De Kamer van Volksvertegenwoordigers van 1958 tot 1968. Samenstelling, wetgeving en controle. (Tom Pauwels)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

De Kamer van Volksvertegenwoordigers is altijd een van de belangrijkste centra van de Belgische politiek geweest. Vele studies zijn er dan ook over gepubliceerd. Recent nog was er de uitgave van De geschiedenis van de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers  Toch blijft er nog altijd ruimte voor nieuw wetenschappelijk werk. Vaak wordt de inhoudelijke kant van het politieke verhaal bestudeerd: de belangrijke wetten, de politiek geladen interpellaties, … Naar de formele praktijk in de Kamer werd weinig onderzoek verricht. Deze verhandeling belicht dit aspect van de werking van de Kamer.

 

De onderzochte periode beslaat drie legislaturen. We beginnen in 1958. Het is het jaar van het Schoolpact waardoor een belangrijke splijtzwam in de Belgische politiek, de levensbeschouwelijke breuklijn, aan belang inboet. Als eindpunt werd 1968 genomen. In dat jaar valt de regering over de Leuvense kwestie. Belangrijker is dat het de eerste maal is dat de CVP-PSC in een Vlaamse en een Waalse vleugel uiteenvalt. Daardoor krijgen we een unieke periode van tien jaar in de Belgische politieke geschiedenis.

 

De opzet van deze verhandeling is de formele kant van het parlementaire werk in de Kamer te onderzoeken. Maar de formele zijde van de parlementaire arbeid is een uitvloeisel van de inhoudelijke zijde. Daarom wordt in een eerste hoofdstuk de politieke geschiedenis vanaf de Tweede Oorlog tot aan de val van de regering in 1968 weergegeven. We beginnen bij de bevrijding van België en niet in 1958 omdat deze periode een logischer geheel vormt.

 

Het eigenlijke onderzoek valt in vier delen uiteen. In het tweede hoofdstuk worden de volksvertegenwoordigers onder de loep genomen. Om de Kamer beter te kunnen begrijpen, moeten we uiteraard weten wie er zetelde. Omdat we meer dan louter de politieke samenstelling willen weergeven, maken we een sociologische doorsnede van de kamerleden aan de hand van enkele criteria: geslacht, leeftijd, regionale afkomst, studies, beroep, andere politieke functies, de parlementaire ervaring of de verjonging en de leeftijd van intrede in het parlement. We gaan ook na of er grote verschillen zijn tussen de volksvertegenwoordigers van de verschillende politieke partijen.

In een volgend hoofdstuk wordt de wetgevende taak van de Kamer onderzocht. Daarbij wordt het onderscheid tussen ingediende en goedgekeurde wetteksten gehanteerd. Een aantal vragen worden voor beide soorten gesteld: wie dient ze in? Welke inhoud hebben ze? Is er een evolutie in de tijd waar te nemen? Maar ingediende wetsvoorstellen of –ontwerpen worden niet altijd aangenomen. Daarom worden dezelfde zaken onderzocht bij de aangenomen wetteksten en wordt nagegaan of er een verschil is tussen de ingediende en aangenomen wetteksten. Van de aangenomen wetteksten wordt ook de wijze van goedkeuren en de periode tussen de indiening en de goedkeuring bekeken.

 

De tweede taak van het parlement is de controle op de uitvoerende macht. Kamerleden kunnen op diverse manieren de regering controleren: via interpellaties, vragen, onderzoekscommissies of resoluties. In het vierde hoofdstuk worden kwantiteit, herkomst en de eventuele resultaten van deze controlemiddelen onderzocht. Bestaat er een verschil in de regeringscontrole tussen oppositie en regeringsmeerderheid?

 

Zonder dat reglement zou er geen goede werking van de Kamer mogelijk zijn. Het heeft de bedoeling om alle procedures te regelen zodat er geen betwistingen kunnen zijn die de Kamer lamleggen. In het laatste hoofdstuk bekijken we de wijzigingen aan het reglement van de Kamer. Welke waren er in de onderzochte legislaturen. Waarom werden ze voorgesteld?

 

Het bronnenmateriaal voor de studie van de Kamer bestaat uit de Parlementaire documenten, de Parlementaire handelingen en het Bulletin van Vragen en Antwoorden. Deze worden door de Kamer zelf uitgegeven. De Parlementaire documenten bevatten alle documenten die aan de kamerleden worden uitgedeeld. De Parlementaire handelingen zijn de notulen van elke openbare vergadering van de Kamer. In het Bulletin van Vragen en Antwoorden worden alle schrigtelijke vragen van de kamerleden aan de regeringsleden gepubliceerd. Aangezien deze bronnen een zeer belangrijke plaats in ons democratisch bestel innemen, worden ze zeer goed bewaard en zijn ze goed toegankelijk. Aan de Leuvense universiteit zijn er twee bibliotheken die ze in hun collectie hebben. De meest uitgebreide verzameling staat in de Bibliotheek voor Kranten en Overheidspublicaties. In de bibliotheek van de Rechtenfaculteit worden enkel de Parlementaire documenten  en de Parlementaire handelingen bewaard. Deze bronnen zijn zeer omvangrijk en op het eerste zicht moeilijk te ontsluiten. Maar eens vertrouwd met de verschillende soorten tabellen, wordt opzoeken in deze bronnen eenvoudig. Ook het Reglement van orde van de Kamer Volksvertegenwoordigers en de Belgische grondwet die in de periode in voege was werden als bron gebruikt.

 

 

Hoofdstuk 1. De politieke geschiedenis

 

In dit hoofdstuk wordt de concrete politieke geschiedenis geschetst. De nadruk ligt op de binnenlandse politieke evolutie.Het eerste deel omvat in het kort de periode van september 1944 tot en met het Schoolpact van 1958. Het tweede deel zal het decennium 1958-1968 behandelen. Omdat dit de onderzoeksperiode van deze verhandeling is, zal dat decennium uitgebreider worden besproken.

 

 

1.1. 1944-1958

 

1.1.1. De naoorlogse periode

 

In september 1944 werd België van de Duitse bezetting bevrijd. Op 8 september 1944 keerde de regering, onder leiding van Hubert Pierlot, vanuit Londen naar Brussel terug. Meteen zag ze zich met politieke en andere problemen geconfronteerd. Het verzet eiste een rol in de leiding van het land op. De collaboratie moest worden bestraft en de ambtenarij van het land dienden van Nieuwe Orde-sympathisanten te worden gezuiverd. Een groot deel van de bevolking zag koning Leopold III liever niet meer op de troon. Een ander probleem was de groeiende kloof tussen de linker- en rechterzijde. Naast deze politieke problemen dienden de regeringen een economisch herstelbeleid te voeren.

 

Het Belgische verzet telde op het einde van de oorlog circa 360 000 actieve leden, waarvan 120 000 gewapend. De meest belangrijke organisaties waren het Geheime Leger, het Onafhankelijkheidsfront, de Witte Brigade en de Nationale Koninklijke beweging.[1] Deze groeperingen eisten een plaats in het naoorlogse bestel op. Niettemin hun groot moreel gezag hadden de verzetsgroepen geen duurzame bewijsbare invloed op de naoorlogse politieke ontwikkeling.[2] De regering Pierlot kon slechts met behulp van de Britten de politieke aspiraties van het verzet uitschakelen. Vooral van het Onafhankelijkheidsfront had men schrik. De gewapende weerstand werd verplicht om haar wapens in te leveren.[3]

 

Na de bevrijding werden vele collaborateurs door het verzet en andere burgers hardhandig aangepakt. Dit gebeurde in twee golven. Een eerste maal in de periode kort na de bevrijding. De tweede golf gebeurde in mei 1945 toen de gruwelen van nazi-regime ten volle bekend geraakten.[4] De overheid gaf de officiële bestraffing van de repressie in handen van het militair gerecht. Om dit wettelijk mogelijk te maken werd de oorlogstoestand tot 15 juni 1949 in stand gehouden. Ook werd het militair gerecht gevoelig uitgebreid.[5] Van de 405 067 personen tegen wie een dossier geopend werd, werden er 53 005 veroordeeld. De laatste van de effectief uitgevoerde 242 doodvonnissen vond plaats in 1950.[6] Naast echte straffen werden verschillende administratieve sancties uitgevaardigd. Zo werden in de vele vergoedingsmechanismen voor oorlogsschade en –leed expliciet vermeld dat incivieken geen schadevergoeding konden krijgen.[7] Naast de strafrechterlijke procedures werden verscheidene organisaties en administraties van Nieuwe Orde-sympathisanten gezuiverd. Vooral de linkerzijde met de communistische partij op kop riep op tot een harde repressie.

 

De linkerzijde van de Belgische politiek zag ook Leopold III niet graag terugkeren. Zij beschuldigden hem van attentisme, collaboratie en een voorkeur voor een persoonlijke, autoritaire politiek. Bovendien had Leopold III in zijn Politiek Testament niet op dezelfde manier op de geallieerde overwinning gereageerd. Hij betitelde de geallieerden niet als bevrijders maar als ‘les autorités occupantes’. Ook voor het verzet zat er geen dankwoord bij.[8] De koning was met zijn gezin vanuit Laken door de Duitsers naar Strobl nabij Salzburg weggevoerd toen de geallieerden in Normandië landden. Omdat de koning niet in het land was op het moment dat de regering terugkeerde, werd zijn broer prins Karel tot regent verkozen. Op 21 september legde deze de grondwettelijke eed af. Op 7 mei 1945 werd Leopold III door het Amerikaans leger bevrijd. De socialisten, de communisten en de linkerzijde van de liberalen keerden zich tegen de terugkeer van de monarch. Toen Leopold III wou terugkeren, nam de regering van nationale unie ontslag omdat zij de politieke verantwoordelijkheid niet wou dragen. Het parlement besloot dat alleen zij kon oordelen over de mogelijkheid tot regeren van de koning.[9]

 

De eerste naoorlogse verkiezingen op 17 februari 1946 stonden in het teken van de koningskwestie. De CVP-PSC die als enige partij voor de onmiddellijke terugkeer was, behaalde in de Senaat op één zetel na de volstrekte meerderheid. Hierdoor werd België een moeilijk bestuurbaar land. Na drie linkse regeringen in één jaar werd een rooms-rode regering onder leiding van Paul-Henri Spaak op 20 maart 1947 gevormd. Sindsdien zou de communistische partij sindsdien niet meer tot de regeringsmeerderheid behoren. Een belangrijke verwezenlijking van deze regering was de invoering van het vrouwenkiesrecht. Maar heel stabiel was de rooms-rode regering niet. Tweemaal bood ze haar ontslag aan maar viel er toch een oplossing uit de bus. Uiteindelijk werd er tot een vroegtijdige parlementsontbinding overgegaan omdat de regering het niet eens werd over de financiering van de werklozensteun.[10]

 

De verkiezingen van 26 juni 1949 waarbij de Belgische vrouwen voor het eerst opgeroepen werden, stonden opnieuw in het teken van de koningskwestie. De communisten verloren 11 van de 23 zetels in de Kamer. Dit was deels te verklaren door de gebeurtenissen in Oost-Europa.[11] De winnaar was ongetwijfeld de CVP-PSC, die de volstrekte meerderheid in de Senaat behaalde, waardoor men niet zonder haar kon regeren. Op 11 augustus 1949 werd een rooms-blauwe coalitie onder leiding van Gaston Eyskens geïnstalleerd. Op 12 maart 1950 hield deze regering een informatieve volksraadpleging over de terugkeer van Leopold III. De meerderheid van de bevolking sprak zich uit voor de terugkeer maar de resultaten waren ongelijk over het land verdeeld. In Wallonië en Brussel was er geen meerderheid voor de terugkeer van Leopold III.[12] Zes dagen later nam de regering ontslag. Om uit de impasse van de koningskwestie te geraken, werden nogmaals verkiezingen gehouden.

 

Op 4 juni 1950 behaalde de CVP-PSC de meerderheid in de beide Kamers van het parlement. Ook de socialisten wonnen ten koste van de liberalen en de communisten. Er werd een homogene CVP-PSC-regering onder leiding van Jean Duvieusart gevormd. Op 20 juli werd een motie, die stelde dat de onmogelijkheid tot regeren was opgehouden, door de Verenigde Kamers aangenomen. De socialisten en communisten legden zich hierbij niet neer en organiseerden politiek geïnspireerde stakingen die vooral in Wallonië succes kenden. Er werd gedreigd met het uitroepen van een Waalse republiek. Nadat het ingrijpen van de rijkswacht in Grâce-Berleur dodelijke slachtoffers had geëist, besloot Leopold III, na onderhandelingen met de regering, zijn koninklijke prerogatieven over te dragen aan zijn zoon Boudewijn en binnen een jaar af te treden.[13] De regering Duvieusart die had gefaald in haar poging om Leopold III terug op de troon te krijgen, werd op 16 augustus 1950 door een andere homogene CVP-PSC-regering onder leiding van Joseph Pholien vervangen. Op 17 juli 1951 werd de 20-jarige Boudewijn tot koning der Belgen gekroond.[14] Het laatste slachtoffer van de koningskwestie was Julien Lahaut, de voorzitter van de communistische partij. Hij werd vermoord wegens zijn actie tijdens Boudewijns eedaflegging.[15]

 

1.1.2. De schoolstrijd

 

Een ander probleem stak weer de kop op. Vanaf de Belgische onafhankelijkheid was er een schoolvraagstuk dat op geregelde tijden het politieke leven beheerste. Na de Tweede Wereldoorlog steeg het aantal scholieren in het secundair onderwijs. Het rijksonderwijs was zo goed als gratis maar er weinig rijksmiddelbare scholen. Het katholieke onderwijs beschikte over een groter aantal instellingen maar werd weinig gesubsidieerd zodat het een aanzienlijk schoolgeld vroeg. Hierdoor kwam volgens de katholieken en de vrijzinnigen de vrijheid van schoolkeuze in het gedrang. Door de verdediging van Leopold III op zich te nemen, had de CVP-PSC, de traditionele verdedigster van het katholiek onderwijs, een volstrekte meerderheid. Pierre Harmel, minister van onderwijs, wou de absolute vrijheid van schoolkeuze voor elke huisvader waarborgen. Hij gaf het vrij onderwijs meer staatsgeld zodat deze de schoolgelden kon laten dalen waardoor ook de minderbegoede ouders hun kinderen naar het vrije secundair onderwijs konden sturen. Met dat geld kon men ook de lekenkrachten in het vrij onderwijs beter bezoldigen. Voortaan zouden de vrije scholen volgens hun aantal leerlingen worden gesubsidieerd. Daarnaast richtte Harmel de ‘gemengde commissies’  en ‘gemengde geschillencommissies’ op. Het was een poging om de schoolvrede te bekomen, maar het werd een belangrijk argument voor de oppositie. De commissies met een gelijk aantal afgevaardigden uit het vrij en uit het rijksonderwijs hadden de taak de minister te adviseren over ieder ontwerp van wetgeving of reglementering dat gemeenschappelijke voorwaarden zou vastleggen voor het bestaan van rijksscholen en voor erkenning of subsidiëring van de provinciale, gemeentelijke en vrije scholen. Tevens dienden deze commissies over iedere individuele beslissing in deze materie. Ook voor de gemeenschappelijke problemen van de onderwijswetten konden zij advies uitbrengen. Zij hadden evenwel geen beslissingsrecht. De minister behield het laatste woord.[16] De oppositie aanvaarde niet dat het vrij onderwijs inspraak kreeg in de organisatie van het openbaar onderwijs. Uiteindelijk overleefde slechts één hervorming van Harmel de schoolstrijd, namelijk de hervorming van de rijksuniversiteiten van Gent en Luik, die een grotere autonomie kregen. Deze hervorming was in samenspraak met de socialisten en de liberalen tot stand gekomen.[17]

 

In 1953 beheerste naast de schoolstrijd een ander vraagstuk de politieke wereld. Een groot deel van de debatten in het parlement ging over de Europese Defensie Gemeenschap. Op 27 mei werd het EDG-verdrag door de zes EGKS-landen[18] ondertekend. Het verdrag voorzag in de oprichting van een supranationaal leger. Het verdrag diende uiteraard door het parlement te worden geratificeerd. De socialisten en de liberalen waren daarover verdeeld. Uiteindelijk werd het na lange debatten goedgekeurd. De regering oordeelde dat de soevereiniteit van België werd ingekrimpt, waardoor de grondwet moest worden gewijzigd. Hierdoor werd het parlement ontbonden en werden er vervroegde verkiezingen uitgeschreven.[19]

 

Bij de verkiezingen van 11 april 1954 verloor de CVP-PSC haar meerderheid in de beide Kamers. Vooral de socialisten kwamen als overwinnaars uit de bus. Geen enkele partij beschikte over een meerderheid dus moest men een coalitieregering samenstellen. Na een mislukte poging tussen de CVP-PSC en de BSP-PSB werd een linkse regering van socialisten en liberalen gevormd. Het bindmiddel tussen deze twee partijen was het antiklerikalisme. Vooral op het vlak van het onderwijs en in de kolonie Kongo was dit voelbaar.[20] De nieuwe, socialistische minister van onderwijs, Leo Collard, ontsloeg al zeer snel 110 leerkrachten-interimarissen uit het officieel onderwijs met een diploma van een katholieke school. Na fel protest van de CVP-PSC en de vakbonden werd het ontslag van de meerderheid opgeschort.[21] Collard verlaagde de staatstoelagen aan het vrij onderwijs. Om de vrije keuze te kunnen waarborgen werd het officieel net verder uitgebouwd. Toch was er niet echt sprake van een expansiedrift. Het ritme lag ongeveer even hoog als in de periode 1945-1950, een periode waarin ook de CVP-PSC in de  meeste regeringen zat.[22] In Kongo zouden kredieten van het vrij onderwijs voor de oprichting van de eerste officiële scholen in de kolonie worden gebruikt. De salarissen van de leerkrachten in het vrij onderwijs werden rechtstreeks aan hen uitbetaald zodat de scholen deze niet langer als werkingstoelagen konden gebruiken. Tenslotte werden er eisen gesteld aan de kwaliteit van het onderwijs. De leerkrachten dienden gediplomeerd te zijn. Het grootste deel van de leerkrachten in het vrij onderwijs waren priesters en slechts 6 % van hen had een licentie.[23] Om de schoolpolitiek tegen te gaan werd in samenwerking met de CVP-PSC en het ACV het Nationaal Comité voor Vrijheid en Democratie opgericht. Dit comité hield verscheidene protestmanifestaties en verzamelde twee miljoen handtekeningen. Ook de bisschoppen roerden zich. Zij riepen in de kerken de katholieke ouders op om hun kinderen niet naar de officiële scholen te sturen. Tervens waarschuwden zij de linkse regering voor de gevolgen van een tweede grote verdeeldheid van het land luttele jaren na de koningskwestie.[24] Toch werden de maartregelen doorgevoerd. Het vrij onderwijs verloor hierdoor anderhalf miljard franken, terwijl de begroting van het staatsonderwijs steeg ondermeer door de bouw van nieuwe rijksscholen.[25]

 

De verkiezingen van 1 juni 1958 stonden wederom in het teken van de schoolstrijd. De CVP-PSC kreeg de meerderheid in de Senaat zodat er geen regering zonder haar kon worden gevormd. Maar de voormalige regeringspartijen wouden de CVP-PSC niet helpen en dus werd er een CVP-PSC-minderheidsregering onder leiding van Gaston Eyskens gevormd. De regering kreeg het vertrouwen in de Kamer door de stemmen van het enige VU-lid en twee liberalen. Op 6 augustus 1958 stemden de socialisten en de liberalen in met het voorstel van minister van onderwijs Maurice van Hemelrijck om een Nationale Schoolcommissie te installeren. Het doel was tot een duurzame schoolvrede te komen. De commissie bestond uit de drie voorzitters en drie andere leden van de drie traditionele partijen. Na de gemeenteraadsverkiezingen van oktober, waar de CVP-PSC haar overwinning bevestigd zag, werd een akkoord met de liberalen over de vorming van een regering gesloten. De regering zou pas na de ondertekening van het Schoolpact worden verruimd. Op 4 november 1958 bereikte de Nationale Schoolcommissie een akkoord. Op 20 november 1958 werd het Schoolpact, nadat elke partij het pact op een congres had goedgekeurd, officieel door de drie partijen op het kabinet van de premier ondertekend. Er werd een Permanente Commissie van het Schoolpact in het leven geroepen die het pact in wetteksten moest gieten.[26] Enkele socialisten wantrouwden het pact maar uiteindelijk zouden enkel de communisten tegenstemmen.[27]

 

Kort samengevat wou het pact de schoolvrijheid overal en voor iedereen waarborgen. Geen enkele materiële belemmering mocht de schoolkeuze in de weg staan. In Vlaanderen betekende dit dat het aantal rijksscholen gevoelig werd verhoogd. Alle gediplomeerde leerkrachten werden op dezelfde basis bezoldigd. Het vrij onderwijs kreeg hogere werkingstoelagen en andere subsidies. De bouw van nieuwe vrije scholen werd evenwel niet gesubsidieerd. Het schoolpact was geldig voor onbepaalde duur, maar men kon het na twaalf jaar herzien. Het akkoord zorgde voor een stijging  van de onderwijsbegroting.[28] Het schoolpact erkende en bevroor tegelijk het bestaan van verschillende levensbeschouwelijke groepen. Het betekende niet het volledige einde van het conflict maar toch verloor het veel betekenis. De schoolstrijd bracht het besef bij dat men moest regeren met wederzijdse toestemming. Een ander gevolg was een nog grotere verzuiling. De drie traditionele partijen controleerden grote delen van de maatschappij. Tal van schaarse goederen in de politiek konden nu volgens een afgesproken verdeelsleutel over katholieke, socialistische en liberale organisaties of figuren worden verdeeld.[29]

 

 

1.2. 1958-1968.

 

1.2.1. 1958-1961: de regering Eyskens-Lilar

 

Op 6 november 1958 werd de CVP-PSC-regering Eyskens met de liberalen verruimd. Nu de schoolvrede bereikt was, kon de regering haar aandacht op andere problemen richten. In zijn programmaverklaring verklaarde premier Eyskens dat de regering aandacht zou schenken aan het scheppen van banen. De groeiende spanningen tussen de Nederlands- en Franstaligen zouden, door meer culturele autonomie toe te kennen, worden verminderd. In Kongo zou de lokale elite in het beleid worden betrokken om zo een geleidelijke emancipatie te bekomen. De overheidssaneringen zouden worden gesaneerd. Bijzondere aandacht ging naar het wetenschapsbeleid. Dit programma heeft de regering Eyskens wegens onvoorziene problemen niet volledig kunnen uitvoeren.[30]

 

Op economisch vlak wou de regering door enkele initiatieven de Belgische economie ondersteunen. De noodzaak aan een actief economisch overheidsbeleid op langere termijn werd duidelijk na de diepe recessie van 1958-1959. Die was vooral in de steenkool- en textielsector voelbaar. De recessie legde een onderliggende crisis van kapitaalsaccumulatie bloot.[31] In september 1959 werd een Bureau voor Economische Programmatie opgericht met de taak de overheid te adviseren inzake coördinatie en financiering van openbare investeringen. Daarnaast kreeg het Bureau de opdracht om een expansieprogramma voor de Belgische economie voor te bereiden. Een maand later werden reeds 15 ontwikkelingsgebieden[32] waar een betere streekeconomie wenselijk was, aangeduid. Ook op sociaal vlak was de overheid actief. Een regeling voor bedrijfssluitingen, waarbij de ontslagen werknemers een geldelijke vergoeding krijgen, werd goedgekeurd. Toch was er sociale onrust die vooral door de socialistische oppositie werden opgezet. Vooral de sluitingen van mijnen en textielfabrieken lokten stakingen uit.[33]

 

In 1960 moest de tienjaarlijkse volkstelling gehouden worden. Sinds 1932 was daaraan een talentelling verbonden. Deze talentelling kon voor het taalregime in ‘gemengde’ gemeenten gevolgen hebben. De Vlaamse Beweging ijverde reeds lang voor de afschaffing van de talentelling omdat deze vaak een gebiedsverlies voor Vlaanderen betekende. Naast de traditionele Vlaamse groeperingen protesteerden ook honderden Vlaamse gemeentebesturen tegen de uitvoering van de volks- en talentelling. Meer dan 300 gemeentebesturen weigerden de tellingsformulieren aan hun burgers uit te delen. Zij wilden een definitieve afbakening van het Vlaamse landgedeelte.[34] De regering besliste om de talentelling dan maar uit te stellen. Uiteindelijk werd de volkstelling, zonder de talentelling, pas eind 1961 gehouden worden.[35]

 

Het nationalisme in Kongo verraste iedereen door haar snelheid. In de programmaverklaring van de regering Eyskens stond dat de inheemse elite meer bij het bestuur van de kolonie zou worden betrokken. Er werd een Belgische werkgroep opgericht die een informatiereis door Kongo zou maken. Na haar verslag in gekeken te hebben, verklaarde Minister van Belgisch-Kongo en Ruanda-Urundi Maurice Van Hemelrijck dat hij een verklaring over de politieke toekomst van Kongo zou afleggen begin 1959. Op 4 januari 1959 braken al bloedige rellen uit in Leopoldstad. Daarop volgde snel de verklaring van de koning en van de regering dat de kolonie haar zelfstandigheid zou krijgen. Een precies tijdstip werd evenwel niet medegedeeld. Veel Belgische kolonisten saboteerden de politiek van Van Hemelrijck, die poogde om de Kongolezen op zelfbestuur voor te bereiden. Hij werd te progressief gevonden en werd gedwongen ontslag te nemen.[36] Zijn opvolger, August de Schryver, kondigde in november 1959 een ronde tafelconferentie te Brussel aan. Vertegenwoordigers van de drie traditionele Belgische partijen en de belangrijkste nationalistische Kongolese leiders kwamen bijeen om de datum en de modaliteiten van de onafhankelijkheid vast te leggen. Deze beslissing zorgde voor het begin van een kapitaalvlucht en de geleidelijke repatriëring van vrouwen en kinderen naar het moederland.[37]

 

De verkiezingen in Kongo betekenden een overwinning voor de nationalist Lumumba. Hij werd premier van de eerste Kongolese regering. Op 30 mei, de dag van de Kongolese onafhankelijkheid, stak Lumumba een rede af die sterk van toon verschilde met die van koning Boudewijn en president Kasavubu. Boudewijn en vele Belgen met hem namen dit op als een belediging. Zij stelden veel in het werk om de eerste premier van Kongo van het toneel te doen verdwijnen. Zes dagen na de onafhankelijkheid sloeg het Kongolees leger aan het muiten. Om de Belgische belangen te beveiligen, stuurde de regering Eyskens para’s naar het gebied. Onder bescherming van deze soldaten verklaarde Tshombe, de provinciale premier van het rijke Katanga, zijn provincie onafhankelijk. Ook Kalonji verklaarde zijn Zuid-Kasaï onafhankelijk van de centrale regering in Leopoldstad. De VN-Veiligheidsraad veroordeelde de invasie als een agressie en beval België haar troepen terug te trekken. Lumumba kreeg steeds minder steun uit het Westen, des te meer uit het Oosten en van de neutrale landen. Hij vroeg aan de Sovjet-Unie steun om zijn leger over te brengen naar de afgescheurde provincie Katanga. Daarop werd Lumumba door zijn president ontslagen waarop de premier Kasavubu op zijn beurt ontsloeg. Lumumba kwam als verliezer uit dit duel en werd uitgeleverd aan Katanga.[38] Daar werd hij op 17 januari met twee medestanders vermoord. Officieel werd hij door dorpelingen tijdens een vluchtpoging gedood. De Belgische regering wist van de feiten, maar verdedigde het verhaal van de Katangese overheid zelfs tegen haar bondgenoten.[39] De moord zorgde voor anti-Belgische betogingen in vele hoofdsteden.

 

De Belgische regering wankelde onder de gebeurtenissen in Kongo en andere sociaal-economische problemen. In augustus 1960 wilde premier Eyskens slechts aanblijven indien zijn saneringsprogramma zou worden aanvaard. Met dit plan wou Eyskens een actieve expansiepolitiek voeren. Na het akkoord over dit plan van de twee regeringspartijen, werd de regering gewijzigd. Een belangrijke wijziging was de intrede van een hiërarchie in de regering door het aanstellen van ministers-onderstaatssecretarissen en ministers-coördinatoren.[40] De ‘eenheidswet voor de economische expansie, de sociale vooruitgang en het financieel herstel’ werd in de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 4 november 1960 neergelegd. De wet was eigenlijk een compromis. Enerzijds werd de fiscale druk met 7 miljard franken verhoogd, anderzijds werden er besparingen van 4 miljard franken doorgevoerd. Het verzet tegen de eenheidswet was zeer heftig. Eén van de leiders van het verzet was de Luikse vakbondsman André Renard. Enkele dagen na het huwelijk van koning Boudewijn met doña Fabiola op 15 december 1960 begonnen de stakingen tegen de eenheidswet.[41] De staking werd verdedigd door de socialistische vakbond ABVV maar niet door het christelijke ACV. Nadat enkele afdelingen opriepen mee te staken, ging de vakbondsleiding over tot een onderhandelingsstrategie. Er dreigde immers een crisis in de mechanismen die de christelijke arbeidersbeweging aan de CVP-PSC bonden. De leiding van het ACV bestempelde de staking als een ploitieke manifestatie en deed er niet aan mee. Ook kardianaal Van Roey verbood in zijn Kerstboodschap de deelname aan een ‘wanordelijke’ en ‘onredelijke’ staking.[42] Door de grotere invloed van het ACV in Vlaanderen werd de algemene staking enkel een ‘succes’[43] in Wallonië. Renard verweet de Vlamingen een reactionaire houding en pleitte voor een federalistische hervorming van het ABVV en van België. Hij richtte de Waalse drukkingsgroep Mouvement Populaire Wallon op.[44] De Renardisitische stroming was de verdedigingsreactie van een Waalse arbeidersvoorhoede bij wie het steeds scherper omlijnd ongenoegen over het begin van de industriële afbraak van Wallonië zich in een antikapitalistisch bewustzijn had uitgekristaliseerd.[45]

 

1.2.2. 1961-1965: de regering Levèvre-Spaak

 

De verkiezingen van 26 maart 1961 betekenden een verlies voor de regeringspartijen. De CVP-PSC verloor 8 zetels in de Kamer en 5 rechtstreeks verkozen senatoren. De liberalen verloren een zetel in de Kamer niettegenstaande een lichte stemmenwinst. De socialisten, communisten en de Volksunie wonnen de verkiezingen. De regering Eyskens diende de dag na de verkiezingen haar ontslag in. Op 25 april maakte formateur en CVP-PSC-voorzitter Theo Lefèvre de nieuwe regering bekend. Het nieuwe kabinet verklaarde een progressistische sociaal-economische politiek te willen voeren.[46] De regering stond onder zware druk van de twee machtigste vakbonden, het ACV en het ABVV. Door de progressieve politiek kende men geen enkele grote of belangrijke arbeider- of bediendestaking tijdens de regering Lefèvre-Spaak. Een nadeel van dit beleid was een stijgende begroting. Een meevaller was de economische hoogconjunctuur waardoor werkloosheid zo goed als onbestaande was.[47]

 

Een grote staking die de regering op de proef stelde, was de artsenstaking van 1964. Deze staking was een culminatie van een lang proces. Voor de artsen ging het om hun onafhankelijkheid en hun inkomen. Maar ook de mutualiteiten waren actief in deze strijd. Vooral de twee grootste, de katholieke en de socialistische, bestreden elkaar met hun visie op de sociale zekerheid. De katholieke ziekenkas was voorstander van autonome en financieel verantwoordelijke ziekenfondsen. De socialisten wouden de hele sociale zekerheid en de geneeskunde aan een grote staatscontrole onderwerpen. Zij waren ook voorstander van een eenheidsmutualiteit. Na de tweede wereldoorlog wisselden vele katholieke en socialistische ministers van sociale voorzorg elkaar af. Telkens werd geprobeerd de ene visie door te drukken. Een van de aspecten was het ereloon van de arts. De meeste artsen waren voor een vrije bepaling ervan. De ziekenfondsen wouden vaste, door de overheid bepaalde erelonen om zo de financiering van de sociale zekerheid overzichtelijke n betaalbaar te houden. In 1963 stelde Leburton, minister van sociale voorzog in de regering Levèvre-Spaak, een compromis tussen de katholieke en de socialistische visie op de sociale zekerheid voor.[48] De artsen kwamen in staking tegen het compromis. In het begin was het nog enkel een zorgenstaking. Vanaf 12 april 1964 weigerden de artsen ook de verantwoordelijkheid voor de wachtdiensten. Als antwoord hierop begon de regering artsen op te vorderen. De artsen hielden op te staken door het akkoord van 25 juni 1964. Het akkoord tussen de regering, artsen en ziekenfondsen voorzag in de onmiddellijke afschaffing van de discriminatie in de terugbetaling, stelde een nieuw tariefsysteem in en zuiverde de wet Leburton  van wat de artsenverenigingen aanzagen als inbreuken op hun professionele vrijheid.[49]

 

Door het schoolpact verloor het levensbeschouwelijke conflict veel van haar betekenis. Dit had grote gevolgen voor het partijpolitieke landschap. Omer Vanaudenhove, de voorzitter van de Liberale Partij, wou zijn partij verruimen. Op 8 oktober 1961 werd de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang – Parti pour la Liberté et le Progrès opgericht. Het betrof niet enkel een naamsverandering. Het antiklerikale werd getemperd en katholieken werden welkom. Men ging meer aandacht schenken aan de gemeenschappelijke actiepunten zoals het anticollectivisme en het economisch liberalisme. Bij de verkiezingen van 1965 wist de PVV haar aantal zetels meer dan te verdubbelen.[50] De Vlaamse CVP voelde de hete adem van de VU in haar nek waardoor deze verplicht werd sterkere Vlaamse standpunten in te nemen. Na het Schoolpact kon immers meer aandacht aan het communautair vraagstuk worden gewijd. Een ander probleem voor de eenheid binnen de CVP-PSC was de conservatieve minderheid die de progressieve politiek van de christen-democratische en socialistische regering wantrouwde. Ook de BSP-PSB had een interne oppositie. Verscheidene Waalse leden en mandatarissen waren voor het federalistische idee van Andre Renard gewonnen. Toch was de socialistische partij geen voorstander van een federalisering omdat dit ondermeer een minorisering van de BSP in Vlaanderen zou betekenen.[51]

 

De fiscale wetgeving was reeds lange tijd verouderd. Een grondige hervorming werd reeds lang aangekondigd. Sinds 1948 hadden alle regeringen de oplossing van het probleem in hun programma opgenomen. Er werd naar gelang de politieke samenstelling de nadruk op vereenvoudiging, gelijkheid, sociale rechtvaardigheid of economische expansie gelegd. Het oude stelsel vormde geen logisch geheel door de vele aanpassingen en wijzigingen. Hierdoor werden bepaalde categorieën van inkomsten fiscaal benadeeld. Het systeem was ook zeer ingewikkeld wat de controle tegen fiscale fraude bemoeilijkte. De hervorming die resulteerde in de wet van 20 november 1962 streefde naar meer rechtvaardigheid door de invoering van een stelsel en het verbeteren van de controle. Het beoogde bovendien een betere inning om de staatsfinanciën te saneren.[52]

 

Het Schoolpact zorgde niet voor het einde van alle onderwijsproblemen. Het hoger onderwijs moest dringend worden uitgebreid om aan de stijgende vraag te kunnen voldoen. Daarom werden bestaande instellingen uitgebreid en nieuwe opgericht. In Antwerpen en Namen mochten de vrije instellingen uitbreiden. De wet op de vrij universiteiten van 1911 werd aangepast zodat deze buiten hun arrondissement afdelingen konden oprichten. De Leuvense universiteit mocht kandidaturen in Kortrijk inrichten. In Antwerpen en Bergen werden de rijksuniversitaire instellingen uitgebreid. Een ander probleem was de tweetaligheid van de Leuvense universiteit. De Belgische bisschoppen, de inrichtende macht van de universiteit, hadden beslist dat vanaf het academiejaar 1962-1963 de onderwijsinstelling zou worden gedecentraliseerd. De Franstalige afdeling wou niet verhuizen naar Wallonië en de vereniging van Franstalig academisch personeel ACAPSUL vroeg zelfs taalfaciliteiten in de gemeente Leuven. Er waren reeds Franstalige scholen voor de kinderen van het universitair personeel. In de Vlaamse pers en cultuurverenigingen botste de eis op grote weerstand. Ook het academisch personeel van de Nederlandstalige afdeling protesteerde tegen de eisen van hun Franstalige collega’s. [53]

 

Niet alleen de Leuvense universiteit had haar taalprobleem. Op nationaal vlak werd de taalgrens afgebakend wat heel wat beroering wekte. De Franstalige eis om de verfranste agglomeraties Komen en Moekroen van West-Vlaanderen naar Henegouwen over te hevelen, werd gecompenseerd door de Voerstreek onder Limburg te laten ressorteren. Ook andere gemeenten werden van de ene provincie naar de andere overgebracht. Deze streek werd sindsdien een probleemgebied die door de beide taalgemeenschappen werd betwist. Achtentwintig andere gemeenten langs de taalgrens moesten taalfaciliteiten verlenen. Een ander netelig probleem was Brussel. De Brusselse kwestie werd door de Vlamingen als het symbool van hun achterstelling in de Belgische staat gezien.[54] Na een eerste voorstel dat door de Vlaamse CVP werd verworpen, werd een compromisoplossing bedacht. De Vlaamse vleugel van de katholieke partij voelde de hete adem van de VU in haar nek en kon zich weinig toegevingen veroorloven.[55] Het compromis werd naar zijn plaats van geboorte, Hertoginnedal, genoemd. Het tweetalige gebied Brussel werd afgegrendeld. Enkel de 19 gemeenten[56] werden volledig tweetalig. Zes randgemeenten van dit gebied moesten taalfaciliteiten aan haar Franstalige burgers verlenen. Deze zes gemeenten kregen een apart administratief statuut. Ze vormden een arrondissement dat noch tot Brussel, noch tot Vlaanderen behoorde. De wet van 2 augustus 1963 op het gebruik der talen in bestuurszaken verdeelde België in vier taalgebieden: het Nederlandstalige, het Franstalige, het tweetalige Brussel-Hoofdstad en het Duitstalige. In Brabant werd een vice-gouverneur met de opdracht de taalwetgeving te controleren, geïnstalleerd. Daarnaast werd een Vaste Commissie voor Taaltoezicht opgericht. [57]  De parlementaire ratificatie van dit akkoord nam minder dan een week in beslag.[58]

 

De laatste zetelaanpassing had in 1947 plaatsgevonden. Sindsdien was de bevolking in Vlaanderen sneller gestegen dan die in Wallonië, waardoor Vlaanderen recht had op meer zetels.[59] De Waalse politici wouden echter geen aanpassing doorvoeren zolang er geen garanties tegen de minorisering van Wallonië in België kwamen. De regering besliste om het aantal Kamerleden niet te verhogen. Vlaanderen kreeg er drie bij, Brussel één en Wallonië verloor er vier. In de Senaat gingen telkens een Waalse zetel naar Vlaanderen en naar Brussel. Het aantal rechtstreeks verkozen senatoren bleef ook ongewijzigd op 106. Tegelijk zou een grondwetsherziening worden doorgevoerd.[60]

 

Sedert 1953 spreekt men over een grondwetsherziening die het lidmaatschap van België van verscheidene supranationale organisaties moet weerspiegelen. Ondertussen waren de communautaire spanningen zodanig opgelopen dat de wijziging in dit kader werd gezien. Op 14 januari 1964 organiseerden de drie traditionele partijen een rondetafelconferentie. Er waren drie subcommissies, één voor culturele problemen, één voor de problemen inzake decentralisatie en deconcentratie en één voor problemen in verband met de wetgevende en uitvoerende macht. Op 23 december 1964 werd bekendgemaakt dat een principieel akkoord was bereikt. Toch zou een maand later de PVV-PLP zich uit het akkoord terugtrekken onder de druk van de Franstalige Brusselse liberalen. Zij verwierpen het artikel in de nieuwe grondwet dat de definitieve afbakening van het tweetalig gebied Brussel zou betekenen. De rondetafelconferentie werd met een akkoord tussen de twee regeringspartijen afgesloten op 26 januari 1965. Men voorzag een erkenning van de culturele autonomie en dus ook twee cultuurraden, administratieve decentralisatie en economische deconcentratie. Het aantal Kamerleden en rechtstreeks verkozen Senatoren werd beperkt tot respectievelijk 212 en 106. De grondwet ging ook aan de internationale en supranationale organisaties worden aangepast. Het parlement aanvaarde het voorstel van grondwetswijziging waardoor het zich automatisch ontbond.[61]

 

1.2.3. 1965-1968: de regeringen Harmel-Spinoy en Vanden Boeynants-De Clerq

 

De verkiezingen van 23 mei betekenden een afstraffing voor de regeringspartijen CVP-PSC en BSP-PSB. De CVP-PSC verloor 19 zetels in de Kamer en drie rechtstreeks verkozen senaatszetels. De BSP-PSB verloor 20 zetels in de Kamer en 14 rechtstreeks verkozen senatoren. De grootste winnaar was de PVV-PLP die haar aantel zetels zag verdubbelen. In de Kamer stegen de liberalen van 20 naar 48 zetels, in de Senaat kregen ze 23 rechtstreeks verkozen senatoren, een winst van 12. Ander winnaars waren de ‘taalpartijen’: de VU, het Front des Francophones en het Front Wallon. De communistische partij boekte ook een lichte winst.[62] De regering Levèvre-Spaak beschikte niet langer over een tweederde meerderheid[63] en kon het akkoord over de grondwetswijziging niet uitvoeren. De regering bood de dag na der verkiezingen haar ontslag aan.

 

1.2.3.1. De regering Harmel-Spinoy

 

Pierre Harmel werd door de koning tot formateur benoemd. Hij trachtte eerst een drieledige regering te vormen. Deze zou dan de grondwetswijziging kunnen doorvoeren. De socialisten en de liberalen wilden echter niet samen regeren. De twee partijen die zware klappen hadden opgelopen, de CVP-PSC en BSP-PSB vormden na moeizame onderhandelingen opnieuw een regering. De Waalse socialisten stemden tegen regeringsdeelname maar werden door hun Vlaamse en Brusselse collega’s overstemd. De nieuwe regering verklaarde werk te willen maken van meer cultuurautonomie, van sociale en menselijke vooruitgang en van een sanering van de staatsfinanciën.[64]

 

De regering diende een wetsontwerp in dat voorzag in de oprichting van een ‘Vaste Comissie voor de Verbetering van de Betrekkingen tussen de Belgische Taalgemeenschappen’. Dit ontwerp zou slechts tijdens de volgende regering worden goedgekeurd. De taalwetten die onder de vorige regering waren gestemd, werden door de verschillende taalpartijen aangevallen. Enkele Franstalige Vlamingen hadden België voor het Europese Hof der Rechten van de Mens gedaagd. Zij klaagden dat hun Franstalig onderwijs in Vlaanderen niet werd gehomologeerd. De PVV-PLP was voorstander van een verzwakking van de taalwetten vaak ten nadele van de Vlamingen. Meer Vlaamse gemeenten rond Brussel moesten taalfaciliteiten verlenen. Voeren zou terug naar de provincie Luik gaan. Het Liberaal Vlaams Verbond was hierover niet verheugd.[65]

 

De economie van België verkeerde in een hoogconjunctuur. Toch bleef de begroting een tekort kennen. Minister van Financiën Gaston Eyskens drong op besparingen aan. De vakbonden en de Waalse socialisten wilden van geen besparingen weten. De vakbonden stelden integendeel nieuwe, dure sociale eisen. Hierdoor moest men de belastingen verhogen en saneringen doorvoeren. Een van die saneringen was het sluiten van onrendabele mijnen. In 1965 dienden zes mijnen te worden gesloten. Tot dan werden enkel Waalse mijnen gesloten. Van de zes lagen er vijf in Wallonië. De zesde te sluiten mijn was die van Zwartberg in Limburg. Onmiddellijk ontstond er sociale onrust. Vele Vlaamse bewegingen en organisaties waaronder ook de Vlaamse CVP, steunden de mijnwerkers. Zij stelden dat de sluiting van de Limburgse mijn enkel moest dienen als compensatie voor de sluitingen van de Waalse mijnen. Toen de stakers ook de mijn van Winterslag platlegden, braken er zware onlusten uit. Na het vallen van twee doden liet de regering para’s de orde handhaven. De regering beloofde enkel mijnwerkers te ontslaan na vervangende arbeidsplaatsen verzekerd zou zijn. Dit conflict verzwakte de regering. Toch zou zij niet hierover vallen maar wel over het probleem van de financiering van de ziekteverzekering. Op 11 februari 1966 aanvaarde koning Boudewijn het ontslag van de regering.[66]

 

1.2.3.2. De regering Vanden Boeynants-De Clercq

 

Op 17 februari werd de Paul Segers van de CVP door de koning als formateur aangesteld. De PVV-PLP was wederom niet bereid aan een drieledige regering deel te nemen. Segers probeerde dan opnieuw een rooms-rode coalitie te vormen. Maar de socialisten en de christen-democraten voelden niets voor de zware besparingen die de overheid diende door te voeren. Op 2 maart 1966 diende Segers zijn ontslag als formateur in. Dezelfde dag nog werd de CVP-PSC-voorzitter Paul Vanden Boeynants tot de nieuwe formateur benoemd.[67] Op 19 maart 1966 kon deze, na 36 dagen moeilijke onderhandelingen, een CVP-PSC-PVV-PLP-regering voorstellen. De nieuwe premier wou in een nieuwe stijl regeren. De regering wilde het staatsapparaat moderniseren en de economische toestand verbeteren. Vanden Boeynants vroeg om een taalbestand van twee jaar om “ten einde in kalmte en door onderhandelingen de gemoederen tot bedaren te brengen”. Op 20 oktober werd de Vaste Commissie voor de Verbetering van de Betrekkingen van de Belgische Taalgemeenschappen geïnstalleerd. In deze commissie kon men rustig en pragmatisch over het samenleven van de Frans- en Nederlandstaligen worden gepraat. Toch stopte dit de polarisatie niet.[68]

 

Op economisch vlak wenste de regering een expansiepolitiek te voeren. Een tweede regionale expansiewet werd goedgekeurd. Deze zou de eerste moeten aanvullen en de economische reconversie van de steenkoolmijngebieden versnellen. De verkeersinfrastructuur werd gemoderniseerd en uitgebouwd. De sociale uitkeringen werden verhoogd. Om nieuwe economische maatregelen te nemen, vroeg de regering volmachten aan het parlement. Tussen 31 maart 1967 en 14 november 1967 werden 94 Koninklijke Besluiten met de kracht van wet uitgevaardigd. Het doel was de overheid meer middelen te geven door strenge controles op de uitgaven, door besparingen en nieuwe fiscale lasten.[69]

 

De taalproblemen bleven voor politieke problemen zorgen. In de CVP-PSC en de BSP-PSB groeiden de spanningen tussen hun Vlaamse en Waalse vleugels. In 1967 hielden de twee socialistische vleugels hun eigen congressen. Beiden spraken zich uit voor een federalisering inzake culturele economische aangelegenheden. De CVP-PSC die het woord federalisme niet in de mond wou nemen, opteerde voor decentralisatie en deconcentratie van de staatsmacht. De toepassing van de taalwetgeving zorgde voor grote spanningen tussen de Vlaamse vleugel en de Franstaligen uit Wallonië en Brussel. De PVV-PLP werd gedomineerd door haar Brusselse federatie bleef voorstander van een unitair België. De regering Vanden Boeynants viel uiteindelijk over de kwestie Leuven.[70]

 

Het Leuvense conflict ontbrande definitief door het autoritaire mandement van 13 mei 1966 van de Belgische bisschoppen. Hierin stelden zij dat de universiteit één moest blijven. Enkel de kandidaturen konden elders worden ingericht. Vlaamse studenten en professoren, gesteund door de Vlaamse pers en organisaties, protesteerden scherp tegen deze verordening van het episcopaat. Op 17 mei 1966 diende de voorzitter van de Vlaamse CVP-Kamerfractie Jan Verroken een wetsvoorstel in betreffende het taalgebruik in het hoger onderwijs. Verroken wou het principe ‘streektaal is onderwijstaal’ doortrekken tot op het hoogste niveau van het onderwijs. Het wetsvoorstel werd niet in overweging genomen. Met uitzondering van de Vlaamse PVV-Kamerleden hadden alle Vlaamse Volksvertegenwoordigers voor gestemd. Het wetsontwerp werd opnieuw in de Senaat ingediend maar ook daar werd het niet in overweging genomen. Een ander probleem in dit dossier was het stijgend aantal universitaire studenten. De Belgische universiteiten moesten uitbreiden. In Leuven werd aan de Nederlandstalige en Franstalige afdeling gevraagd een expansieplan te ontwerpen. De Franstalige afdeling wou te Leuven blijven, een Franstalige faculteit te Brussel en een afdeling in Ottignies oprichten. Hierdoor, vreesden de Vlaamse organisaties, zou de driehoek Waver-Leuven-Brussel op termijn verfransen. De bisschoppen geraakten zelf verdeeld en lieten het probleem over aan de politieke overheid. Verroken wou door een interpellatie het standpunt van de regering kennen. Vanden Boeynants kon echter de acht Vlaamse CVP-ministers niet overtuigen. Zij dienden hun ontslag in waarop de premier het ontslag van de regering bij de koning indiende.[71]

 

Na de val van de regering werd Paul Segers als informateur aangeduid. Al snel werd duidelijk dat de socialisten en liberalen vervroegde verkiezingen wensten. De verklaring betreffende de grondwetswijziging werd hernieuwd zodat het parlement van rechtswege werd ontbonden.[72]

 

 

Hoofdstuk 2. De leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers

 

In dit hoofdstuk onderzoeken we wie er in de Kamer van Volksvertegenwoordigers zetelde. In de periode 1958-1968 werden drie parlementen[73] verkozen. Per criterium en per parlement zal de Kamer in haar geheel en voor elke partij afzonderlijk worden geanalyseerd. Enkel de CVP-PSC, de BSP-PSB en de PVV-PLP komen hiervoor in aanmerking omdat hun fracties in de Kamer van Volksvertegenwoordiging groot genoeg waren om er een zinvol kwantitatief onderzoek op uit te voeren. Ook zullen de drie parlementen en de respectievelijke partijen met elkaar worden vergeleken om te zien of er een evolutie is in de tijd. Omdat sommige volksvertegenwoordigers worden vervangen tijdens hun mandaat, worden enkel de verkozenen als basis van dit onderzoek genomen. Met de vervangers houden we geen rekening. De informatie voor dit hoofdstuk werd uit drie verschillende bronnen gehaald. De hoofdbrok komt uit VAN MOLLE P., Het Belgische Parlement 1894-1969. Ter controle en ter aanvulling zijn ook de volgende werken geraadpleegd: Levensberichten, uitgegeven door de Kamer van Volksvertegenwoordigers en MICHIELSEN, F. en TAYLOR, S., Who’s who in Belgium and Grand Duchy of Luxembourg, 1962.

 

Een eerste criterium is de politieke samenstelling van de Kamer. Hoewel dit criterium niet echt bepalend is voor een algemeen profiel van de kamerleden, is het wel nuttig om de uitkomsten van de fracties te wegen en te interpreteren. De andere onderzoekscriteria zijn geslacht, regionale afkomst, studies, beroep, andere politieke functies, leeftijd, de parlementaire ervaring of de verjonging en de leeftijd van intrede in het parlement.

De regionale afkomst zegt iets over de regionale spreiding van de partijen. De zetelverdeling per kiesarrondissement staat vast bij wet en schommelt dus niet behalve bij een wetswijziging. In de onderzochte periode is de taalgrens vastgelegd. Ook werd er een wijziging in het aantal volksvertegenwoordigers per kiesarrondissement doorgevoerd. De Vlaamse kamerleden zijn verkozen in de provincies Oost- en West-Vlaanderen, Antwerpen en Limburg en in het arrondissement Leuven. De Waalse volksvertegenwoordigers komen uit de provincies Henegouwen, Namen, Luxemburg en Luik en uit het arrondissement Nijvel. De verkozenen uit het arrondissement Brussel zijn uiteraard de Brusselse volksvertegenwoordigers.

Bij het criterium studies wordt gekeken naar het al dan niet volgen van universitaire studies. Ook het aantal universitaire diploma’s wordt onder de loep genomen. Hierbij wordt enkel gekeken naar diploma’s van verschillende richtingen. Een diploma van doctor in de economische wetenschappen veronderstelt dat de houder ervan ook een licentiediploma heeft. Toch wordt dit als één diploma gerekend. Uiteraard waren er ook kamerleden met niet-universitaire studies. Maar deze gegevens hebben we onvoldoende kunnen terugvinden. Daarom worden enkel de universitaire studies in kaart gebracht.

Het aantal beroepen dat de kamerleden uitoefenden of hadden uitgeoefend voor hun mandaat was zeer groot. Daarom werden ze tot vijftien categorieën herleid: ambtenaren, arbeiders, bedienden, bedrijfsleiders, ingenieurs, journalisten, landbouwers, maatschappelijk assistent, onderwijspersoneel, notaris, sociale organisaties, vrije beroepen en zelfstandigen. De bedienden waren werkzaam in de particuliere sector en dus te onderscheiden van de bedienden die in de sociale organisaties werkzaam waren. De sociale organisaties zijn de verschillende werknemers- en werkgeversorganisaties. De categorie onderwijs werd onderverdeeld in universitair, middelbaar en lager onderwijs. De categorie vrije beroepen bestond uit advocaten, apothekers, architecten, dokters, notarissen en veeartsen. Er waren enkele kamerleden waar geen informatie qua beroep over gevonden is. Ook deze worden vermeld onder de categorie ‘geen info’.

De andere politieke functies zijn ambten die het kamerlid cumuleerde op gemeentelijk vlak. Omdat de verkiezingen van de gemeenteraden en die van het parlement niet samenvallen, verandert vaak het lokaal ambt van een kamerlid tijdens de duur van zijn nationaal mandaat. Daarom wordt de situatie op de dag van de verkiezingen als uitgangspunt genomen. In dit thema worden vier categorieën onderscheiden: burgemeesters, schepenen, gemeenteraadsleden en mandaatlozen. Aangezien burgemeesters en schepenen ook in de gemeenteraad zetelen, moet de categorie gemeenteraadsleden gezien worden als diegenen die enkel gemeenteraadslid zijn en dus geen uitvoerend mandaat bezitten. Provinciale mandaten komen niet voor wegens de wettelijke onverenigbaarheid.

De leeftijd is een belangrijk gegeven in het onderzoek naar het algemeen profiel van de volksvertegenwoordigers. Een gemiddelde leeftijd betekent echter weinig. Daarom worden de kamerleden verdeeld in groepen om te zien in welke leeftijdsgroep de meeste volksvertegenwoordigers zich bevinden. Als leeftijd van een kamerlid werd de leeftijd die hij of zij in dat jaar zou bereiken genomen. Er werd dus geen rekening gehouden met de precieze verjaardagsdatum.

Met parlementaire ervaring wordt het aantal jaren dat een kamerlid reeds in het parlement zetelde, bedoeld. Ook de jaren als senator tellen hiervoor mee. Ook hier zegt een gemiddelde weinig en worden ze in groepen van vier jaar ingedeeld. Het tegenovergestelde van ervaring is de vernieuwing, het aantal nieuwe kamerleden dat verkozen werd.

Een laatste criterium is de leeftijd van intrede in het parlement. Hoe jong of oud maken de kamerleden hun debuut in het halfrond? Ook hier worden de kamerleden ingedeeld in groepen van tien jaar.

 

 

2.1. Politieke samenstelling van de Kamer

 

De CVP-PSC won de verkiezingen van 1958 die in het teken stonden van de schoolstrijd. In de Senaat haalde zij de volstrekte meerderheid. In de Kamer won ze negen zetels tegenover het resultaat van 1954 en kwam daardoor op 104 kamerleden. De BSP-PSB, de Liberale Partij en de communistische partij verloren enkele zetels. De VU behield haar enige zetel.

 

Grafiek 2.1. De zetelverdeling in de Kamer van Volksvertegenwoordigers 1958-1961   

 

In 1961 kon de BSP-PSB als oppositiepartij haar aantal kamerleden behouden. De regeringspartijen CVP-PSC en de Liberale Partij moesten respectievelijk acht en een zetel inleveren. De VU brak door met vijf zetels, een winst van vier. Ook de communisten wonnen drie zetels bij. De verkiezingen van 1965 betekende de definitieve doorbraak van de gewestelijke partijen. De VU steeg tot twaalf zetels. Maar ook andere partijen verschenen in het halfrond: de Brusselse FDF en het Waalse RW. De grootste winst was evenwel voor de oppositiepartij PVV-PLP. Deze vernieuwde Liberale Partij won achtentwintig zetels. De KPB-PCB steeg licht. De regeringspartijen CVP-PSC en BSP-PSB werden electoraal afgestraft. Zij verloren respectievelijk negentien en twintig zetels.

 

De Kamer bestond niet enkel uit ‘gewone’ Kamerleden. Er was een bureau en er waren de fractievoorzitters. Het bureau van de Kamer bestond uit een voorzitter, vijf ondervoorzitters[74] en zes secretarissen. Elk parlementair jaar diende het bureau opnieuw verkozen te worden. In de onderzochte legislaturen waren er drie verschillende voorzitters. Camille Huysmans (BSP-PSB) was enkel kamervoorzitter tijdens de bijzondere zitting van 1958. De liberaal Paul Kronacker volgde hem voor de rest van de legislatuur op. De twee volgende legislaturen werd de Kamer door de socialist Achille Van Acker geleid. Als we de politieke kleur van de voorzitter en de ondervoorzitters bekijken, stellen we vast dat in de eerste twee legislaturen van de zes functies er telkens de helft door een CVP-PSC-er, twee door een socialist en één door een liberaal werden ingevuld. Ook bij de zes secretarissen werd dezelfde verdeelsleutel gehanteerd. Bij de quaestoren[75] waren er vijf plaatsen te verdelen. De CVP-PSC  en de BSP-PSB kregen elk twee quaestoren, de Liberale Partij één. Na de verkiezingsoverwinning van de liberalen in 1965, kregen ze er een secretaris bij ten koste van de CVP-PSC. De overige functies werden volgens dezelfde sleutels als in de vorige twee legislaturen verdeeld.[76]

 

Hoewel de fracties pas in 1962 officieel erkend werden, bestonden zij al veel langer. Deze fracties hadden ook een voorzitter. De voorzitter van de CVP-PSC-fractie was in de gehele onderzochte periode Fernand Lefère. De socialistische groep had drie verschillende voorzitters: Georges Bohy (tot en met  het parlementair jaar 1961-1962), Marc-Antoine Pierson (tot het einde van de legisluur 1961-1965) en Victor Larock (in de legislatuur 1965-1968). De liberale vertegenwoordiging in de Kamer werd door vier verschillende voorzitters geleid. In de legislatuur 1958-1961 stond Charles Janssens aan het hoofd van deze fractie. René Lefèbvre volgde hem op en bleef fractieleider tot en met de bijzondere zitting van 1965. In het parlementiare jaar 1965-1966 werd Willy de Clercq de fractievoorzitter. In de twee laatste jaren van de legislatuur werd Marcel Piron de liberale fractievoorzitter. De KPB-PCB en de VU konden pas vanaf 1961 een voorzitter benoemen. Daarvoor was hun aantal te klein om van een fractie te spreken. Gaston Moulin werd voorzitter van de communistische fractie in de legislatuur 1961-1965. In 1965-1968 was Marc Drumaux de communistische leider in de Kamer. De Volksunie had in de Kamer met Frans Van der Elst dezelfde fractievoorzitter van 1961 tot 1968.[77]

 

 

2.2. Geslacht

 

Het overgrote deel van de volksvertegenwoordigers waren mannen. Op het totaal van 212 leden waren er acht vrouwen of 3,77% van de kamerleden. Verhoudingsgewijs en in absolute aantallen zetelden de meeste vrouwen in de socialistische fractie. De liberale kamerfractie telde geen enkele vrouw. Naast de numerieke overmacht leert de lectuur van de parlementaire handelingen ons dat de mannelijke Volksvertegenwoordiger de norm was. Bij een Volksvertegenwoordigster staat immers altijd ‘mevrouw’ voor haar naam, terwijl er geen ‘mijnheer’ staat bij de mannelijke kamerleden.

 

Tabel 2.1. Geslacht van de kamerleden 1958, 1961 en 1965[78]

jaar

geslacht

Kamer

CVP-PSC

BSP-PSB

Liberale Partij

 

 

aantal

%

aantal

%

aantal

%

aantal

%

1958

mannen

204

96,23

101

97,12

79

94,05

21

100,00

 

vrouwen

8

3,77

3

2,88

5

5,95

0

 

1961

mannen

202

95,28

92

95,83

78

92,86

20

100,00

 

vrouwen

10

4,72

4

4,17

6

7,14

0

0,00

1965

mannen

205

96,70

73

94,81

62

96,88

47

97,92

 

vrouwen

7

3,30

4

5,19

2

3,13

1

2,08

 

In 1961 werd er één vrouw meer verkozen dan in 1958. Maar de vrouwelijke volksvertegenwoordigers bleven een zeer kleine minderheid. Nog steeds telde de socialistische fractie de meeste vrouwen. Bij de liberalen was er weer geen enkele vrouw te bespeuren. In 1965 werd het minst aantal vrouwen verkozen binnen de onderzochte periode. De daling was te wijten aan de terugval van het aantal vrouwen bij de socialisten die geen verlies moesten incasseren. De CVP-PSC-fractie telde nu de meeste vrouwen. Bij de liberalen werd één vrouw verkozen tegenover geen enkele bij de vorige twee verkiezingen.

 

 

2.3. Leeftijd

 

De gemiddelde leeftijd van de kamerleden in 1958 was 51 jaar. Het grootste deel ervan waren veertiger (41 tot en met 50 jaar). De tweede groep waren de vijftigers (51 tot en met 60 jaar). De oudste was de socialist Camille Huysmans, 88 jaar oud. De jongste van de Kamer en tevens de enige jonger dan 31 was ook een socialist, Gustaaf Boeykens met 28 jaar.

 

Tabel 2.2. Leeftijd van de kamerleden in 1958, 1961 en 1965[79]

jaar

leeftijd

Kamer

CVP-PSC

BSP-PSB

Liberale Partij

 

aantal

%

aantal

%

aantal

%

aantal

%

1958

<30j

1

0,47

0

 

1

1,19

0

 

 

31-40j

25

11,79

13

12,50

7

8,33

4

19,05

 

41-50j

85

40,09

52

50,00

25

29,76

7

33,33

 

51-60j

61

28,77

24

23,08

32

38,10

4

19,05

 

61-70j

32

15,09

12

11,54

14

16,67

6

28,57

 

>70j

8

3,77

3

2,88

5

5,95

0

0,00

1961

<30j

0

0,00

0

 

0

 

0

 

 

31-40j

26

12,26

11

11,46

9

10,71

5

25,00

 

41-50j

84

39,62

45

46,88

25

29,76

7

35,00

 

51-60j

65

30,66

28

29,17

30

35,71

3

15,00

 

61-70j

33

15,57

10

10,42

18

21,43

5

25,00

 

>70j

4

1,89

2

2,08

2

2,38

0

 

1965

<30j

0

 

0

 

0

 

0

 

 

31-40j

28

13,21

9

11,69

5

7,81

11

22,92

 

41-50j

73

34,43

29

37,66

14

21,88

21

43,75

 

51-60j

74

34,91

28

36,36

26

40,63

10

20,83

 

61-70j

33

15,57

10

12,99

18

28,13

4

8,33

 

>70j

4

1,89

1

1,30

1

1,56

2

4,17

 

De CVP-PSC vertegenwoordiging in de Kamer bestond voor de helft uit vijftigers. De gemiddelde leeftijd van de CVP-fractie was 50 jaar waardoor deze fractie iets jonger was dan het gemiddelde van de Kamer. De grootste leeftijdsgroep van socialistische fractie waren ook de vijftigers. De gemiddelde leeftijd van de socialistische factie was 53 jaar. Deze fractie is duidelijk ouder dan het gemiddelde van de Kamer. Niet alleen blijkt dit uit de hogere gemiddelde leeftijd, ook de oudere leeftijdsgroepen waren meer vertegenwoordigd. Het verschil is nog duidelijker tegenover de CVP-PSC. Bij de socialistische fractie was 60,71% ouder dan 50 jaar terwijl bij de CVP-PSC 62,50% jonger of gelijk aan 50 jaar was. In de liberale fractie waren twee leeftijdsgroepen dominant: de veertigers en de zestigers. De gemiddelde leeftijd van deze fractie was 51 jaar en dus hetzelfde als de totale Kamer.

 

In 1961 daalde de gemiddelde leeftijd van de Kamer zeer licht tegenover 1958. Deze trend deed zich voor in de drie grote fracties. Dit kwam onder meer doordat de groep zeventig-plus halveerde. Ook de opkomst van de VU met relatief jonge kamerleden verklaart dit. Het aantal veertigers daalde licht maar bleef de grootste leeftijdsgroep in de Kamer. De sterkste stijging deed zich voor in de groep van de vijftigers. Het oudste kamerlid was opnieuw Huysmans, nu 91 jaar oud. Drie leden, Karel Blanckaert (CVP-PSC), Gustaaf Boeykens (BSP-PSB) en Ernest Glinne (BSP-PSB) deelden de jongste leeftijd van 31 jaar. De katholieke vertegenwoordiging van 1961 kende een duidelijke stijging van het aantal vijftigers. De andere groepen daalden tegenover 1958. De socialistische fractie was net als in 1958 de oudste van de Kamer. De drie oudste leeftijdsgroepen waren weer oververtegenwoordigd. Tegenover 1958 stegen vooral de zestigers aan belang. Het aantal zeventigers daalde dan weer. De liberalen waren de jongste fractie van de onderzochte drie. Tegenover 1958 was er een duidelijke verjonging van de fractie. Eén op vier liberale volksvertegenwoordigers was veertiger. Niettegenstaande de algemene verjonging, bleven de zestigers in de liberale fractie oververtegenwoordigd. De vijftigers waren dan weer sterk ondervertegenwoordigd.

 

De gemiddelde leeftijd daalde opnieuw zeer licht in 1965. Toch daalde het aantal veertigers en steeg het aantal vijftigers. De vijftigers werden nipt de grootste leeftijdscategorie in de Kamer. De veertigers werden de tweede groep. De oudste kamerleden waren René Lefèbvre (PVV-PLP) en Maurice Jaminet (CVP-PSC), beiden 73 jaar oud. Deze oudste leeftijd was opmerkelijk jonger dan de oudste bij de vorige verkiezingen. Het jongste kamerlid was Mik Babylon (VU) met 31 jaar. In de CVP-PSC-fractie daalde het aantal veertigers met zestien leden. De andere bleven in absolute aantallen ongeveer gelijk. De socialistische fractie was zoals in de vorige twee legislaturen de oudste van de Kamer. Vooral het aantal dertigers en veertigers verminderden. De drie oudste groepen konden hun overwicht nog vergroten. De liberale fractie was de jongste van de drie. Twee derden van de fractieleden was jonger dan 51 jaar. De dertigers en de veertigers zaten elk ongeveer tien procent boven het kamergemiddelde.

 

 

2.4. Leeftijd van eerste verkiezing

 

In 1958 werd het grootste deel van de kamerleden de eerste keer als dertiger verkozen. Maar het verschil met degenen die als veertiger hun intrede in de Kamer deden was niet veel kleiner. Samen maakten ze het overgrote deel van de kamerleden uit. Diegenen die als vijftiger, twintiger, zestiger of ouder werden verkozen waren slechts een kleine minderheid. De twee dominante groepen zijn bij de drie fracties steeds hetzelfde maar dan in andere verhoudingen. Bij de CVP-PSC-fractie was meer dan de helft als dertiger voor de eerste maal verkozen. Bij de socialisten en de liberalen waren degenen die als veertiger begonnen de grootste groep. Ook de oudere groepen waren bij de socialisten oververtegenwoordigd.

 

Tabel 2.3. Leeftijd van de eerste verkiezing van de kamerleden van 1958, 1961 en 1965[80]

 

jaar

leeftijd

Kamer

CVP-PSC

BSP-PSB

Liberale Partij

 

 

aantal

%

aantal

%

aantal

%

aantal

%

1958

<30j

8

3,77

4

3,85

4

4,76

0

 

 

31-40j

96

45,28

56

53,85

31

36,90

8

38,10

 

41-50j

90

42,45

37

35,58

39

46,43

12

57,14

 

51-60j

15

7,08

7

6,73

8

9,52

0

 

 

>61j

3

1,42

0

 

2

2,38

1

4,76

1961

<30j

9

4,25

4

4,17

4

4,76

1

5,00

 

31-40j

100

47,17

56

58,33

31

36,90

10

50,00

 

41-50j

88

41,51

32

33,33

40

47,62

9

45,00

 

51-60j

13

6,13

4

4,17

7

8,33

0

 

 

>61j

2

0,94

0

 

2

2,38

0

 

1965

<30j

5

2,36

2

2,60

3

4,69

0

 

 

31-40j

97

45,75

44

57,14

27

42,19

18

37,50

 

41-50j

84

39,62

28

36,36

28

43,75

20

41,67

 

51-60j

22

10,38

3

3,90

5

7,81

7

14,58

 

>61j

4

1,89

0

 

1

1,56

3

6,25

 

In 1961 werden nog steeds de meeste kamerleden voor de eerste maal verkozen als dertiger of veertiger. Maar de groep van de dertigers nam nog toe terwijl die van de veertigers licht daalde. De andere groepen bleven een kleine minderheid. In de katholieke fractie werd de meerderheid het eerst verkozen als dertiger. Een derde van de fractie als veertiger. De katholieke volksvertegenwoordigers kwamen jonger in het parlement dan het gemiddelde van de Kamer. De socialisten werden op een oudere leeftijd verkozen. De grootste groep deed zijn intrede als veertiger. Ook de groep van de vijftigers scoorde hoger dan het kamergemiddelde. Tegenover 1958 was er bij de socialisten zo goed als geen verschil te merken. De helft van de liberale fractie in 1961 was de eerste maal verkozen als dertiger. Tegenover 1958 was dit een sterke stijging. Diegenen die als veertigers hun intrede deden zakte onder de helft.

 

De parlementsleden van 1965 werden gemiddeld op een iets latere leeftijd verkozen dan in 1961 en 1958. Toch bleven degenen die voor de eerste maal als dertiger of veertiger waren verkozen nog altijd de grootste groepen. Bij de katholieke fractie steeg het aantal van de groep die als veertiger de eerste maal werden verkozen. Toch bleef de groep die als dertiger voor het eerst verkozen werden ver boven het kamergemiddelde. Gemiddeld werd een katholiek volksvertegenwoordiger jonger voor de eerste maal verkozen. Bij de socialistische fractie was de groep die als vijftiger een eerste maal werd verkozen nipt de grootste. Maar de tweede groep volgde met slecht één lid verschil. In tegenstelling tot 1958 en 1961 werd een socialistisch kamerlid iets jonger dan het kamergemiddelde verkozen. De liberale fractie was dan wel het meeste vernieuwd maar de nieuwelingen waren niet altijd jonge personen. Het gemiddelde van de leeftijd waarop men de eerste keer verkozen werd, lag hoger dan het kamergemiddelde. De meeste leden werden een eerste maal verkozen als veertiger. Er werd bij de liberalen niemand voor de eerste maal verkozen als dertiger. Tegenover 1961 was er een duidelijk verschil. Toen was niemand voor de eerste maal als vijftiger of ouder verkozen. In 1965 werd dit een vijfde van de fractie.

 

 

2.5. Regionale afkomst

 

In 1958 bestond de katholieke fractie als enige fractie in het halfrond uit meer dan de helft Vlamingen. De andere twee regio’s zaten onder het kamergemiddelde. Bij de socialisten was het net andersom. De socialistische vertegenwoordiging steunde vooral op Walen. Ook de socialistische Brusselaars zaten nipt over het gemiddelde van de Kamer. In Vlaanderen was de socialistische partij ondervertegenwoordigd. Bij de liberalen waren de Vlamingen in de meerderheid van de fractie. Opvallend was de grote aanwezigheid van Brusselaars in de liberale fractie. De Waalse inbreng in de liberale fractie zat ver onder het kamergemiddelde.

 

Tabel 2.4. Regionale afkomst van de kamerleden 1958-1968[81]

jaar

regio

Kamer

CVP-PSC

BSP-PSB

Liberale Partij

 

 

aantal

%

aantal

%

aantal

%

aantal

%

1958

Vlaanderen

104

49,06

62

59,62

31

36,90

10

47,62

 

Wallonië

76

35,85

29

27,88

40

47,62

5

23,81

 

Brussel

32

15,09

13

12,50

13

15,48

6

28,57

1961

Vlaanderen

104

49,06

60

62,50

32

38,10

8

40,00

 

Wallonië

76

35,85

26

27,08

39

46,43

6

30,00

 

Brussel

32

15,09

10

10,42

13

15,48

6

30,00

1965

Vlaanderen

107

50,47

51

66,23

27

42,19

18

37,50

 

Wallonië

72

33,96

18

23,38

28

43,75

19

39,58

 

Brussel

33

15,57

8

10,39

9

14,06

11

22,92

 

De CVP-PSC-fractie van 1961 steunde tegenover 1958 nog meer op Vlaamse volksvertegenwoordigers ten koste van de Brusselse inbreng. De Waalse katholieken bleven in verhouding ongeveer gelijk. Bij de socialisten verschoof er bij de verkiezingen van 1961 slechts één zetel. De Waalse socialisten verloren er een, de Vlaamse wonnen er een. De Brusselse socialisten bleven gelijk. De Waalse socialisten bleven de grootste regiogroep in hun fractie. In de liberale fractie wonnen de Walen en de Brusselaars aan belang ten koste van de Vlamingen. De Brusselse inbreng bij de Liberale Partij bleef in verhouding met het kamergemiddelde zeer groot. De grootste liberale groep bleef echter de Vlaamse.

 

Door de verandering van de kieswetgeving in kregen de Vlaamse en Brusselse kiesarrondissementen respectievelijk drie en één zetels meer toebedeeld, ten koste van het aantal Waalse verkozenen. Maar binnen de regio’s waren er enkele interne verschuivingen. In Vlaanderen verloor het arrondissement Ieper een zetel. In Wallonië won Tournai-Ath een zetel door de overheveling van Mouscroun bij de vastlegging van de taalgrens. Het totaal aantal volksvertegenwoordigers werd op 212 bevroren. Hierdoor waren de Vlaamse volksvertegenwoordigers zeer nipt in de meerderheid. Een derde van de kamerleden was verkozen in Waalse kiesarrondissementen. Binnen de katholieke fractie wonnen de Vlamingen sinds 1958 steeds aan belang. In 1965 waren twee derden van haar leden in het Vlaamse landgedeelte verkozen. Het verlies van de CVP-PSC bij de verkiezingen van 1965 was relatief groter in Wallonië dan in Vlaanderen waardoor de Waalse inbreng nog verder wegzakte. Bij de socialisten kwamen de Vlaamse en de Waalse inbreng in evenwicht. Dit kwam vooral door de relatieve stijging van het aantal Vlamingen in de BSP-PSB-fractie. Maar tegenover het kamergemiddelde waren de Waalse socialisten nog altijd sterk oververtegenwoordigd. Ook in de liberale fractie kwamen de Vlaamse en Waalse verkozenen in evenwicht. Het bereikte evenwicht kon niet aan één regio worden toegeschreven. De Vlaamse liberalen verloren en de Waalse wonnen ongeveer evenveel. In het Brusselse arrondissement werd de PVV-PLP de grootste partij. Toch kende de Brusselse inbreng in de liberale fractie een relatieve daling tegenover 1958 en 1961.

 

Tabel 2.5. Zetelverdeling per kiesarrondissement 1958 - 1965

kiesarrondissement

1958 en 1961

1965

winst/verlies

Antwerpen

20

20

 

Mechelen

6

6

 

Turnhout

6

7

+1

Leuven

7

8

+1

Brugge

5

5

 

Kortrijk

6

6

 

Veurne-Diksmuide-Oostende

5

5

 

Roeselare-Tielt

5

5

 

Ieper

3

2

-1

Aalst

6

6

 

Oudenaarde

3

3

 

Gent-Eeklo

13

13

 

Sint-Niklaas

4

4

 

Dendermonde

4

4

 

Hasselt

5

6

+1

Tongeren-Maaseik

6

7

+1

totaal Vlaanderen

104

107

+3

Nivelles

5

5

 

Charleroi

11

11

 

Mons

7

6

-1

Soignies

4

4

 

Thuin

4

3

-1

Tournai-Ath (-Mouscroun)

6

7

+1

Huy-Waremme

4

4

 

Liège

14

14

 

Verviers

6

5

-1

Arlon-Marche-en-Famenne-Bastogne

3

3

 

Neufchâteau-Virton

3

2

-1

Dinant-Philippeville

4

3

-1

Namur

5

5

 

totaal Wallonië

76

72

-4

Brussel

32

33

+1

 

 

2.6. Universitaire studies

 

In 1958 had meer dan de helft van de kamerleden geen universitair diploma. Van de universitair gediplomeerden waren diegenen met een diploma in één richting de grootste groep. Slechts een kleine minderheid beschikte over diploma’s in drie of vier richtingen. De grootste groep universitair gediplomeerden was, zowel op niveau van de gehele Kamer als binnen de drie fracties, doctor in de rechten. De katholieke vertegenwoordiging was hoger geschoold dan het kamergemiddelde. Meer dan de helft beschikte over een universitair diploma. Enkel bij de CVP-PSC-fractie waren er leden met diploma’s in drie of vier richtingen. Negen van de tien licentiaten notariaat in de Kamer waren lid van de katholieke fractie. De socialistische fractie was duidelijk het minst opgeleid. Slechts 22,62% beschikte over één en 4,76% over twee universitair diploma’s. De liberale fractie was de hoogst opgeleide in de Kamer. Slechts een derde had geen universitaire studies genoten. De economische richtingen waren bij de liberalen goed vertegenwoordigd.

 

Tabel 2.6. Universitaire diploma's van de kamerleden in 1958[82]

diploma

Kamer

CVP-PSC

BSP-PSB

Liberale Partij

aantal

%

aantal

%

aantal

%

aantal

%

doctor rechten

59

27,83

39

37,50

11

13,10

8

38,10

doctor geneeskunde

6

2,83

2

1,92

3

3,57

1

4,76

doctor letteren en wijsbegeerte

5

2,36

3

2,88

2

2,38

0

 

doctor veeartsenijkunde

2

0,94

2

1,92

0

 

0

 

doctor handelswetenschappen

1

0,47

1

0,96

0

 

0

 

doctor rechtswetenschap

1

0,47

1

0,96

0

 

0

 

doctor politieke en sociale wetenschappen

1

0,47

0

 

1

1,19

0

 

doctor economische wetenschappen

1

0,47

0

 

0

 

1

4,76

doctor exacte wetenschappen

1

0,47

0

 

0

 

1

4,76

doctor opvoedkunde

1

0,47

1

0,96

0

 

0

 

lic. politieke en sociale wetenschappen

13

6,13

9

8,65

3

3,57

0

 

lic. notariaat

10

4,72

9

8,65

0

 

1

4,76

lic. handels- en consulaire wetenschappen

6

2,83

2

1,92

1

1,19

3

14,29

ingenieur

5

2,36

2

1,92

1

1,19

1

4,76

lic. letteren en wijsbegeerte

3

1,42

2

1,92

1

1,19

0

 

lic. economische wetenschappen

3

1,42

2

1,92

1

1,19

0

 

lic. administratieve wetenschappen

2

0,94

1

0,96

1

1,19

0

 

lic. zeerecht

1

0,47

0

 

0

 

1

4,76

lic. zee- en luchtvaartwetenschappen

1

0,47

0

 

0

 

1

4,76

lic. opvoedkunde

1

0,47

1

0,96

0

 

0

 

kandidaatsdiploma

3

1,42

1

0,96

2

2,38

0

 

 

Tabel 2.7. Aantal universitaire diploma's van de kamerleden in 1958[83]

aantal diploma's

Kamer

CVP-PSC

BSP-PSB

Liberale Partij

aantal

%

aantal

%

aantal

%

aantal

%

geen universitair diploma

119

56,13

50

48,08

61

72,62

7

33,33

1 diploma

67

31,60

37

35,58

19

22,62

10

47,62

2 dipoma's

20

9,43

11

10,58

4

4,76

4

19,05

3 diploma's

5

2,36

5

4,81

0

 

0

 

4 diploma's

1

0,47

1

0,96

0

 

0

 

 

In 1961 waren er slechts lichte verschuivingen op te merken tegenover 1958. Het aantal kamerleden zonder universitair diploma steeg. Er was vooral een daling bij diegenen die in een diploma hadden in één richting. De doctors in de rechten bleven in de Kamer en in de fracties veruit de grootste groep van de universitair gediplomeerden. De licentiaten politieke en sociale wetenschappen vormden de tweede groep. De katholieke fractie bleef ondanks een lichte daling tegenover 1958 hoger dan het kamergemiddelde geschoold. Net als drie jaar ervoor vond men degene met de meeste universitaire diploma’s in deze fractie. Bij de socialisten daalde het aantal universitair gediplomeerde. De liberalen bleven de hoogst opgeleide fractie van de Kamer in 1961. 4

 

Tabel 2.8. Universitaire diploma's van de Kamerleden in 196182

diploma

Kamer

CVP-PSC

BSP-PSB

Liberale Partij

aantal

%

aantal

%

aantal

%

aantal

%

doctor rechten

58

27,36

37

38,54

11

13,10

7

35,00

doctor letteren en wijsbegeerte

6

2,83

3

3,13

2

2,38

0

 

doctor geneeskunde

4

1,89

0

 

2

2,38

1

5,00

doctor handelswetenschappen

3

1,42

3

3,13

0

 

0

 

doctor rechtswetenschap

1

0,47

1

1,04

0

 

0

 

doctor veeartsenijkunde

1

0,47

1

1,04

0

 

0

 

doctor pol & soc

1

0,47

0

 

1

1,19

0

 

doctor economische wetenschappen

1

0,47

0

 

0

 

1

5,00

doctor exacte wetenschappen

1

0,47

0

 

0

 

1

5,00

doctor opvoedkunde

0

0

0

 

0

 

0

 

lic. politieke en sociale wetenschappen

17

8,02

12

12,50

3

3,57

1

5,00

lic. notariaat

10

4,72

8

8,33

0

 

2

10,00

ingenieur

6

2,83

2

2,08

1

1,19

2

10,00

lic. economische wetenschappen

5

2,36

5

5,21

0

 

0

 

lic. handels- en consulaire wetenschappen

5

2,36

0

 

1

1,19

3

15,00

lic. letteren en wijsbegeerte

4

1,89

2

2,08

1

1,19

0

 

lic. administratieve wetenschappen

3

1,42

1

1,04

2

2,38

0

 

lic. zee- en luchtvaartwetenschappen

1

0,47

0

 

0

 

1

5,00

lic. zeerecht

0

0

0

 

0

 

0

 

lic. opvoedkunde

0

0

0

 

0

 

0

 

kandidaatsdiploma

4

1,89

1

 

1

1,19

0

 

 

Tabel 2.9. Aantal universitarie diploma's van de kamerleden in 196183

aantal diploma's

Kamer

CVP-PSC

BSP-PSB

Liberale Partij

aantal

%

aantal

%

aantal

%

aantal

%

geen universitair diploma

121

57,08

47

48,96

62

73,81

6

30,00

1 diploma

60

28,30

30

31,25

18

21,43

10

50,00

2 dipoma's

23

10,85

12

12,50

4

4,76

3

15,00

3 diploma's

7

3,30

6

6,25

0

 

1

5,00

4 diploma's

1

0,47

1

1,04

0

 

0

 

 

Het aantal kamerleden met een universitaire scholing steeg in 1965. De helft beschikte over een diploma in één of meerdere richtingen. De doctors in de rechten bleven veruit de grootste groep en bouwden hun voorsprong nog uit. Zoals in 1958 en 1961 waren dezen ook dominant in de drie grote fracties. De verhoging van de universitaire scholing werd voor een groot deel door de doorbraak van de taalpartijen veroorzaakt. Veertien van de zeventien kamerleden die voor de VU, het FDF of het RW zetelden hadden een universitair diploma. De universitaire scholingsgraad van de CVP-PSC-fractie was nog altijd hoger dan dat van de Kamer maar het verschil verkleinde. Er waren relatief minder katholieke volksvertegenwoordiger met een diploma in één richting. In de socialistische fractie steeg het aantal universitair gediplomeerden. Toch bleef deze fractie ver onder het kamergemiddelde. De universitaire scholing bij de liberalen daalde licht en zat terug op het niveau van 1958. Wel waren er meer liberale volksvertegenwoordigers met diploma’s in meerdere richtingen. Een groep die vooral bij de liberalen zaten waren ingenieurs.

 

Tabel 2.10. Universitaire diploma's van de kamerleden in 196582

diploma

Kamer

CVP-PSC

BSP-PSB

Liberale Partij

aantal

%

aantal

%

aantal

%

aantal

%

doctor rechten

66

31,13

28

36,36

12

18,75

18

37,50

doctor geneeskunde

7

3,30

1

1,30

0

 

2

4,17

doctor economische wetenschappen

6

2,83

5

6,49

0

 

1

2,08

doctor letteren en wijsbegeerte

5

2,36

3

3,90

1

1,56

0

 

doctor veeartsenijkunde

3

1,42

1

1,30

0

 

2

4,17

doctor politieke en sociale wetenschappen

2

0,94

1

1,30

1

1,56

0

 

doctor rechtswetenschap

1

0,47

1

1,30

0

 

0

 

doctor exacte wetenschappen

1

0,47

0

 

0

 

1

2,08

lic politieke en sociale wetenschappen

17

8,02

10

12,99

3

4,69

3

6,25

lic notariaat

13

6,13

9

11,69

0

 

4

8,33

lic handels- en consulaire wetenschappen

9

4,25

3

3,90

1

1,56

5

10,42

ingenieur

7

3,30

1

1,30

1

1,56

5

10,42

lic letteren en wijsbegeerte

5

2,36

2

2,60

1

1,56

0

 

lic administratieve wetenschappen

2

0,94

0

 

2

3,13

0

 

lic economische wetenschappen

2

0,94

0

 

0

 

1

2,08

lic zeerecht

1

0,47

0

 

0

 

1

2,08

lic criminologie

1

0,47

0

 

0

 

1

2,08

lic verzekeringswetenschappen

1

0,47

0

 

0

 

1

2,08

kandidaatsdiploma

8

3,77

1

1,30

0

 

5

10,42

 

Tabel 2.11. Aantal universitarie diploma's van de kamerleden in 196183

aantal diploma's

Kamer

CVP-PSC

BSP-PSB

Liberale Partij

aantal

%

aantal

%

aantal

%

aantal

%

geen universitair diploma

106

50,00

37

48,05

45

70,31

16

33,33

1 diploma

71

33,49

21

27,27

16

25,00

23

47,92

2 dipoma's

24

11,32

12

15,58

3

4,69

5

10,42

3 diploma's

10

4,72

7

9,09

0

 

3

6,25

4 diploma's

2

0,94

0

 

0

 

2

4,17

 

 

2.7. Beroep

 

Aangezien de doctors in de rechten de grootste groep universitair geschoolden waren, is het niet verwonderlijk dat advocaten de grootse beroepsgroep waren in de Kamer. Meer dan een vijfde van de kamerleden was als advocaat werkzaam. De tweede groep van de kamerleden had een functie in de verscheidene sociale organisaties, uiteraard met eenzelfde politieke kleur als hun partij. De andere bedienden waren de derde beroepscategorie in de Kamer.

 

Tabel 2.12. Beroep van de kamerleden in 1958[84]

beroep

Kamer

CVP-PSC

BSP-PSB

Liberale Partij

aantal

%

aantal

%

aantal

%

aantal

%

ambtenaar

5

2,36

2

1,92

2

2,38

1

4,76

arbeider

1

0,47

0

 

1

1,19

0

 

bediende

26

12,26

10

9,62

15

17,86

1

4,76

bedrijfsleider

15

7,08

10

9,62

2

2,38

3

14,29

ingenieur

5

2,36

1

0,96

2

2,38

1

4,76

journalist

9

4,25

1

0,96

7

8,33

1

4,76

landbouwer

4

1,89

3

2,88

1

1,19

0

 

maatschappelijk assistent

11

5,19

7

6,73

4

4,76

0

 

onderwijs: a) universitair

9

4,25

5

4,81

3

3,57

1

4,76

                   b) middelbaar

8

3,77

3

2,88

4

4,76

1

4,76

                   c) lager

13

6,13

4

3,85

7

8,33

1

4,76

sociale organisatie

34

16,04

14

13,46

18

21,43

2

9,52

vrije beroepen: a) advocaat

48

22,64

31

29,81

9

10,71

7

33,33

                          b) architect

1

0,47

0

0,00

1

1,19

0

 

                          c) dokter

3

1,42

0

 

2

2,38

1

4,76

                          d) notaris

1

0,47

1

0,96

0

 

0

 

                          e) veearts

2

0,94

2

 

0

 

0

 

zelfstandige

3

1,42

2

1,92

1

1,19

0

 

geen info

14

6,60

8

7,69

5

5,95

1

4,76

 

In de CVP-PSC-fractie van 1958 waren de advocaten de grootste beroepsgroep. Bij de socialisten waren de bedienden, zowel die in een sociale organisatie en in een particulier bedrijf in de meerderheid. Pas op de derde plaats kwamen de advocaten. Een categorie die specifiek bij de socialistische fractie was vertegenwoordigd, waren de journalisten. Zeven van de negen journalisten in de Kamer waren lid van de socialistische fractie. De enige arbeider in de Kamer was een socialistische volksvertegenwoordiger. Een derde van de liberale fractie was advocaat. Het aantal advocaten van de liberale fractie was in verhouding veel groter dan in de gehele Kamer.

 

In 1961 bleven de advocaten op de eerste plaats staan maar verloren een tweetal procent. De bedienden uit de particuliere sector die fors stegen, wipten over hun collega’s uit de sociale organisaties. Net als in 1958 waren de advocaten de grootste beroepsgroep in de katholieke fractie. Bij de socialisten wisselden de bedienden uit de sociale organisaties en die uit de particuliere sector van plaats. Het aantal journalisten steeg nog tegenover 1958. De advocaten waren sterk ondervertegenwoordigd. In de liberale fractie waren er drie beroepscategorieën met meer dan één lid. Het aantal advocaten in de liberale fractie van 1961 bleef zeer groot. Verhoudingsgewijs waren er veel meer bedrijfsleiders en ingenieurs bij de liberalen dan bij de rest van de Kamer.

 

Tabel 2.13. Beroep van de kamerleden in 196184

beroep

Kamer

CVP-PSC

BSP-PSB

Liberale Partij

aantal

%

aantal

%

aantal

%

aantal

%

ambtenaar

6

2,83

3

3,13

2

2,38

0

 

arbeider

2

0,94

0

 

1

1,19

0

 

bediende

37

17,45

14

14,58

21

25,00

1

5,00

bedrijfsleider

15

7,08

8

8,33

1

1,19

4

20,00

ingenieur

8

3,77

1

1,04

2

2,38

2

10,00

journalist

12

5,66

2

2,08

9

10,71

1

5,00

landbouwer

4

1,89

3

3,13

1

1,19

0

 

maatschappelijk assistent

10

4,72

5

5,21

5

5,95

0

 

onderwijs: a) universitair

7

3,30

4

4,17

3

3,57

0

 

                   b) middelbaar

8

3,77

4

4,17

3

3,57

1

5,00

                   c) lager

12

5,66

4

4,17

6

7,14

1

5,00

sociale organisatie

29

13,68

13

13,54

15

17,86

1

5,00

vrije beroepen: a) advocaat

44

20,75

28

29,17

8

9,52

7

35,00

                          b) apotheker

1

0,47

1

1,04

0

 

0

 

                          c) dokter

3

1,42

0

 

1

1,19

1

5,00

                          d) notaris

1

0,47

0

 

1

1,19

0

 

                          e) veearts

1

0,47

0

 

1

1,19

0

 

zelfstandige

4

1,89

2

2,08

1

1,19

0

 

geen info

8

3,77

3

3,13

4

4,76

1

5,00

 

In 1965 was het beroep van advocaat wederom het meest in de Kamer vertegenwoordigd. Er was een lichte stijging van de advocaten tegenover 1961 maar het aantal van 1958 werd niet bereikt. Het aantal bedienden uit de particuliere sector daalde zeer sterk. Hierdoor kwamen de bedienden uit de sociale organisaties op de tweede plaats niettegenstaande ook het aantal van deze groep daalde. Tegenover 1961 verdubbelde het aantal leerkrachten uit het middelbaar onderwijs bijna.

 

Tegenover 1961 was het aantal advocaten en bedienden gedaald. De advocaten bleven de grootste groep. Het aantal bedrijfsleiders en vooral de leerkrachten uit het middelbaar onderwijs waren gestegen. Bij de socialisten was het aandeel bedienden uit sociale organisaties nog toegenomen. Bijna één op vier socialistische kamerleden zat in deze groep. De tweede beroepsgroep waren de andere bedienden. De twee categorieën bedienden waren in de socialistische fractie duidelijk oververtegenwoordigd. In de PVV-PLP-fractie bleven de advocaten de grootste beroepsgroep. Maar tegenover 1961 was deze groep sterk gedaald. Het aantal bedrijfsleiders was gestegen. De bedrijfsleiders en de ingenieurs bleven oververtegenwoordigd bij de liberale fractie.

 

Tabel 2.14. Beroep van de kamerleden in 195884

beroep

Kamer

CVP-PSC

BSP-PSB

Liberale Partij

aantal

%

aantal

%

aantal

%

aantal

%

arbeiders

3

1,42

0

 

1

1,56

0

 

ambtenaren

4

1,89

2

2,60

1

1,56

1

2,08

bedienden

24

11,32

8

10,39

13

20,31

1

2,08

bedrijfsleiders

20

9,43

7

9,09

1

1,56

11

22,92

ingenieurs

7

3,30

0

 

2

3,13

5

10,42

journalisten

11

5,19

3

3,90

6

9,38

1

2,08

landbouwer

1

0,47

1

1,30

0

 

0

 

maatschappelijk assistent

3

1,42

2

2,60

1

1,56

0

 

onderwijs: a) universitair

9

4,25

4

5,19

3

4,69

1

2,08

                   b) middelbaar

13

6,13

6

7,79

3

4,69

1

2,08

                   c) lager

11

5,19

4

5,19

6

9,38

1

2,08

sociale organisatie

27

12,74

10

12,99

15

23,44

2

4,17

vrije beroepen: a) advocaat

47

22,17

20

25,97

8

12,50

13

27,08

                          b) dokter

7

3,30

1

1,30

0

 

2

4,17

                          c) notaris

3

1,42

1

1,30

1

1,56

1

2,08

                          d) veearts

3

1,42

1

1,30

0

 

2

4,17

zelfstandigen

10

4,72

4

5,19

0

 

4

8,33

geen info

9

4,25

3

3,90

3

4,69

2

4,17

 

 

2.8. Lokale mandaten

 

In 1958 cumuleerde ongeveer twee derden van de kamerleden hun nationaal mandaat met een gemeentelijk. Het meest voorkomende gemeentelijk mandaat was dat van gewoon gemeenteraadslid. Iets meer dan één op de vijf kamerleden was burgemeester. De katholieke volksvertegenwoordigers cumuleerden het minst van heel de Kamer. Iets minder dan de helft had geen lokaal mandaat. De socialisten daarentegen waren de kampioen van de cumul in 1958. De gewone gemeenteraadsleden en de burgemeesterscategorie waren tegenover het kamergemiddelde oververtegenwoordigd. De liberalen hadden verhoudingsgewijs veel mandaatlozen en weinig gewone gemeenteraadsleden.

 

Tabel 2.15. Lokale mandaten van de kamerleden in 1958, 1961 en 1965[85]

jaar

mandaat

Kamer

CVP-PSC

BSP-PSB

Liberale Partij

aantal

%

aantal

%

aantal

%

aantal

%

1958

burgemeester

46

21,70

19

18,27

23

27,38

5

23,81

 

schepen

38

17,92

17

16,35

13

15,48

5

23,81

 

gemeenteraadslid

51

24,06

19

18,27

28

33,33

3

14,29

 

geen lokaal mandaat

77

36,32

49

47,12

20

23,81

8

38,10

1961

burgemeester

44

20,75

16

16,67

22

26,19

4

20,00

 

schepen

33

15,57

17

17,71

13

15,48

2

10,00

 

gemeenteraadslid

61

28,77

20

20,83

32

38,10

6

30,00

 

geen lokaal mandaat

74

34,91

43

44,79

17

20,24

8

40,00

1965

burgemeester

53

25,00

15

19,48

23

35,94

13

27,08

 

schepen

30

14,15

12

15,58

11

17,19

5

10,42

 

gemeenteraadslid

73

34,43

19

24,68

23

35,94

19

39,58

 

geen lokaal mandaat

56

26,42

31

40,26

7

10,94

11

22,92

 

De lokale betrokkenheid van de kamerleden nam licht toe in 1961. Wel daalde het aantal burgemeesters en schepenen. De stijging van de cumul was dus volledig te danken aan de stijging van het aantal gemeenteraadsleden. De lokale betrokkenheid van de katholieke fractie nam toe maar bleef de minste van de drie fracties. Ook in de socialistische fractie steeg de lokale cumul. Vier op vijf socialistische kamerleden was actief in de gemeentepolitiek. De stijging zat volledig bij de groep van gewoon gemeenteraadslid. De BSP-PSB-fractie had verhoudingsgewijs veel meer burgemeesters en gemeenteraadsleden dan de rest van de Kamer. Bij de liberalen daalde vooral het aantal schepenen. Het aantal gewone gemeenteraadsleden verdubbelde.

 

De stijging van de lokale betrokkenheid werd in 1965 doorgetrokken. Het aantal schepenen bleef evenwel dalen. De grootste groei zat in de groep van de gemeenteraadsleden. Maar ook het aantal burgemeesters steeg. Eén op vier kamerleden was burgemeester. De CVP-PSC-fractie had nog altijd in vergelijking met de andere twee fracties het minst aantal lokale mandatarissen. De socialistische fractie was zoals bij de twee vorige verkiezingen de fractie met het grootste aantal lokale mandatarissen. De lokale betrokkenheid was zelfs nog relatief gestegen. Vooral het aantal burgemeesters was sterk gegroeid. De liberale fractie wist haar lokale betrokkenheid gevoelig uit te breiden. Vooral het aantal burgemeesters en het aantal gemeenteraadsleden waren gegroeid.

 

 

2.9. Parlementaire ervaring en vernieuwing

 

Ongeveer een vierde van de kamerleden zetelde voor de verkiezing van 1958 reeds tussen de acht en elf jaar. Een ander vierde zetelde reeds tussen de twaalf en vijftien jaar. In 1958 werden 16,51% nieuwe volksvertegenwoordigers verkozen. In het algemeen verschilde de parlementaire ervaring van de twee grootste fracties niet zozeer van die van de Kamer. De socialistische fractie zat iets boven het gemiddelde, de katholieke iets eronder. Hetzelfde gold voor de vernieuwing bij die twee parlementaire groepen. De liberale fractie was in haar geheel de minst ervaren van de drie. Dit kwam door de grotere vernieuwing bij die fractie.

 

Tabel 2.16. Parlementaire ervaring van de kamerleden in 1958, 1961 en 1965[86]

jaar

ervaring

Kamer

CVP-PSC

BSP-PSB

Liberale Partij

aantal

%

aantal

%

aantal

%

aantal

%

1958

0 - 3j

46

21,70

23

22,12

16

19,05

7

33,33

 

4 - 7j

23

10,85

9

8,65

12

14,29

3

14,29

 

8 - 11j

52

24,53

25

24,04

21

25,00

3

14,29

 

12 - 15j

55

25,94

33

31,73

18

21,43

3

14,29

 

>15j

36

16,98

14

13,46

17

20,24

5

23,81

1961

0 - 3j

68

32,08

28

29,17