De totalitaire staat in Europa. Een analyse van het debat tussen 1933 en 1953 over de oorzaken van het totalitarisme. (Brecht Awouters)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

Het onderzoek in het kader van deze masterproef is gericht op het discours over het totalitarisme, een nieuw verschijnsel waarmee Europa in de twintigste eeuw werd geconfronteerd. Gedurende de negentiende eeuw heerste er in Europa een superioriteitsgevoel, dat zijn oorsprong vooral vond in het vooruitgangsdenken.[1] Dit gevoel van superioriteit werd onder andere veroorzaakt door een vredesoptimisme. Europa werd immers gezien als het continent van de vrede. Dit optimisme kreeg een serieuze slag door de Frans-Duitse oorlog in 1870 en de Eerste Wereldoorlog. Na de Tweede Wereldoorlog bleef er van dit superioriteitsgevoel weinig over. Europa was gedurende jaren het strijdtoneel geweest van verschillende naties en een plaats waar regimes aan de macht waren die zich bezondigden aan gruwelijke misdaden tegen de mensheid. Deze regimes waren een nieuw fenomeen dat gekend staat als het totalitarisme. Europa werd er voor en na de Tweede Wereldoorlog mee geconfronteerd. In Italië, Duitsland en de Sovjet-Unie verschenen onder leiding van respectievelijk Mussolini, Hitler en Stalin totalitaire staten op het toneel,[2] die er voor zorgden dat het Europese superioriteitsgevoel helemaal werd omgeslagen in een soort inferioriteitsgevoel. Al vlug begon men zich de vraag te stellen hoe het zo ver was gekomen in Europa. Vele Europese denkers probeerden dit nieuwe fenomeen te plaatsen door op zoek te gaan naar de oorzaken van het totalitarisme. Zowel filosofen, politieke wetenschappers, sociologen als historici uit het midden van de twintigste eeuw waagden zich in artikels en boeken aan deze problematiek. Dit gegeven inspireert de centrale vraagstelling van deze masterproef. Wat werd door deze intellectuelen als de oorzaak van het totalitarisme gezien? Zo wordt in deze verhandeling geprobeerd een beeld te creëren van hoe men dit nieuwe fenomeen trachtte te vatten vanaf het Interbellum tot de jaren na de Tweede Wereldoorlog.[3]

Het gaat er in deze masterproef niet om tot een synthese te komen van wat de oorzaken voor het totalitarisme waren, maar wel om de manier waarop de intellectuelen in de periode van het totalitarisme zelf, probeerden te achterhalen waar de oorsprong lag voor deze donkere periode in Europa. Tijdens het lezen van de recentere literatuur over deze materie viel me op dat traditionele historici vooral voortbouwden op deze geschriften uit het midden van de twintigste eeuw. Vanuit deze inzichten en nieuw onderzoeksmateriaal wordt getracht aan te geven wat de oorzaken voor het totalitarisme waren. Sommige auteurs van overzichtswerken over het totalitarisme laten toenmalige auteurs aan bod komen, anderen doen dat niet. Men kan de meeste van deze recentere studies over het totalitarisme eigenlijk zien als een verdere stap in het onderzoek naar de oorzaken van het totalitarisme. Het kan echter ook interessant zijn niet verder te bouwen op deze werken uit de periode vanaf het Interbellum tot de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog, maar net stil te staan bij het discours van toen, en van hieruit een globaal beeld te vormen dat ook niet beperkt is tot één of enkele basiswerken. Het is een kwestie die, zoals reeds gesteld, tot op de dag van vandaag nog steeds besproken wordt. Door de begrenzing te maken tot en met de jaren vijftig wordt in dit onderzoek echter getracht een beeld te brengen van de geschriften van de denkers die toen zelf met het totalitarisme werden geconfronteerd.

Een historicus die, in tegenstelling tot de traditionele historici, wel sterk stilstaat bij het discours over het totalitarisme is de Amerikaan Abbot Gleason. Hij schreef met Totalitarianism: the inner history of the Cold War een overzichtswerk over het gebruik van het concept totalitarisme.[4] Gleason wou met deze geschiedenis aantonen dat het totalitarisme meer was dan zomaar één of ander idee of concept. Het ging om de grote tegenspeler van de liberale democratie doorheen bijna de volledige twintigste eeuw. Gleason onderzocht het gebruik van het concept totalitarisme doorheen de twintigste eeuw. Het opzet van deze masterproef verschilt er in de eerste plaats in dat meer specifiek zal ingezoomd worden op het discours over de oorzaken van het totalitarisme. Gleason wijdde ook een kort hoofdstuk aan deze kwestie. Hij beperkte zich hier echter tot Hannah Arendt en Jacob Talmon.[5] Dit is geen verrassing, want het gaat hier om twee van de belangrijkste auteurs die de oorzaken van het totalitarisme probeerden te achterhalen. Vooral Hannah Arendt had een grote impact binnen het debat over het totalitarisme. Het boek met de titel The origins of totalitarianism uit 1951 heeft ook nu nog steeds haar belang.[6] Dit boek is een voorbeeld van een werk dat reeds aan grootschalig onderzoek werd onderworpen. In deze verhandeling willen we aantonen dat ook al in vroegere studies de vraag werd gesteld hoe het totalitarisme kon ontstaan in Europa. In deze vraag die gesteld werd door de intellectuelen ligt ook meteen het tweede verschil met de studie van Gleason. Daar waar in zijn onderzoek de link tussen het concept totalitarisme en de Koude Oorlog centraal stond, ligt in deze verhandeling de focus meer op de link tussen het totalitarisme en het cultuur- of maatschappijpessimisme in Europa.[7] In hoeverre was er onder de intellectuelen sprake van een pessimisme over de Europese cultuur, een gevoel dat vooral door de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog ingang vond onder invloed van Oswald Spengler?[8]

Door de totalitaire staten in Europa werden intellectuelen plots gedwongen kritisch te zijn over de eigen cultuur. Dictaturen werden lang verklaard door te verwijzen naar bijvoorbeeld de lage ontwikkelingsgraad van bepaalde landen. Met de opkomst van het totalitarisme moest dit idee abrupt bijgesteld worden. Vooral met de totalitaire dictatuur in Duitsland, kon de West-Europese intellectueel zich niet meer beroepen op verklaringen die verwezen naar tekortkomingen bij ‘de andere’. Dit was een grote schok. Hoe trachtte men deze schok op te vangen en hoe ging men het totalitarisme verklaren? Het is interessant deze studies te onderzoeken omdat het een beeld levert van hoe de intellectuelen uit de toenmalige periode op verschillende wijzen trachtten vorm te geven aan het totalitarisme en dit al zeer vlug, in feite meteen na de confrontatie ermee. Tijdens dit debat werden theorieën geformuleerd die het debat blijven overheersen tot vandaag. In deze verhandeling zal vooral stil gestaan worden bij deze nieuwe inzichten die de basis legden voor de zoektocht naar de oorzaken van het totalitarisme. Bovendien is het ook interessant omdat totalitarisme een concept is dat vandaag nog steeds actueel is. Dit zal kort aangehaald worden in het eerste hoofdstuk, waarin het onder andere gaat over de hernieuwde belangstelling voor het totalitarisme.

De bronnen voor het onderzoek zijn werken van intellectuelen geschreven in de periode van het totalitarisme. Het gaat zowel om lijvige boeken, korte studies, artikels, reacties op net verschenen werken en verslagen van conferenties gewijd aan het totalitarisme. Om de inzichten van de intellectuelen over de oorzaak van het totalitarisme zo duidelijk mogelijk weer te geven, zullen vaak citaten worden gebruikt. Aan de hand van deze bronnen en citaten wordt getracht een zo goed mogelijk beeld te creëren van de ideeën van deze auteurs na hun confrontatie met de totalitaire staten. Het gaat uiteraard niet om alle geschriften uit deze periode die over het totalitarisme gaan. Het aanbod aan deze studies is namelijk enorm. De aandacht gaat vooral naar werken die invloed hadden in de intellectuele wereld. Sommige worden kort aangehaald, andere uitvoeriger besproken, naargelang hoeveel ze ingaan op de oorsprong van het totalitarisme. Soms gaat het om studies die helemaal gewijd waren aan de oorzaken van het totalitarisme, zoals deze van Arendt en Talmon, soms gaat het maar om korte passages in werken die een breder thema behandelen. Aanvankelijk ging het immers, in het Interbellum, vooral om artikels of boeken die niet als uitgangspunt hadden de oorzaken van het totalitarisme te achterhalen, maar dit wel kort behandelden binnen een bredere studie. Ook deze werken hadden een grote impact in die periode en vormen dus een onderzoeksobject voor deze masterproef. Het gaat verder ook voornamelijk om Europese schrijvers, hoewel ook Amerikanen zich aan het begin van de Koude Oorlog gingen mengen in het debat.

Bij het bestuderen van deze bronnen kan specifiek gefocust worden op verschillende vragen. Welk beeld schetsten de intellectuelen van de totalitaire staat? Welke rol speelde de vorm van de totalitaire staat (links totalitarisme, rechts totalitarisme) op hun denkbeelden? Wat was de rol van nieuwe politieke ontwikkelingen (bv. ontdekking concentratiekampen) op hun ideeën? Zochten ze hun verklaringen in economische, politieke, culturele of religieuze context? Ging men ver terug in de geschiedenis om het totalitarisme te verklaren? Beperkten de auteurs zich hierin tot aspecten uit het nationale verleden of bekeken ze het in een bredere algemene context? Wat echter nog belangrijker is, is om na te gaan welke vragen de auteurs zich zelf stelden alvorens over te gaan tot het schrijven van hun werken en welke antwoorden ze hierop trachtten te geven. Bijvoorbeeld: Waarom verschenen de totalitaire staten precies in Europa, de plaats die voorheen als superieur werd aanzien? En waarom precies in deze periode? Wat was het verband tussen deze verschillende totalitaire staten? Waren ze onvermijdelijk? De oorzaken die men hiervoor zal trachtten te geven, is het onderzoeksobject van deze masterproef. Het is hierbij belangrijk dat het ook gaat om de samenhang tussen de verschillende werken en dat er antwoorden worden gegeven op vragen zoals: Wie is waar schatplichtig aan wie? Waar liggen verschillen en overeenkomsten? Het gaat dus niet louter om een opsomming van enkele belangrijke studies, maar om een analyse van de werken uit deze periode waardoor een globaal beeld gevormd wordt van hoe de intellectuelen in de periode van de totalitaire staten zelf, vorm gaven aan dit verschijnsel.

In de volgende hoofdstukken wordt een chronologisch overzicht gegeven, van de jaren dertig tot en met de jaren vijftig, van het debat over en het zoeken naar de oorzaken van het totalitarisme. Maar alvorens dit te behandelen wordt in het eerste hoofdstuk kort ingegaan op het concept totalitarisme.

 

 

Hoofdstuk 1. Het concept totalitarisme

 

1.1. Hernieuwde belangstelling voor het totalitarisme

 

De geschiedenis en de ontwikkeling van het concept totalitarisme kunnen de laatste jaren op een hernieuwde belangstelling van historici rekenen. Vooral sinds de val van de Sovjet-Unie in 1991 heeft het concept totalitarisme een veelbetekenende en volgens sommige een permanente comeback gemaakt. Dit is opvallend omdat vele Anglo-Amerikaanse historici en politieke wetenschappers in de jaren zestig en zeventig van oordeel waren dat het concept in de vergetelheid zou raken, of toch op zijn minst onbruikbaar zou worden.[9] Wanneer er echter een einde kwam aan de Sovjet-Unie voelden de Russen de nood om de waarheid van het eigen verleden te onderzoeken. De term totalitarisme werd immers door de Sovjets zelf amper gebruikt om de Sovjet-Unie aan te duiden. Na de dood van Stalin werd het stalinisme in sommige teksten – die niet voor publicatie bestemd waren – als totalitair bestempeld, maar dit was zeer uitzonderlijk.[10] Het was pas ten tijde van de perestrojka onder Michail Gorbatsjov dat vele Russen de term gingen gebruiken om hun eigen verleden te beschrijven. Ook geleerden gingen de term gebruiken om de Sovjetrealiteit te onderzoeken. Reeds voor het einde van de Sovjet-Unie werd door Sovjets zelf de vergelijking gemaakt tussen de Sovjet-Unie en Nazi-Duitsland. Dit was lang ondenkbaar gebleken, maar werd zelfs een vrij algemene aanvaarding vanaf 1992.[11]

            Door het verdwijnen van de Sovjet-Unie werd het mogelijk om met een andere blik naar dit regime te kijken en kreeg het onderzoek naar het concept totalitarisme een nieuwe impuls. Er kwam een hernieuwde interesse in de morele, filosofische en historische dimensies van het concept. Dit zou zich ook gaan weerspiegelen in beschouwingen van intellectuelen en politici over hedendaagse kwesties. Zo werd het concept weer actueel met de oorlog in Irak en duiden sommige intellectuelen bepaalde bewegingen en regimes in het Midden-Oosten aan als totalitair.[12] Het gaat vooral om voormalige dissidenten en belangrijke figuren van de linkerzijde zoals Vaclav Havel, Adam Michnik, Andre Glucksman en José Ramos-Horta die de oorlog steunen op basis van liberaal-humanitaire motieven om te weerstaan tegen het totalitarisme.[13] Het gaat hier om een discours dat in feite op sommige vlakken vergelijkbaar is met het debat dat gevoerd werd vanaf de jaren dertig. Ook toen werd er bezorgdheid geuit over dit totalitarisme. Vele auteurs voelden zich geroepen om de vrijheid te verdedigen tegenover het totalitarisme.[14] Het is dit oude discours dat in deze masterproef onderzocht wordt, met het belangrijke verschil echter dat er niet gekeken wordt naar de noodkreten om zich te verdedigen tegenover het totalitarisme, maar wel naar het intellectuele debat waarbij getracht wordt dit fenomeen te vatten door op zoek te gaan naar de oorzaken ervan.

            Hierbij zal ingegaan worden op de kwestie rond zelfkritiek. Doordat het totalitarisme zich openbaarde in Europa, moesten Europese intellectuelen immers de superioriteit van hun eigen samenleving in vraag gaan stellen. Deze vorm van cultuurpessimisme was nieuw na de Eerste Wereldoorlog. Er was niet langer sprake van kritiek op de andere, maar ook de eigen samenleving werd kritisch onder de loep genomen. Wanneer vandaag in de Westerse wereld over het totalitarisme wordt gesproken, gaat het ook vooral over de andere. Er wordt verwezen naar het regime in Irak, zoals hierboven aangehaald, of naar het moslimterrorisme. In het midden van de twintigste eeuw moest men deze blik naar de andere echter ineens bijstellen. Intellectuelen moesten op zoek naar tendensen en elementen in de eigen samenleving die het totalitarisme verklaarden, een fenomeen dat men niet had zien aankomen wanneer Europa nog gezien werd als het continent van de vrede. Belangrijke drijfveren om na te denken over het totalitarisme waren verworvenheden zoals vrijheid en democratie, die duidelijk in gevaar waren. Dit gevaar verklaart mede vandaag nog de belangstelling voor het totalitarisme.

 

 

1.2. Omschrijving totalitarisme

 

In The concise Oxford dictionary of politics wordt totalitarisme omschreven als ‘a dictatorial form of centralized government that regulates every aspect of state and private behaviour’.[15] In ditzelfde woordenboek lezen we dat het verschil met autoritarisme, vergelijkbaar met het oudere woord despotisme, werd gemaakt door enkele Amerikaanse politieke wetenschappers in de Koude Oorlog periode. Ze zagen twee verschillen tussen de (voornamelijk militaire) autoritaire regimes en de totalitaire regimes. De eersten hielden nooit zo lang stand, en hoewel politieke tegenstanders brutaler onderdrukt werden dan eender welk regime, lieten zij een groter gebied voor het privéleven dan het geval was bij totalitaire regimes. Men kon dus stellen dat ‘where conditions were not yet ripe for democracy, there were relative advantages to authoritarianism’.[16] Gleason stelde echter dat de omschrijving van totalitarisme van generatie tot generatie verschilde en dat er dus verschillende definities voor zijn. Toch zijn er elementen in de omschrijvingen die al vroeg ontdekt werden en nooit helemaal verlaten zijn, namelijk ‘the idea of a radically instructive state run by people who do not merely control their citizens from the outside, preventing them from challenging the elite or doing things that it does not like, but also attempt to reach into the most intimate regions of their lives. These totalitarian elites ceaselessly tried to make their subject into beings who would be constitutionally incapable of challenging the rule of the state and those who control it’.[17]

Talrijke werken zijn verschenen over autoritaire en totalitaire regimes doorheen de hele geschiedenis en leverden vele discussie op over welke regimes nu autoritair dan wel totalitair waren en waar nu net de gelijkenissen en verschillen zich bevonden tussen deze vele niet-democratische regimes. Algemeen wordt aangenomen dat de totalitaire staten een fenomeen waren van de twintigste eeuw, met als bekendste voorbeelden de Sovjet-Unie onder Stalin, Duitsland onder Hitler, Italië onder Mussolini, Spanje onder Franco en Portugal onder Salazar. Van sommige staten bestaat er echter twijfel in hoeverre ze totalitair waren, dan wel eerder autoritair. Wat betreft het bolsjewisme in de Sovjet-Unie, het nazisme in Duitsland en het fascisme is er vrij grote eensgezindheid over het totalitaire karakter ervan.[18] Het discours over deze staten vormt dan ook het onderzoeksobject van deze masterproef. De Franse historicus en politicoloog Bernard Bruneteau sprak over een totalitarisme met drie gezichten, elk met hun eigen bijzonderheden: le visage nationaliste (l’Italie fasciste), le visage raciste (l’Allemagne national-socialiste) et le visage classiste (l’Union soviétique stalinienne).[19] Het is bovendien belangrijk om te weten dat het totalitarisme door vele theoretici op een verschillende manier werd gedefinieerd.

Een belangrijke problematiek rond het concept totalitarisme is de verbinding ervan zowel langs rechterzijde als langs linkerzijde. De vergelijking van het fascisme en nazisme met het stalinisme en zelfs bolsjewisme werd al gemaakt vanaf de vroege jaren dertig. Dit kwam, stelde Gleason, door drie opvallende kenmerken die de regimes gemeenschappelijk hadden. Het gaat om de nadruk op geweld, het anti-liberale karakter, maar bovenal de sterke staat met de rol van de leider.[20] Dit was een heikel punt omdat vele auteurs sceptisch stonden tegenover iedere vergelijking tussen het fascisme en het communisme. In de meeste literatuur werd het totalitarisme echter getypeerd als een systeem waarvan de eigenschappen bij regimes zowel ter linker- als ter rechterzijde voorkwamen, zonder dat hierdoor de regimes als gelijken aanzien werden. In feite is het totalitarisme een dankbaar begrip wanneer men tot de studie van zowel het fascisme, nazisme als bolsjewisme wil overgaan. Ook in het kader van dit onderzoek is het een interessante kwestie waarbij we zien dat er in het midden van de twintigste eeuw gezocht wordt naar de oorzaken van het totalitarisme, dat reeds toen al gezien werd als een systeem dat gebruikt werd door zowel rechtse als linkse regimes. Bovendien waren er natuurlijk ook gelijkenissen tussen de regimes. Zowel Hitler als Stalin lieten natie en socialisme samenvallen, vervolgden nationale minderheden en vernietigden de democratie.[21] Vergelijkingen tussen de regimes van Hitler en Stalin werden vaak ondermijnd door polemiek, schandalen en sensaties. Dit was een serieus obstakel dat moest overwonnen worden om ernstige verschillen of parallellen te kunnen onderscheiden.[22] Toch zijn er enkele interessante vergelijkingen verschenen die dit wisten te overwinnen.[23] Bovendien is er niet alleen het onderscheid tussen een linkse en rechtse variant van het totalitarisme, maar zijn er steeds meer politicologen van overtuigd dat de verschillen tussen het fascistische regime en het naziregime groter waren dan de overeenkomsten. Hier zal echter niet dieper op ingegaan worden.[24]

Een laatste kwestie rond het begrip totalitarisme dat we hier kort aanhalen, betreft het gebruik ervan door de regimes of aanhangers zelf. Hoewel Mussolini zelf sprak over zijn totalitaire staat, werd deze term door andere betrokkenen van de regimes afgekeurd. Dit heeft te maken met de reeds eerder aangehaalde problematiek rond de verbinding van het fascisme of nazisme met het communisme. Communisten wilden in geen geval vergeleken worden met fascistische regimes, maar dit gold evenzeer andersom. Vooral marxistisch geïnspireerde auteurs stonden afkerig tegenover het gebruik van de term totalitarisme voor de Sovjet-Unie, en reserveerden het begrip meestal enkel en alleen voor het fascisme/nazisme, hoewel ze in hun interpretatie over het totalitarisme ook vaak verschilden. Enkele voorbeelden waren Herbert Marcuse van de Frankfurter Schule en Franz Neumann.[25]

Het is duidelijk dat het totalitarisme geen onproblematisch concept was. Er werden verschillende definities en kenmerken aan gekoppeld en ook vandaag is er nog steeds geen eensgezindheid over verscheidene kwesties. In de volgende hoofdstukken zullen de hedendaagse discussies rond het begrip totalitarisme achterwege gelaten worden. De blik wordt volledig gericht op de schrijvers die in de jaren dertig tot en met de jaren vijftig een intellectueel debat op gang brachten, dat vandaag nog steeds belang heeft. Hierin zal duidelijk worden dat het discours over het totalitarisme, zoals alle politieke discours, gekenmerkt werd door zowel continuïteiten als discontinuïteiten.[26]

 

 

1.3. Ontstaan en verspreiding van de term totalitarisme

 

De term totalitarisme dook voor het eerst op in Italië. Het was de liberale politicus Giovanni Amendola die het in een column in de krant Il Mondo van 12 mei 1923 voor het eerst had over het sistema totalitaria, dat hij typeerde als absolute en ongecontroleerde heerschappij.[27] De term die vereenzelvigd werd met het Italiaanse fascisme werd meer en meer in gebruik genomen door de liberale anti-fascistische journalisten.[28] Het liberalisme kwam lijnrecht tegenover het totalitarisme van Mussolini te staan. Men kan stellen dat het anti-liberalisme één van de pijlers was waarop het totalitaire gedachtegoed in fascistisch Italië gebaseerd was.[29] De fascisten raakten in het voorjaar van 1925 zelf geïnteresseerd in de term die door Amendola gelanceerd werd. Mussolini had het over ‘la nostra feroce volonta totalitaria’, ofwel ‘onze verwoede totalitaire wens’ om uiteindelijk de natie fascistisch te maken zodat Italië en fascisme één zouden worden.[30]

Aanvankelijk werd het begrip nog gebruikt om op wreedheid of voluntarisme te wijzen, maar na 1925 zou dit wijzigen en zou totalitarisme vooral een verwijzing zijn naar de bedoeling van de staat om elk gebied van het menselijke leven in zichzelf te absorberen.[31] Een belangrijke invloed op het nieuwe gebruik van de term kwam van de Italiaanse neo-Hegeliaanse filosoof Giovanni Gentile, die zichzelf omschreef als de filosoof van het fascisme. In Duitsland speelde vooral de jurist en politieke wetenschapper Carl Schmitt een belangrijke rol voor de term totalitarisme. Hoewel Schmitt de term uit Italië toepaste op Duitsland waren er vele verschillen te onderscheiden tussen het Italiaanse en Duitse fascime, een kwestie waar Abbott Gleason in zijn studie uit 1995 dieper op ingaat.[32] Belangrijker dan deze onderlinge verschilpunten is voor ons echter de conclusie van Gleason die luidde dat ‘all those in Italy and Germany who wrote of the “total” or “totalitarian” state saw it as the antithesis of the liberal state. There was increasing agreement in both countries, all along the political spectrum, that the liberal state, parliamentarism, and pluralism were in deep trouble… All these Germans and Italians believed that the stato totalitario was a historical novelty and the product of a crisis of liberalism and parliamentarianism’.[33] Rond 1933 dook de term ook in Spanje op, met de oprichting van het falangisme. Men sprak over estado totalitario, dat door José Antonio Primo de Rivera, de stichter van het falangisme, verder gedefinieerd werd.[34] Later zou generaal Franco in 1938 stellen dat de structuur van de Spaanse staat gevormd zou worden zoals de totalitaire regimes in Italië en Duitsland, maar met eigen nationale karakteristieken.[35]

Het begrip totalitarisme werd niet enkel gebruikt binnen de dictaturen zelf, maar vond tegelijkertijd ook haar weg naar de westerse democratieën. Een belangrijke rol werd gespeeld door Duitse en Italiaanse emigranten. In verschillende tijdschriften uit Frankrijk, Engeland en de Verenigde Staten werd gesproken over de totalitaire regimes.[36] Het debat dat hier zou ontstaan leidde uiteindelijk ook onvermijdelijk tot de vraag naar de oorzaken van deze regimes. Hierop wordt nu verder gegaan in de volgende hoofdstukken.

 

 

Hoofdstuk 2. De start van een breed debat vanaf het Interbellum tot aan begin van de Tweede Wereldoorlog

 

2.1. De eerste studies na de confrontatie

 

Het totalitarisme was een verschijnsel dat vrij vroeg de pennen in beroering bracht nadat de intellectuelen in Europa ermee werden geconfronteerd. Dit gebeurde al aan het begin van de jaren dertig en was eigenlijk geen verrassing. Europa bevond zich immers in een crisisperiode en leek in niets nog op het superieure continent dat het zich in de eeuwen voordien waande. Als vanzelfsprekend voelden vele intellectuelen zich geroepen om dit probleem aan de kaak te stellen. Aanvankelijk werd vooral de vraag gesteld hoe dit verval van de westerse beschaving, dat zich uitte in de totalitaire staten, kon overleefd worden. Dit verval begon reeds bij de Eerste Wereldoorlog en kende een vervolg met de naoorlogse economische crisis. Uiteindelijk zou het totalitarisme het dieptepunt zijn van deze zwarte bladzijden uit de Europese geschiedenis. Maar de ongerustheid over de Europese crisis nam al voor het hoogtepunt van de totalitaire staten zijn aanvang, hetgeen zich uitte in de geschriften van vele intellectuelen.

Eén van de eerste studies hieromtrent was Ideologie und Utopie van de Hongaarse socioloog Karl Mannheim.[37] Het kwam voor het eerst uit in het Duits in 1929 en kende een verdere verspreiding door een vertaling naar het Engels in 1936, aangevuld met andere geschriften van Mannheim.[38] Hij schreef zijn meesterwerk in de periode voor hij in 1933 vluchtte voor de nazi’s vanwege zijn joodse geloof. Het onderzoek in het boek betrof een kennissociologie, een tak binnen de sociologie waarvan Mannheim een grondlegger was. Ideologie und Utopie was een analyse van de ideologieën en utopieën die gebruikt werden om de sociale orde te stabiliseren. Het ging in feite om een doordringende studie over de mythen die het bestaan en de evolutie van de maatschappij bepaalden. Het werk ging niet in op de oorzaken van het totalitarisme. Daarvoor werd het te vroeg geschreven. Het wordt hier echter aangehaald om te tonen dat de Westerse crisis een onderwerp was dat leefde bij de Europese intellectuelen. Ideologie und Utopie was veelbesproken en tot de recensenten ervan behoorden onder andere Hannah Arendt, Max Horkheimer, Herbert Marcuse, Paul Tillich, Waldemar Gurian en nog vele anderen.[39] Dit waren allemaal intellectuelen die zich gemengd hebben in het debat rond de totalitaire staten en later in deze verhandeling nog aan bod komen. Toen Ideologie und Utopie in 1936 werd vertaald, zag de wereld er al helemaal anders uit dan in 1929. Ondertussen had Mannheim in 1935 nog een andere verzameling essays uitgebracht onder de titel Mensch und Gesellschaft im Zeitalter des Umbaus, dat in 1940 naar het Engels werd vertaald.[40] Hierin wees hij op de irrationaliteit van de massa die de historische vooruitgang bedreigde.[41] Daar waar hij in Ideologie und Utopie een geheel van politieke ideeën aan een sociologische interpretatie koppelde, stelde hij in Mensch und Gesellschaft een ontwerp voor om de sociale orde te reorganiseren zodat de crisis die het publieke leven trof, kon overwonnen worden.[42]

Duitsland was in 1929, bij het verschijnen van Ideologie und Utopie, geen totalitaire staat en de term totalitarisme was nog niet ruim verspreid. Hij werd wel al gebruikt, maar voor een meer algemene aanvaarding moeten we wachten tot het einde van de jaren dertig. Toch zien we al vroeger dat er een wijziging plaats vond in het discours wanneer Hitler in Duitsland aan de macht kwam en er een totalitair regime vormde. Intellectuelen begonnen meer te schrijven over de totalitaire staten, en niet enkel meer vanuit de gedachte om zich te verdedigen tegen de Europese crisis. Er werd diepgaander onderzoek gevoerd dat op zoek ging naar de diepere structuren van dit totalitarisme en het ontstaan ervan. Het onderzoek naar de totalitaire staten nam dus al een aanvang voor het begrip totalitarisme in bredere kring gemeengoed werd aan het einde van de jaren dertig. Een vroeg voorbeeld hiervan was een essay van de Duitse historicus en filosoof Hans Kohn, dat in 1935 voor het eerst verscheen in het volume Dictatorship in the modern world.[43] Kohn verbond de ‘moderne dictaturen’ – hij bedoelde zowel Duitsland, de Sovjet-Unie als Italië – aan verschijnselen zoals een nieuwe messiaanse opvatting van de wereld, het binnendringen van de massa in de politiek, een politiek bewustzijn gekneed door de Franse Revolutie, en ten slotte de rol van moderne technieken. Kohn gaf hiermee een eerste aanzet tot een verdere bestudering van de oorsprong van het totalitarisme. De elementen die hij aanhaalde zouden terugkeren bij latere intellectuelen die het fenomeen totalitarisme bestudeerden. Kohn beweerde dat ‘the two types of dictatorship are entirely opposite as regards their aims and their philosophy of life. They are similar (and different from all other forms of dictatorship) in claiming absoluteness for their philosophy and in their effort to indoctrinate the masses’.[44] Hij verklaarde echter nog niet duidelijk waarom deze regimes, die zo verschillend waren van vroegere dictaturen, verschenen na de Eerste Wereldoorlog.[45]

 

 

2.2. Religieus geïnspireerde verklaringen

 

Al gauw zou de religieuze component een belangrijke rol gaan spelen in de verklaring van het totalitarisme. Veel auteurs zagen het totalitarisme als een uitkomst van het verder loslaten van de christelijke geloofswaarheden.[46] Het steeds verdere secularisatieproces zou mee de neergang voor het eens zo superieure Europa verklaren, al was deze visie bij de ene auteur al radicaler dan bij de andere. Verschillende studies werden in deze periode geschreven waarbij het totalitarisme gelinkt werd aan het religieuze. Hierin vinden we niet enkele de gedachte dat het loslaten van het geloof de mogelijkheid gaf aan het totalitarisme om te groeien, maar ook het idee dat de totalitaire staten een serieuze bedreiging vormden voor de religie. Deze stelling werd gelanceerd in een artikel van de Engelse kerkhistoricus Christopher Dawson,[47] geschreven in november 1934 toen Adolf Hitler nog maar net aan het hoofd van Duitsland stond.

In enkele andere geschriften komen we voor het eerst ook gedetailleerdere oorzaken van het totalitarisme op het spoor, al vormde dit meestal niet het uitgangspunt van deze studies. Dit gebeurde reeds aan het einde van 1934, een paar maanden voor het eerder aangehaalde essay van Hans Kohn werd geschreven. In dezelfde maand als het artikel van Dawson verscheen, werd er een Engelstalig artikel van Paul Johannes Tillich, een Duits-Amerikaanse theoloog en filosoof, uitgebracht. Het verscheen in het tijdschrift Social Research en had de titel ‘The totalitarian state and the claims of the church’. Het artikel bestond uit twee delen, waarvan het tweede het belangrijkste was en handelde over het conflict tussen de aanspraken van de katholieke kerk en het totalitarisme. Voor ons zijn echter vooral de bemerkingen die Tillich maakte in het eerste gedeelte interessant. Paul Tillich, die totalitaire ideologieën omschreef als ‘quasi religions’, zag de komst van de nazi’s aan de macht als een resultaat van het late kapitalisme. Tillich stelde dat de Europese neergang was begonnen met de Eerste Wereldoorlog, gevolgd door de naoorlogse economische crisis. Hij zei, vijf jaar voor het begin van de Tweede Wereldoorlog, dat Europa was terechtgekomen in een tijdperk van wereldoorlogen en wereldcrisissen. De oorzaak lag volgens hem bij de kapitalistische expansie en de hierop volgende verbindingen tussen alle delen van de wereld: ‘The political and economic system of the world is so interrelated that any injury to one part is bound to exert a detrimental effect upon the whole structure.’[48] Uiteindelijk werd enkel de nationale staat als sterk genoeg aanzien om de massa te beschermen tegen de crisissituatie. Naast het late kapitalisme sprak Tillich in zijn analyse ook over de naoorlogse situatie in Oost- en Centraal Europa, en ten slotte ook over de specifieke Duitse situatie. Zo stelde Tillich dat de totalitaire staten ook nooit hadden kunnen ontstaan zonder de anti-democratische tendensen in Oost- en Centraal Europa, waar het idee heerste dat het bestaan van de nationale staat enkel mogelijk was in antidemocratische en autoritaire vorm. In Duitsland vond dan de theoretische en praktische realisatie plaats van het idee van de totalitaire staat. Een belangrijke reden hiervoor was het Verdrag van Versailles, dat een sterke psychologische inslag had, met hiernaast ook de specifiek Duitse interne politieke, economische, sociale en culturele factoren. Wat vooral belangrijk is, is dat Tillich het Russische model ook omschreef als totalitair. Hij was hiermee één van de eersten die dit verder onderbouwde. Hij legde hiertegenover wel nog sterk de nadruk op de contrasten in theorie en praktijk tussen de beide totalitaire modellen.

            Daar waar Tillich sprak over een spirituele desintegratie bij de massa en het totalitarisme aanduidde als ‘quasi religions’, werd vier jaar later een vergelijkende term gelanceerd, namelijk ‘politischen Religionen’. Deze omschrijving kwam van Eric Voegelin,[49] een Duits-Amerikaanse politiek filosoof, en zou een belangrijke rol spelen voor latere auteurs die schreven over het totalitarisme. Het belang van zijn dunne boekje Die politischen Religionen, dat in Wenen gepubliceerd werd enkele weken voor de Anschluss van Oostenrijk bij Nazi-Duitsland, lag in de lancering van de substitutiethese.[50] Kort geformuleerd stelde deze these dat moderne totalitaire ideologieën als nationaalsocialisme en communisme gezien konden worden als geseculariseerde heroplevingen van eerdere mythische en /of religieuze wereldbeelden.[51] Eric Voegelin werkte de oorsprong van het totalitarisme minder uit dan Paul Tillich deed in zijn artikel, maar heeft zich met Die politischen Religionen een eerste keer gemengd in het discours over het totalitarisme. Hij zou later nog zijn stempel drukken op het debat.

            Een andere auteur die we in deze context nog kort moeten aanhalen is de Franse filosoof Jacques Maritain. Hij was de auteur van Humanisme intégral, een studie die verscheen in de periode tussen de eerder aangehaalde tekst van Paul Tillich en Eric Voegelin.[52] Maritain was één van de eerste gebruikers van het woord totalitarisme in Frankrijk en paste binnen de lichting die dit fenomeen verklaarde als een gevolg van de neergang van de christelijke waarden. Het denken van Maritain sloot sterk aan bij dat van Voegelin.[53] Maritain had het over een integraal humanisme dat verloren is gegaan doordat bepaalde geseculariseerde vormen van het humanisme in feite anti-humaan waren. Hierdoor was er geen integraal humanisme meer, maar een gedeeltelijk humanisme waardoor bepaalde fundamentele aspecten van de mens genegeerd werden. Het was een gedachte dat een sterke invloed kende en mee een rol zou spelen in de verklaring van de oorzaak van het totalitarisme. Dit werd ook duidelijk op het eerste wetenschappelijke congres in november 1939 dat aan het totalitarismebegrip gewijd was. De Amerikaanse historicus Carlton J. H. Hayes sprak over het religieuze karakter van de totalitaire bewegingen, waarvan de opkomst enkel mogelijk was door een religieuze leegte: ‘In the present crisis, when the historic Christian faith of the Western masses grows cold, a kind of religious void is created for them.’[54] Dit was te lezen in een artikel van Hayes, dat verscheen in het tijdschrift Proceedings of the American Philosophical Society, waar in punt 2.4 van deze verhandeling dieper op ingaan wordt.

 

 

2.3. Peter Drucker en zijn origins of totalitarianism

 

In de lente van 1939 verscheen een werk van Peter Ferdinand Drucker, een Amerikaanse schrijver, bedrijfskundige en consultant. Het boek met de titel The end of economic man: the origins of totalitarianism,[55] wordt algemeen gezien als de eerste studie waarvan het uitgangspunt was om de oorzaken voor het totalitarisme te verklaren. Zoals de titel van het boek ook enigszins duidelijk maakt, werd de problematiek van het totalitarisme eerder economisch benaderd dan religieus, zoals in het vorige punt het geval was.

Hoewel The end of economic man uitkwam in 1939, was Peter Drucker aan deze studie begonnen in 1933, toen Adolf Hitler reeds een paar weken aan de macht was. Drucker schreef de laatste bladzijden in april 1937. Dat het boek pas twee jaar later werd gepubliceerd, had zowel te maken met de twijfelende houding van Drucker zelf om zijn werk uit te brengen, alsook met de moeilijkheid om een uitgever te vinden. Dit kwam door de inhoud van het boek, die als controversieel werd aanzien.[56] Drucker was het niet eens met twee los van elkaar staande stellingen die de oorsprong van het nazisme trachtten te verklaren. De ene stelling probeerde het nazisme aan te duiden als een soort manifestatie van het Duitse nationale karakter waar we de oorspraak van konden vinden in de Duitse geschiedenis.[57] Hiernaast was er ook de afbeelding van het nazisme (en ook fascisme) als ‘the dying gasp of capitalism’ met het marxistische socialisme dat gezien werd als de redder.[58] Drucker wou met zijn studie komaf maken met deze stellingen die in zijn ogen waanbeelden waren. Deze ideeën waren gemeengoed voor de publicatie van The end of economic man en waren ook nadien nog zeer belangrijk zoals we later nog zullen zien in het verdere discours. Hiertegenover behandelde Drucker het nazisme – en totalitarisme in het algemeen – als een Europese ziekte waarin Nazi-Duitsland het meest extreem was. Het stalinisme verschilde hier nauwelijks van en was ook niet veel beter. Bovendien, stelde Drucker, was het de mislukking van het marxisme – eerder dan van het kapitalisme – dat leidde tot de wanhoop van de massa en hen tot een gemakkelijke prooi maakte van de totalitaire demagogie. Dit waren stellingen die helemaal niet voor de hand lagen in die periode. Vandaar ook de weifelende houding om het boek te publiceren.

Peter Drucker zocht de oorsprong van het totalitarisme in de sociale en economische sfeer. Een analyse van het totalitarisme vanuit de spirituele sfeer was voor Drucker ondenkbaar, net zoals het omgekeerd zinloos zou zijn de Reformatie te analyseren vanuit een sociaal-economische invalshoek. Drucker zou hierin later door verschillende auteurs worden gevolgd. The end of economic man besloeg acht hoofdstukken, waarvan vooral het eerste en het vijfde hoofdstuk zeer relevant waren binnen het discours naar de oorzaken van het totalitarisme. In het eerste hoofdstuk, waarin Drucker probeerde te verklaren waarom de Duitse massa zich naar het fascisme richtte, maakte Drucker een opmerking die mee verklaarde waarom het zoeken naar de oorsprong van het totalitarisme een ingewikkelde kwestie was. Drucker vond het merkwaardig dat het totalitarisme zomaar opdook terwijl de afkeer ervan bij de overgrote meerderheid zo groot was: ‘Unlike any earlier revolution, not even the minority in the countries of the old order accepts the tenets, the spirit, and the achievements of totalitarianism. And yet, fascism had been gaining ground steadily until it has become master of Europe.’[59] Hij stelde zich hierbij de vraag waarom de democraten de opkomst van het fascisme niet konden verhinderen. Meteen haalde hij ook aan wat volgens hem de reden was, namelijk dat men niet wist wat men bestreed. Men kende wel de symptomen van het nazisme, maar men kende niet de oorzaak of de betekenis. Vandaar ook het opzet van het boek van Drucker om te zoeken naar de origins of totalitarianism.

De sleutel tot het begrijpen van het fascisme of totalitarisme was volgens Drucker de wanhoop van de massa. Hij kwam tot de conclusie dat de massa pas uit wanhoop naar het fascisme greep. Drucker sprak over een gehele sociale orde die was ingestort, waarna men wachtte op een nieuwe orde. Dit had zich reeds twee maal voorgedaan in het verleden, telkens door een achteruitgang van het vertrouwen in the concept of man. In de dertiende eeuw ging het om het concept van de Spiritual Man, in de zestiende eeuw van de Intellectual Man. Drucker stelde in de jaren dertig een ingestorte sociale orde vast gebaseerd op het concept van de economic man, dat zowel een creatie was van het bourgeois-liberalisme als van het marxistische socialisme. Nadat deze orde instortte werd haar plaats niet ingenomen door een nieuwe orde. Dit had kunnen gebeuren door een religieuze heropleving, maar Drucker wees hier in het vierde hoofdstuk op het falen van de kerk. Uiteindelijk zou het sociale vacuüm opgevuld worden door het fascisme. Vandaar ook dat Drucker zei dat ‘the totalitarian revolution is clearly not the beginning of a new order but the result of the total collapse of the old’.[60]

Blijft nog de kwestie open van de landen waar de totalitaire staten zich manifesteerden. Drucker was sceptisch ten aanzien van verklaringen die aangaven dat men dit totalitarisme kon zien aankomen door te kijken naar het nationale verleden van Duitsland of Italië. Zo verwees hij naar Frankrijk dat in haar nationale verleden meer prefascistische kenmerken had dan Duitsland. Er waren de destructieve oorlogen ten tijde van de tirannie van Lodewijk XIV, er waren de dictaturen van beide Napoleons en er was het reactionaire sentiment dat de Dreyfus-affaire veroorzaakte.[61] Drucker was van oordeel dat er iets gemeenschappelijks moest gevonden worden in de Duitse en Italiaanse geschiedenis dat de nederlaag van de democratie kon verklaren. Dit vond hij in de negentiende eeuw waarbij de emotionele en sentimentele verbinding van de massa met Italië of Duitsland geen overwinning was voor de bourgeoisorde, maar eerder een nationale eenmaking. De nationale bewegingen waren vooreerst nationaal, pas hierna democratisch. In die zin verwees Drucker dus toch naar het verleden, maar hij deed dit door te verwijzen naar sociale en politieke karaktertrekken. Hij keek niet naar vroege fascistische uitingen, waaruit volgens hem de oorsprong van het totalitarisme niet viel uit af te leiden.

 

 

2.4. Belangrijke nieuwe inzichten voor het verdere discours

 

Voor het verdere onderzoek naar de totalitaire staten was het uiteraard nodig dat de term totalitarisme een verdere verspreiding kende. Het inzicht dat stilaan meer en meer ontwikkeld werd, was dat de linkse en rechtse dictaturen uit deze periode meer gelijken waren dan aanvankelijk gedacht. Het gebruik van de term totalitarisme voor zowel fascistische als communistische regimes begon al bescheiden aan het einde van de jaren twintig, maar vooral in de jaren dertig. Voornamelijk enkele Amerikaanse auteurs speelden hier een voorname rol in, bijvoorbeeld Calvin B. Hoover, William Henry Chamberlin en John Dewey.[62] De doorbraak van de term totalitarisme en de vergelijking tussen het nazisme en het stalinisme, kwam er vooral met het Molotov-Ribbentroppact op 23 augustus 1939 tussen Nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie. Peter Drucker was overigens één van de weinige auteurs die een verdrag van deze aard op voorhand voorspeld had. Na dit niet-aanvalsverdrag zou de term totalitarisme nog grootschaliger in gebruik worden genomen. Dit verdrag was een grote schok voor vele marxisten. Voordien werden Nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie vooral als elkaars ideologische tegenpolen gezien.[63]

            Dat het een misverstand was dat fascisme en communisme geboren vijanden zouden zijn, was het uitgangspunt van Franz Borkenau in zijn lijvig boek The totalitarian enemy, dat oorspronkelijk in het Engels verscheen. Het werd voltooid in 1939 en een jaar later uitgegeven. Het is één van de belangrijkste werken van deze Oostenrijkse geschiedfilosoof, cultuurhistoricus en socioloog. De Tweede Wereldoorlog was reeds begonnen toen Borkenau zijn werk uitbracht dat handelde over ‘a discussion of the conflict between the democratic and the totalitarian types of régime, its origins and its results’.[64] De ondertekening van het Molotov-Ribbentroppact was een belangrijke inspiratie voor de inhoud van het boek van Borkenau. Vanaf dit moment zou de term totalitarisme een opvallend stijgend gebruik kennen. Bovendien lanceerde Borkenau ook de termen Brown Bolshevism en Red Fascism, wat duidelijk wijst op verwevenheid tussen beide regimes. De grotere eensgezindheid die meer en meer ontstond over vergelijking tussen het stalinisme en het nazisme zou het debat over het totalitarisme en de vraag naar de oorzaken ervan een enorme duw geven. Borkenau had een grote bijdrage in de aanvaarding van deze vergelijking. Hoewel hij vooral specialist was in het communisme en de Sovjet-Unie,[65] handelde het grootste gedeelte van The totalitarian enemy over Nazi-Duitsland. Dit is niet verwonderlijk aangezien Duitsland op dat moment als totalitaire staat een belangrijke rol aan het spelen was op het wereldtoneel. De vergelijking die hij maakte tussen het fascisme en het marxisme was vernieuwend in een wereld waarin de nazi’s en sovjets voordien als elkaars tegengestelden werden gezien. Zoals eerder aangegeven, werden deze regimes al vroeger met elkaar vergeleken, maar Borkenau ging nog een stap verder en stelde dat ‘Germany was rapidly moving in the direction of a social régime which could only be described as “Marxist”’.[66] Zes jaar na de komst van Hitler was Duitsland, volgens Borkenau, meer geëvolueerd in de richting van Rusland dan andersom.

            Het boek ging vooral over de vergelijking tussen het nazisme en stalinisme, de economie en mentaliteit van de nazi’s en de op gang zijnde oorlog. Zoals de titel van het boek enigszins duidelijk maakt, probeerde Borkenau met The totalitarian enemy in zekere zin de vrije landen en vrije instituties te verdedigen tegen Hitler. Dat het vooral een verdediging was tegen Hitler en minder tegen Stalin, had te maken met de grotere dreiging die op dat moment van Nazi-Duitsland uitging tegenover Europa. Borkenau ging uit van de gedachte dat de vrijheid het totalitarisme moest overwinnen en dat dit enkel overwonnen kon worden door het begrijpen van de aard van het totalitarisme. Dit begrijpen was voor Borkenau geen doel op zich, maar een middel om de totalitaire vijand te verslaan. Maar hierdoor krijgen we onrechtstreeks ook een beeld van wat volgens Borkenau de oorzaken waren voor de opgang van de totalitaire staten in Europa. Opvallend hierbij is dat Borkenau stelde dat de totalitaire revolutie die had plaatsgevonden eigenlijk de sociale revolutie was die Karl Marx ooit voorspelde. Het verschil is echter dat deze revolutie uiteindelijk leidde tot haat, tirannie, nationale twist en barbaarse religies in plaats van tot liefde, meer vrijheid, internationale samenwerking en triomf van de wetenschap. Dat dit uiteindelijk in Duitsland heeft plaatsgevonden, was volgens Borkenau geen toeval. Het was volgens hem zelfs het enige land waar dit had kunnen plaatsvinden, met hun afwijkende geschiedenis vanaf de zeventiende eeuw in vergelijking met andere westerse landen. Aan de andere kant lagen de roots van het totalitarisme dan weer over heel Europa. Er zou geen nazi-revolutie hebben kunnen plaatsvinden zonder andere gebeurtenissen in de Europese geschiedenis, zoals het industriële systeem dat kwam vanuit Engeland en het Jacobijnse model van Napoleon. Borkenau zei dat Duitsers niet minder geciviliseerd waren dan Fransen of Engelsen, maar dat ze sterker in de invloedssfeer van het oosten kwamen, waardoor ze een eigen mentaliteit creëerden. Bovendien was Duitsland na Wereldoorlog I te zwak om te weerstaan aan het nazisme.

Borkenau probeerde met zijn studie aan te tonen dat het totalitaire regime uiteindelijk een onvermijdelijke uitkomst was van de ontwikkeling naar een moderne maatschappij, zoals Marx voorspelde. Door historische omstandigheden was de uitkomst echter anders geworden dan voorzien. Zo is de overgang naar een gecentraliseerde planeconomie een onvermijdelijke, noodzakelijke verandering in de geschiedenis, volgens Borkenau. Maar hij zei ook dat de vele moorden en folteringen die hiermee gepaard gingen helemaal niet tot de onvermijdelijkheid van de geschiedenis behoorden. Wat betreft het bolsjewisme wees hij op verschillende achtergronden met het nazisme. Maar hoewel het verleden van het bolsjewisme en het nazisme verschillend was, en ze waarschijnlijk ook andere richtingen uitgaan in de toekomst, is parallellisme tussen de twee regimes geen oppervlakkigheid. Een belangrijk inzicht dat Borkenau hier lanceerde is dat we, ondanks hun verschillende verleden, niet hoeven te spreken over oorzaken voor het nazisme en oorzaken voor het bolsjewisme, maar dat we effectief kunnen spreken over oorzaken voor het totalitarisme. In zijn hoofdstuk over bolsjewisme vat hij dit perfect samen: ‘… both régimes have emerged as a reaction against the last war and its consequences, or, more broadly speaking, as the result of the political, economic and cultural crisis of the Western world.’[67]

            In dezelfde maand wanneer Borkenau The totalitarian enemy voltooide, schreef ook de conservatieve historicus Carlton J. H. Hayes een artikel, reeds eerder kort aangehaald, over het totalitarisme. Deze tekst was het gevolg van het eerste symposium over de totalitaire staat. In dit artikel probeerde Hayes in twaalf bladzijden dit nieuwe fenomeen uit de westerse beschaving te beschrijven. Alvorens hij tot de kenmerken van het totalitarisme kwam, waren er in zijn tekst enkele beschouwingen te lezen over de oorzaken van het totalitarisme. Wat Hayes in eerste instantie vooral wou duidelijk maken, was dat de totalitaire staten iets volledig nieuw waren in de geschiedenis, en dit ondanks het feit dat dictaturen, despotisme en tirannieën een constante of op zijn minst een terugkerend verschijnsel waren in het westerse verleden. De nieuwigheid zat hem volgens Hayes vooral in het type dictator dat is opgestaan. Hij wees er op dat Mussolini, Stalin en Hitler van lage afkomst waren in vergelijking met voorgaande dictators die uit een goede familie kwamen en een excellente scholing en militaire faam bezaten. Hayes stelde zich in het begin van zijn artikel de vraag hoe het mogelijk was dat Mussolini, Stalin en Hitler aan de macht konden komen. Alvorens tot een verdere toelichting over te gaan, gaf hij ook al meteen het antwoord: ‘It is, I submit, precisely because they have come from the masses rather than from the classes and could therefore more readily get the ear of the masses.’[68]

            Het was deze massa, stelde Hayes, die een bepalende rol speelde in het veroorzaken van het totalitarisme. De massa had een veelbetekende transformatie ondergaan in het recente verleden. Ze werd ontwricht door de intensieve industrialisatie. Een groot aantal mensen werd hierdoor, zoals de Fransen het uitdrukken, déracinés, ontworteld van de grond van hun voorouders, van hun gevestigde gewoontes en traditie en van hun persoonlijke verantwoordelijkheid. Tegelijkertijd vond er een achteruitgang plaats van de traditionele religie en een verduistering van de religieuze waarden. Hierdoor werd, zoals eerder aangehaald, een lege religieuze ruimte gecreëerd bij de massa die moest gevuld worden met een nieuw geloof. Dit kon volgens Hayes niet gevonden worden in ‘humanity’ of ‘science’ omdat deze begrippen te intellectueel, te abstract en te verouderd waren. De massa vond haar nieuwe geloof eerder in materialistisch communisme of in nationalistische vergoddelijking van ‘Blut und Boden’.

            In tegenstelling tot Borkenau wil Hayes echter niet spreken over een totalitaire onvermijdelijkheid. Hayes zei zelf geen calvinistische of marxistische neigingen te hebben en sceptisch te staan tegenover historisch determinisme. Hij wees hiervoor naar de opkomende massa die niet overal in revolte was en de traditionele religie die misschien wel in verval was, maar zeker niet overal zijn invloed had verloren. Hayes was dan ook van oordeel dat de meeste landen in staat zouden zijn te weerstaan aan het totalitarisme. Bovendien, zei hij, hadden de landen waar wel een totalitaire democratie heerste, een nationale beroering meegemaakt: oorlog en wanhoop in Rusland, nederlaag en vernedering in Duitsland, wanorde en ontgoocheling in Italië. Opvallend in het artikel van Hayes is dat hij de totalitaire democratie uiteindelijk zag als iets dat niet paste binnen de gehele historische civilisatie van het Westen. Hij zag het totalitarisme als een reactie, of zelfs revolte tegen de gematigdheid en evenredigheid van het klassieke Griekenland, tegen de orde en wettigheid van het oude Rome, tegen de rechtvaardigheid van de joodse profeten, tegen de liefdadigheid, barmhartigheid en vrede van de christenen, tegen de hele onmetelijke culturele erfenis van de christelijke kerk in de middeleeuwen en de moderne tijd, tegen de Verlichting, de rede en de menselijkheid van de achttiende eeuw, en tegen de liberale democratie van de negentiende eeuw.

            De geschriften van Borkenau en Hayes markeerden een belangrijk moment binnen het discours over het totalitarisme. Vooral de stelling van Borkenau dat nazisme en bolsjewisme niet de ideologische vijanden zouden zijn waarvoor ze altijd werden aanzien, zorgde ervoor dat de term totalitarisme een toenemend gebruik kende. En in navolging hiervan uiteraard ook een toename van het onderzoek naar het concept totalitarisme. Na The totalitarian enemy zouden nog vele andere auteurs zich in hun werken wijden aan het vraagstuk van het totalitarisme. Eén van deze schrijvers die het concept totalitarisme in een lijvige studie zou bespreken, was de Duitse politieke wetenschapper Sigmund Neumann. In 1942 verscheen van hem Permanent revolution: the total state in a world at war, waarin hij de sociale structuur van de totalitaire heerschappij besprak.[69] Hoewel het uitgangspunt van dit boek niet het zoeken naar de oorzaken van totalitarisme was, maar wel de zoektocht naar de innerlijke dynamiek van dit systeem, heeft het in het kader van dit onderzoek zeker zijn belang. Het gaat dan meer bepaald om een inzicht dat Neumann al in zijn inleiding duidelijk maakte, namelijk dat vragen over het hoe en waarom van totalitarisme geen snelle en definitieve antwoorden kennen, omdat ‘all such one-track explanations are dangerous’.[70] Carlton Hayes wees er al eerder op dat het totalitarisme niet paste in de traditie van dictaturen die we doorheen de hele geschiedenis hebben gekend. Ook Neumann benadrukte dit punt, maar hij verklaarde het verschil vanuit een bepaalde doelstelling van het totalitarisme, namelijk het bestendigen en institutionaliseren van hun revolutie. Hoewel Neumann stelde dat Hitler, Mussolini en Stalin in feite symbool stonden voor hun natie, zei hij ook dat het bedoeling was een quasi-institutionele structuur te creëren die de basis was voor de moderne totalitaire heerschappij, zelfs na de dood van de opperste leider. Neumann verwees in dit kader naar het bolsjewisme dat ook na de dood van Lenin was blijven bestaan. Neumann sprak over een totalitaire revolutie die in alle politieke instanties en activiteiten infiltreerde. Het was net deze breedheid van de revolutie die ervoor zorgde dat we de oorsprong van het totalitarisme niet kunnen achterhalen via één enkele aanpak. Om een volledig beeld van het totalitarisme te krijgen moeten we het zowel economisch, sociaal, psychologisch, historisch als ideologisch bestuderen, stelde Neumann. Dit was een belangrijk inzicht voor het verdere onderzoek in het begrijpen van het totalitarisme. Het was ook op deze manier dat hij de totalitaire dictatuur bestudeerde in zijn boek.

Hoewel Neumann vooral de structuur van deze totalitaire staten onderzocht in Permanent revolution, waren er ook in het begin van het boek enkele verwijzingen te vinden naar de oorzaken ervan. Hij deed dit, meer dan zijn voorgangers, door te kijken naar het verleden van de totalitaire staten apart. Hij hechtte veel belang aan de culturele standaarden en politieke tradities in Italië, Rusland en Duitsland. Neumann wou hiermee vooral reageren tegen onderzoekers die de verspreiding van dictatoriale heerschappijen verklaarden door te kijken naar de onderwijsgraad in de landen. Landen waar een hoog percentage van analfabetisme was, zouden vlugger een dictatuur worden. Neumann zei dat dit misschien wel waar kon zijn voor onder andere Rusland, Italië, Spanje en landen in de Balkan; maar toen Duitsland deze lijst vervoegde, werd de zwakheid van dit argument duidelijk. Deze verklaring was echter wel overtuigend geweest als men zou kijken naar het ‘politiek analfabetisme’ van de landen in Centraal- en Oost-Europa waar geen sterke traditie was van self-government en vrije instellingen. Er was niet genoeg tijd om deze tradities aan te passen aan de snelle sociale ontwikkelingen. De opkomst van de moderne politieke democratie viel samen met ingrijpende sociale veranderingen van het moderne industrialisme en de urbanisatie. Het effect van deze grote sociale storingen werd vooral duidelijk met de verandering van de liberale democratie naar de massa-democratie. De leiding van de staat werd door de stijgende uitbreiding van het electoraat een cruciaal punt. Deze massastaat was in de woorden van Neuman ‘the historic hour of the demagogue’.[71] Er was nood aan een leider voor het volk.

 

 

2.5. Besluit hoofdstuk twee

 

Met dit tweede hoofdstuk werd getracht aan te tonen dat er al vrij vroeg, reeds voor het einde van de Tweede Wereldoorlog, een start gemaakt werd van het onderzoek naar de oorsprong van het totalitarisme, een fenomeen waar Europa op dat moment mee te kampen had. Het was in deze periode ook dat enkele inzichten gelanceerd werden waaraan de latere auteurs die schreven over het totalitarisme schatplichtig waren.

            Een idee dat vrij snel ingang vond, was de gedachte dat het totalitarisme enkel mogelijk was doordat christelijke waarden verlaten waren. Het totalitarisme kon profiteren van deze religieuze leegte die achter gelaten werd. Paul Tillich en Eric Voegelin waren twee auteurs die het totalitarisme omschreven vanuit een christelijke invalshoek. Hans Kohn was één van de eersten die nog andere elementen aanbracht die het totalitarisme mee hadden mogelijk gemaakt. De eerste studie die als voornaamste doel had te zoeken naar de oorzaken van het totalitarisme kwam van Peter Drucker met zijn werk The end of economic man. Hij reageerde hierin tegen enkele heersende verklaringen die als gemeengoed werden aanzien in de verklaring voor het ontstaan van het totalitarisme. De visie van een ‘Europese ziekte’ was duidelijk een sneer naar het falen van de eigen Europese cultuur. Dat deze gedachtegang toen nog niet zomaar geaccepteerd werd, wordt aangetoond door de weerstand die er was om het boek te publiceren. Na de publicatie had deze studie echter enorme invloed op verschillende intellectuelen binnen het debat.

In de jaren nadien nam het discours toe en werden enkele belangrijke inzichten gelanceerd door verschillenden auteurs. Carlton Hayes onderstreepte de originaliteit van de totalitaire regeervormen. Het idee dat het totalitarisme iets uniek was in de geschiedenis, zorgde voor een grote vermenigvuldiging van het onderzoek hiernaar. Franz Borkenau zorgde er dan weer mede voor dat het begrip totalitarisme een algemenere aanvaarding kreeg. Hij wees erop dat het perfect mogelijk was de oorzaken van het totalitarisme te onderzoeken, zonder dat men afzonderlijk op zoek moest gaan naar oorzaken voor het bolsjewisme of nazisme. Sigmund Neumann, die de structuur van de totalitaire staten onderzocht, wees op de gedifferentieerdheid van dit totalitarisme en op het feit dat hier rekening mee moest gehouden worden bij het onderzoek. Er was nu eenmaal niet één perfect antwoord op de vraag naar de oorsprong van het totalitarisme. Dit is ook duidelijk als we kijken naar het gebrek aan eensgezindheid die er is bij de verschillende auteurs. Lag de verklaring in de religieuze of eerder in sociaal-economische sfeer? In hoeverre speelde het nationale verleden een rol? Was het totalitarisme onvermijdelijk? De antwoorden op deze vragen werden verschillend ingevuld zoals in dit hoofdstuk werd aangetoond.

Ondanks deze verschillen, was er een vrij grote eensgezindheid op cultuurpessimistisch vlak. Men ging op zoek naar fenomenen uit de Europese geschiedenis. Het was duidelijk geworden dat er iets grondig fout was gegaan, aangezien men in het midden van de twintigste eeuw was uitgekomen bij totalitaire regimes. Maar de verklaringen hiervoor waren, zoals hierboven aangetoond, van verschillende aard. Desondanks is het wel zo dat er ten tijde van het Interbellum en het einde van de Tweede Wereldoorlog stellingen gelanceerd werden die een brede aanvaarding kenden en een beter inzicht in het totalitarisme deden verschaffen. Deze inzichten legden de basis voor het verdere discours over de oorzaken van de totalitaire ideologieën en regimes, een debat dat gekenmerkt werd door haar breedheid.

 

 

Hoofdstuk 3. Verdere tegenstellingen binnen het debat aan het einde van de Tweede Wereldoorlog

 

3.1. Tweespalt in het debat

 

Aan het einde van de jaren dertig en het begin van de jaren veertig werd de basis gelegd voor het debat over de oorzaken van het totalitarisme. Dit debat zette zich verder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Deze oorlog was een ware crisis voor Europa. Het totalitarisme had duidelijk aangetoond tot wat het in staat was en intellectuelen gingen zich nog meer afvragen hoe het zo ver was gekomen. Tijdens de laatste oorlogsjaren verschenen enorm veel studies over deze materie. In dit hoofdstuk laten we de belangrijkste aan bod komen. Wanneer we onze blik richten op deze werken, valt het op dat ze grotendeels in twee groepen kunnen worden ingedeeld die tegenover elkaar staan. Een marxistisch discours en een liberaal discours. In het vorige hoofdstuk werd al aangetoond dat het totalitarisme een moeilijk concept was dat zich niet zomaar liet verklaren door één juist antwoord. Maar dat de verklaringen ook zo tegengesteld aan elkaar waren, werd vooral duidelijk als we kijken naar de studies die verschenen in de periode van 1942 tot 1945.

 

 

3.2. Het marxistische discours

 

In het eerste hoofdstuk werd reeds kort het marxisme aangehaald in hun relatie tot het totalitarisme. Marxistisch geïnspireerde auteurs wierpen zich in groten getale op dit vraagstuk, wat zich uitte in vele studies over het totalitarisme. De bekendste namen waren Herbert Marcuse, Erich Fromm, Franz Neumann, Max Horkheimer en Theodor Adorno,[72] waarvan de meesten behoorden tot de Frankfurter Schule. Het zou ons echter teveel doen afwijken als we al deze studies de revue zouden laten passeren. Dit is echter ook niet nodig in het kader van dit onderzoek. Twee auteurs die wel kort worden aangestipt, zijn de Duitsers Max Horkheimer en Theodor Adorno. Ze waren beiden zowel socioloog als filosoof. In 1944 verscheen Dialektik der Aufklärung, een breed opgezet filosofisch werk dat door beide auteurs samen werd geschreven in de periode dat het einde van de nationaalsocialistische terreur in zicht was.

            Dialektik der Aufklärung is een marxistisch standaardwerk dat het heeft over het falen van de Verlichting. Horkheimer en Adorno zagen de opkomende nationalistische, heidense en andere moderne mythologieën niet als de oorzaak van de terugval van de Verlichting, maar als een gevolg van de in waarheid verstarrende Verlichting zelf: ‘Wir glauben… dass die Ursache des Rückfalls von Aufklärung in Mythologie nicht so sehr bei den eigens zum Zweck des Rückfalls ersonnenen nationalistischen, heidnischen und sonstigen modernen Mythologien zu suchen ist, sondern bei der in Furcht vor der Wahrheit erstarrenden Aufklärung selbst.’[73] Dialektik der Aufklärung, in 1972 voor het eerst in het Engels verschenen,[74] bevat vele filosofische beschouwingen en beslaat een brede kritiek van het westerse denken, dat kan gerekend worden tot het fundamentele cultuurpessimisme.[75] Hierin vinden we een basisidee terug van het marxisme met betrekking tot de oorzaken voor het totalitarisme. Voor Hokheimer en Adorno was het duidelijk dat het totalitarisme gegroeid was vanuit het bourgeois liberalisme. Deze gedachte vonden we ook al eerder terug in het werk van Herbert Marcuse, die stelde dat het liberalisme de totalitaire staat uit zichzelf creëerde.[76]

In de zoektocht van de marxisten naar de oorzaken van het totalitarisme speelde de economie een grote rol. Het was het kapitalistische systeem dat leidde tot het totalitarisme. Vandaar ook dat deze auteurs aanvankelijk de Sovjet-Unie niet als een totalitaire staat aanzagen, zoals aangegeven in het eerste hoofdstuk. Het begrip totalitäre Ordnung reserveerden ze enkel voor het fascisme en het nazisme.[77] Toch waren ze voorzichtig in het gebruik van het begrip totalitarisme omdat dit in feite een vereenzelviging inhield van beide systemen. Horkheimer plaatste zowel nationaalsocialisme als bolsjewisme onder de categorie ‘autoritärer Staat’ maar duidde op het verschil door het nationaalsocialisme te omschrijven als ‘Staatskapitalismus’ en het bolsjewisme als ‘integralen Etatismus’.[78] Dat de marxistische denkers de Sovjet-Unie niet als totalitair omschreven, en hier bijgevolg minder kritisch tegenover stonden, was omwille van de politieke context nog een aanvaardbare gedachte. De Sovjet-Unie was immers een belangrijke schakel in de strijd tegen de gemeenschappelijke vijand: Nazi-Duitsland. Zoals we verder in deze verhandeling zullen zien, zou deze houding omwille van nieuwe ontwikkelingen, veranderen.

 

 

3.3. Het liberale discours

 

3.3.1. Hayek en von Mises

 

Een heel ander verhaal vinden we terug bij de auteurs Friedrich Hayek en Ludwig von Mises. Het richtte zich eveneens op economische verklaringen, maar was tegenovergesteld aan het marxistische discours. De theorieën van beide auteurs, die elk in 1944 een boek uitbrachten over het totalitarisme, sloegen in als een bom op het debat en hun nieuwe inzichten waren van groot belang voor het verdere discours. Hoewel hun ideeën grotendeels nieuw waren, waren ze toch schatplichtig aan Peter Drucker die al in de jaren dertig begon te denken in de richting waarin Hayek en von Mises in het volgende decennium verder evolueerden. Deze auteurs, beide voorstander van een eerlijk marktliberalisme, focusten op het corporatistische karakter van de totalitaire regimes, op hun afschaffing van de wettigheid, en op hun monopolistische aanspraken over de kennis van het sociale goed.[79]

            De Oostenrijkse econoom en politiek filosoof Friedrich Hayek schreef The road to serfdom. Hierin poneerde hij een nieuwe invalshoek waarin hij de economische planning aanduidt als de veroorzaker van het totalitarisme. Bernard Bruneteau stelt dat voor Hayek gold dat ‘planisme et totalitarisme seraient ni plus ni moins des notions synonymes’.[80] De verschijning van The road to serfdom deed een geanimeerd debat oplaaien.[81] Hoewel Hayek een nieuwe stelling lanceerde, merkt men toch dat hij het werk van Peter Drucker enigszins als voorbeeld beschouwde. In zijn inleiding wees Hayek al op een belangrijk punt waarmee volgens hem rekening moest gehouden worden in de zoektocht naar de oorzaken voor het totalitarisme: ‘… it would be a mistake to believe that the specific German rather than the socialist element produced totalitarianism. It was the prevalence of socialist views and not Prussianism that Germany had in common with Italy and Russia – and it was from the masses and not from the classes steeped in the Prussian tradition, and favoured by it, that National-Socialism arose.’[82] Hayek wees met beschuldigende vinger naar het socialisme, dat de weg plaveide voor de ‘slavernij’. Hij stelde dat we reeds in de negentiende eeuw gewaarschuwd werden door politieke denkers zoals Alexis de Tocqueville en Lord Acton die deze verbinding toen al maakten.[83] Hayek was een vurige pleitbezorger van de individuele en persoonlijke economische vrijheid. Hij was van oordeel dat centrale planning en de ontmanteling van de vrije markt onvermijdelijk tot het totalitarisme hebben geleid.

            In het geval van de Sovjet-Unie was dit duidelijk, maar ook voor Duitsland en Italië ging Hayek uit van deze these. Net als Drucker was hij van oordeel dat we niet moeten zoeken naar vroege fascistische karaktertrekken in het Duitse of Italiaanse verleden, maar naar sociale aspecten en maatregelen die werden genomen. Hayek maakte duidelijk dat de nazi’s en fascisten in Duitsland en Italië niets nieuws introduceerden, maar verder bouwden op het werk van de socialisten in beide landen: ‘In Germany and Italy the Nazis and Fascists did indeed not have much to invent. The usages of the new political movements which pervaded all aspects of life had in both countries already been introduced by the socialists’.[84] Het totalitarisme werd gezien als de ultieme verwijdering van het liberalisme, dat gestart werd door het