| Degeneratie als thema van het fin de siècle. Op zoek naar een literaire vertaling in het Vlaamse Proza. (Jef Vandermosten) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
1 De degeneratietheorie en haar verspreiding
Dit eerste deel is opgevat als een inleiding in het degeneratiedenken. De methode is een vergelijkende literatuurstudie, enkele hoofdstukken en artikels[1] worden naast elkaar gelegd en hierbij wordt gezocht naar enkele constanten. Deze benadering lijkt nodig omdat het degeneratieconcept moeilijk te herleiden is tot een eenduidige theorie, het is van toepassing op verschillende kennisdomeinen en daardoor moeilijk te definiëren. Aan het eind van de negentiende eeuw had degeneratie zowel betrekking op het wetenschappelijke als op het maatschappelijke en artistieke discours, het kwam zowel voor in medische publicaties als in sociale debatten en fictieve verhalen. Net als het degeneratieconcept zelf is de literatuur over degeneratie niet eenduidig. Een evaluatie van de secundaire literatuur is daardoor niet altijd even eenvoudig, verschillende werken selecteren verschillende wetenschappers en benadrukken verschillende momenten in de ontwikkeling van hun theorieën. De opzet is om hier een synthese te geven van dit veelzijdige beeld, een overzicht van de algemene ontwikkeling van het degeneratiebegrip binnen de maatschappelijke en culturele context van het fin de siècle. Constanten in de waargenomen ontwikkeling zijn dan de veralgemening van de degeneratietheorie, de verhouding tot het vooruitgangsgeloof en de medicalisering van het publieke discours. Een opvallende tendens ten slotte is de verhouding tussen het publieke en het artistieke discours, in bepaalde artistieke kringen werd het medisch-wetenschappelijke degeneratiebegrip omgedraaid en gecultiveerd als een vorm van decadentie.
1.1 Het degeneratieparcours
Het degeneratiebegrip stamt uit de natuurwetenschappen, het werd voor de eerste keer gehanteerd in de achttiende eeuw door de Franse natuuronderzoeker Georges de Buffon ter aanduiding van een positieve fysische reactie op omgevingsfactoren. Degeneratie in deze zin kan alleen negatief uitdraaien in een ongezond milieu of een ongezond klimaat, zo is bijvoorbeeld de mensheid gedegenereerd door te verhuizen van een gematigd klimaat in het noordwesten naar extremere klimaten rond de evenaar. Tegenover deze acclimatisatietheorie stond de theorie van de Franse intellectueel Joseph de Gobineau. Het gobinisme of polygenisme negeert omgevingsfactoren en herleidt de verschillen tussen organismen tot hun differentiële oorsprong, zo is bijvoorbeeld het superieure blanke ras gedegenereerd door kruising met andere inferieure rassen. Het is deze degeneratietheorie die later zou worden verdedigd door antropologen en die voornamelijk in Duitsland de basis zou vormen van nationaal-socialistische rassentheorieën.[2]
Het degeneratiebegrip duikt terug op in de negentiende eeuw, maar in een andere discipline en met een nieuwe betekenis. Het betreft hier het werk van Bénédict Augustin Morel. Deze Franse arts werd geïnspireerd door enkele medische studies naar de behandeling van het cretinisme, een vorm van dwerggroei veroorzaakt door de schildklier. Morel was hierbij vooral geïnteresseerd in de vraag naar de mogelijke oorzaken van deze aandoening; men erkende ofwel een armoedige ondergrond (omgevingsfactoren) ofwel een zwakke constitutie (erfelijkheid).[3] Onder invloed van recent onderzoek naar de werking van erfelijkheid, zoals de erfelijkheidswetten voor het eerst geformuleerd door doctor Prosper Lucas in 1847, helde Morel over naar de tweede hypothese: het cretinisme is als aandoening een geval van degeneratie en in die hoedanigheid erfelijk overdraagbaar. In zijn eigen studie, Traité des dégénérescenses physiques, intellectuelles et morales de l’espèce humaine (1857), nam Morel het cretinisme op als instantie van een bredere raciale en historische degeneratie. Zowel op fysiek als op moreel en intellectueel vlak nam hij verschillende gevallen van degeneratie waar, vaststellingen die moesten wijzen op een algemene ontaarding van het Franse volk en de Franse natie. Deze invalshoek is paradoxaal en, zoals verder nog zal blijken, typerend voor het degeneratieconcept: enerzijds een verbreding van het degeneratiebegrip tot de hele samenleving, anderzijds een verenging door de toespitsing op gevallen van degeneratie.
Het degeneratieconcept van Morel werd verder uitgewerkt en gepopulariseerd door zijn volgelingen. Vooral de aanvullingen van de Franse arts Valentin Magnan waren belangrijk bij de overlevering. Magnan interpreteerde degeneratie niet langer zoals Morel als een afwijking van een volmaakt (goddelijk) type, maar als een afwijking van een normaal evolutiepatroon.[4] Dit evolutiepatroon ontleende hij aan de Franse evolutionist Jean Baptiste Lamarck. Lamarck had de evolutieleer van Darwin aangevuld met de hypothese dat verworven eigenschappen overerfbaar zouden zijn; ‘struggle for existence’ werd zo gepreciseerd en vervangen door ‘survival of the fittest’.[5] Maar de positieve vooruitzichten van de oorspronkelijke evolutieleer bleven bewaard, in het lamarckisme bleef de mens bevoordeeld in de evolutie. De mens is namelijk in staat om verworven eigenschappen door te geven aan het nageslacht. Hierdoor zal dit nageslacht zich steeds beter kunnen aanpassen aan veranderende levensomstandigheden en zo uiteindelijk volledig in harmonie leven met zijn omgeving. Maar het neo-lamarckisme van Magnan spreekt niet van een vervolmaking van het evolutiepatroon, maar van een afwijking van het evolutiepatroon. De degeneratietheorie gaat namelijk uit van een deficiëntie in het erfelijkheidssysteem waardoor de mens in plaats van goede alleen nog maar slechte eigenschappen kan doorgeven. Dit degeneratieproces kent een progressief verloop, aandoeningen worden in steeds sterkere mate overgedragen en veroorzaken verwante ziektebeelden. Men spreekt van een opeenstapeling van morbide elementen, na een aantal generaties zou degeneratie resulteren in steriliteit en uitsterving.
Aan het eind van de negentiende eeuw werd het degeneratiebegrip in medische kringen gedefinieerd als een door milieufactoren ingezette en vervolgens intergenerationeel overgeërfde achteruitgang.[6] Het degeneratieproces werd volgens artsen door milieufactoren zoals voeding en klimaat op gang gebracht en door erfelijkheid in stand gehouden, hierbij maakte men een onderscheid tussen twee vormen van erfelijkheid[7]: hérédité de similitude waarbij kinderen kenmerken van hun ouders overerven en hérédité de transformation waarbij kinderen andere kenmerken dan die van hun ouders overerven. Het is deze laatste indirecte vorm van erfelijkheid, volgens de erfelijkheidswetten van Lucas (1847) ook wel atavisme genoemd, die door artsen en wetenschappers een belangrijke rol werd toegekend in het degeneratieproces. [8] Het kind zou via zijn ouders kenmerken overerven van verre voorouders, eigenschappen die in een bepaald geslacht latent aanwezig zijn gebleven en zich nu door een samenloop van omstandigheden terug manifesteren. Binnen het degeneratieconcept kunnen zo ook bevolkingsgroepen als atavistisch worden gekarakteriseerd, inferieure rassen of lagere klassen kunnen de vergelijking met dierlijke of primitief menselijke voorstadia doorstaan. Degeneratie wordt in deze zin letterlijk geïnterpreteerd als een achteruitgang, de gedegenereerde valt als het ware terug in een vroegere evolutiefase. Erfelijkheid is in de degeneratietheorie duidelijk de sleutelterm en in dit opzicht ook een zelfreproducerende kracht[9], zowel de oorzaak als het effect van degeneratie.
1.2 Het vooruitgangsgeloof
Het degeneratieconcept lijkt op het eerste zicht niet te passen binnen het negentiende-eeuwse wereldbeeld, de negentiende eeuw was namelijk de eeuw van de vooruitgang. Door de industriële en economische expansie en de successen van de natuurwetenschappen en de geneeskunde zag men de toekomst van de mensheid positief in, er waren geen redenen om te twijfelen aan het menselijke kunnen en de menselijke mogelijkheden. Dit optimisme werd verder bevestigd door de eerste evolutietheorieën, waaronder het darwinisme en het lamarckisme. Darwins evolutieleer, voor het eerst verkondigd in On the origin of species (1859), geeft het beeld van een dynamische wereld in evolutie waarbij de mens volgens natuurlijke selectiemechanismen is geëvolueerd tot de bekroning van de schepping, de natuurlijke orde bevestigt als het ware de superioriteit van de mens. In de evolutieleer lijkt de mens bevoordeeld in de evolutie, terwijl in de degeneratietheorie de mens juist lijkt benadeeld door de evolutie. Maar degeneratie werd wel degelijk geconceptualiseerd binnen de evolutieleer[10], zo blijkt toch uit de geschetste evolutie van het degeneratiebegrip. Hiervoor was dan ook een concrete maatschappelijke aanleiding, wetenschappers werden geconfronteerd met een toenemend aantal ziektegevallen en een terugvallende economie[11] en dit leidde tot de veronderstelling dat civilisatie naast vooruitgang ook achteruitgang zou kunnen veroorzaken. Het vooruitgangsgeloof, inherent aan de eerste evolutietheorieën, werd nu in vraag gesteld en men ging twijfelen aan vroegere maatschappelijke idealen en waarschuwen voor de gevaren van overbeschaving en de daarmee gepaarde overmoed.
De negatieve impact van de degeneratietheorie en de positieve vooruitzichten van de evolutieleer staan dus slechts in schijnbaar contrast met elkaar. In feite zijn het twee uitersten van eenzelfde vertoog. Juist het geloof in een verbetering van de mensheid en de hoop op een betere samenleving zorgden voor de vrees dat deze geleidelijke vooruitgang zou worden onderbroken. Daarbij werd vooral de ondergraving van het systeem door de degeneratie van het eigen volk en de eigen natie gevreesd.[12] Het oorspronkelijke degeneratiebegrip waarschuwt nog voor externe factoren. Zo zou het blanke ras degenereren door te verhuizen naar warmere klimaten of door kruising met andere inferieure rassen. Maar het degeneratiebegrip zoals we dat kennen bij Morel benadrukt vooral interne gevaren: de dreiging van degeneratie gaat vooral uit van achteropgestelde volkeren in eigen land, zoals het stedelijke proletariaat of de verpauperde plattelandsbevolking. Vandaar de noodzaak om steeds meer kenmerken en oorzaken van degeneratie op te sporen en vast te leggen. Door allerlei fenomenen met degeneratie te benoemen werd de angst voor ontaarding overzichtelijk en controleerbaar. Morel was zowat de eerste die een lijst met degeneratiekenmerken aanlegde en, samen met de popularisering van het degeneratiebegrip, dijde deze lijst steeds verder uit. Opvallend hierbij is de betekenisverbreding. Alles wat niet spoorde met het algemene schoonheidsideaal of de algemene moraal werd op den duur als een teken van degeneratie beschouwd. Parallel hiermee herkende men in de maatschappij ook steeds meer aanleidingen tot en oorzaken van degeneratie.[13] Het lijkt wel alsof het degeneratiebegrip naast een medische ook een cultuurkritische betekenis had gekregen en een soort verzamelnaam was geworden voor elk maatschappelijk ongenoegen.
De maatschappelijke relevantie van het degeneratiebegrip zien we duidelijk als we nagaan waar het degeneratiebegrip zoal werd toegepast: in de algemene geneeskunde bij de behandeling van ziektegevallen, in de psychiatrie bij de diagnose van ongeneeslijke aandoeningen, in de fysische antropologie bij de beschrijving van rassenkenmerken en in de criminele antropologie bij de classificatie van misdadigers. Hier schuilt weer de paradox: terwijl het degeneratieconcept steeds specifieker werd toegepast, kreeg de betekenis een steeds bredere invulling. Deze betekenisverbreding zien we dan weer duidelijk in het populaire debat waar het degeneratieconcept door politici, journalisten, historici en literatoren werd gebruikt om allerlei maatschappelijke fenomenen te duiden. Omwille van het wetenschappelijke karakter ging het degeneratiebegrip behoren tot de geleerde woordenschat, het werd een vorm van wereldse kennis, essentieel om te kunnen meepraten over de staat van de wereld. In dit bredere discours is het belangrijk een onderscheid te maken tussen het taalgebruik en de taalreferenten. Het degeneratieconcept had betrekking op bestaande menselijke en sociale problemen, maar de taal waarin het degeneratieconcept vorm kreeg werkte vertekenend. [14] Het gevolg is de onmogelijkheid tot kritische reflectie. Men plaatste verschillende uiteenlopende fenomenen onder eenzelfde noemer en zocht dan zo naar een gemeenschappelijke verklarende kracht.
1.3 Het medische discours
Het is ondertussen duidelijk geworden dat de degeneratietheorie een nieuw interpretatiekader bood en een handige oorzakenleer gaf voor verschillende maatschappelijke problemen en dat het daarin zeer succesvol was, getuige de brede toepassing van het degeneratiebegrip in verschillende disciplines. Nu blijft alleen de vraag waar de degeneratietheorie haar overtuigingskracht haalde? Het degeneratiebegrip behoorde oorspronkelijk tot de wetenschappelijke terminologie, het circuleerde eerst in medische kringen voordat het doordrong tot het bredere maatschappelijke debat. Misschien moet de vraag daarom anders worden geformuleerd en moeten we ons afvragen waarom het wetenschappelijke degeneratiediscours zo overtuigend werd overgenomen door het publieke discours?
Het succes van de medische terminologie hangt samen met de successen die de medische wetenschap in de loop van de negentiende eeuw wist te boeken. De bacteriologie ontwikkelde zich in een snel tempo zodat in een aantal decennia tijd heel wat besmettelijke ziektes beter konden worden opgespoord en behandeld. Een gevolg was de professionalisering van de gezondheidszorg. Er konden nu plots heel wat meer mensen genezen worden en dit verhoogde de inzet van het aantal middelen bij de behandeling van ziektes. Een ander gevolg was het toenemende prestige van de discipline. Door hun expertise in de behandeling van ziektes konden artsen nu als autoriteiten optreden op het vlak van ziekte en gezondheid. Dit verhoogde hun maatschappelijke betrokkenheid: artsen hielden zich nu zowel bezig met de gezondheid van de burgers als met de gezondheid van het ras of de natie, de zgn. nationale gezondheid. De medische metaforiek lag voor de hand: al verschillende eeuwen werd de samenleving vergeleken met een individu en het maatschappelijke lichaam omschreven als ziek of gezond, zij die maatschappelijke of politieke verantwoordelijkheid droegen werden dan arts genoemd. Het duurde echter tot de 19e eeuw vooraleer artsen zelf politieke verantwoordelijk claimden en inspraak eisten in maatschappelijke dossiers, zoals de nationale gezondheidszorg. Hierbinnen past de uitbouw van de hygiënistische beweging, een initiatief om via publieke campagnes en preventieve maatregelen het volk aan te manen hygiënisch en dus gezond te leven De beïnvloeding door artsen gebeurde ook in omgekeerde richting. Politici lieten vaak hun kennis van medische rapporten en fysiologische traktaten meespelen in de besluitvorming. Kortom, het leek wel alsof aan de basis van elke reflectie over maatschappelijke ontwikkeling een natuurwetenschappelijk element diende te liggen.[15]
De medicalisering van het maatschappelijke debat was een voorwaarde voor het ontstaan van een klinische kijk op de samenleving, de idee dat de politiek de samenleving kan veranderen en zelfs verbeteren. De verspreiding van de degeneratietheorie betekende op dit vlak een keerpunt. Het succes van de medische metaforiek had hier niet alleen te maken met de autoriteit van wetenschappelijke theorieën of de expansiedrang van artsen. De degeneratietheorie viel samen met bredere maatschappelijke bewegingen en algemene culturele stromingen, zoals het programma van de hygiënistische beweging en de organische metaforiek van de romantiek. In beide gevallen is er sprake van een idealisering, een vooropstelling van een ideale samenleving uit angst voor maatschappelijke desintegratie en uit verlangen naar orde en evenwicht.[16] Dus zowel de verspreiding van het degeneratiebegrip als de medicalisering van de maatschappij gebeurden vanuit eenzelfde tendens, met name de angst voor een verstoring van de maatschappelijke orde. Net als het degeneratiebegrip diende de medicalisering trouwens als een middel tot sociale differentiatie, het proletariaat gold door zijn onhygiënische en losbandige levensstijl als een bedreiging voor het welzijn van andere bevolkingsgroepen. De medische instanties moesten dus met andere woorden een ontaarding van de sociale werkelijkheid helpen voorkomen. De hygiënistische beweging zag zo zijn uitgangspunten bevestigd, tegelijkertijd werd de geneeskunde wetenschappelijk onderbouwd en wekte de gezondheidszorg steeds hogere verwachtingen.[17]
Binnen dit kader past de hevige strijd tegen alcoholisme, tuberculose en syfilis. Door deze drie ziektes uit te roeien hoopte men de maatschappij van haar eigen overbeschaving te genezen. Deze beschavingsziektes staan ook centraal in het degeneratievertoog, ze werden gezien als de voornaamste oorzaken van degeneratie.[18] In de eerste plaats zijn het stedelijke ziektes, de stad werd beschouwd als een ongezonde woonplaats omwille van het gebrek aan hygiëne en de hoge concentratie aan kroegen en bordelen. In de tweede plaats zijn het ziektes met expansiedrang, de ziektes zouden besmettelijk zijn en het zuivere platteland bedreigen door de toegenomen mobiliteit van de bevolking. Bovendien zou de verspreiding van de ene ziekte de ontwikkeling van de andere twee ziektes in de hand werken. Men veronderstelde een heel netwerk van relaties tussen de drie ziektes. Zo was het in medische kringen algemeen aanvaard dat alcoholgebruik een nefaste invloed zou hebben op de ontwikkeling van tuberculose. Rechtstreeks zou alcoholisme leiden tot een zwakkere immuniteit en onrechtstreeks tot verslechterde levensomstandigheden, allemaal factoren die een aantasting van de longen en dus ook de ontwikkeling van tuberculose in de hand werken. Als effect dacht men dan vooral dat alcoholisme tot acute en meer complexe gevallen van tuberculose zou leiden en dat er bij nakomelingen meer kan zou zijn dat er tuberculose zou optreden. Het verband tussen alcoholisme en syfilis, de meest voorkomende geslachtsziekte, werd ook algemeen aangenomen. Alcoholgebruik zou in de eerste plaats een indirecte invloed hebben: in benevelde toestand gaat men zich onvoorzichtig gedragen en hierdoor vergroot het risico op besmetting. Maar men erkende ook een directe invloed: alcoholgebruik tast het immuniteitssysteem en maakt de alcoholgebruiker ontvankelijker voor besmettelijke ziektes. Onder invloed van alcohol kent syfilis net als tuberculose een progressief verloop en vergroot de kans dat nakomelingen syfilis zullen krijgen. Het verband tussen tuberculose en syfilis was minder voor de hand liggend. Opvallend is wel dat men aan de drie ziektes dezelfde immorele oorzaken toekende: drankmisbruik en seksuele uitspattingen, de kroeg en het bordeel zag men als de belangrijkste besmettingsbron.
Alcoholisme, tuberculose en syfilis werden nadrukkelijk verbonden met de degeneratietheorie, ze werden beschouwd als duidelijke manifestaties van een lichamelijke en geestelijke ontaarding en in die hoedanigheid ook als erfelijk overdraagbaar. Bovendien werden ze ook nog eens beschouwd als de aanleiding tot krankzinnigheid en criminaliteit, algemeen erkende tekens van de gevreesde culturele crisis.[19] Meer nog dan alcoholgebruik zag men syfilis als een directe aanleiding tot hersenverweking en nog vele andere psychische aandoeningen. Het verband tussen alcoholisme en criminaliteit was zo goed als vanzelfsprekend. Alcoholgebruik zou de gemoederen verhitten en rechtstreeks aanzetten tot misdadig gedrag, het zou ook kunnen verarmen en zo onrechtstreeks aanzetten tot diefstal en misbruik van vertrouwen. Ook tuberculose erkende men als een verklaring voor crimineel gedrag. De ziekte zou zorgen voor gemoedswisselingen en seksuele hyperactiviteit en hierdoor de zieke aanzetten tot ongecontroleerd en onbehoorlijk gedrag.
Wat is nu de moraal van de drie plagen? [20] In de praktijk werden artsen geconfronteerd met een stijgend aantal zieken, krankzinnigen en criminelen. Hierin zagen ze een bevestiging van de gevreesde nationale en raciale degeneratie. De fanatieke bestrijding van de drie ziektes was een bezwering van hun angsten voor maatschappelijke ontregeling. Artsen, en bij uitbreiding de hygiënistische beweging, predikten de matigheidsmoraal. Men waarschuwde voor de gevaren van excessief gedrag, problemen zoals alcoholisme en prostitutie die zo men dacht vooral het stedelijke proletariaat aanbelangden. Ook soldaten werden met excessief gedrag geassocieerd. Het leger gold als maatstaf van de nationale gezondheid en hun fysieke en morele achteruitgang zag men als symptomatisch voor een bredere maatschappelijke degeneratie.[21] Daarnaast hanteerde men de moraal van de schuld en de onschuld. Patiënten hadden zelf schuld aan hun ziekte als ze zich bezondigd hadden aan immoreel gedrag. Dit lag anders voor hun kinderen, die waren erfelijk belast en van nature fysiek en moreel zwak. Tegenover de slechte vrouw of de prostituee stond de goede vrouw of de vrouw die plichtsgetrouw haar huishoudelijke taken vervult. Voor haar was een belangrijke rol in het regeneratieproces weggelegd, als moeder was zij de natuurlijke behoedster van het ras en als huisvrouw had zij de taak de hygiënistische leefregels uit te dragen. Nu door de onschuld van sommige ziektedragers aan te halen, benadrukte men nog meer de schuld van andere ziektedragers. Artsen konden de schuldvraag moeilijk negeren, in de uitbouw van de hygiënistische beweging traden ze dan ook op als publieke moralisten.[22] De strijd van de artsen werd namelijk niet alleen gevoerd voor een verbetering van de openbare gezondheid, maar ook voor een morele regeneratie van het volk en de natie.[23] Men kan zich hierbij niet van de indruk ontdoen dat de degeneratietheorie werd gehanteerd om bestaande conservatismen te legitimeren, men nam de superioriteit van het mannelijke geslacht en de hogere westerse beschaving al te gemakkelijk als uitgangspunt.[24]
1.4 De beschavingskritiek
De toepassing van de medische metaforiek bleef niet beperkt tot de hygiënistische beweging. Net zoals het degeneratiediscours had het medische vertoog een effect op de verbeelding van de negentiende-eeuwse burger, bijvoorbeeld de historicus. Medici presenteerden zichzelf graag als historici, hun epidemiegeschiedenissen zagen ze als beschavingsgeschiedenissen. Omgekeerd vergeleken historici zich minder vaak met medici, de toegenomen aandacht voor de bronnenkritiek deed de verwetenschappelijking van hun discipline een andere richting uitgaan. Toch zijn er parallellen met andere aspecten van de verwetenschappelijking. Want net zoals de medische wetenschap die door de bestrijding van besmettelijke ziektes de blik verruimde van het individu tot de samenleving en het ras, zo raakte ook de geschiedenis gesocialiseerd. Dit in de zin dat men in de geschiedschrijving meer aandacht ging besteden aan de vorming van sociale entiteiten zoals de samenleving, de natie, het volk en het ras.[25] Die entiteiten werden begrepen als organismen en men ging dieper in op die momenten waarin hun lichaam in gevaar was geweest. In postrevolutionair Europa hechtte men veel belang aan de impact van de Franse revolutie. In navolging van het werk van de Franse intellectueel Hippolyte Taine werd een revolutie begrepen als een crisis en in die zin ook als een omslagpunt in het ziekteproces van een natie. Men zag een revolutie als een soort aderlating, een pijnlijke – maar korte – periode waarna de juiste maatschappelijke verhoudingen terug hersteld kunnen worden.[26]
In een tweede fase van de gemedicaliseerde geschiedschrijving zocht men naar dieper liggende en verder dragende verstoringen van het nationale lichaam, in die zin werd het degeneratieconcept van Morel aangegrepen om het verval van hele sociale entiteiten te analyseren.[27] Een voorbeeld was de theorie van de Brusselse historicus en antropoloog Leon Vanderkindere, volgens hem had de geschiedenis van Vlaanderen het Vlaamse ras verarmd en een negatieve natuurlijke selectie tot stand gebracht. Een ander concept was neurasthenie, geïntroduceerd door de Franse socioloog Emile Durkheim.[28] Neurasthenie werd gezien als symptoom en synoniem van het degeneratiebegrip en als dusdanig een typisch fenomeen van de moderne beschaving. Deze pathologie werd gekenmerkt door hoge prikkelbaarheid en mateloze zenuwachtigheid en werd volgens geleerden veroorzaakt door een epidemische bloedarmoede, als gevolg zag men het optreden van alcoholisme, misdaad, waanzin en zelfmoord.[29]
Het uitgangspunt van de discussie was cultuurkritisch: de vooruitgang had bij velen de drang naar steeds meer kennis doen ontwaken. De diagnose was dan weer medisch: de menselijke hersenen raakten overspannen en dit leidde tot prikkelbaarheid, krankzinnigheid en een zwak nageslacht. Een gelijkaardig vertoog vinden we in een bekende publicatie van de Duitse auteur Max Nordau, Die Entartung (1892). Nordau zag in misdaad, zelfmoord, krankzinnigheid en kunst symptomen van een oververmoeid tijdperk. Vooral het verband tussen hysterie en moderniteit werd door hem als een dogma gesteld. De maatschappij had zich te snel ontwikkeld en de mens was niet in hetzelfde tempo meegeëvolueerd. De vaststellingen van Nordau waren zeer controversieel. De kritiek betrof echter niet zozeer de inhoud, de ontaarding van mens en maatschappij werd zonder meer aangenomen. Het ging eerder over de methode. Nordau was tot zijn visie gekomen door een synthese te maken van enkele bekende wetenschappelijke theorieën en was hierbij iets te veel gaan generaliseren.[30]
Nu is het opvallend dat de beschavingskritiek in het algemeen en de geschiedschrijving in het bijzonder het medische degeneratievertoog reproduceerden, terwijl het artistieke milieu datzelfde wijdverspreide discours juist omdraaide en een eigen nevendiscours ontwikkelde. Men spreekt ook wel van een verdubbeling van het degeneratievertoog.[31] In die zin is de kritiek van Nordau op de moderne kunst dan ook begrijpbaar. Het is namelijk zo dat in artistieke kringen degeneratie bewust als levensstijl werd gecultiveerd in plaats van als bedreiging afgeweerd. Artiesten beschouwden degeneratie als een kwaliteit, afwijken van de norm werd positief gewaardeerd omdat het een verwerping inhield van de restrictieve burgerlijke moraal en de algemene maatschappelijke nadruk op gezondheid en discipline. Zo werd bijvoorbeeld een nerveus temperament niet beschouwd als een ziekelijke natuur, maar gewaardeerd als een vorm van artistieke sensibiliteit. En zo werd alcoholgebruik niet afgewezen omdat het schadelijke gevolgen zou hebben voor de gezondheid, maar geroemd omwille van het onmiddellijke geestesverruimende effect. Onder artiesten was het bijvoorbeeld in de mode om absint, een zeer sterke alcoholische drank, te gebruiken. Dit antidiscours gekenmerkt door een fascinatie voor verval noemt men volgens de Franse traditie ook wel het discours van de décadence.[32] De decadente kunstenaar gelooft in het verband tussen degeneratie en genialiteit, meer bepaald dat er een soort pathologische basis zou zijn voor de ontwikkeling van het artistieke genie. Ook dit is weer een omdraaiing van het bredere medische vertoog. In L’uomo di genio (1888) beschouwt de Italiaanse criminele antropoloog Cesare Lombroso genialiteit als een gevaarlijke psychose, een gedragsvorm waarvoor de maatschappij moet behoed worden om verdere degeneratie te voorkomen.[33]
2 De literaire vertaling van de degeneratietheorie
Nu een algemeen kader is gegeven waarbinnen we de ontwikkeling en de verspreiding van de degeneratietheorie kunnen begrijpen, kunnen we overgaan tot het belangrijkste deel van deze verhandeling. Dit tweede hoofdstuk fungeert in dit opzicht een beetje als een tussenstap naar de volgende drie hoofdstukken. Om te onderzoeken hoe het degeneratiebegrip terug te vinden is in het Vlaamse proza, moeten er namelijk eerst enkele kenmerken worden geformuleerd die dit Vlaamse proza literair-historisch situeren. Omdat het vooropgestelde onderzoek nog niet verricht is voor de Zuid-Nederlandse roman, zal eerst een korte synthese worden gegeven van het onderzoek naar het wetenschappelijke gehalte van de Noord-Nederlandse naturalistische roman. Dit model zal een idee geven over hoe populaire wetenschappelijke theorieën onder invloed van het naturalisme hun ingang vonden in de literatuur van de lage landen. Vervolgens zal een kort overzicht worden gegeven van de Vlaamse auteurs die in deze verhandeling aan bod zullen komen en van de degeneratiekenmerken die verwacht worden in hun werk te zullen optreden. Het is niet de bedoeling dat de gegeven (naturalistische) modellen worden overgenomen, maar dat ze eventueel binnen deze studie worden genuanceerd. Zo zal in deze verhandeling worden gezocht naar een nieuwe beschrijving van de laatnegentiende-eeuwse Vlaamse literatuur, een zoektocht die ook kan begrepen worden als een aanzet tot een nieuw soort studie.
2.1 Het naturalistische model
Het wetenschappelijke degeneratiediscours werd in het bredere maatschappelijke discours zowel overgenomen als uitgedaagd. De uitwerking van het wetenschappelijke degeneratieconcept kon dus verschillen van discours tot discours, maar de wetenschappelijke vaststellingen over degeneratie vormden wél steeds het uitgangspunt van de discussie. In elke type van discours, zowel in medische als in artistieke kringen, werd degeneratie als ontegensprekelijk feit aangenomen. Aan de degeneratie van mens en maatschappij werd niet getwijfeld, de cultuur van het fin de siècle was doordrongen van een pessimistisch mens- en wereldbeeld.
De ontwikkeling van het degeneratiebegrip kan vanuit twee bewegingen worden begrepen. Ofwel interpreteert men degeneratie met betrekking tot de volksgezondheid en valt het accent op de gedegenereerde en zijn condities. Dit was het uitgangspunt van de medische wetenschap en de hygiënistische beweging. Ofwel interpreteert men degeneratie met betrekking tot het maatschappelijke lichaam en valt het accent op de degenererende beschaving, haar historische ontwikkeling en haar sociale impact. Dit was de invalshoek van de beschavingskritiek en manifesteerde zich in een bredere toepassing van de medische metaforiek. In de literatuur van het fin de siècle lijkt men binnen de naturalistische roman voornamelijk aandacht hebben voor degeneratie als menselijk fenomeen. De mens als dégénéré is een interessant gegeven voor de naturalistische thematiek en karaktertekening. De toepassing van het degeneratiebegrip past dan binnen de nadruk die Franse naturalisten zoals Émile Zola legden op ‘le race, le milieu et le moment’. In de naturalistische roman zullen de personages degenereren onder invloed van hun erfelijke aanleg en toevallige omgevingsfactoren, hun ondergang past dan ook binnen een breder deterministisch verhaalplan. [34] In veel laatnegentiende-eeuwse romans vindt men de idee dat de mens in zijn gedragingen en zijn levensloop wordt gedetermineerd door externe factoren, zoals inderdaad erfelijkheid en milieu. De natuurlijke selectiemechanismen gaan met andere woorden blind te keer en de menselijke wil is hieraan ondergeschikt.
Voor de Noord-Nederlandse naturalistische literatuur is deze toepassing reeds bestudeerd.[35] In de romans van o.a. Louis Couperus (1863-1923), Marcellus Emants (1848-1923) en Frans Netscher (1864-1923) ziet men onder andere de volgende karakteristieken optreden. De protagonisten worden vaak door fatalistische gedachten beheerst en hun levenslot demonstreert de onontkoombare schatplicht aan erfelijkheid en milieu. Het degeneratieconcept fungeert dus duidelijk als kader waarbinnen de deterministische causaliteit wordt getoond. In veel verhalen spelen dan ook niet toevallig gedegenereerde personages of zelfs hele gedegenereerde families de hoofdrol. De ontaarding wordt vaak getoond in het immorele handelen van de personages, de belangrijkste oorzaken van hun ondergang zijn hun seksuele beleving en hun alcoholgebruik. De setting is vaak stedelijk. Van de stad gaat een verderfelijke invloed uit juist omwille van de hoge concentratie aan kroegen en bordelen. In de zogenaamd Indische roman[36] noemt men ook vaak klimaat en rasvermenging als bepalende factoren. Degeneratie impliceert niet alleen de gelijkschakeling van ontaard aan immoreel, maar ook van ras aan stand. Het besef van een biologisch verschil tussen de hogere en de lagere klassen zorgt ervoor dat degeneratie op een verschillende manier wordt voorgesteld in de verschillende sociale lagen. De hogere klassen lijden aan nervositeit, een fysiologisch gevolg van hun zogenaamde overbeschaving. De lagere klassen vertonen kenmerken van verdierlijking, een direct gevolg van hun ruwe en bijna primitieve levensstijl. Deze klassenopdeling illustreert de lamarkiaanse opvatting dat de mens biologisch bepaald wordt door het sociale milieu waaruit hij stamt. Daarnaast wordt de idee bevestigd dat mensen (toch zeker mensen van de lagere klassen) niet wezenlijk verschillen van dieren en dat de beschaving daar slechts een dun laagje overheen legt. De dood betekent in vele gevallen een verlossing van het menselijke lijden, echter zonder dat het hiernamaals enige troost biedt. Als God al bestaat, toont zijn aanwezigheid zich enkel indirect in de deterministische werking van de natuurwetten. Dit heeft tot gevolg dat veel (vooral vrouwelijke) personages verlangen naar een plaatsvervangend allesomvattend geluk. Dit manifesteert zich dan in een sterke gevoelsbeleving, zoals overdreven verliefdheid.
De invulling die het naturalisme geeft aan het degeneratieconcept past binnen een uitdieping van de realistische poëtica.[37] In de realistische romankunst streefde men naar een zo getrouw mogelijke weergave van de werkelijkheid en de psychologie van de personages. Men beoogde in de realistische roman los van elke idealistische voorstelling een nuchtere analyse te bieden van de menselijke conditie.[38] In de naturalistische romankunst wilde men de menselijke conditie nog preciezer uitbeelden door gebruik te maken van de wetenschappelijke en medische theorieën die aan het eind van de negentiende eeuw opgang maakten. Door het prestige en de autoriteit van de empirische wetenschappen lijkt de werkelijkheidsuitbeelding in de naturalistische roman namelijk objectiever en betrouwbaarder dan in de realistische roman. Het naturalistische verhaal krijgt zo het karakter van een wetenschappelijke studie, een nauwgezette omschrijving van de ontwikkeling van de personages en de omstandigheden die daarbij een rol spelen. Dit wetenschappelijke model wordt op tekstueel niveau verder uitgewerkt door de narratieve structuur. Het naturalistische verhaal is een opeenvolging van episodes die in de tijd verlopen tot een noodzakelijk en noodlottig einde. Meestal is er een autoriële vertelinstantie. De verteller staat boven de verhaalde gebeurtenissen, maar wel zonder dat hij zijn alwetendheid laat blijken in directe (moraliserende) tussenkomsten. De gebeurtenissen vernemen we op een indirecte manier[39], objectief en neutraal geregistreerd zoals in een wetenschappelijk onderzoeksrapport. De wetenschappelijke ambitie van de naturalistische roman is duidelijk verwoord door Émile Zola in Le roman expérimental. In deze kritische studie uit 1880 stelt Zola dat de naturalistische roman, juist door bepaalde ontaardingverschijnselen op een wetenschappelijk exacte manier te beschrijven, de oorzaken van degeneratie duidelijk maakt en zodoende mogelijkheden aanreikt voor regeneratie.[40]
Het gebruik van de temperamentenleer bij de uitwerking van personages is een duidelijk voorbeeld van hoe (semi-)wetenschappelijke theorieën literair werden toegepast. Het gaat hier om een medische traditie die dateerde van de Romeinse geneesheer Galenus en die in de negentiende eeuw werd heruitgevonden om mensen psychologisch te karakteriseren. Onder temperament verstond men het geheel van iemands aangeboren eigenschappen, het is dus een erfelijke aangelegenheid. Elk temperament is een cluster van fysiologische eigenschappen waaruit dan een typische psychologische constitutie voortkomt. In de laatnegentiende-eeuwse literatuur erkende men voornamelijk het nerveuze en het sanguinische temperament. Personages van de eerste soort hebben een sterk ontwikkeld zenuwstelsel en een tekort aan bloed, uiterlijke kenmerken zijn een fijn gestel en een bleke huidskeur. Zowel hun lichamelijke als hun geestelijke gesteldheid is zwak, ze zijn snel uitgeput en daardoor erg prikkelbaar. Deze personages denken zeer veel na, hierdoor hebben ze een sterke aanleg tot melancholie en misantropie. Personages van de tweede soort hebben een sterk ontwikkeld hart en bloedvatenstelsel. Ze hebben een blanke, maar blozende huid en een korte, maar gespierde gestalte. Niet alleen fysiek, maar ook psychologisch zijn ze erg weerbaar. Hun emoties zijn zeer intens, maar ook oppervlakkig en voorbijgaand. Hierdoor leven ze sterk in het heden en kunnen ze niet stilstaan bij het verleden. Het nerveuze en het sanguinische temperament worden vaak met elkaar geconfronteerd en zijn ook de aanleiding voor een sociale en seksuele differentiatie. Nerveuze temperamenten situeert men vooral in de aristocratie en de bourgeoisie en in sommige artistieke milieus, ook is het meer kenmerkend voor vrouwen dan voor mannen. Sanguinische temperamenten vindt men dan vooral in de lagere klassen en onder het mannelijke geslacht. Personages die aan degeneratie ten onder gaan zullen voornamelijk van het nerveuze type zijn. In het algemeen veronderstelde men dat de moderne maatschappij zorgde voor een toename van het aantal nerveuze temperamenten, zenuwachtigheid werd zo gepercipieerd als een ziekte van de tijd en een teken van overbeschaving.
Het is opvallend hoe nauw wetenschap en ideologie hier met elkaar verweven zijn. Medische theorieën werden in de literatuur gehanteerd ter bevestiging van traditionele denkbeelden; ze golden als de legitimatie van bestaande sociale en seksuele opposities. In de eerste plaats worden de hogere klassen voorgesteld als verfijnd en overbeschaafd, de lagere klassen als ruw en primitief. De hogere klassen kunnen hier ook vervangen worden door de stedelijke bevolking, de lagere klassen door de plattelandsbevolking. De tegenstelling krijgt in dit geval wel een andere connotatie, de bederfelijke invloed van de overbeschaafde stedelingen staat dan tegenover de vermeende zuiverheid van de eenvoudige plattelandsbewoners. Een tweede traditionele tegenstelling is dat de man wordt voorgesteld als het sterke geslacht en de vrouw als het zwakke geslacht. Net als bij de temperamentenleer, is ook hier de psychologische component afgeleid van de fysiologische constitutie. De vrouw is door haar tengere bouw sowieso minder sterk dan de man, bovendien wordt ze extra uitgeput door de voortplantingscyclus. Ook op psychologisch vlak is de vrouw zwakker, het is trouwens de grote aanleg voor het nerveuze temperament die de vrouw ontvankelijker maakt voor hysterie en andere krankzinnigheden. Van nature is de vrouw liefhebbend en zorgzaam en niet egoïstisch of meedogenloos, eigenlijk staat heel het wezen van de vrouw in het teken van het moederschap. Zo blijft er weinig ruimte over voor een intellectuele of artistieke ontwikkeling, maar de emotionele vrouw heeft hier toch minder behoefte aan dan de rationele man. Tegenvoorbeelden, zoals de bewust kinderloze vrouw, worden als tegennatuurlijk afgedaan.
De literaire toepassing van het degeneratieconcept lijkt dus niet alleen bepaalde wetenschappelijke theorieën, maar ook bepaalde conservatismen te legitimeren. Uit vrees voor ongecontroleerde seksualiteit, genetische verarming van het ras en verstoring van de maatschappelijke orde lijkt de literatuur de uitgangspunten van de traditionele samenleving te bevestigen, met name de superioriteit van de hogere klassen en de superioriteit van het mannelijke geslacht. Het uitgangspunt moet dus ruimer worden opgevat: het literaire degeneratiebegrip lijkt niet alleen beperkt tot de degeneratie van de personages, in de literatuur is er daarnaast ook aandacht voor de maatschappelijke dimensies van het degeneratiefenomeen.
2.2 Het Vlaamse proza
In het vervolg van deze verhandeling zal geprobeerd worden om aan te tonen hoe het degeneratiedenken zijn weerslag vond in het Vlaamse proza van het fin de siècle. Tot dit doel zullen enkele representatieve novelles en romans uit deze periode worden gelezen en met elkaar vergeleken. De besproken literatuur wordt traditioneel geperiodiseerd als naturalistisch. Wat het wetenschappelijke gehalte van deze Vlaamse naturalistische literatuur betreft, zullen er overeenkomsten worden verwacht met de Franse en de Noord-Nederlandse naturalistische traditie, maar er zullen ook bepaalde verschillen optreden. Het model voor de Noord-Nederlandse roman zal niet probleemloos kunnen worden toegepast op de Vlaamse roman, de institutionele context is daartoe zeer verschillend.[41] De ontvoogdingsstrijd van de Vlaamse literatuur was nog maar pas achter de rug toen rond de eeuwwisseling een tweede generatie realisten op de voorgrond trad. Namen zoals Domien Sleeckx (1818-1901), Anton Bergmann (1835-1874) en Virginie Loveling (1836-1923) werden opgevolgd door namen zoals Cyriel Buysse (1859-1932), Reimond Stijns (1850-1905) en Gustaaf Vermeersch (1877-1924). Tot deze nieuwe generatie behoorde ook de beweging rond het tijdschrift Van Nu en Straks, met namen zoals Stijn Streuvels (1871-1969), Emmanuel de Bom (1868-1953) en Lode Baekelmans (1879-1965). Het naturalisme zoals we dat bij deze tweede generatie aantreffen zal gezien het volksopvoedende karakter van de Vlaamse literatuur meer gematigd zijn dan in bijvoorbeeld de Franse of de Duitse literatuur. Maar toch zal ook in Vlaanderen het wetenschappelijke model tot de verbeelding van de literatoren spreken, ook in de Vlaamse literatuur zullen wetenschappelijke factoren zoals erfelijkheid en milieu motieven zijn bij het thematiseren van de vermeende degeneratie van mens en maatschappij.
Het medisch-wetenschappelijke degeneratiebegrip kan op verschillende manieren worden ingevuld, zo ook in de Vlaamse literatuur. De geselecteerde literatuur[42] wordt daarom in drie delen opgedeeld en in drie hoofdstukken op de aanwezigheid van degeneratie onderzocht. Een eerste hoofdstuk onderzoekt het oeuvre van Virginie Loveling. Deze schrijfster publiceerde van 1874 tot 1915. Haar proza omspant dus twee generaties en kan als exemplarisch gelden voor de overgang van het realisme naar het naturalisme. In het geval van Loveling is dit een evolutie van de tendensroman naar de psychologische roman. [43] Sporen van het degeneratiedenken zullen we bij Loveling dan ook vooral terugvinden in de karakterisering van de personages, meer bepaald in de nadruk die daarbij wordt gelegd op erfelijkheid en temperament. In een tweede hoofdstuk komt het vroegere werk van Cyriel Buysse aan bod, met name enkele werken die doorgaans met de doorbraak van het naturalisme in de Vlaamse literatuur worden geassocieerd.[44] De geselecteerde verhalen spelen zich af in een landelijk milieu en de personages die we in deze verhalen aantreffen worden dan ook door hun afkomst gedetermineerd. Ze worden gekenmerkt door ruwe en brute gedragingen, hun degeneratie betreft dan ook vooral hun ongecontroleerde en bijna dierlijke driftleven. In een derde en laatste hoofdstuk behandelen we enkele stadsromans, geschreven door Emmanuel de Bom, Lode Baekelmans en Gustaaf Vermeersch. Ook in deze romans is het milieu een determinerende factor. Het stadsleven, op zich al een symbool van de degenererende beschaving, heeft een negatieve invloed op de ontwikkeling van de personages. Het zijn passieve naturen die zich laten meeslepen door de veelheid aan leven en beweging die de stad typeert en die noch de wilskracht noch het vermogen bezitten om zich hiertegen te verzetten. Deze levenshouding wordt omschreven als decadent en kan in zekere zin ook worden begrepen als een cultivering van de morele degeneratie van mens en maatschappij.[45]
3 Erfelijkheidstheorieën bij V. Loveling
Buiten enkele licentiaatsverhandelingen en enkele algemene naslagwerken zijn er niet bijster veel academische publicaties over de literatuur van Virginie Loveling verschenen. Een interessant uitgangspunt voor de analyse in deze verhandeling werd gevonden in een artikel van Prof. K. Wauters.[46] De auteur beoogt met zijn publicatie een literair-historische herwaardering van het oeuvre van Loveling. Hij noemt haar literatuur ondanks het beperkte stijlbesef wel degelijk vernieuwend, dit omdat het al vóór de beweging rond Van Nu en Straks het autonomiebeginsel huldigde. Loveling was namelijk een van de eerste auteurs in Vlaanderen die het schrijven enkel zag als een uitbeelding van de eigen leef- en denkwereld. Vanuit haar nogal donker mens- en wereldbeeld, met name de idee dat de mens onherroepelijk onderworpen is aan het lot, kwam Loveling zo tot een literatuur die affiniteiten vertoonde met de naturalistische stroming. Wauters spreekt in deze zin over de ‘tragische levensvisie van Virginie Loveling’ en zoekt in zijn artikel aan de hand van enkele representatieve romans naar de evolutie hiervan in haar oeuvre. Bij de ondergang van de personages erkent Wauters in de vroegere tendensromans nog het ethische falen als determinerende factor, terwijl in het latere meer naturalistische werk vooral de erfelijke aanleg als verklaring wordt ingeroepen.
De evolutie die Wauters in het werk van Loveling meent te herkennen zal ook met betrekking tot de toepassing van de degeneratieleer relevant blijken, zeker door de nadruk die daarbij wordt gelegd op de herediteit van de personages. Wel zal in deze analyse een centralere plaats worden toegekend aan de vroegere novelles en zullen latere novelles, zoals de novelle ‘Meesterschap’ (Jongezellen Levens, 1907), buiten beschouwing worden gelaten. Ook de tendensromans zullen vanwege hun idealiserende strekking worden genegeerd. Concreet worden in dit hoofdstuk enkele novelles uit het begin van Virginie Lovelings carrière vergeleken met twee romans die zij schreef aan het einde ervan. Het lijkt ons interessant om na te gaan of de erfelijkheidstheorieën die nadrukkelijk aanwezig zijn in naturalistische romans zoals Erfelijk Belast (1906) en Een revolverschot (1911) ook al deel uitmaken van de karakterisering in realistische verhalen zoals ‘Sidon’ (Novellen, 1874), ‘De kwellende gedachte’ (Nieuwe Novellen, 1876), ‘Kromme Cies’ (Drie Novellen, 1879) en ‘Polydoor en Theodoor’ (1883). De veronderstelling is dus dat het degeneratiedenken op een systematischere manier is uitgewerkt in de latere romans omwille van het sterkere naturalistische karakter van deze werken. Maar de inhoudsbeschrijvingen[47] doen toch ook vermoeden dat de eerste verhalen, al is het maar in de aanleiding tot het schrijven, eveneens beïnvloed zijn door de degeneratieleer en dat er in dit geval dus sprake is van een zeker continuüm. Het is trouwens op basis van deze inhoudsbeschrijvingen dat de novelles zijn geselecteerd.
3.1 De vroegere novelles
De aanzet van de novelle ‘Sidon’ (Novellen, 1874)[48] lijkt geïnspireerd door het degeneratiedenken. Het meisje Sidon, een verbastering van de naam Sidonie, is een weeskind. Haar vader wou de armoede ontvluchten en is omgekomen op de oversteek naar Amerika. Haar achtergelaten moeder is gestorven aan een onbepaalde ziekte, waarschijnlijk uit verdriet. Sidon wordt opgenomen in het gezin van haar oom, in tegenstelling tot haar vader een rijke burger. Het verhaal begint vanuit zijn standpunt. Firmin De Langhe overdenkt de geschiedenis van zijn broer Basiel en zijn nichtje Sidon en probeert te verklaren hoe het zover is kunnen komen:
Hij ging het na, hoe Basiel van in zijne jeugd een woestaard was en niet had willen leeren, en steeds het gezelschap van ondeugende knapen opzocht, terwijl hij klaagde, dat zijn vader hem niet beminde, omdat hij geen vleier was, zooals zijn jongste broeder; en hoe hij nijdig scheen, als deze des zondags met zijne kameraden muziekpartijen uitvoerde en meer beschaafde vermaken zocht dan hij, die er behagen in schepte eene levende duif van zijnen doghond te doen verscheuren […] En hoe hij tegen de wil zijns vaders met de naaister getrouwd was en een koffiehuis had geopend, maar alles in weinige jaren verloren had. Toen was hij lager en lager gezonken en in eenen kelder gaan wonen, en in dien tijd kwam hij veel naar huis bij zijnen vader, altijd om geld, soms onderdanig en smeekend, soms dreigend en kwaad en hij immer bedronken. En als Firmin getrouwd was met Olga, de dochter van den rijken Krijn – ja, dit had hem nog het meest van al getroffen – toen was Basiel, gekleed als een bedelaar op den drempel der kerkdeur verschenen met een kind op den arm, dat hij ‘Oom en Tante’ deed roepen […] Dit was voor Firmin een bitter aandenken van vernedering gebleven […] (SD, p207-208)
Het is duidelijk dat Firmin van nature heel anders is dan zijn broer Basiel: Firmin is rustig en bedaard, Basiel wild en woest. Dit bleek al vroeg in hun jeugd: terwijl de ene beschaafd muziek speelde, vermaakte de andere zich met het doden van dieren. Dit verschil bepaalde ook hun verdere levensloop: Firmin trouwde met een vrouw van dezelfde stand en werd net als zijn vader een rijk man, Basiel trouwde met een naaister en degradeerde tot een dronkaard en een bedelaar. Het lijkt wel alsof opvoeding en milieu geen invloed hadden op Basiel en dat hij uit zijn natuur niet anders kon dan zich door zijn gedrag te verlagen tot een leven beneden zijn stand. Als hij van nature die aanleg niet had gehad, leidde hij nu misschien een leven zoals dat van zijn broer en was hij niet als een armoedzaaier aan zijn einde gekomen. De voorgeschiedenis van haar vader speelt alvast niet in het voordeel van Sidon, haar fysieke zwakheid is af te lezen van haar gelaat:
Haar gelaat was niet schoon met het kleurloos haar, dat bijna tot op hare nauwelijks afgeteekende wenkbrauwen stond, met haar opgekruld neusje en hare witte pinkharen. (SD, p210-211)
Op het verschil tussen zijn ongezonde nichtje Sidon en zijn eigen gezonde dochter Caroline wordt Firmin attent gemaakt door zijn vrouw Olga, die Sidon trouwens geen warm hart toedraagt:
Caroline had schoone blonde krullen rondom het hoofd en wangen als een rozeblad.
‘Firmin,’ zei hare moeder met verdoofde stem, ‘maak eens eene vergelijking tussen het gelaat van de twee meisjes!’
En hij aanschouwde de kinderen: het eene zoo mild van de natuur en het lot bedeeld, het andere zoo arm aan schoonheid als arm aan voorspoed, en dit zicht streelde zijn vaderlijke ijdelheid, en met welgevallen blikte hij de schoone Caroline achterna. (SD, p212)
Firmin beseft dat Sidon door haar afkomst meer is benadeeld dan zijn eigen dochter, het lot heeft haar letterlijk arm gemaakt aan schoonheid en voorspoed. Dit kan misschien zo zijn op fysiek vlak, op geestelijk en moreel vlak vertoont Sidon echter weinig gebreken en hier toont ze zich zelfs de meerdere van haar nichtje. Caroline is door haar opvoeding verwend en zelfingenomen, Sidon is door haar afkomst nederig en beleefd. Firmin stelt dit vast en erkent hier de invloed van haar moeder, die in tegenstelling tot haar vader nooit om geld is komen bedelen:
Sidonie was een braaf, beleefd kind: men zou voorwaar niet gezegd hebben, dat zij in zulk een weinig beschaafde wijk opgevoed was; dit had zij wellicht aan de zachte vriendelijkheid harer moeder te danken. (SD, p213)
De armoedige herkomst van Sidon wordt dus niet in negatieve termen beschreven, maar juist positief gewaardeerd. Dit geldt zeker in vergelijking met het burgerlijke gezin waarin ze terechtkomt. De situatie van Sidon is voor de verteller geen aanleiding om de degeneratie van de arbeidersbevolking aan te klagen, maar wel om de schijnheiligheid van de bourgeoisie te ontmaskeren. Olga, de vrouw van Firmin en de tante van Sidon, doet als rijke burgervrouw graag aan liefdadigheid. Maar dat doet ze slechts voor haar reputatie in de buitenwereld, voor het arme weeskind Sidon kan ze geen liefde opbrengen. In vergelijking met haar neefje en nichtje wordt Sidon verwaarloosd, ze blijft hele dagen binnenshuis als een soort kindermeid en mag niet naar school gaan. Wanneer Sidon bij Bonpapa, de vader van Olga en de enige die haar goedheid waardeert, wordt weggehaald en door de slechte zorgen van Olga overlijdt, neemt het verhaal een moraliserende wending en krijgen de gebeurtenissen een melodramatisch karakter. Met de deterministische karakterisering van Sidon en haar vader heeft dit hoegenaamd niets meer te maken.
Eenzelfde combinatie van realistische observaties en melodramatische plotwendingen vinden we terug in de novelle ‘Kromme Cies’ (Drie Novellen, 1879)[49]. Weer lijkt de karakterisering van de titelprotagonist, een gehandicapte schoenmaker, geïnspireerd door medische degeneratietheorieën. Maar eveneens lijkt dit van weinig belang voor het verdere verloop van het verhaal. Ook lijkt de handicap van Cies niet erfelijk gedetermineerd, zowel zijn lichamelijke als geestelijke gebreken zijn het gevolg van toevallige omstandigheden. Zo is hij wel grof gebouwd en lelijk van aangezicht, maar zijn mankheid is het gevolg van een domme val:
Hij had in zijne kinderjaren eenen val gedaan en was hetgeen men noemt ‘de lendenen gekrookt’. Breedgeschouderd en ineengedrongen, met kromme beenen, met hard, blond haar als varkensborstels, met zijn breed gebit en zijne breede korte tanden, was het voorzeker eene wonderlijke verschijning, die bij het eerste gezicht geenen goeden indruk teweegbracht. Doch er straalde goedheid uit zijne kleine, diepliggende oogen, die schitterden van levenslust en levenskracht; want hij was betrekkelijk kloek en gezond geworden; zijn sterk gestel had de bovenhand over de rampen zijner kindsheid genomen […]. (KC, p137-138)
Ook is hij blijkbaar niet afkomstig van een gedegenereerd geslacht: hij is kloek en gezond en goed van hart. Cies is dus best in staat om ondanks zijn handicap een zelfstandig leven te leiden. Hij trekt dan ook van zijn geboortedorp naar Brussel om daar in een winkel als schoenmaker te werken. De verhuis naar de stad heeft een gunstige invloed op zijn zelfbeeld, in de winkel waar hij werkt wordt hij met respect behandeld en ondanks zijn handicap kan hij zo normaal mogelijk functioneren:
Hier voelde hij minder dan op het geboortedorp het vernederende zijner gestalte, hetzij hij op den werkwinkel met bijzonder goedhartige gezellen te doen had, hetzij de stedeling, over het algemeen, door eenen hoogeren graad van beschaving meer medegevoel bezit dan de ruwe buitenmensch en zulk slag van onheil fijngevoeliger te bejegenen weet. – althans, bij al hunne losse wispelturigheid en hunne vrije gesprekken, kwetsten zijne kameraden hem niet.
Hij begon zich eene heele personage te gevoelen en vergat schier, dat hij zoo stiefmoederlijk van de natuur bedeeld was […]. (KC, p139)
Maar zoals de laatste regel aangeeft is de aanvaarding slechts een illusie. Een toevallige gebeurtenis, de komst van een werkman uit zijn vroegere dorp, is voldoende om hem te doen herinneren aan zijn handicap en zijn onvermogen om ooit een volledig normaal leven te leiden. Hij schaamt zich terug voor zijn verschijning en wordt mensenschuw:
Cies was niet gaarne meer op den werkwinkel, waar een slechte geest begon te heerschen. Hij was in eene sombere neerslachtigheid vervallen, en er behoefte slechts eene kleinigheid meer om hem voor goed menschenschuw te maken. De gelegenheid daartoe bood zich aldra aan. (KC, p143)
Wanneer hij plots terug wordt aangesproken met ‘kromme Cies’, in plaats van gewoon met ‘Cies’, is de maat vol. De ‘gelegenheid’ is daar en Cies verlaat de werkwinkel. Hij trekt zich terug op een klein zolderkamertje en begint als zelfstandig schoenmaker te werken. Uit eenzaamheid en verdriet geraakt hij aan drank verslaafd. Maar zijn drang naar alcohol is geen erfelijk overgeleverde drift, de aanleiding voor zijn verslaving is weer een toevallige gebeurtenis:
En eens – eens, dat hij na eene lange zondagwandeling in het open veld neerslachtiger dan ooit huiswaarts keerde, had hij den noodlottigen inval in eene helder verlichte herberg van het voorgeborchte, die hem zo vriendelijk uitlokte, binnen te gaan […] Arme Cies, het was de weg naar eenen afgrond, dien hij ingeslagen had! (KC, p147)
De drankverslaving zal in combinatie met zijn handicap en zijn gevoelens van eenzaamheid niet leiden tot een geestelijke en morele degeneratie. Een toevallige gebeurtenis zal weer een wending geven aan zijn leven, ditmaal in positieve zin. Na een nacht zijn roes te hebben uitgeslapen op straat wordt hij wakker naast een vondeling. Hij neemt het jongetje in huis en moet vanaf nu voor twee zorgen. Deze nieuwe situatie verplicht hem om terug verantwoordelijkheid op te nemen voor zijn eigen leven. De verteller geeft dit letterlijk aan:
Wat was hij niet aan het knaapje verschuldigd, dat hem van het dwaalspoor had gebracht! (KC, p156)
Het verdere verloop van het verhaal is niet zo belangrijk. Cies zorgt verder voor het jongentje, ontmoet de moeder van het kind en weet zich na enkele problemen met haar te verzoenen. De fysieke handicap is verder geen motief dat op een wetenschappelijke manier de aanleiding zal geven voor een psychische of morele ontaarding, behalve dan misschien aan het einde. Cies is na veel melodramatische toestanden met Filomene, de moeder van zijn adoptiezoon, getrouwd. Over de toestand van dat huwelijk na enkele jaren maakt de verteller de volgende opmerking:
Het is jammer, dat Filomene wat verkwistend en slordig is, anders zou hij op korten tijd een welstellend man wezen. Hij ontbeert door hare zorgeloosheid in het huishouden soms wat anderen voor onmisbaar aanzien; doch hij aan geene orde gewend, eischt hij niet veel en bemint haar bovenmate: in zijne oogen is zij een toonbeeld van alle gaven, en schoon vindt hij haar nog, als toen hij voor het eerst haar zag, als is ze – volgens het zeggen van anderen – ongelooflijk vervallen en verouderd op dien tijd. (KC, p186-187)
Een huwelijk met een gehandicapte man lijkt toch geen ideaal, vooral niet als de vrouw zelf ook enkele gebreken vertoont. En ook al ervaren ze het zelf niet zo, toch lijkt deze situatie voor veel buitenstaanders tekenen van degeneratie te vertonen. Het ‘happy end’ krijgt zo toch nog een wrange ondertoon.
‘Polydoor en Theodoor’ (1883)[50] is een andere novelle waarin een van de personages gehandicapt is, met name de dwerg Polydoor. Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van Juliette, een jong meisje dat is aangesteld als de gezelschapsdame van de familie. Bij haar aankomst merkt ze onmiddellijk Polydoors fysieke gebreken, zijn handicap is onmiskenbaar:
Deze had hem bij het inkomen niet eenmaal opgemerkt: hij was zeer klein van gestalte, niet grooter dan een kind van acht of tien jaar, doch dikker, gestuikter, overigens gansch in evenredigheid, en had een onfrisch aangezicht, waarop de tijd reeds eenige zijner rimpels had gegroefd. Hij bezat gansch, met zijnen kleinen neus en zijnen vooruitspringenden mond, het echte voorkomen der dwergen. (PT, p10)
Anders dan in ‘Kromme Cies’ (1879) wordt in deze novelle de handicap gedetermineerd, Polydoor is namelijk niet de enige in zijn familie met een zwakke gezondheid. Zo wordt zijn moeder, Mevrouw Taalman, voorgesteld als ‘eene oude, in het zwart gekleede dame, met een treurig voorkomen, een bleek, verslenst gelaat, en een breiwerk tusschen de zenuwachtige, witte vingeren’ (PT, p9). Ook Theodoor, de jongere broer van Polydoor, heeft een eigenaardig voorkomen:
Hij was groot, met enigszins opgestoken schouders. […] Hij wendde nauw het hoofd om: hij had een beenderig gelaat en iets schuws in den blik. Hij sprak niet en hield zich tevreden voor alle beleefdheid eens licht de muts op te heffen, die hij als een eenvoudige, onheusche landman ook binnen huis op het hoofd hield. (PT, p12-13)
De handicap van Polydoor is met andere woorden niet toevallig, zijn dwergachtige voorkomen illustreert het lichamelijke en geestelijke verval van de landadel waartoe zijn familie behoort. Dit geldt toch wel als een duidelijk erfelijkheidsmotief.
Juliette heeft niet gemakkelijk om zich aan te passen. De dwerg heeft een zeer lastig karakter en is zeer veeleisend, de moeder is daarin zeer toegeeflijk en verwacht van Juliette hetzelfde. Van Theodoor hoeft ze ook niet veel steun te verwachten, die is zeer nors en steeds afwezig. Na enkele maanden kent Juliette echter al iets meer van de voorgeschiedenis van de familie en kan ze hun onderlinge verhoudingen beter begrijpen. Mevrouw Taalman was een verwende dochter uit een rijke familie. Toen ze uit de kostschool kwam, trouwde ze tegen de zin van haar vader met een luitenant, maar:
Met den luitenant was zij niet gelukkig geweest: hij had het erfdeel harer moeder aldra verkwist. Haar oudste zoon, Polydoor, was een zwak, ellendig schepsel; de vader scheen hem niet te beminnen en droeg al zijne genegenheid over op het tweede kind, Theodoor, die kloek, vernuftig en schoon, hem tot trots diende. De bedroefde moeder, die gevoelde, hoe onrechtvaardig het was, Polydoor achteruit te zetten en te verwaarloozen, juist omdat hij een rampzalige dwerg was, trachtte hem dit verzuim ruimschoots te vergoeden: zij verviel in eene andere overdrijving en overlaadde hem met onophoudelijke liefdebewijzen, zodat Theodoor door haar als een stiefkind werd behandeld. (PT, p30)
Het gedrag van de twee broers is dus bepaald door hun opvoeding. Polydoor is arrogant en overmoedig. Hoewel hij zowel fysiek als geestelijk is achtergesteld, denkt hij zichzelf de gelijke van zijn broer. Dit verwekt wrevel bij Theodoor. Hij was een uitstekend student, maar hij mocht na het college niet verder studeren omdat hij zo zijn broer, die omwille van zijn handicap niet kon studeren, zou verongelijken. De bemoeienissen van zijn moeder gingen nog verder. Toen Theodoor wou trouwen met de naaister, werd deze door zijn moeder weggezonden omdat het niet eerlijk zou zijn dat Theodoor wel en Polydoor niet zou kunnen trouwen. Het meisje, het ‘schoon Anneken’ (PT, p39), stierf uit verdriet en Theodoor bleef illusieloos achter. Door zijn ongeluk gedwongen legde hij zich uiteindelijk neer bij zijn perspectiefloos bestaan:
Na verloop van een paar jaren was hij dan ook een echte buitenheer geworden. Weinig in verkeer met de hoogere klassen der samenleving, had hij zelfs de heuschheid, welke hij in het college had aangeleerd, afgelegd, en in gang en gebaren en ruwen spreektoon veel van de doenwijze der landlieden aangenomen. Het mishaagde zelfs Mevrouw Taalman, dat hij zich veroorloofde met de klak op in de woonkamer te verschijnen; maar het was zonderling, dat zij zich daarover verwonderde, zij, die nooit hare kinderen bijzonder veel van welgemanierdheid had trachten in te prenten, ofschoon zij zelve zeer beschaafd was. (PT, p37)
In zijn gedrag is Theodoor gedegenereerd van een welopgevoede edelman tot een onbeschaafde landman, een evolutie die misschien wel typerend is voor de verarming van de oude adel. De moeder heeft daartoe bijgedragen door een huwelijk beneden haar stand en door een lakse opvoeding van haar kinderen. Haar klachten over het gedrag van haar jongste zoon zijn volgens Juliette dan ook ongegrond, het is deels haar eigen fout dat hij zo geworden is. In dit geval laat zich ontegensprekelijk de invloed van het milieu en de opvoeding gelden:
Onzinnige vrouw! – Alsof men na langen tijd een nutteloos en vadsig leven geleid te hebben, nog wilskracht genoeg bezat om handen aan het werk te slaan; alsof onderdrukking in de kinder- en jongelingenjaren niet noodzakelijker wijze den geest verstompen en eenen slechten invloed op het karakter oefenen moest; alsof men ongestraft de edelste gaven zijner ziele verwaarlozen mocht! (PT, p43)
Naast de vele uitweidingen over de familieleden en hun voorgeschiedenis, wordt ook het karakter van Juliette verder uitgewerkt. Zij is nog maar achttien jaar oud, maar ook zij zit al gevangen in een perspectiefloos bestaan. Haar beide ouders zijn gestorven en bij haar twee getrouwde broers kon ze niet terecht. Beiden waren al getrouwd en hadden geen plaats meer voor haar in hun nieuwe gezin. Ook als gezelschapsdame is haar positie ondergeschikt, maar ze is goedaardig van karakter en schikt zich moedwillig in haar lot:
Zij gevoelde het wel, en kon er de oorzaak niet van gissen; doch het vernederde haar hier minder dan bij hare bloedverwanten en, met hare behoefte aan zelfopoffering en de ingeboren neiging zich aan degenen te hechten met welke zij dagelijks verkeerde, had zij deze lieden liefgekregen en zich in haar lot geschikt. (PT, p44)
Juliette is dus van nature onderdanig en liefhebbend, daarom kan ze zich gemakkelijker schikken in de positie waarin ze zich noodgedwongen bevindt. Veralgemenend kan men stellen dat die houding eigen is aan de vrouw. Wanneer de zwakke gezondheid van Polydoor zijn tol eist en de dwerg naar het einde van de novelle toe op sterven ligt, maakt de verteller de volgende opmerking over hoe mannen en vrouwen met stervenden omgaan:
Mannen en vrouwen bewijzen hun medegevoel doorgaans op eene verschillende wijze en zijn ook niet gelijk door een treffend ongeluk aangedaan. Wanneer eene groote daad van opoffering wordt vereischt, blijft de man – terwijl de vrouw vaak hare tegenwoordigheid van geest verliest – niet ten achteren en stelt zonder eenige betrachting van eigenbelang op een gegeven ooogenblik zijn leven te pande. Vereischt het onheil echter geduld, gestadige, stille toewijding dan dede men verkeerd bij de meesten troost of hulp te zoeken. Om duurbare kranken te verplegen, laat de vrouw al hare noodzakelijke of geliefkoosde bezigheden staan; de man daarentegen, hoezeer hij ook in den grond bedroefd is over de ramp, welke een bemind wezen getroffen heeft, verandert wenig aan zijne dagelijksche gewoonten en levenswijze. – Ook, de man gaat slapen, de vrouw blijft waken. (PT, 72)
Wat hier als een soort algemene wijsheid wordt geformuleerd, is misschien niet wetenschappelijk gefundeerd, maar onderbouwt wel verder het karakter van Juliette. Haar gevoelens zijn niet alleen eigen aan haar karakter, maar ook aan haar vrouwzijn. Wanneer de dwerg is overleden en Theodoor haar ten huwelijk vraagt, lijkt het vooruitzicht om bij de familie te kunnen blijven dan ook een belangrijkere overweging dan haar mogelijke gevoelens voor Theodoor. Ze aanvaardt zijn voorstel ook uit pragmatische redenen, in haar positie zal ze niet gauw een beter huwelijksvoorstel krijgen. Wanneer de verteller aan het einde van de novelle de situatie na enkele jaren huwelijk evalueert, merkt hij dat het bestaan van de personages nog steeds even uitzichtloos lijkt:
Eenige jaaren zijn verloopen. Het landgoed en de tuinen zien er nog dezelfde uit. Daarbinnen is ook weinig veranderd. Mevrouw Taalman is wat verouderd. Juliette is eene liefhebbende, zorgzame dochter voor haar. Beide vrouwen staan als zeer mildadig voor de armen bekend. Indien daar kinderen waren, zou dit vreugd en beweging in huis brengen; doch er zijn er geene […] Hij ook is verouderd en wanneer hij – hetgeen maar zelden gebeurt – stilzwijgend en met opgestoken schouders aan de zijde van Juliette door het dorp gaat en het eene of het andere meisje eene spleet van haar venstergordijn opheft om hen achterna te zien, valt niet zelden de bemerking: ‘Arme jonge vrouw, wat genot heeft zij van haren rijkdom? Indien zij iemand van haren stand had gehuwd, zou zij wellicht veel gelukkiger zijn’ doch Juliette denkt dat niet. Zij is tevreden in haar lot en vermoedt niet, dat haar hart voor een ander gevoel vatbaar zou kunnen wezen dan de stille genegenheid, vol ontzag en zonder eenige vertrouwelijkheid, welke zij haren gemaal toedraagt. (PT, p91-92)
Het ‘happy end’ krijgt dus weer een bittere ondertoon. Doordat Theodoor beneden zijn stand huwt en het huwelijk kinderloos blijft zijn er weinig vooruitzichten op regeneratie. De situatie van de familie Taalman zal dus niet verder evolueren en hoogstens nog voor enkele jaren in stand worden gehouden. De personages zitten gevangen in een perspectiefloos bestaan en het lijkt alsof ze zich daar bij hebben neergelegd, uit de laatste alinea spreekt een grote berusting in het lot.
Tot nu toe lijkt het degeneratiebegrip in de eerste verhalen nogal beperkt aanwezig. Bovendien is het moeilijk uit te maken of de fysieke, psychische of morele degeneratie van de personages wetenschappelijk is gefundeerd dan wel gewoon realistisch is uitgetekend. Het degeneratiedenken lijkt wel een inspiratiebron te zijn geweest, maar het wordt nooit als een centraal motief gethematiseerd. Dit gebeurt wel in de laatste novelle die hier aan bod komt. Tussen ‘De kwellende gedachte’ (Nieuwe Novellen, 1876)[51] en de latere romans zijn duidelijke overeenkomsten, hoewel deze novelle van een vroegere datum is dan ‘Kromme Cies’ (1879) en ‘Polydoor en Theodoor’ (1883). Hieruit kan men dan misschien toch wel concluderen dat het degeneratiedenken al van in het begin een constante is geweest in het oeuvre van Virginie Loveling.
Centraal in ‘De kwellende gedachte’ staat de analyse van de gedachten en de gevoelens van een jonge vrouw uit de stedelijke bourgeoisie. Césarine La Conque zag haar liefde voor de schilder Marcel Épuron gedwarsboomd toen haar vader haar oudere zus Julie aan hem uithuwelijkte. De vroegere gevoelens van liefde en verdriet komen terug naar boven wanneer Épuron na de dood van Julie zijn schoonfamilie komt bezoeken. Bovendien is de komst van Épuron een gelegenheid voor Césarine om haar twijfels over de dood van Julie kenbaar te maken:
Maar nog iets anders zou zij nu kunnen opklaren, eene gedachte, die haar vervolgde en kwelde. Julie was nooit meer naar huis gekomen, zij was op eens gestorven: er scheen een geheim over haar leven en haren dood te liggen, en haar vader sprak er niet gaarne over, als zij hem daaromtrent uitvroeg. Op het laatst van haar bestaan was een zonderlinge brief van haar in de handen van Césarine gevallen […] en sedert was een licht voor hare oogen opgegaan: Éloi was krankzinnig, hare moeder was het geweest – zij wist het van eene dienstmeid – indien Julie eens krankzinnig gestorven was? En indien Julie en Éloi krankzinnig waren – en die onderstelling deed haar huiveren en bedwelmde haren geest – waarom zou zij, Césarine, het ook niet worden?... (KD, p241-242)
Niet alleen over de dood van Julie lijkt een mysterie te liggen, heel de familie gaat onder een duister geheim gebukt. Het betreft hier een onuitgesproken, maar aangevoeld besef van erfelijke zwakzinnigheid. De moeder is aan krankzinnigheid gestorven, de zoon Éloi lijdt aan grootheidswaanzin en de zus Julie is onder verdachte omstandigheden gestorven. Dit doet Césarine veronderstellen dat Julie net als hun moeder aan krankzinnigheid is bezweken en dat zijzelf hetzelfde lot staat te wachten. We hebben hier dus duidelijk te maken met een gedegenereerd geslacht. Ook Zénobie, de dochter van Épuron en Julie, is op fysiek vlak onderontwikkeld:
[…] het was een tenger meisje met onrustigen, schuwen blik, dat onbewegelijk toezag en de liefkoozingen van Grootvader en Tante weinig beantwoordde. Césarine was teleurgesteld een lichamelijk zoo weinig ontwikkeld kind aan te treffen: Zénobie was omtrent negen jaar en scheen haar uiterst klein. (KD, p242-243)
De vermoedens van Césarine zijn dan ook niet uit de lucht gegrepen, het gesprek tussen Épuron en zijn schoonvader over de dood van Julie bevestigt het een en ander:
‘Juist als hare moeder,’ zei de rampzalige grijsaard met gebogen hoofd, en na eene poos opziende: Épuron, van dit alles weet Césarine niets; maar zij heeft vermoedens, hare verbeelding is getroffen: zij is somtijds angstig en gejaagd, en zoo zij de waarheid moest onderscheppen, zou ik ook voor dàt kind te vreezen hebben […].’ (KD, p250)
De vader herkent de symptomen van krankzinnigheid bij zijn jongste dochter en vraagt Épuron de werkelijkheid voor haar te verzwijgen om erger te voorkomen. Of haar veronderstellingen nu juist zijn of niet, Césarine haalt zich inderdaad allerlei zaken in het hoofd en hierdoor raakt haar geest overspannen. Dit maakt haar een typisch nerveus temperament. Wanneer zij alleen op haar kamer zit en voor haar raam de gebeurtenissen van de dag overdenkt, maakt de verteller de volgende opmerking:
Zij onderging den ongenoeglijken invloed van het onweder, en werd bestormd door allerlei tegenstrijdige gevoelens en gewaarwordingen, die zij trachtte te doorgronden, en waaruit het haar voorkwam, dat zij moeilijk klaar kon worden. (KD, p252)
Hier vinden we de metafoor van het onweer voor een eerste keer in het werk van Loveling terug. Ook in de latere romans zal die vaak worden aangewend om de bedreiging van erfelijke aandoeningen te symboliseren. Net zoals een onweer de hele dag in de lucht hangt en dan plots losbreekt, zo zijn erfelijke aandoeningen sluimerend aanwezig voor ze fataal uitbreken. Maar voor het dus zover is, moet er nog een en ander voorvallen. Épuron en Césarine gaan vertrouwelijk met elkaar om en onvermijdelijk komen de vroegere gevoelens van verliefdheid terug. Uiteindelijk bekent Épuron dat het huwelijk met Julie tegen zijn zin was gebeurd en dat hij veel liever Césarine als zijn bruid had gehad. Hij vraagt haar dus ten huwelijk, maar voor Césarine haar toestemming geeft, moet er nog iets van haar hart. Ze vertelt haar bange vermoedens over de krankzinnigheid van Julie. Épuron ontkent, zoals de oude vader had opgedragen, de ware toedracht van Julie’s dood. Césarine reageert opgelucht, maar de manier waarop ze reageert toont weer haar nerveuze temperament:
‘Wat ben ik blijde,’ hernam zij, ‘ik wilde het u niet zeggen, Épuron; maar mijn hoofd is soms zoo bedwelmd, mijne verbeelding neemt de bovenhand op mijne rede. O!’ en zij drukte hare handen op hare slapen, ‘en hier spant en klopt en gloeit het dan zoo vervaarlijk, en ik verbeeld mij, dat ik zinneloos moet worden, omdat de waanzin in onze familie erfelijk is; want indien Julie het ook geweest ware, hoe zou ik alleen overschieten?’ (KD, p262)
Meteen na de bekendmaking van de verloving neemt het verhaal een onverwachte wending. Zénobie, die in dezelfde kamer als Césarine slaapt, maakt haar tante midden in de nacht wakker en waarschuwt haar voor een huwelijk met haar vader. Zonder dat haar vader het wist, heeft zij gezien hoe hij haar moeder vergiftigde. Zij kent dus de ware doodsoorzaak van haar moeder en wil voorkomen dat Césarine hetzelfde overkomt. Césarine reageert eerst ongelovig, maar dan dringt langzaam het besef tot haar door dat Épuron een moordenaar is en dat Julie misschien helemaal niet krankzinnig gestorven is. Eigenlijk weet Césarine niet meer wat ze moet geloven, haar geest is totaal overspannen:
‘Maar zij was zinneloos,’ kreet Césarine, zich thans aan deze onderstelling als aan een laatste redmiddel vastklampend. ‘Zij was zinneloos, Zénobie.’
‘Zij was het niet,’ klonk het beslissend antwoord.
‘Neen, zij was het niet,’ dacht Césarine: haar vader had het gezegd, en Épuron had het bevestigd. Maar als zij niet zinneloos was, dan moest Épuron een misdadiger zijn!….
En lang nadat de kleine in haar bed was teruggekeerd, bleef Césarine opzitten: zij drukte de handen op haar voorhoofd om den hevigen gloed in haar hersens te stillen, en door kwelling en ontsteltenis overmand, viel zij uiteindelijk ontzenuwd achterover op hare peluw. (KD, p269)
Aan de bekentenissen van Zénobie wordt niet onmiddellijk gevolg gegeven. Épuron is naar Nederland om een portret in opdracht te schilderen en in de tussentijd is Césarine overmand door de zenuwen in een staat van onverschilligheid verzonken. Wanneer Épuron terugkeert, komt daar niet meteen verbetering in. Uit onzekerheid over haar lot blijft Césarine de trouwdag uitstellen. Tot een huwelijk zal het ook nooit komen, want opeens slaat het noodlot toe. Éloi bewaart de brieven van Julie en op een dag betrapt hij Zénobie die de brieven heeft ingekeken. In paniek uit Zénobie de vrees voor haar vader en plots begrijpt Éloi wie hij moet wreken voor de dood van zijn geliefde zuster. De volgende ochtend wordt het lijk van Épuron door de nachtwachter binnengebracht en al gauw blijkt dat Éloi de moord heeft gepleegd.
De plotwendingen op het einde zijn nogal vreemd omdat ze de tot dan toe opgebouwde spanning onderuit halen. Het verhaal laat de lezer vermoeden dat Julie aan krankzinnigheid is overleden en dat Césarine eenzelfde lot staat te wachten. Maar dan blijkt plots dat Julie vermoord is door Épuron en beweert Zénobie – net zoals Épuron en de vader al lange tijd beweren – dat Julie nooit krankzinnig is geweest. Nu kan het kind natuurlijk zelf krankzinnig zijn, wat niet vreemd hoeft te zijn in een familie die erfelijk belast lijkt door krankzinnigheid. Het is ook duidelijk dat Césarine zelf geleidelijk aan haar verstand aan het verliezen is is, in ieder geval vertoont ze net zoals haar moeder en haar broer tekens van krankzinnigheid. Deze gegevens dragen bij tot de vooropgestelde erfelijkheidstheorie, krankzinnigheid is als erfelijke aandoening een kenmerk van praktisch alle familieleden. Niettegenstaande blijft de precieze toedracht van de feiten onduidelijk. De vraag of deze onduidelijkheden bewust in het verhaal zijn ingebouwd dan wel te wijten zijn aan een onevenwichtige verhaalopbouw, kan hier niet meteen beantwoord worden. Wél duidelijk is dat van de gelezen novelles ‘De kwellende gedachte’ (1876) de enige novelle is die de vermeende degeneratie van de personages determineert aan de hand van medisch-wetenschappelijke veronderstellingen, met name het erfelijkheidsmotief.
3.2 De latere romans
De romans Erfelijk belast (1906) en Een revolverschot (1911) zijn duidelijk naturalistisch van thematiek en opbouw. In deze romans past het gebruik van wetenschappelijke en medische theorieën dan ook binnen de naturalistische inspiratie. Het is niet de bedoeling om in dit hoofdstuk (en de nog volgende hoofdstukken) een volledige inhoudelijke en vormelijke analyse te geven volgens de kenmerken van het naturalisme. Er zal enkel worden gezocht naar de aanwezigheid van het degeneratiedenken in de karakterisering van de personages en hun omstandigheden. Aandacht gaat hierbij voornamelijk uit naar de determinerende factoren erfelijkheid en temperament, eventueel naar het bredere deterministische verhaalplan. Centraal staat steeds de psychologische analyse van een ziekelijke natuur, in de regel een nerveus temperament. De erfelijkheid wordt dus het centrale motief, het is de erfelijke aanleg die de fysieke én psychische constitutie van de hoofdpersonages bepaalt.
In Erfelijk Belast (1906)[52], de eerste roman die hier aan bod komt, zijn veel passages terug te vinden die doen denken aan de degeneratieleer. De twee hoofdpersonages, Otto en Berenice, zijn – zoals de titel aangeeft – erfelijk belast. De precieze conditionering van hun aandoeningen maakt dat we deze personages met wetenschappelijke zekerheid als dégénérés kunnen beschouwen. Het feit dat Otto geneesheer is van opleiding en hij dus bij zichzelf én bij Berenice de degeneratieverschijnselen kan vaststellen, verhoogt verder de autoriteit van de gehanteerde theorieën. De eerste keer dat Otto in de roman voorkomt, geeft hij meteen het kader waarbinnen hij zijn eigen degeneratie ziet. Otto heeft voor een korte vakantie de stad waar hij studeert verlaten en in het dorp van zijn jeugd ziet hij de jaarlijkse processie passeren. De verteller beschrijft wat Otto ziet:
Gedachten bestormden hem; visioenen bleven hem bij: schittering, zilver, fluweel, wuivingen van kleuren en wit, veel voorbijgetrokken wit. Neen, het was al dàt niet, wat zijn geest vervolgde: de verwaarloosde houding, het lompe van den gang, het onbeschaafde in de gebaren van al die deelnemenden? Ja, wel wat daarvan; doch hetgeen hem had getroffen was het zwakke, ellendige, ongezonde in de groep der weeskinderen. Welk een ras, welk een opvoeding: gebogen over ’t kantwerkkussen heel den dag, voor een karig loon, in dompe, slecht verluchte zalen! Hoevelen groeiden er op? hoevelen onderlagen er niet, voordat ze volwassen waren! En was dit laatste niet het wenschelijkste voor hen zelven en voor het ras? Waarom moesten zulke zwakke schepsels bestaan, en zich voortplanten en heele geslachten van klierziekten en beenderziekten voortbrengen? Waarom geen wetten daartegen, waarom geen keuze, als bij de teelt van nuttig dierensoort. (EB, p40-41)
Otto geeft de redenen waardoor de weeskinderen zo zwak zijn geworden: de opvoeding en de omstandigheden waarin ze opgroeien, maar voornamelijk toch het ras. Hij vervloekt zelfs het ras, hij verwijt de ouders die door hun eigen ziektes het nageslacht belasten met klierziektes en beenderziektes. De degeneratie die hij bij de massa vaststelt is dus in de eerste plaats erfelijk gedetermineerd. Otto is bovendien getroffen door de situatie van de weeskinderen, vooral omdat die hem aan zijn eigen toestand doet herinneren. Zijn zwakke fysiek is eveneens erfelijk gedetermineerd en zijn toekomst is even uitzichtloos:
Hij ging voor zijn spiegel staan en keek zichzelven aan: hij was er ook zoo een, ja, zoo een van die erfelijk belasten, zonder het anker der hoop, voor wie als hij klaarziende was, en moedig genoeg om de waarheid naakt te bekijken: zijn moeder aan tering verkwijnd, zijn vader, thans wist hij het, afgeleefd vóor het huwelijk, lam, blind, onnoozel gestorven! En hij vloekte weer:
‘Welk een erfdeel!’ bromde hij, zijn gestalte en trekken gruwzaam-smartelijk ontledend:
Middelmatig van gestalte, recht de beenen, recht het lijf, ja, dat zag hij met zekerheid, want meer dan eens had hij zich met twee spiegels aangekeken: de hals kort, de schouders breed en ja, de hals kort; de borst nogal hoog. Zou men, van voren gezien, niet juist zeggen: een bult? Zelfs het hoofd en het gelaat deden daaraan denken: het prachtig rijk-donker, overvloedig haar, met goud-tonen daarin, de treurige oogen, de bleekheid en vooral de sterk-ontwikkelde mond met dien bijzonderen rimpel-trek van onderworpen lijden, door vroolijkheid verborgen bij een schellen lach. Hij zocht hoe hij het noemen zou, dat smartelijk-zonderlinge in zijn gelaat, dat anders niet leelijk was: ‘Een inwendige bult, daar heb ik het,’ zei hij met een bitteren grijns van zelfkwelling.
‘Nooit, nooit, ik zal ten minste wijzer zijn dan velen, nooit, nooit zal ik trouwen, nooit de wereld met rampzaligen helpen bevolken, nooit!’ (EB, p41-42)