De Europese visie op de niet-Europeanen tijdens de verlichting 1687-1800. Casus: de westelijke en zuidwestelijke kuststrook van het Arabisch schiereiland (op basis van reisverhalen/- verslagen). Een geamuseerde neerbuigendheid verdringt huivering? (Pieter Deschoolmeester)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Hoofdstuk 1

EEN UITVOERIGE SCHETS VAN DE VOORNAAMSTE ONTWIKKELINGEN IN HET VERLICHTE EUROPA

 

I.1. Europa en de Verlichting:
een korte kennismaking met de voornaamste karakteristieken

 

 In tegenstelling tot wat velen misschien zullen denken, duikt het woord Verlichting als aanduiding van een cultuurhistorische periode, voor het eerst op in het nog in hoge mate onderontwikkelde achttiende-eeuwse feodale Duitse Rijk. Frankrijk en Engeland mogen dan wel beschouwd worden als de bakermat van alle nieuwe, antifeodale ideeën, door de toenmalige denkers en filosofen over het grootste deel van Europa verkondigd, toch dankt de term Verlichting haar betekenis aan de Oost-Pruisische filosoof, Immanuel Kant. Toen een invloedrijke Duitse krant, de ‘Berlinische Monatsschrift’, hem in 1784 vroeg wat de term Verlichting beduidde, antwoordde hij als volgt:

‘Verlichting is het uittreden van de mens uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft. Onmondigheid is het onvermogen zich van zijn verstand te bedienen zonder de leiding van een ander. Men heeft deze onmondigheid aan zichzelf te wijten, wanneer de oorzaak ervan niet in een gebrek aan verstand, maar in een gebrek aan vastberadenheid en aan moed ligt, zich van zijn verstand zonder leiding door een ander te bedienen. Het adagium van Horatius: Sapere aude, heb de moed, je van je eigen verstand te bedienen. is derhalve de lijfspreuk van de Verlichting.’[6]

 

 Het Kantiaanse denken impliceert met andere woorden dat enkel wie zichzelf van de waarheid probeert te vergewissen de waarheid deelachtig wordt en niet hij die blindelings gelooft en gehoorzaamt. Als wapen in deze symbolische strijd tegen het dogmatische geloof en de slaafse gehoorzaamheid gebruikte men de menselijke ratio. Het uitgangspunt was de wetenschapsrevolutie van de Nieuwe Tijd. Dankzij de successen die de wetenschappen sinds de renaissance hadden geboekt, had de mens immers blijk gegeven van een onbeperkte inventiviteit en creativiteit. Steunend op het menselijk verstand lagen er dus ongekende mogelijkheden in het verschiet. Men moest enkel ‘durven te weten’. ‘Sapere Aude’ was de lijfspreuk van de Verlichting, Verlichte filosofen en geesten haar adepten. Bedoeling was een aanzet te geven tot een nieuwe manier van denken, de aankondiging van een gloednieuw hoofdstuk in de geschiedenis der mensheid. Voorgaande generaties werden daarom niet van kritiek gespaard: zij waren laf en lui geweest, ze hadden nooit de moed kunnen opbrengen om zelfstandig kennis op te doen. In zijn ‘Het Europese denken in de achttiende eeuw’ typeert de vermaarde cultuurfilosoof Paul Hazard hen als volgt:

‘Zij hadden gedwaald omdat ze in duisternis waren gehuld, omdat ze hadden moeten leven te midden van de nevelen, van de mistflarden van de onwetendheid, van de wolken die de rechte weg verduisterden, er had een blinddoek over hun ogen gelegen. De vaderen waren blinden geweest, maar de zonen zouden de kinderen van het licht zijn.’[7]

 

 Overduidelijk zou de Verlichting een keerpunt worden in de geschiedenis van de mensheid: eeuwen lang was men immers de slaaf van onwetendheid geweest. In de tijden vóór de Verlichting had men het ‘licht’ moeten ontberen, maar plots, als bij wonder, gaf het krachtige licht van de rede hen in de achttiende eeuw de moed het tij te doen keren! Eindelijk was het moment aangebroken waarop men het oude Europa, met al zijn beperkingen, gebreken, en kwalen kon inruilen voor een nieuw, dynamisch en gezond Europa.

Dit opzet kon echter niet op individuele basis worden gerealiseerd. Men moest de krachten bundelen. Enkel samen konden Verlichte geesten bouwen aan een betere toekomst. Volgens de beroemde ‘Encyclopédie’ van Diderot en D’Alembert was deze ‘Verlichte geest’ iemand die zich door de rede liet leiden, die slechts na reflectie handelde, die niets aanvaardde tenzij op basis van ervaring en die zich goed voelde in deze wereld.[8] Een kritische houding en aversie tegenover elk overgeleverd gezag en overgeleverde waarheid behoorden onvermijdelijk tot de voorwaarden om tot het clubje van Verlichte geesten te behoren. Geestelijke ongebondenheid, los of bevrijd van vrijheidsbeperkende politieke en religieuze instituties[9], droeg men dan ook hoog in het vaandel.

 Vanzelfsprekend kwamen religie en godsdienst hierdoor hoe langer hoe meer onder vuur te liggen. Parallel met de evolutie -zelfs met de revolutie- van de wetenschappen betrapte men de bijbel steeds vaker op tegenstrijdige uitspraken en fouten. De tijd waarin men voor elk verschijnsel een goddelijke verklaring zocht en tevens vond, was voorgoed voorbij. Sterker nog, de oude religie werd gaandeweg gewoon vervangen door een nieuwere, modernere en meer dynamische: het ongeremde geloof dat, steunend op de rede als motor voor emancipatie en vooruitgang, mens en samenleving verbeterbaar waren.

De Verlichte filosofen mogen dan wel afkerig geweest zijn tegenover het bijbelse gezag, toch weerhield hen dit niet de naam van het Nieuwe Tijdperk te ontlenen aan de christelijke religie. De lichtmetafoor, en al haar connotaties -in Duitsland sprak men van ‘Aufklärung’, in Frankrijk van ‘Siècle des lumières’, in Italië van ‘Illuminismo’[10] en in Spanje van ‘Ilustración’[11]- worden namelijk in talrijke passages van de Heilige Schrift gebruikt om de heerlijkheid Gods aan te duiden. ‘God is het licht en er is in Hem geen spoor van duisternis’ schreef de evangelist Johannes in zijn eerste brief. Ook Jezus Christus noemde zichzelf ‘het licht der wereld’, en spoorde de mensen aan ‘Hem te volgen wilden deze niet in duisternis gaan’.[12] De achttiende-eeuwse filosofen traden met andere woorden in het voetspoor van de eerste verspreiders van het christendom. Dit deden ze echter niet meer om de mensheid aan te zetten te leven als Christus, maar om hen te stimuleren tot zelf-denken, tot de poging alles te zien en te beoordelen ‘in het licht der rede’.[13] De gedachte van de lichtmetafoor werd vervolgens op alle vlakken gemeengoed. Stilaan versoepelde de band met het religieuze, en, aldus Paul Hazard, was het voortaan:

‘de toorts, de lamp die al wie het wil met zijn schijnsel leidde en begeleidde bij hun denken en doen, het was de beloftevolle dageraad, het daglicht, en de zon die onafgebroken, steeds eender en blijvend scheen…’.

 

 Dankzij Isaac Newton wist de achttiende-eeuwse filosoof dat de wereld maakbaar was, dat de mens in staat was greep te krijgen op de werkelijkheid. Zijn theorieën waren zowel de bekroning van de vooruitgang die de wetenschappen sinds de wetenschapsrevolutie van de Nieuwe Tijd hadden geboekt als de basis voor de latere natuurkunde. Op de vooravond van de Verlichting dokterde deze Engelse geleerde een methode en een model uit die de mens in staat stelden op een steeds snellere manier betrouwbare kennis op te doen. Daarenboven kon deze denkwijze gebruikt worden om de natuur aan de mens dienstbaar te maken.

Het enthousiasme dat zich door die ontdekking overal liet gevoelen sterkte de overtuiging dat zowel dit model als deze methode op de mens zelf en op de maatschappij van toepassing moesten kunnen zijn.[14] Mettertijd groeide dan ook het besef dat de samenleving genezen kon worden. Hiervoor moest men enkel bepaalde van haar kwalen zoals onderdrukking, onverdraagzaamheid, onwetendheid en bijgeloof, weten uit te roeien. Zo zouden de mensen geestelijk, stoffelijk en zedelijk vooruitgang boeken en ‘hier en nu’ een geluk kunnen vinden, een geluk dat volgens Kerk en godsdienst een zaak van een andere wereld was.[15]

 Voor de Verlichte geest waren enkel het ‘hic et nunc’ en de toekomst van tel. Het verleden werd de rug toegekeerd. Het aardse geluk en het streven naar dit geluk waren de universele obsessies van de door de rede Verlichte mens. Alleen de waarden die konden bijdragen tot dit geluk waren van belang.[16] Al gauw werden ze door menig dichter bezongen en bejubeld.

Alhoewel de zoektocht naar dit geluk ontaarde in een ware ‘queeste’, die velen tot dromen aanzette, bleef men optimistisch. Escapisme en fantasie kleurden het literaire landschap van de Verlichting, terwijl de frivoliteit, speelsheid en luchtigheid van de rococostijl, die door zijn gerichtheid op het onmiddellijke genot volledig inspeelde op de noden van de Nieuwe Tijd, de grilligheid en theatraliteit van de barokke kunst wisten te verdringen. De rococostijl zou echter geen lang leven beschoren zijn. De periode van de Verlichting was namelijk het tijdperk van de rede. De rococo, die met zijn speels- geraffineerde gevoeligheid eigenlijk niks meer was dan een uitloper van de emotioneel- geladen barok, werd daarom al gauw door het op eenvoud en soberheid geïnspireerde classicisme verdrongen. Net zoals tijdens de renaissance, weliswaar na een intermezzo van enkele eeuwen barokke kunst, herleefde in de eeuw van de Verlichting de kunst van de antieke Oudheid.

 Het universele recht op geluk en welbehagen had eveneens politieke consequenties. Achttiende-eeuwse filosofen en politieke denkers bogen zich massaal over hun schrijftafel met de bedoeling een menselijker en minder verstard staatsmodel conform de basisideeën van de nieuwe mentaliteit: met name politieke vertegenwoordiging en rechten voor het individu en de garantie op diens persoonlijke vrijheid, te ontwerpen. [17] Dergelijke nieuwe politieke cultuur drong zich voor het eerst op in Engeland met de ‘Glorious Revolution’ in 1688. Weldra zou ze navolging kennen buiten Engeland en heel wat latere dragers van regeringsverantwoordelijkheid beïnvloeden.

 De klemtoon die werd gelegd op de vrijheid van het individu vertaalde zich al gauw op het economische vlak. We zien namelijk in de loop van de achttiende eeuw het ontstaan van een groeiende oppositie tegen de mercantilistische en protectionistische doctrine. Velen poogden de staatsgeleide economie ten voordele van een vrijhandel om te buigen. De aanzet van de tendens om de economie op liberale leest te schoeien, werd gegeven in de achttiende eeuw; in de negentiende eeuw zou ze vervolgens worden voltooid.

 Naast de politieke emancipatie van de burgerij werd de achttiende-eeuwse mens sociaal vooral gekenmerkt door zijn verenigingsdrang of sociabiliteit. Meerdere uren sleet hij in de vele koffiehuizen, literaire salons en genootschappen die in de loop van de achttiende eeuw als paddestoelen uit de grond rezen om er nieuwtjes uit te wisselen, nieuwe boeken of tijdschriften te commentariëren of om er te debatteren en te filosoferen omtrent allerhande morele kwesties. Het debat werd toen allerminst geschuwd. In de diverse liberale grondwetten die in de loop van de achttiende eeuw het levenslicht zagen, werd vrijheid van pers en opinie gegarandeerd. Hierdoor kon kennis ongeremd worden uitgewisseld. Kranten en tijdschriften, die de tijdgenoot op de hoogte van zowel binnenlandse als buitenlandse verwikkelingen moesten houden, werkten deze tendens in de hand en bespoedigden de doorstroming van informatie. Horizonten konden worden verlegd, de geografische kennis kon worden verruimd en nieuwsgierig begon men zich af te vragen wat er zich buiten de landsgrenzen en de grenzen van de eigen cultuur afspeelde.

Geleidelijk aan trokken de mistflarden op waarin de laatste onbekende plaatsen van de buiten-Europese wereld tot op de vooravond van de Verlichting waren gehuld. Europa had zijn blinddoek afgezet en aanschouwde een nieuwe wereld. Daarvoor was echter moed nodig, veel moed! Gelukkig gaf het adagium van Horatius, ‘Sapere Aude’, de Europeanen hierbij een extra duwtje in de rug.

 

 

I.A. SAPERE AUDE: DE WETENSCHAPPELIJKE EN INTELLECTUELE ONTWIKKELINGEN IN HET VERLICHTE EUROPA

 

I.A.1. De wetenschapsrevolutie van de Nieuwe Tijd als aanloop naar het tijdperk der Verlichting

 

 De verruiming van de menselijke geest en de scepsis tegenover antiekbijbelse gezagsargumenten waren ondenkbaar zonder de vooruitgang die de wetenschap in de loop van de Nieuwe Tijd reeds had geboekt. Niet voor niets lag het uitgangspunt van de Verlichting in de successen van de wetenschap. De wetenschapsrevolutie van de Nieuwe Tijd bracht de positie van de bijbel als allesomvattend verklaringsmodel aan het wankelen. Hoewel tot op de vooravond van de Nieuwe Tijd alle wetenschap in de Heilige Schrift werd geïntegreerd, en alle concrete kennis eruit werd gededuceerd, kwam deze vanaf de zestiende eeuw hevig onder vuur te liggen.

Dit kwam aanvankelijk het sterkst tot uiting op het domein van de astronomie. Het traditionele geocentrische wereldbeeld van Aristoteles en Ptolomeus moest er het eerst aan geloven. Met zijn ‘Revolutionibus Orbium Caelestium’ trachtte Copernicus in 1543 aan te tonen dat niet langer de aarde, maar de zon het middelpunt van de kosmos was. Een nieuw wereldbeeld was geboren: het heliocentrisme. Alle planeten, de aarde incluis, cirkelden volgens deze controversiële Poolse geleerde voortaan rond de zon. Van een radicale breuk met de antiekbijbelse traditie was er wel nog geen sprake! Copernicus bleef geloven dat, dit volledig naar de opvatting van de traditie, de planeten perfecte en volmaakte cirkelvormige banen beschreven.

Twee andere sterrenkundigen, Galilei en Kepler gingen hierin een stap verder. Levend in een tijd waarin haast iedereen nog het prille heliocentrisme verwierp, probeerde Galilei de wereld der geleerden te overtuigen van het ongelijk van Aristoteles en Ptolomeus. Vernieuwend was dat deze Toscaanse geleerde het draaien van de aarde rond de zon trachtte aan te tonen, dit door zich zowel te beroepen op de zintuiglijke waarneming, als door het interpretatiekader -de achtergrond van waaruit dit verschijnsel werd geïnterpreteerd- volledig te veranderen. Zijn nieuw begripsmatig onderscheid tussen werkzame en niet-werkzame beweging moest deze theorie staven.[18]

Galilei leverde een symbolisch gevecht tegen de bierkaai. Wetenschappers waren niet happig de theorie van deze miskende geleerde te aanhoren, laat staan te geloven. Reacties van andere geleerden lieten niet lang op zich wachten! In wetenschappelijke kringen werd hij beschimpt en uitgelachen, maar ook in kerkelijke milieus kon zijn theorie op weinig bijval rekenen. ‘Traditionele opvattingen verandert men immers niet’, moet de inquisitie gedacht hebben toen deze in 1616 met Galilei in een hevig conflict verwikkeld geraakte.

 Even baanbrekend voor de heliocentrische theorie was de Duitse astronoom Kepler. Ook hij was een fervent voorvechter van de ideeën van Copernicus. Anders dan zijn Poolse voorganger verdedigde hij de stelling dat de planeten geen cirkelvormige, maar ellipsvormige banen beschreven, dit met de zon in een van de brandpunten. De beweging der planeten geschiedde dus niet langer volgens het model van de cirkel, tot dan toe beschouwd als de meest volmaakte figuur, als symbool van de Schepping en het goddelijke. In navolging van Copernicus en Galilei werd zo opnieuw de geloofwaardigheid van het antiekbijbelse verklaringsmodel weer wat meer aangetast. Toch bleef elk van deze sterrenkundigen God zien als het ‘Primum Mobile’, als het mechanisme dat de kosmische beweging bepaalde! God beheerste de natuur en daar was geen woord tegen in te brengen.

 

I.A.2. De Newtoniaanse methode opende nieuwe deuren

 

 Op een nieuw, allesomvattend wereldbeeld blijft het wachten tot in 1687, het jaar waarin Isaac Newton zijn ‘Philosophiae naturalis principia mathematica’ publiceerde. Naast de ‘Glorious Revolution’ en John Lockes eerste werken (1688-89), wordt de publicatiedatum van dit werk doorgaans aanzien als het tijdstip waarop de Verlichting begon. Enerzijds was het de voltooiing van alle hervormingen die de mechanica en de astronomie in de zestiende en de zeventiende eeuw hadden ondergaan, anderzijds vormde het het fundament van de natuurkunde van de achttiende en de negentiende eeuw.

Een nieuwe, door deze Engelse natuurwetenschapper en filosoof uitgedokterde ‘onderzoeksmethode’ maakt dit werk op het vlak der wetenschappen uitermate bijzonder, buitengewoon uniek en bovendien werkelijk baanbrekend. Deze onderzoeksmethode, gebaseerd op waarneming, proefneming, generalisatie en toetsing, bood namelijk de sleutel tot de kennis om wiskundige formules rond natuurkundige verschijnselen te construeren en deze derhalve op die manier te verklaren. Hierdoor was het voor de mens voortaan mogelijk de natuur te begrijpen. Daarom mag Newtons ‘Philosophiae’ terecht gezien worden als een mijlpaal in de geschiedenis der wetenschap.

Doordat elk verschijnsel van de werkelijkheid nu een wiskundige verklaring bleek te hebben, kwamen vele gevestigde waarheden op de helling te staan. Zo kon dankzij Newtons gravitatietheorie de in de voorgaande eeuw zo vaak gestelde vraag naar de wetmatigheden in de beweging van haar metafysische interpretatie losgekoppeld worden, en was het eindelijk mogelijk Keplers wetten der planeetbeweging te verklaren.

Nog meer revolutionair was dat deze gravitatiewet niet enkel meer op de beweging der planeten maar op gans het universum betrekking had. Newton slaagde er met andere woorden in om, in de vorm van een mechanisme dat geleid werd door natuurwetten en bovendien in wiskundige formules kon worden beschreven, een nieuw, coherent kosmisch stelsel op te stellen.[19]

 Het besef dat de wereld ineens maakbaar was, dat men de natuur naar zijn hand kon zetten, opende voor de mens nieuwe perspectieven. Newton werd bezongen, op handen gedragen en verafgood. Eigentijdse dichters, zoals bijvoorbeeld Alexander Pope, aarzelden niet Newton hun lof te betuigen: ‘De natuur en haar wetten lagen in de nacht verborgen. God zei, er zij Newton! en alles baadde in licht’, toverde Pope uit zijn pen.[20]

Dankzij Newton kon de mensheid een nieuwe episode van haar geschiedenis aanvatten en tegelijkertijd een oude de rug toekeren. Men zou inderdaad niet langer meer hoeven achteruit te kijken naar een duister en gitzwart verleden. Waarom zou men? Een toekomst van ongekende en onbeperkte mogelijkheden voor de mens lag in het verschiet. Scepsis en empirie hadden uiteindelijk slaafse gehoorzaamheid en volgzaamheid weten te verdringen. De mens zette nu zelf de wereld naar zijn hand. Hierdoor raakte de opvatting dat het God was die onze levensloop bepaalde meer en meer in diskrediet. Men wilde nog wel geloven dat God de wereld had geschapen, maar men was er ook van overtuigd dat Hij zich daarna schielijk achter de coulissen van het ‘theatrum mundi’ had teruggetrokken.[21] Het Deïsme was geboren. Een honderdtal jaar later zouden Franse revolutionairen zich nog radicaler tegenover hun Schepper opstellen en hem heel eenvoudig dood verklaren.

 

 Verder bouwend op de verworvenheden van de zeventiende eeuw zindert de achttiende eeuw van de ontdekkingen en uitvindingen. Zonder de microscoop, een instrument dat omstreeks 1680 door Van Leeuwenhoek werd uitgevonden, was het voor de Franse natuurkundige Georges-Louis Leclerc, alias de hertog van Buffon, onmogelijk geweest om de microkosmos te exploreren. Zijn werk over de groei en de voortplanting van planten en dieren, op basis van talrijke dissecties, microscopische waarnemingen, experimenten en opgravingen, resulteerde in een voor het antiekbijbelse verklaringsmodel wel zeer compromitterende theorie. Uit deze studie bleek de wereld en het leven op aarde namelijk een geschiedenis te hebben die wel eens veel ouder kon zijn dan wat het boek Genesis vooropstelde. Een gewaagde stelling was dit, die hem dan ook prompt een veroordeling van de Parijse faculteit der Theologie, de Sorbonne, opleverde.[22] Omdat we aan deze Franse geleerde het besef te danken hebben dat de aarde niet een statische maar een evoluerende realiteit is, beschouwt de cultuurfilosoof Michel Faucault hem als één van de stamvaders van het natuurwetenschappelijke denken. Bovendien legde Buffon de basis van de evolutietheorie. Lamarck, een leerling van Frankrijks belangrijkste achttiende-eeuwse natuurexplorator, samen met Charles Darwin, zouden in de volgende eeuw deze leer verder uitwerken en de mythe van Adam en Eva definitief doorprikken.

 Alhoewel de medische wetenschappen vooral pas vanaf de negentiende eeuw enorme vooruitgang zouden boeken, stond de medische kennis allesbehalve stil. Zo lag de toenemende wetenschappelijke belangstelling voor de menselijke psyche in de eeuw van de Verlichting aan de basis van het ontstaan van de psychiatrie, en kreeg men toen voor het eerst in de geschiedenis aandacht voor de ‘waanzin’ als ziekte, met andere woorden als iets ‘geneesbaars’.

Verder zagen, dit ter ondersteuning van diverse raciale theorieën (waarover later meer), hoofdzakelijk fysionomische en anatomische traktaten in de loop van de achttiende eeuw het levenslicht. Achteraf mag dan wel gebleken zijn dat de meeste van deze theorieën geen steek hielden, toch gaven ze in vergelijking met de voorgaande periode de aanzet tot een meer grondige studie van het menselijke lichaam. Vooral de werking en de structuur van het organenstelsel vormden toen in de wetenschappelijke academies een geliefkoosd onderwerp.

 Onder impuls van het steeds groter wordend contact met de buiten-Europese plantenwereld kende ook de botanische wetenschap in de periode van de Verlichting een grote bloei. De Europese wereld kwam namelijk in contact met nieuwe helende en verdovende plantensoorten, wat uiteraard de westerse geneeskunde ten goede kwam.

 Ook op het vlak van de scheikunde boekte de Newtoniaanse onderzoeksmethode in de achttiende eeuw grote successen. Steeds meer doeltreffende proefnemingen stelden wetenschappers in staat alsmaar dieper inzicht te krijgen in de structuur van de materie. Henry Cavendish isoleerde waterstofgas, Joseph black ontdekte koolzuurgas en Antoine Lavoisier kon proefondervindelijk aantonen dat water een mengsel van zuurstof en waterstof was.[23] Water, dat sinds de natuurfilosofen uit de Oudheid samen met vuur, aarde en lucht de vier oerelementen vormde, bleek hierdoor niet langer ondeelbaar te zijn. Weerom had proefondervindelijk wetenschappelijk onderzoek ervoor gezorgd dat een oude traditie op de helling kwam te staan. Met Lavoisiers oxidatietheorie kon bovendien het oude mysterie van het vuur worden opgelost. Nauwkeurige warmtemeting was sinds de eerste helft van de achttiende eeuw dan weer mogelijk dankzij de uitvinding van de thermometer, dit zowel door de Duitser Fahrenheit, de Zweed Celsius als de Fransman Réaumur.[24]

Elektriciteit was eveneens een achttiende-eeuwse ontdekking. Vanaf 1745 kon zelfs een opgewekte elektrische lading dankzij de beroemde Leidse fles van Pieter van Musschenbroek in een condensator worden opgeslagen.[25]

Een andere pionier op het vlak van de elektriciteit was de Franse fysicus Charles Augustin de Coulomb, aan wie we de methode om een elektrische lading te meten te danken hebben. Over de manier waarop deze pas ontdekte kracht de mensheid van dienst kon zijn tastte men nog in het duister, stoomkracht echter had zijn nut reeds bewezen! Al in 1705 had Newcomen de laatste hand aan zijn stoompomp gelegd. Kort na 1785 kon Watts stoommachine voor industriële doeleinden worden ingezet en met de uitvinding van de schietspoel door Kay in 1733 en het mechanische weefgetouw door Cartwright in 1785 was de industriële revolutie een feit.

 Net zoals de verkenning van de microkosmos onmogelijk was zonder de uitvinding van de microscoop, waren Galilei’s uitvinding van de lenzentelescoop en Newtons spiegeltelescoop onmisbare instrumenten ter verkenning van de macrokosmos. Achttiende-eeuwse astronomen speurden gretig het heelal af in de hoop door de ontdekking van nieuwe planeten en kometen eeuwige roem te verwerven. Zo mocht Fredrich Wilhelm Herschel zich tot één van deze gelukkigen rekenen toen hij als eerste mens de planeet Uranus in het vizier kreeg.

Sinds Newton twijfelden achttiende-eeuwse wetenschappers niet langer aan de oneindigheid van het heelal; en sinds Buffons prille evolutieleer geraakten ze er steeds meer van overtuigd dat de mensheid het ontstaan van moeder aarde niet aan God te danken had, maar dat de aarde gewoon een stuk van de zon was, die eertijds door een komeet van deze ster werd losgerukt.[26]

De vermaarde wetenschapper Newton mag dan wel als vroom christen nog geloofd hebben dat God de loop der kometen bepaalde,[27]een even invloedrijke Engelse wetenschapper, Edmund Halley, hield er wat dit betreft een andere mening op na. In diens ‘Astronomiae Cometicae Synopsis’, een werk dat in het begin van de achttiende eeuw werd gepubliceerd, kon Halley door de concrete toepassing van Newtons gravitatietheorie, wiskundig verklaren waarom kometen in ellipsvormige banen rond de zon bewegen. Daarenboven kon deze wetenschapper de precieze duur van elke omwenteling berekenen, waardoor het definitieve bewijs geleverd werd dat de beweging der kometen niet langer het werk van een hogere macht kon zijn.

 Stap voor stap doorgrondde de Verlichte mens het oude mysterie van de natuur. Hiervoor was er echter moed nodig, veel moed want tradities waren heilig en veranderde men niet zomaar! De afbraak van het theologisch verklaringsmodel, een proces dat aanvankelijk zeer geleidelijk en dit aanvankelijk bijna uitsluitend op het vlak van de sterrenkunde, op gang kwam, werd in de achttiende eeuw, voortbouwend op de verworvenheden van de voorgaande eeuwen en Newtons kritisch- wetenschappelijke methode, in alle andere takken van de wetenschap waargenomen.

Dankzij de nieuwe wetenschap, die de mensheid aan Newton had te danken, waren haar mogelijkheden quasi onbeperkt. Theologische interventie om natuurkundige verschijnselen te verklaren werd steeds vaker overbodig. Hoe langer hoe meer groeide het besef dat de wereld maakbaar was, dat de mens ze zelf naar zijn hand kon zetten. Aan het succes dat de wetenschappen sinds de renaissance, maar vooral vanaf de achttiende eeuw boekten, leek geen einde te komen.

Wetenschap stond synoniem voor vooruitgang. Optimisme domineerde de tijdsgeest. Europa ging een rooskleurige toekomst tegemoet. De leuze ‘Sapere Aude: heb de moed je van je eigen verstand te bedienen’ werd in het Verlichte Europa dan ook steeds luider, steeds meer vastberaden, steeds krachtiger en ook steeds vaker gehoord.

 

I.A.3.  De encyclopedie

 

Uit wat vooraf gaat blijkt dat de wetenschappen zich in de achttiende eeuw zo snel ontwikkelden dat niemand nog de illusie had alles te kunnen overzien. De ‘Polyhistor’, de man die alles wilde weten wat er maar te weten viel, kon dit niet meer met behulp van zijn eigen verstand alleen. Daarvoor begon het palet aan wetenschappen stilaan uit haar voegen te barsten.[28] Toch wilde men alle wetenschap verzamelen en kritisch afwegen. Men wilde het weten ‘concreet’ -tot groter nut van elkeen- ter beschikking stellen.

Het was dankzij de redactie van de encyclopedie dat dit verlangen kon worden beantwoord. Een encyclopedie was immers het ideale instrument om de stand der kennis bij te houden. Ze was een bilan van wat reeds was gepresteerd en door haar elk jaar te actualiseren was ze voor het wetenschappelijke bedrijf bijgevolg ook een begroting voor de komende decennia,[29]een zekere brug naar de toekomst.[30]

De bekendste en voornaamste encyclopedie is ongetwijfeld de ‘Encyclopédie, ou Dictionnaire universel des Sciences, Arts et Métiers’, waarvan op 1 juli 1751 het eerste deel verscheen. Dit werkinstrument kwam, onder redactie van Diderot en D’Alembert, dit, in samenwerking met een schare uitgelezen medewerkers, de zogenaamde ‘encyclopedisten’, in Frankrijk tot stand. Door het ijltempo waarin de wetenschap zich ontwikkelde moest de encyclopedie zonder meer een collectieve onderneming van specialisten zijn.

 

 

I.B. DE RELIGIEUZE ONTWIKKELINGEN IN HET VERLICHTE EUROPA

 

I.B.1. Religie en Verlichting: een onmogelijke verzoening?

 

 Naarmate de achttiende eeuw verstreek en de wetenschap met reuzenschreden vooruitgang boekte, verloor God hoe langer hoe meer greep op de mensheid. Voor het eerst durfde men massaal de antiekbijbelse overlevering en dogmatische kennis te betwijfelen en kwam men tot het inzicht dat men evengoed vooruitgang kon boeken zonder zich krampachtig vast te klampen aan de wereldlijke en kerkelijke autoriteiten. Al gauw werd de plaats van de Schepper ingenomen door de Verlichte mens, die er rotsvast was van overtuigd dat hij de schepping kon beheersen, dat hij de realiteit met de rede kon vatten, dat hij natuurverschijnselen kon voorspellen, dat hij met andere woorden greep kon krijgen op de werkelijkheid.[31]

Uiteraard kwam de christelijke bijbel als bron van alle wetenschappelijke kennis, hierdoor hevig onder vuur te liggen. Terwijl dit een eeuw eerder nog ondenkbaar was, begon men op de vooravond van de Verlichting, dit aanvankelijk nog aarzelend en voorzichtig, maar weldra zonder scrupules noch schroom, de Heilige Schrift aan wetenschappelijke kritiek te onderwerpen. Koortsachtig werd gepoogd de bijbel op zoveel mogelijk contradicties en fouten te betrappen. Een meester hierin was de Franse filosoof Voltaire. In zijn ‘Dictionnaire Philosophique’ uit 1764 beschouwde hij alle wonderlijke zaken die geboorte, leven en dood van Jezus Christus begeleidden als verzinsels van de evangelisten. Christus was niet meer dan een gelovige jood, die uit jaloersheid door zijn vijanden werd vermoord, oordeelde hij, en al de rest was door de Kerk gefantaseerd. Karig met verwijten was hij evenmin voor de makers of bedenkers van de Heilige Schrift. In zijn ogen was de bijbel namelijk niets anders dan het werk van een primitieve maatschappij, vol bijgeloof en gedompeld in wilde passies.[32]

Ook bij baron d’Holbach, een achttiende-eeuws Duits germanist en medewerker van de ‘Encyclopédie’, kon de religie klaarblijkelijk op weinig begrip rekenen. Elke religie was volgens hem slechts een ‘luchtkasteel’, gegrondvest op lucht, en hij achtte de schrik en onwetendheid die religies met zich meebrachten verantwoordelijk voor alle wreedheden en alle nodeloos lijden uit de geschiedenis der mensheid.

Dezelfde teneur vonden we terug in de clandestien in de Lage Landen verspreide ‘Traité des Trois Imposteurs’, een ophefmakend werk waarin Mozes, Christus en Mohammed, de stichters van de 3 grote religies, werden afgeschilderd als bedriegers, dit omdat hun bedrieglijke leer op de onwetendheid van de mens was gestoeld.[33]

 Deze auteurs waren niet de eersten die het aandurfden de bijbel sceptisch te benaderen. Velen waren hen al voor geweest. In Engeland werd de bijbel reeds onder vuur genomen door John Locke. In zijn ‘Reasonableness of Christianity’ uit 1695 twijfelde hij niet aan de autoriteit van het christendom, maar betoogde hij dat de openbaring een verlengstuk van de rede was en dat de christelijke leer terug te brengen was tot die ene leerstelling: ‘Jezus Christus is de Messias.’ Alle andere zogezegde waarheden van het christendom moesten volgens hem gezien worden als fictie, een bedenksel van bijgelovige of op macht beluste priesters.[34]

Ook de Ier John Toland,[35] ondernam in zijn ‘Christianity not Mysterious’ uit 1696 een poging alles betreffende het oorspronkelijke christendom rationeel te verklaren. Hij beweerde dat dit redelijke christendom ooit had bestaan en nooit zou opgehouden hebben te bestaan indien ze niet door joodse en Griekse invloeden was misvormd.[36]

 Met de ‘Histoire critique du Vieux Testament’ uit 1678 van Richard Simon werd de toon in Frankrijk gezet. De hoofdvraag hierin was of de bijbelse bronnen al dan niet logen. Ook Pierre Bayle, een landgenoot, stelde een twintigtal jaar later in zijn ‘Dictionnaire Philosophique et Critique’ dezelfde vraag.[37] De uit Génève afkomstige maar in de Nederlanden werkende publicist Johannes Clericus was duidelijk even bedreven in het bekritiseren van de bijbel toen hij verkondigde dat het Oude Testament, net zoals het Griekse, louter als literatuur diende te worden beschouwd.[38]

 Zowel in de natuurkunde en de filosofie als in de historiografie werd de deur voor bijbelse kritiek opengezet. Onder andere door de werken van Paul-Yves Pezron en Adrien Greslon moest de antiek- christelijke chronologie het ontgelden, want net als Buffon waren deze auteurs tot de vaststelling gekomen dat de wereld, in tegenstelling tot de schamele 4.000 jaar die de bijbel vooropstelde, reeds miljoenen jaren oud was.[39]

 Tijdens de Verlichting werd de bijbelse chronologie en de rol van de Kerk in de menselijke geschiedenis als nooit tevoren in vraag gesteld. Een diepe afkeer voor de Kerk en het monnikenwezen vinden we onder andere terug bij de Engelse Verlichtingsfilosoof Edward Gibbon. In zijn ‘Decline and fall of the Roman Empire’ worden de christenen, dit omdat zij sinds mensenheugenis elke kans op vooruitgang hadden tegengewerkt, meer dan eens afgeschilderd als erger dan barbaren.[40]

Het christendom kon evenmin de markies van Condorcet bekoren. Volgens hem had de stilstand van de duistere en barbaarse middeleeuwen definitief met de verspreiding van het christendom een aanvang genomen en was er pas met de renaissance en de wetenschapsrevolutie aan de door het christendom veroorzaakte ‘décadence’ een einde gekomen.[41]

 Met deze auteurs werd de basis van de moderne bijbelexegese gelegd. Tevens hield dit echter grote gevaren in. Hoe kon de bijbel nog beschouwd worden als het Woord van God, geïnspireerd door de Heilige geest, indien bleek dat dit verhaal op verschillende tijdstippen was ontstaan en door de zich wijzigende bedoelingen van de schrijvers voortdurend was aangepast en vervormd?[42]

 Het is duidelijk: voor vele achttiende-eeuwers had de Heilige Schrift afgedaan. Ze was gestoeld op lucht en bevatte niets dan leugens. Haar aanhangers waren bijgelovigen of onwetenden en haar stichter was een bedrieger. Bovendien was de bedrieglijke leer die Christus verkondigde verantwoordelijk voor eeuwenlang nodeloos leed en geweld. Deze leer was verstard en door meer achteruit dan vooruit te kijken belemmerde ze elke vorm van progressie. Vandaar dat er in het tijdperk van de rede voor de christelijke religie geen plaats meer bleek te zijn.

 

I.B. 2. Ook andere religies werden beschimpt

 

 In de achttiende eeuw nam men niet alleen stelling tegenover de christelijke religie. Alle geopenbaarde godsdiensten werden toen op de korrel genomen. Laten we even kijken hoe men in de eeuw van de Verlichting dacht over de islam, en meer bepaald over haar stichter Mohammed. Wanneer we er enkele werken van Verlichte Europese auteurs over deze religie op naslaan, duikt meermaals dezelfde neerbuigende toon op! Mohammed, die, om zijn veroveringen mogelijk te maken het zwaard had gebruikt, kon niets anders dan een bedrieger geweest zijn. Zo vonden we in de ‘Bibliothèque Orientale’ van Barthélmy d’Herbelot onder het opschrift ‘Mohammed’ volgende definitie terug: ‘Dit is de beroemde oplichter Mohammed, bedenker en stichter van een ketterij die de naam van religie heeft aangenomen, die we mohammedaans noemen.’[43]

Simon Ockley beschreef Mohammed als zijnde ‘een erg slimme en geraffineerde man, die alleen maar de schijn ophield goede eigenschappen te bezitten’ .

Ook Voltaire deelde dezelfde mening. Volgens zijn naar deze profeet genoemde toneelvoorstelling was Mohammed ‘het voorbeeld van alle charlatans die hun volk door middel van bedrog en leugens tot slaaf van zijn godsdienst maakten’.[44]

 Naast Mohammed werden zijn aanhangers evenmin van kritiek gespaard. Zo schreef Voltaire in zijn essay ‘Les Moeurs’ over hen: ‘Zelfs door degenen die wisten dat hij een bedrieger was, werd hij als een groot man beschouwd en door alle anderen als profeet vereerd.’[45]

Dat het mohammedanisme niets anders was dan een menselijke uitvinding die zijn vestiging en verbreiding bijna geheel aan het zwaard te danken had, was dan weer de mening van George Sale. Net zoals Henri, Hertog van Boulainvilliers, beweerde hij dat ‘Mohammed zijn religie verzonnen had om heerser over de wereld te worden’.[46]

 Het antwoord op de vraag hoe Mohammed zoveel volgelingen voor zich wist te winnen werd ons gegeven door Edward Gibbon. Het was ‘het aas van oorlogsbuit en seks dat Mohammed heeft benut om de Arabieren met zich mee te lokken’, zo oordeelde deze Engelse filosoof, die bovendien in de islamitische religie een duidelijk voorbeeld zag van de dwaasheid waarin alle religies, inclusief het christendom, konden vervallen indien deze niet stevig op de rots van de rede waren gegrondvest.[47]

Naast Gibbon was ook de Engelse oriëntalist Humphry Prideaux de mening toegedaan dat ‘ambitie en lust Mohammeds meest dominante hartstochten waren’. Prideaux schreef namelijk over de profeet: ‘Mohammed zijn gedrag was gedurende de eerste helft van zijn leven erg verdorven en losbandig, en hij schepte veel genoegen in roof, plunderingen en bloedvergieten (…).’ Deze hartstochten werden weldra door diens volgelingen overgenomen, aldus Prideaux, en het zijn deze twee lusten die

de hele structuur van zijn religie doordringen, omdat er nauwelijks een hoofdstuk in zijn koran is dat niet een of andere wet voor oorlog of bloedvergieten afkondigt om de ene te bevorderen, of dat anderzijds niet een of ander vrijheid toestaat voor het gebruik van vrouwen hier, of een belofte doet over het plezier met hen in het hiernamaals, om de andere te bevredigen’.[48]

 

Tenslotte werd de islamitische religie binnen de christelijke wereld ook nog vaak betrokken in de polemische strijd tussen katholieken en protestanten. Men aarzelde toen niet om de tegenstrever met de ‘verderfelijke’ islamitische religie te vereenzelvigen. Zo zag de achttiende-eeuwse protestantse schrijver van reisverhalen L. Rauwolff moslims als mohammedaanse katholieken: ‘Ze wijden zich vol overgave aan de zelfverzonnen plicht van goede werken, aalmoezen, gebeden, vasten, het vrijkopen van gevangen, enz., om bij God in een goed boekje te komen.[49]

 Kortom, in westerse ogen was de islamitische religie wreed. Haar profeet was een bedrieger en diens volgelingen ambitieus, losbandig en wellustig. Duidelijk konden de riten, gewoonten en dogma’s van de islam op even weinig begrip rekenen als die van het christendom. Authentieke religieuze beleving was dan ook voor Voltaire: ‘een ziekelijk en nutteloos enthousiasme, dat bovendien vaak tot fanatisme en gewelddadige excessen leidde (denken we aan de kruistochten en de godsdienstoorlogen in de 16de en 17de eeuw)’.’[50]

 

I.B.3. Het Deïsme

 

Ondanks het groeiend scepticisme tegenover religies werden de Europese filosofie en maatschappij in de eeuw van de Verlichting niet volledig geseculariseerd of gedechristianiseerd. Daarvoor waren er nog te veel Verlichte geesten die zich hardnekkig bleven vastklampen aan hun orthodox christelijk geloof! Denken we maar aan Voltaire en Rousseau, twee schrijvers die toch wel bekend staan als de boegbeelden van de Franse Verlichting.

Bovendien zagen tal van religieuze heroplevingsbewegingen zoals ‘het Piëtisme’ in het Duitse rijk, ‘the Great Awakening’ in Noord-Amerika en het ‘het Methodisme’ in Engeland, precies in de achttiende eeuw het levenslicht.[51] Het atheïsme kon dus niet iedereen bekoren: God volledig doodzwijgen leek voor velen een net iets te ver gaande stap.

Bestond er echter een alternatief? Alle geopenbaarde godsdiensten dienden verworpen te worden omwille van hun bloedig verleden, maar evenzeer omwille van hun geboden en verboden, die als onredelijke beperkingen van de menselijke vrijheid werden beschouwd.[52] Verder had Isaac Newton met zijn ‘Philosophiae naturalis principia mathematica’ afdoende bewezen dat de rol van de Schepper in zijn eigen schepping geminimaliseerd moest worden. Het ontstaan van de kosmos en haar verdere fysische ontwikkeling schreef deze filosoof nog toe aan de Schepper, maar hij achtte het Oude Testament fout daar waar het beweerde dat God ‘voortdurend’ voor het leven van zijn uitverkorenen verantwoordelijk was. Volgens hem was de kosmos namelijk onderworpen aan wiskundige wetten. Ooit was ze eigenhandig door God geschapen en af en toe kwam deze nog eens tussenbeide, bijvoorbeeld om bepaalde onregelmatigheden te corrigeren, of om de aarde, naar zijn zeggen, te voorzien van nieuwe energie.[53]

Newton minimaliseerde dus de rol van de Schepper, maar in tegenstelling tot vele anderen na hem praatte hij Hem vooral niet dood. Aanvankelijk vonden Newtons opvattingen weinig ingang bij het grote publiek. Een halve eeuw later, toen ze onder andere door Voltaire werden overgenomen en gevulgariseerd, kwam daar verandering in.

Zo was een nieuwe levenshouding, eigen aan de achttiende eeuw, het zogeheten Deïsme, geboren. Dit verschijnsel is echter niet makkelijk te vatten. Het kende verschillende varianten waarbinnen andere opvattingen -bijvoorbeeld het al dan niet bestaan van een onsterfelijke ziel- opnieuw verdeeldheid zaaiden.[54]

De meest gangbare variant was deze waarbij men in tegenstelling tot het atheïsme nog wel bleef geloven dat God of een eeuwige Opperintelligentie[55] de wereld had geschapen, maar dat deze zich daarna achter de coulissen van het ‘theatrum mundi’ had teruggetrokken.[56] Volgens deze opvatting hield God zich niet langer bezig met zijn Schepping. Hij had ze aan de mensheid uit handen gegeven. God was niet meer dan een passieve toeschouwer. Vanzelfsprekend was er in deze variant van het Deïsme dan ook geen plaats meer voor een goddelijke grond voor het morele handelen, maar werd moraal louter als menselijk en relatief beschouwd.[57] De Franse filosoof Rousseau was één van de Verlichte filosofen die zich achter deze mening schaarde. ’Man’s injustice is not God’s work, but his own’, lazen we in zijn ‘Emile’, wat tevens het bekendste werk was van diens hand.[58]

Anderen, waaronder Voltaire, geloofden in een soort ‘Organiserende Intelligentie’, die niet alleen de Schepping tot stand had gebracht maar tevens het morele handelen onderschraagde.‘Geen horloge zonder horlogemaker’, zei hij, en ‘zonder Opperwezen, geen maatschappelijke orde’.[59] Het bestaan van een godheid was volgens Voltaire voor de mensheid onmisbaar om het onderscheid tussen goed en kwaad te kunnen maken. Zelfs zo onmisbaar dat Voltaire plots uitriep: ‘Si dieu n’existait pas, il faudrait l’inventer![60]

 Zodoende zag een nieuwe godsdienst het levenslicht. In tegenstelling tot de traditionele religies was ze rotsvast verankerd op de rede en niet langer repressief. Bovendien pleitte ze voor een ruime verdraagzaamheid binnen de samenleving. Tolerantie was immers één van de steunpilaren van de nieuwe religieuze levenshouding. Baanbrekend was dat deze tolerantie zich naast het maatschappelijk en etnisch niveau eveneens op het religieus niveau situeerde. Bijna alle Verlichte geesten deelden de overtuiging dat een wereld van broederlijkheid te realiseren was. Hiervoor moest men enkel de oorzaken van de onverdraagzaamheid uitroeien, of anders gezegd, moest men de mensheid doen inzien dat het beter was z’n verstand te gebruiken in plaats van zich te laten leiden door driften en angsten, door fanatisme en wreedheid, door vooroordelen en onbegrip.

De idee van een tolerante samenleving werd eveneens politiek ondersteund, want overal in het Verlichte Europa begonnen vooruitstrevende vorsten tolerantie-edicten uit te vaardigen. Zelfs de Turkse Sultan zou in 1774 aan de christenen in zijn rijk vrijheid van godsdienst schenken! [61]

 Tijdens de Verlichting was de traditionele alles verklarende God van weleer dood. Zijn eigen mensen hadden hem in hun poging de opmars van de wetenschap met het bestaan van een Opperwezen te verzoenen, van de troon gestoten. Ze hadden een nieuwe afzijdige, schuchtere en werkloze godheid, wiens cultus niet langer meer berustte op ingewikkelde rituelen of verzorgd werd door corrupte priesters, gecreëerd. Doordat God gedwongen werd een grote stap opzij te zetten, kon Hij de menselijke vrijheid in geen enkel opzicht meer belemmeren. Hierdoor was men perfect in staat God in overeenstemming te brengen met het geloof in de onbeperkte mogelijkheden van de mens. Met lede ogen moest God toezien hoe Zijn eigen volk zijn vroegere taak had overgenomen. Vol nostalgie kon Hij enkel nog terugdenken aan een ver vervlogen tijd, waarin Hij nog machtig en invloedrijk was. Angstig vroeg Hij zich dan ook af hoe lang het nog zou duren vooraleer de mensheid Hem volledig zou vergeten zijn...

 

 

I.C. DE POLITIEK-INSTITUTIONELE EN JURIDISCHE ONTWIKKELINGEN IN HET VERLICHTE EUROPA

 

I.C.1. Het recht wordt op rationele leest geschoeid

 

 De wijzigingen in de theologische opvattingen bleven niet onopgemerkt. Zowel juridische als politiek-institutionele veranderingen drongen zich vanaf de zeventiende eeuw op. Steeds vaker werden pogingen ondernomen modellen te ontwerpen om het recht op een volstrekt rationele wijze, dit wil zeggen zonder theologische interventie, te funderen. De grondlegger van deze seculariserende tendens binnen het rechtswezen was de Nederlandse rechtsgeleerde en historicus Hugo de Groot. Aan hem hebben we het onderscheid te danken tussen het goddelijke recht, dat alleen toepasbaar was op de Kerk, en het menselijke recht, dat op alle mensen, ongeacht hun godsdienst, betrekking had. Binnen het menselijke recht maakte hij een verder onderscheid tussen het burgerlijke recht, een creatie van de mens zelf en dus met mogelijke verschillen van staat tot staat, en het natuurrecht, dat uit de natuur van de mens voortkwam, dat met andere woorden een universeel karakter had, waartegen het burgerlijke recht allerminst mocht ingaan.

In het tijdperk van de Verlichting nam dit natuurrecht een zeer belangrijke plaats in. De dynamiek van de Moderne Tijd, en vooral die van de Verlichting, wordt namelijk bepaald door de constante spanningen tussen de verdedigers van dit natuurrecht en zij die het kost wat kost aan banden wilden leggen, met andere woorden, tussen de Verlichte geesten enerzijds en de naar een steeds verdere centralisatie van het staatsbestuur strevende overheid anderzijds.

Het fundament van het natuurrecht werd gevormd door redelijkheid en morele vrijheid. Verder was het gebaseerd op 5 grondregels:[62]

1. het zich onthouden van het bezit van anderen;

2. de verplichting terug te geven wat men zich onrechtmatig had toegeëigend;

3. de verplichting zich aan gedane beloften te houden;

4. de verplichting schade te vergoeden;

5. de bestraffing van misdaden tegen deze natuurlijke rechten.

 

De natuurlijk aangeboren rechten moesten het menselijk handelen reguleren en vormden derhalve het kader waarbinnen de mens zijn hoogste recht, de ‘natuurlijke vrijheid’, kon en mocht uitoefenen.[63] Met natuurlijke vrijheid bedoelde men het recht dat de natuur aan elk mens had gegeven en dat hem toeliet te beschikken over zijn eigen persoon en goederen, dit echter op voorwaarde dat de uitoefening ervan zou geschieden conform de bepalingen van het natuurrecht.[64]

 Het revolutionair gedachtegoed van de laatste decennia van de achttiende eeuw zal het begrip ‘natuurlijke vrijheid’ op de voorgrond brengen en tevens verder concretiseren. Politiek vertaalde dit zich in de traditionele vrijheden (pers, mening, onderwijs, etc.), die, zoals we later zullen zien, het fundament zullen vormen van de liberale grondwet.

 

I.C.2. Het absolutisme: de ideale staatsvorm ?

 

 Al diegenen die leefden in het tijdperk van de Verlichting waren het met elkaar eens: het politiek en staatkundig kader van de eigen tijd was niet alleen onlogisch, onsamenhangend en daardoor amper nog te overzien, bovendien bleek het nog eens verschrikkelijk verouderd. Toen was alles namelijk opgedeeld in zelfstandige entiteiten: van land, gewest, provincie, stad, tot de kerk, universiteiten, gilden, en dergelijke meer.[65] Eeuwenoude privileges, die bovendien onwrikbaar vastlagen, moesten garanderen dat de zelfstandigheid van geen enkel van deze eenheden kon worden bedreigd.

Dit was de politieke realiteit. Zo lag ze vast, niet omdat het zo het best was, maar omdat het al altijd zo was geweest. ‘Waarom er iets aan veranderen?’, moet men gans de middeleeuwen door hebben gedacht. Politieke denkers en vorsten dachten er echter anders over. Zij wilden zich zo snel mogelijk van deze laat- middeleeuwse erfenis ontdoen. In de zeventiende en de achttiende eeuw, toen elk Europees land hetzij op Europees grondgebied, hetzij in de overzeese gebieden, wel ergens een oorlog uitvocht, was deze verstarde situatie niet langer houdbaar. Traag werkende politieke besluitvorming als gevolg van het verplicht overleg met de gewesten, provincies en machtige steden kon de vorst missen als kiespijn. Aan deze wanorde en complexiteit moest kordaat een einde worden gesteld.

Her en der in Europa had men dit verlangen reeds met het vorstelijk absolutisme weten te beantwoorden. Theoretisch had de vorst hierbij alle macht. Hij had zijn macht van God ontvangen en moest bijgevolg enkel aan Hem verantwoording voor zijn beleid afleggen. Een absolute monarch was er niet ter wille van zijn volk, maar enkel ter wille van zichzelf. Iedereen, boer, slaaf, vrije burger, of edelman, was aan hem blinde gehoorzaamheid verschuldigd. Zodoende werd de maatschappij ingedeeld in twee segmenten: enerzijds de vorst, anderzijds al de rest.

De absolute vorst moest zijn gezag, dit zowel naar de buurlanden als naar de eigen onderdanen toe, militair afdwingen. Om dit doel te bereiken was de middeleeuwse manier van oorlogsvoering niet meer toereikend. Diverse militaire modificaties waren dan ook noodzakelijk. In dit licht zien we in de loop van de Nieuwe Tijd staande legers, die de vroegere feodale ridderlegers vervingen, ontstaan. Soldaten rekruteerde men vaak uit de eigen bevolking. In hoofdzaak echter deed men beroep op buitenlandse huurlingen. Deze kwamen vooral uit armere economische regio’s, zoals Ierland en de Duitse gebieden.

 Een andere belangrijke gebeurtenis binnen de moderne manier van oorlogsvoering was de in 1629 uitgevonden ‘regementsstryke’, een licht gietijzeren kanon dat het gebruikelijke zware smeedijzeren exemplaar ruim in reikwijdte overtrof. In tegenstelling tot het traditionele geschut kon dit wapen namelijk meer dan 300 meter ver schieten. Daarenboven woog het in plaats van een halve ton nog amper 120 kilogram.

 Dit lichtere en meer mobiele geschutstype, dat bovendien binnen dezelfde tijdsspanne driemaal sneller dan een musketier kon vuren, werd zowel te land als op zee ingezet. Naarmate de Nieuwe Tijd vorderde slaagde men er zelfs in de vuurkracht nog op te drijven. Zijn dodelijke kracht verplichtte de bouwkundige ingenieurs de traditionele stadsverdediging aan te passen. De middeleeuwse kastelen met hun donjons moesten worden gesloopt en vervangen door de typische stervormige vestingmuren, die vanaf de late zeventiende- en achttiende eeuw alom rond diverse Europese grens- en havensteden verrezen.

 

De grootheidswaanzin van menig absolute vorst lag dikwijls aan de basis van diverse zeventiende- en achttiende-eeuwse oorlogen en conflicten. Ondermeer hierom liet de kritiek op de nieuwe regeringsvorm, dit zowel vanuit religieuze als politiek-filosofische kringen, niet lang op zich wachten.

In zijn ‘Télémaque’ vatte de Franse theoloog Fénelon de alom verspreide kritiek op het absolutisme kernachtig als volgt samen: ‘Absolute macht van de koning leidt ertoe dat hij evenveel slaven bezit als hij onderdanen heeft.’[66]

 Het absolutisme werd op twee wijzen aangevochten. Op religieus vlak waren de natuurwetenschappers de initiatiefnemers. Zij brachten de stelling van ‘het absolutisme bij Gods genade’ in diskrediet door, zoals reeds aangehaald, erop te wijzen dat er in de natuur blijkbaar wetten bestonden die zonder goddelijke inbreng functioneerden.

Daarnaast werd ook het ‘absolutisme als staatsleer’ ondermijnd. Het was immers onverzoenbaar met de ideeën over het natuurrecht, daar de persoonlijke vrijheid van elk van zijn onderdanen, het meest waardevolle bezit waarover een mens kon beschikken,[67] door de absolute monarch werd genegeerd.

Bovendien was er nog een tweede recht dat de absolute vorst ten volle met voeten trad: namelijk datgene wat hem ertoe verbond het algemene welzijn van zijn onderdanen te bevorderen. Dit recht was ontsproten uit het brein van John Locke. Wellicht mogen we John Locke de grootste en bekendste Engelse politieke denker van zijn tijd noemen. Tevens wordt hij net als Newton de geestelijke vader van de Verlichting genoemd.[68] Met het verschijnen van zijn ‘Two Treatises on Governement‘ in 1689, waarin hij voor het eerst de grondbeginselen van de rechtstaat uit de doeken deed, kwam er voor vele Verlichte politieke filosofen aan hun zoektocht naar de meest geschikte staatsvorm direct een einde. Zeer lang hadden zij hun hoofd gebroken over de manier waarop de mens én geregeerd kon worden én zijn natuurlijke vrijheid kon behouden. Locke maakte verder zoeken en tobben overbodig. Alhoewel deze Engelse filosoof ervan overtuigd was dat de soevereiniteit bij het volk moest liggen, wist hij dat dit praktisch niet haalbaar was. Net zoals Hobbes was Locke er zich namelijk ten volle van bewust dat indien men de mensheid volkomen vrij zou laten, dit onvoorwaardelijk zou leiden tot anarchie, tot oorlog van allen tegen allen,[69] en dit moest uiteraard vermeden worden.

Vandaar dat zijn staatsmodel berustte op een verdrag tussen regering en geregeerden, tussen de vorst en het volk, waarbij het volk de soevereiniteit vrijwillig aan de vorst afstond. Hierdoor rustte er uiteraard een zware verantwoordelijkheid op diens schouders. Daarom werd er dan ook van hem verwacht dat hij het volk iets zou teruggeven. Vandaar dat hij, volgens het ‘do ut des’ principe, enkel de soevereiniteit kon aanvaarden wanneer hij beloofde het algemene welzijn van zijn onderdanen te zullen bevorderen. Zolang dit doel werd bereikt, was het gezag gewettigd. Slaagde hij daar niet in, dan had het volk het recht in opstand te komen en hem zijn troon te ontnemen.[70]

 Het maatschappelijk contract was één manier waarop Locke de vorstelijke willekeur aan banden wou leggen. Hij trachtte dit eveneens te bereiken door de invoering van een politieke machtsscheiding. Dit impliceerde een volledige loskoppeling van de uitvoerende en wetgevende macht, die in absolute monarchieën in handen waren van één persoon of van één beperkte groep. Locke pleitte er voor de wetgevende macht te laten vertegenwoordigen door het volk. Zodoende gaf hij deze aan het volk, die vervolgens in naam van de ganse gemeenschap tot taak had wetten te maken, wetten die door de regerende of uitvoerende macht, de vorst en zijn ministers, correct dienden te worden uitgevoerd.[71]

 

I.C.3.  John Locke: de wegbereider en vader van de rechtstaat en van het politiek liberalisme

 

Het historische belang van John Lockes werken is onmiskenbaar. In diens geschriften vond het Engelse volk immers de perfecte theoretische legitimatie van de ‘Glorious Revolution’, een gebeurtenis uit 1688, die door menig historicus wel eens als het startschot van de Verlichting wordt beschouwd.

Concreet kwam het erop neer dat het Engelse volk in 1688 koning James II zonder bloedvergieten en met succes van de troon wist te stoten, dit nadat hij door de afkondiging van enkele wetten ten voordele van het Katholieke kamp het merendeel van zijn onderdanen tegen zich in het harnas had gejaagd. Zich beroepend op het recht op verzet -de vorst had hun verwachtingen niet kunnen inlossen, dus hadden ze het recht hem door een andere te vervangen- kon deze politieke actie zonder scrupules worden uitgevoerd.

Het Engelse volk zag in Willem III, stadhouder van Oranje, een geschikte opvolger. In hetzelfde jaar werd hem de troon aangeboden. Met John Lockes ‘Two Treatises on Governement’ in de éne hand en het fiat van het Engelse volk in de andere, begon de kersverse vorst het staatsbestel te moderniseren: de wetgevende macht kwam in handen van het parlement en de koning vertegenwoordigde de uitvoerende macht. Van zodra een blijvend politiek machtsevenwicht werd bereikt, waarin parlement en koning elkaar controleerden, kon de ‘Glorious Revolution’ worden afgerond. De revolutie was geslaagd. John Lockes ideeën bleken in de praktijk succesvol. De toon was gezet en nu was het enkel nog wachten op de rest van Europa om in Engelands voetsporen te treden…

 Onnodig te zeggen dat het historisch belang van de figuur van John Locke eveneens schuilt in het feit dat zijn gedachten over de rechtstaat tot op heden zijn blijven voortbestaan. Terecht wordt hij de basisauteur van het politieke liberalisme genoemd, de ideologie die vanaf eind achttiende eeuw definitief brak met het ‘Ancien Régime’. In de concrete staatsordening vermelden we hier de meest belangrijke bepalingen: