| Deviatie in Wetenschapscommunicatie. Casestudy Biologie. (Lotte Alsteens) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Vanaf de 19de eeuw, de eeuw van de Industriële Revolutie, tot op de dag van vandaag wordt onze Westerse cultuur gedomineerd door een wetenschappelijke ideologie. We maken dagelijks gebruik van producten en procedures waarvan de totstandkoming gebaseerd is op wetenschappelijke kennis (Whitley in: Shinn & Whitley, 1985). Opdat wetenschap kan worden toegepast, moet ze buiten de grenzen van het onderzoek treden en gecommuniceerd worden. En niet alleen andere wetenschappers, maar de samenleving in zijn geheel dient op de hoogte te worden gehouden van wat de wetenschappelijke wereld te bieden heeft. Er zijn verschillende redenen waarom wetenschappelijke informatie ook het grote publiek moet bereiken. Wetenschappers zijn afhankelijk van de steun die de overheid biedt, de overheid die in een democratische samenleving op haar beurt afhankelijk is van de houding van de bevolking. Bovendien dragen wetenschappers een grote verantwoordelijkheid ten aanzien van de maatschappij, en moet de maatschappij daarom zelf in staat gesteld worden de productie en de invloed van wetenschap te beoordelen. Onze toekomst zal in hoge mate bepaald worden door de kwantiteit en de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek en om beide aspecten te verzekeren moeten alle betrokkenen inzicht hebben en gesensibiliseerd worden (Winnubst, 1990).
Hoewel wetenschapspopularisering dus een belangrijke en noodzakelijke opdracht is, heerst er over dit onderwerp heel wat controverse. Men is er lang vanuit gegaan, en velen gaan er nog steeds vanuit, dat de wetenschap een monopolie heeft op de waarheid, en dat wetenschappers de ‘ware kennis’ produceren. Wanneer er dan aan deze kennis geraakt wordt, door journalisten bijvoorbeeld die de resultaten van een onderzoek op zo’n manier verwoorden dat ook een leek ze begrijpt, dan valt dit niet altijd in goede aarde binnen de wetenschappelijke wereld. De traditionele visie op wetenschapscommunicatie, die wetenschappelijke kennis tegenover populaire kennis plaatst, laat de wetenschappers toe zich te distantiëren van wetenschapspopularisering en laat ze dan ook vrij om het proces te bekritiseren. Dit dominante discours plaatst de wetenschapper in een geprivilegieerde positie, en wordt niet alleen door de wetenschappers zelf, maar ook vanuit de communicatiewetenschappen al decennia lang in stand gehouden. Toch wordt er hier en daar gesteld dat de traditionele visie een oversimplificatie is. Het feit dat onze maatschappij ook steeds meer onderhevig is aan mediatisering, maakt het proces van wetenschapscommunicatie alleen maar complexer. Het toenemend belang van de media interfereert met de machtspositie van de wetenschapper als ‘producent van de waarheid’. Wat er in de media gezegd of geschreven wordt heeft vaak zo een grote invloed op het beleid en op de samenleving, dat de wetenschappers zich niet langer kunnen terugtrekken in hun ivoren toren.
In het theoretisch kader van deze masterproef gaan we dieper in op de traditionele visie op wetenschapscommunicatie en op de argumentatie waarom dit dominante model herzien moet worden. Vervolgens worden enkele alternatieve communicatiemodellen belicht. Omdat er tegenwoordig niet over communicatie gepraat kan worden zonder de media te betrekken, wordt in een tweede luik van het theoretisch kader de interactie tussen de wetenschap en de media besproken. Om tot een meer volledige omkadering te komen, wordt tot slot uitgelegd waarom wetenschap een politiek gebeuren is, en niet een apolitiek proces zoals de veelgebruikte termen ‘objectiviteit’, ‘belangenloosheid’ en ‘rede’ in de definities van wetenschap suggereren.
In het tweede hoofdstuk wordt aan de hand van enkele kwalitatieve interviews met Vlaamse biologen nagegaan welke plaats popularisering krijgt in het werk van deze wetenschappers en wordt hun visie getoetst aan het dominante discours. Hierop voortbouwend zoeken we uit op welke manier de media de wetenschappelijke wereld binnendringen en wordt tussen de lijnen door duidelijk gemaakt dat wetenschap inderdaad politiek is.
Er werd voor deze biologen gekozen omdat hun werk draait rond milieu, ecologie en fundamenteel biologisch onderzoek, onderwerpen die slechts zelden aan bod komen in de studies over wetenschapscommunicatie, maar die steeds meer deel gaan uitmaken van het politieke en publieke discours.
Deze masterproef tracht dus een blik te werpen op de wetenschapscommunicatie van vandaag, vanuit een originele invalshoek.
Hoofdstuk 1: Theoretisch kader
1. Modellen voor wetenschapscommunicatie
1.1. De traditionele visie
1.1.1. Het transfer paradigma
De traditionele visie op wetenschapscommunicatie wortelt in de geïdealiseerde notie die ‘zuivere’ wetenschappelijke kennis tegenover gepopulariseerde kennis plaatst (Hilgartner, 1990). Het communiceren kan dan voorgesteld worden binnen het transfer paradigma, een model dat het proces omschrijft als de overdracht van onderzoeksresultaten en ideeën van specialisten naar een publiek van leken. Al zestig jaar lang wordt dit model door velen zonder meer aanvaard (Bucchi, 2004).
Er zijn drie belangrijke principes die aan de basis liggen van het transfer model. Ten eerste zou wetenschap te gespecialiseerd en te complex zijn voor het grote publiek. Ten tweede is er een medium nodig dat de wetenschappelijke verwezenlijkingen meer geschikt en toegankelijk maakt voor het grote publiek. Een ‘derde persoon’, de zogenaamde wetenschapsjournalist, moet de kloof tussen de wetenschappers en de leken dichten door de ideeën van de eerste te communiceren naar de tweede (Figuur 1). Deze derde partij laat de wetenschappers toe zich te distantiëren van het communicatieproces. Het derde belangrijke principe waarop het transfer model stoelt is dat de mediëring van wetenschap kan omschreven worden door de ‘vertalings’-metafoor. De derde partij staat in voor de herformulering van wetenschap in meer simpele woorden. Op die manier wordt het probleem van wetenschapscommunicatie gereduceerd tot een louter taalkundige vaardigheid (Bucchi, 1998).

Figuur 1: Het transfer model van publieke communciatie van wetenschap (Bucchi, 1998)
Deze drie principes houden enkele impliciete veronderstellingen in. Zo zou het publieke discours over wetenschap beginnen waar het gespecialiseerde wetenschappelijke discours eindigt. Wanneer een wetenschapper de wetenschappelijke kennis eenmaal vergaard heeft, wordt deze informatie in een simplistische en gedegradeerde vorm losgelaten op het lekenpubliek, dat op zijn beurt geen invloed heeft op het onderzoek. Het is in deze context dat de term ‘popularisatie’ wordt gebruikt. Zo’n visie vindt zijn wortels terug in de ideologieën van wetenschappers én journalisten. Wetenschappers distantiëren zich van het communciatieproces en zijn vrij om het te bekritiseren (Bucchi, 1998). Journalisten van hun kant kunnen popularisatie inroepen om hun taak als vertalers van wetenschap te verantwoorden (Bucchi, 1998). Het publiek wordt verondersteld groot, diffuus, ongedifferentiëerd en vooral passief te zijn. Ze worden buiten het proces van kennisproductie gehouden en zijn niet in staat te oordelen over de informatie die ze via popularisatie ontvangen. De kennis die ze opdoen staat los van hun sociale activiteiten en structuren (Whitley in: Shinn & Whitley, 1985).
Onderzoek naar wetenschapscommunicatie heeft zich vaak laten leiden door dit dominante transfer model. Van de drie belangrijke actoren in het communciatieproces werd vooral gefocust op de journalisten en het publiek, en meerbepaald op hun tekortkomingen. Een typisch voorbeeld van een dergelijke studie is de vergelijking van het ‘originele’ wetenschappelijke idee met de voorstelling ervan in de media. Aan wetenschappers wordt dan hun mening gevraagd over deze weergave. In het beste geval is popularisatie dan een gepaste simplificatie, in het slechtste geval is popularisatie ‘vervuiling’, een verdraaiing van de oorspronkelijke wetenschappelijke waarheid (Green in: Shinn & Whitley, 1985). Ook wanneer wordt nagegaan in welke mate het publiek wetenschap kent en begrijpt, wordt beroep gedaan op het oordeel van wetenschappers (Bucchi, 1998). De dominante visie beschouwt de ‘zuivere’ wetenschappelijke informatie als de gouden standaard en als uitsluitend voorbehouden voor de wetenschapper, wat omschreven kan worden als het epistemologische equivalent van het recht om geld te drukken. Beleidsmensen en het grote publiek hebben enkel zicht op de simplistische weergaven (Hilgartner, 1990). Het communicatieproces wordt dus meestal bestudeerd in het licht van de hiërarchische dominantie van wetenschappers (Dornan, 1990).
1.1.2. De kritiek
Terwijl andere mediastudies zich verder ontwikkelden dankzij aanvechtingen en commentaar, bleven studies over wetenschapscommunicatie dus gekenmerkt door een aanhoudende consensus, en vesterkte de meeste bijdragen dit dominante model (Dornan, 1990). Toch doken vanaf de jaren 50 studies op die kritiek leverden op de basiselementen van het transfer paradigma.
Er is onder meer sprake van filters, die het transferproces selectief maken. Voorbeelden van deze filters zijn: de selectieve voorstelling in de media, de houding van het publiek en de verschillende tussenpersonen in de communicatie (Bucchi, 2004). De boodschap wordt niet louter getransporteerd, maar eerder getransformeerd, bijvoorbeeld door de journalist die erover bericht, of door het publiek dat er kennis van neemt. Een boodschap kan uit zijn context gehaald worden en autonoom in een andere context geplaatst worden. Of er wordt gepersonifieerd: Einstein is onontkoombaar gebonden aan relativiteit, Freud is dan weer het symbool van psychoanalyse (Bucchi, 1998).
Uit het vorige blijkt ook dat het ‘ontvangen’ van wetenschapsinformatie niet passief gebeurt. Wanneer we een publiek bestaande uit andere wetenschappers buiten beschouwing laten, dan nog is de visie van een passief, ongedifferentieerd publiek misleidend. Ten eerste komen verschillende lagen van de bevolking op verschillende manieren in aanraking met wetenschap. Ten tweede bestaat het grote publiek uit mensen die verschillende beroepen uitoefenen, en die elk op een andere manier wetenschap integreren in hun werk. Ze vormen dus een belangrijke markt voor wetenschappelijke ideeën. Het publiek is dus niet alleen een zeer gedifferentieerde massa, bovendien kunnen ze ook een zekere invloed hebben op onder andere onderzoekstrategieën en op de verdeling van fondsen voor wetenschappelijk onderzoek (Whitley in: Shinn & Whitley, 1985). Wetenschappers absorberen ook zelf informatie uit hun populaire omgeving, die mee hun ideeën en inzichten bepaalt over de inhoud en het behandelen van wetenschap (Hilgartner, 1990). Leerlingen en studenten kunnen een directe feedback geven op het werk van onderzoekers en vormen een pool van rekruten voor de wetenschap.
Het feit dat wetenschappelijk onderzoek verweven is met het grote publiek, maakt dat wetenschappers van hen afhankelijk zijn en dat publieke communicatie een niet te negeren aspect van hun werk vormt. De ‘wetenschappelijke gemeenschap’ vormt ook geen monolithisch blok dat stabiel is en volledig autonoom functioneert. Integendeel, het bestaat uit meerdere en verschillende sociale structuren, met een onderling steeds veranderende relatie en met elk een verschillende band met het publiek van niet-wetenschappers (Whitley in: Shinn & Whitley, 1985).
Een ander aspect dat naar voren werd geschoven is dat het communicatieproces niet lineair hoeft te zijn: communicatie over wetenschap hoeft niet altijd vanuit een gespecialiseerde context te ontspringen, de communicatie kan ook beginnen vanuit populair, niet-gespecialiseerd verband (Bucchi, 2004).
Hilgartner (1990) wijst erop dat de grens tussen het wetenschappelijke discours en het populaire discours moeilijk te trekken valt, omdat wetenschapscommunicatie in verschillende contexten plaatsvindt. Zo is er de communicatie tussen wetenschappers die op hetzelfde lab en in dezelfde onderzoeksgroep werken, zijn er seminaries, wordt er gepubliceerd in gespecialiseerde en minder gespecialiseerde wetenschappelijke tijdschriften, zijn er literatuurstudies gemaakt, worden er onderzoeksvoorstellen opgesteld voor verschillende instanties, krijgen studenten cursussen en de beleidsmensen beleidsdocumenten voorgeschoteld, en berichten ook de massamedia over wetenschap. Wetenschapscommunicatie binair opdelen in een categorie van ‘zuivere’ kennis versus een categorie van gepopulariseerde kennis is moeilijk wanneer we het volledige spectrum beschouwen. Het communicatieproces kent dus een graduele overgang en kan dan ook beter voorgesteld worden als een continuüm met verschillende communicatieniveaus.
1.2. Cyclus van wetenschapscommunicatie
Lievrouw (1990) stelt een communicatiemodel voor dat niet langer de ‘zuivere’ wetenschapskennis ten opzichte van de gepopulariseerde kennis plaatst. In deze cyclus van wetenschapscommunicatie worden drie fasen onderscheiden: de voorstellingsfase, de documentatiefase en de popularisatiefase. De cirkel is rond wanneer men de feedback van de popularisatiefase op de voorstellingsfase beschouwt (Figuur 2).
In de voorstellingsfase is het communicatieproces er een van man tot man. De wetenschapper stelt zijn ideeën voor en promoot ze binnen zijn onmiddellijke omgeving aan collega’s en vertrouwenspersonen. Het communiceren gebeurt dus op kleine schaal, is informeel en kan bijvoorbeeld plaatsvinden tijdens een werklunch, samenkomsten binnen het lab, telefoonconversaties, via mails of gewoon tijdens een gesprek. In deze fase gaat het verspreiden van wetenschappelijke informatie gepaard met sociale contacten.
In de documentatiefase is het communiceren meer formeel. De wetenschapper stelt een gedocumenteerd verslag op van het onderzoek onder de vorm van papers en boeken, en presentaties op professionele meetings. De manier van communiceren is in deze fase meer gebonden aan bepaalde regels. Het publiek is groter dan in de voorstellingsfase. Doorgaans wordt er meer wetenschappelijke, maar minder sociale informatie uitgewisseld.
De derde fase is die van popularisatie. Het is belangrijk om op te merken dat niet alle wetenschappelijke ideeën deze fase bereiken, omdat vele niet van algemeen belang zijn. Het publiek waartoe men zich richt in de popularisatiefase is veel groter. Via de massamedia wordt de maatschappij in zijn geheel bereikt. De ideeën kunnen op die manier ingeburgerd geraken. In deze fase kunnen ook instituten of prijzen in het leven worden geroepen, kunnen nieuwe woorden geïntroduceerd worden en kunnen nieuwe uitvindingen en ideeën een invloed hebben op de sociale gemeenschap. Het grote publiek absorbeert dus niet enkel de wetenschappelijke informatie, maar transformeert en integreert ze ook in de maatschappij, een maatschappij die op zijn beurt weer invloed heeft op het wetenschappelijk onderzoek en de kennisproductie.

Figuur 2: De drie fasen van de cyclus van wetenschapscommunicatie (Lievrouw, 1990)
1.3. Het continuüm van Cloître en Shinn
1.3.1. Parameters en communicatieniveaus
Een meer gedetailleerd model van het continuüm is dat van Cloître en Shinn (Cloître & Shinn in: Whitley & Shinn, 1985; Bucchi, 1998). Aan de hand van parameters beschrijven ze de verschillende vormen die een wetenschappelijk artikel kan aannemen.
Een eerste parameter zijn referenties. Er kan onder meer verwezen worden naar fenomenen, naar de techniek en het protocol van bepaalde experimenten, naar onderzoek in andere wetenschappelijke onderzoeksvelden, naar onderzoek uit het verleden en naar industriële, technologische en economische aspecten.
Een tweede parameter is beeldspraak. Het onderzoek en de resultaten kunnen gevisualiseerd worden door onder andere grafieken en schema’s, maar ook door metaforen.
De derde en laatste parameter is argumentatie. De argumenten die kunnen aangevoerd worden zijn bijvoorbeeld kwantitatief, gebaseerd op statistische gegevens, of kwalitatief, gebaseerd op eigen intuïtie en op een subjectieve perceptie. Ook het omschrijven van de grenzen waarbinnen problemen worden geanalyseerd maakt deel uit van de argumentatie.
Deze parameters maken het mogelijk vier stadia in het communicatieproces te omschrijven.
Intraspecialistisch niveau:
De specialisten bevinden zich aan het ene uiterste van het continuüm. Op dit niveau wordt wetenschappelijke kennis verspreid aan de hand van artikels in wetenschappelijke tijdschriften, de zogenaamde A1-publicaties. In deze artikels wordt gebruik gemaakt van empirische data, wordt er verwezen naar experimenten en worden de resultaten vaak in grafieken gevisualiseerd. Het spreekt voor zich dat argumentatie cruciaal is in deze publicaties. Kwalitatieve argumentatie is echter niet gebruikelijk, omdat op dit deskundig niveau vooral objectiviteit primeert.
Interspecialistisch niveau:
Tot dit niveau behoren vele soorten publicaties, gaande van interdisciplinaire artikels in tijdschriften als Science en Nature tot papers die op congressen worden voorgesteld aan andere onderzoekers binnen dezelfde discipline, maar die werken op andere onderwerpen. In interspecialistische teksten wordt vaak verwezen naar het werk in naburige onderzoeksvelden en naar fenomenen, minder naar historische aspecten. Naast kwantitatieve argumentaties, wordt er in interspecialistische teksten vaak gebruik gemaakt van kwalitatieve argumentatie. Er wordt dan getracht een eigen visie op een bepaald fenomeen naar voren te brengen.
Pedagogisch niveau:
Dit is de zogenaamde ‘textbook science’. In dit stadium is het theoretisch kader goed ontwikkeld en geconsolideerd. Het paradigma is volledig. De nadruk ligt vooral op de historische context en op de cumulatieve aard van de wetenschap. De theorie wordt vaak schematisch en aan de hand van illustraties verduidelijkt.
Populair niveau:
In dit stadium gaat het voornamelijk over krantenartikels en de meer ‘amateuristische wetenschap’ in televisiedocumentaires en tijdschriften. Hierbij wordt vaak aandacht besteed aan de technologische, economische of medische dimensie van het wetenschappelijk thema en worden vaak metaforen gebruikt.
Volgens Cloître en Shinn (in: Shinn & Whitley, 1985) kunnen in elk van deze categorieën sociale beweegredenen van de wetenschapper teruggevonden worden, gaande van erkenning onder wetenschappers tot het verkrijgen van bondgenoten voor een bepaalde stelling. Wat niet wil zeggen dat de verschillende communicatieniveaus in essentie dezelfde zijn. Integendeel, inhoudsanalyse op het vlak van referenties, argumentatie en beeldspraak tonen aan dat de teksten op elk niveau sterk verschillen.
Er is vanzelfsprekend een groot contrast tussen het specialistisch en het populair niveau: de specialistische teksten leggen de nadruk op de begrenzingen van een experiment en discussiëren over de relevantie van de resultaten; populaire teksten daarentegen informeren het publiek over de recente ontdekkingen en ontwikkelingen, en plaatsen het wetenschappelijk onderwerp in een context van ook niet-wetenschappelijke belangen. Het populair niveau is ook een vrijer stadium, waar epistemologische beperkingen minder spelen en waar de kans op professionele blamage minder groot is. Toch convergeren de beide uitersten van het continuïteitsspectrum naar het bespreken van een onderwerp aan de hand van een kwantitatieve dimensie en een schematische beeldspraak.
Het interspecialistisch en pedagogisch niveau contrasteren vooral in respectievelijk een achtergrond van meerdere onderzoeksvelden en een eerder historische achtergrond. Over de vier stadia zijn er overlappingen van de verschillende parameters, wat ruimte geeft aan niches waarbinnen een theorie herzien kan worden wanneer er gecommuniceerd wordt naar een ander niveau. Op die manier vormt het communicatieproces een dynamisch geheel, waarbinnen de kennisproductie beïnvloed wordt.
1.3.2. Dynamiek in het continuüm: het ‘routine-traject’ en ‘deviatie’
Een dergelijke onderverdeling in niveaus nodigt uit om een soort cognitief traject voor ogen te halen, waarlangs een wetenschappelijk onderwerp van het interspecialistisch niveau tot het populair niveau gecommuniceerd wordt en daarbij ook de intermediaire stadia doorloopt. Zo’n conceptualisatie is bruikbaar, indien rekening wordt gehouden met enkele verduidelijkingen. Ten eerste hoeft een wetenschappelijk idee in de tijd niet het ene stadium na het andere te doorlopen, maar kunnen artikels ook synchroon op bijvoorbeeld specialistisch en populair niveau verschijnen. Ten tweede is het cognitieve traject niet immuun voor obstakels. Soms is publicatie op een van de niveaus niet mogelijk of relevant. In dat geval spreken Cloître en Shinn (in: Shinn & Whitley, 1985) van ‘kristallisatie’, een proces waarbij een idee dus wel in het ene, maar niet in het andere communicatieniveau gepubliceerd geraakt. Zo spreekt het voor zich dat niet elk onderwerp geschikt is voor het grote publiek. Er kan ook een ‘tijdelijke kristallisatie’ optreden, wanneer bijvoorbeeld bepaalde informatie aanvankelijk niet interessant leek om in cursussen voor studenten te staan, maar dat door een bepaalde gebeurtenis, zoals bijvoorbeeld de plotse uitbraak van een ziekte, het onderwerp in de massamedia aan bod komt en daardoor ook relevant wordt op pedagogisch niveau. Op zijn beurt kan dit dan weer leiden tot meer fondsen voor verder onderzoek en is er dus een duidelijke invloed op het specialistisch niveau (Bucchi, 1998).
Cloître en Shinn (in: Shinn & Whitley, 1985) omschrijven een dergelijk alternatief traject, waarbij dus een stadium wordt overgeslagen, aan de hand van de term ‘deviatie’. Informatie wordt in dit geval dus van een bepaald stadium verplaatst naar een ander, met het idee dat deze alternatieve categorie gunstiger is voor de ontwikkeling van de kennis. Bucchi (1998) merkt echter op dat een dergelijke shift niet enkel wordt ingeroepen om theorieën verder te kunnen uitwerken, maar ook bijvoorbeeld om extra materiële en financiële steun te bekomen, om de bovenhand te halen in een controverse of bij het aanvechten van een paradigma. Niet-wetenschappers kunnen in zo een geval bijdragen tot het succes van één groep wetenschappers ten opzichte van een andere groep. Wanneer in de grote media gecommuniceerd wordt, hoeft dit evenwel niet altijd te betekenen dat de vrijgegeven informatie gericht is tot het grote publiek. Het kan evengoed een manier zijn om op een snelle manier, los van de beperkingen die er op het specialistisch niveau heersen, collega’s te bereiken die evengoed deze boodschappen ontvangen (Bucchi, 1998). Volgens Whitley (in: Shinn & Whitley, 1985) is het voor de wetenschapper gemakkelijker om zijn werk met meer zekerheid en als meer gezaghebbend voor te stellen buiten de specialistische context.
Bucchi (1998) stelt dat er ook een ‘sociale reisroute van erkenning’ te bedenken is voor een theorie, die parallel loopt met het cognitieve traject. Op sociaal vlak is het intraspecialistisch niveau dan de laagste drempel om een idee voor te stellen, want in dit stadium worden het minst aantal mensen bereikt. Op interspecialistisch niveau kan er erkenning verkregen worden van de bredere wetenschappelijke gemeenschap. Aan de hand van citaties in artikels van andere wetenschappers en door de vermelding in cursussen voor studenten gaat de theorie deel uitmaken van de algemene kennis en via de massamedia krijgt deze kennis ook erkenning van het grote publiek.
De weergave van het continuïteitsmodel in Figuur 3 is trechtervormig, om zo de toenemende betrouwbaarheid en de steeds grotere simplificatie aan te duiden bij het doorlopen van de verschillende stadia. Het is echter slechts een voorstelling van een soort ideale communicatiestroom in de meest routinematige omstandigheden. In het geval van deviatie is het communicatieproces complexer. Het publieke discours over wetenschap ontvangt dan niet simpelweg wat via de filters van de vorige stadia tot het populair niveau is geraakt, maar kan evengoed het centrum vormen van de dynamiek rond de productie van wetenschappelijke kennis.
In het licht van het continuïteitsmodel kan dus over twee communicatieroutes gesproken worden: het ‘routine-traject’, waarbij zonder problemen een consensus wordt bereikt en waarbij inderdaad gesproken kan worden over popularisatie wanneer de theorie aan het grote publiek wordt voorgesteld, en ‘deviatie’, de alternatieve route, ook omschreven als een meer probleemgerichte publieke communicatie van wetenschap.

Figuur 3: Een model van wetenschapscommunicatie als continuüm (Bucchi, 1998)
Wanneer men het routine-traject volgt en een wetenschappelijke theorie gepopulariseerd wordt, komt deze informatie vaak terecht in tijdschriften die aandacht besteden aan wetenschap, of in de wetenschapssectie van kranten. Tijdens een deviatieproces echter, komt het onderwerp ook vaker in de algemene media aan bod: zoals bijvoorbeeld in de algemene secties van de krant als Binnen- en Buitenland, of in de nieuwsuitzendingen op radio en televisie. Er worden tijdens zo een deviatieproces soms ook persconferenties gehouden door de wetenschappers. Deviatie kan helpen wanneer een wetenschapper sneller informatie wil verspreiden dan wanneer hij dit via de klassieke route zou doen, bijvoorbeeld om plagiaat te voorkomen, maar moet daarbij wel opletten voor de kritiek die hij van zijn collega’s kan krijgen voor deze ‘ongepaste vorm van erkenning’ buiten de wetenschappelijke gemeenschap (Bucchi, 1998).
Het bestuderen van de publieke discours van wetenschap in het geval van deviatie is een mogelijkheid om de pluraliteit van invloeden op kennisproductie en -weergave in beeld te brengen, aldus Bucchi (1998).
2. Wetenschap en de media
Theorieën die de traditionele visie aanvechten schuiven communicatiemodellen naar voren die veel complexer zijn dan het simplistische transfer paradigma. In wat volgt worden een verscheidenheid aan motieven voor wetenschapspopularisering, alsook de invloeden en het belang van de media besproken; aspecten die erop wijzen dat wetenschapscommunicatie inderdaad niet terug te brengen valt tot een eenvoudig model.
2.1. Wetenschappers in hun Ivoren Toren
De traditionele visie op wetenschapscommunicatie (1.1) portretteert wetenschappers impliciet als een elitegroep die erg gespecialiseerd is en die dankzij een intensieve opleiding op deskundige wijze ‘de waarheid’ achterhaalt. Deze kennisproductie wordt dan beschouwd als een proces dat veraf staat van dagelijkse activiteiten en dat een sterke gemeenschapsstructuur vereist, die zich door eigen normen en tradities zelf reguleert (Whitley in: Shinn & Whitley, 1985). Een dergelijke visie, of ze nu klopt of niet, heeft zo zijn voordelen voor de wetenschappers. Zoals eerder aangehaald wijst Bucchi (1998) erop dat wetenschappers zich in het licht van de traditionele visie kunnen distantiëren van het populariseringsproces en van de publicaties van wetenschapsjournalisten, en bijgevolg vanuit hun ivoren toren vrij kritiek kunnen leveren op de voorstelling van wetenschap in de media. Ze omschrijven de weergave van hun ideeën dan vaak als incorrect, of er wordt de journalisten spektakelzucht verweten (Bucchi, 1998).
Vaak vinden journalisten van hun kant dat wetenschappers ‘moeilijke bronnen’ zijn. Ten eerste wordt er in de opleiding van wetenschappers weinig aandacht besteed aan de communicatie van wetenschap naar leken. De wetenschappers zitten vaak vast aan hun vakjargon. Journalisten moeten de informatie dan ‘vertalen’, vaak tot groot ongenoegen van de wetenschappers. Ten tweede is het ‘beloningssysteem’ binnen de wetenschap niet bevorderlijk voor een vlotte communicatie. De gebruikelijke weg om erkenning te krijgen, is het werk laten beoordelen door collega’s (‘peer reviews’) via een wetenschappelijke publicatie. Pas daarna ‘mag’ een wetenschapper zich eventueel tot het grote publiek richten.
Het spreekt voor zich dat er inderdaad journalisten zijn die nonchalant en onjuist met informatie omspringen, maar daarnaast is de botsing tussen wetenschappers en journalisten een onvermijdelijk gevolg van de botsing tussen twee werelden (Winnubst, 1990). Journalisten en wetenschappers hebben verschillende relevantiestructuren en waarden waaruit verschillende kwaliteitscriteria volgen voor journalistieke publicaties enerzijds en wetenschappelijke publicaties anderzijds.
De journalisten leggen de nadruk op het inpassen van de wetenschappelijke kennis in de alledaagse ervaring, de verassende details, en de helderheid, terwijl wetenschappers de beschrijving en de wetmatige en wetenschappelijk correcte samenhang van het onderzoek naar voren brengen.
Journalisten en wetenschappers hebben ook verschillende arbeidswijzen. In de media moet alles snel gaan, waardoor niet alles tot in de puntjes uitgewerkt kan worden. De wetenschapper daarentegen geeft de aanspraak op waarheid voorrang op deadlines.
Tot slot hebben beiden ook een verschillende voorstelling van de verantwoordelijkheid voor het artikel. De journalist vindt dat hij vrijelijk vorm mag geven aan zijn artikel, wetenschappers daarentegen maken geen duidelijk onderscheid tussen de wetenschapsinterne communicatie via de vakmedia en de wetenschapsexterne communicatie via de massamedia en erkennen de ‘journalistieke wetmatigheden’ daarom niet.
Ook externe factoren kunnen een rol spelen in het bemoeilijken van wetenschapscommunicatie. Wanneer een wetenschapper bijvoorbeeld in dienst werkt van een bepaald industriebedrijf, dan is wetenschappelijke informatie een wapen in de concurrentiestrijd. In dat geval zou het bekendmaken van resultaten de economische belangen van het bedrijf kunnen schaden. Ook onderzoek dat in opdracht van de overheid wordt uitgevoerd, wordt soms omwille van de nationale veiligheid of het algemeen belang niet gepubliceerd.
Het kan ook gebeuren dat de werkgever van de wetenschapper communicatie stimuleert. Publiciteit voor het onderzoek is immers ook publiciteit voor het bedrijf of de instelling. En ook de afhankelijkheid van onderzoeksfondsen bevordert vaak de wetenschapscommunicatie. Aangezien onderzoek steeds gespecialiseerder wordt, is het vaak ook duurder en is het belangrijk voor de wetenschapper om naam te verwerven en/of een onderzoeksvoorstel te kunnen ‘verkopen’ (Winnubst, 1990).
Lievrouw (1990) merkt op dat er toch steeds meer en meer wetenschappers zich tot het grote publiek richten, vooral in de onderzoeksvelden waar de intellectuele en economische belangen het grootst zijn. De mediatisering van de maatschappij die sinds de tweede helft van de 20ste eeuw aan de gang is, speelt hierin ongetwijfeld ook een belangrijke rol. Hoe belangrijker de media worden voor het publieke discours in het algemeen, hoe belangrijker het is voor de wetenschap om media-aandacht te krijgen (Weingart, 1998). Mediatisering van de maatschappij wordt verder in dit hoofdstuk besproken (2.4.).
2.2. Motieven om aan wetenschapspopularisering te doen
Winnubst (1990) geeft een opsomming van redenen waarom popularisering van belang is voor wetenschappers en voor de wetenschap in het algemeen.
Ten eerste doen beleidsvoerders steeds vaker beroep op de wetenschap als basis of legitimatie van hun beslissingen. Wanneer wetenschappers met hun onderzoek en resultaten in de openbaarheid komen, kunnen ze een zekere macht uitoefenen via de politici en zo ook erkenning krijgen.
Ten tweede is het belangrijk dat wetenschappelijke onderzoek en informatie het grote publiek bereiken, opdat de onzekerheid, angst alsook de hoge verwachtingen van leken ten opzichte van de wetenschap voor een deel weggenomen worden. Met de steun van het publiek kan ook de overheid gemakkelijker gestimuleerd worden. En ook wanneer men beroep moet doen op bijvoorbeeld proefpersonen of respondenten zullen door een betere bekendheid en een positieve houding meer vrijwilligers gestimuleerd worden om mee te werken.
Zoals eerder aangehaald (2.1.) verhoogt publiciteit rond een bepaalde wetenschappelijke instelling de aantrekkingskracht, wat niet alleen op financieel vlak belonend kan zijn, maar ook studenten en onderzoekers uit binnen- en buitenland kan lokken. En hetzelfde geldt ook voor de individuele wetenschapper, die via wat publiciteit gemakkelijker aan fondsen zal geraken en als docent misschien meer studenten kan aantrekken. Bovendien streelt erkenning en persoonlijke bekendheid de menselijke ijdelheid.
Wanneer de resultaten van een onderzoek bekend zijn, kunnen ze eventueel ook worden toegepast. Door naar buiten te treden met deze wetenschappelijke informatie kunnen ‘cliënten’ of kopers worden aangetrokken, wat weer geld kan opleveren voor verder onderzoek.
Tot slot wijst Winnubst (1990) erop dat het contact met de samenleving de wetenschap behoedt tegen te ver gevoerde specialisatie en vakidiotie. Er moet immers aandacht worden besteed aan de maatschappelijke relevantie van het werk, er dient rekening gehouden te worden met vragen van buitenaf, het is een stimulans om afstand te doen van vakjargon, enzovoort.
2.3. Popularisering in het belang van het publiek
Om het grote publiek te bereiken moeten wetenschappers of onderzoeksinstellingen naar de media stappen. Omgekeerd kunnen journalisten zelf actief op zoek gaan in de wetenschapswereld naar nieuws en informatie om die dan in de media te verspreiden.
Voor zowel wetenschappers, onderzoeksinstellingen, als journalisten kunnen de beweegredenen om aan wetenschapspopularisering te doen grofweg onderverdeeld worden in altruïstische en egoïstische beweegredenen (Winnubst, 1990). Beweegredenen in het belang van wetenschappers werden in het punt hiervoor aangehaald (2.2.). Egoïstische beweegredenen van de media zijn bijvoorbeeld het berichten over bepaalde wetenschappelijke onderwerpen die omdat ze actueel, sensationeel of amusant zijn, kijkcijfers opleveren.
Wanneer wetenschap gepopulariseerd wordt in het belang van het publiek, kan men spreken van altruïstische doelstellingen. Winnubst (1990) maakt hierbij onderscheid tussen vier categorieën: de democratische doelstellingen, culturele en maatschappelijke doelstellingen, educatieve doelstellingen en ten slotte wetenschapspopularisering in teken van de amusementswaarde.
Een eerste democratische doelstelling is popularisering omdat het publiek als ‘lijdend voorwerp’ van de wetenschap recht heeft op informatie. Wetenschap en technologische toepassingen hebben immers een enorme invloed op de samenleving en het grote publiek heeft onvermijdelijk te maken met de gevolgen ervan. Bovendien wordt een groot deel van het wetenschappelijk onderzoek gefinancierd door de overheid, met andere woorden, door de belastingbetaler. Dus ook omdat het meebetaalt, heeft het publiek recht op informatie.
Het is natuurlijk wel niet zo dat het publiek de samenleving enkel ondergaat. In een democratische wereld moet het publiek ook meebeslissen en heeft het inspraak in het beleid. Om te kunnen deelnemen in discussies omtrent de toepassing van wetenschappelijke ontwikkelingen moet het publiek op de hoogte blijven van het wetenschappelijk onderzoek.
De culturele en maatschappelijke doelstelling van wetenschapspopularisering is de mensen die deel uit maken van onze (Westerse) cultuur inzicht geven in een van de belangrijkste aspecten ervan. Wetenschap staat centraal in onze samenleving. Als mensen vervreemd geraken van de snelle ontwikkelingen in onze wetenschap kan angst ontstaan, of afkeer. Een andere mogelijkheid is dat mensen te hoge verwachtingen koesteren ten aanzien van wetenschap. En wanneer dan niet aan deze verachtingen wordt voldaan kan dit weer omslaan in afkeer.
Wetenschapspopularisering draagt dus bij tot de integratie van de burgers in hun cultuur waarvan wetenschap een belangrijke component is, door hen de mogelijkheden en beperkingen van het wetenschappelijk onderzoek duidelijk maken.
Wetenschapspopularisering kan ook een educatieve taak hebben: wanneer het publiek op de hoogte is van nieuwe ontwikkelingen, kan het ze eventueel ook leren wetenschap toe te passen. De popularisering draagt zo bij tot het leerproces dat ook na de eigenlijk onderwijsperiode wordt voortgezet.
Wetenschap hoeft niet altijd saai en ernstig te zijn, het kan ook enige amusementswaarde bezitten. Wetenschapspopularisering kan in dat geval het publiek plezier verschaffen. Wat op zijn beurt kan leiden tot hoge kijkcijfers voor de media en wat dus voor een wisselwerking tussen altruïstische en egoïstische beweegredenen zorgt.
2.4. Mediatisering van de maatschappij
De media ondergaat een gelijkaardige ontwikkeling op het gebied van uitbreiding en interne differentiatie als de wetenschap (Weingart, 1998). Onze huidige maatschappij wordt gekenmerkt door wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen, maar ook door een steeds toenemend belang van de media, een maatschappelijke evolutie die vaak met de term mediatisering wordt omschreven. Om een duidelijker inzicht te krijgen in de huidige relatie tussen wetenschap en de media, wordt in wat volgt dieper ingegaan op het begrip mediatisering .
Onze huidige maatschappij wordt vaak een ‘media society’ genoemd, een begrip dat wijst op het steeds toenemende belang van de massamedia. Het concept omschrijft in de eerste plaats de fundamentele sociale veranderingen ten gevolge van ‘mediëring’ en mediatisering (Schulz, 2003).
Het begrip ‘mediëring’ verwijst naar de basisfunctie van de massamedia, met name het publiek toegang verschaffen tot die delen en aspecten van de samenleving die ze niet met hun eigen ogen kunnen zien (of met hun eigen oren kunnen horen).
Mediëren houdt ook het overbruggen van ruimtelijke, sociale en culturele afstanden in. Hierbij kunnen twee aspecten onderscheiden worden: een directe overbrugging aan de hand van technische middelen en dus via telecommunicatie, en een indirecte overbrugging, door het creëren van een publieke sfeer, of ‘forum’, waarbinnen de verschillende sociale actoren meningen en visies kunnen uitwisselen en belangen kunnen formuleren. In principe is dit forum voor iedereen toegankelijk. Door mediëring wordt dus informatie aangevoerd en het laat toe dat het publiek participeert in maatschappelijke discussies (Schulz, 2003).
Mediatisering en andere ‘iserings’, zoals globalisering, commercialisering, individualisering, zijn termen met een kritische ondertoon. Ze worden vaak gebruikt in de kritische beoordeling van sociale veranderingen in de maatschappij. Mediatisering wijst op de impliciete gevolgen van de evolutie van de media, en dan voornamelijk van televisie, op de samenleving. Deze gevolgen hebben een invloed op individuen, groepen en organisaties en hun perceptie van de werkelijkheid en hun sociaal gedrag, en op sociale systemen of delen ervan en hun onderlinge relaties (Schulz, 2003). Het proces van sociale verandering omschrijft Schulz (2004) aan de hand van vier begrippen: uitbreiding, vervanging, samensmelting en aanpassing.
Mediatechnologieën breiden de grenzen van het menselijk communicatievermogen uit. De natuurlijke grenzen van menselijke communicatie zijn beperkt in termen van ruimte, tijd en expressiviteit, maar dankzij de media kunnen die ruimtelijke en temporele begrenzingen overbrugd worden.
De media vervangen gedeeltelijk of volledig bepaalde sociale activiteiten en sociale instituten. Zo vervangen computerspelletjes speelkameraadjes of speelgoed, en zo hoeven mensen niet meer naar de bank te gaan, omdat via het internet gebankierd kan worden. Er wordt naar televisie gekeken in plaats van dat er met elkaar wordt gepraat, en gesprekken van man tot man kunnen nu via telefoon, e-mail of SMS.
De media dringen de professionele, economische, politieke, culturele en publieke sfeer binnen en doen zo media en non-media activiteiten versmelten. Er wordt bijvoorbeeld geluisterd naar de radio tijdens het rijden, er wordt gekeken naar televisie tijdens het eten, enzovoort. Op die manier worden de media een integraal deel van de private of sociale sfeer, waardoor de mediavoorstelling van de realiteit samenvloeit met de sociale definitie van de realiteit.
Gewoon het feit al dat er via de media gecommuniceerd wordt, zorgt voor sociale verandering. De media zorgen voor de jobs en het inkomen van een groot aantal mensen. Het spreekt voor zich dat al wie bij de economie betrokken is, zich moet aanpassen aan hoe de media werken. Dit houdt ook mensen uit de politiek, sport, entertainment en andere sociale domeinen in. De ‘media logic’, de manier waarop mediaboodschappen geproduceerd en gepresenteerd worden, houdt sociale verandering in voor al de verschillende sociale actoren binnen de maatschappij.
De vier processen die hier gebruikt worden om mediatisering te omschrijven zijn niet alleenstaande componenten, maar maken deel uit van een complex proces van de overgang naar een meer gemediatiseerde wereld.
Studies over de ‘media society’ en mediatisering hebben vaak een kritische ondertoon (Schulz, 2003).
Eén theorie, de ‘Dependency Assumption’, wijst op de alomtegenwoordigheid van de media in de maatschappij en de afhankelijkheid die daaruit voortvloeit. Onderzoek toont aan dat mensen per dag steeds meer tijd besteden aan mediacommunicatie. En omdat mediacommunicatie zo een prominente rol heeft in de samenleving, beïnvloeden de media de sociale definities van de realiteit.
Een andere theorie, het ‘Reciprocity Model’, dat niet alternatief maar eerder complementair is ten aanzien van de voorgaande theorie, gaat dieper in op de complexe relatie tussen de media en de samenleving en wijst op de transacties, feedback en anticipaties van de personen en groepen die betrokken zijn bij mediacommunicatie. De media worden beschouwd als zowel de oorzaak als doel van psychologische en sociale processen met vergaande gevolgen. Zo kunnen de media de oorzaak zijn van de vorming van een heel ander wereldbeeld, maar kunnen politici op een bepaalde manier handelen met het doel de media te bereiken en te gebruiken.
In een maatschappij die rond de media draait kan de wetenschap mediacommunicatie uiteraard niet negeren. Wetenschapscommunicatie naar het publiek is niet nieuw, maar de intensiteit en de manier waarop er gecommuniceerd wordt, is dat wel. Door het groeiende belang van de media in de vorming van de publieke opinie, het bewustzijn en de perceptie, alsook door de steeds toenemende afhankelijkheid van wetenschap van schaarse middelen en dus de afhankelijkheid van publieke aanvaarding, zal de wetenschap zich steeds meer op de media richten (Weingart, 1998).
2.5. Mediabekendheid en wetenschappelijke reputatie
Bekendheid heeft een gelijkaardige functie in de media, als reputatie in de wetenschap[1]. Beiden hoeven evenwel niet overeen te komen: het is niet omdat een wetenschapper vaak in de media wordt opgevoerd, dat hij daarom ook een grote wetenschappelijke reputatie heeft. Wetenschappelijke reputatie is slechts een van de factoren die meespelen om bekendheid te verwerven in de media[2]. Goodell (1977) haalde in zijn pionierswerk aan wat de meest gebruikelijke kenmerken zijn die een wetenschapper moet bezitten om veel media-aandacht te verkrijgen: een opmerkelijke persoonlijkheid hebben, vlot en veel communiceren, en aan onderzoek doen dat aantrekkelijk is en gerelateerd tot problemen en angsten in de samenleving.
Weingart (1998) wijst op de onafhankelijkheid van de media: aan de ene kant laten ze zich wel leiden door de communicatie op specialistisch niveau en de wetenschappelijke reputatie die daaruit voortvloeit, reputatie is immers een teken van betrouwbaarheid en bekwaamheid, maar aan de andere kant zijn ze niet gebonden aan die wetenschappelijke reputatie en zijn ze vrij om in de aandacht te brengen wat ze maar willen. Mediabekendheid wordt integraal binnen de media zelf geconstrueerd. Het lijkt dan niet ondenkbaar dat de aandacht van beleidsmensen gaat naar het onderzoek van wetenschappers die veel aan bod komen in de media, ook al is die mediabekendheid niet in overeenstemming met hun wetenschappelijke reputatie. Op hun beurt kunnen wetenschappers zich voorstellen dat de weg naar succes gevonden kan worden in de media wanneer die binnen de wetenschappelijke wereld zelf vastgelopen is. Dit kan leiden tot steeds meer wetenschappelijk onderzoek naar bepaalde zaken die eigenlijk niet zoveel aandacht verdienen als de mediabekendheid doet vermoeden. De nauwe relatie tussen media en wetenschap kan zo leiden tot een competitie tussen mediagerelateerde en wetenschappelijke criteria. Deze hypothese dient nog empirisch onderbouwd te worden.
3. Wetenschap als politiek gebeuren
In het voorgaande werd aangetoond dat de traditionele visie op wetenschapscommunicatie in grote mate niet opgaat. Dat het wetenschappelijke discours eindigt waar het publieke discours begint, werd gecounterd door theorieën die wijzen op de betrokkenheid van de het grote publiek, de media en de gehele samenleving bij het wetenschappelijk onderzoek.
In dit laatste luik wordt het concept wetenschap ruimer bekeken dan louter op vlak van communicatie. In de definities die wetenschap trachten te omschrijven, heeft men het vaak over de rede, de objectiviteit, de belangenloosheid waarmee gezocht wordt naar de waarheid over verschillende aspecten van de wereld (Brown & Malone, 2004). Een dergelijke omschrijving van wetenschap suggereert dat het gaat om een apolitiek proces. Brown en Malone (2004) namen onder de loep in welke mate wetenschap wél een politiek gebeuren is. Het woord politiek werd hierbij gebruikt zowel in de ruime betekenis, zijnde een gedragslijn waarbij men op een doelbewuste manier handelt, als in de enge betekenis, betrekking hebbend op het beleid. Volgens Brown en Malone (2004) is wetenschap op drie niveaus politiek: binnen wetenschappelijke disciplines door het overhalen van collega’s, het zoeken van bondgenoten, en het bekritiseren van het werk van anderen, tussen disciplines wanneer die geïnstitutionaliseerd worden en hun grenzen afbakenen binnen universiteiten en andere onderzoeksinstellingen, en tenslotte als een geheel dat zichzelf onderscheidt van de rest van de maatschappij door kennisproductie en uitvindingen.
Het beeld van de wetenschapper als een belangenloze onderzoeker die de waarheid wil achterhalen is al eeuwenoud en nog steeds predominant in de literatuur. Deze visie overlapt ook met hoe de traditionele visie de wetenschapper portretteert (1.1.). Steeds meer sociologische studies leveren kritiek op deze stelling. Zo werd ze al aan de kaak gesteld door analyses van de interne machtsstrubbelingen binnen een onderzoeksgroep en door de link na te gaan tussen het werk van wetenschappers enerzijds, en de politieke belangen van de overheid en de economische belangen van de industrie anderzijds[3]. Wetenschappers worden steeds meer beschouwd als een zeer noodzakelijke, maar toch mogelijk even kwetsbare beroepscategorie als elke andere, en die eveneens onderhevig is aan de verleidingen van macht en privilege. Binnen het eigen veld ontstaat er vaak een rivaliteit tussen de wetenschappers. Ze willen allemaal kapitaal, technische middelen en een zeker status bemachtigen. De competitie die daaruit voortvloeit zet wetenschappers aan tot het bekritiseren van het werk van anderen en het verdedigen van eigen theorieën, wat een politiek proces is dat bijdraagt tot het succes van de wetenschap.
Interdisciplinaire competitie voor de dominantie in een bepaald beroepsdomein (en de bijbehorende subsidies) staat centraal in de moderne beroepsstructuur. Wetenschap vormt hierop geen uitzondering. De verschillende disciplines zijn georganiseerd binnen universitaire departementen en maken ook deel uit van nationale en internationale netwerken. De structuur, het onderzoek waarop ze zich focussen en de banden die ze met andere disciplines hebben, veranderen over de tijd. Op die manier vormen ze een dynamisch systeem van competitie en bondgenootschappen. Zowel de interne opbouw als steun van buitenaf bepalen in grote mate de grenzen tussen de disciplines. Sommige van deze onderzoeksgroepen zijn zeer rigide gestructureerd en hangen vast aan een overkoepeld paradigma en aan theorieën die niet worden aangevochten. Vaak beschrijven ze hun eigen methoden en theorieën als superieur aan concurrerende disciplines. Andere onderzoeksgroepen zijn intern meer uiteenwijkend en meer open. De grenzen van het onderzoeksveld waarbinnen ze werken zijn minder sterk afgebakend.
In een onderzoeksveld waar de kosten uitzonderlijk hoog zijn, heerst vaak een streng hiërarchische structuur, is de organisatie zeer bureaucratisch en zijn de wetenschappers intellectueel vaak meer eensgezind. Het gaat hier voornamelijk om de geïndustrialiseerde wetenschappen. Aan het andere uiterste van het spectrum staan de wetenschappelijke disciplines die sterk geïndividualiseerd zijn, zoals bijvoorbeeld antropologie. De wetenschappers binnen dit onderzoeksveld gaan vaak op zoek naar erkenning bij zowel een wetenschappelijk als een niet-wetenschappelijk publiek, die beide kunnen voorzien in de nodige middelen voor het onderzoek. Tussen deze twee uitersten bevinden zich de disciplines als bijvoorbeeld biochemie, die niet zo duur zijn als geïndustrialiseerde wetenschappen, maar die zich wel binnen een onderzoeksgroep met eigen laboratoria organiseren.
Het vermogen om een zekere solidariteit en conformiteit te bewaren binnen een onderzoeksveld is belangrijk voor het politieke proces van overleving en uitbreiding van de discipline.
Wetenschap is afhankelijk van de overheid en de industrie voor de financiering van het onderzoek. De samenwerking tussen wetenschappers, de industrie en de overheid heeft geleid tot een steeds toenemende bureaucratisering, professionalisering en industrialisering van de wetenschappelijke instellingen. Op die manier werken gespecialiseerde academische disciplines vaak in samenwerkingsverband en zijn ze verbonden aan bepaalde administraties en instellingen. Zo wordt biologie onder andere gekoppeld aan de farmaceutische industrie, is fysica nauw verbonden met de Departementen van Energie en Defensie, kan economie niet worden losgekoppeld van de overheid, enzovoort. Het partnerschap tussen wetenschap, industrie en overheid wordt vaak door alledrie de partijen opgezocht, elk omwille van hun eigen belangen.
Hoofdstuk 2: Casestudy Biologie
1. Probleemstelling
1.1. Het doel
In dit hoofdstuk wordt aan de hand van enkele kwalitatieve interviews met Vlaamse biologen nagegaan in welke mate de modellen en -theorieën die in het theoretisch kader aan bod komen, ook van toepassing zijn op het werk van deze mensen. Hierbij worden de visies van de wetenschappers getoetst aan de traditionele visie, wordt de rol van de media belicht, alsook in welke mate wetenschap een politiek gebeuren is.
1.2. Waarom biologie?
In de studies die de traditionele visie op wetenschapscommunicatie aanvechten wordt vaak dezelfde casestudy en worden vaak voorbeelden uit dezelfde wetenschapsdisciplines naar voren geschoven.
De ‘cold fusion case’ is een populair voorbeeld van het gebruik van de media door wetenschappers. De case betrof een team onderzoekers uit de Amerikaanse universiteiten van Utah en Southhampton die in de jaren 80 zogezegd bewijzen hadden dat ‘cold fusion’, nucleaire fusie in minder uitzonderlijke omstandigheden en met goedkopere middelen, kon plaatsvinden. De ontdekking haalde het nationale nieuws en sprak het grote publiek aan omdat cold fusion goedkope en ‘propere’ energie kon opleveren in een maatschappij die veel economische en milieugerelateerde problemen kende. Het waren de wetenschappers en de sponsors van het onderzoek zelf die naar de media waren gestapt. Een evaluatie van het onderzoek door andere wetenschappers kwam pas na de publieke bekendmaking van het onderzoek, maar was desalniettemin vernietigend en cold fusion werd meedogenloos van tafel geveegd. Lievrouw (1990) haalde dit voorbeeld aan om te demonstreren hoe een wetenschappelijk idee het middelpunt van het publieke discours kan worden. Weingart (1998) illustreerde aan de hand van de cold fusion case het fenomeen van ‘pre-publicatie’, waarbij dus wetenschappelijke informatie wordt vrijgegeven aan een groter publiek nog vóór het beoordeeld kan worden in een ‘peer review’. Bucchi (1998) gebruikte het voorbeeld om het deviatieproces te omschrijven.
Naast de cold fusion case worden in de kritische studies over wetenschapscommunicatie vaak voorbeelden aangehaald uit de medische wereld (Hilgartner, 1990; Bucchi, 1998) of uit de biogenetica (Bucchi, 2004; Wynne, 2005).
De aandacht voor kernfysica, biomedische wetenschappen en biogenetica is niet toevallig. Brown & Malone (2004) merken op dat er in de Verenigde Staten tijdens de jaren 90 een shift van overheidssteun voor fysica naar biomedische wetenschappen heeft plaatsgevonden. De steun voor fysica was sinds de Tweede Wereldoorlog onvoorwaardelijk geweest, maar het laatste decennium zitten onder meer de kernfysici met budgetaire problemen. Vandaag de dag zijn het de biologische wetenschappen, met name de biomedische en biogenetische, die floreren. Het onderzoek naar remedies voor kanker, hartziektes en immunologische ziektes als AIDS wordt dan ook door de overheid en het grote publiek aangemoedigd.
Wat in de Verenigde Staten gebeurt, waait vaak over naar de rest van de wereld. Ook bij ons zitten genetica en biomedische wetenschappen in de lift. Het is echter niet ondenkbaar dat in de decennia die volgen ook onderzoek naar milieu een gelijkaardige centrale plaats krijgt. Onder meer de klimaatsveranderingen vormen nu al heel wat jaren een belangrijk thema in het publieke, politieke en wetenschappelijke discours. Het Kyoto-verdrag van 1997 heeft deze trend bekrachtigd. Maar ook thema’s als de gevolgen van het gebruik van natuurlijke bronnen, en van vervuiling, ontbossing, bebouwing en ontginning zijn niet meer weg te denken van politieke en wetenschappelijke agenda’s. Het onderzoek naar de gevolgen van deze menselijke activiteiten voor de natuur wordt grotendeels toegewezen aan de takken van de biologie die zich bezighouden met ecologie, en de klassieke biologie die zich toelegt op het beschrijven van soorten en het onderzoeken van de meest fundamentele bouwstenen van de natuur.
Omdat in de studies over wetenschapscommunicatie zelden voorbeelden worden aangehaald uit de ecologie of het fundamenteel biologisch onderzoek, heeft men nog niet concreet kunnen aantonen in welke mate de communicatiemodellen en –theorieën ook opgaan voor deze wetenschappelijke disciplines. Deze masterproef is een eerste aanzet om de communicatie omtrent deze takken van de biologie onder de loep te nemen.
2. Werkwijze
2.1. De geïnterviewden
Er werden in totaal vijf biologen geïnterviewd. Twee ervan werken voor het INBO, Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, twee anderen staan aan het hoofd van een onderzoeksgroep binnen de Vakgroep Biologie van de Universitiet Gent, en een vijfde werkt voor het VLIZ, Het Vlaams Instituut voor de Zee.
Het INBO is een wetenschappelijke instelling van de Vlaamse Gemeenschap. Het instituut isontstaan op 1 januari 2006 door de fusie van het Instituut voor Natuurbehoud (IN) en het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer (IBW). Het INBO doet aan beleidsgericht onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening over behoud, ontwikkeling, beheer en duurzaam gebruik van biodiversiteit en haar milieu. Het INBO wil een toonaangevende speler zijn in wetenschappelijk onderzoek dat relevant is voor beleid en maatschappij, in eigen land maar ook internationaal (www.inbo.be).
Er werden twee mensen van het INBO geïnterviewd omdat het onderzoek dat daar verricht wordt, beleidsgericht en met het doel voor ogen om aan wetenschappelijke dienstverlening te doen, contrasteert met het onderzoek aan de Universiteit, dat vaak veel fundamenteler en minder toepasbaar is.
De twee geïnterviewden van het INBO zijn:
- Kris Decleer
Kris Decleer behaalde het diploma van licentiaat biologie, optie dierkunde, en werkt sinds 1992 voor het IN en nu voor het nieuwe INBO. Hij is celcoördinator voor de cel natuurontwikkeling en natuurbeleid, wat inhoudt dat hij medeverantwoordelijk is voor de ‘vertaling’ van de ecologische kennis die het INBO vergaart naar verschillende administraties en overheden die de wetenschappelijke kennis moeten toepassen.
- Prof. Dr. Eckhart Kuijken:
Professor Kuijken behaalde het diploma van licentiaat biologie, optie dierkunde, en doctoreerde. Hij werd algemeen directeur van het IN toen het in 1986 werd opgericht, en is nu algemeen directeur van het INBO. Als directeur moet hij enerzijds mensen aansturen op onderzoek en anderzijds administratieve verplichtingen inzake personeelsbeleid en begrotingsbeleid nakomen. Professor Kuijken doceert ook aan de Universiteit van Gent.
Tot de Vakgroep Biologie van de Universiteit Gent behoren onder meer de onderzoeksgroep Mariene Biologie en de onderzoeksgroep Evolutionaire Morfologie van Vertebraten. De hoofdcoördinator van elk van deze onderzoeksgroepen werd geïnterviewd:
- Prof. Dr. Dominique Adriaens
Professor Adriaens behaalde het diploma licentiaat biologie, optie dierkunde, en doctoreerde. Vijf jaar geleden, in 2001, werd hij benoemd tot docent. Professor Adriaens is daarnaast ook hoofdcoördinator van de onderzoeksgroep Evolutionaire Morfologie van Vertebraten en is diensthoofd van het Museum voor Dierkunde van de universiteit. Het onderzoek binnen de onderzoeksgroep Evolutionaire Morfologie van Vertebraten spitst zich voornamelijk toe op fundamenteel, weinig toepasbaar, biologisch onderzoek.
Professor Adriaens trad aan als ‘deskundige’ in het populaire wetenschapsprogramma ‘Hoe?!Zo!’ op de zender één van de Vlaamse Radio- en Televisieomroep.
- Prof. Dr. Magda Vincx
Professor Vincx behaalde het diploma licentiaat biologie, optie dierkunde, en doctoreerde. Ze werd in 1991 docent en is ondertussen benoemd tot Gewoon Hoogleraar, wat op de trappenlijn van lesgevers het hoogste niveau is. Professor Vincx is hoofdcoördinator van de onderzoeksgroep Mariene Biologie, waar zowel fundamenteel als toepasbaar, vaak ecologisch onderzoek wordt gedaan.
Het VLIZ werd opgericht in 1999 en is een coördinatie- en informatieplatform voor zeewetenschappelijk onderzoek in Vlaanderen. Het instituut is een knooppunt voor marien en kustgebonden onderzoek en fungeert als internationaal aanspreekpunt. Het VLIZ sluit samenwerkingsovereenkomsten af met Vlaamse onderzoeksgroepen en administraties, en integreert haar activiteiten in nationale en internationale netwerken (www.vliz.be). Het VLIZ werkt onder meer samen met de onderzoeksgroep Mariene Biologie van de Universiteit Gent. Voor alle duidelijkheid: het VLIZ werkt samen met onderzoeksgroepen, maar voert zelf geen onderzoek uit.
Er werd beslist om iemand van het VLIZ te interviewen, omdat het instituut een belangrijk communicatieorgaan vormt voor de onderzoeksgroep Mariene Biologie van Prof. Dr. Magda Vincx. Door zowel Professor Vincx als een medewerker van het VLIZ aan het woord te laten kan er uiteindelijk een breder beeld gevormd worden van de communicatie van de onderzoeksgroep.
De geïnterviewde van het VLIZ is:
- Dr. Jan Seys
Jan Seys behaalde het diploma licentiaat biologie, optie dierkunde, en doctoreerde. Sinds 2000 is hij aan het VLIZ de Verantwoorelijke voor Informatie en Communicatie. Dat houdt in dat hij de redactie opvolgt van alles wat er aan het instituut gepubliceerd wordt, dat hij de redactieraad samenstelt, en dat hij mee betrokken is in de organisatie van evenementen, waaronder studiedagen, conferenties en workshops.
2.2. De interviews
Prof. Dr. Vincx werd persoonlijk om een interview gevraagd, de andere vier werden per mail gecontacteerd. Er werd hen gevraagd of ze bereid waren geïnterviewd te worden in het kader van een masterproef over wetenschapscommunicatie, zonder in de e-mail verder uit te wijden over de inhoud. Ze stemden allevier onmiddellijk toe om mee te werken. Prof. Dr. Kuijken, Prof. Dr. Adriaens en Dr. Seys merkten hierbij op dat ze dit wilden doen, omdat ze wetenschapscommunicatie ontzettend belangrijk vinden.
In de interviews werd getracht het hele spectrum van het communicatieproces aan bod te laten komen. Er werden vragen gesteld over de communicatie die een onderzoek voorafgaat, om bijvoorbeeld fondsen en materiële steun te verwerven. Er werd nagegaan of de geïnterviewden invloed ondervinden van de machthebbende politieke partijen en/of van het grote publiek. Ook communicatie ná het onderzoek werd uitgebreid besproken: wie wordt door wie gecontacteerd, wat en hoe wordt er geschreven, welk doel heeft men bij deze communicatie voor ogen, enzovoort.
De interviews werd opgebouwd rond enkele centrale vragen:
Kunt u uw functie binnen de universiteit/ het instituut kort omschrijven?
Hoe bekomt de onderzoeksgroep/het instituut materiële en financiële steun voor onderzoek en projecten?
Wanneer u een werkprogramma/onderzoeksvoorstel dient op te stellen, moet u het onderzoek/ project dan binnen een grotere context plaatsen?
Moet u een andere woordenschat hanteren bij de omschrijving?
Denkt u dat het een rol speelt welke politieke partijen aan de macht zijn en welke minister er instaat voor het milieu/ de Noordzee/ wetenschapsbeleid?
Wat doet u met negatief wetenschappelijk nieuws?
Maken jullie met de onderzoeksgroep/ het instituut gebruik van de media om druk uit te oefenen op de overheid of andere instanties?
Welke invloed heeft het binnenhalen van financiële middelen op (het meedelen van) wetenschappelijke resultaten?
Zijn er al onderzoeksresultaten/ projecten/ werk van u besproken in de massamedia?
Vindt u dat het publiek een boodschap heeft aan het werk/onderzoek dat u verricht?
Worden er in het instituut/ de onderzoeksgroep soms doctoraatsonderwerpen/ scriptieonderwerpen voorgesteld die inspelen op huidige maatschappelijke discussies/ trends?
Op welke manier heeft u ooit ervaren dat de mediatisering van de maatschappij een invloed heeft op communiceren van wetenschap(pelijke resultaten)?
Verwerkt u uw eigen onderzoeksresultaten/ -onderwerpen in uw lessen, nog voor ze gepubliceerd worden of naar het beleid worden gecommuniceerd?
Hoe zou u de functie van communicatie binnen uw werk/onderzoek willen omschrijven?
Denkt u dat communicatie (andere dan intraspecialistische) een rol speelt in het verwerven van een naam binnen uw vakgebied?
Een van de modellen voor wetenschapscommunicatie spreekt over vier communicatieniveaus: het intraspecialistisch niveau, het interspecialistisch niveau, het pedagogisch en het populair niveau. Ervaart u ook een dergelijke opdeling in wetenschapscommunicatie?
Diezelfde theorie introduceert ook het begrip ‘deviatie’ in wetenschapscommunicatie. Dit houdt in dat wetenschappers bij de communicatie over hun onderzoek een van eerder genoemde stadia overslaat, bijvoorbeeld eerst iets in de media verkondigt alvorens de resultaten in een A1-publicatie bekend te maken. Heeft u zelf al op een dergelijke ‘alternatieve’ manier onderzoeksresultaten de wereld in gestuurd?
Soms werden niet al deze centrale vragen gesteld. In het interview met Kris Decleer bijvoorbeeld, werd niet gevraagd hoe het INBO aan financiële en materiële middelen komt, omdat Prof. Dr. Kuijken die vraag al had beantwoord, en het toch niet om een vraag gaat waarop ze elk een subjectief antwoord kunnen geven. En Kris Decleer en Dr. Jan Seys zijn geen docenten, dus kon er niets gevraagd worden over het verwerken van eigen onderzoek in de lessen.
De interviews vonden plaats in de werkomgeving van de geïnterviewden. De gesprekken werden opgenomen aan de hand van een mp3-speler en werden woord voor woord uitgeschreven (zie bijlage). In de quotes die in dit hoofdstuk vermeld worden, werd eventueel de grammatica en/of de stijl aangepast om ze vlotter te laten lezen. Het spreekt voor zich dat er bij deze ‘verbetering’ inhoudelijk niets werd veranderd. Om aan te duiden van wie de quotes komen, worden ze telkens voorafgegaan door de initialen van de geïnterviewde.
3. Praktijk versus Theorie
3.1. Een traditioneel zicht vanuit de Ivoren Toren?
Er zijn voldoende redenen om aan te nemen dat het transfer paradigma (Hst 1, 1.1.1.) tekortschiet als model voor wetenschapscommunicatie. Het ontvangen van wetenschappelijke informatie gebeurt niet passief (Whitley in: Shinn & Whitley, 1985), de informatie wordt niet louter getransporteerd maar ook getransformeerd (Bucchi, 1998) en wetenschapscommunicatie hoeft geen lineair proces te zijn (Bucchi, 2004). Het publieke discours begint niet waar het wetenschappelijke discours eindigt. De grens tussen beide is trouwens moeilijk te trekken (Hilgartner, 1990). Maar zoals eerder aangegeven (Hfst 1, 2.1.) hoeft het transfer paradigma niet noodzakelijk te kloppen, om toch in leven te worden gehouden. Het transfer model plaatst de wetenschappers namelijk in een geprivilegieerde positie van waaruit ze afstand kunnen nemen van hoe journalisten en het publiek hun wetenschappelijke kennis ‘verdraaien’ (Bucchi, 1998). Maar in het vorig hoofdstuk werd ook aangetoond dat in een gemediatiseerde wereld mediabekendheid (Hfst 1, 2.5.) en de promotie van het onderzoek en de wetenschappelijk instelling (Hfst 1, 2.1.) steeds noodzakelijker worden om de nodige steun te krijgen van het beleid of van andere instellingen.
De comfortabele ivoren toren enerzijds, en de nood aan wetenschapspopularisering anderzijds leiden onvermijdelijk tot spanningen en tegenstrijdigheden binnen de wetenschappelijke wereld ten aanzien van wetenschapspopularisering. De visies van de geïnterviewde biologen illustreren dit.
De beschrijving van Prof. Dr. Vincx’ ervaring met de media toont de spanning aan tussen de wetenschappelijke en de journalistieke wereld (Hst 1, 2.1.). De werkwijze van de journalisten waarmee ze heeft samengewerkt kan niet meer worden nagegaan, dus wat Prof. Dr. Vincx zegt, kan ontkracht noch bevestigd worden. Maar hoe dan ook geeft ze journalisten in het algemeen een veeg uit de pan.
M.V.: “Ik heb twee keer meegedaan aan een uitzending van ‘Over leven’[4]. Eentje ging over de Noordzee en eentje ging over Ecuador. En de journalisten deden ons toen dingen zeggen die we eigenlijk nooit gezegd hebben. Bepaalde stellingen en bepaalde boodschappen waren wel goed en ik vond het achteraf bekeken wel mooie reportages. Ook de commentaren waren positief. Maar de journalisten wilden ons constant, zoals de stijl van journalisten is, dingen doen zeggen die niet klopten.”
Ook Prof Dr. Kuijken scheert journalisten over één kam.
E.K.: “Journalisten zijn stronteigenwijs. Ze weten alles beter. Ik trek bijvoorbeeld een hele dag uit voor de Polders. Een hele ploeg van de televisie gaat mee. Ik stel hen wat voor, goede inval van het zonlicht op bepaalde plaatsen en zo, maar ze willen dat op hun eigen manier doen. Maar als ze dan geen dieren zien of ze filmen in tegenlicht, dan zeg ik jongens, u was gewaarschuwd.”
“Er wordt vaak een verkeerd accent gelegd. Zodat je je boodschap kwijt bent.”
Desondanks laat de aandacht van de media hen niet onverschillig. Het zich willen distantiëren van wetenschapspopularisering gaat hier dus niet op.
M.V.: “Nematoden[5] van koude koraalriffen, van tropische riffen: er bestaan zoveel soorten die niemand ooit gezien of beschreven heeft. Als er een nieuw mineraal of als er een nieuwe planeet of een nieuwe ster ontdekt wordt, dat haalt dat altijd de media. De ontdekking van een nieuwe nematodensoort nooit. Er zijn wel mensen in onze omgeving die zeggen: we zitten hier maar die nieuwe soorten te beschrijven, we moeten daar veel meer mee naar buiten komen. Een nieuwe planeet, een nieuwe ster, dat is drie minuten in het nieuws. En dat spreekt toch ook niet tot de verbeelding. Maar ja, een sterrenhemel, dat heeft een andere emotionele draagkracht. Maar toch kan een nieuw levend wezen waar niemand ooit van gehoord heeft en dat op een diepte van 3000m leeft de mensen aanspreken. De reizen naar de maan, iedereen praat erover. Wij reizen naar 4000m diepte met onderzeeërs, er is amper iemand die er iets over weet. Maar toch denk ik wel dat er meer en meer mensen geïnteresseerd zijn in die andere extremen.”
E.K.: “De wetenschapsbladzijden van De Morgen en De Standaard die kennen ondertussen het Instituut. En we hebben regelmatig contact met Kristel Mariën (van Radio 1) voor ‘Voor De Dag’ of ‘De Wandelgangen’ of zo van die dingen. Dat gebeurt dus wel, maar er is te veel anders te doen. Er is te veel te doen voor te weinig mensen. Naar aanleiding van de fusie van het IN en het IBW tot het INBO, hebben we een vacature voor een communicatieverantwoordelijke opengesteld. Er zijn sollicitaties geweest, maar we hebben geen geslaagden.”
Prof. Dr. Kuijken komt regelmatig met de massamedia in aanraking en wil dus voor het nieuwe instituut iemand aanstellen die zich fulltime gaat bezighouden met communicatie. Deze tussenpersoon wordt dan erkend door het instituut en is nauw betrokken bij het wetenschappelijk werk. In dat opzicht is ‘de derde persoon’, zoals de verantwoordelijke voor mediëring in het transfer model wordt aangeduid (Hfst 1, 1.1.1.), niet iemand waarvan de wetenschappers zich zullen distantiëren. Het verschaft het instituut toch een zekere controle over wetenschapspopularisering, een strategie die ook op universitair niveau kan teruggevonden worden, al gaat het hier niet over het aanstellen van een communicatieverantwoordelijke, maar over het mee oprichten van een instituut:
M.V.: “Misschien moeten we wel meer naar buiten komen. Maar, en dan zeg ik maar, dat is precies de reden en een van de drijfkrachten waarom wij ook het VLIZ hebben opgericht. Ik ben niet getraind om met de media om te gaan. Gewoon omdat dat hiaat er was, hebben alle Vlaamse Universiteiten samen, die voordien samen zaten in het IZBO, het Instituut voor Zeewetenschappelijk Onderzoek, het VLIZ opgericht. En een van onze drijfveren was precies om die vertaalslag van het zeeonderzoek naar het grote publiek te doen. Wat ik dus ook veel zeg als ik links en rechts telefoontjes krijg, is dat ze naar het VLIZ moeten bellen. Daar hebben ze alles klaarliggen. Ik vind: we moeten daar als universiteit aan meewerken, maar ik vind niet dat we daarin potten moeten breken.”
De onderzoeksgroep Mariene Biologie laat de communicatie dus meer los dan het INBO. De voorgaande quotes van Prof. Dr. Vincx maken duidelijk welke tegenstrijdigheden er kunnen heersen omtrent wetenschapspopularisering. Enerzijds geeft ze aan dat het publiek wel degelijk geïnteresseerd kan zijn in het onderzoek dat aan de onderzoeksgroep gebeurt maar dat het helaas niet veel aandacht krijgt in de media, anderzijds lijkt ze wetenschapspopularisering geen taak voor de universiteit te vinden. De verantwoordelijkheid voor communicatie wordt zoveel mogelijk doorgeschoven naar het VLIZ, dat weliswaar door de universiteit mee is opgericht en dus ook door hen erkend wordt. Het besef dat wetenschapspopularisering zijn belang heeft leeft dus wel, maar het is niet de taak van de wetenschapper om er veel tijd in te steken.
Prof. Dr. Kuijken lijkt meer belang te hechten aan de communicatie via de wetenschappers zelf:
E.K.: “Ik communiceerde met mijn mensen en ze zeiden me dat er een communicatieverantwoordelijke moest komen. Ik zei: ‘Ja natuurlijk, dat is evident, máár: jullie zijn allemaal communicatieverantwoordelijken.’ Stuk voor stuk, elke wetenschapper heeft als taak te communiceren.”
“Het maken van rapporten en communicatie naar de administratie is ons dagelijks werk, maar als stukje spin-off zou er meer aandacht moeten en kunnen gaan naar communicatie naar het publiek. Maar de meeste weten nu niet wat eerst gedaan.”
Kris Decleer merkt echter op dat deze visie binnen het INBO niet door iedereen gedeeld wordt:
K.D.: “Sommigen hier aan het instituut vinden communicatie naar het grote publiek niet belangrijk, die zeggen dat ze alleen willen gelaten worden met hun onderzoek. Maar persoonlijk vind ik het heel belangrijk: we worden tenslotte betaald door de belastingbetaler. Dus vind ik dat we in return ons werk aan die belastingbetaler moeten laten zien. Hen laten horen welke kennis en expertise er met hun geld gegenereerd wordt.”
Bovendien lijkt de overtuiging van de directeur Prof. Dr. Kuijken, ook niet iedereen bereikt te hebben binnen het INBO:
K.D.: “Het wordt hier helemaal niet gestimuleerd. Wat we wel proberen te doen is dat de website up-to-date blijft en goed in mekaar zit, en we hebben verder ook een nieuwsbrief uitgegeven, waarin publicaties zo een beetje te grabbel gegooid worden voor de buitenwereld.”
“Het wordt aan het persoonlijk initiatief overgelaten of je met je werk zelf actief naar buiten komt of niet, of je dat belangrijk genoeg vindt. De meeste hebben zoiets van ik doe mijn ding en als er vragen komen van de buitenwereld gaan we daar op inspelen, maar we gaan niet zelf actief iets naar buiten brengen.”
Maar ook Prof. Dr. Kuijken zelf gaf verder in het interview aan dat wetenschapscommunicatie soms te veel tijd en inspanning vergt.
E.K.: “Dit jaar vieren wij het twintig jaar bestaan van het Instituut van Natuurbehoud. Er zijn voor het feest vijfhonderd, zeshonderd mensen ingeschreven. Ik hoop dat de minister komt, maar ik ben niet zeker dat hij het belangrijk genoeg vindt. Maar ik weet niet of wij de televisie uitnodigen. Het zou eigenlijk wel mogen, maar dat kost je extra inspanningen en ik zou nu al niet weten wat eerst te doen.”
Dr. Jan Seys die als verantwoordelijke communicatie en informatie van het VLIZ afstand heeft genomen van het wetenschappelijk onderzoek en veel ervaring heeft met wetenschappers en communicatie, ziet de rol van wetenschapspopularisering als volgt:
J.S.: “Ik denk nog altijd wel dat in de echte wetenschappen de A1-publicaties het belangrijkst zijn. Je wordt nog altijd op basis daarvan geëvalueerd als je een wetenschappelijke carrière wil hebben. Goed publiceren in de juiste tijdschriften, daar mededelingen over doen op congressen, dat blijft het belangrijkste. Maar het zal zeker een meerwaarde geven aan je bekendheid als je ook de pers erbij betrekt. Anders riskeer je dat je heel je leven lang vanuit je ivoren toren schitterende dingen doet, terwijl je er meer kan uithalen.”
Prof. Dr. Adriaens, net als Prof. Dr. Vincx de hoofdcoördinator van een universitaire onderzoeksgroep, heeft een heel andere visie dan zijn collega wat betreft wetenschapspopularisering. Voor hem lijkt de communicatie naar het grote publiek een belangrijke taak voor de wetenschapper zélf. Dat hij geen afstand wil nemen van popularisering was al enigszins te vermoeden, aangezien Prof. Dr. Adriaens als deskundige aantrad in het populaire wetenschapsprogramma ‘Hoe?!Zo!’ op de zender één.
D.A.: “Het communiceren van wetenschap is iets dat me tamelijk ligt. En dat ik niet onbelangrijk vind.”
“Er heerst nog altijd een beetje het idee dat een wetenschapper, zeker een bioloog, iemand met geitenwollen sokken en een pull tot aan zijn knieën is, die beestjes gaat bekijken en aan bloemetjes gaat gaan ruiken en voor de rest niets van de wereld afweet. En met dat imago, en met biologen die denken dat ze zo moeten zijn als ze bioloog willen zijn, ben ik het niet eens. Daar moet men vanaf. En een wetenschapper die niet kan communiceren met het grote publiek, daar moeten we eigenlijk ook zo snel mogelijk vanaf geraken.”
“Ik stel me soms wel de vraag: hoe zou wetenschapscommunicatie nog bevorderd kunnen worden. Naar de media, naar een breder publiek, omdat het soms moeilijk is om dat als wetenschapper in te schatten. Je kan vol overtuiging een verhaal vertellen op een manier waarvan je denkt dat het goed overkomt, maar het zou interessant zijn om te weten hoe een buitenstaander dat ervaart. En ik zou ook wel willen weten wat de vooroordelen zijn die er nog heersen over wetenschappers. Je kan er als wetenschapper niets aan doen tot je weet wat er scheelt. Ik denk dat wetenschappers af moeten geraken van het imago van de wetenschapper in zijn ivoren toren. En men is daar nog ver vanaf.”
Dr. Jan Seys haalde ook al het beeld van de wetenschapper in zijn ivoren toren naar voren, en dus ook Prof. Dr. Adriaens gebruikt deze uitdrukking. Meer nog, hij spreekt zich ook uit over de oorzaak van het imago.
D.A.: “Er is maar één oorzaak voor dat imago, en dat zijn de wetenschappers zelf.”
De tekortkomingen van journalisten legt hij genuanceerder aan de dag dan Prof. Dr. Kuijken en Prof. Dr. Vincx:
D.A.: “Dat journalisten de zaken verkeerd voorstellen is soms wel zo. Misschien niet altijd bewust, maar het uitgangspunt van de journalist is dikwijls helemaal anders dan dat van een wetenschapper. En het is afhankelijk van het medium waarvoor hij werkt.”
De synthese van Prof. Dr. Adriaens heeft vele raakvlakken met het theoretisch kader uit het vorige hoofdstuk. Niet alleen waarschuwt hij voor de wetenschapper in zijn ivoren toren, bovendien omschrijft hij de spanningen tussen wetenschappers en journalisten als een botsing tussen verschillende waarden en normen van twee verschillende werelden (Hst 1, 2.1.).
Opvallend is dat van al de geïnterviewden Prof. Dr. Adriaens, wat betreft het onderzoek binnen zijn onderzoeksgroep, het minst in aanraking komt met de massamedia.
D.A.: “Van het onderzoek dat wij doen, is er nog niets in de kranten verschenen[6]. Het gebeurt wel dat ze mij van de krant bellen voor het een of het ander, dat ze graag willen weten wat ik over iets denk. Jongens en Wetenschap bellen ook soms. Met de vraag waarom een dolfijnvin plat ligt en de vin van een haai recht staat bijvoorbeeld. Dat is zo een voorbeeldje van een vraag over morfologie en evolutie, waarom een beest eruit ziet zoals het eruit ziet, die het brede publiek interesseert.”
Zijn ervaringen met de massamedia spitsen zich dus toe op meer algemene en meer populaire onderwerpen binnen het vakgebied van de Evolutionaire Morfologie van Vertebraten, en niet op het fundamenteel onderzoek van onder meer katvissen waarin ze binnen de onderzoeksgroep gespecialiseerd zijn. Als ‘deskundige’ in het wetenschapsprogramma ‘Hoe?!Zo!’ moest hij uiteraard ook zeer toegankelijke en populaire onderwerpen aansnijden.
Het is mogelijk dat de beperkte betrokkenheid van de media in het onderzoek aan zijn onderzoeksgroep, Prof. Dr. Adriaens toelaat om meer als observeerder dan als ervaringsdeskundige te oordelen over wetenschappelijk onderzoek en popularisering.
De visies van de twee meest ervaren wetenschappers, Prof. Dr. Kuijken en Prof. Dr. Vincx, vertonen nog de meeste verwantschap met de traditionele visie: journalisten in het algemeen bestempelen als onbekwaam, communicatie overlaten aan derden, enzovoort. Maar van het zich volledig distantiëren van wetenschapscommunicatie is geen sprake. Zowel het INBO als de Universiteit Gent en haar vakgroep behouden graag enige controle over de communicatie door respectievelijk een communicatieverantwoordelijke (wel nog een vacante functie) aan te stellen, en het VLIZ mee op te richten. In de loop van een lang interview komen toch steeds meer tegenstrijdigheden aan het licht, zoals aangetoond bij Prof. Dr.Vincx. Ook Prof. Dr. Kuijken benadrukt graag het belang van communicatie, maar wimpelt het evenzeer af wegens tijdsgebrek.
Bij Prof. Dr. Adriaens daarentegen valt weinig terug te vinden van de traditionele visie. Integendeel, zijn visie vertoont duidelijke raakvlakken met de kritiek op het dominante discours.
Het mag dus wel duidelijk zijn dat net zoals ‘de journalist’, ook ‘de wetenschapper’ niet bestaat.
3.2. De media alomtegenwoordig
3.2.1. De invloed van mediatisering
Wanneer aan de geïnterviewden gevraagd werd of hun werk en de communicatie erover al dan niet invloed ondervinden van de mediatisering van de maatschappij, viel het op dat geen enkele van hen mediatisering interpreteerde als een negatieve term. Er bleek bovendien alweer een verscheidenheid aan visies te zijn.