Het Turkse verenigingsleven in Gent: een casestudy. (Wouter Vanparys)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

ďThis is the best- kept secret in social workĒ schreef Shirley Jenkins in 1988 over zelforganisaties[1]. Veertien jaar later is dit geheim nog steeds niet volledig ontsluierd.

 

In de loop der jaren zijn er wel al verschillende onderzoeken geweest[2]. Vele hiervan waren kortlopend en beleidsondersteunend of Ėvoorbereidend. Het doctoraatsproefschrift van Martinello[3] over etnisch leiderschap en macht in de Italiaanse gemeenschap in Franstalig BelgiŽ is de meest uitgebreide studie die tot nu toe in BelgiŽ verricht is. De onderzoeksgegevens dateren echter van de jaren 1980 en zijn onderzoek beperkte zich tot de Italiaanse gemeenschap in WalloniŽ en Brussel. In 1998 hebben Leyssens en Vanhoorne in het kader van hun licentiaatsverhandeling zijn theoretisch kader toegepast op de Vlaamse situatie. Fundamenteel onderzoek van het niveau en de volledigheid van Martinello is nog niet gebeurd in Vlaanderen (Sierens 2001:20).

 

Zeker als men gaat kijken naar het lokale verenigingsleven is het onderzoeksaanbod zeer beperkt. De meeste onderzoeken hieromtrent vonden plaats in het kader van licentiaats-verhandelingen of andere eindwerken. Deze zijn echter niet gepubliceerd en dus weinig toegankelijk. Op dit ogenblik is er zelfs geen eenduidig cijfermateriaal voorhanden over het aantal zelforganisaties in Vlaanderen.

 

Wat zijn zelforganisaties? Wat doen ze? Waar bevinden ze zich, zowel ruimtelijk als maatschappelijk? Doen ze wat ze zeggen dat ze doen? Waarom doen ze wat ze doen? Dragen deze organisaties bij tot integratie? Hoe vullen ze dit concept in? Zijn deze organisaties emancipatiebevorderend? Stimuleren ze de participatie van hun doelgroep? Met welke problemen worden ze geconfronteerd? Wat is de relatie tussen het allochtoon verenigingsleven en de islam?

 

Deze en andere vragen leiden tot enkele concrete onderzoeksvragen.

* Ten eerste: wat zijn de doelstellingen van de allochtone zelforganisaties? Zit er een visie achter? Hoe worden ze geconcretiseerd?

* Ten tweede: beantwoorden de allochtone zelforganisaties aan de verwachtingen van het beleid?

* Ten derde: volstaan de bestaande typologieŽn[4] of moet er een nieuwe geformuleerd worden?

 

In deze verhandeling wordt geprobeerd een antwoord te geven op al deze vragen. Daartoe wordt in een eerste deel een overzicht geschetst van het bestaande onderzoek. Het eerste hoofdstuk behandelt de theoretische achtergrond van deze verhandeling en de gebruikte onderzoekswijze. Daarna volgt een korte begripsafbakening. In het derde hoofdstuk wordt het Vlaamse integratiebeleid vanaf 1989 besproken. Er wordt uitvoerig stilgestaan bij het integratieconcept van het Koninklijk Commissariaat voor het Migrantenbeleid (KCM) (3.2.2) en bij de twee belangrijkste decreten, dat van 1995 (3.3) en het Minderhedendecreet van 1998 (3.4). Ook op de toekomstperspectieven wordt er dieper ingegaan (3.5). In het vierde hoofdstuk tenslotte, volgt een (beperkt) overzicht van de huidige stand van zaken wat betreft de wetenschappelijke kennis over enkele aspecten van de allochtone zelforganisaties.

 

In het tweede deel wordt er dieper ingegaan op de Gentse situatie. In hoofdstuk vijf wordt er een schets gegeven van het Gentse veld en de voornaamste spelers. In het zesde en laatste hoofdstuk komen de resultaten van mijn eigen veldwerk aan bod. In dit hoofdstuk zal ik eerst enkele onderzoeksresultaten weergeven. Daarna zal ik pogen om antwoorden te formuleren op enkele vragen die niet beantwoord werden door het bestaande onderzoek.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[1] Jenkins 1988, geciteerd in Pauwels & Deschamps 1991:7

[2] Onder meer: Pauwels & Deschamps (1991), Martinello (1992), Vanmechelen (1995), Brackeva (1996), Leyssens & Vanhoorne (1998), Perneel (1999), Meireman (2000), Pelemans (2001) en Sierens (2001)

[3] Martinello 1992

[4] zie 4.4