurend onstabiel is. Deze benadering is naar onze mening te schematisch en brengt de particuliere omstandigheden van de Wodaabe niet in het juiste perspectief. (Dupire 1992: 327)
De landbouwpolitiek die door de koloniale overheid gevolgd werd had nefaste structurele gevolgen voor deze nomadische gemeenschap. Door productietoename werd steeds meer landbouwgrond in gebruik genomen en de reglementering van deze voortschrijdende agricultuur komt de laat, met catastrofale gevolgen voor het milieu. Hiermee samengaand is er een stijging van de veepopulaties door de verbetering van inentingen en veterinaire diensten. Het aanbrengen van waterputten had sedentarisatie tot gevolg, waardoor het ecologisch evenwicht van de graslanden verstoord werd. Hierbij kwam de schaarste door opeenvolgende droogtejaren (1931,’34,’40) en sprinkhaanplagen. (Bonfiglioli 1988:115)
De Wodaabe werden gedwongen om permanent in noordelijke gebieden te verblijven. Hierdoor komen ze in de territoriale gebieden van de Touareg terecht, waarbij het gemeenschappelijk gebruik van de waterputten en de graslanden problematisch werd. Aan hun grote migraties kwam voorlopig een einde en de migratieparcours bleven binnen dezelfde geografische zones. Door de verschillende droogtes in de jaren 70 en 80 werden de limieten van deze zones verder teruggedrongen en werd het evenwicht opnieuw verstoord.
1.1.3.2. Orale traditie en eigen geschiedenis
In de orale geschiedenis van de verschillende Wodaabe groepen verhaalt men over de trajecten die tijdens hun migraties doorlopen werden. Deze verhalen gaan over het algemeen terug tot voor hun verblijf in Sokoto, die de meeste groepen rond de eeuwwisseling verlaten. Ze zeggen zelf de nakomelingen te zijn van een blank oriëntaals ras, dat afkomstige is uit een regio met een groot water. Dit vinden we ook terug in de ontstaanslegenden. Er kan alleen niet achterhaald worden over welke watergebied het gaat. (Dupire 1992:29)
De verhalen over hun afgelegde migratietrajecten zijn niet bij alle groepen hetzelfde en veel hangt af van de wijze waarop ze met het islamitisch geloof omgingen. Veel herinneringen gaan terug op hun verblijf in Borno, waar ze lange tijd verbleven en waar zich ongetwijfeld nieuwe groeperingen gevormd hebben. (Dupire 1992: 26)
Bij Wodaabe uit verschillende regio vinden we verhalen terug die hun eigen geschiedenis vertellen, maar die episodes verhalen die sterke gelijkenissen hebben. We halen hier één verhaal aan dat verteld werd door een oude man van de Njapto’en lineage en geciteerd werd door Dupire. (Dupire 1992: 24)
Tijdens het verblijf van Wodaabe groepen in Kazawré, nabij Kano in het huidige Nigeria, was er een prins op een grijs paard. Hij zou met een Wodaabe vrouw z’n jus primae noctis toegepast hebben, waarop de vrouw hem doodde. In een andere versie, wordt de prins gedood door de echtgenoot van de vrouw, waarop de ouderlingen beslissen om te vertrekken.
De Wodaabe hergroepeerden zich en sommige groepen vertrokken naar het oosten. Zij die nog niet vertrokken waren moesten hun vee afgeven of werden gedood. Grote groepen uit verschillende lineages (zoals de Njapto’en, Bii-Nga’en, Bii-Ute’en, Bii-Koro’en en Suduuru) werden aldus aangehouden en werden van toen af Katsinanko’en (naar hun verblijfplaats Katsina, in noord Nigeria genoemd). Velen onder hen werden tot slaaf gemaakt, vermengden zich met de sedentaire bevolking en kwamen later vermengd met Haussa naar de Damergou regio in Niger.
De andere leden van deze lineages zou hun toevlucht gezocht hebben bij Isa, ten oosten van Sokoto, onder de bescherming van Sheefu. Dit is de benaming die de Wodaabe geven aan Osman dan Fodio (zie supra). Van hem krijgen ze de noordelijke regio toegewezen Ze konden oorlogsgevangenen kopen om hun werk te doen. Sindsdien is Sheefu voor de Wodaabe een legendarische figuur geworden met magische krachten.
Andere Wodaabe groepen vertellen over hun exodus naar Filingué, een gebied waar ze eerder slechts tijdens de seizoenmigraties heen trokken. Anderen vertellen over hun trajecten die ze in oostelijke richting brachten, richting Tahoua, en daarna verder naar de Ader of de Damergou. Sommigen trokken tot Agadez,, zoals fracties van de Jiijiiru, maar werden verdreven richting Filingué of Tahoua. Andere groepen zoals de Bibbe-denke gingen vanuit Borno onmiddellijk naar Nguigmi, nabij het Tsjaadmeer.
De redenen van hun migraties hebben te maken met vluchten van tirannieke chefs, zowel van vreemde als van Fulbe origine. Ook hongersnoden die veroorzaakt werden door klimatologische omstandigheden, of epidemieën waardoor ze hele kuddes verloren. Ook oorlogen en de gevolgen ervan dwong hen naar nieuwe graslanden te zoeken in desolate gebieden. (Dupire 1992: 24-25).
1.1.3.3. Ontstaansmythe en legende
In de legendes van de Wodaabe zijn een aantal centrale aspecten terug te vinden die gelijklopend zijn binnen de verschillende versies. In sommige legendes kunnen elementen uit het islamitisch geloof herkend worden of komen namen uit een locale context voor. De centrale aspecten sluiten zeer dicht aan met de huidige leefwereld van deze nomaden. We geven hier een algemeen beeld over de legendes. Deze legendes worden door de grootouders verteld aan de kleinkinderen. In tegenstelling tot het dagelijks leven zijn in deze verhalen geen taboes van toepassing.
Centraal staan meestal twee weeskinderen, de herder Fu en zijn zus die 's avonds een vuur maken. Deze kinderen spraken ook een taal, Fulfulde, die door anderen niet begrepen werden. Aangetrokken door het vuur komt één of meer runderen uit het water en dit herhaalt zich in opeenvolgende dagen, tot dat de kudde gedomesticeerd is. Deze kinderen trouwen en krijgen twee zonen, waarvan de oudste de voorouder werd van de Fulbe en de jongste van de Wodaabe gemeenschap. Deze incestueuze relatie als origine blijkt het meest courant voor te komen. Deze zonen hadden zich tegen de kalven gewreven en aangezien ze dezelfde geur hadden mochten ze van de melk drinken. Toen deze zonen ouder werden, werd de kudde in twee verdeeld. De runderen met de lange horens werden aan de jongste gegeven, de oudste gaf de voorkeur aan de kortere horens. (van Offelen 1993: 31) (Brandt 1956: 20) (Loncke 2000:22)
In een andere versie had een koppel geen eten meer om hun kinderen te voeden. Door een vuur te maken kwamen de runderen uit het water en werden tam gemaakt. Aan het koppel werd een kalfskoord en een kalebas gegeven zodat ze konden melken. Zij zouden de voorouders van de Wodaabe zijn.
De origine van deze nomaden blijkt uit alle legenden een bovennatuurlijke zaak. De uitgestrekte watervlakte op een plaats in het oosten zou de wieg zijn van de nomadische Fulbe en hun zeboe kuddes. De zeboes met de lange horens, het kalfstouw en het vuur met een zeer symbolische waarde zijn centrale cultuurelementen van deze nomaden.
Er is één legende die in relatie staat met de ceremoniële dansen waarop we later wensen terug te komen. Deze legende wordt slechts door Bovin vermeld, hoewel het verhaal gekend is bij onze informanten (Bovin 2001:44). Dit verhaal gaat terug naar een mythische tijd, waarbij de voorouders van de Wodaabe grote, gekroonde kraanvogels (kummaarewal) (Balearica payonina) zagen. De vogels dansten zeer gracieus en spreiden hun vleugels. Toen de voorouders dit zagen begonnen ze de dans van de kraanvogels na te doen.
1.1.4. Linguïstische situering
We hebben reeds vermeld dat een van de gemeenschappelijke kenmerken van alle Fulbe groepen hun taal is. Deze taal Fulfulde, die gesproken wordt door alle Fulbe van Senegal tot Centraal Afrika, heeft dialectische variaties naargelang de regio. Deze Fulbe dialecten worden in het westen Pulaar genoemd, Fulfulde in het oosten. Ze maken deel uit van de grote taalfamilie van West - Atlantische talen, waaronder serer en het ouolf gesproken in Senegal (Loncke 2000:25).
Het Fulfulde dat de Wodaabe spreken, is een oostelijk dialect. Volgens onze informanten kunnen Wodaabe de afkomst van hun soortgenoten uit een andere regio onmiddellijk lokaliseren wanneer ze de anderen horen spreken. Dupire merkt het grootste onderscheid tussen de Fulbe Farfaru en de nomadische Fulbe enerzijds en de Fulbe ten westen van de Dallol Bosso anderzijds. De verschillen tussen de sedentaire Fulbe en de nomadische, is onvoldoende om te kunnen spreken van verschillende dialecten. In Sokoto kan men meerdere uitgesproken variëteiten vaststellen. (Dupire 1996: 49)
De Wodaabe zijn over het algemeen twee – of meertalig. Afgezien van hun eigen taal spreken ze de taal van hun buurvolkeren, meestal Haussa, de lingua franca van Niger. Sommigen spreken ook Tamachek, de taal van de Touareg.
Voor de Wodaabe is het welzijn van hun kudde het meest belangrijke en centrale aspect in hun bestaan. Zoals Bonfiglioli het stelt: “ C’est le bétail qui tient toute la vie du bodaado, de la naisssance jusqu’à la mort” De zeboes met de lange liervormige horens van het Bororoji-ras is hun favoriete ras. De omvang van de kudde is volledig afgestemd op de sociale eenheid waarmee ze samenleven. De onderlinge relaties tussen mens en dier zijn uitzonderlijk merkbaar, daarom moet dit netwerk als één geheel beschouwd worden. Dieren worden geruild, uitgeleend of gegeven. Deze uitwisselingen kunnen gezien worden als diensten en gelden als sociale contracten met specifieke verplichtingen. (Bonfiglioli 1988:247)
Hun hoofdactiviteit bestaat in de verzorging van hun kudde. Enkele nevenactiviteiten zoals het melken van de koeien, het drenken van de kudde en het werk van elke dag worden volgens een strikte taakverdeling uitgevoerd.
Het zijn nomaden in de echte zin van het woord. Elk jaar worden er, afhankelijk van het seizoen, trajecten afgelegd binnen een bepaald afgelijnd gebied. Ze blijven hoogstens enkele dagen op dezelfde plaats. De voortdurende zoektocht naar grasland, geschikt voor hun kudde, maakt dat ze altijd onderweg zijn. Hun strategieën houden verband met aggregatie en separatie binnen hun sociale eenheden. Ze infiltreren in nieuwe gebieden en kiezen voor de vlucht naar andere gebieden wanneer situaties te moeilijk worden.
We zien echter dat de pastorale economie het steeds moeilijker krijgt om de groepen te laten overleven. De oorzaken liggen enerzijds bij de beleidsmaatregelen die in het verleden genomen zijn en die structurele veranderingen teweeggebracht hebben. Anderzijds zijn er ook de klimatologische excessen van de laatste decennia die het overleven zeer moeilijk gemaakt hebben. Hierdoor worden de Wodaabe in toenemend mate genoodzaakt om nevenactiviteiten uit te oefenen. Dit heeft zich ook menig maal in het verleden voorgedaan, waarbij de Wodaabe proberen bij te verdienen bij hun sedentaire buren. Overtuigd om hun kudde uit te breiden en opnieuw een leven als herder te leiden.
Enkel in gedwongen situaties en wanneer overleving in het gedrang komt zijn deze nomaden bereid om andere activiteiten uit te voeren. Dan houden ze zich op in sedentaire gemeenschappen waar ze proberen wat bij te verdienen. Overtuigd van de bedoeling hun kudde uit te breiden en opnieuw een leven als herder te hebben. Dupire maakt melding van enkele families van de Godjanko’en en Njapto’en die besloten hadden om te cultiveren teneinde de schaarste te voorkomen. De velden werden echter onvoldoende verzorgd waardoor de gewassen niet groeiden. (Dupire 1996: 129)
Hun nomadische levenwijze brengt mee dat ze zich geen land toe-eigenen. Hun materiele huisraad is beperkt tot het meest noodzakelijke.
1.2.1. Het nomadisch bestaan
De hechte relatie waarmee ze met hun kudde samenleven is een volledige levensstijl en kan niet alleen vanuit een economisch standpunt bekeken worden (Bovin 2001: 12). Deze nomadische levensstijl brengt mee dat andere activiteiten ongeschikt zijn. Hierdoor zijn ze volledig afhankelijk van hun buurvolkeren.
De Wodaabe hebben geen vaste residentie. Ze bouwen geen tenten zoals de Touareg, hun nomadische buren. Enkel een beschutting van doorntakken in een circulaire vorm, met een diameter van 10m, ongeveer 1m hoog (suudu). Soms wordt er voor zwangere vrouwen een hutje gebouwd uit oude matten, met een diameter van 2m als protectie tegen de zon.
Tijdens de migraties wordt het hele huisraad gepakt op de lastdieren, vroeger hadden de vrouwen hiervoor speciale pakossen, tegenwoordig meestal ezels of kamelen. De mannen verplaatsen zich op kamelen, vrouwen en kinderen rijden op de rug van ezels. Deze nomaden kunnen overleven met minimum aan middelen en uiterste solitair. Dupire maakt melding van herders die alleen, gedurende 8 maanden met hun kudde wegtrekken, waarbij ze enkel de melk van hun koeien als voeding hebben. (Dupire 1996:56)
Vroeger was geld als betalingsmiddel slecht gekend bij de Wodaabe, zeker onder de leden zelf. Transacties gebeurden voornamelijk door ruil of uitlenen. Onze informanten zijn zeer vlot in het omgaan met vreemde valuta, en kunnen hun commerciële transacties uitstekend berekenen, al zijn ze ongeletterd.
1.2.1.1. Verschillende soorten migraties
De trajecten die door deze nomaden worden afgelegd krijgen in de literatuur verschillende benamingen. Wij weerhouden hier de term transhumance. Het betreft hier seizoenmigraties van veetelende volkeren die van het ene grondgebied naar het andere trekken met verschillen in klimatologische omstandigheden. (Kloos 1981: 247) Daarbij gebruiken we ook begrippen als traject en migratie in dezelfde context als transhumance.
Men kan een onderscheid maken tussen de verre afstandsmigraties (perrol), waarbij grensgroepen tijdens grote droogte tot Kameroen trekken om de overleven. De korte afstandsmigraties (bartol) zijn de transhumance die eveneens grensoverschrijdend kunnen zijn. (Bovin 2001:15)
Zoals we gezien hebben verdelen de Wodaabe de jaarcyclus onder in verschillende periodes of seizoenen. Naargelang het seizoen groeien bepaalde grassoorten, in functie van de beschikbaarheid van deze graslanden wordt het traject van de migratie bepaald. De hoeveelheid gras zal bepalen welk type migratie gekozen wordt. De sahelregio is ingrijpend veranderd waardoor de kampementen op elk moment vertrekklaar moeten zijn. Hun woonst is om die reden tot een minimum herleid.
De tussenperiode, net voor de aanvang van de regentijd, is zeer cruciaal. De beschikbaarheid van graslanden en van het water dat in deze periode enkel in putten beschikbaar is, moet zeer goed afgewogen worden. Het zoutgehalte in de putten kan te hoog zijn voor de kuddes. Indien men vertrekt voor de aanvang van de regens kan het zijn dat zich nog geen waterpoelen gevormd hebben. Hierdoor kunnen de kuddes niet op tijd gedrenkt worden en dit kan fatale gevolgen hebben. (Loncke 2000: 69)
Migraties tijdens het regenseizoen
De trajecten die men tijdens het regenseizoen aflegt hebben een typisch ritme dat sterk verschilt met de verplaatsingen tijdens het droogseizoen. Het vertrek naar het noorden, bij de aanvang van het regenseizoen wordt niet gemarkeerd door een ceremonie. De groepen leven naar het einde van het droogseizoen zeer verspreid over de regio, omwille van de schaarse graslanden. Toch worden de trajecten binnen de fractie in grote lijnen uitgestippeld zodat naar het einde, de verschillende kampementen elkaar kunnen ontmoeten voor de jaarlijkse ceremonieën. De meeste Wodaabe groepen die tijdens het droogseizoen in de Ader verblijven, trekken dan naar de grote valleien van de Azawagh in het noorden.
Voor men het traject start wordt een scout uitgestuurd die uitzoekt waar er geschikte graslanden en watervoorraden zijn. De Wodaabe blijken een zeer gedetailleerde kennis te bezitten van topografie van de Sahel. Ze zijn op de hoogte van de karakteristieken van de grondtypes en de vegetatie in deze gebieden. Sommige grassen zijn enkel in het vroege groeistadium niet giftig. Wanneer men de geschikte locatie gevonden heeft kan de migratie ingezet worden. (van Offelen 1983: 118)
Elke kampchef voorziet op zijn reisweg meerdere zoutrijke graslanden, zoals de gebieden tussen Kao tot Teguidda-N’Tessoum, voor de Ader regio. De Wodaabe zijn op de hoogte van de zoutconcentraties die nodig zijn voor het dier. De overgang moet progressief gebeuren. Daarom nemen de herders zoutstaven mee die ze in kleine dosis aan het vee geven, vooraleer de zoute graslanden aan te doen. Dit is ook de reden waarom deze migratie Cure Salée genoemd wordt. Wanneer de valleien bereikt zijn kunnen de dieren vrij grazen en gedrenkt worden aan de waterpoelen. Vooral het jonge gras blijkt zeer belangrijk te zijn voor een goede melkproductie en de groei van de dieren. (Dupire 1992: 70) (Brandt 1956:79) (van Offelen 1983: 113-115)
Gedurende deze migraties verplaatst men zich zeer traag, met een snelheid van 3 - 4 km per uur, omdat de koeien moeten grazen. De kuddes die aan de sedentairen toebehoren en die gehoed worden door Wodaabe, zijn trager en komen meestal achteraan. Om de dieren niet te vermoeid te maken wordt gekozen voor afwisselend lange dagen van migratie en rustdagen. Om de graslanden te beschermen zorgt men er voor dat de kuddes niet te lang op dezelfde terreinen grazen.
Een migratie typte dat men vroeger toepaste wordt biggal genoemd. Hierbij werd de kudde in twee delen opgesplitst, afhankelijk van de mobiliteit van de dieren. De melkkoeien en het grootste deel van het kampement bleven dan in de nabijheid van de sedentaire zones. Eén herder trok rond met de andere dieren. Volgens Bonfiglioli werd deze techniek sinds de jaren ’60 niet meer toegepast wegens het tekort aan graslanden. (Bonfiglioli 1988: 131)
Het proces van migraties naar nieuwe graslanden gebeurt in opeenvolgende jaren, doordat men seizoensmigraties onderneemt naar nieuwe graslanden. Daarna probeert men ook tijdens het droogseizoen in dit tijdelijke fixatiegebied te blijven, soms dient daarom een waterput gegraven te worden. Van hieruit onderneemt men weer andere trajecten tijdens het regenseizoen. Door deze opeenvolgende trajectveranderingen komt men tot grotere migratiegolven, die zich afspelen van noord naar zuid en van het westen naar het oosten toe. Volgens Dupire is dit een logisch gevolg door de ligging van de valleien en de loop der rivieren (Dupire 1996: 78).
Migraties tijdens het droogseizoen.
Wanneer de jaarlijkse bijeenkomsten van de lineages afgelopen zijn, betekent dit ook het einde van het regenseizoen. De kampementen vertrekken dan op een gesynchroniseerde manier terug naar de sedentaire zones, zodat er onderweg voldoende gras en water beschikbaar blijven voor alle kuddes. (Dupire 1992: 70)
Tijdens het regenseizoen planten de sedentaire landbouwers gierst op de steppes waar de Wodaabe tijdens het droogseizoen verblijven. Bij hun terugkeer moeten de Wodaabe ervoor zorgen dat ze met hun kuddes de gierstvelden niet vernietigen. Die zijn na het regenseizoen klaar om geoogst te worden (Dupire 1992: 71).
De trajecten die de verschillen lineages tijdens het droge seizoen doorlopen liggen min of meer vast door de gewoonte, ze worden jaar na jaar gevolgd. Daardoor zijn er bepaalde locaties waar kampementen samen komen. Om ecologische en demografische redenen, moet men steeds op zoek gaan naar andere graslanden. In gebieden die recenter gebruikt worden, zoals de Damergou en de Agadez regio liggen deze routes minder vast.
1.2.1.2. Markteconomie versus nomadisch bestaan
De Wodaabe gaan regelmatig naar de markten die wekelijks georganiseerd worden in de grote centra of op de kruispunten van belangrijke doorvoerroutes. Hier kunnen ze terecht om hun dieren te verhandelen. Het zijn vooral kleine herkauwers die verkocht worden om gierst en andere levensmiddelen te kunnen aankopen.
Voor belangrijke transacties zoals de aankoop van een kameel, wordt gebruik gemaakt van een tussenpersoon, een dillaaliijo, meestal van Haussa afkomst. Hij is de vertrouwenspersoon die de onderhandelingen voert en omwille van zijn tussenkomst een commissie krijgt. (van Offelen 1983: 91)
Gezien de Wodaabe bijna niets zelf produceren zijn ze volledig afhankelijk van de marktproducten. Hier kopen ze ook de ingrediënten voor hun sausen, de specerijen en andere levensmiddelen. Ze vinden er alle benodigdheden voor hun kledij en borduurwerk en alle opsmuk die tijdens de ceremoniële dansen op de jaarlijkse bijeenkomsten gebruikt worden. De vrouwen gaan naar de markt om er boter te verkopen en karnemelk. De opbrengst hiervan komt henzelf toe, waardoor ze een zekere mate van onafhankelijkheid hebben ten opzichte van hun echtgenoot.
Hun aanwezigheid op de markten is bovenal een sociaal gebeuren. Ze ontmoeten er familie en vrienden. Hun deelname aan het handel en de economische processen blijft zeer marginaal aangezien ze zeer weinig verhandelen. Omdat ze als nomaden geen goederen kunnen opslaan werken ze tegen de regels van de economie in. Wanneer hun dieren aan het einde van het regenseizoen het meest kunnen opbrengen worden ze niet verkocht omdat er melk in overvloed is en geen nood aan gierst. Omdat er tegen het einde van het droogseizoen te weinig melk is, worden de Wodaabe genoodzaakt om hun dieren te verkopen. In deze periode moet hun dieet aangevuld worden met gierst. Tegen die tijd zijn de dieren te mager om nog veel geld op te brengen. (van Offelen 1983: 95)
Dupire stelt zich de vraag of een intensieve exploitatie van de kudde de Wodaabe kan laten deelnemen aan de open economie. Dit hangt af van sociale factoren, maar vooral van de economische zekerheid. Zelfs indien er een verbetering is wat betreft de vaccinaties, hygiëne en beschikbaarheid van water, dan nog blijven de kuddes afhankelijk van de klimatologische omstandigheden. Ook de problematiek van de vermagering van de graslanden kan door migratiebewegingen niet opgelost worden. (Dupire 1992: 129)
1.2.2. De werkverdeling
Zoals we reeds aangeduid hebben is de variëteit in activiteiten van de Wodaabe zeer beperkt. Alle noodzakelijke huisraad, zoals kommen, kalebassen, bedden, mortieren en stampers worden vervaardigd door Haussa. Ook het leer looien en het maken van sierraden wordt uit handen gegeven. Deze gemeenschap kent geen smeden of houtbewerkers. Hun activiteiten worden bijna uitsluitend bepaald door de kudde. (Dupire 1996: 54)
In deze gemeenschap is de werkverdeling tussen mannen en vrouwen gebaseerd op gewoonte: de taken zijn niet gerelateerd aan enig taboe. Bij afwezigheid van de één worden de taken gewoon door de ander overgenomen. Deze werkverdeling is sinds de jaren ’30 veel veranderd en dit heeft in hoofdzaak te maken met ecologische ontwikkelingen. Er moet in de huidige situatie veel meer energie besteed worden aan de watervoorziening, een taak die vooral door vrouwen opgevangen wordt. Hierdoor zien we vanaf de jaren ’40 een toename van polygamie, waarschijnlijk gegroeid vanuit een sociale noodzaak, eerder dan om het prestige. (Dupire 1996: 84) (Bovin 2001:133)
Deze werkverdeling is sterk afhankelijk van het seizoen. Het drenken van de kudden bij de putten is een zwaar karwei in tegenstelling tot het drenken bij de waterpoelen tijdens de transhumance. Tijdens deze periode hebben de mannen dus tijd vrij om ander activiteiten te doen.
1.2.2.1. Werkzaamheden van de mannen
Een getrouwde man die zijn eigen kampement opzet wordt jom-wuro of meester van het kampement genoemd. Hij staat vanaf dan niet langer onder het gezag van zijn vader. Hij zal dan zelf de trajecten bepalen en de juiste graslanden voor zijn kudde kiezen, waarvoor hij de volledige verantwoordelijkheid draagt. Zijn werkzaamheden variëren sterk naargelang het seizoen. Zijn werkindeling is minder regelmatig dan die van de vrouw.
De belangrijkste werkzaamheden hebben betrekking op de kudde. Hij verzorgt ze en indien nodig zal hij de dieren tegen ziekte behandelen. Hiertoe hadden ze destijds een heel arsenaal aan remedies, genezingswijzen en inentingen (Dupire 1996:101). Zo werden de uiers van koeien die te weinig melk gaven, ingesmeerd met een mengsel van boter en as van verbrande ganzenpluimen. Of werd er in de vagina geblazen onder het uitspreken van magische formules. Sinds de invoer van westerse veterinaire praktijken worden deze minder snel toegepast en gaat er veel van deze traditionele kennis en gebruiken verloren. Ander werk in verband met de kudde is het castreren, het spenen en dresseren van de kalven. Alle runderen krijgen een merkteken in de oren (jelol), waarvan het type varieert naargelang de groep. Tijdens de speciale ceremonieën slachten de mannen het rund. (Dupire 1996: 88)
De man is verantwoordelijk voor alles wat er voorbij de kalfkoord komt. Hij onderhoudt het vuur van het kampement (dudal) ten westen van de suudu of woonst. Dit vuur staat symbool voor de voorspoed van de kudde en geldt als een baken voor de kudde die ‘s nachts in de omgeving graast. De term dudal wordt ook gebruikt om de uitgebreide familiegroep aan te duiden, een pastorale basiseenheid met inbegrip van de kudde. (Bonfiglioli 1988: 277)
In het droogseizoen moeten de kuddes om de twee dagen gedrenkt worden. Het is een afmattend karwei om het water diep in de waterputten naar boven te halen. Dit werk kan een hele dag in beslag nemen. (van Offelen1983: 29) Tijdens de transhumance in het regenseizoen, kunnen de koeien alleen grazen en zich drenken in de waterpoelen. Hierdoor hebben de mannen tijd vrij om zich voor te bereiden op de jaarlijkse ceremonieën. Ze maken halskettingen, amuletten die hen moeten beschermen of magische krachten geven, of decoreren hun tunieken.
In deze periode hebben ze ook de tijd om koorden te vlechten, een van de weinige activiteiten die ze waardig vinden om te doen. In de zuidelijke gebieden vlecht men deze koorden met repen boomschors van de Baobab. In het noorden gebruikt men vezels van palmbladeren. Ze gebruiken de grote teen van de rechter voet om het touw vast te houden. (Loncke 2000:41)
1.2.2.2. Werkzaamheden van de vrouwen
Bij de Nilotische volkeren is het melken van de koeien meestal een mannenactiviteit. Bij de Wodaabe daarentegen worden de koeien door de vrouwen gemolken. Ze beheren de melk en de nevenproducten. De vrouw bezit een eigen deel van de kudde, hoewel elk beslissingsrecht aan haar man toekomt.
Ze melkt de koeien tweemaal daags, nadat het kalf even gezogen heeft. Indien er geen vrouw in de buurt is, melkt de man de koeien zelf. De melk die niet opgedronken wordt door de familie wordt tot boter gekarnd in een kalebas. De boter en karnemelk, die niet geconsumeerd werden, kan de vrouw verkopen op de markt. Over het geld dat ze hieraan overhoudt mag ze zelf beschikken. Beide echtgenoten behouden hun eigendommen. Er is geen sprake van gemeenschappelijke eigendommen. (Dupire 1996: 170) (Brandt 1956: 52)
Dezelfde scheiding van eigendom tussen echtgenoten hebben we kunnen vaststellen bij juwelenverkoop van sommige Wodaabe tijdens muziekfestivals in België. Het echtpaar maakte bij de opstelling van de koopwaar een duidelijke opsplitsing tussen de eigendom van de man en die van de vrouw. (Informanten Ortoudo Bermo en zijn vrouw Della).
Een belangrijke taak van de vrouw is het water halen bij de waterputten voor het dagelijks gebruik. Deze activiteit heeft tijdens het droogseizoen dagelijks plaats. Het water wordt gevuld in zakken van geitenhuiden en worden onder de ezels gebonden. Ze worden met boter ingesmeerd tegen het lekken. (van Offelen 1983: 66)
Bij het opbreken van het kampement, wordt alles ontmanteld en pakken de vrouwen alle bagage op de lastdieren. Vroeger had de vrouw een speciale pakos die enkel geladen was met haar verzameling kalebassen, in een specifieke schikking met veel aandacht voor het evenwicht. Van Offelen schrijft over de chaos waarmee het dit routinewerk gebeurt: “..the poorly balanced loads fall off the backs, calabashes break.” (van Offelen 1983: 114).
Deze opmerking strookt niet met de manier waarop Bovin het evenwichtig laden van de bagage als een centraal element van de cultuur gezien: “… the survival of these nomads depends on the element of stability, which is the dominating concern in the loading of the animals. Two sides and balance mean success in many nomadic cultures”… Ze gebruikt deze hypothese om de symmetrie bij de gelaatsbeschilderingen te duiden. Twee vrouwen binden de bagage samen op de ezels, met de kinderen er bovenop. Soms zijn er ook kamelen die de bagage dragen, met name de persoonlijke bagage van de man (Bovin 2001:32).
In perioden van schaarste gebeurt het dat vrouwen geld bijverdienen door de kalebassen bij de sedentaire bevolking te repareren. Volgens onze informant (Bouda Droh) wordt dit tegenwoordig meestal op de markt gedaan door de Touareg of Haussa. Ook het haarvlechten bij de Haussa, het stampen van gierst of het weven van matten wordt als bijverdienste gedaan. (Brandt:72)
In hun vrije tijd naaien en borduren ze de tunieken voor zichzelf en voor de dansers. Met felgekleurde draden worden de typische motieven aangebracht die overgeleverd worden van moeder op dochter (zie 3.5.1). Ze weven ook ronde deksels en houders voor de kalebassen, van gedroogde en gekleurde palmbladeren, of schorsdekens die de rug van de ezels beschermen. (van Offelen 1983:23)
Verder zijn er ook de dagdagelijkse taken, zoals hout halen, de gierst stampen en de maaltijden bereiden. Ze wassen en schuren de kalebassen en volgens Brandt aarzelt men niet om hiervoor urine te nemen indien geen water voorhanden is. (Brandt 1956:72)
1.2.2.3. Kinderen als herders
De kinderen worden in de eerste levenjaren volledig vrijgelaten in alles wat ze ondernemen. Pas wanneer ze de leeftijd van vijf jaar bereikt hebben wordt er tegenover de kinderen een andere houding aangenomen. Vanaf dan wordt er streng opgetreden, wanneer de regels overtreden worden. Dit is ook de tijd waarin de zoon zijn eerste rund erft, een moment dat vroeger gekenmerkt was door het dragen van de lederen lendendoek (dedo).
Vanaf deze leeftijd worden alle aspecten van het herdersleven aangeleerd. Ze leren hoe ze de kudde naar de graslanden brengen en blijven soms de hele dag weg, zonder een maaltijd te nemen. De pulaaku gedragscode schrijft immers voor dat een Fulbe geen honger kent. (Brandt 1956:57) Omdat de kinderen zich dagelijks met de kudde bezighouden krijgen ze een zeer sentimentele hechtenis met de kudde. De jonge meisjes helpen mee met de dagelijkse activiteiten van de moeder. Indien er geen jongen is om de kudde te hoeden wordt de taak overgenomen door het oudste meisje. (Loncke 2000: 52)
De kans op onderwijs is zeer gering omwille van de nomadische levenswijze. De mogelijkheden worden verder beperkt doordat deze kinderen op zeer jonge leeftijd ingeschakeld worden in het arbeidsproces. Uit gesprekken met onze informanten, konden we opmaken dat ze het nuttig zouden vinden om hun kinderen onderwijs te bieden. Er zijn tijdelijke projecten van nomadenscholing uitgeprobeerd, maar deze werden vroegtijdig stopgezet. Een van onze informanten (Ortoudo Bermo) heeft tot doelstelling om van zijn coöperatieve een nieuwe nomadenschool te starten. Een ander voorstel bestaat erin dat een aantal kinderen van het gezin school lopen in de stedelijke centra, terwijl hun broers voor de kudde zorgen. Momenteel zijn er slechts enkelen onder de Wodaabe die onderwijs genoten hebben.
1.2.3. De kudde
Zoals Dupire vermeldt moet men niet proberen de Wodaabe te begrijpen zonder hun Bororoji zeboes, waarmee ze altijd geassocieerd worden. Zij zijn de enigen die dit ras van zeboes bezitten en worden er ook daarom naar genoemd. Hun kudde is hun enige rijkdom en vormt de belangrijkste bestaansreden. Alles is gekaderd rond of wordt geassocieerd met de kudde. Het bevredigt de fysische behoeften, levert de basiselementen voor de economische transacties en bevestigd de sociale relaties. (Dupire 1996: 16)
De kudde dient niet om secondaire materiele behoeften te vervullen. Het is een waarde op zich. De dieren worden enkel geslacht of geofferd bij specifieke sociale gebeurtenissen. Het welzijn van de kudde komt vóór die van de mens. Vanuit dit kader verloopt de economie van de kudde. Alle andere activiteiten die deze nomaden ondernemen, kunnen enkel gezien worden als een tijdelijke oplossing (Dupire 1996:133)
De herders hebben een zeer hechte band met hun dieren. Ze krijgen een naam die naar hun genealogie verwijst, en een bijnaam, bepaald door fysische karakteristieken. De genealogie van de runderen en van de sociale groep verlopen parallel. Elk dier maakt op die manier de verwantschaprelaties binnen de sociale groep duidelijk. Ook de vruchtbaarheid van de kudden en die van de mens lijken onderling in verband te staan. (van Offelen 1983:24)
Gezien deze verbondenheid tussen mens en kudde, vinden we het noodzakelijk om dieper in te gaan op de sociale gevolgen bij het verlies van de kudde. Door verschillende factoren, zowel klimatologische als ecologische is dit gedurende decennia lang het lot geweest van talrijke families. Daardoor werden ze gedwongen om economische alternatieven te zoeken, meestal van tijdelijke aard.
1.2.3.1. De Bororoji zeboes
Deze zeboe (bos indicus) komt voor in verschillende types. Bij de Touareg treft men een type aan met korte horens, het Azawagh type, genoemd naar de vallei waar men ze het meest aantreft. Ze zijn sterk, met een gedrongen lichaam en komen voor in vele kleuren. Ze overleven op minder goede grasvelden en hebben toch de hoogste melkproductie van alle zeboes uit de Sahel. De Fulbe kweken een type met korte liervormige horens, terwijl de Wodaabe het type met de lange liervormige horen verkiest (Afb.1). De gekruiste versie van beide rassen, het Azawagh en Bororoji type geeft een variant die veel tammer is en daarom als pakos gebruikt werd.

Afb. 1: De Wodaabe verkiezen het Bororoji ras met de lange, liervormige horens.
Het Bororoji ras, met de wetenschappelijke naam Bororoji, Abori, Hanagambajit, komt voor in 2 variëteiten: De ene heeft een acajou tot mahoniekleurige huid. Ze staat erom bekend wild en ontembaar te zijn, en is het meest geschikt voor het sahelleven. De tweede variant is lichter van kleur, minder wild, en is groter in aantal. De habitat van deze zeboes strekt zich uit over West – Afrika, van 14° tot 19° noorderbreedte. (Dupire 1996: 16)
Door de specifieke eigenschappen van dit ras situeert men de origine in de bergstreken van Boutan in India. Afgezien van de kruisingen die het onderging, toont het sterke gelijkenissen met het Siri ras uit deze gebieden. Door de lange poten en de weinig belangrijke bult, ziet het dier er heel lenig uit. De Wodaabe hebben de typische kenmerken van dit ras weten te behouden door een gerichte selectie. Het betreft hier zijn morfologie, de typische huidskleur en het wilde karakter. Volgens Dupire wordt dit bevestigd door de archeologische vondsten van Mohenjo – daro, in Pakistan, op gravures van 3000 vC. (Dupire 1996: 19) (van Offelen 1983:65)
Elk dier krijgt ook een bijnaam die samen met de naam van de afstamming gebruikt wordt. Deze bijnaam laat karakterkenmerken zien of morfologische particulariteiten, zoals de vlekken op de huid of de vorm van de horens. Deze kunnen zowel heilzaam als schadelijk karakter hebben. Het zijn vooral esthetische aspecten die in deze namen naar voor komen. Sommige elementen, zoals een stukje hoorn, worden in amuletten verwerkt. (Dupire 1996:115)
Over de schoonheid van de koeien wordt uitgebreid verhaald in de Wodaabe poëzie. De vrouwen krijgen soms de bijnaam van een koe, als vergelijk met de esthetische kwaliteiten. (Brandt 1956:47) Vooral de schoonheid en de kleur van de huid worden geapprecieerd. De extreem lange en fijne horens moeten symmetrisch zijn en naar boven gericht. Bovin verwijst bij haar beschrijving over de esthetiek van de runderen naar de oud Egyptische afbeeldingen. Ze maakt hierbij een linguïstische verbinding met de Egyptische zonnegod Ra. Samen met het vuur en de zon behoort het rund tot een woordklasse die niet vervoegd kan worden en ze schrijft verder: “…these three elements are holy in the old Wodaabe religion” (Bovin 2001: 31) Helaas maakt ze geen vermelding van wat deze oude religie precies inhoudt of hoe de link met de oud Egyptische cultuur verder verklaard wordt.