Een Turkse droom die geschiedenis werd. De historische ervaring van Turkse arbeidsmigranten in Antwerpen. (Ann Goossens)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL I: EEN TIJD-RUIMTELIJKE ORIËNTATIE

 

In dit eerste deel is het de bedoeling om een inzicht te geven in het fenomeen migratie. Eerst zal migratie theoretisch worden benaderd, waarna we inzoomen op de Turkse migratie. Zowel de historische context van de Turkse emigratie als van de Turkse immigratie in België zal worden behandeld. Tot slot komt een overzicht van de immigratie in Antwerpen aan bod.

 

 

1. Migratie

 

Migratie is deel van de menselijke realiteit en bijgevolg van alle tijden. Wanneer we de periode van de Nieuwste Geschiedenis onder de loep nemen valt vanaf het midden van de achttiende eeuw vooral de grote stroom emigranten naar Amerika op. Tegelijkertijd vonden er in West-Europa vele interne migratiebewegingen plaats, namelijk van het platteland naar industriële bekkens en mijnen. Vanaf het midden van de negentiende eeuw wordt deze arbeidsmigratie nog belangrijker. Met één miljoen immigranten per jaar in de Verenigde Staten van het einde van de negentiende eeuw tot het begin van de twintigste eeuw blijft ook de emigratie vanuit Europa naar het ‘nieuwe land’ zeer belangrijk. Met de Eerste Wereldoorlog vallen de migratiebewegingen even stil om weer te worden hernomen vanaf de jaren twintig. In Frankrijk, Duitsland en België vinden Russische, Poolse en Italiaanse vluchtelingen onderdak. Ook krijgen in die periode de kolonies te maken met een stijging van het aantal burgers van het land van de kolonisator. Binnen de koloniale rijken zelf vinden eveneens belangrijke bewegingen plaats, bijvoorbeeld Marokkanen uit het Rif-gebied die in Algerije gaan werken.[10]

Na de Tweede Wereldoorlog nam de geschiedenis van de migratie in Europa een nieuwe wending. Europa dat vooral een emigratiegebied was, werd een belangrijk immigratiegebied. In een eerste fase was er de na-oorlogse reconstructie waarvoor op immigranten beroep werd gedaan door onder meer België, Zwitserland, het Verenigd Koninkrijk en Zweden. Een tweede fase waren de golden sixties. In deze fase van economische hoogconjunctuur kwamen Duitsland, Nederland, Oostenrijk en Denemarken op als nieuwe immigratiegebieden. Naast Spanje, Portugal en Griekenland werden Turkije en de Maghreblanden belangrijke emigratiegebieden.[11]

De indruk dat massale naoorlogse arbeidsmigratie naar West-Europa een compleet nieuw fenomeen is, is een foute interpretatie. De twintigste-eeuwse arbeidsmigratie is daarentegen een veel normaler verschijnsel dan velen willen doen uitschijnen. Volgens Els Deslé is er geen sprake van een eenvoudige continuïteit maar zeker niet van een fundamentele breuk.[12] Naast een gelijkaardige motivering en een gelijkaardig verwachtingspatroon hebben arbeidsmigraties, zowel in de negentiende als in de twintigste eeuw, zowel een impact gehad op de vorming van collectieve identiteiten als een impact op de sociale verhoudingen. Wanneer we onder andere de Turkse arbeidsmigratie naar West-Europa in de jaren zestig overzien kunnen we vaststellen dat deze in dezelfde lijn ligt als de trekarbeid die vanaf de zeventiende eeuw binnen Europa voorkwam. Jaarlijks trokken toen uit bepaalde streken in Europa duizenden arbeiders naar andere streken of een grote stad om veelal seizoensgebonden werkzaamheden in de landbouw, nijverheid of handel en diensten te verrichten. Het aanvullende inkomen uit deze trekarbeid zorgde er meestal voor dat men het eigen landbouwbedrijf draaiende kon houden. Tijdens de negentiende en twintigste eeuw nam de omvang van de trekarbeid enorm toe door de Industriële Revolutie. Langere afstanden werden bovendien afgelegd. Ook de aard van de werkzaamheden veranderde, deze waren minder seizoensgebonden. Dikwijls werd de verblijfsduur verlengd tot jaren. Sinds de negentiende eeuw eindigt de trekarbeid voor velen in permanente vestiging.[13] Tussen deze trekarbeid en de Turkse migratie naar West-Europa zijn sterke gelijkenissen. Ten eerste bleef de aard van het werk hetzelfde. Net als in de negentiende eeuw deden de Turkse migranten de lastige jobs in de landbouw, de constructie en de mijnbouw. Ze waren zoals in de negentiende eeuw afkomstig van gebieden met een hoge natuurlijke aangroei, lage inkomens en werkloosheid door veranderingen in de landbouweigendommen.[14] Ten derde ging men er aanvankelijk ook van uit dat het om een tijdelijke arbeidsmigratie ging. Gedurende de jaren zestig keerde dan ook een aanzienlijk percentage van de Turkse arbeidsmigranten terug. In de jaren zeventig werd duidelijk dat de resterende migranten neigden tot vestiging en gezinshereniging in West-Europa.[15] Een belangrijk verschilpunt tussen de Turkse arbeidsmigratie en eerdere migraties was het emigreren, althans door een deel van de migranten, in de context van staatsregulering en controle. Bilaterale arbeidsakkoorden waren voor de twintigste eeuw vrijwel ongebruikelijk.[16] Een ander verschilpunt was de rol die de massacommunicatie speelde in de twintigste eeuw. Door satellieten, kabeltelevisie en de verbetering van het lange afstandsvervoer (wegen, luchtverkeer) werd emigratie toegankelijker. Omdat men in contact kon blijven met het thuisland (telefoon) daalde ook de emotionele afstand sterk.[17]

 

Om arbeidsmigratie te verklaren zijn verschillende modellen voor handen. Deze modellen bevinden zich op verschillende niveaus van de sociale werkelijkheid. Een eerste niveau zijn de structurele kaders van migratie. Op dit niveau bestaan verschillende theorieën, bijvoorbeeld de theorie van de afhankelijkheid en de ongelijke ontwikkeling waarbij ontwikkelde centra de rest van de wereld economisch exploiteren. Migratie kadert in dit opzicht in de exploitatie van arbeidskrachten. De wereldsysteemanalyse is een andere mogelijke verklaringstheorie waarbij naast centrum en periferie ook een semiperiferie wordt opgenomen in de analyse. Ook hier verbindt men migratie met de reserve aan arbeidskrachten in de (semi)periferie en staat deze ten dienste van de kapitalistische centra in de wereld.[18] Een klassieke economische migratietheorie is de push&pull-theorie. Men analyseert de migratie door de processen van aantrekking en afstoting te bestuderen, zowel op macro- als micro-niveau. In de macro-economische visie is migratie een reactie op push-factoren zoals ongunstige economische en arbeidsmarktvoorwaarden in de uitzendende landen. De migranten vloeien naar West-Europa waar de pull-factoren aanwezig zijn door het gunstiger economisch klimaat. Micro-economonisch bekeken staat de individuele actor centraal. Deze streeft ernaar zijn persoonlijk nut te optimaliseren door zich te verplaatsen naar de plaats waar zijn arbeid het best rendeert. De krachten die de migratie in deze beide visies sturen zijn voornamelijk de omvang van de loonverschillen en de beschikbaarheid van arbeidskrachten op lokale arbeidsmarkten. Op die manier kan migratie dus gezien worden als een grotendeels zelfregulerend verschijnsel: bij het afnemen van de vraag naar laaggeschoolde arbeid zal de migratie van deze arbeidskrachten spontaan teruglopen en zich zo aan de wisselende economische omstandigheden aanpassen.[19]

De visie van migratie als een verschijnsel dat essentieel is gebonden aan economische factoren is slechts gedeeltelijk geldig. Het aanhoudende karakter van een aantal migratiestromen is vanuit dergelijke visie onvoldoende te verklaren. Ook onder de economische recessie en zelfs met het vooruitzicht op werkloosheid in West-Europa bleef er immers een belangrijke migratiedruk vanuit onder andere Turkije en de Maghreb bestaan. Bovendien blijkt de emigratie vanuit deze landen gekenmerkt te zijn door een selectiviteit op individueel niveau, die niet enkel vanuit de economische positie van kandidaat-migranten te verklaren is.[20] De structurele theorieën slagen er met andere woorden niet in te verklaren waarom sommige mensen migreren en anderen niet. We mogen niet uit het oog verliezen dat de migrant eigen keuzes maakt, eigen initiatieven neemt die zijn lot beïnvloeden. De individuele keuze wordt dikwijls over het hoofd gezien of onterecht enkel economisch vertaald. In de praktijk zien we bijvoorbeeld dat de arbeidsmigranten er helemaal geen idee van hadden waar ze zouden kunnen werken en leven. Ook konden ze zich niet veel voorstellen bij industriële jobs omdat ze hiermee in het thuisland helemaal niet vertrouwd waren.

 

Naast de structurele theorieën over migratie zijn er theorieën, uit de sociologisch en antropologisch getinte onderzoeksschool, die de aandacht vestigen op migratienetwerken. Het uitgangspunt is dat migratiestromen in de eerste plaats op beslissingen van migranten zelf berusten. Niet zozeer de keuze van het individu, maar eerder van de sociale groep waarbinnen deze zich beweegt, is cruciaal. Informatie en ondersteuning van de sociale groep stuurt de migrant.[21] De georganiseerde migratie die steunt op de door deze sociale groepen opgebouwde netwerken noemt men kettingmigratie. De specificiteit van het kettingmigratiemodel is dat ze de migratiebeslissingen in de ruimere sociale context plaatst. Door de migratie los te koppelen van individuele verwachtingen en belangen kan ze in het licht van familiale belangen en strategieën gezien worden als een transactie tussen een uitzendende en een ontvangende gemeenschap. Door deze werkwijze worden individuele en groepsbelangen op elkaar afgestemd.[22] De Turkse migratie naar West-Europa begint voor de meeste betrokkenen inderdaad niet als een individueel avontuur, maar als een onderneming waarbij hun hele gezin of familie belang heeft. Het gaat erom de gezamenlijke bestaansbasis in Turkije door middel van besparingen te versterken.[23] In deze kettingtheorie zijn de pioniermigranten de enige “originele” migranten en staan aan het begin van een migratieketting. Het is deze generatie van pioniermigranten die in de jaren zestig het pad effenden. Daarna raken in eerste instantie hun echtgenoten en hun kinderen, later ook andere verwanten, kennissen en streekgenoten betrokken in de migratiebeweging. Op deze manier deint de migratie alsmaar verder uit en worden vaak grotere delen van lokale gemeenschappen uit Turkije en Marokko naar West-Europa “getransplanteerd”.[24] In België is er bijvoorbeeld in Gent een dergelijke “getransplanteerde” gemeenschap, gevormd door Turken uit de omgeving van het stadje Emirdag in de Anatolische provincie Afyon. We mogen echter niet zonder meer aannemen dat individuen die van één welbepaald gebied naar een ander gebied migreren een homogene sociale en culturele groep vormen die dan als onbevraagde basiscategorie voor het onderzoek kan dienen.

Een andere en bredere visie in dit verband is deze van Stéphane de Tapia die het heeft over “migratiefilières”. Hij definieert de migratieketens als aanvankelijk kleine groepjes, niet noodzakelijk gestructureerd, die zich bij emigratie gaan organiseren rond een nieuwe solidariteit en wederzijdse hulp. Dergelijke migratieketens kunnen van uiteenlopende aard zijn: afkomstig van een bepaalde plaats of regio, al dan niet gebonden aan familiestructuren, etnisch-confessionele verwantschap, aanhangers van een zelfde geloofsgroep, ideologie of politieke strekking. De verschillende analyseniveaus zijn onderling niet verwisselbaar maar toch nauw met elkaar verbonden.[25]

De rol van netwerken bij de vorming van een stroom van migranten is niet altijd duidelijk. Sommige onderzoekers kennen de netwerken een cruciale rol toe in het migratieproces voor wat betreft het selecteren en kanaliseren van de stroom van migranten. Anderen zijn van mening dat migratiestromen bepaald worden door arbeidsmarkten, weer anderen kennen het staatsbeleid een cruciale rol toe.

 

Als we een poging ondernemen om de verschillende theorieën op elkaar af te stemmen komen we tot enkele factoren waarmee we terdege rekening moeten houden bij het bestuderen van het complexe verschijnsel “migratie”, met name het structurele kader, de individuele beslissingen van de emigranten en tussenliggende netwerken, met andere woorden push- en pullfactoren die zowel van economische, sociale, culturele of individuele aard zijn.

 

Tot slot zou ik om begripsverwarring te vermijden kort de gehanteerde begrippen in het migratiediscours willen duiden. Het meest overkoepelende begrip is wellicht de term ‘migrant’. Migranten zijn personen die door omstandigheden het land van herkomst hebben verlaten en nu in een gastland verblijven. In principe behoren dus tot deze categorie zowel een vluchteling, een arbeidsmigrant, een student, enzovoort. In de literatuur zien we echter dat dikwijls een terminologisch onderscheid gemaakt wordt tussen ‘vluchtelingen’ en ‘(economische) migranten’. Bij het gebruik van de term ‘migranten’ wil men dan de nadruk leggen op de motivatie die het migreren bepaalt, meer bepaald op de economische motieven. Met migranten bedoelt men dus dikwijls arbeidsmigranten.[26]

In deze studie staan vooral de eerste Turkse migranten in Antwerpen centraal, die in het algemeen hun land hebben verlaten om in West-Europa werk te zoeken. De term ‘arbeidsmigranten’ zal daarom het meest gepast zijn. Dit begrip ‘arbeidsmigranten’ wijst namelijk op migranten die vrijwillig, dikwijls gestimuleerd door rekruteringsprogramma’s of informele netwerken, het land van herkomst verlaten om in een ander land te werken. Ze worden meestal door de West-Europese landen aangetrokken omdat er een tekort aan werknemers bestaat.[27] Een andere subcategorie zijn de ‘volgmigranten’. Dit zijn de mensen die migreren in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming.[28] De classificatie als migranten moet als flexibel worden beschouwd want is niet onveranderlijk.

Een term die gebaseerd is op het juridisch nationaliteitscriterium is de term ‘vreemdeling’. Het betreft een persoon die al dan niet tijdelijk in België verblijft, maar niet over de Belgische nationaliteit beschikt.[29] Op grond van de naturalisatiewetgeving kan een vreemdeling Belg worden. Volgens de wetgeving die sinds mei 2000 van kracht is, kan iedereen die ouder is dan achttien en minstens drie jaar wettelijk in België verblijft een aanvraag tot naturalisatie indienen.[30] Gezien het stijgend aantal naturalisaties is de bruikbaarheid van deze term nu navenant. Voor de periode 1964-1974 is de term over het algemeen wel bruikbaar.

In de jaren zestig werden de arbeidsmigranten die in de jaren vijftig, zestig en begin jaren zeventig vanuit Zuid-Europa, Marokko en Turkije naar West-Europa migreerden met de term ‘gastarbeider’ omschreven. Aanvankelijk werd deze term, afkomstig van Nederland, gebruikt door een aantal sociale actoren die voor een humanisering van het vreemdelingenbeleid stonden. Vanaf eind de jaren zestig werd de term veralgemeend en hanteerden minder ‘nobel’ geïnspireerde groepen de term voor een op dwangmatige terugkeer gericht vreemdelingenbeleid.[31] Het werd daardoor een dubbelzinnig en geladen begrip. Sporadisch zal de term ‘gastarbeider’ opduiken in mijn betoog. We moeten ons er daarbij van bewust zijn dat deze term een zeer tijdgebonden begrip is. Om dit te benadrukken zal de term telkens cursief staan, net als de woorden uit een vreemde taal, in dit geval de taal van een tijdvak in het verleden. Tot het begin van de jaren negentig werd het woord ‘gastarbeider’ nochtans courant gebruikt. Pas in de loop van de jaren negentig werd deze term vervangen door ‘migrant’ in het verlengde van het maatschappelijk debat. Ook de termen ‘nieuwe Belgen’ en ‘allochtonen’ kwam in de tweede helft van de jaren negentig op in het begrippenapparaat.[32] Onder ‘allochtonen’ dienen mensen van buitenlandse origine verstaan te worden. Het zegt op zich niets over hun verblijfsstatuut of hun nationaliteit. Er zijn allochtonen die hier slechts tijdelijk zijn, anderen zijn hier definitief en zijn zelfs Belg.[33] Het is een vrij subjectief en cultureel begrip.[34]

 

 

2. Historische context van de Turkse emigratie

 

Turkije sloot een bilateraal akkoord in verband met arbeidskrachten af met België in de zomer van 1964. België was het derde land dat een dergelijke overeenkomst ondertekende, na West-Duitsland (1961) en Oostenrijk (1964).[35] Naast de vraag naar buitenlandse arbeidskrachten, veroorzaakt en bepaald door de veranderingen van de Europese economie, liggen interne sociaal-economische factoren in Turkije aan de basis van de emigratie van honderdduizenden Turkse arbeiders. Belangrijke factoren die de Turkse migratiestromen kunnen verklaren zijn onder meer de galopperende demografie, de afhankelijkheid van de industrialisatie en de desintegratie van het platteland in Turkije. In dit onderdeel zal ik dieper ingaan op de maatschappelijke realiteit in Turkije, de gevoerde emigratiepolitiek en de effecten ervan.

 

Vanaf de negentiende eeuw onderging het Ottomaanse Rijk grote politieke, sociale en economische veranderingen. Deze veranderingen die erop gericht waren een ‘moderne’ staat te creëren, culmineerden in de afschaffing van het Sultanaat in 1922 en de installatie van de Turkse republiek in 1923, onder leiding van Mustafa Kemal Atatürk. Hij wilde “Turkije met een extensief hervormingsprogramma transformeren van arme staat, verzwakt door buitenlandse controle en oorlog, tot welvarende en seculiere staat gericht op het Westen”.[36] In de Turkse republiek betekent seculier dat de vroegere publieke functie van de Islam, als politieke ideologie en basis van culturele identiteit en sociale solidariteit, moest worden vervangen door de waarden van het republikeins nationalisme, ook wel kemalisme genoemd. Religie kwam onder strikte supervisie en controle van de staat.[37] In de ideologie van het kemalisme streefde men er kortom naar de invloed van de islam en zijn instellingen sterk terug te dringen.[38]

Na de Tweede Wereldoorlog onderging Turkije diepgaande sociaal-economische en politieke veranderingen. De oorlog betekende een breuk in de industriële ontwikkeling van het land. Economische problemen zoals schaarste en inflatie namen sterk toe. De politieke macht werd gedwongen om over te stappen van een éénpartijstelsel naar een meerpartijenstelsel. Bij de parlementsverkiezingen in de jaren vijftig leed de Partij van de Kemalistische Staat (de Republikeinse Volkspartij) een nederlaag en kwam de partij van de burgerlijke oppositie en de grootgrondbezitters (Democratische Partij) aan de macht.[39] Vanaf dan doken in Turkije nog meer ingrijpende veranderingen op. De Islam probeerde een nieuwe plaats in de samenleving en in het politieke veld te vinden.[40] Turkije werd geïntegreerd in de kapitalistische wereldeconomie en werd lid van de NAVO. Het beleid dat de regering in de jaren vijftig voerde werd gericht op het aantrekken van buitenlands kapitaal, liberalisatie van de handel en de transfer van het openbaar kapitaal naar de privé-ondernemers.[41]

 Het nieuwe economische beleid bracht fundamentele veranderingen in de landbouwstructuren teweeg. Landbouw was tot dan toe de belangrijkste economische activiteit in Turkije. Ongeveer 41 procent van het nationaal inkomen kwam uit de landbouw, evenals 80 procent van de export. Meer dan drie vierde van de actieve bevolking was in deze sector tewerkgesteld.[42] De cruciale transformatie in de landbouw was de overgang van een pre-kapitalistische productie naar een kapitalistische productie door mechanisatie. Dit ging gepaard met een concentratie van landbouwgronden in de handen van grootgrondbezitters. Vele landbouwers konden niet op tegen de grote gemoderniseerde boerderijen. Ze werkten zich in schulden en waren verplicht hun gronden te verkopen. De massale rurale uittocht die plaatsvond in Turkije vanaf de jaren vijftig is te wijten aan deze desintegratie van de primaire sector en het vrijkomen van arbeidskrachten door de mechanisatie. Men slaagde er niet in het overschot aan arbeidskrachten op te vangen, vooral omdat de economische expansie en industriële ontwikkeling snel verzwakte. Aan het eind van de jaren vijftig werd de werkloosheid één van de grootste problemen van de Turkse economie. De economische crisis ging daarenboven gepaard met een sociale en politieke crisis.[43] De sociale ontevredenheid verklaart de staatsgrepen die plaatsvonden in 1960, 1971 en 1980.[44]

 

Aan het eind van de jaren vijftig kwam de Turkse uitwijking naar West-Duitsland op gang. De tijdelijke export van arbeidskrachten werd een aantrekkelijke beleidsoptie, ook omwille van de instroom van geld uit Europa via de arbeidsmigranten.[45] De overheid beoogde niet-gekwalificeerde arbeiders te laten emigreren.[46] De eerste overeenkomsten hieromtrent werden ondertekend in 1956. Tot in 1961 bleef deze emigratie beperkt om van dan af sterk toe te nemen. In de jaren zestig werd de emigratie ook staatspolitiek. Het beheer van de emigratie werd namelijk toevertrouwd aan de OTRT, de Turkse Dienst voor Tewerkstelling en Aanwerving van Werknemers.[47] Tussen 1961 en 1975 werden ruim 800 000 Turken door de dienst voor tewerkstelling naar het buitenland gestuurd om er te werken. Daarvan vertrokken er zo’n 15 000 naar België. Een overzicht van de emigratiecijfers naar de andere West-Europese landen ziet u in figuur één. Om de cijfers juist te interpreteren wil ik benadrukken dat deze enkel de migranten die gebruik maakten van het arbeidsbureau omvatten. Het aantal dat in die periode illegaal emigreerde wordt door Philip Martin geschat op 120 000 tot 150 000.[48] Vooral tussen 1970 en 1974 emigreerde zeker veertig procent van de migranten louter met een toeristenpaspoort.

 

Figuur 1 : De arbeiders gestuurd naar Europa door de Turkse Dienst voor Tewerkstelling[49]

 

Land

1961-1973

1974

Oostenrijk

34 461

2501

België

15 309

555

Denemarken

3579

-

Frankrijk

45 366

10 557

Groot-Brittanië

2062

113

Nederland

23 359

1503

Duitsland

648 029

1228

Zwitserland

6360

770

Andere

11 764

2964

Totaal

790 289

20 211

 

Toch slaagde Turkije er slechts gedeeltelijk in te voldoen aan de buitenlandse vraag naar arbeidskrachten. De buitenlandse werkgevers stelden immers hoge eisen op het vlak van kwalificatie.

De emigratie werd door de opeenvolgende regeringen verder gestimuleerd, enerzijds om tegemoet te komen aan de werkloosheidsproblemen, anderzijds om het verstoord evenwicht van de handelsbalans enigszins te herstellen. De buitenlandse activiteit vormde immers een belangrijke bron van harde buitenlandse valuta. In de jaren zeventig verstuurden de Turkse emigranten voor meer dan een miljard dollar per jaar aan deviezen, in de jaren tachtig bereikte de deviezenstroom zelfs de som van twee miljard dollar.[50] De deviezen kenden twee bronnen. Enerzijds worden door de bilaterale akkoorden familiale bijdragen via de Europese instellingen automatisch getransfereerd naar Turkije. Anderzijds maken de Turkse arbeiders een deel van hun loon over aan hun land.[51] Deze transfers waren voor Turkije zelfs belangrijker dan ontwikkelingshulp.[52]

 

Vanaf het begin van de jaren zeventig daalde het aantal emigranten in het kader van de bilaterale akkoorden zeer sterk. De recessie in Europa, versterkt door de oliecrisis, lag aan de basis van de breuk in de Turkse migratiestroom. Als gevolg hiervan nam het aantal clandestiene migranten enorm toe. De Turkse migrantenbevolking in Europa bleef ook stijgen door de toename van geboortes en gezinsherenigingen.[53]

Abadan-Unat onderscheidt vijf fasen in de Turkse emigratie. In andere studies wordt veelal dezelfde historische evolutie aangehouden. De eerste fase loopt van 1956 tot 1961. In deze fase werden Turkse arbeiders bij nominatie gerekruteerd. De tweede fase, van 1961 tot 1972 was de fase van een explosieve emigratie waarbij zowel gouvernementele interventie als private initiatieven gebruikelijk waren om migratie te stimuleren. Door de dalende olieprijzen en de recessie in 1973-1974 begon een derde emigratiefase. De illegale emigratie als reactie op het sluiten van de poorten door Europa typeert deze periode. Volgens Abadan-Unat was er vervolgens een vestigingsfase, de periode tussen 1975 en 1978, waarin vele Turkse migranten zichzelf definitief gevestigd zagen in West-Europa. Eigen onderzoek wees echter uit dat het idee van een definitieve terugkeer tot ver in de jaren tachtig bleef doorleven. De kenmerken van de emigratie na 1974 waren naast de clandestiene migratie eerder de gezinshereniging en gezinsvorming. Een laatste fase die Abadan-Unat onderscheidt is van 1978 tot 1985 die gekenmerkt wordt door enerzijds strenge migratiecontrole en anderzijds de zichtbare aanwezigheid van Turkse gemeenschappen in de verschillende West-Europese landen.[54]

 

Tijdens de periode waarin het gastarbeiderssysteem werkzaam was, vertegenwoordigde de leeftijdsgroep 25- tot 39-jarigen volgens Haex tachtig procent van de emigranten-werknemers.[55] Diegenen die een primaire schoolopleiding volgden vormden de grootste emigratiegroep.[56] De meerderheid van Turkse migranten kwam bovendien uit kleine steden en dorpen.[57] Bij het begin van de emigratie kwamen de emigranten voornamelijk uit stedelijke lokaliteiten. De bevolking was er immers beter geïnformeerd en mobieler. Belangrijke nuance hierbij is dat veel als stedeling geregistreerden in realiteit afkomstig zijn uit landbouwstreken, die na een kort verblijf in de stad naar het buitenland trekken.[58] Deze twee stappen-migratie kwam veel voor. Door het surplus aan arbeidskrachten op het platteland was er namelijk een grote plattelandsvlucht op gang gekomen. Velen trokken naar kleine stedelijke centra in dezelfde regio of naar grotere metropolen in het westen of het centrum van het land. Meestal vertrok de echtgenoot alleen, de rest van het gezin bleef op het platteland om het familiebedrijfje te runnen. Omwille van hun marginale positie in de steden waren deze migranten gemakkelijk te mobiliseren voor een tweede, internationale migratie.[59]

De Turkse migranten zijn hoofdzakelijk afkomstig uit de strook van Anatolische provincies die loopt van Denizli in het Westen tot Kars in het Oosten. Binnen die band zijn er enkele provincies met een zeer sterk verhoogde concentratie waar te nemen. Een belangrijk emigratiegebied was de provincie Afyon, die samen met enkele aangrenzende gebieden het hart van de Turkse migratie naar België vormt.[60] Ongeveer één derde van de Turkse immigranten in België is afkomstig uit deze provincie.[61] De emigratie kwam vooral tot stand rond het provinciestadje Emirdag. Een tweede kern is ten oosten van Ankara gelegen in Centraal-Anatolië en omvat de provincies Kirsehir, Nevsehir, Yozgat, Kayseri en ook Sivas, Erzincan en Tunceli. De provincies Kars en in mindere mate Agri vormen het meest Oostelijke emigratiegebied. In sommige Turkse provincies leverde één enkele stad of zelfs dorp bijna het volledige contingent aan migranten.[62] De hierboven vermelde provincies staan weergegeven op onderstaande kaart:

 

Figuur 2: De belangrijkste Turkse emigratiegebieden[63]

Sommigen gaan er van uit dat migratie niet bevorderend is voor de ontwikkeling van de emigratiegebieden. De groei van emigratie betekent echter niet noodzakelijk dat de economische groei vermindert en omgekeerd. Zo kende Turkije een snel groeiende industrie in de emigratieperiode van de jaren zestig.[64]

Philip Martin deed onderzoek naar de effecten van de Turkse emigratie in Turkije. Essentieel in zijn onderzoek waren sleutelinformanten zoals Turkse politiekers, onderwijzers, religieuze leiders, bedienden en teruggekeerde migranten. De interviews maakten duidelijk dat het in de eerste plaats de zwakheid van de Turkse economie was die mensen deed migreren. De Turkse leiders zelf zagen emigratie ook als een oplossing voor werkloosheid en ondertewerkstelling.[65] In het eerste vijfjarenplan van Turkije in 1963 lezen we dat de export naar West-Europa van het surplus aan arbeidskrachten en bovendien niet-gekwalificeerden één van de mogelijkheden is om de werkloosheid te verlichten.[66] Toch verliep de emigratie anders dan Turkije het zich had voorgesteld. De verwachte economische take-off bleef uit. De overgemaakte bedragen van Turkse migranten waren niettemin een belangrijke factor in het ondersteunen van de Turkse economie in de jaren zeventig.[67] Door de migratie was er zeker veel geld aanwezig in de voornaamste emigratiegebieden maar werd het niet efficiënt geïnvesteerd. Zo werd er bijvoorbeeld veel onroerend goed gekocht. Tachtig procent van het onroerend goed in Emirdag, wellicht het belangrijkste emigratiegebied met een aanwezigheid van 60 000 personen in België en een 15 000 in andere West-Europese landen, zou toebehoren aan migranten.[68] De verwachte economische ontwikkeling van emigratiegebieden bleef dus uit en van een positieve houding tegenover migratie ging de Turkse staat uiteindelijk over naar een negatieve beoordeling ervan.

 

 

3. Turkse immigratie in België

 

3.1. Historische context

 

Vóór het begin van de twintigste eeuw was België, net als de andere Europese landen, eerder een emigratie- en transitland dan een immigratieland. Pas tijdens de eerste decennia van de twintigste eeuw kwam het accent meer op de immigratie te liggen.[69] De vraag naar arbeidskrachten nam er op korte tijd sterk toe door de vroege en snelle industriële ontwikkeling in België. België werd één van de eerste landen in Europa waar immigratie nodig was om aan deze vraag te kunnen voldoen. In 1910 waren ongeveer 250 000 buitenlandse werknemers werkzaam in België, hoofdzakelijk in de Waalse steenkoolmijnen. Met de Eerste Wereldoorlog liep het aantal enigszins terug maar steeg opnieuw in de jaren dertig. Vooral Polen en Italianen maakten deel uit van deze arbeidsmigranten, waarvan het aantal ondertussen was opgelopen tot 300 000.[70]

Na de Tweede Wereldoorlog kampten de meeste industriële sectoren met een tekort aan steenkool. De daling van de productie van steenkool was vooral te wijten aan de daling van arbeidskrachten in de sector.[71] Ondanks de voordelen die de toenmalige Eerste Minister en Minister van de Kolenmijnen aan de Belgische arbeiders die in de mijnen wilden gaan werken toekenden, onder meer een verbetering van de arbeidsomstandigheden en een beter salaris, vonden de meeste deze voorstellen echter te weinig aantrekkelijk.[72] Opnieuw zag men zich genoodzaakt om arbeiders uit het buitenland aan te trekken. Door politieke veranderingen in Polen werd dit land niet langer een mogelijke rekruteringszone. Met de Italiaanse autoriteiten werden de contacten wel vernieuwd wat resulteerde in een protocol tussen België en Italië in juni 1946. Tussen 1946 en 1948 kwamen zo’n 65 000 Italianen aan in België. De opvang was problematisch. Heel wat Italiaanse immigranten werden in oude gevangeniskampen ondergebracht omdat men niet in staat was ze allen onder te brengen in logementen.[73] Na de mijnramp van Marcinelle in augustus 1956, waarbij meer dan 200 Italianen om het leven kwamen, eiste Italië meer toezicht op de arbeidsomstandigheden waarin haar onderdanen tewerkgesteld waren. De Belgische werkgevers en de overheid gingen daarop niet in maar richtten hun blik op andere mogelijke rekruteringslanden.[74] Nieuwe akkoorden werden gesloten met Spanje (1956), Griekenland (1957), Marokko (1964) en Turkije (1964). Wat later volgden ook akkoorden met Tunesië (1969), Algerije (1970) en Joegoslavië (1970).[75] Ook op het vlak van tewerkstelling nam de aanwervingspolitiek een nieuwe wending. De arbeiders werden niet langer enkel in de mijnbouwsector in dienst genomen maar ook in onder meer de bouw- en de metaalnijverheid.

 

In de jaren zestig onderging West-Europa een sociaal-economische transformatie. Er had een nooit geëvenaarde toename van productie en productiviteit plaats, met in het verlengde een sterke stijging van de levensstandaard. Ook België nam deel aan deze versnellingsfase. Op het gebied van migratie was er een forse stijging van het aantal buitenlandse arbeiders door de economische hoogconjunctuur en de spanning op de arbeidsmarkt die ermee gepaard ging. Bepaalde segmenten van de arbeidsmarkt werden immers in toenemende mate gemeden door Belgen. Daar men er niet in slaagde deze arbeidsplaatsen aantrekkelijker te maken, deed men hiervoor een beroep op buitenlandse werkkrachten.[76] De nieuw aangekomen arbeiders werden hoofdzakelijk tewerkgesteld in de mijnen, de metaalindustrie en de bouw. Vooral in de zware industrie had men arbeidskrachten nodig.[77]

De spanning op de arbeidsmarkt werd onder meer veroorzaakt door de gewijzigde bevolkingsstructuren. Het dalende geboortecijfer van tijdens het interbellum had de groep mannen en vrouwen die in de jaren vijftig gingen werken gereduceerd. Ook bleven de jonge mannen en vrouwen langer op school dan daarvoor, waarna velen werden aangeworven voor een witteboordenbaan en anderen als geschoolde arbeiders.[78] Er ontstond een nijpend tekort aan ongeschoolde arbeiders.

 

De immigratie van buitenlandse werknemers werd niet alleen voordelig geacht op economisch gebied maar ook op demografisch gebied. Midden de jaren 1960 gingen de eerste stemmen op om “gastarbeiders met hun familieleden in ons land te integreren want dit was tevens een middel om de veroudering van de Belgische bevolking tegen te gaan”.[79] Ook was het een middel om België aantrekkelijk te maken voor buitenlandse arbeiders. Om de familiale immigratie te promoten werd de brochure Vivre et travailler en Belgique verspreid in Turkije en vooral Marokko. Deze brochure werd in 1965 opgesteld door het Instituut voor Informatie en Documentatie en het Belgisch Ministerie van Tewerkstelling. In de inleiding staat: “Gastarbeiders, welkom in België! Droomt U ervan in België te komen werken? Hebt U reeds de grote beslissing genomen? Wij, Belgen, zijn verheugd om de bijdrage van uw werkkracht en uw verstand aan ons land. De emigratie naar een land dat zo verschillend is van het uwe, brengt ongetwijfeld aanpassingsproblemen mee. Deze moeilijkheden zullen echter veel gemakkelijker overwonnen worden, wanneer U een normaal, familiaal leven leidt (…).”[80] Ook volgde een reglementering die voorzag in terugbetaling van een deel van de reiskosten van echtgenote en kinderen. Hoewel gezinshereniging niet noodzakelijk de keuze voor definitieve vestiging impliceerde, werd deze later meestal wel realiteit.

 

Met Turkije sloot België, zoals reeds vermeld, in 1964 een bilateraal akkoord af. Tussen 1961 en 1973 vertrokken zo meer dan 15 000 Turkse arbeiders naar België via de bemiddeling van de Turkse instantie voor Arbeidsvoorziening.[81] Deze instroom van Turkse arbeiders verliep in twee golven. De eerste golf vloeide hoofdzakelijk naar de steenkoolmijnen in de provincies Luik, Henegouwen en Limburg. Een tweede golf vloeide naar steden als Gent (textielindustrie), Brussel en Antwerpen.[82] In deze periode vóór 1974 migreerden bovendien en waarschijnlijk zelfs meer Turken buiten de bemiddeling van de overheden om.[83] De enorme wachtlijsten en de omkoperij die hiermee gepaard ging, ontmoedigden vele kandidaten voor officiële emigratie.[84] Velen kwamen dan ook als ‘toerist’ het land binnen. Het toeristisch paspoort gaf toegang tot het verkrijgen van een visum voor drie maanden. Deze drie maanden werden gebruikt om werk te vinden.[85] De reglementering op de voorafgaande toelating tot tewerkstelling werd daarenboven niet langer strikt toegepast. Volledige tewerkstelling volstond voor een eenvoudige regularisatie. Vanaf februari 1967 zal de overheid onder druk van de vakbonden de arbeidsvergunning opnieuw verplichten maar deze maatregel zal de illegale stroom niet kunnen stoppen. Tussen 1969 en 1974 was er een nieuwe illegale Turkse immigratiegolf die verschillende duizenden Turkse arbeiders naar België bracht. Voor de werkgevers betekende het aanwerven van deze illegale arbeiders heel wat voordelen. Ze waren niet meer onderworpen aan de verplichtingen van het Belgisch-Turks bilateraal akkoord. Bepaalde uitgaven vielen weg, bijvoorbeeld vervoer- en huisvestingskosten. Ook konden de arbeiders geen aanspraak maken op onder andere sociale zekerheid en het uitbetalen van overuren.[86]

 

Door de economische recessie en steeds toenemende werkloosheid in de vroege jaren zeventig samen met de perceptie dat de sociaal-politieke kosten stegen door het toenemend aantal buitenlanders dat zich definitief vestigde in West-Europa, werd arbeidsmigratie een halt toegeroepen.[87] Wie nog naar België wilde emigreren na 1974 kon enkel beroep doen op huwelijks- of verwantschapsrelaties met eerder gemigreerde personen. Na de fase van de gezinsherenigende migratie kwam er hoofdzakelijk een gezinsvormende migratie op gang: de partners van een in België verblijvende bruid of bruidegom immigreerden naar aanleiding van hun huwelijk.[88] Het fenomeen van de familiemigratie is zelfs van een grotere orde dan de arbeidsmigratie zelf.[89] Ook de Turkse bevolking bleef door gezinshereniging en het geboorteoverschot stijgen in de jaren zeventig en tachtig.

 

Als we ten slotte de Turkse groep vergelijken met de Marokkaanse bevolkingsgroep in België, zien we gelijkenissen op het vlak van religie en hun sociaal-economische positie in de samenleving. Beide groepen zijn overwegend islamitisch. Op de maatschappelijke ladder nemen ze beide veelal lage posities in. In heel wat opzichten verschillen beide groepen van elkaar. De Turken immigreerden recenter dan de Marokkanen. De piek van de Turkse arbeidsmigratie naar België ligt in de vroege jaren zeventig, die van de Marokkaanse arbeidsmigratie midden jaren zestig.[90] Ook hebben de Turken zich meer verspreid over heel België. De Marokkaanse groep is vooral in de regio Brussel gevestigd. In 1996 woonde 52 percent van de Marokkaanse migranten in Brussel. Een ander verschilpunt is de taalkundige eenheid. De Turken kennen een zekere taalkundige homogeniteit in tegenstelling tot de Marokkaanse groep die verdeeld is in een Berberse groep en Arabische groep. Een derde verschilpunt met Turkije is het koloniale verleden van Marokko dat de Maghrebijnen in zekere zin verbindt aan het franstalige Europa. Wat de islam betreft kunnen we ook enkele verschillen onderkennen. De islamitische identiteit lijkt bij Marokkaanse migranten meer geseculariseerd dan bij Turkse migranten. Zo zijn Marokkaanse migranten over het algemeen minder praktiserende gelovigen dan Turkse migranten.[91]

 

3.2. Stand van zaken

 

In het jaar 2000 woonden 897 000 vreemdelingen in België, dit was 8,8 procent van de totale bevolking. Dit percentage bedroeg in 1961 nog slechts 4,9 procent en steeg tot 7,2 procent in 1970 en 8,9 procent in 1981. Nadien bleef het percentage stabiel. Hierbij moeten we echter rekening houden met het toenemend aantal naturalisaties de laatste jaren, wat de schijnbare stabiliteit van de inwoners van buitenlandse origine in België oplevert. Als we de vreemdelingenbevolking per regio bekijken worden bovendien grote onderlinge verschillen zichtbaar (figuur één). Brussel-hoofdstad is de grote koploper terwijl de regio Vlaanderen duidelijk aan het staartje hangt wat het totaal aantal vreemdelingen betreft. Ten opzichte van Wallonië woonden er in 2000 beduidend meer vreemdelingen van buiten de Europese Unie in Vlaanderen.

 

Figuur 3 : Belgische en vreemdelingenbevolking in België per regio (2000)[92]

 

Bevolking

EU

Bevolking niet-EU

Totale vreemdelingen-bevolking

Belgen

Totale bevolking

Percentage vreemdelingen

België

563 556

333 554

897 110

9 341 975

10 239 085

8,8

Vlaanderen

164 569

129 081

293 650

5 646 601

5 940 251

4,9

Wallonië

270 228

71 813

342 041

3 068 306

3 410 347

10,0

Brussel-hoofdstad

140 356

133 257

273 613

685 705

959 318

28,5

 

In totaal telt België in 2000 volgens Ataman Aksoyek en Altay Manço 120 000 personen van Turkse afkomst, al dan niet genaturaliseerd.[93] Dit kan een kleine onderschatting zijn door de gehanteerde foutenmarge. De laatste jaren is er trouwens een sterke daling van het aantal in de officiële statistieken. Deze daling is kunstmatig want volledig te verklaren door de naturalisatie en de versoepeling van de Belgische wetgeving inzake nationaliteitsverwerving.[94] Tussen 1985 en 1997 vroegen reeds 38 129 vreemdelingen van Turkse nationaliteit de Belgische nationaliteit aan.[95]

In het rijtje van West-Europese immigratielanden nam België in 1998 met 70 701 inwoners[96] van Turkse origine de zevende plaats in na Duitsland (2 110 223), Frankrijk (301 209), Nederland (299 909), Oostenrijk (138 220), Zwitserland (79 925) en Groot-Brittannië (72 500). In totaal woonden in 1998 in West-Europa 3 170 466 personen van Turkse origine.[97]

 

In het kader van dit onderzoek is het historisch verloop van de immigratie in België van groter belang om in wat volgt de Turkse immigratie in Antwerpen te kunnen plaatsen. Figuur twee toont een overzicht van de geregistreerde migratie naar België tussen 1945 en 1999, waarbij ook een onderscheid tussen arbeidsmigranten en asielzoekers wordt gemaakt. Vervolgens kunnen we in figuur drie de verschillende nationaliteiten van de vreemdelingenbevolking in België overzien voor de periode vanaf 1961. In vergelijking met andere bevolkingsgroepen kunnen we vaststellen dat de Turkse immigratie in België, net als de Marokkaanse, van recente oorsprong is.

 

Figuur 4 : Geregistreerde migratie naar België, 1945-1999 [98]

 

 

Figuur 5: Aantal vreemdelingen in België naar nationaliteit (1961-1997) [99]

 

België

1961

1970

1981

1991

1997

Aantal vreemdelingen

453 486

696 282

878 577

900 855

912 000

Aantal Turken

320

20 312

63 587

85 303

79 000

 

Een overzicht van de migratie van personen van Turkse nationaliteit naar België tussen 1963 en 2001 geeft figuur vier, een grafiek die Dr. Frank Caestecker (SOMA) opstelde op basis van cijfers van het Nationaal Instituut voor Statistiek. Er zijn duidelijk twee piekmomenten in de Turkse immigratie in België, één in het jaar 1964 en één in de jaren 1974-1975, in hoofdzaak te wijten aan respectievelijk het bilateraal akkoord tussen Turkije en België in 1964 en de regularisering in 1974 van vreemdelingen die clandestien in België verbleven.

 

Figuur 6: Migratie van personen van Turkse nationaliteit naar België (1963-2001)

 

 

Jaar

Immigratie

Jaar

Immigratie

Jaar