| Een Turkse droom die geschiedenis werd. De historische ervaring van Turkse arbeidsmigranten in Antwerpen. (Ann Goossens) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
DEEL II: DE HISTORISCHE ERVARING VAN TURKSE ARBEIDSMIGRANTEN IN ANTWERPEN
Een onderzoek naar het verleden van de Turkse gemeenschap in Antwerpen was pionierwerk en werd daarom in hoofdzaak een zeer verkennend onderzoek. Niet alle aspecten van de migratiegeschiedenis zullen aan bod kunnen komen. Ik heb in de eerste plaats de spot gericht op die aspecten die het mogelijk maakten een eerste kennismaking met het verleden van de Turkse arbeidsmigranten in Antwerpen aan te bieden. Verder onderzoek zullen de lijnen wellicht verder kunnen inkleuren.
De historische ervaring van de Turkse arbeidsmigranten zelf staat centraal. Als we spreken over de Turkse arbeidsmigranten in Antwerpen betekent dit echter niet dat zij een homogene groep vormen. Zoals reeds vermeld werd de Koerdische migratie niet betrokken in deze studie omdat deze migranten in het algemeen een heel andere migratiegeschiedenis hebben. Maar de groep kan ook op andere manieren worden onderverdeeld in subgroepen, op basis van onder meer religieuze of politieke visie. Omwille van een gemeenschappelijke migratie-ervaring beschouw ik de eenheid van de Turkse arbeidsmigranten in Antwerpen echter groot genoeg om ze als groep te bespreken. Het ruime herinneringslandschap stond centraal en het resultaat dat werd beoogd was de grootste gemene deler van hun gemeenschappelijk verleden.
Een tweede opmerking die ik vooraf zou willen maken is dat de opdeling in hoofdstukken artificieel is want in werkelijkheid staan de thema’s die in de hoofdstukken ter sprake komen in heel nauw verband met elkaar. Een tentoonstellingsruimte zou eigenlijk een beter medium zijn om deze geschiedenis te presenteren. De bezoeker zou verschillende bewegwijzerde parcours kunnen volgen en het verhaal meer als één geheel voorgeschoteld krijgen. Wat ik hier wel kan doen is de lezer zo goed mogelijk proberen te gidsen doorheen de hoofdstukken. Expliciete en impliciete verwijzingen naar volgende of vorige hoofdstukken zullen daarom geregeld opduiken in het betoog.
Het eerste hoofdstuk blikt terug op de motivatie van Turkse arbeidsmigranten om te emigreren en de verwachtingen die er rond gekoesterd werden. In het tweede hoofdstuk vraag ik me ten eerste af waar in de Antwerpse agglomeratie de eerste Turkse migranten zich vestigden. Daarbij zal ik trachten dit ruimtelijk patroon en de evolutie ervan te verklaren. Vervolgens zal ik me dieper nestelen in deze buurten en volgt een beschrijving van binnenuit. In het derde hoofdstuk zal de regionale afkomst van de Antwerpse stedelijke inwoners van Turkse origine aan bod komen. Enkele aspecten die verband houden met de tewerkstelling zullen in hoofdstuk vier worden behandeld. Een economische doorlichting van Antwerpen in de jaren zestig en zeventig zal aan bod komen evenals waar de Turkse arbeidsmigranten hoofdzakelijk werden tewerkgesteld en welke positie ze bekleedden. In het voorlaatste hoofdstuk wordt kort het migrantenbeleid van de stad Antwerpen bekeken. Tot slot breng ik de Turkse gemeenschap socio-cultureel in beeld met aandacht voor de sociale netwerken die in Antwerpen werden opgebouwd.
In dit eerste hoofdstuk peil ik naar de motivaties en verwachtingen van de Turkse arbeidsmigranten in Antwerpen. Bewust werd dit het eerste hoofdstuk omdat het verwachtingspatroon in sterke mate de rest van de werkelijkheidsbeleving kleurde. Ik heb hier hoofdzakelijk gebruik gemaakt van citaten uit de interviews. Op die manier kunnen we ook in de hoofdstukken die volgen de verschillende aspecten van de migratiegeschiedenis beter vanuit hun eigen perceptie bekijken. Als we hun bril in dit hoofdstuk opzetten ga ik er bovendien van uit dat er geen opvallende verschillen zijn met andere regio’s in België of West-Europa. In een eerste fase was deze migratie ongetwijfeld te te typeren als arbeidsmigratie.
De huidige Turkse senioren in Antwerpen behoren allen tot de eerste generatie migranten die in de jaren zestig naar België kwamen om er te werken.[136] Men vertrok naar Europa met het idee om er een aantal jaren te werken en terug te keren:
In 1964 hoorde mijn vader over Europa. Het was een land van melk en honing. Het verhaal werd verteld dat er in Europa toekomst was. Je had twee dingen nodig om naar Europa te gaan: een kruiwagen en een schup. Je gaat er met de kruiwagen naar de fabriek om hem te vullen met geld en weer terug te komen. Met dat geld kon je veel grond en huizen kopen en ‘dorpsleider’ worden. Voor hij vertrok had hij aan zijn vrienden verteld dat hij rijk zou terugkeren en als koning zou leven.[137]
We hebben het geprobeerd, hier tien, vijfien jaar geld verdienen – beetje kapitalistisch denken – (lacht) en dan terug te keren.[138]
Sommigen vertrokken ook eerder impulsief naar het “land van melk en honing”:
We zaten met een vijventwintigtal mensen op de bus. Verschillende waren Turkse Grieken die in Istanbul woonden. Er waren ook twee Armenieërs, die in Istanbul woonden. De rest was afkomstig van het platteland. Nog één iemand was er van Istanbul, een 21-jarige jongeman, in feite een cowboy, een echte avonturier, zonder doel. In feite is iedereen die de stap zet om naar Europa te gaan een avonturier maar er zijn twee soorten avonturiers, diegenen met en diegenen zonder een vooropgesteld doel. (…) Er was bijvoorbeeld een oudere man mee die zelf ook niet goed wist wat hij in Europa kwam zoeken. Hoewel hij weinig geld had begon hij meteen dure spullen te kopen.[139]
Over het land waar ze terecht zouden komen wisten de meeste emigranten vrijwel niets. Het onderstaande citaat toont aan dat de kennis over de bestemming zelfs bij iemand die een vooropleiding kreeg beperkt was:
Ik ben in 1974 gekomen als onderwijzer om aan de Turkse kinderen de Turkse taal en cultuur te leren. Ik ben gestuurd door het Turkse ministerie van Onderwijs. Ik was al zes jaar leerkracht in Turkije en heb dan meegedaan aan de selectie door het ministerie om naar het buitenland te gaan. In het begin twijfelde ik wel maar dan toch beslist om een paar jaar in het buitenland te werken – het contract was voor twee jaar. We kregen een maand vooropleiding in Ankara bij het ministerie van Onderwijs. Dan hebben we zes maanden moeten wachten op een officieel visum. We zijn met zes collega’s naar België gestuurd maar we wisten nog niet wie waar zou gaan werken. In Brussel op de Turkse ambassade werd mij het voorstel gedaan om naar Antwerpen te gaan. Ik kende Antwerpen niet of andere Belgische steden, ik wist zelfs niet dat België een tweetalig land was.[140]
De grote meerderheid van de Turkse emigranten beschouwden hun verblijf in België slechts als een tijdelijk verblijf. Dat men ging terugkeren naar Turkije stond vast:
Ik was van plan om enkele jaren in België en dan terug te keren. Het is er niet van gekomen omdat ik altijd nog een beetje zou sparen. Ik heb toen op krediet een dorsmachine gekocht. Achteraf gezien heb ik er veel geld mee verloren: anderen maakten gebruik van de dorsmachine maar staken het geld in eigen zak.[141]
De perceptie van de uiteindelijke terugkeer was bovendien ruim verspreid. De personeelschef Van Den Berg van Metallurgie Hoboken (een non-ferro bedrijf die vele arbeidsmigranten tewerkstelde) zei 1978 in een interview in Trends: “Wij dachten dat ze maar korte tijd zouden blijven, genoeg om een bepaalde som te verdienen en dan rijk terug te keren. Maar dat is niet zo gebleken.”[142] Ook buurtwerkster Suzy Germeys bevestigt dit beeld:
Ze waren duidelijk van plan om terug te keren. Ongeveer iedereen liet in Turkije een eigen huis bouwen. Heel veel geld is doorgesluisd naar Turkije, zowel voor henzelf als voor hun familie. Als ze op vakantie gingen naar Turkije namen ze heel veel mee. De familie daar ging er immers van uit dat zij rijk waren en verwachtten geschenken.[143]
Het leven hier werd lange tijd ook met het idee van de terugkeer in het achterhoofd ingericht. De meeste namen genoegen met een lagere levensstandaard hier om zoveel mogelijk geld te sparen:
Samen met mijn moeder ben ik, toen ik twee was, naar België gekomen maar niet met de bedoeling er voorgoed te blijven. We zouden na enkele jaren terugkeren naar Turkije. Daardoor was alles wat we aankochten tweedehands.[144]
We kochten toen ik jong was niets nieuws, alles tweedehands want we gingen toch terugkeren.[145]
Aan bezittingen in het herkomstland werd een grotere waarde gehecht. Alle respondenten hadden geïnvesteerd in Turkije. Men kocht er bouwgrond, schapen, een huis of een appartement. De meeste hadden ook ook hulp verleend aan verwanten en bekenden in Turkije. Dit waren onder meer financiële bijdragen in levensonderhoud (voor vrouw en kinderen in de fase voor de gezinshereniging) of bijdragen in natura.
De terugkeer werd echter steeds uitgesteld. Dat het gezin werd overgebracht hoefde geen breuk met eerdere plannen, namelijk terugkeer na welbepaalde tijd, te betekenen. In vele gevallen was men van plan terug te keren naar Turkije als de kinderen lagere school of middelbaar onderwijs moesten beginnen.
Wat we niet mogen verwaarlozen bij het uitstellen van de terugkeer is de sociale druk. Men had de thuisomgeving iets te bewijzen. Het was blijkbaar niet veroorloofd zich eerst in het avontuur storten om daarna met hangende pootjes terug te keren:
Mijn moeder had niet graag dat ik vertrok. Mijn vader liet me zelf beslissen. Van mijn oudste neef kreeg ik te horen dat een sprong in het onbekende niet zonder gevolgen bleef als het uiteindelijk zou blijken dat het beter zou zijn om terug te keren. Terugkeren is voor de kring, de omgeving een grote schande. (…) Na drie weken wilde ik inderdaad terugkeren. Een vriend van wie ik een beetje geld wou lenen dat ik tekort had om terug te keren raadde dat af. Hij zei me dat ik eraan moest denken dat de omgeving niet positief zou reageren op die terugkeer. Dat had mijn neef ook gezegd, dus ben ik uiteindelijk niet teruggekeerd. De man zou me wel het geld lenen om terug te keren moest ik zonder werk blijven en nog terug willen. Twee dagen later vond ik werk.[146]
Na drie maanden wilde mijn vader al terugkeren. Zijn leven in Turkije was al bij al beter dan dat in Beringen. Maar hij was zonder toestemming van zijn vader vertrokken, was stoer geweest tegenover zijn vrienden en kon dus niet terugkeren. Hij had schrik om “de eer onder de voeten te nemen” - dat is een uitdrukking bij ons in Turkije- en terug te keren.[147]
In de jaren tachtig keerden enkele gezinnen uit Antwerpen effectief terug naar Turkije. Meestal waren de kinderen rond de twaalf jaar. Praktisch allemaal zijn ze terug naar Antwerpen gekomen. Het reïntegreren in Turkije bleek te moeilijk.[148]
In 1987 hebben we geprobeerd om terug te keren naar Turkije. Dat is niet gelukt. De situatie was er nog altijd slecht op het vlak van werk, onderwijs. In Istanbul, een stad, zou het misschien wel gelukt zijn. Mijn vader heeft ons ertoe aangezet opnieuw naar België te gaan. Hij wilde dat de kinderen in Europa zouden studeren en dat ik hier een huis zou kopen. We hebben het geprobeerd, hier alles verkocht, meubels verkocht, studio gehuurd. Terug in België hebben we hier een huis gekocht.[149]
Eigen onderzoek wees uit dat de mythe om terug te keren pas in het midden van de jaren tachtig definitief werd opzijgeschoven. Meer investeringen in huizen en de handel in plaats van het opzijzetten van geld en het starten met een eigen handelszaak of bedrijf waren hiervan de signalen. Samen met het kopen van een eigendom hier namen meer eerste generatie migranten ook de stap om Belg te worden.
Het kopen van een eigendom in België bleef lange tijd een taboe. In de ogen van de andere Turken betekende dit dat je had beslist hier te blijven en als gevolg daarvan je identiteit zou verliezen:
We huurden een oud huis en hadden het helemaal opgeknapt. We kregen de kans om het huis te kopen voor een klein prijsje. Dorpgenoten reageerden negatief: “je zal je identiteit verliezen”. We hebben het huis uiteindelijk niet gekocht maar wel een bouwgrond in Turkije. Zo gebeurde het veel: sparen maar verkeerde investeringen.[150]
Destijds waren er ook mensen die panden wilden kopen. Ze werden uitgelachen en voor zot verklaard. Wat is de bedoeling? Je wilt toch geen Belg worden!? Vele mensen die een pand wilden kopen zagen er dan ook van af en hadden later spijt.[151]
Uiteindelijk zijn de meeste hier gebleven. Toch blijft het moeilijk om te zeggen “ik keer niet terug”. Men voelt zich nog sterk emotioneel verbonden met Turkije maar beseft dat een terugkeer onmogelijk is geworden. De hoofdreden is dat de kinderen hier zijn opgegroeid maar ook het sociale zekerheidssysteem is hier voordeliger. Een trend van de laatste jaren is dat de eerste generatie, diegenen die nu 50-55 jaar zijn, zes maanden in Turkije verblijven en zes maanden hier:
Het huis waar ik vroeger woonde is helemaal vervallen. Ik ga er nog enkel naartoe om het graf van mijn ouders te bezoeken en er dan wat in de Koran te lezen. Ik woon nu in Eksehir. Ik heb daar een appartement waar we elke zomer op vakantie gaan. Als mijn oudste zoon ook getrouwd is ga ik daar misschien vier of vijf maanden in de zomer blijven. Er altijd gaan wonen kan niet, elk jaar tot mijn zestigste heb ik hier controle [werkloosheidsuitkering]. En anders zou ik trouwens niet in de winter in Turkije willen wonen, dan is het daar veel te koud. De winter hier is goed.[152]
Het project in het kader van de seniorenwerking van de Unie van Turkse Verenigingen in 2002 waarbij een 120-tal Turkse senioren uit Antwerpen-Zuid en Antwerpen-Noord werden bevraagd, geeft hetzelfde beeld. De respondenten werden gevraagd waar ze tijdens hun pensioen zouden willen verblijven, in Turkije of België. Uit de bevraging bleek dat 22 procent in België willen blijven voor de rest van hun leven. Ten eerste werden de gezondheidsvoorzieningen beter bevonden dan in Turkije en ook makkelijker bereikbaar. De grotere omgeving en vriendenkring hier was voor velen een tweede reden. Ten derde hebben de kinderen hier werk en zouden niet mee willen terugkeren met de ouders. Bovendien hebben ze dikwijls problemen met het zich aanpassen in Turkije en zouden ze niet met de ouders terugkeren. 8 procent koos voor Turkije om de rest van hun leven door te brengen. De redenen hiervoor waren het goede weer en de familieleden die ze er nog hebben. Ten slotte koos 70 procent voor beide landen.[153]
3.1. Woonpatroon
In dit onderdeel zal aan bod komen waar de Turkse arbeidsmigranten zich vestigden in Antwerpen en hoe we dit woonpatroon kunnen verklaren. Ik begin met een overzicht van het aantal Turken in de Antwerpse agglomeratie van 1964 tot nu, de evolutie van de samenstelling van de gemeenschap en hun verspreiding in de agglomeratie.
Zoals we reeds zagen in deel één kwam de Turkse immigratie in Antwerpen zeer geleidelijk aan op gang vanaf het begin van de jaren zestig, in tegenstelling tot de Marokkaanse immigratie. Pas tijdens de eerste helft van de jaren zeventig kende het aantal Turken in de agglomeratie een sterke stijging. De sterkste stijging kende het aantal echter tijdens de tweede helft van de jaren zeventig:
Figuur 13: Verloop van het aantal Turken in de Antwerpse agglomeratie[154]

|
1964 |
72 |
1969 |
394 |
1974 |
1246 |
1979 |
3385 |
|
|
|
1965 |
110 |
1970 |
513 |
1975 |
1940 |
1980 |
3763 |
|
|
|
1966 |
156 |
1971 |
580 |
1976 |
2211 |
1981 |
4027 |
|
|
|
1967 |
267 |
1972 |
695 |
1977 |
2754 |
1982 |
4203 |
1990 |
5931 |
|
1968 |
296 |
1973 |
986 |
1978 |
3067 |
|
|
2000 |
6494 |
Als we ook het verloop van de samenstelling van de Turkse gemeenschap bekijken (figuur 2), kunnen we de stijging van het aantal Turkse arbeidsmigranten in Antwerpen vanaf het begin van de jaren zeventig grotendeels toeschrijven aan gezinshereniging en gezinsvorming. Het aandeel van de mannen zien we immers dalen. Anderzijds vormde ook de natuurlijke aangroei voor een toename. De sterke stijging van het aantal Turken in de agglomeratie in de tweede helft van de jaren zeventig is ook deels te wijten aan het aantrekken van vele Turkse gezinnen uit andere regio’s van het land omwille van de tewerkstellingsmogelijkheden die Antwerpen te bieden had. Hierop zal ik terugkomen in het hoofdstuk over tewerkstelling.
Figuur 14: Samenstelling van de Turkse gemeenschap in de Antwerpse agglomeratie[155]

In de provincie Antwerpen wonen de meeste inwoners van Turkse origine in de Antwerpse agglomeratie. Andere Turkse aanwezigheden van betekenis in de provincie Antwerpen treffen we aan in Lier, Mol en Willebroek.[156] Ook binnen de agglomeratie is de Turkse gemeenschap zeer ongelijk verspreid. De meeste Turken zijn gevestigd in Antwerpen-stad. Een tweede grote groep vinden we terug in Berchem (figuur 3).
Figuur 15: Ruimtelijke verdeling van het aantal Turken in de Antwerpse agglomeratie[157]

In Antwerpen-stad en Berchem zelf ten slotte wonen de inwoners van Turkse nationaliteit ook zeer ongelijk verspreid. Ze wonen vrijwel uitsluitend binnen de Singel (oude stadsgordel), met name in Antwerpen-Zuid (Vlaamse en Waalse kaai, Brederodestraat en Troonplaats), in Oud-Berchem (Driekoningenstraat, Statiestraat en Posthof) en in Antwerpen-Noord (Stuivenbergplein en Sint-Amandus). Buiten de Singel is een minder sterke concentratie gevestigd op het Kiel (Beerschot station) met uitlopers in Hoboken en Wilrijk.[158] Ook mijn eerste verkennende gesprekken bij de Dienst Integratie Antwerpen en bij de Unie van Turkse Verenigingen en de studie van Marijnissen[159] wezen uit dat de Turkse gemeenschap zich steeds in desbetreffende stadsdelen concentreerde.
De procentuele ruimtelijke verdeling van de Turkse gemeenschap in Antwerpen-stad in 2000 ziet u op de onderstaande figuur (figuur 4). In Berchem woonde in 2000 92 procent binnen de oude stadsgordel.[160]
Figuur 4: Verdeling in Antwerpen-stad (2000)[161]

Waar deze buurten zich precies bevinden, ziet u op de onderstaande kaarten (figuren 5 en 6):
Figuur 5: Kaart van de Stad Antwerpen met haar districten

Figuur 6: Kaart van Antwerpen met de buurten waar de meeste inwoners van Turkse origine wonen (woonden)

In Antwerpen-Noord kwamen Turkse migranten pas wonen tussen 1970 en 1980 terwijl de drie andere concentratiekernen, met name Antwerpen-Zuid, Oud-Berchem en Kiel met uitlopers in Hoboken en Wilrijk zich reeds vóór 1970 deden gelden. De verhoudingen bleven veruit dezelfde.[162] Eigen onderzoek wees uit dat de eerste Turken in Antwerpen zich op het Zuid vestigden. Kort daarna volgde Oud-Berchem. Op het einde van de jaren zestig begon zich een duidelijke groep te onderscheiden op het Kiel en ten slotte vestigden heel wat Turken zich in de jaren zeventig in Antwerpen-Noord. De huidige trend is dat de derde generatie meer en meer wegtrekt van het centrum. Met hun jonge gezinnen gaan ze nu veelal in Deurne, Linkeroever en Zwijndrecht wonen.
We kunnen besluiten dat de Turkse gemeenschap sterk geconcentreerd woonde en woont in de Antwerpse agglomeratie. Ten opzichte van de verschillende groepen Antwerpse inwoners met vreemde nationaliteit woont de groep Turken het sterkst geconcentreerd in de agglomeratie.[163] In België is de Turkse gemeenschap in Antwerpen bovendien de sterkst gesegregeerde gemeenschap. Dit kunnen we afleiden uit de tabel met ruimtelijke segregatie-indexen die Ron Lesthaeghe opstelde (figuur 5). Op basis van gemiddelden per statistische sector van de verschillende grote steden berekende hij de mate van segregatie tussen de verschillende steden onderling.[164] Lut Janssens stelde vast dat ook voor de jaren 1970 en 1980 in de Antwerpse agglomeratie enkel in het geval van de groep Turken van segregatie kon gesproken worden.[165]
Figuur 16: Ruimtelijke segregatie-index in de ruimere stedelijke agglomeraties (1991)
|
|
Brussel |
Antwerpen |
Gent |
Hasselt-Genk[166] |
Charleroi |
Luik |
|
Turken |
78,0 |
80,2 |
76,4 |
68,6 |
60,5 |
66,8 |
|
Marokkanen |
68,9 |
68,1 |
72,2 |
65,8 |
54,5 |
62,6 |
|
Grieken |
53,5 |
67,4 |
- |
64,2 |
54,5 |
60,4 |
|
Spanjaarden |
53,8 |
54,7 |
- |
55,8 |
48,8 |
41,8 |
|
Italianen |
38,7 |
49,8 |
53,1 |
60,0 |
30,1 |
41,3 |
|
Duitsers |
41,9 |
37,0 |
34,6 |
37,0 |
- |
48,6 |
|
Fransen |
33,0 |
46,0 |
44,7 |
- |
23,8 |
31,3 |
|
Belgen |
46,9 |
44,9 |
51,9 |
51,9 |
30,5 |
38,6 |
Segregatie kunnen we zoals Lut Janssens definiëren als “het groeperen van bevolking met gemeenschappelijke kenmerken op een bepaalde plaats”.[167] Deze kenmerken kunnen zowel van raciale, religieuze, sociaal-economische of culturele oorsprong zijn alsook combinaties ervan. Een duidelijkere definitie is deze van Kesteloot. Onder segregatie verstaat hij dat deze sociale groepen afgezonderd wonen van andere sociale groepen; onder concentratie verstaat hij dat sociale groepen zoals buitenlandse minderheden slechts in welbepaalde gebieden wonen en niet gelijkmatig verspreid zijn in een streek of stad.[168] Kesteloot merkt verder op dat de concentratie van migranten in de meest achtergestelde stadsdelen bijdraagt tot het in stand houden en het reproduceren van het ‘goedkoop en gebruiksvriendelijk’ karakter (lage lonen, informele economische netwerken) van de migrant. Tevens wordt de verdeeldheid bewerkstelligt tussen migranten en autochtonen. Men heeft dus niet enkel te maken met ruimtelijke segregatie, maar ook met politieke en ideologische segregatie.[169]
Hoe kunnen we nu de concentratie van vreemdelingen met Turkse nationaliteit in bepaalde stadswijken van Antwerpen verklaren? Volgens Kesteloot zijn er twee soorten verklaringen voor de ruimtelijke concentratie van vreemdelingen: de sociaal-economische en de etnische verklaring. Volgens de eerste invalshoek kan de concentratie van vreemdelingen in bepaalde buurten verklaard worden door de sociaal-economische positie en de werking van de woningmarkt. De tweede invalshoek benadrukt de eigen keuze van de vreemdelingen.[170] In wat volgt zullen de twee types verklaringen aan bod komen.
Vooraleer we overgaan tot een beschouwing, zowel van bovenuit als van onderuit, van het Turkse woonpatroon in de Antwerpse agglomeratie wil ik wijzen op een belangrijke verandering in de huisvesting die zich reeds voordeed vanaf het einde van de jaren zestig. In Antwerpen bestonden geen verblijven speciaal gereserveerd voor buitenlandse werknemers. De pioniers in de Turkse migratie naar Antwerpen gingen op kamers of deelden met vijf of zes een appartement:
Via een collega op het werk kwam ik aan een kamer in een appartement in de Callensstraat in Berchem. Een kamer met twee bedden kostte 500 frank. Als je alleen wilde slapen betaalde je 300 frank. We woonden er met een dertigtal mensen. Er was per verdieping een klein gemeenschappelijk keukentje. In de Callensstraat was ook een badhuis. Elke woensdag en zaterdag ging ik daar een douche nemen.[171]
In april 1964 ben ik vertrokken naar Zwitserland met de bus vanuit Istanbul. De bus werd echter niet toegelaten in Zwitserland. (…) De reis werd verder gezet via Noord-Italië naar Frankrijk. Wanneer we toekwamen in Parijs -zo’n kille stad- werden de grenzen van België opengesteld. De groep besliste daarop om naar België verder te reizen. Uiteindelijk zijn we in Brussel beland. Aan alle passagiers werd een kamer in een pensionaat aangeboden voor één dollar per nacht. Ik had niet veel geld op zak en vond dit te duur. Samen met een andere Turk, een getrouwde man met kind die twaalf jaar ouder was, hebben we een ander pension gezocht. Zo hebben we twee mensen uit Emirdag ontmoet die in een appartement in Kontich woonden, waar wij ook onderdak kregen.[172]
Enerzijds was het financieel gezien de voordeligste oplossing. Wanneer een appartement gedeeld werd konden ook de kosten gedeeld worden. Het weinige comfort deed er niet toe omdat men er toch vanuit ging dat men na enkele jaren al zou terugkeren naar Turkije. Anderzijds vond men steun en geborgenheid bij elkaar. Zowel financiële als praktische problemen werden door de hele groep opgevangen. Er was een grote mate van verbondenheid en wederzijdse solidariteit.[173] Onderstaand citaat maakt duidelijk dat de tweede reden soms belangrijker was dan de eerste:
Iemand [ook een Turk] op het Zuid verhuurde boven zijn café kamers met bedden. ’s Morgens serveerde hij een Turks ontbijt. Het was vrij duur om er een bed te huren maar velen wilden er toch wonen, voor het sociaal contact. Ze konden hun eigen taal er spreken, er hun hart luchten.[174]
Wanneer door gezinshereniging de samenstelling veranderde van een groep werkende mannen naar families werden de hostels en bemeubelde kamers verlaten voor privé- of sociale woningen. De woningen werden overwegend gehuurd. Pas vanaf de tweede helft van de jaren tachtig vond een evolutie plaats van huren naar eigendommen.[175] Uit het seniorenproject van de Unie van Turkse verenigingen waarbij een 120-tal Turkse senioren uit Antwerpen Zuid en Antwerpen Noord werden bevraagd, bleek dat de Turkse ouderen nu wonen in zeer oude huizen met heel weinig comfort. De woningen zijn zelden of nooit aangepast aan de specifieke noden en behoeften van de ouderen en het gaat veelal om kleine woningen voor grote gezinnen. Ze wonen overwegend in kansarme buurten.[176] De huisvestingssituatie van vreemdelingen in Antwerpen was steeds slechter dan die van de Belgische bewoners. De huisvestingssituatie van Marokkanen en Turken in het bijzonder was bovendien nog een stuk slechter dan die van de vreemdelingen in het algemeen.[177] Een enquête uitgevoerd in 1969 om te peilen naar de huisvesting van arbeidsmigranten in de Antwerpse agglomeratie bevestigt dit beeld: “wat de nationaliteiten betreft is het opvallend dat Turken en Marokkanen het het slechtst hebben op het vlak van huisvesting”. Wat de gemeentes betreft scoren Berchem en Borgerhout het minst goed.[178] De oorzaken hiervan hangen nauw samen met sociaal-economische verklaringsfactoren voor de concentratie van Turkse vreemdelingen in bepaalde Antwerpse stadswijken en zullen hiernavolgend aan bod komen.
Zoals we reeds zagen arriveerden de eerste Turkse migranten in een periode van grote economische groei en massale suburbanisatie. Vooral tijdens de golden sixties verlieten vele bewoners de stad om in de periferie een huis te bouwen. In het centrum bleven de minder kapitaalkrachtige bewoners achter. De arbeidsmigranten vulden dus niet alleen de sociaal-economische maar ook de ruimtelijke gaten die de hoge en middenklasse achterlieten in het stedelijke systeem. Het migratieproces creëerde zo een nieuwe sociale verdeling van stedelijke ruimte.[179] De sociaal-economische uitholling van bepaalde wijken heeft dus niet te maken met de aanwezigheid van migranten dan wel met de negatieve effecten van de ruimtelijke vormgeving van de naoorlogse groei.[180] Turkse arbeidsmigranten kwamen ook in Antwerpen terecht in de dichtbevolkte negentiende-eeuwse vervallen stadswijken en nabij de industriezones omdat voor deze woningen geen andere kandidaat-huurders of -kopers werden gevonden.
Ten eerste is er duidelijk een verband tussen een laagbetaalde job en de goedkope huizen van lage kwaliteit waar arbeidsmigranten onderdak vonden. Het seniorenproject van de Unie van Turkse verenigingen wees uit dat de Turkse senioren tot de laagste sociaal-economische klassen van de samenleving behoorden.[181] Als gevolg hiervan konden ze enkel goedkopere en oude woningen betalen en kwamen hoofdzakelijk terecht in minder aantrekkelijke buurten in de negentiende eeuwse gordel aan de rand van de kernstad. Hun plaats in de socio-economische structuur bepaalt dus mee hun zwakke positie op de huisvestingsmarkt. Moeilijkheden die ook door bepaalde groepen autochtonen worden ondervonden.
Ten tweede determineert discriminatie ook de keuze op de huisvestingsmarkt. Particuliere eigenaars weigerden niet zelden om aan Turken te verhuren:
Een huis huren was heel moeilijk. Dikwijls was er onderaan bij geschreven “geen vreemdelingen”. Ik liep vele straten af, telkens stond er “geen vreemdelingen”, “geen vreemdelingen”.[182]
Vermeir wijst op hun specifieke wooncultuur, met gastenkamer, mannen- en vrouwenvertrekken, zit- en eetgewoonten, die onterecht met veel wantrouwen werd bekeken.[183] Voor de meeste respondenten was dit een zeer gevoelig onderwerp:
Vreemdelingen wilden ze vroeger niet als huurders. Door het Vlaams Blok is het gebeterd, nu krijgen we wel huizen. Mijn dochter bijvoorbeeld heeft zonder problemen een huis gehuurd. Vroeger gooiden ze de deur gewoon dicht voor je neus.[184]
Ten derde heeft het geloof in een uiteindelijke terugkeer naar Turkije ook een impact op de uitgaven voor huisvesting. Men investeerde zo weinig mogelijk in woningen omdat men er toch van uit ging dat het slechts om een tijdelijk verblijf ging. Men wilde zoveel mogelijk geld sparen en dan naar Turkije terugkeren. Het idee van het tijdelijke van het verblijf kan ook een oorzaak zijn van segregatie. De tijdelijke migrant blijft psychisch gericht op zijn eigen maatschappelijk kader en is minder gemotiveerd tot sociale en culturele aanpassing.[185]
Het streven naar het behoud van de eigen cultuur en levenswijze werkte ook in belangrijke mate de concentratie van vreemdelingen met de Turkse nationaliteit in bepaalde stadswijken in Antwerpen in de hand. Wanneer men arriveerde in de stad zocht men de eigen cultuurgenoten op en ging men in de buurt van elkaar wonen:
We voelden ons verbonden met elkaar: we kwamen uit eenzelfde cultuur, we kenden de taal niet. We waren familie voor elkaar. We ondersteunden elkaar, bijvoorbeeld bij geldproblemen. Nu is die verbondendheid er veel minder.[186]
Niet alleen kon op die manier de band met de gemeenschappelijke origine worden behouden, ook het uitwisselen van praktische informatie en hulp deed de mensen ervoor kiezen bij elkaar te wonen: «Waar vinden we een slager? Waar kunnen we telefoneren?» [187] Via persoonlijke contacten raakten nieuwkomers aan de nodige informatie, ook over het vinden van geschikte woningen. Andere informatiekanalen waren op dat moment zeer beperkt.[188] Naast de werking van de huizenmarkt heeft aldus ook het zoekgedrag van de migranten ervoor gezorgd dat verspreiding werd beperkt. Paul White spreekt in dit verband van zelf-segregatie.[189] Niet zelden waren het bovendien familieleden en dorpsgenoten die bij elkaar gingen wonen, het fenomeen van de kettingmigratie. Na enkele jaren brachten de pioniers hun familieleden over, niet enkel het eigen gezin maar ook broers, neven en leden van de schoonfamilie[190]:
Wat mij opviel was dat het allemaal familie was van elkaar, broers, neven, schoonbroers. Iedereen kende elkaar. De instap naar de vreemde omgeving was zo kleiner. Klassiek gekend is ook dat alle Turken in Berchem komen uit de ruimere omgeving van Emirdag.[191]
Het was rond die eerste geïmmigreerde families dat het leven van de immigranten zich organiseerde.[192] Daarbij was het tot voor kort de gewoonte om nieuwe bruiden en bruidegommen te zoeken in het land van herkomst. De groepen in bepaalde stadswijken werden aldus uitgebreid en meer zichtbaar. Sommigen spreken in dit verband van ‘getransplanteerde gemeenschappen’. Dit verschijnsel en het proces van de kettingmigratie zal verder worden uitgewerkt in het volgende hoofdstuk.
De individuele en groepsgedragingen op basis van culturele kenmerken die residentiële differentiatie in de hand werkten zijn volgens de onderzoekers op individueel vlak een vorm van zelfverdediging. Op het niveau van de groep betekent het sociale controle.[193] Algemeen wordt ook aangenomen dat een groep die zich sterk van de autochtone bevolking onderscheidt volgens onder meer taal, cultuur en religie ook een grotere segregatie vertoont. Daarbij is er vastgesteld dat in de meeste landen de etnische groepen die reeds het langst in het land aanwezig zijn meestal een lagere segregatiegraad vertonen dan degenen die recent inweken.[194] Dit konden we reeds afleiden uit figuur 5. Vooral in Brussel en Antwerpen zijn onder andere Italianen en Spanjaarden opvallend minder gesegregeerd dan Turken en Marokkanen.
De concentratie van vreemdelingen in bepaalde stadswijken wordt zowel positief als negatief geëvalueerd, wat de discussie over concentratiebuurten en het spreidingsbeleid er niet makkelijker op maakt. De voordelen kunnen van sociale aard zijn, doordat een gevoel van geborgenheid wordt gecreëerd. Ze kunnen ook van culturele aard zijn omdat het wonen in een concentratiebuurt vaak de mogelijkheid biedt de eigen cultuur beter te behouden. Al dan niet tijdelijk vormen ze daarbij onderdak aan de cul