| “Richesse Oblige” Rang op Ambrym en Malakula (Vanuatu). Het nimangki-genootschap: bron van creativiteit, sociale vrede en statusverandering. (Jean P. L. De Keersmaeker) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
1. Etnografie
1.6. Culturele artefacten van Ambrym en Malakula[210]
Bij het aanschouwen van de variëteit aan materiële en niet-materiële expressievormen in Vanuatu stelt men zich onvermijdelijk vragen. Waarom is de bevolking zo creatief en inventief? Waarom is er zo een grote diversiteit aan vormen op zo een klein grondgebied? De kunst in Vanuatu is niet sober zoals della Santa (1954:63) beweert, maar veeleer exuberant, verrassend en kleurrijk. Bonnemaison (1977:22-23)) is van oordeel dat de bewoners van Vanuatu bewust naar het kunstige streven; “on cherche de l’art”. Hij stelt dat de diversiteit aan vormen veeleer het gevolg is van de geopolitieke situatie dan van economische of spirituele factoren. Bonnemaison ziet hiervoor vier redenen: sociale structuur, religieus wereldbeeld, kopierechtsysteem en het concept ples (plaats). De sociale structuur kanaliseert via economische competitie de drang van de mannen om hogere graden te verwerven. De aspiranten voor een graad moeten zorgen voor voedsel voor de genodigden en over voldoende slagtandvarkens beschikken om de graad en de bijpassende artefacten te betalen. Ook al lijkt het nimangki-genootschap een zuivere profane aangelegenheid, de achterliggende doelstelling is religieus. Want enkel door het verwerven van hogere graden kan een man dichter bij de voorouders komen.
Het kopierechtensysteem is een van de belangrijkste motoren achter de verspreiding van culturele artefacten in Vanuatu. Een man die een nieuwe vorm creëert is er automatische de eigenaar van. Daarom is de drang om zelf iets nieuws te maken groot daar het dit toelaat via de verkoop van de kopierechten varkens te verwerven. Het kopierechtensysteem verklaart niet alleen het groot aantal unieke exemplaren dat men kan vinden, maar ook de zeer grote snelheid waarmee culturele artefacten zich over grotere afstanden kunnen verspreiden. De overdracht via kopierechten betekent niet dat de betekenis en functie van het artefact voor de nieuwe eigenaar dezelfde blijven. Guiart (1956b:218-20) toont aan dat zowel functie als betekenis zich kunnen wijzigen wanneer ze in een andere sociale context terechtkomen.[211] De eilandbevolking leeft in kleine gemeenschappen sterk gebonden aan de ples. Het sterk ontwikkeld territorialiteitsgevoel en de korte afstanden tussen de dorpen verhoogt de kans op vijandige confrontaties. Via huwelijken, bruidschatten, geschenken en handel zal men trachten een goed nabuurschap te onderhouden. Al deze activiteiten vereisen dat men over artefacten beschikt die indruk maken, verrassen en respect afdwingen op de tegenpartij. Het nimangki-genootschap is de smeltkroes waarin de sociale structuur, het religieus wereldbeeld, het kopierechtsysteem en het concept ples (plaats) hun rol kunnen spelen en zorgen voor creativiteit en vreedzaam omgaan met de anderen.
Bonnemaison (1997:23) heeft er op gewezen dat er geen duidelijk afgelijnde “aires culturels” (culturele gebieden) in Vanuatu bestaan. Een distributiekaart maken van bijvoorbeeld de tamate maskers (Bankseilanden) is onmogelijk. Kaufmann (1996:13) maakt een grove indeling. Hij is van oordeel dat men Vanuatu formeel in drie gebieden kan verdelen: zuid, centraal en noord Vanuatu. In de zuidelijke Tafea-provincie (eilanden Tanna, Aneytyum, Futuna, Erromango en Aniwa) worden weinig duurzame artefacten gemaakt.[212] Een tweede gebied is noord Vanuatu met boven aan de Bankseilanden en aan de zuidkant de eilanden Malakula en Epi. In deze regio vinden wij hout- en boomvarensculpturen, knotsen, maskers en ceremoniële objecten. Centraal Vanuatu omvat Efate en de Shepperd eilanden die minder objecten maken. Huffman (1996b:129) is van oordeel dat centraal Vanuatu naast Efate en de Shepperd eilanden, ook het eiland Erromango moet omvatten. Zijn oordeel steunt op de stilistische overeenkomsten bij de boombastschilderingen die op Efate, de Shepperd eilanden en Erromango geproduceerd worden. Coiffer (1996:218) maakt een indeling op basis van het gebruik van waardevolle objecten (schelpengeld en insignia) en architecturale vormen. Hij beschouwt drie gebieden: noord Vanuatu (Torres- en Bankseilanden, Santo, Ambae, Maewo en noord Pentecost), centraal Vanuatu (Malakula, Ambrym en centraal-zuid Pentecost) en zuid Vanuatu (Efate, Shepperd eilanden, Tanna en Aneityum).
Wij zullen in deze studie de indeling van Kaufmann volgen. Noord Vanuatu wordt gekenmerkt door het voorkomen van gradengenootschappen. Men mag gerust stellen dat in noord Vanuatu de genootschappen (Tamate, Sukwe, Nimangki, Maki, Mage) het socio-culturele leven beheersen[213] De genootschappen zijn de motor achter de materiële en geestelijke cultuur. Speiser (1923: 373) spreekt in dit verband van de nimangki-stijl. De belangrijkste thema’s bij de nimangki-stijl zijn volgens hem de vooroudergeesten, de onderkaak van het varken en zijn slagtanden, de vogel en de haai.[214] Hun grafische of plastische voorstelling op objecten is niet louter decoratief, maar is een bevestiging van de kracht (mana) die in het artefact aanwezig is. Nimangk-rituelen zijn ook een inspiratiebron voor niet-materiële cultuur zoals zang, dichtkunst, dans en drama (Speiser 1923: 373). Monolieten, hout- en steensculptuur, platformen, altaren, artefacten zijn sociale bakens. Zij legitimeren en bevestigen de rang en de titels zowel van de levenden als van de doden. De grenzen tussen de graden worden ruimtelijk benadrukt door omheiningen, muren, platformen, beplantingen, maskers, beelden, decoraties en lichaamsversieringen.
1.6.1. Plastische kunsten
Speiser (1923: 386) vermeldt dat in 1912 de kunst op Vanuatu reeds sterk gedegenereerd was. Enerzijds was er door de bekering tot het Christendom minder vraag naar sacrale objecten en anderzijds verhoogden Europese metalen werktuigen de productiecapaciteit. Hierdoor werd het mogelijk grote hoeveelheden beelden en spleettrommen te produceren voor de Westerse musea en de kunstmarkt. Slechts op de Bankseilanden, Malakula en Ambrym zou de westerse invloed volgens Speiser nog niet zijn doorgedrongen.[215]
Zelden of nooit is het contextueel gebruik van de diverse artefacten aanwezig in Westerse etnografische of volkerenkundige musea genoteerd. Voor het overgrote deel van de boomvarenbeelden weet men zelfs niet eens bij welk genootschap, laat staan bij welke graad ze werden gebruikt. De beelden waarvan wij weten dat ze specifiek gemaakt werden voor een nimangki-graad worden in hoofdstuk 2 en 4 in detail besproken.
1.6.1.1. Beelden
1.6.1.1.1. Houtsculptuur
Gezien het grote gemak waarmee men de boomvaren kan bewerken komt de houtsculptuur niet overal voor. Op enkele uitzonderingen na zal men alleen op de Bankseilanden en op Malakula houtsculptuur aantreffen (Guiart 1949:57). De speettrommen en varkenshamers worden uit hout gebeeldhouwd omdat de boomvaren hier geen alternatief biedt. De hiervoor gebruikte houtsoorten zijn van een harde duurzame soort (Intsia bijuga synoniem Afzelia b.). Naast hout en boomvaren worden beelden en maskers uitgevoerd in gemengde technieken. Hierbij wordt vooral boombast, bamboe, klei, bladscheden, pigmenten, spinnenwebben, varkenstanden en boomsappen gebruikt (zie modelleren 1.6.1.2).
Zuid Malakula is het belangrijkste centrum voor de houtsculptuur. Men treft er beelden en gesculpteerde palen aan die steeds hetzelfde stereotype personage voorstellen. De sculpturen vallen op door hun vlakheid en schematische afwerking. In zuidoost Malakula ligt het accent bij de houtsculptuur op de facies die in rondsculptuur wordt uitgevoerd. Het lichaam wordt zelden weergegeven. Op de Kleine eilanden treffen we een vlakke geometrische schematisch stijl aan. Op de oostkust van Malakula is de houtsculptuur zeer zeldzaam, slechts enkele beelden in realistische stijl zijn bekend. Al deze houten beelden moeten als rangsculpturen beschouwd worden. Daarom worden zein een apart hoofdstuk besproken (zie 2.1.1.).
1.6.1.1.2. Boomvarensculptuur bij de Nambas
Een boomvarensculptuur die niet gebruikt wordt tijdens de nimangki-ceremonie is de ponarat.[216] De ponarat worden als finaal aan de nokbalk van het mannenhuis (nakamal) bevestigd (fig. 5).

Figuur 5. Ponarat nokbalksculptuur van een mannenhuis in Tenmaru
(Big Nambas, noord Malakula)
Uit: Coiffier 1996:258
Clausen (1966:60-61) is van oordeel dat de ponarat op een of andere manier in verband staat met het nimangki-genootschap. Het beeldhouwen van de ponarat zou in het grootste geheim gebeuren. De sculptuur zou slechts aan de nokbalk worden aangebracht nadat de clanoudste de hoogste maki-graden heeft bereikt.[217] Guiart (1952:170, 1965:14) stelde vast dat het dakfinaal of “paratonnaire magique” (magische bliksemafleider) in noord Malakula zonder bijzonder ceremonieel wordt geplaatst. De ponarat wordt door de man die de besnijdenissen uitvoert uit een boomvarenstronk gesneden. Nadien wordt de sculptuur door mannen, die reeds verschillende besnijdenissen hebben bijgewoond, naar het mannenhuis gedragen en aan de nokbalk bevestigd. Later herziet Guiart (1985:195 en 206) zijn mening en beschouwt een ponarat van de Big Nambas uit Tènmaro (afb. 40) als een soort rangteken.

Afbeelding 40. Ponarat uit Tenmaru met Janus-hoofd
(Big Nambas, noord Malakula)
Afmetingen: H. 178 cm
Materialen: boomvaren.
Collectie Guiart (1966): Musée National des Arts d’Afrique et d’Océanie, Paris.
Inventarisnummer: D 66.16.2.
© Foto: Basel: Museum der Kulturen
Guiart (1985:206) is van oordeel dat de ponarat tot de laatste fase van kunstontwikkelingen van Vanuatu zou behoren, maar motiveert deze zienswijze niet. Volgens Coiffer (1996:222 en 224) stelt de ponarat het gelaat van de stichter van de nakamal (mannenhuis) voor. Het mannenhuis zou zijn mana niet verwerven door de ponarat, maar door het onderbrengen van de voorouderschedels en de onderkaken van geofferde varkens. Coiffer (1996:223) sluit elk verband tussen de nimangki-ceremonie en het plaatsen van het dakfinaal uit. Op Vao (Kleine Eilanden) stelt de dakfinaal een sperwer voor gesneden uit een boom met plankwortels (afb. 103 en 105, fig.14).

Afbeelding 103. Deel van een
maki-monument met paalvormige
houtsculptuur en een arend als nokbalkfinaal (eiland Vao, Kleine Eilanden,
Malakula)
Afmeting: H. 240 cm (figuur) B. 360 (arend).
Materialen: Hout en pigmenten.
Collectie: Musée national des Art d’Afrique et d’Océanie, Paris
Inventarisnumer : 49.2.1.
© Foto: Réunion des musées nationaux
Uit : Kaufmann 1997:81

Afbeelding 105. Maki-monument in situ (noordoost Malakula rond 1900)
Onder het dak, achter de
houtsculptuur kan men de monolieten bemerken.
Vooraan heeft de nokbalk de vorm van een vliegende arend (4 vleugels)
© Foto: Photoarchiv des Rautenstrauch-Joest-Museum, Köln
Uit: Stör 1987:266

Figuur 14. Deel van de constructie van het maki-monument
(Norohure, Vao, Kleine eilanden, noordoost Malakula)
Uit: Layard 1942:273
Van den Bossche (1978:261) postuleert dat na de dood van het clanhoofd de ponarat verwijderd wordt. Een nieuwe ponarat zou geplaatst worden zodra de clanoudste voldoende nimangki-graden heeft doorlopen.[218]
De nokbalkhoofden die zich in westerse verzamelingen bevinden zijn voor het overgrote deel afkomstig van de Big Nambas. Slechts enkele ponarat worden aan de Small Nambas toegeschreven. De ponarat vormen, zowel bij de Big - als bij de Small Nambas, een zeer herkenbare en aparte stijl. De afbeelding 42a-b en 43a-b tonen nokfinalen representatief voor de ponarat van de Big Nambas. De morfologische karakteristieken zijn:


Afbeelding 42a & 42b. Zij- en achteraanzicht van een ponarat uit Amok
(Big Nambas, noord Malakula)
Afmetingen: H. 90 cm
Materialen: boomvaren.
Uit: Zervos 1961:22-23
© Foto: Luc Joubert.


Afbeelding 43a & 43b. Ponarat uit Amok (Big Nambas, noord Malakula)
Afmetingen: H. (afb. 43a) & 39 cm (afb.43b)
Materialen: boomvaren.
Uit: Zervos 1961:19 & 21
© Foto: Luc Joubert.
1. Stronkgebondenheid. Een afgeknotte kegel- of cilindervorm met verjonging aan de basis. De vorm wordt bepaald door de oorspronkelijke vorm van de boomvarenstronk.[219]
2. Robuust. Het hoofd is gemiddeld vijfenzeventig centimeter hoog en heeft een diameter van ongeveer veertig centimeter.[220]
3. Antropomorf. Het menselijk gelaat is herkenbaar. De vorm is vierkant tot ovaal en steeds symmetrisch.
4. Schematisch. De margo nasi en neusvleugels verdelen het gezicht verticaal en horizontaal. In het bovendeel bevinden zich twee bolle ogen. Het onderdeel stelt de neusgaten voor. Soms worden de ogen en de neusgaten niet in een vierkant ingeschreven (afb. 43a en 43b). Het lijkt er op alsof de kunstenaar het menselijk gelaat heeft willen reduceren tot een labyrintachtige structuur. De mond is een diepe groef die doorloopt tot aan de slapen of het voorhoofd.
5. Vlakreliëf. Gebruik van concentrische insnijdingen. Het diep ingesneden reliëf creëert een spel van licht en schaduw. Wij vermoeden dat het uitgesproken reliëf tot doel had de leesbaarheid van het dakfinaal van op grondniveau te verhogen.
6. Attributen. Schijfvormig hoofddeksel, soms een halssieraad (afb. 40).
7. Verso. Aan de achterzijde is soms een reptiel (afb. 42b), een antropomorfe figuur of een gezicht (Janushoofd) gesculpteerd (afb. 40).
De ponarat van de Small Nambas (Afb. 44a en 44b) heeft dezelfde functie, maar een verschillende morfologie. Van den Bossche (1978) inventariseerde vijf exemplaren allen afkomstig uit Dirak.[221] De morfologische karakteristieken van de dakfinalen van de Small Nambas zijn:

Afbeelding 44a & 44b: Profiel- en rugaanzicht van een ponarat uit Dirak
(Small Nambas, west Malakula)
Afmetingen: H. 193 cm
Materialen: boomvaren.
Uit: Zervos 1961:34
© Foto: Luc Joubert.
1. Stronkgebonden. Cilindervormig met lichte verjonging naar de basis.
2. Monumentaal. Het hoofd heeft een lengte van gemiddeld anderhalve meter en een diameter van ongeveer veertig centimeter.[222]
3. Antropomorf. Het gezicht is uitgesproken rechthoekig en uitgelengd.
4. Schematisch. Deze is verder doorgedreven dan bij de Big Nambas. De gelaatskenmerken zijn minder goed af te lezen. De curve komt minder voor dan het spel van parallelle rechte lijnen. Rond de neus vinden wij een getande omlijsting. De mond is slechts aangegeven door een korte horizontale of concave snede.
5. Vlakreliëf. Ook hier zijn de diepe insnijdingen bepalend voor de leesbaarheid van het gezicht.
6. Attributen. Het schijfvormig hoofddeksel is niet steeds aanwezig.
7. Verso. Reptielachtingen en geometrische patronen (slagtandcurve, X-vorm, V-vorm).
Bij de bespreking van de halffiguren uit boomvaren vermeldt Van den Bossche (1978:165-66 en 295) twee beelden die ze onder de Big Namba-stijl klasseert. Deze halffiguren vertonen een uitgesproken stijlverwantschap met de ponarat van de Big Nambas. Het zijn de enige bekende exemplaren en ze werden geveild in 1960 en 1968. De informatie die we over deze beelden hebben is bijzonder schraal. Buiten hun grootte is niets over deze beelden bekend.[223] In ieder geval gaat het om dezelfde stijl als bij de ponarat. Verder in deze studie zullen naar de schematische stijl van de ponarat verwijzen als Namba-stijl.
1.6.1.1.3. Steensculptuur
Guiart (1985:66) denkt dat het dankzij de introductie van metalen werktuigen is dat de overgang van de steensculptuur naar de hout- en boomvarensculptuur mogelijk werd gemaakt.[224] Dit zou betekenen dat voor de komst van de kolonisten alleen stenen platformen, megalieten en dolmen het ritueel landschap van het nimangki-genootschap bepaalden.
Op Malakula, Ambrym en Pentecost heeft men kleine steensculpturen aangetroffen. Speiser (1923b:392) en Guiart (1949:71-73) beschouwen deze zeldzame steensculpturen als amuletten. Meestal zijn ze rondplastisch en uit zachte tufsteen gesneden. Als het om harde steen gaat is de antropomorfe figuur er ingegrift. De stenen hebben een ellipsoïde vorm en zijn gemiddeld tien centimeter groot. Praktisch het gehele oppervlak wordt ingenomen door de facies. De nadrukt ligt, zoals gebruikelijke bij de sculptuur van Vanuatu op de ogen, de neus en de mond. De ledematen zijn meestal schematisch weergegeven. Men heeft de indruk dat de figuur gehurkt wordt voorgesteld (afb. 45a, 45b en 45c).

Afbeelding 45a, 45b & 45c. Magische steen in Janusvorm.
Voor- zij- en achteraanzicht van de steen (Ambrym)
Afmetingen: H. 9 cm
Materiaal: steen
Collectie Speiser. Basel: Museum der Kulturen.
Uit: Kaeppler et alii 1993:442
© Foto: Peter Horner
Een bijzonder zorgvuldig afgewerkte en bijzonder grote steen werd door Guiart in 1949 in noord Ambrym verzameld (afb. 47). Stenen met een Janushoofd komen ook voor (afb. 45b). Speiser (1923b:392) die in 1912 op Malo een exemplaar verzamelde (afb. 46) denkt dat de gehurkte houding niet toevallig is, maar verwijst naar de nazielen van de overledenen. Hij motiveert dit standpunt door te verwijzen naar de gehurkte houding waarin de overledenen begraven worden.

Afbeelding 46. Magische steen in de vorm van een zwijn (noord Malo)
Afmetingen: B. 9 cm.
Materiaal: Steen.
Collectie Speiser (1912). Basel: Museum der Kulturen.
Uit: Newton 1969: plate 211
© Foto: Basel: Museum der Kulturen.

Afbeelding 47. Magische steen uit Metemli (noord Ambrym)
Afmetingen: H 35,5 cm.
Materiaal: vulkanische tufsteen.
Collectie Guiart (1949): Dépôt
ORSTROM (1961)
au Musée National des Arts d’Afrique et d’Océanie, Paris.
Inventarisnummer : D 62.1.1.
Uit : Huffman 2000a :270
© Foto : Hugues Dubois
Op Malakula zou deze stenen kleinsculptuur een rol spelen bij regenrituelen. Schmitz (1969:legende bij afb. 211 en 212) stelt dat de antropomorfe stenen gebruikt worden bij “love magic” (liefdesmagie). Stenen amuletten in de vorm van zwijnen zouden speciaal voor “pig trade magic” (magie bij varkenshandel) gebruikt worden. Voor Stör (1987:259) hebben deze amuletten tot doel de groei van de slagtanden bij de varkens te bevorderen. Zelfs in recente publicaties (Kaufmann 1997:1.3 en Rodman 1996:163) wordt enkel vermeld dat het om magische stenen gaat die gebruikt worden bij de varkenshandel. Volgens Huffman (2000a:269 en 272) worden de magische stenen gebruikt bij de complexe onderhandelingen rond de müyü ne bu (slagtandvarkens) handel.[225] De eigenaar van een magische steen zal de kracht ervan gebruiken om de verkoper zijn prijsvoorstel te doen aanvaarden. De verkoper zal bij latere gelegenheid trachten met zijn magische steen hetzelfde prijsvoordeel af te dwingen. Voor Huffman hebben deze transacties meer weg van een “lutte entre pierres plutôt qu’entre individus” (eerder een strijd tussen stenen, dan tussen individuen).
Magische stenen zouden nog steeds in gebruik zijn, maar angstvallig verborgen gehouden worden voor de kerkelijke autoriteiten. De missionarissen dachten, overigens ten onrechte dat deze stenen bij zwarte magie gebruikt werden. In werkelijkheid worden ze uitsluitend voor goedaardige doeleinden gebruikt. De magische stenen zorgen ervoor dat de zon opkomt, dat het regent, dat mens en dier vruchtbaar blijven en dat de varkenshandel vredig verloopt.[226] Lamb (1905:213-15) stelde vast dat de stenen soms voor zwarte magie worden gebruikt. Naast de “gewone” stenen die in enorme aantallen voorkomen, zouden er stenen zijn die hun kracht ontlenen aan de geesten. Dit zijn bijzondere stenen die volgens Lamb veel mana bezitten. De gelukkige eigenaar van dergelijke steen kan deze gebruiken om de stenen van anderen met mana te “laden”. Tegen betaling mogen “zwakkere” stenen een tijd naast een krachtige steen liggen. Men moet de steen in de hand houden om het “signaal” van de steen te kunnen voelen. Bij gevaar gaan ze trillen of fluiten, ze kunnen ’s nachts de weg tonen, ze kunnen verlichten, warm en koud worden en genezen. Het gebruik van magische stenen is niet voorbehouden aan de mannen. Men heeft vastgesteld dat ook de vrouwen deze stenen gebruiken (Lawson1994:103).
1.6.1.2. Modelleren (schedels, poppen en mannequins)
Met een mengsel van klei, plantaardig materiaal, spinraggen en kit slaagt men erin zeer complexe figuren, hoofden en maskers te construeren. Deze modelleertechniek heeft in noord Vanuatu een verbazingwekkend hoogtepunt bereikt, zowel technisch als creatief. Grote gemodelleerde figuren worden bij ceremonies en feesten dansend rondgedragen (fig. 6 en afb. 48). Naast schedels, schedelfiguren (rambaramp) en dansstaven (nevimbur) worden er veel verschillende maskers gemodelleerd (zie 1.6.1.3). Niettegenstaande het feit dat de modelleerkunst hoge graad van techniciteit had bereikt heeft men in Vanuatu nooit het boetseren en bakken van keramische figuren gekend (Speiser 1923:392).

Figuur 6. Gemodelleerde voorouderfiguren (Ambrym)
Links een figuur met een toorts, rechts met een zweep
Afmetingen: H. 61 cm (links) en 69 cm (rechts)
Materialen: divers plantaardig materiaal, klei, pigmenten en kit
Collectie: Museum of Mankind, British Museum, London
Uit: Edge-Partington 1880: III-54

Afbeelding 48. Overgemodelleerde vrouwelijke figuur nevimbumbao
(zuid Malakula)
Afmetingen: 135 x 63 x 92 cm
Materialen: boomvaren, pandanus, klei en pigementen (stoel: Matisse)
Ex-collectie Henry Matisse. Collectie Picasso: Paris, Musée Picasso.
Inventarisnummer : 3634
© Foto : Gérard Blot, Musée National des Arts d’Afrique et d’Océanie, Paris.
Uit : Peltier 1996:308
1.6.1.2.1. Schedels
De schedels van overleden mannen die hoge rang hadden bereikt krijgen een bijzondere behandeling. Volgens Reverend Dr. Annand (in Cameron 1919: 405 en 429) zou men op sommige plaatsen het lichaam dadelijk na het overlijden boven een vuur drogen en roken. Nadien wordt het met klei en kalk overgemodelleerd. De ongebluste kalk wordt gewonnen uit gebrande koraal en zou een mummificerend effect hebben. Cameron (1919 429-431) heeft vastgesteld dat deze techniek niet wordt gebruikt bij schedels die men zal overmodelleren. De modelleerklei wordt op een ontvleesde schedel aangebracht. Voor zijn studie heeft Cameron twee overgemodelleerde verlengde schedels uit zuid of zuidwest Malakula onderzocht. Hij stelde vast dat, alhoewel de schedels anatomisch ongetwijfeld Melanesisch zijn, er opvallende verschillen zijn in de aangebrachte decoratie. Eén schedel is versierd met circulaire patronen die een Polynesische invloed suggereren. De tweede schedel is beschilderd met blauwe vlekken op het voorhoofd en de wangen. Een versiering die ook zou voorkomen op houten beelden van noord Vanuatu.[227]
In zuid Malakula zal men de schedel van de overledene eerst ontvlezen en nadien met een mengsel van klei, kokosvezel en vijgenboomsap modelleren. De bedoeling is om het oorspronkelijk uiterlijk zo getrouw mogelijk, inclusief eventuele gebreken, na te bootsen (afb. 49 en 50).[228]
![]() Afbeelding 49. Overgemodelleerde verlengde schedel: ambatimtemes (Viomatha Small Nambas, zuid Malakula) Afmetingen: ± 30 x 30 x 14 (waarschijnlijk afkomstig van een rambaramp) Materialen: been, plantaardige kit en pigmenten. Collectie: privé © Foto: Laboratoire photographique du musée de l’Homme, Paris Uit : Awazu Pereira da Silva & Coiffier: 2001:129 |
![]()
Afbeelding 50.
Overgemodelleerde schedel Afmetingen: H. 21 cm
Materialen: been,
plantaardige vezels, modelleerkit, Collectie Speiser: Museum der Kulturen, Basel Inventarisnummer: Vb 4479 © Foto: Peter Horner Uit: Kaufmann 1997:98
|
Nadien zal men ofwel het oorspronkelijke haar of plantaardige vezels op de kruin aanbrengen. Het is gebruikelijk dat men varkensslagtanden aan de mondhoeken plaatst. Indien de schedel van een minder belangrijk persoon is wordt hij niet gemodelleerd, maar op een paal geplaatst die beschilderd is met de kleuren van zijn nimangki-graad. De schedels worden in het mannenhuis opgesteld alwaar zij de voorouders vertegenwoordigen (Speiser 1923:275 en 393). Schedels van belangrijke mannen worden, nadat ze zijn overgemodelleerd, gebruikt om een mannequin (rambaramp) te maken.
Op Ambrym doet men niet aan overmodelleren van schedels. Toch is het mogelijk dat men de schedel van een belangrijk leider of ranghouder wenst te laten modelleren. In dat geval stuurt men het stoffelijk overschot naar Malakula. Om gedurende het transport ontbinding te voorkomen wordt het eerst behandeld met pigmenten en het sap van de broodboom. Zowel het versturen, als de ontvangst van de overgemodelleerde schedels zou met feestelijkheden gepaard gaan (Larsen 1961:175).
1.6.1.2.2. Schedelfiguren of mannequins (rambaramp)
Indien de gemodelleerde schedel er een is van iemand die de hoogste graden van het Nimangki-genootschap heeft bereikt, dan zal men voor de schedel een mannequin maken: de rambaramp.[229] De rambaramp is specifiek voor zuid Malakula. Volgens Deacon kan men bij het bereiken van de zestiende graad (Melanga Wül of Pit Namap) een model van zijn gezicht laten maken (zie 1.5.1.1.1. tabel 3). Dit model zal na het overlijden gebruikt worden als voorbeeld om de schedel zo natuurgetrouw mogelijk te modelleren. Men plaatst de gemodelleerde schedel op een mannequin die opgebouwd is uit plantaardige materialen en beschilderd is met de rangkleuren van de dode.[230] Men tracht het gelaat, de tepels, de navel en de genitaliën zo getrouw mogelijk weer te geven (afb. 51a en 51b).

Afbeelding 51a & 51b . Een overleden hoofdman, jif Tambwebalimbank
en zijn rambaramp (zuid Malakula)
© Foto: Charlène Gourguechon
Uit: Gourguechon : 1974:96-97
Benen, voeten en tenen worden minder verfijnd gemodelleerd.[231] In een hand houdt de rambaramp een schelpenhoorn (conche) en in de andere hand de onderkaak van een slagtandzwijn (afb. 52).

Afbeelding 52. Rambaramp (zuid Malakula)
Afmetingen: H. 176 cm.
Materialen: been, bamboe, plantaardige vezels, pigmenten, boombastgordel, spinnenwebben, onderkaak van een slagtandzwijn, slagtand, schelp.
Ex-collectie Georges Plouvier en Jacques Kerchache. Collectie : Musée Barbier-Mueller, Genève.
Inventarisnummer : 4621
© Foto: Pierre-Alain Ferrazzini
Uit : Newton 1998:297
De onderkaak is het bewijs dat de dode tijden zijn leven zeer vrijgevig is geweest. De onderkaak, die normaal van het meest waardevol slagtandvarken is dat de overledene ooit bezat, moet de naziel een veilige reis naar het hiernamaals verzekeren (Lamb 1905:279-80). Indien de rambaramp een man met hoog aanzien voorstelt plaatst men op de schouders rieten stengels. Op die uitsteeksels en op de knieën van de rambaramp worden extra gemodelleerde hoofden geplaatst (afb. 53 en 54).

Afbeelding 53. Rambaramp van een man met aanzien (zuid Malakula)
Afmetingen: 172 x 54 x 10 cm
Materialen: been, bamboe, plantaardige vezels, pigmenten, veren, spinnenwebben, slagtanden, schelpen.
Collectie: Musée National des Arts d’Afrique et d’Océanie, Paris.
Inventarisnummer: 31.1.46
© Foto : Agence Photographique, Réunion des Musées Nationaux.
Uit : Bonnemaison 1996b :209

Afbeelding 54. Detail van een Rambaramp van een man met hoge rang (zuid Malakula)
Afmetingen: H. 270 cm, detail ± 140 cm.
Materialen: been, bamboe, plantaardige vezels, pigmenten, veren, spinnenwebben, slagtanden, schelpen.
Collectie Speiser: Museum der Kulturen, Basel
Inventarisnummer: Vb 265
© Foto: Peter Homer
Hiervoor zou men de koppen van de dansstaven, die de overledene gedurende zijn leven verworven had, gebruiken (Deacon 1934:468).[232] Een rambaramp wordt in het mannenhuis (amel) opgesteld waar hij de overledene vertegenwoordigt (Speiser 1923:275 en 393). De rambaramp verblijft daar tot hij desintegreert en onherkenbaar is geworden. Dan verhuist de schedel naar het knekelhuis van de clan (Guiart 1949:81).
Speiser (1923a:389) postuleert dat de rambaramp ontstaan is als surrogaat voor een mummie. De mummificatie zou het lichaam slechts tijdelijk conserveren, zodat men zijn toevlucht heeft genomen tot het construeren van een lichaam waarop men een overgemodelleerde schedel plaatst. Speiser gaat zelfs verder en is van oordeel dat er tussen de mummiefase en de rambaramp een tussenstadium is geweest waar men de huid van de dode opvulde met vezels om zo de lichaamsvormen te simuleren. De minder vergankelijke hardhouten of boomvaren vooroudersculptuur zou ontstaan zijn als vervanger van de door de tand des tijds aangetaste rambaramp. De houten sculptuur en de boomvarensculptuur bieden het voordeel dat ze in openlucht kunnen opgesteld worden. Fotomateriaal toont aan dat ook de rambaramp buiten werden opgesteld (afb. 55).[233]

Afbeelding 55. Magiër met een rambaramp (zuid Malakula)
Collectie: anoniem
Uit: Meyer 1995: 418
1.6.1.2.3. Dansstaven of Marionetten (temes nevimbur)
Voor het maken van de temes nevimbur modelleert men een hoofd over een kokosnoot. Bij de nevimbur wordt geen gelijkenis met een bestaande persoon nagestreefd. Dit is duidelijk als men de afbeeldingen 49, 50 en 51a vergelijkt met de afbeelding 56b. Bij het modelleren van de marionetten zal de beeldhouwer veeleer karikaturaal te werk gaan. Wenkbrauwen, neus, lippen, kin en ogen worden overdreven geprononceerd weergegeven en hebben een komisch effect op de toeschouwer. In de mondhoeken van de nevimbur plaatst men gecurvde varkensslagtanden. Het hoofddeksel wordt gemaakt met spinraggen (nakambat) (Speiser 1923:392). Algemeen kan men stellen dat er morfologische overeenkomsten zijn tussen de temes nevimbur (afb. 56a) en de maskers uit Malakula (afb. 69 en 70). De dansstaven worden gebruikt in een initiatie- en regeneratieritueel dat los staat van de Nimangki-ceremonie en alleen voorkomt in zuidwest Malakula.[234] Voor een zeer gedetailleerde beschrijving van het ritueel verwijzen we naar Deacon (1934:461-68).


Afbeelding 56a & 56b. Temes Nevimbur uit het begin van de XXe eeuw (zuid Malakula)
Afmetingen: 30 x 20 x 20 cm (zonder bamboestok), totale hoogt: 84 cm.
Materialen: been, bamboe, plantaardige vezels, pigmenten, spinnenwebben, kokosnoot, hout en varkensslagtanden.
Collectie van de auteur
© Foto: De Mey


Afbeelding 69. Een masker uit Afbeelding 70. Een masker uit
zuid Malakula oost Malakula
Afmetingen: 60 cm (links) en 68 cm (rechts)
Materialen: plantaardige vezels, kit, pigmenten en varkensslagtanden
Collectie Speiser: Museum der Kulturen, Basel
Inventarisnummer: Vb 44131 & Vb 1774
© Foto: Peter Horner
Uit: Speiser 1923b: plate xxvi & xxviii
1.6.1.3. Maskers
Huffman (1996a: 19) heeft er op gewezen dat het onmogelijk is om in een kort bestek de verspreiding, functie en iconografie van de maskers van noord Vanuatu te beschrijven. De fascinatie van de bevolking voor rituelen, decorum en genootschappen heeft er voor gezorgd dat duizenden verschillende gelaats-, helm- en kruinmaskers gemaakt werden. Van de maskers in Westerse collecties is de context waarin ze werden gebruikt zelden of nooit bekend. Men moet er ook rekening mee houden dat de vezelmaskers uit noord Ambrym en noordoost Malakula bestemd waren voor eenmalig gebruik. Naast iconoclasme heeft de broosheid van de materialen ervoor gezorgd dat veel maskers verloren zijn gegaan. Maskers uit duurzame houtsoorten werden in het mannenhuis bewaard en opgefrist vóór elk gebruik.
Sommige maskers worden als bijzonder krachtig beschouwd. Zelfs voor de maskerdrager kunnen ze gevaren inhouden. Deze maskers zouden in 1970-1980 nog in gebruik geweest zijn in centraal en zuid Malakula. Huffman (1996a:24-25) wenst de naam van deze maskers niet te verklappen en vermeldt slechts dat het niet om dansmaskers gaat.[235] Deze geheime maskers zijn voorbehouden voor funeraire rituelen. Het masker vertegenwoordigt de schim van de dode die zijn “verplichtingen” tegenover de gemeenschap komt voldoen. Het masker wordt zonder kostuum gedragen en het gezicht van de danser moet zichtbaar blijven. Of het om een gelaats- of kruinmasker gaat en van welk materiaal het is gemaakt wordt niet vermeld.
Indien wij de maskers opdelen op basis van de gebruikte materialen en technieken kunnen wij drie types onderscheiden: houten-, boomvaren en vezelmaskers (of gemodelleerde maskers).
1.6.1.3.1. Houten maskers (tjubwan)
Houten gelaatsmaskers treft men aan in noordoost Malakula, noord Ambrym en op Pentecost. Van de weinige exemplaren die zich in musea bevinden is de gebruikscontext zelden bekend. Kaufmann (1997:84) denkt dat de maskers van oost Malakula in de tuinen gebruikt werden tijdens rituele aanplantingen. Meyer (1995:418) denkt dat de maskers een scheppende diviniteit voorstellen en gebruikt werden binnen geheime genootschappen. Het masker zou de leden van het genootschap toegang verschaffen tot een hogere kennis.
De maskers van Pentecost en Ambrym vallen op door hun grote neus met doorboord septum. De kin is kort en de mond breed. Het voorhoofd is sferisch. De wenkbrauwbogen worden benadrukt en de diepliggende oogkasten zijn doorboord. (afb. 57 en 58).


Afbeelding 57. Voor- en zijaanzicht van een Tjubwan masker (noord Ambrym)
Afmetingen: 54 x 17 x 17 cm
Materialen: hout
Collectie van de auteur
© Foto: auteur


Afbeelding 58. Een tjubwan-masker Afbeelding 59. Een gomawé-masker
uit Vanuatu (zuid Pentecost) uit Nieuw-Caledonië
Tjubwan:
Afmetingen: H. 23,5 cm
Materiaal: hout
Collectie Speiser (1912): Museum der Kulturen, Basel
Inventarisnummer: Vb 4562
© Foto: Peter Horner
Uit: Kaeppler et alii: 1993:447
Gomawé:
Afmetingen: H. 25,5 cm
Materiaal: hard hout
Ex-collectie J.J. Klejman, New York. Collectie Musée Barbier-Mueller, Genève.
Inventarisnummer: 4706-A
© Foto: Alain Ferrazzini
Uit: Newton: 1989:302
Zij vertonen een opvallende verwantschap met het Nieuw-Caledonische gomawé-masker (afb. 59). Bij de maskers uit noordoost en oost Malakula is de neus minder volumineus en pijlvormig. Ook bij deze maskers is het septum doorboord. De wenkbrauwen zijn horizontal uitgesneden. Het voorhoofd heeft de vorm van een cilindersegment. De ogen zijn spleetvormig. De maskers hebben meestal een handvat of een verlengde kin die doet dienst als handvat. Algemeen kan men stellen dat de houten maskers van noord en noordoost Malakula minder rondplastisch maar vlakker en meer geometrisch zijn (afb. 60 en 61).

Afbeelding 60. Tjubwan voor plantenritualen (oost Malakula)
Afmetingen: H. 49 cm
Materialen: hout, pigmenten, plantaardige vezels
Collectie Speiser (1912): Museum der Kulturen, Basel
Inventarisnummer Vb 4757
© Foto: Peter Horner
Uit: Speiser : plate xiviii

Afbeelding 61. Tjubwan (Vao of Malakula)
Afmetingen: 50,7 x 20,3 x 14 cm
Materialen: hout en pigmenten
Ouderdom: C14 gedateerd 1845 ± 70 jaar. Zou in 1880 door de marineofficier Ernest Beinier verzameld zijn (?)
Collectie: Meyer, Paris
© Foto: Olaf Wipperfürth
Uit: Meyer 1995:419-20
1.6.1.3.2. Boomvarenmaskers
Boomvarenmaskers zijn steeds helmmaskers en komen alleen voor in het zuiden van Malakula. Kaufmann (1997:112) gaat ervan uit dat deze maskers (temes malua) de boshoender (Megapodius layardi) voorstellen. De boshoender legt haar eieren in een hoop rottende bladeren waar ze door de gistingswarmte worden uitgebroed. Omdat het boshoenderei zonder enige hulp wordt uitgebroed staat de boshoender symbool voor het individu dat zichzelf transformeert. Dit verklaart het gebruik van de temes malau bij initiatierituelen.[236] De drager van het helmmasker zou tijdens het ritueel de balsdans van de boshoender nabootsen (afb. 62). De Ganay (Coiffier 2001:112) die deel uitmaakte van de Korrigane-expeditie (1935) benadrukt dat het dragen van de boomvarenmaskers (temes weleoram) niet het prerogatief was van personen met een bepaalde nimangki-graad.[237]

Afbeelding 62. Temes weleoram van afbeelding 49 in situ gefotografeerd door de Charles van den Broek en Etienne de Ganay van de Korrigane-expeditie
(Small Nambas, zuid Malakula)
© Foto: Photothèques du musée de l’Homme, Paris
Uit : Fisher 2001 :113
Het masker wordt gemodelleerd over een boomvarenstronk en heeft de vorm van een afgeknotte kegel. Het bovendeel toont de naakte boomvarenvezels. De temes weleoram, meegebracht door La Korrigane (actueel in het Musée de l’Homme) heeft de wenkbrauwen in V-vormig reliëf en spleetvormige ogen (afb. 63).

Afbeelding 63. Temes weleoram (Small Nambas, zuid Malakula)
Afmetingen: 117 x 34 cm
Materialen: boomvaren, plantaardige vezels en kit, pigmenten (varkensslagtanden zijn verloren gegaan)
Kunstenaar: Ande meleun
Collectie: Musée de l’Homme, Paris
Inventarisnummer: MH 61.103.15
© Laboratoire photographique du musée de l’Homme
Uit : Fisher 2001:112
De ooghoeken lopen uit naar de slapen waar ze een krul vormen. De neus is natuurgetrouw weergegeven. De mond is een smalle horizontale spleet met in elke mondhoek een varkensslagtand. Onder de mond is een korte kin aangebracht. De baard, die de facies omlijst, vormt onder de kin twee krullen die varkenstanden voorstellen.[238] Het geheel is beschilderd met rood, zwart en wit pigment. Het voorhoofd is beschilderd met chevronmotieven. De temes malau verzameld door Speiser vertoont vele gelijkenis met die van het Musée de l’Homme. Verschillend is de mond met een uitgestoken blauwe tong. De baard loopt niet uit op twee krullen. De gebruikte pigmenten zijn rood, wit, zwart en blauw. Op het hoofd heeft dit masker drie kegelvormige uitsteeksels die met chevronmotieven zijn beschilderd. Het deel onder de baard is in verticale stroken verdeeld die afwisselend met blauw, wit en met polychrome chevronmotieven zijn ingevuld (afb. 64).

Afbeelding 64. Temes Malau (zuid Malakula)
Afmetingen: H. 120 cm
Materialen: boomvaren, plantaardige vezels, kit, pigmenten en
varkensslagtanden.
Collectie Speiser (1912): Museum der Kulturen
Inventarisnummer: Vb 4776
© Foto: Peter Horner
Uit: Kaufmann 1997:112
1.6.1.3.3. Vezelmaskers
Het vezelmasker is het meest voorkomend maskertype in noord Vanuatu. Men kan deze maskers vinden van Ambrym en Malakula tot aan de noordelijke Banks- en Torres Eilanden. Vezelmaskers worden in alle mogelijke vormen en kleuren uitgevoerd. Sommigen van deze maskers kan men beter als rituele hoofddeksels beschouwen. Dit is het geval met de hoofddeksels van het tamate-genootschap van de Bankseilanden (afb. 65 en 66).

Afbeelding 65. Tamate-hoofddeksel (Mota Lava, Bankseilanden)
Afmetingen: 35 x 61 cm
Materialen: boombast, rotan, plantaardige vezels en pigementen
Collectie: Museum für Völkerkunde, Leipzig
© Foto: Ingrid Hänge
Uit: Kaepller et alii 1993: plate 137

Afbeelding 66. Tamate-danser
(1970 Lotawan, Mota, Banskeilanden)
© Foto: Bernard Vienne
Uit: Vienne 1996:241
Bij de aanmaak van het vezelmasker wordt, net als bij de rambaramp en de temes nevimbur, een grote verscheidenheid aan materialen gebruikt. Met plantaardige vezels, boombast, kit, varkenstanden, spinnenraggen, veren en pigmentstoffen worden de meest verrassende vormen gecreëerd (afb. 20b, 67a en 67b). Algemeen mag men stellen dat het overgrote deel van de maskers antropomorf is met eventueel zoömorfe toevoegingen. Tot de meest zeldzame maskers behoren de zoömorfe exemplaren die een haaienkop voorstellen (afb. 68). Gezien de grote diversiteit aan vormen is een regionale situering op basis van morfologie zeer moeilijk. Veel maskers uit zuid en zuidoost Malakula vertonen dezelfde morfologische eigenschappen als de temes nevimbur (afb. 69 en 70). Uitzonderingen zijn echter legio, dit wordt geïllustreerd door de afbeeldingen 67a en 67b.


Afbeelding 67a & 67b. Janus helmmasker temes mbalmbal met figuur
(zuidoost Malakula)
Afmetingen: 117 x 37
Materialen: boomvaren, spinnenraggen, plantaardige vezels, kit en pigmenten
Collectie: Musée de l’Homme, Paris
Inventarisnummer: MH 61.103.17
© Laboratoire photographique du musée de l’Homme
Uit : Fisher 2001:116-17

Afbeelding 68. Haaiendansmasker (zuid Malakula)
Afmetingen: 25 cm
Materialen: plantaardige vezels, kit en pigmenten
Collectie Speiser: Museum der Kulturen, Basel
Inventarisnummer: Vb 4568
© Foto: Peter Horner
Uit: Speiser 1923b: plate xx


Afbeelding 69. Een masker uit Afbeelding 70. Een masker uit
zuid Malakula oost Malakula
Afmetingen: 60 cm (links) en 68 cm (rechts)
Materialen: plantaardige vezels, kit, pigmenten en varkensslagtanden
Collectie Speiser: Museum der Kulturen, Basel
Inventarisnummer: Vb 44131 & Vb 1774
© Foto: Peter Horner
Uit: Speiser 1923b: plate xxvi & xxviii
De tamake maskers van Ambrym zijn schematisch en weinig rondplastisch.[239] De ogen zijn ruwe perforaties. De mond wordt door een opening of een uitholling voorgesteld. De facies wordt gecompartimenteerd door lineaire beschilderingen (afb. 71 en 72).

Afbeelding 71 & 72. Twee tamake maskers uit Ambrym
Afmetingen: H. 55 cm (links) en 65 cm (rechts)
Materialen: plantaardige vezels, kit en pigmenten
Collectie Speiser: Museum der Kulturen, Basel
Inventarisnummer: Vb 4567 & Vb 4566
© Foto: Peter Horner
Uit: Speiser 1923b: plate xlii & xliii
Deze maskers werden oorspronkelijk uit hout gesneden en golden als gevaarlijk voor niet ingewijden (Huffman 1996: 23). Actueel zouden deze maskers alleen nog in een profane context gebruikt worden. Ze treden op als ontspanningsmasker bij feestelijkheden en brengen de kinderen aan het schikken (Kaufmann 1997:142).
Driehoek en ruitvorm zijn dominant aanwezig in de vormgeving van alle rom-maskers uit Ambrym. Huffman (1996a:21) onderscheidt twee hoofdtypes: het masker met een horizontale ruitvorm (afb. 73) en het masker met een verticale ruitvorm (afb. 74). Het meest voorkomende masker in de Westerse musea is het verticale rom kón masker (afb. 75).

Afbeelding 73. Rom-masker van het horizontale type (Ambrym)
Afmetingen: 60 x 32 x 33
Materialen: plantaardige vezels, kit en pigmenten
Collectie Speiser: Museum der Kulturen, Basel
Inventarisnummer: Vb 4756
© Foto: Peter Horner
Uit: Huffman 1996a:20

Afbeelding 74. Zijaanzicht van een verticaal rom-dansmasker (Ambrym)
Afmetingen: H. 40 cm (zonder baard)
Materialen: plantaardige vezels, bamboe, lianenhout, kit en pigmenten
Collectie Clausmayer: Rautenstrauch-Joest-Museum für Völkerkunde, Köln
Inventarisnummer: 15 918
© Foto: Rheinisches Bildarchiv und Photoarchiv des Rautenstrauch-Joest-Museum
Uit: Bounoure1992:87

Afbeelding 75. Vooraanzicht van het verticale rom kón-dansmasker
(Metamli, noord Ambrym)
Afmetingen: H. 80 cm.
Materialen: plantaardige vezels, bamboe, kit, cycasbladeren en pigmenten
Collectie (1949): Musée national des Arts d’Afrique et d’Océanie, Paris
Inventarisnummer:
© Foto: Dominique Genet
Uit: Kaeppler et alii 1993:134
Het rom kón masker onderscheidt zich van de andere verticale rom-maskers door een weelderige bos cycasbladeren op de kruin (Guiart 1951:68-69). Het groene pigment is naast de ruitvorm typerend voor al de rom-maskers. De rom-maskers treden op in het ole-genootschap. Na hun optreden werden de rom-maskers vernietigd. Hieruit werd door Guiart (1951:69) afgeleid dat het ole-genootschap een uiterst geheime mannenbond moest zijn. Deze visie is intussen herzien. Het genootschap is niet geheim maar veeleer gesloten (Patterson: persoonlijke mededeling: Melbourne 10-09-2002). Guiart (1951:68) denkt dat de rom-maskers morfologisch verwant zijn met de temes malau uit zuidoost Malakula. Het masker waarnaar Guiart refereert werd zowel door Edge-Partington (1898:III-55) als door Deacon (1934: plate XX/2) gepubliceerd (fig. 7).[240] Het is op een ramparamp geplaatst en vertoont geen enkele gelijkenis met de temes malau zoals die beschreven wordt door Kaufmann (afb. 64). Deacon (1934: 427-28) van zijn kant is van oordeel dat er twee temes malau maskertypes in gebruik zijn. Allereerst een volgens hem minder belangrijk ruitvormig masker gemaakt uit lichte materialen (spinnenwebben?).[241] Daarnaast vermoedt Deacon (1934: fig. 26) dat er een tweede belangrijker masker in gebruik is dat uit hout wordt gesneden (fig. 8). Dit masker waaraan ledematen, fallus, vulva en een lange kegel op de kruin zijn toegevoegd, vertoont duidelijke morfologische overeenkomsten met het temes malau boomvarenmasker van afbeelding 64.


Figuur 7. Temes malau (?) op Afbeelding 76. Spinnenweb masker
een rambaramp Temes malau (?)
Verzameld in 1888 in Port Sandwich, Afmetingen: H: 84 cm
Zuidoost Malakula Materialen: spinnenwebbenen pigmenten
Collectie Speiser (1910-12). Museum der Kulturen, Basel
Inventarisnummer: Vb 4023
© Foto: Peter Horner
Uit: Edge-Partington 1898: III-55 Uit: Kaufmann 1997:83

Figuur 8. Temes malau helmmasker van het nalawan-genootschap
Uit: Deacon 1934:428
1.6.1.4. Spleettrommen
1.6.1.4.1. De verticale spleettrom (atingting)
De verticale spleettrom (atingting) speelt een belangrijk rol in de rituelen en ceremonies op Ambrym en Malakula. De atingting is in Vanuatu uitsluitend te vinden op de eilanden Malakula, Ambrym, Epi en Efate. Dit zou volgens Layard (1942:310) betekenen dat de verticale spleettrom alleen voorkomt op eilanden waar bij de hogere nimangki-graden monolieten en stenen platformen worden gebruikt.[242] Volgens Rio (2000:www) hebben de Ambrymezen de kopierechten om verticale spleettrommen te maken samen met de graden meleun en mal in de 19e eeuw in Malakula aangekocht. Wat betreft de morfologie is hij in tegenstelling met Fischer (1957:60) van oordeel dat de stijl niet afkomstig is van Malakula, maar ontstaan is in west Ambrym (afb. 77 en 78).

Afbeelding 77. Zijaanzicht van een verticale atingting met schijfvormige ogen (Ambrym)
Afmetingen: H. 358 cm
Materiaal: hout (gerestaureerd in 1994-95 en 1999)
Ex-collectie Mme T.L. Fowler, collectie (1972): Musée d’ethnographie, Neuchâtel