| Tienermagazines en genderidentiteit: een internationale vergelijking. (Krystle Van Overloop) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Elke woensdag haasten er zich in Vlaanderen 85.000 tienermeisjes naar de krantenwinkel om hun favoriete magazine, Joepie, te kopen. Ook in Wallonië, Nederland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk kennen tienermagazines een groot succes bij meisjes in de adolescentie. Uit onderzoek komt naar voor dat deze tienermagazines een invloed hebben op de identiteitsvorming bij pubermeisjes, meer bepaald op de genderidentiteit. Deze eindverhandeling gaat na hoe de genderidentiteit in tienermagazines geconstrueerd wordt en vergelijkt hierbij de best verkopende tienermagazines van Vlaanderen (Joepie), Wallonië (7Extra), Nederland (Fancy), Frankrijk (Starclub) en Groot-Brittannië (Top of the Pops). Zowel artikels over popmuziek als over mode, schoonheid en het persoonlijke leven zullen onderzocht worden, alsook de reclameboodschappen die de verschillende magazines verspreiden.
Deze eindverhandeling bestaat in totaal uit zes delen, waarvan de eerste drie delen bestaan uit een grondig literatuuronderzoek en de laatste drie over het onderzoek zelf gaan. De eerste drie delen behandelen achtereenvolgens het concept van de adolescentie, de subculturen en vriendschappen bij jongeren en het belang van tienermagazines voor vrouwelijke adolescenten. Het vierde deel betreft dan de methodologie van het onderzoek; hierin worden de steekproef en het analyse-instrument nauwkeurig beschreven. Vervolgens worden in het vijfde deel de resultaten van het onderzoek besproken en komen de verschillen tussen de magazines naar voor. Het laatste deel is tevens het algemeen besluit en zet de belangrijkste conclusies nog eens op een rijtje.
1. Jongens en meisjes in de adolescentie
1.1 Wat betekent de adolescentie
Aangezien tienermagazines een populair medium zijn tijdens de adolescentie van meisjes, sta ik in dit deel even stil bij de betekenis van deze levensfase. Het woord adolescentie wordt gebruikt om de periode tussen de kinderjaren en de volwassenheid aan te duiden. In deze periode voltrekt zich niet alleen een biologisch rijpingsproces, maar vinden ook een heleboel psychologische ontwikkelingen plaats (De Wit, Slot & van Aken, 2004, p. 11). De belangrijkste taak voor adolescenten is dat ze zich moeten losmaken van hun ouders en een eigen identiteit moeten ontwikkelen. Dit werken aan het ‘zelf’ zorgt meestal voor een verminderd zelfvertrouwen en intensere emoties (Larson, 1995, pp. 536-537). Ook moeten tieners leren omgaan met seksuele impulsen die tot dan toe niet gekend waren (Gerritzen, 2001, p. 1).
In onderstaande paragrafen leg ik eerst het onderscheid tussen adolescentie en puberteit, en tussen vroege, midden en late adolescentie uit. Daarna bespreek ik kort de kenmerken van de adolescentiefase en de gevoelens die hierbij komen kijken.
1.1.1 Onderscheid in adolescentie
De begrippen ‘puberteit’ en ‘adolescentie’ worden vaak door elkaar gebruikt, zonder dat men weet waarvoor ze precies staan. Volgens De Wit, Slot & van Aken (2004, pp. 12-14) staat puberteit voor de periode van ongeveer het twaalfde tot het zestiende levensjaar en wordt met deze term vooral verwezen naar de lichamelijke veranderingen die in deze periode gebeuren. We denken hierbij aan het proces van geslachtsrijp worden, waarvan lichaamsbeharing, maandstonden, puistjes en gewichtstoename de belangrijkste manifestaties vormen (Strasburger & Wilson, 2002, p. 16).
De term adolescentie daarentegen slaat op de ontwikkelingen met betrekking tot het functioneren van de persoon, op de fase waarin de opbouw van de persoonlijkheid plaatsvindt. Kort gezegd kan men stellen dat de term ‘puberteit’ slaat op de biologische veranderingen en de term ‘adolescentie’ op de psychologische veranderingen (De Wit, Slot & van Aken, 2004, pp. 13-14). Natuurlijk hangen deze beide soorten veranderingen nauw samen; zo houdt veel van de eigenheid van de adolescentie verband met de psychische aanpassing aan de fysieke en seksuele rijping. De driftontwikkeling die de puberteit met zich meebrengt heeft verschillende consequenties voor de psychologische staat van de adolescent (Bosma & Graafsma, 1982, p. 1).
Een ander onderscheid is de onderverdeling in vroege, midden en late adolescentie. In de vroege adolescentie zou de lichamelijke rijping, de psychoseksuele ontwikkeling en het proces van losmaking van de ouders op gang komen. Het experimenteren met diverse keuzemogelijkheden staat dan weer centraal in de middenadolescentie. Tenslotte beginnen jongeren in de late adolescentie verplichtingen aan te gaan met betrekking tot maatschappelijke positie en persoonlijke relaties (De Wit, Slot & van Aken, 2004, p. 12).
Het onderscheid tussen deze fasen is niet absoluut. Er zijn jongeren die al in de vroege adolescentie beginnen te experimenteren, terwijl anderen daar juist lang mee wachten. Het is bijgevolg moeilijk om elke periode van een leeftijdsaanduiding te voorzien omdat er grote individuele variatie bestaat onder de adolescenten. Onderstaande leeftijdsaanduidingen zijn dus slechts benaderingen. Praktisch gezien kan men stellen dat de adolescentieleeftijd zich uitstrekt van 10 tot 22 jaar, waarbij de vroege adolescentie tussen 10 en 13 jaar wordt geplaatst, de middenadolescentie tussen 14 en 18 jaar, en de late adolescentie tussen 19 en 22 jaar (De Wit, Slot & van Aken, 2004, p. 12).
1.1.2 Kenmerken en gevoelens in de adolescentie
Het meest cruciale kenmerk van de adolescentie is dat de jongere in deze levensfase op zoek moet gaan naar zijn eigen identiteit. Bij de overgang van kindertijd naar adolescentie verdwijnt al het vertrouwde en kan de adolescent zich niet meer spiegelen aan zijn ouders (Rogier, 1968, pp. 62-63). Tijdens de tienerjaren vragen zowel jongens als meisjes zich af wie ze zijn en waarin ze verschillen van hun ouders (Strasburger & Wilson, 2002, p. 14). Dat deze identiteitsvorming gepaard gaat met veel onzekerheid blijkt uit het onderzoek van Currie (1999, pp. 239-244). De geïnterviewde tienermeisjes herhaalden in dit onderzoek keer op keer hoe moeilijk het is om uit te zoeken ‘wie jij echt bent’ en om jezelf te zijn in het gezelschap van anderen.
Deze ‘anderen’ krijgen trouwens vanaf de adolescentie een grotere rol toebedeeld dan in de kindertijd. Vrienden (‘peers’) oefenen immers tijdens de adolescentie een grote invloed uit op het gedrag van elkaar. Tieners spenderen in vergelijking met kinderen veel meer tijd met vrienden en hechten veel waarde aan deze relaties. Nochtans zorgen vriendengroepen vaak voor slechte gedragingen zoals bijvoorbeeld roken, drugsgebruik en onbeschermde geslachtsgemeenschap (Strasburger & Wilson, 2002, pp. 15-16). Sociaal aanvaard worden door leeftijdsgenoten is van groot belang in het leven van een adolescent; dit leidt ertoe dat de meeste jongeren zich conformeren naar de algemene gedragingen van de groep. Om erbij te horen moet je je op een zekere manier gedragen, kleden of praten (Currie, 1999, pp. 242-243).
Een derde kenmerk van de adolescentie is het belang van het toekomstperspectief voor de zelfwaardering van adolescenten. De adolescentie is als fase zeer bepalend voor de volwassene die de jongere later zal worden. Een adolescent kijkt in principe twee kanten op: naar het kinderlijk verleden en naar de maatschappelijke toekomst. De gebeurtenissen tijdens deze levensfase en de wijze waarop de volwassen samenleving met haar tieners omgaat zijn van grote betekenis voor de persoonlijke toekomst van de tiener, en evenzeer voor de wijze waarop de samenleving gestalte zal krijgen. De maatschappelijke ontwikkeling van de adolescent heeft bijgevolg vele consequenties voor de toekomst, niet alleen van hemzelf maar tevens van de gehele samenleving (Bosma & Graafsma, 1982, pp. 4-5).
Deze kenmerken van de adolescentie gaan hand in hand met verscheidene nieuwe gevoelens voor de puber. Zo zijn adolescenten bijvoorbeeld meer gesteld op hun privacy en brengen ze meer tijd alleen door in hun slaapkamer. Deze tijd alleen wordt gebruikt voor zelfreflectie, emotionele ontlading en persoonlijke vernieuwing. Alleen zijn en nadenken blijkt een noodzakelijke activiteit in het licht van de identiteitsvorming tijdens de adolescentie (Larson, 1995, pp. 540-541). Adolescenten krijgen bovendien een grotere onafhankelijkheid van hun ouders en mogen meer activiteiten buitenshuis ontplooien. Hierdoor leren adolescenten om eigen beslissingen te maken en gaan ze experimenteren met verschillende gedragingen, hoewel ze hierbij vaak ongezonde risico’s nemen (Strasburger & Wilson, 2002, pp. 14-15).
Een ander gevoel dat vaak terugkomt is dat van de verveling. Adolescenten hebben dikwijls geen gestructureerde activiteiten na schooltijd en hangen dan gewoon maar wat rond, thuis of op straat. Het gebrek aan structuur kenmerkt hun dagelijks leven buiten de school. Dit leidt ertoe dat de meeste jongeren het sociale aspect van de tijd die ze op school spenderen ten zeerste appreciëren (Currie, 1999, pp. 238-239).
De belangrijkste verandering in verband met gevoelens blijft echter nog steeds de stijging van negatieve emoties gedurende de adolescentie. Uit onderzoek blijkt dat tieners zich vaker dan kinderen of volwassenen depressief of humeurig voelen. Volgens Larson (1995, pp. 538-539) is dit te wijten aan het feit dat een adolescent geen stabiel beeld van zichzelf heeft, en niet goed weet wie hij is. Ook wijst hij op de veranderde relatie met hun ouders; terwijl kinderen bij problemen hun ouders aanspreken, is dit bij adolescenten veel minder het geval. Hierdoor stijgt de spanning bij de adolescent en dit leidt tot verhoogde negatieve emoties. Andere onderzoekers stellen dat de stijging van negatieve gevoelens in de eerste plaats iets te maken heeft met het grotere aantal negatieve gebeurtenissen tijdens de adolescentie, zoals bijvoorbeeld problemen op school of met vrienden, of het uitdoven van een relatie. Negatieve gebeurtenissen komen meer voor in de puberteit dan in de kindertijd en tieners reageren hier bovendien nog heviger op dan kinderen (Berk, 2004, p. 350). Gerritzen (2001, p. 18) heeft dan weer vooral aandacht voor de schaamte die een adolescent kan voelen. Niet alleen moet de jongere zich losmaken van zijn ouders, hij(zij) moet ook leren omgaan met zijn(haar) veranderende en nog onbekende lichaam en met beginnende seksuele fantasieën. De puber begrijpt vaak zijn eigen seksuele fantasie en gevoel nog niet goed en voelt zich bijgevolg vreemd in zijn nieuwe lichaam, waarover heel wat controle verloren is gegaan. De fysieke veranderingen dragen dus eveneens bij aan een verhoging van de negatieve gevoelens tijdens de tienerjaren.
Het is niet verwonderlijk dat deze fysieke veranderingen tevens zorgen voor een verhoogde interesse in seksualiteit tijdens de adolescentie. De meeste tieners zijn vrij nieuwsgierig over het andere geslacht en zoeken bewust naar informatie over de seksuele normen en attitudes in hun cultuur (Rogier, 1968, p. 63). Dit verklaart bijvoorbeeld waarom tienermagazines zoveel ruimte spenderen aan seksualiteit en relaties (cfr. Deel 3). Daarenboven moet de adolescent zorgen dat zijn seksualiteit een geïntegreerd deel gaat uitmaken van zijn identiteit. Seks en voorplanting zijn in onze hedendaagse samenleving definitief ontkoppeld geraakt en het ontwikkelen van een volwassen, bevredigende seksualiteit is een opgave op zich geworden voor de adolescent. Nochtans vormt deze seksualiteit vaak een bron van angst en wanhoop, die het zelfvertrouwen van de jongere eerder schaadt dan baat (Gerritzen, 2001, pp. 3-4).
1.2 De ontwikkeling van een identiteit in de adolescentie
Uit het vorige onderdeel blijkt dat de ontwikkeling van een identiteit een cruciaal kenmerk is van de adolescentie. In dit onderdeel ga ik hier dieper op in en belicht hierbij verschillende aspecten van de identiteitsvorming. Ten eerste zal ik de identiteits-ontwikkeling in het algemeen bespreken, waarbij vooral aandacht zal worden gegeven aan de begripsbepaling en het eigenlijke proces van het vormen van identiteit. Ten tweede zal ik het specifiek hebben over genderidentiteit en genderrollen, en welk effect deze twee hebben op de identiteitsvorming bij tienermeisjes.
1.2.1 Identiteitsontwikkeling in het algemeen
In het proces van volwassen worden is het belangrijk dat de adolescent zijn eigen identiteit vindt. De jongere moet ontdekken wie hij is en hoe hij zich moet gedragen om te kunnen meespelen in de wereld van de volwassenen (Rogier, 1968, pp. 62-63). Tieners moeten een zeker gevoel van wie ze zijn ontdekken tijdens de adolescentie, zowel op seksueel, moreel als politiek vlak (Berk, 2004, p. 344).
Er is echter geen eenduidig antwoord op de vraag wat die ‘identiteit’ nu juist inhoudt. Het begrip ‘identiteit’ is door vele auteurs gedefinieerd, maar deze definities leggen telkens de klemtoon op verschillende aspecten van het begrip. Gemeenschappelijk is dat ze bijna allemaal verwijzen naar de identiteitstheorie van Erikson (1950, 1968); hij ziet identiteit als het ervaren van “selfsameness and continuity of one’s existence in time and space and the perception of the fact that others recognize one’s sameness and continuity”. De term identiteit betreft dus zowel het als persoon aan zichzelf gelijk blijven (“selfsameness and continuity”) en de waarneming als zodanig ook door anderen gezien te worden (Bosma & Graafsma, 1982, pp. 5-9). Eenvoudiger gesteld verwijst identiteit naar de kenmerken die een persoon een gevoel van eigenheid en continuïteit geven en die zorgen dat deze persoon één en dezelfde mens is in de ogen van anderen. ‘Identiteit’ heeft dus eveneens een sociale kant, die inhoudt dat bepaalde identiteitskenmerken door andere mensen worden toegekend aan iemand ongeacht of deze persoon dat nu wil of niet (De Wit, Slot & van Aken, 2004, pp. 126-127).
De adolescentie is een cruciale fase in het vormen van deze identiteit. De jongere moet dan immers een identiteit opbouwen die de link legt tussen wat hij was als kind en wat hij zal worden als volwassene. Tijdens de adolescentie dringen fysiologische, cognitieve en sociale ontwikkelingen aan op een vrij definitieve bepaling van identiteit. De tiener begint zich langzaamaan thuis te voelen in zijn lichaam en in zijn sociale omgeving en zo ontstaat naderhand een gevoel van identiteit (Bosma & Graafsma, 1982, pp. 5-6). De constructie van een identiteit houdt in dat de jongere aanvoelt wie hij is, wat hij waard is, en welke richting hij zal inslaan in het leven. Aan het verwerven van dit gevoel gaat een periode van exploreren en experimenteren vooraf waarbij de jongere verscheidene alternatieve identiteiten uitprobeert. Dit wordt door Erikson (1950, 1968) een ‘identiteitscrisis’ genoemd (Berk, 2004, pp. 382-383). Hierbij moet nog vermeld worden dat het gevoel van identiteit vaak onbewust is. Bovendien is het verworven gevoel van identiteit geen onveranderlijk gegeven; ook na de adolescentie kan de mens geconfronteerd worden met zaken die het tot dan toe opgebouwde identiteitsgevoel op de proef stellen en een aanpassing van de identiteit vereisen (Bosma & Graafsma, 1982, pp. 7-10).
Uit het onderzoek van De Wit, Slot en van Aken (2004, pp. 140-141) komt naar voor dat er verschillende manieren zijn waarop jongeren kunnen omgaan met identiteitsrelevante informatie. De eerste manier of stijl die ze beschrijven is informatie-georiënteerd, dit wil zeggen dat de jongeren op een actieve manier informatie exploreren en evalueren op grond waarvan ze identiteitskeuzes moeten maken. Een tweede stijl is de normatieve oriëntatie; hier laten adolescenten zich leiden door de verwachtingen en opvattingen van belangrijke mensen uit hun omgeving, zoals ouders of vrienden. Een laatste manier van omgaan met identiteitsrelevante informatie is diffuus en vermijdend, waarbij jongeren hun keuzes uitstellen, conflicten zoveel mogelijk proberen te vermijden en niet denken aan consequenties op lange termijn. Het is vooral bij deze laatste jongeren dat er vaak gedragsstoornissen worden waargenomen.
Bosma en Graafsma (1982, pp. 51-56) onderscheiden de groep adolescenten op een andere manier: zij ontwikkelden namelijk vier identiteitsstatussen van adolescenten naargelang crisis en binding, waarbij crisis verwijst naar een periode van keuzes maken en binding naar het blijven vasthouden aan een ingeslagen richting. Ze ontdekten op die manier de statussen ‘Identity Achievement’, ‘Moratorium’, ‘Foreclosure’ en ‘Identity Diffusion’. Personen in een ‘Identity Achievement’ hebben een periode van kiezen en beslissen doorgemaakt en kennen vele bindingen. Ze weten welke waarden en doelen ze in hun leven gaan nastreven. Adolescenten in een ‘Moratorium’ daarentegen bevinden zich op dit moment in een identiteitscrisis, in een proces van kiezen en beslissen. Hun bindingen zijn nog vrij vaag en niet specifiek. Een ‘Foreclosure’ staat voor jongeren die niet door een periode van kiezen en beslissen zijn gegaan (geen crisis), maar toch bindingen kennen. Ze hebben niet gekeken naar alternatieven, maar laten zich meestal leiden door autoriteitsfiguren uit de omgeving zoals hun ouders of leraars. Tenslotte is het bij adolescenten in een ‘Identity Diffusion’ cruciaal dat ze geen bindingen hebben en zich daar ook niet druk om lijken te maken. De statussen ‘Identity Achievement’ en ‘Moratorium’ worden door psychologen gezien als gezonde wegen richting een volwassen zelfdefiniëring, terwijl ‘Foreclosure’ en ‘Identity Diffusion’ gezien worden als onaangepast aan de volwassen maatschappij (Berk, 2004, pp. 384-385). De vier identiteitsstatussen kunnen gelinkt worden aan de drie stijlen van omgaan met identiteitsrelevante informatie. Zo worden tieners in de ‘Achievement’- en ‘Moratorium’-status gekenmerkt door een informatiegerichte oriëntatie en gebruiken personen in de ‘Foreclosure’-status vaker de normatieve stijl. De ‘Identity Diffusion’ gaat dan weer samen met een diffuse/vermijdende oriëntatie. Naarmate adolescenten ouder worden en naar een andere identiteitsstatus overgaan, bijvoorbeeld van ‘Diffusion’ naar ‘Achievement’, zullen ze van cognitieve stijl veranderen (De Wit, Slot & van Aken, 2004, pp. 140-141).
In het hele proces van identiteitsvorming treden er bij sommige adolescenten wel eens identiteitsproblemen op. Naast een gevoel van identiteit kan een adolescent ook last hebben van een gevoel van identiteitsverwarring. Dit gebeurt voornamelijk wanneer er een verschil bestaat tussen de adolescent en zijn omgeving met betrekking tot de beleving van continuïteit van de adolescent of wanneer er een verschil is tussen het identiteitsbesef en de eigen gewenste identiteit. Grote maatschappelijke veranderingen kunnen eveneens de opbouw van een eigen identiteit bemoeilijken. Erikson (1950, 1968) voerde in het licht van deze ontwikkelingen de term ‘negatieve identiteit’ in. Dit is de uitkomst van een proces van identiteitsontwikkeling, dat verstoord werd door persoonlijke omstandigheden, gezinscrises of maatschappelijke crises. Deze negatieve identiteit kan echter tijdelijk de bevrediging bieden die zozeer wordt gemist als gevolg van het beleven van een soort crisis. Een voorbeeld hiervan op grote schaal is de opkomst van het fascisme in Duitsland na de eerste wereldoorlog (Bosma & Graafsma, 1982, pp. 9-11).
1.2.2 Genderidentiteit en genderrollen
Meerdere bronnen verdedigen de stelling dat de mannelijke en vrouwelijke identiteitsontwikkeling van elkaar verschillen. Zo zouden opvattingen over gender, seks en seksuele oriëntatie een grotere rol spelen bij de identiteitsvorming van meisjes dan bij die van jongens. Daarnaast zijn de relaties met vrienden, intieme partners en ouders belangrijker voor vrouwelijke adolescenten dan voor mannelijke (De Wit, Slot & van Aken, 2004, pp. 139-140). Het ontwikkelen en handhaven van interpersoonlijke relaties is een thema dat al zeer jong in de hoofden van vrouwen rondspookt, maar dit komt het sterkst naar boven tijdens de adolescentie (Bosma & Graafsma, 1982, pp. 56-58). De verschillen tussen jongens en meisjes geven aanleiding tot het nader bekijken van de begrippen ‘genderrollen’ en ‘genderidentiteit’ en hoe deze al dan niet beïnvloed worden door interpersoonlijke relaties en/of de media.
Genderrollen schrijven voor hoe mannen of vrouwen zich in de hedendaagse samenleving en volgens de heersende cultuur zouden moeten gedragen. Een genderrol is dus dat wat binnen een bepaalde cultuur als ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’ wordt aanzien (De Wit, Slot & van Aken, 2004, p. 112). Meestal worden deze waarden van generatie op generatie doorgegeven en neemt elke persoon deze op in zijn zelfconcept. De impact van genderrollen en daarmee ook bepaalde stereotypen over vrouwelijkheid of mannelijkheid blijkt meer dan in andere levensfasen te stijgen tijdens de adolescentie (Alvarez-Marante, 2002, pp. 7-9).
Genderidentiteit is dan de mate waarin iemand zich man of vrouw, jongen of meisje voelt. Deze genderidentiteit reguleert het individuele gedrag en zorgt ervoor dat personen in een zelfde cultuur op een bepaalde manier handelen. Het is een component van de zelfidentiteit van een persoon en kan vrouwelijk, mannelijk of tweeslachtig zijn. De ontwikkeling van een genderidentiteit begint al in de kindertijd, waarbij kinderen van twee à drie jaar al zeer goed het geslacht kunnen aangeven van zichzelf en van anderen (Alvarez-Marante, 2002, pp. 9-10). Iets later weten kinderen reeds welk gedrag ‘mannelijk’ en welk gedrag ‘vrouwelijk’ is. Tijdens de kindertijd zien we eveneens sterke verschillen tussen jongens- en meisjesgroepen; zo zijn de onderlinge relaties van jongens hiërarchisch georganiseerd, competitief en gericht op dingen samen doen. Meisjes daarentegen willen vooral aardig gevonden worden, vertellen elkaar persoonlijke dingen en vormen in het algemeen meer intieme verbintenissen (De Wit, Slot & van Aken, 2004, pp. 112-113). In de vroege adolescentie zorgt de druk tot conformeren aan de groep voor een nog grotere internalisering van de stereotypische genderrollen. Tieners betrekken meer en meer traditionele stereotypes in hun genderidentiteit en gedragen zich daardoor consistent met de verwachtingen van de vriendengroep en van de maatschappij in het algemeen (Alvarez-Marante, 2002, pp. 10-11). Dit proces waarbij vroege adolescenten een meer traditionele genderidentiteit aannemen, wordt ook wel eens ‘gender intensification’ genoemd en dit zou sterker doorwerken bij meisjes dan bij jongens. Gelukkig zou het overnemen van de traditionele stereotypes van mannelijkheid en vrouwelijkheid beginnen dalen vanaf de middenadolescentie, al gebeurt dit niet bij iedereen in dezelfde mate (Berk, 2004, p. 394).
Bij het leren van de genderrol tijdens de puberteit oefenen relaties met het andere geslacht een belangrijke invloed uit. Jongeren praten onder elkaar regelmatig over verliefdheid en relaties en over welke jongens of meisjes leuk of mooi zijn. Deze gesprekken zijn vrijwel altijd heteroseksueel van aard. Met het ouder worden gaan relaties van adolescenten steeds langer duren en worden ze ook vaker ‘vast’ genoemd (De Wit, Slot & van Aken, 2004, pp. 116-117). Toch blijken deze relaties een andere betekenis te hebben voor meisjes dan voor jongens; meisjes zijn in het algemeen meer geïnteresseerd in de emotionele aspecten, terwijl jongens vooral kijken naar de lichamelijke/seksuele aspecten van een relatie. Een intieme romantische relatie vraagt dan ook meer toewijding van de jongen dan van het meisje. De meeste onderzoekers zijn het er unaniem over eens dat relaties en uitgaan met mensen van het andere geslacht een fundamenteel deel van het socialisatieproces zijn. Dit wil concreet zeggen dat een relatie en hoe men zich daar als jongen of meisje in moet gedragen bijdraagt aan de identiteitsvorming van adolescenten (Alvarez-Marante, 2002, pp. 17-19).
Ook de media kunnen bijdragen tot de constructie van een genderidentiteit. Eén van de belangrijkste redenen waarom adolescenten in de westerse wereld media gebruiken, is immers die van identiteitsvorming (Arnett, 1995, p. 519). Vele jongeren hebben moeite met het ‘tiener’ zijn en ze weten niet altijd hoe ze zich moeten gedragen. Daardoor halen ze bewust of onbewust hun identiteit uit de media, dus ook uit tienermagazines (Currie, 1999, pp. 237-245). De basisonderzoeksvraag van deze eindverhandeling slaat bijgevolg op de constructie van een genderidentiteit in tienermagazines. Ik ga hier dieper op in in het volgende onderdeel en in deel 3.
1.3 Het belang van de media voor adolescenten
Elke adolescent wordt in onze westerse wereld dagelijks geconfronteerd met verschillende media. Zo luisteren Amerikaanse jongeren in de late adolescentie per dag gemiddeld vier uur naar muziek en kijken ze gemiddeld twee uur naar de televisie. Drie vierde van de Amerikaanse tienermeisjes koopt regelmatig een tienermagazine zoals Seventeen of Sassy. Het is dus duidelijk dat de media een significant deel zijn van het dagelijkse leven van de huidige adolescenten (Arnett, 1995, pp. 519-520). Vele jongeren bezitten ook media op hun eigen kamer, zoals bijvoorbeeld een eigen televisie of een eigen computer. In de Verenigde Staten bezit twee derde van de kinderen tussen acht en achttien jaar oud een eigen televisie, die dan nog vaak verbonden is met een videorecorder (Brown, 2002, p. 42).
In dit onderdeel leg ik eerst uit op welke manier de media als bron van socialisatie kan gezien worden. Daarna sta ik even stil bij de belangrijkste redenen waarom adolescenten de media gebruiken. Hierbij zal vooral aandacht gegeven worden aan de rol van de media bij de identiteitsontwikkeling en als bron van informatie over seksualiteit.
1.3.1 De media als bron van socialisatie
Tijdens de adolescentie vermindert de invloed van de familie en de gemeenschap in het leven van de jongere. Ouders spenderen in de huidige maatschappij minder ‘quality time’ met hun kinderen naarmate deze de puberteit naderen en op die manier vermindert hun belang als socialisatiebron (Arnett, 1995, p. 520). Deze ontwikkelingen hebben natuurlijk te maken met het grote aantal scheidingen en de hoge economische druk in onze moderne samenleving, waardoor ouders minder met hun kinderen kunnen bezig zijn. Waar vroeger familie een zeer belangrijke bron van informatie was voor de jongere, wordt deze rol nu meer en meer overgenomen door de media (Van Broeck, 2000, pp. 11-12).
Arnett (1995, pp. 525-526) stelt dat er buiten de familie nog vijf andere bronnen van socialisatie zijn, namelijk de peergroep, de schoolcultuur, de media, het wettelijk systeem en het cultuur-/geloofssysteem. Verder maakt hij een onderscheid tussen ‘narrow socialization’ en ‘broad socialization’: ‘Narrow socialization’ moedigt alle leden aan om trouw te blijven aan de voorgeschreven overtuigingen, gedragingen en waarden van de familie en de gemeenschap. Dit is het tegengestelde van ‘broad socialization’, waarbij onafhankelijkheid en autonomie worden aangemoedigd (Strasburger & Wilson, 2002, p. 15). De media, die in onze westerse samenleving een centraal deel van onze cultuur uitmaken, neigen het meest naar de kant van ‘broad socialization’, zeker als er een algemene persvrijheid geldt. Door de verschillende kanalen en niches promoten de media in hun geheel een breed gamma aan waarden, overtuigingen en interesses. Hierin zit het verschil met andere socialisatiebronnen, die de adolescent vooral aansporen om hun houdingen, overtuigingen en waarden over te nemen. Bijgevolg heeft de adolescent meer controle over zijn socialisatie via de media dan deze via de andere bronnen. Een andere socialisatiebron waarbij de jongere zelf veel controle kan uitoefenen, is die van de vrienden (‘peers’). Zowel bij media als bij peers kunnen adolescenten vrij onafhankelijk beslissen, zonder rekening te moeten houden met hun ouders of andere volwassenen. Dit wil echter niet zeggen dat alle media tegengesteld zijn aan de principes van de volwassenengemeenschap of dat adolescenten niet al een zekere socialisatie via hun ouders hebben ondergaan; adolescenten zijn namelijk reeds gedeeltelijk gesocialiseerd door hun ouders en de cultuur wanneer ze naar de media komen (Arnett, 1995, pp. 525-527).
Het is belangrijk om hierbij nog te vermelden dat jongeren, net zoals volwassenen, actieve mediagebruikers zijn. Ze ondergaan dus niet passief de media, maar handelen doelbewust bij het selecteren en interpreteren van mediaproducten. Deze benadering noemt men de ‘Uses and Gratifications’ -benadering: Het gaat er hier niet om wat de media met de mensen doen, maar wat de mensen met de media doen (Arnett, 1995, pp. 520-521). Mensen verschillen in het gebruik dat ze maken van de media en zelfs als ze hetzelfde mediaproduct consumeren, kunnen ze daar verschillend op reageren. Jongeren kiezen zelf naar welke media ze kijken naargelang hun persoonlijkheid en behoeften. Ze zouden zelfs bewust die media uitzoeken die bijdragen tot hun identiteitsontwikkeling. We kunnen bijgevolg stellen dat media een vorm van zelf-socialisatie zijn tijdens de adolescentie (Arnett, Larson & Offer, 1995, pp. 513-514).
De keuze en de reacties op mediaproducten verschillen naargelang de leeftijd van de consument; zo kijken kinderen en volwassenen meer televisie dan adolescenten, maar luisteren adolescenten meer naar muziek dan welke leeftijdsgroep ook. Het onderzoek van Arnett, Larson en Offer (1995, pp. 515-516) toont aan dat tieners hun mediagebruik aanpassen aan hun veranderende behoeften die voortvloeien uit hun groei naar volwassenheid. Er komt bijvoorbeeld meer interesse in seksueel georiënteerde media naarmate ze ouder en seksueel rijper worden. Algemeen kan men zeggen dat adolescenten een meer dan gemiddelde voorkeur hebben voor media waarin genderrollen, seksualiteit en relaties aan bod komen (cfr. 1.3.2).
Op dit vlak bestaan er trouwens ook verschillen naargelang het geslacht van de adolescent, niet alleen met betrekking tot de mediakanalen, maar ook met betrekking tot de media-inhoud. Wat betreft mediakanalen zien we bijvoorbeeld dat meisjes meer informatie over seksualiteit halen uit tienermagazines, terwijl jongens meer leren van de televisie (Brown, Steele & Walsh-Childers, 2002, pp. 44-45). Jongens en meisjes verschillen eveneens in hun voorkeuren voor bepaalde media-inhoud. Zo houden vrouwelijke adolescenten gemiddeld meer van zachtere muziek en meer relatie-georiënteerde televisieprogramma’s, films en magazines. Jongens daarentegen hebben een voorkeur voor sportprogramma’s, zware rock- en rapmuziek, actiefilms en sportmagazines (Brown, 2002, p. 43).
1.3.2 Waarom adolescenten de media gebruiken
Arnett (1995, pp. 521-525) onderscheidt in zijn onderzoek vijf redenen waarom adolescenten de media gebruiken, namelijk entertainment, identiteitsvorming, hoge sensatie, omgaan met negatieve gevoelens en de identificatie met een jeugdcultuur. Natuurlijk zijn er nog andere redenen om de media te gebruiken, maar deze vijf zouden het meest voorkomen bij adolescenten, zowel bij jongens als bij meisjes.
Een eerste reden waarom adolescenten media gebruiken is die van de entertainment. Net zoals volwassenen zien jongeren de media als een aangenaam deel van hun vrije tijd. Zo wordt muziek als één van de eerste zaken genoemd als aan adolescenten wordt gevraagd wat hen blij maakt. Voor de meeste jongeren is het kijken naar videoclips op muziekkanalen een vorm van entertainment en ook televisie in het algemeen wordt gezien als verstrooiend en ontspannend (Arnett, 1995, pp. 521-522).
Ten tweede gebruiken tieners de media om hun eigen identiteit te construeren. Door in contact te komen met verschillende kanalen, kunnen ze meerdere mogelijke identiteiten van zichzelf verkennen en uiteindelijk een beslissing maken over wie ze nu echt zijn (Larson, 1995, pp. 547-548). Alhoewel dit proces zich eerder onbewust afspeelt in het hoofd van de jongere, herkennen we toch een mediagebruik waarbij ze specifiek op zoek gaan naar identiteitsrelevante informatie. Een belangrijk aspect van deze identiteitsontwikkeling is de genderidentiteit; adolescenten leren namelijk gedeeltelijk van de media wat het betekent om een man of een vrouw te zijn. Via muziek, films, televisie en magazines worden fysieke en psychologische kenmerken van mannen en vrouwen doorgegeven. Zowel jongens als meisjes zijn tijdens hun puberteit geïnteresseerd in die media die iets meer vertellen over gender, seksualiteit en relaties (Arnett, 1995, pp. 522-523). Vooral in tienermagazines voor meisjes zou de constructie van een genderidentiteit een impliciet thema zijn dat steeds terugkeert (cfr. Deel 3). In het licht van deze identiteitsvorming door de media ontwikkelden Brown en Steele (1995, pp. 554-571) trouwens het ‘Adolescents’ Media Practice model’ waarbij adolescenten actief media selecteren, er mee interageren en ze concreet gebruiken bij de vorming van hun eigen identiteit. De belangrijkste conclusie was dat het zelfconcept van adolescenten en hun idee van wie ze ooit zullen zijn een centrale rol speelt in het mediagebruik.
Ten derde gebruiken adolescenten de media om tegemoet te komen aan hun behoefte aan hoge sensatie. Jongeren zoeken veel meer naar sensatie dan volwassenen, en bepaalde media beantwoorden meer als andere aan deze nood. Zo bestaat het publiek voor actiefilms bijna uitsluitend uit mannelijke adolescenten, net omdat zij het meest van de gehele bevolking op zoek zijn naar sensatie. Een ander voorbeeld zijn de muzikale vormen rap en heavy metal die zeer populair zijn onder tienerjongens, eveneens omdat ze hier een hoge sensatie in terugvinden (Arnett, 1995, p. 523).
Een vierde reden waarom jongeren media gebruiken betreft het omgaan met negatieve emoties. Verscheidene studies tonen aan dat jongeren vaak muziek of televisie opzetten als ze boos, angstig of depressief zijn. In de vroege adolescentie, wanneer er een stijging waar te nemen is in het aantal problemen en conflicten thuis of op school, is er tevens een stijging in de tijd die men luistert naar muziek. Ook televisie wordt door adolescenten gebruikt als een manier om negatieve gevoelens te verminderen (Arnett, 1995, pp. 523-524).
Tenslotte zorgen de media ervoor dat de adolescent zich kan identificeren met een algemene jeugdcultuur. Mediaconsumptie geeft de indruk aan jongeren dat ze verbonden zijn met anderen die zich niet op dezelfde plaats bevinden. Hoewel de media jongeren over de gehele wereld met elkaar verbinden, zijn de volwassenen in de leefomgeving van de jongeren meestal niet vertrouwd met deze mediaproducten van de jeugdcultuur. De media worden ook vaak gebruikt om een subcultuur te ondersteunen die verschilt van andere jeugdsubculturen (Arnett, 1995, pp. 524-525). Meer informatie hierover wordt gegeven in deel 2 van deze eindverhandeling.
Een andere belangrijke reden waarom adolescenten media gebruiken heeft Arnett (1995) blijkbaar over het hoofd gezien, namelijk de media als bron van informatie over seksualiteit. Door hun hormonale en lichamelijke veranderingen krijgen adolescenten een verhoogde interesse in seksualiteit en hieruit volgt dat ze intensief op zoek gaan naar informatie hierover in de media (Strasburger & Wilson, 2002, p. 16). De meeste adolescenten zeggen dat ze eerst informatie over seksualiteit aan hun ouders en vrienden zouden vragen, en zich dan zouden wenden tot de media. Meer dan de helft van leerlingen uit de middelbare school beweren dat ze alles geleerd hebben over anticonceptiemiddelen via de televisie of magazines (Brown, 2002, pp. 42-43). Ook het internet wordt gebruikt om bij te leren over seks, al gebeurt dit meer bij jongens dan bij meisjes (Brown, Steele & Walsh-Childers, 2002, pp. 44-45).
De media lijken tegemoet te komen aan deze behoefte bij adolescenten door meer en meer inhoud te tonen die te maken heeft met seksualiteit. Recente inhoudsanalyses van de Amerikaanse televisie vonden dat 75 % van de televisieshows in primetime seksuele inhoud bevatten. Films en sitcoms zouden hierbij het meest seksuele inhoud tonen. Een andere inhoudsanalyse beweert dat er op televisie ongeveer drie seksuele verwijzingen per uur voorkomen, meestal tongzoenen of geslachts-gemeenschap. We kunnen bijgevolg stellen dat de mediawereld een evolutie kent naar meer frequente en explicietere seksualiteit (Strasburger & Wilson, 2002, pp. 146-148).
Het probleem hierbij is echter dat de media zelden de juiste, beschermde vorm van seksualiteit tonen. Meestal wordt er geen gewag gemaakt van anticonceptie-middelen of de gevolgen van geslachtsgemeenschap. Zaken zoals ongewilde zwangerschap, AIDS of abortus worden bijvoorbeeld bijna nooit besproken op de televisie (Brown, 2002, p. 42). Seks in de media wordt gezien als een manier om de tijd te verdrijven, als een kortstondig, plezant ogenblik met weinig of geen consequenties. Partners worden afgebeeld als spontaan en gepassioneerd, meestal zonder met elkaar een vaste relatie te hebben (Berk, 2004, p. 354). In soaps wordt getoond dat volwassenen geen anticonceptiemiddelen gebruiken en dat seks niet gepland is maar een moment waarin ze zich laten meeslepen. Op die manier krijgen tieners, vooral meisjes, slecht advies over seksualiteit wat kan leiden tot tienerzwangerschappen of tot het oplopen van een seksueel overdraagbare aandoening (Strasburger & Wilson, 2002, pp. 164-166).
2. Subculturen en vriendschappen bij jongeren
Het tweede deel van deze eindverhandeling handelt over subculturen en vriendschappen bij jongeren. Eerst schets ik de ontwikkeling van de verschillende jeugdsubculturen sinds het einde van de tweede Wereldoorlog en de sociale identiteit die men kan halen uit een subcultuur. Daarna zal ik het uitgebreid hebben over de invloed van peers en vriendschappen tijdens de adolescentie. Tenslotte volgt er een deel dat meer specifiek gaat over subculturen bij tienermeisjes, waarbij vooral de slaapkamercultuur en de teenybop-cultuur zullen belicht worden.
2.1 De opkomst en ontwikkeling van jeugdsubculturen
2.1.1 Jeugdsubculturen vanaf 1950
Jeugdsubculturen hebben doorheen de tijd steeds veel aandacht getrokken, zowel van de academische wereld als van de media. Dit komt onder meer omdat leden van een subcultuur zich meestal vrij opvallend kleden en deelnemen aan ongewone activiteiten. Bovendien worden subculturen in de media vaak geassocieerd met negatieve zaken. In de academische wereld worden ze gezien als een teken van evolutie van de samenleving; jeugdculturen worden dan niet alleen geïnterpreteerd als een product van sociale verandering, maar ook als barometer van toekomstige veranderingen (Widdicombe & Wooffitt, 1995, p. 7).
Hoewel er al een culturele relatie bestond tussen jeugd, muziek en kledingstijl voor de tweede Wereldoorlog, werden muziek- en stijlgedreven jeugdsubculturen pas echt wijdverspreid toen de jeugd werd gezien als een aparte consumentengroep. Dit gebeurde pas na de tweede Wereldoorlog en was het directe gevolg van de toenmalige sociaal-economische en demografische veranderingen. Het is namelijk pas na 1945 dat de massaproductie ontstond en dat vele luxegoederen betaalbaar werden voor de arbeidersklasse. Consumentisme werd op die manier een levensstijl, niet alleen meer voor de middenklasse zoals voor de oorlog, maar voor alle secties van de maatschappij. Tegelijkertijd zorgde de baby boom ervoor dat er in de jaren ’50 en ’60 veel meer jeugd was dan voorheen. Deze jeugd kreeg door de betere economische toestand meer geld van hun ouders en het duurde niet lang voor bedrijven beseften dat jonge mensen een zeer lucratieve markt waren. Vanaf dan werden er producten ontworpen speciaal voor tieners, zoals bijvoorbeeld cosmetica, platenspelers en transistorradio’s. Door deze producten konden jongeren een eigen lifestyle en vrijetijdsbesteding creëren, onafhankelijk van die van hun ouders. Centraal in deze nieuwe jeugdculturen waren items zoals kledij, magazines en muziek. Muziek kon in massa geproduceerd worden door nieuwe technologische ontwikkelingen zoals de cassette en de speelplaat in plastiek. De nieuwe (rock ‘n’ roll) muziek werd bijna onmiddellijk populair onder adolescenten (Bennett, 2001, pp. 7-11).
De eerste naoorlogse jeugdsubcultuur was die van de ‘teddy boys’ in het begin van de jaren ‘50. Deze mannelijke subcultuur bestond uit jongeren uit de arbeidersklasse. Hun voorkomen was elegant en bestond uit een stijlvol vest, lederen schoenen en een haarlok die met behulp van gel over het voorhoofd werd gekamd. Ze hadden de reputatie agressief te zijn en in het bezit te zijn van scherpe messen en andere wapens (Widdicombe & Wooffitt, 1995, p. 8). Ze luisterden voornamelijk naar rock ‘n’ roll-muziek, met als belangrijkste idool Elvis Presley. In deze muziek werd seksualiteit gezien in een context van liefde en huwelijk, iets wat in latere subculturen drastisch zal veranderen (Frith, 1981, pp. 238-239). Elvis Presley wordt algemeen gezien als het eerste tieneridool ooit. Zijn stoer imago en zijn spectaculaire optredens zorgden ervoor dat vele mannelijke tieners naar hem opkeken. Tegelijkertijd was hij tevens het idool van vele tienermeisjes, niet alleen omwille van zijn uiterlijk en sensuele danspassen maar ook omwille van zijn teksten die vaak handelden over liefde en relaties (Bennett, 2001, pp. 13-14).
De jaren ’60 van de vorige eeuw kenden meerdere jeugdsubculturen, namelijk de ‘mods’, de ‘rockers’ en de ‘skinheads’. De mods kwamen van de lagere middenklasse en waren subtiel in hun uiterlijk; ze droegen conservatieve kleding met smalle broeken en hun haar was meestal kort. Ze werden geassocieerd met snelheid door hun gebruik van amfetamines en ze luisterden naar Ska of West-Indische popmuziek met enkele commerciële uitlopers zoals The Who en Rod Stewart. De rockers daarentegen luisterden naar rock ‘n’ roll, net zoals de teddy boys vroeger. Rockers waren meestal slecht betaalde, ongeschoolde arbeiders met als handelsmerk een zwart lederen vest, laarzen en een gebleekte jeans. Sommigen van hen waren in het bezit van een motor, waardoor ze soms ook ‘bikers’ genoemd werden. Hun imago was gewelddadig, grof, anti-huiselijk, anti-gezag en seksistisch; de motor werd gezien als een symbool van vrijheid, heerschappij en intimidatie. Tegen het einde van de jaren ’60 kwamen de skinheads op. Ook zij waren slecht betaalde arbeiders en stonden bekend omwille van hun gewelddadig gedrag. Hun voorkomen bestond uit grote, industriële laarzen, opgerolde jeans en kettingen en ze lieten hun haar afscheren. Ze waren tegen homoseksualiteit en tegen vreemdelingen en deden dikwijls aan voetbal-hooliganisme (Widdicombe & Wooffitt, 1995, pp. 9-11). De jeugdcultuur van de jaren ’60 was in het algemeen meer rebels dan die van de jaren ’50, zeker op het vlak van seksualiteit. De drie subculturen zetten zich allen af tegen de traditionele ideologie van liefde en huwelijk van de jaren ’50. In plaats daarvan werd seks op zich benadrukt, als een vorm van spontaneïteit en vrije expressie. Seks werd het beste buiten de sfeer van het huwelijk ervaren en werd langzaamaan gewoon een manier om je vrije tijd te besteden, een ervaring die geconsumeerd kon worden. Op dit vlak waren er echter wel verschillen tussen de geslachten; mannen werden gezien als de seksuele consumenten, maar vrouwen als de seksuele goederen die altijd beschikbaar moesten zijn. Vrouwen waren het object van de behoeften en fantasieën van mannen en zaten dus eigenlijk in een onderworpen positie (Frith, 1981, pp. 239-242).
De jaren ’70 werden gekenmerkt door meerdere jeugdsubculturen, waarvan de punk en de disco het meest zichtbaar waren in de samenleving. Punks droegen gescheurde kledij met veiligheidsspelden en waren bekend om het zelf ‘samenknutselen’ van hun eigen outfit. Hun haar was meestal geverfd in ongewone, felle kleuren. Punkmuziek was een reactie tegen de overdreven aanbidding van popsterren, complexe elektronische muziek en de scheiding tussen artiest en publiek. Ze beschreven zichzelf als anti-sociaal, rebellerend tegen alle maatschappelijke instituties en anarchistisch (Widdicombe & Wooffitt, 1995, pp. 11-12). Leden van de punksubcultuur weigerden seksualiteit te zien als een consumptieproduct, maar ontkenden tegelijkertijd dat seksualiteit enige significantie had. Vrouwen werden gezien als subjecten in plaats van objecten en kregen de kans deel te nemen aan de subcultuur; zo kwamen er vrouwelijke artiesten die zorgden voor nieuwe ideeën over seksualiteit (Frith, 1981, pp. 243-244). Een andere jeugdcultuur in de jaren ’70 die voor het grootste deel gebaseerd was op muziek was die van de disco. In deze subcultuur vervulde de dansvloer een centrale rol als context voor seksuele expressie. Disco was een vorm van vrijetijdsbesteding die de nadruk legde op plezier en lichamelijke sensatie, waarbij zowel jongens als meisjes konden participeren. De grenzen van de traditionele heteroseksualiteit werden in deze subcultuur voor het eerst overtreden en liefde en seks konden vanaf nu bestaan zonder het conventionele onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk (Frith, 1981, pp. 244-248).
Vanaf de jaren ’80 waren er nog wel jeugdsubculturen in onze samenleving, maar deze waren minder opvallend dan die in de voorafgaande decennia. Zo kwamen in de vroege jaren ’80 de rustige ‘New Romantics’ op. Zij luisterden naar groepen zoals Spandau Ballet en Simple Minds en probeerden zo uniek mogelijk te zijn in hun uiterlijk. Ze werden vaak bekritiseerd omdat ze enkel aandacht hadden voor zichzelf en niet voor maatschappelijke zaken. De New Romantics stonden in fel contrast met de subculturen van heavy metal en van de gothics. Leden van de heavy metal -subcultuur droegen meestal kledij in denimstof en hun haar was lang en wild. Typische muziekgroepen waren AC/DC, Black Sabbath en Iron Maiden. Gothics daarentegen hadden een voorkeur voor groepen zoals The Mission en Sisters of Mercy en waren meestal in het zwart gekleed. Hun interesse ging uit naar de donkere kant van het leven, met bijzondere aandacht voor de dood, grafstenen en vampieren. Tenslotte verscheen in de jaren ’80 de subcultuur ‘Acid House’, waarbij er vooral ongerustheid was over het gebruik van de harddrugs XTC en LSD. Deze zouden onvermijdelijk leiden tot seksuele orgieën, wat zorgde voor grote maatschappelijke discussie (Widdicombe & Wooffitt,1995, pp. 13-14).
Hoewel de meeste jeugdsubculturen over de hele wereld voorkomen, worden er andere accenten gelegd naargelang het land van productie. Zo werd de rock ‘n’ roll- muziek in Nederland in de jaren ’50 gedomineerd door Indobands, groepen die bestonden uit Indonesische immigranten. Ook de toenmalige USSR had een eigen rock ‘n’ roll- subcultuur, maar dan met Russische idolen in plaats van Amerikaanse (Bennett, 2001, pp. 16-17). O’Connor (2004, pp. 413-414) bespreekt in dit verband de verschillen tussen de punksubculturen in verscheidene landen. Hij heeft hierbij vooral aandacht voor de manier waarop de sociale structuur, de algemene cultuur en de economische situatie van een land doorwerkt op de jeugdsubcultuur. Men moet er tevens rekening mee houden dat om werkelijk globaal te zijn de teksten in het Engels moeten opgesteld zijn, wat niet altijd even evident is.
2.1.2 Jeugdsubculturen en sociale identiteit
Jeugdsubculturen worden door verscheidene onderzoekers geïnterpreteerd als sociale groepen, dit wil zeggen dat de leden ervan een reeks culturele waarden en eigenschappen met elkaar delen die hen onderscheiden van buitenstaanders. Subculturen zouden in dit geval dan bijdragen tot de constructie van een identiteit, een cruciale taak in de adolescentie. Deze identiteit wordt dan een ‘sociale identiteit’ genoemd en hangt af van het al dan niet beseffen dat men behoort tot een groep en de emotionele waarde die men daar aan hecht. Een sociale groep is dan een verzameling personen die een zelfde sociale identiteit delen en die door anderen gezien worden als een groep (Widdicombe & Wooffitt, 1995, pp. 214-216).
Het is algemeen geweten dat jongeren tijdens de adolescentie op zoek zijn naar een betekenisvolle identiteit (cfr. Deel 1). Lid zijn van een groep of een subcultuur kan hierbij helpen aangezien een sociale of subculturele identiteit deel kan uitmaken van iemand zijn zelfconcept. Het gevaar bestaat er echter in dat de sociale identiteit een verlies van persoonlijke identiteit kan betekenen; sociale identiteit kan er namelijk voor zorgen dat individuen zich nog enkel als groepsleden zien en daardoor zichzelf waarnemen als vervangbare exemplaren van een sociale categorie. Zulke individuen doen aan zelf-stereotypering en depersonalisering en dit kan een bedreiging vormen voor de eigen integriteit. Het is dus niet onverwijld positief als een adolescent behoort tot een vriendengroep of een subcultuur; niet alleen kunnen peers een negatieve invloed hebben op het gedrag van een jongere, ze kunnen ook zorgen voor nog meer verwarring in het proces van identiteitsontwikkeling. In onderdeel 2.2 ga ik hier dieper op in (Widdicombe & Wooffitt, 1995, pp. 210-213).
Bij de opkomst van jeugdsubculturen vanaf de jaren ’50 van de 20e eeuw werd vaak beargumenteerd dat dit veel te maken had met de sociale klasse van de jongere. Het idee hierachter was dat adolescenten die het niet goed deden op school of op de arbeidsmarkt subculturen zouden creëren waarin ze hun eigen waarden en normen zouden stellen waaraan ze wél zouden kunnen voldoen. Jongeren uit een lagere klasse zouden zo hun eigen kleine maatschappij scheppen waarin ze status konden verwerven door bijvoorbeeld te roken of stoer te doen. De punksubcultuur van de jaren ’70 zou in dat geval een subcultuur van de arbeidersklasse zijn. Na onderzoek bleek echter dat een heel aantal punkgroepen bestonden uit studenten die afkomstig waren van de middenklasse. De relatie tussen sociale klasse en jeugdsubcultuur is bijgevolg complexer dan gedacht (O’Connor, 2004, pp. 409-410).
O’Connor (2004, pp. 410-412) citeert in het licht van deze complexe relatie Bourdieu (1984) en zijn begrip van de ‘habitus’. Bourdieu (1984) stelt immers dat elk individu komt van een bepaalde familiale achtergrond en bepaalde opleiding en dan de mogelijkheid heeft om keuzes te maken. Hoewel deze keuzes individueel zijn, spelen je achtergrond, je opleiding en de sociale steun die je krijgt hier een belangrijke rol in. Dit geheel aan achtergrond, genoten opleiding en sociale steun noemt Bourdieu (1984) de ‘habitus’ of het ‘cultureel kapitaal’. Deze habitus is verschillend naargelang de sociale klasse en de belangrijkste factoren hierin zijn de opleiding en het beroep van de ouders. Volgens deze theorie kan men de punksubcultuur van de jaren ’70 opdelen in vier domeinen, waarbij men de verschillende punkgroepen in één van deze vier domeinen plaatst naargelang hun habitus. Dit kan gedaan worden voor elke subcultuur en er is bijgevolg geen enkele jeugdsubcultuur die uitsluitend bestaat uit jongeren uit één bepaalde sociale klasse (O’Connor, 2004, pp. 410-412).
2.2 De invloed van peers tijdens de adolescentie
Tijdens de adolescentie spenderen kinderen minder tijd met hun familie en ouders en meer tijd met hun vrienden (‘peers’). Nieuwe ervaringen worden gedeeld met peers en in de peergroep worden nieuwe sociale patronen aangeleerd. De relaties met peers kunnen variëren van losse contacten over intieme vriendschappen tot grote vriendengroepen (Magnusson & Stattin, 1990, p. 130). Vriendschappen nemen een belangrijke plaats in gedurende de adolescentie en hebben grote gevolgen voor de emotionele en sociale ontwikkeling van de jongere. Tieners leren door hun relaties met peers namelijk vaardigheden aan die ze niet zouden kunnen leren via de relatie met hun ouders. Dit komt omdat er bij peerrelaties een gevoel van gelijkwaardigheid bestaat waarbij jongeren nadenken over elkaars ideeën en zo samen een begrijpelijk beeld van de wereld construeren. Op die manier wordt in samenspraak betekenis gegeven en leren jongeren hun eigen normen creëren. Dit in tegenstelling tot ouders, die meestal eisen dat het kind zich zonder vragen te stellen neerlegt bij hun normen en waarden (Nathanson, 2001, pp. 251-254). Dit betekent echter niet dat ouders tijdens de puberteit van hun kind helemaal niets meer te zeggen hebben. Ouders en peers hebben invloed op andere normen en waarden; zo hebben ouders meer impact op de basiswaarden en carrièreplannen van hun kinderen, terwijl vrienden vooral invloed uitoefenen op triviale zaken op korte termijn zoals kledij, muziek en keuze van vrienden (Berk, 2004, pp. 399-400).
In de volgende paragrafen besteed ik aandacht aan de verschillende soorten invloeden die peers kunnen uitoefenen. Eerst bespreek ik de kenmerken en de invloed van vrienden en vriendengroepen en de verschillen die hierbij bestaan tussen jongens en meisjes. Daarna zal ik het uitgebreid hebben over de druk die peers op elkaar leggen met betrekking tot het uiterlijk en seksualiteit. Tenslotte bespreek ik de invloed van peers op het mediagebruik.
2.2.1 Vrienden en vriendengroepen
Alvorens ik het specifiek heb over vrienden en vriendengroepen, is het cruciaal om even stil te staan bij de verschillen tussen jongens en meisjes met betrekking tot vriendschap. Uit meerdere bronnen komt naar voren dat jongens zich meestal in groep organiseren, terwijl meisjes vaker één hartsvriendin hebben waar ze alles tegen kunnen zeggen. Meisjes zouden vrij egalitair met elkaar omgaan, in tegenstelling tot jongensgroepen die een duidelijke machtsstructuur kennen en hiërarchisch zijn opgebouwd. Bovendien zouden meisjes meer intimiteit ervaren in hun vriendschapsrelaties dan jongens (de Waal, 1989, pp. 26-28). Meisjes komen samen om gewoon wat te praten, terwijl jongens vaker activiteiten samen doen zoals sportbeoefening of spelen met videospelletjes. In een gesprek zullen jongens meestal hun eigen prestaties of die van hun vrienden benadrukken. Meisjes daarentegen wisselen vooral hun innerlijke gevoelens en gedachten met elkaar uit (Berk, 2004, p. 397).
Een vriendschap is een speciaal soort relatie tussen twee mensen die elkaar graag mogen en die zichzelf als gelijke beschouwen wat betreft gevoelens en oriëntatie. Vriendschappen spelen tijdens de adolescentie een grote rol bij het leren van verscheidene sociale vaardigheden, zoals het hanteren van conflicten, het reguleren van agressie en het onder woorden brengen van meningen en opvattingen (De Wit, Slot & van Aken, 2004, pp. 94-95). De meeste adolescenten zijn het gelukkigst wanneer ze in het gezelschap van hun vrienden zijn. Nochtans neemt het aantal beste vrienden af van ongeveer vier à vijf in de vroege adolescentie tot maar één of twee bij het begin van de volwassenheid (Berk, 2004, p. 396).
Het belangrijkste kenmerk van een vriendschap in de adolescentie is de intimiteit. Jongeren zoeken bij elkaar naar vertrouwen en wederzijds begrip zodat ze hun private gedachten en gevoelens met elkaar kunnen delen, ook wel ‘self-disclosure’ genoemd. Zoals reeds gezegd hebben meisjes vaker een intieme vriendschapsrelatie dan jongens. Vrienden moeten tevens loyaal zijn, dit wil zeggen dat ze voor elkaar moeten opkomen (Berk, 2004, pp. 396-397). Bovendien wordt het hebben van beste vrienden door adolescenten als iets sociaal wenselijks gezien en dit kan leiden tot een hogere zelfwaardering en betere sociale vaardigheden. Uit onderzoek blijkt dat jongeren met vrienden sociaal competenter zijn en psychologisch gezien gezonder dan jongeren zonder vrienden (De Wit, Slot & van Aken, 2004, pp. 96-97).
Deze vrienden blijken trouwens vaak op elkaar te gelijken op het vlak van identiteitsstatus, schoolgerelateerde attituden, politieke opvattingen en intellect. Ook zijn er grote overeenkomsten wat betreft het drinken van alcohol, het gebruiken van drugs en seksuele gedragingen (De Wit, Slot & van Aken, 2004, p. 97). Desondanks geraken tieners soms bevriend met anderen die er verschillende attitudes en waarden op nahouden. Op die manier kunnen ze nieuwe perspectieven verkennen binnen de veiligheid van een vriendschap. Dit proces gebeurt echter vooral in de late adolescentie, als er een verhoogde gevoeligheid ontstaat voor de noden en verlangens van de andere (Berk, 2004, p. 397).
Vriendschappen hebben meerdere voordelen voor de ontwikkeling van de adolescent. Zo zorgen intieme vriendschappen in de eerste plaats ervoor dat de jongere leert om anderen te begrijpen; via open en eerlijke communicatie wordt hij bewust van de sterktes en zwaktes van de andere en leert hij hoe hij een affectieve band met iemand anders moet onderhouden (Berk, 2004, pp. 397-398). Ten tweede leren adolescenten door middel van vriendschappen hun emoties te uiten en te reguleren en deze emoties om te zetten in gedragingen. Op die manier vormen vriendschappen een fundament voor latere romantische relaties (De Wit, Slot & van Aken, 2004, p. 98). Tenslotte kunnen vrienden elkaar helpen in het omgaan met de spanningen en onzekerheden die naar boven komen tijdens de adolescentie (Berk, 2004, p. 398).
Er zijn echter ook negatieve invloeden van vriendschap. Doordat vriendschappen in de adolescentie veelal gebaseerd zijn op self-disclosure kunnen er immers gevoelens van onzekerheid en afhankelijkheid ontstaan. Deze berusten dan op de angst dat de ander niet zorgvuldig zal omgaan met de gegeven persoonlijke informatie. Meisjes zouden meer last hebben van zulke negatieve gevoelens, omdat zij in het algemeen meer self-disclosure vertonen dan jongens. Een andere mogelijke negatieve invloed kan uitgaan van delinquente vrienden; zij zullen de ontwikkeling van afwijkend gedrag bevorderen en het gebruik van alcohol, sigaretten of drugs stimuleren (De Wit, Slot & van Aken, 2004, pp. 98-99).
Vriendschappen zijn geen geïsoleerde relaties, maar zijn ingebed in een netwerk van andere sociale relaties met leeftijdsgenoten of peers. Dit geheel aan relaties met peers noemen we een ‘vriendengroep’. Binnen vriendengroepen zijn de relaties gebaseerd op het principe van wederkerigheid en samenwerking tussen gelijkwaardige individuen. Elke vriendengroep kan opgevat worden als een sociaal systeem met duidelijke grenzen. Wat wel of niet geaccepteerd wordt binnen een bepaalde groep wordt dan bijvoorbeeld duidelijk gemaakt via afwijzende opmerkingen of bewonderende woorden. In de meeste groepen bestaat er een zekere hiërarchie, waarbij jongeren met een hogere status centraler staan terwijl anderen zich meer in de periferie van de groep bevinden (De Wit, Slot & van Aken, 2004, pp. 99-100).
De invloed van vriendengroepen op het individuele gedrag van een jongere is van twee factoren afhankelijk, namelijk in de eerste plaats van de normen en waarden die binnen de groep worden gehanteerd en in de tweede plaats van de mate waarin de jongere zichzelf identificeert met de groep. Vriendengroepen hebben in het algemeen een positieve invloed, aangezien ze de sociale context bij uitstek vormen waarbinnen adolescenten intieme vriendschappen kunnen opbouwen en een identiteit en zelfbeeld kunnen ontwikkelen. Ook leren adolescenten via hun vriendengroep een standpunt innemen ten opzichte van de maatschappij en haar normen en waarden. Naarmate de jongere zich sterker identificeert met de groep speelt de vriendengroep een belangrijkere rol in de ontwikkeling van een eigen sociale identiteit. Soms hebben vriendengroepen echter ook een negatieve invloed; dit is vooral het geval bij groepen die sociaal afwijkend gedrag aanmoedigen en aanzetten tot risicovolle activiteiten (De Wit, Slot & van Aken, 2004, pp. 100-101).
Adolescenten hoeven overigens niet altijd deel uit te maken van een vriendengroep om er door te worden beïnvloed; als jongeren absoluut tot een vriendengroep willen behoren, kunnen ze geneigd zijn bepaald gedrag dat gangbaar is in die groep over te nemen. Lid zijn van een vriendengroep kan zo belangrijk zijn voor de zelfwaardering van een adolescent dat deze alles zou doen om erbij te horen, inclusief roken en gewelddadig gedrag. Deze neiging tot conformisme aan het gedrag van de gewenste vriendengroep heeft vaak een groter effect op het individuele gedrag van een jongere dan het daadwerkelijk behoren tot die vriendengroep (De Wit, Slot & van Aken, 2004, p. 101).
Binnen een vriendengroep bestaan er verschillende soorten vriendschappen; sommigen zijn elkaars beste vriend, anderen zijn goede vrienden van elkaar en nog anderen kennen elkaar slechts oppervlakkig. Meestal zitten beste vrienden met elkaar in dezelfde vriendengroep. De meeste literatuur toont aan dat de vriendengroep op zich minder invloed heeft dan vaak wordt aangenomen en dat de invloed van de beste vriend groter is dan men zou denken (De Wit, Slot & van Aken, 2004, pp. 100-102).
Tijdens de adolescentie nemen de toenaderingen tussen meisjes en jongens alleen maar toe en ontstaan de allereerste liefdesrelaties met iemand van het andere geslacht. De leeftijd waarop er voor het eerst een romantische relatie wordt aangegaan hangt af van de lichamelijke en seksuele rijping van beide partners (Magnusson & Stattin, 1990, pp. 134-135). Vóór dat er koppels gevormd worden, leren tieners in de vroege adolescentie omgaan met het andere geslacht via vriendengroepen. Deze vriendengroepen doen vaak activiteiten samen en zo kunnen jongens en meisjes elkaar beter leren kennen. In onze westerse samenleving hebben tieners over het algemeen al vrij jong hun eerste liefdesrelatie, al is dit vooral om status te verkrijgen bij de andere peers. Deze relaties zijn meestal kortstondig en duren vaak niet langer dan enkele weken. Tegen de late adolescentie zoeken jongeren meer naar een vaste partner die bij voorkeur dezelfde interesses en ambities heeft als henzelf (Berk, 2004, pp. 398-399).
Dat het andere geslacht een invloed heeft op de gedragingen en handelingen van jongeren blijkt duidelijk uit de verhoogde aandacht die meisjes aan hun uiterlijk spenderen vanaf het begin van de puberteit. Tienermeisjes blijken zeer hard bezig te zijn met hun eigen voorkomen en vragen zich regelmatig af wat leeftijdsgenoten, in het bijzonder jongens, van hen denken. In de volgende paragraaf ga ik hier uitgebreider op in.
2.2.2 Peers, uiterlijk en seksualiteit
Het fysieke uiterlijk speelt meer dan in andere levensfasen een belangrijke rol tijdens de adolescentie. Vooral tienermeisjes brengen veel tijd door met het verbeteren van hun eigen uiterlijk en kledij om zo de perfecte look te bereiken (Magnusson & Stattin, 1990, pp. 100-101). Meisjes leren al vroeg van hun ouders dat een aantrekkelijk uiterlijk onontbeerlijk is als je een meisje bent. Tijdens de puberteit krijgen ze gemakkelijker reacties op hun uiterlijk en geven ouders meer geld uit opdat hun dochter er goed uit zou zien. Ook tienermagazines laten meisjes duidelijk merken dat hun fysieke verschijning belangrijk is; in elk nummer staat er wel iets over make-up technieken, haardrachten of kledingcombinaties (de Waal, 1989, pp. 109-110).
Bij deze verhoogde aandacht voor het eigen uiterlijk en kledij spelen groepsnormen een cruciale rol. Wanneer men bijvoorbeeld kledij gaat dragen die niet in de smaak valt van de peers, wordt men onmiddellijk gelabeld en soms zelfs uitgesloten van de peergroep. De kledij die tienermeisjes dragen is dan ook zelden een vorm van eigen keuze, maar wordt vaak beïnvloed door wat de groep mooi vindt (Van Broeck, 2000, p. 15). Uit onderzoek blijkt trouwens inderdaad dat fysiek aantrekkelijke adolescenten meer positieve relaties met hun peers onderhouden dan jongeren die eerder aan de lelijke kant zijn. Aantrekkelijke tieners zouden bovendien meer zelfvertrouwen hebben en minder gedragsproblemen (Magnusson & Stattin, 1990, pp. 100-101).
Tenslotte is een mooi uiterlijk tevens van groot belang als een meisje een jongen aan de haak wilt slaan. Meisjes onderzoeken samen met vriendinnen hoe ze er sexy maar toch niet ordinair uit kunnen zien met de bedoeling om goed voor de dag te komen als ze leuke jongens ontmoeten. Ze zijn er daarbij van overtuigd dat jongens hen in eerste instantie op hun uiterlijk beoordelen (de Waal, 1989, pp. 110-111). Het fysieke voorkomen is bijgevolg cruciaal voor toekomstige heteroseksuele relaties, al speelt hierbij ook de seksuele reputatie van een meisje mee (Magnusson & Stattin, 1990, p. 102).
Het is niet gemakkelijk om als meisje in de adolescentie te weten te komen wat jongens nu echt willen. Tienermeisjes krijgen immers tegenstrijdige informatie over wat jongens in seksueel opzicht van hen verlangen; langs de ene kant zouden jongens ‘geboren jagers’ zijn en alleen maar uit zijn op seks, langs de andere kant zouden ze nooit langdurig willen samen zijn met een meisje dat al veel seksuele ervaring heeft. Jongens zouden zich alleen maar willen binden aan een ‘ongerept’ meisje waarvoor zij de eerste en de ware kunnen zijn. Dit vormt een waar dilemma voor meisjes; ze moeten tegelijkertijd jongens aantrekken en afstoten, zonder als ‘slet’ (te veel aantrekking) of ‘ijskast’ (te veel afstoting) te worden bekeken. Het valt te betwijfelen of het inderdaad zo is dat jongens alleen maar op seks uit zijn. Uit onderzoek blijkt dat meisjes deze indruk vooral krijgen door het lezen van tienermagazines en romannetjes (de Waal, 1989, pp. 111-112).
Dit neemt niet weg dat de seksuele reputatie van een meisje ongeschonden moet zijn als ze serieus genomen wilt worden. In de jongenscultuur worden ‘gemakkelijke’ meisjes wel gebruikt om ervaring mee op te doen, maar tegelijkertijd worden ze een slet genoemd wat betekent dat jongens er nooit een serieuze relatie mee zouden willen beginnen. In de meisjescultuur bekleden de ‘sletten’ eveneens een minderwaardige positie en worden ze vaak verguisd door de peergroep. Men gaat er van uit dat fatsoenlijke meisjes zich enkel laten verleiden tot seks als er sprake is van liefde en duurzaamheid (de Waal, 1989, pp. 28-29).
2.2.3 Peers en de media
Naarmate kinderen ouder worden spenderen ze minder tijd met hun ouders en meer tijd met hun vrienden. Uit onderzoek blijkt dat adolescenten in hun mediagebruik vaak beïnvloed worden door deze peers. Zo wordt er samen naar muziek geluisterd of spelen ze samen videospelletjes. Onder adolescenten wordt er tevens dikwijls gepraat over de media, bijvoorbeeld over televisieprogramma’s of over nieuwe muziek (Suess, 1998, pp. 534-535).
Mediagebruik onder peers kan leiden tot een versterking van de onderlinge relaties en een gevoel van groepsidentiteit. Verschillende subculturele groepen drukken hun identiteit uit door dezelfde media te gebruiken; zo wordt de identiteit van vele fanculturen gevoed door films, series, muziek en magazines (Suess, 1998, p. 535). Vooral muziek speelt hierbij een belangrijke rol en zorgt ervoor dat jongeren zich kunnen identificeren met een peergroep. Vroege adolescenten willen absoluut ‘erbij horen’ en gaan om dit te bereiken dezelfde mediaproducten consumeren als de anderen. Popsterren fungeren hier dan dikwijls als de rolmodellen waar de tieners naar op kijken (Strasburger & Wilson, 2002, p. 281). Natuurlijk zijn er bij dit mediagebruik wel verschillen tussen jongens en meisjes; jongens spelen in het algemeen meer computerspelletjes, terwijl meisjes meer magazines lezen. Ook hebben jongens en meisjes andere voorkeuren met betrekking tot mediagenre en hebben ze een ander soort conversaties als het over media gaat (Suess, 1998, p. 536).
Uit het onderzoek van Nathanson (2001, pp. 266-270) komt naar voor dat de tussenkomst van ouders bij het mediagebruik van een jongere minder effect heeft dan de tussenkomst van peers bij dit mediagebruik. Deze invloed van peers met betrekking tot het mediagebruik is echter niet altijd even positief. Als vrienden onder elkaar antisociale televisie-inhoud bespreken, zou dit leiden tot vrij positieve oriëntaties ten opzichte van deze media-inhoud. Deze positieve oriëntatie zou dan zorgen voor meer agressie bij jongeren, wat zonder twijfel een negatief effect is. Tussenkomst van peers bij mediagebruik zorgt er dus voor dat de negatieve effecten van het antisociale mediamateriaal versterkt worden. We moeten hier wel bij vermelden dat de mogelijkheid bestaat dat dit een omgekeerde relatie is, namelijk dat adolescenten die al antisociale attitudes hadden gewoon vaker antisociale media-inhoud bespreken dan andere, normale adolescenten. De richting van de relatie is bijgevolg niet helemaal duidelijk (Nathanson, 2001, pp. 266-270).
2.3 Subculturen bij tienermeisjes
In het algemeen is er redelijk weinig literatuur over meisjes en subculturen te vinden, al wil dit zeker niet zeggen dat er geen subculturen bij tienermeisjes bestaan. Bovendien blijken meisjes in beschrijvingen van algemene jeugdculturen vrijwel altijd ‘onzichtbaar’. Als meisjes toch ten tonele worden gevoerd, maken ze deel uit van een mannelijke subcultuur waarin ze dan meestal een perifere positie bekleden (de Waal, 1989, pp. 23-24). Als verklaring hiervoor wordt aangenomen dat het vooral de afwijkende, extreme subculturen zijn die in de media komen, en hierin zijn meisjes nauwelijks aanwezig. Ten tweede is er een dominantie van mannen bij sociologisch werk, zodat er weinig oog is voor de positie van meisjes (Van Broeck, 2000, p. 17).
Gelukkig hebben enkele onderzoekers wel aparte subculturen bij tienermeisjes kunnen ontdekken, zoals bijvoorbeeld de slaapkamercultuur en de teeny-bopcultuur. Net zoals andere subculturen zijn deze natuurlijk niet los te zien van de algemenere waarden- en normensystemen in onze samenleving (de Waal, 1989, p. 15). In dit onderdeel zal ik eerst de slaapkamercultuur en daarna de teeny-bopcultuur bespreken. Ten derde zal ik het kort hebben over de schoolcultuur met bijzondere aandacht voor sociale status en sociale verwerping. Tenslotte schenk ik aandacht aan het belang van jongens in meisjessubculturen.
2.3.1 De slaapkamercultuur
Eerst en vooral is het noodzakelijk er op te wijzen dat de levens van meisjes en jongens tijdens de adolescentie verschillend zijn; meisjes brengen namelijk veel meer tijd thuis door dan jongens. Volgens Frith (1981, pp. 225-226) zijn hier grosso modo drie redenen voor. Ten eerste worden meisjes sterker gecontroleerd door hun ouders dan jongens; hun uitgaansleven wordt op bepaalde manieren beperkt en deze beperkingen gelden dikwijls niet voor de zonen in een gezin. Ten tweede worden meisjes vaker dan jongens ingeschakeld in het huishouden; ze moeten meehelpen met wassen, kuisen of koken en dikwijls babysitten op de jongere kinderen. Meisjes zijn dus sterker betrokken bij het gezinsleven dan hun mannelijke tegenhangers. Tenslotte spenderen meisjes meer tijd aan hun kledij en hun uiterlijk voor ze het huis verlaten. Algemeen kunnen we zeggen dat jongens tijdens de adolescentie een aanzienlijk grotere bewegingsvrijheid genieten dan meisjes; jongens mogen zich sneller in het openbaar vertonen, terwijl het leven van meisjes zich vooral binnenshuis en in besloten gelegenheden afspeelt (de Waal, 1989, pp. 25-26).
Meisjes zijn niet uitgesloten van jeugdsubculturen in het algemeen, maar kennen geen straatcultuur zoals de meeste jongens. Terwijl jongens elkaar ontmoeten op straat en buiten wat rondhangen, ontmoeten meisjes elkaar thuis waar ze samen naar muziek luisteren, elkaar leren schminken en roddelen (Frith, 1981, p. 226). Deze activiteiten gebeuren meestal op de slaapkamer van het tienermeisje; we kunnen bijgevolg zeggen dat de subcultuur van tienermeisjes een slaapkamercultuur is.
Meisjes in de puberteit moeten van hun ouders noodgedwongen veel tijd thuis doorbrengen. Toch proberen de meeste meisjes een soort eigen domein te maken binnen het huis, namelijk hun eigen slaapkamer. Deze slaapkamer hebben ze meestal zelf ingericht en verfraaid met foto’s van popsterren, planten en allerlei snuisterijen. Tienermagazines spelen hier trouwens ook op in door regelmatig artikels te publiceren die gaan over interieurvormgeving, het maken van leuke gadgets en tips om je eigen privacy te bewaren. Jammer genoeg hebben hun ouders zelfs op dit ‘territorium’ het laatste woord; zo mogen er soms geen spijkers of punaises in de muur geklopt worden en moet er een compromis gevonden worden over de kleur van de kamer (de Waal, 1989, pp. 62-63)
Tienermeisjes worden in hun bewegingsvrijheid beperkt door hun ouders en samen met vriendinnen proberen ze oplossingen te vinden om aan deze beperkingen te ontkomen. Dit kunnen ze allereerst doen door gebruik te maken van elkaars slaapkamers: meisjes gaan vaak op bezoek bij vriendinnen en blijven er zelfs af en toe slapen. Op die manier kunnen ze de ruimtelijke beperkingen teniet doen, bijvoorbeeld omdat hun vriendin wel mag uitgaan of wel jongens op haar kamer mag ontvangen. Samen met vriendinnen bedenken meisjes ook allerlei oplossingen om bij directe confrontaties met de ouders deze te vriend te houden zonder teveel bewegingsvrijheid te verliezen. Zo vertellen meisjes geregeld maar de halve waarheid aan hun ouders en stellen ze slechts een selectie van hun vriendinnen aan hun ouders voor. Tevens proberen ze hun ouders te manipuleren om hen geld te geven voor allerlei zaken; zo wordt een duur kledingstuk bijvoorbeeld ‘verkocht’ aan de ouders door te zeggen dat ze nu tenminste netjes gekleed naar een familiefeest kunnen gaan. Geld voor een popconcert wordt dan weer losgepeuterd onder het mom dat dit toch een culturele activiteit is. Zo komt het dat pubermeisjes toch een soort eigen leven kunnen leiden, hoewel ze een slaapkamercultuur kennen (de Waal, 1989, pp. 63-65).
2.3.2 De teeny-bopcultuur
Bij jonge tieners leeft er vaak zoiets als een ‘fancultuur’, dit wil zeggen dat ze fan zijn van een muziekgroep, een filmster of een sportman en dit ‘fan zijn’ wordt dan meestal gedeeld met anderen. Op dit vlak bestaan er belangrijke verschillen tussen jongens en meisjes; meisjes zouden vooral knappe pop- en filmsterren bewonderen, terwijl jongens fan zouden zijn van sporthelden. Dit verklaart waarom meisjes vooral tienermagazines lezen en jongens vooral sportmagazines; beiden draaien respectievelijk om popsterren en sporthelden (Suess, 1998, pp. 532-533).
Bij meisjes is deze fancultuur gelinkt aan de teeny-bopcultuur die meestal voorkomt tijdens de vroege adolescentie. In deze subcultuur ligt de nadruk op bepaalde popsterren, niet zozeer op hun muziek maar wel op hun uiterlijk en hun persoonlijkheid. Tienermagazines tonen bijgevolg veel interesse in popsterren, maar benadrukken hierbij meer hun uiterlijk en hun karakter dan hun muziek. De beschikbaarheid van foto’s van bekende tieneridolen is bijgevolg van cruciaal belang voor de overleving van tienermagazines (Frith, 1981, pp. 225-226). De teeny-bopcultuur heeft een commerciële origine, waarbij mannelijke sterren worden voorgedragen uit de muziekindustrie en daarna hun enorme bekendheid en idolenstatus verwerven door de media-aandacht (Van Broeck, 2000, p. 18). Door de vele foto’s en posters van hun idolen in tienermagazines trekken adolescente meisjes naar de platenzaak waar ze dan de muziek kopen van hun idool. Tegelijkertijd missen ze geen enkel televisieprogramma waar hun idool in voorkomt en geraken ze er van overtuigd dat een echte fan in het bezit moet zijn van allerlei gadgets met de afbeelding van hun idool op. Het is dus niet verwonderlijk dat vele foto’s en posters die we zien in tienermagazines door de platenmaatschappijen zelf worden verdeeld; zij hebben er immers alle belang bij hun sterren in het bewustzijn van vrouwelijke tieners te krijgen om zo grote winsten te kunnen maken (McRobbie, 1991, pp. 171-172).
In tegenstelling tot meisjes hebben jongens in de puberteit eerder een voorkeur voor ‘cock-rock’- sterren. Cock-rock- sterren zijn meestal agressief, uiterst mannelijk en gedragen zich als een beest op het podium. Volgens Frith (1981, pp. 227-228) wordt op optredens van zulke sterren de mannelijke seksualiteit naar voor gebracht en kan men dit zien als het vieren van de peniskracht. Meisjes worden structureel uitgesloten van deze ervaring en trekken zich dan terug in de eigen slaapkamer waar vele posters hangen van teeny-bopidolen. Deze idolen zijn in tegenstelling tot cock-rock- sterren zacht, kwetsbaar en romantisch. Hun liedjes gaat niet over fysiek verlangen en seks, maar over eenzaamheid, emotionele toewijding en liefde. Op die manier houden ze rekening met de noties van vrouwelijke seksualiteit (Frith, 1981, pp. 227-228).
Meisjes groeien gedeeltelijk uit de teeny-bopcultuur wanneer ze afspraakjes beginnen te maken en serieuzere relaties aangaan met jongens. Toch blijft de meisjescultuur vooralsnog een slaapkamercultuur; op de slaapkamer maakt een meisje zich immers klaar voor een afspraakje. Vrouwelijke adolescenten spenderen veel tijd en geld aan make-up en kledij om er goed uit te zien en veel van het experimenteren met deze schoonheidsproducten gebeurt in de eigen slaapkamer. Ook hier halen ze vaak hun inspiratie uit tienermagazines. Wat wel overblijft van de teeny-bopcultuur is de voorkeur voor sterren in plaats van voor de muziek. Terwijl de interesse van jongens uitgaat naar muziek en techniek, blijven meisjes zich focussen op de teksten en de personen (Frith, 1981, pp. 226-229).
2.3.3 De schoolcultuur
Het grootste deel van de tienertijd of adolescentie wordt doorgebracht op school. De cultuur die in de school leeft is bijgevolg ook belangrijk voor de ontwikkeling van de adolescent. Op school worden niet alleen kennis en vaardigheden overgebracht, maar leert men ook de waarden en idealen aan die deel uitmaken van de dominante ideologie van de samenleving (Van Broeck, 2000, p. 14). Bovendien leren adolescenten door het opbouwen van ondersteunende netwerken van vrienden op school allerlei nieuwe sociale vaardigheden. De vrienden op school helpen tevens een identiteit te construeren die niets te maken heeft met de ouders of de familie (Berk, 2004, p. 399).
In de schoolcultuur spelen kledij en uiterlijk een belangrijke rol, net zoals bij relaties met peers in het algemeen (cfr. 2.2.2). Op school zijn de groepsnormen nog explicieter dan in de vrije tijd en wie kledij draagt die niet in de smaak valt van de klasgenoten, wordt onmiddellijk gelabeld. De kledij die tienermeisjes dragen is dan ook zelden een vorm van eigen keuze, maar wordt vaak beïnvloed door wat de groep mooi vindt (Van Broeck, 2000, p. 15). Belangrijk in dit verband is ook de sociale status die adolescenten bekleden op school; hoe hoger deze sociale status, hoe meer men zich kan permitteren van de groepsnormen af te wijken.
Sociale status is iets dat voor adolescenten vooral van belang is in de grotere sociale context die gevormd wordt door de groep op school. Het wordt gemeten door aan jongeren te vragen om groepsgenoten te nomineren die ze aardig vinden (sociale acceptatie) of die ze niet aardig vinden (sociale verwerping). Acceptatie en verwerping zijn niet noodzakelijk elkaars tegenpolen; het is niet omdat men niet geaccepteerd wordt door de peers op school dat men automatisch wordt verworpen. De sociale positie die tieners innemen op school hangt niet alleen af van individuele kenmerken, maar ook van de algemene schoolcultuur. Als er bijvoorbeeld een sfeer heerst waarin iedereen hard werkt en gemotiveerd is om naar school te gaan, zal een jongere die zijn best doet om goed te presteren een hoge sociale status hebben. Zet deze zelfde jongere echter in een schoolcultuur waar het niet belangrijk is om goed te presteren maar meer om brutaal te zijn tegen de leerkrachten en hij zal verworpen worden (De Wit, Slot & van Aken, 2004, pp. 102-103).
Meerdere onderzoekers hebben reeds een onderscheid gemaakt tussen verschillende sociale statusgroepen op school. Zo maakten Newcomb en Bukowski (1983) een onderscheid tussen populaire, verworpen, genegeerde, controversiële en gemiddelde adolescenten (De Wit, Slot & van Aken, 2004, pp. 103-104). Berk (2004, p. 398) onderscheidde op een gemiddelde Amerikaanse middelbare school de volgende types: de ‘brains’ of zij die graag studeren en zeer slim zijn, de ‘jocks’ die vooral goed zijn in sport, de ‘preppies’ die meestal aantrekkelijk zijn en merkkledij dragen, de ‘partyers’ die veel vrienden hebben maar weinig geven om hun schoolwerk, de ‘burnouts’ die drugs gebruiken en veel spijbelen en tenslotte de ‘normals’, de gemiddelde studenten die met bijna iedereen goed overweg kunnen. Bij al deze groepen hangt een positieve sociale status samen met positieve aspecten, zoals zelfwaardering en pro-sociaal gedrag, terwijl een negatieve status samenhangt met gevoelens van eenzaamheid, sociale isolatie, agressie en delinquentie (De Wit, Slot & van Aken, 2004, p. 103).
Adolescenten die door de groep verworpen worden, vormen de meest problematische groep binnen de schoolcultuur. Langs de ene kant zijn ze intern onzeker en hebben ze sociale angst, langs de andere kant vormen ze een bedreiging voor de maatschappij omdat ze probleemgedrag vertonen zoals delinquentie en agressie. We moeten hierbij wel een onderscheid maken tussen de agressief-verworpen adolescenten en de onderworpen-verworpen adolescenten; het maakt immers een verschil uit of een tiener door peers wordt verworpen omdat hij agressief en onhandelbaar is, of juist omdat hij erg teruggetrokken en sociaal onzeker is. Het zijn vooral de agressief-verworpen adolescenten die probleemgedrag vertonen, terwijl onderworpen-verworpen adolescenten gekenmerkt worden door een extreem laag niveau van assertiviteit en sociale interactie. Van cruciaal belang bij sociale verwerping is de aanwezigheid van pro-sociaal gedrag; zo zullen jongeren die negatief sociaal gedrag vertonen, maar tegelijkertijd ook veel pro-sociale gedragingen uiten niet verworpen worden (De Wit, Slot & van Aken, 2004, pp. 104-105).
Sociale verwerping is echter niet hetzelfde als pesten. Pesten kan worden omschreven als een voortdurende reeks negatieve fysieke of verbale interacties van één of meer personen ten opzichte van een ander persoon. Sociale verwerping daarentegen is enkel gebaseerd op een sociale voorkeur of afkeur zonder dat dit noodzakelijk met negatief gedrag hoeft samen te hangen. Het is best mogelijk dat een adolescent wordt verworpen zonder dat hij door andere leerlingen wordt geduwd of uitgescholden. Bij pesten bestaan er trouwens duidelijke geslachtsverschillen; jongens pesten vaker op fysieke wijze zoals duwen en slaan, terwijl meisjes meer indirect pesten door te roddelen en anderen buiten te sluiten (De Wit, Slot & van Aken, 2004, pp. 105-106).
2.3.4 Het belang van jongens in meisjessubculturen
Jongens en kennis over jongens zijn van cruciaal belang tijdens de adolescentie van meisjes. Gedurende de hele puberteit zijn meisjes op zoek naar een lief, en kosten noch moeite worden gespaard om er aantrekkelijk uit te zien voor die éne speciale jongen. Hoewel vriendinnen zich vaak samen klaarmaken en elkaar leren hoe ze zich moeten kleden en opmaken, blijft het doel van deze activiteiten nog steeds om er goed uit te zien voor het andere geslacht. Meisjes proberen samen met hun vriendinnen een manier te vinden om de aandacht te trekken van een jongen met de bedoeling om uiteindelijk met deze jongen te gaan verkeren (Frith, 1981, pp. 229-230).
Als meisjes in groep zijn wordt er bijgevolg veel gepraat over het andere geslacht, al verschilt de aard van deze conversaties naargelang de leeftijd van de meisjes. In de eerste twee jaar van de middelbare school wordt er meestal gepraat over de algemene verschillen tussen jongens en meisjes, waarbij vooral de verschillen in vriendschap en manier van doen worden besproken. Daarna beginnen de tienermeisjes langzaamaan een onderscheid te maken in ‘leuke jongens’ en ‘stomme jongens’, waarbij de leuke jongens steevast de grotere, mannelijkere en seksueel meer ontwikkelde jongens zijn. Tenslotte wordt er een onderscheid gemaakt tussen jongens waar men enkel mee bevriend wil zijn en jongens waar men verkering mee wilt hebben. Als een meisje echt iets voor een bepaalde jongen voelt, bespreekt ze met haar vriendinnen of deze jongen wel betrouwbaar is en of hij niet enkel uit is op seks. Het is soms moeilijk uit te maken of een jongen echt uit liefde handelt of gewoon gebruik maakt van romantische taal om een meisje in bed te krijgen (de Waal, 1989, pp. 113-117).
Deze activiteiten en conversaties beklemtonen dat in onze samenleving nog steeds de norm van heteroseksualiteit geldt. Vele jongeren zien lesbische en homoseksuele leeftijdsgenoten nog steeds als afwijkend en willen er liefst zo weinig mogelijk mee te maken hebben. Dit leidt ertoe dat homoseksuele adolescenten hun geaardheid liefst verborgen houden en op het publieke forum doen alsof ze heteroseksueel zijn. Deze jongeren hebben het daardoor nog moeilijker om hun eigen identiteit te construeren en voelen zich vaak onbegrepen (Irvine, 1994, pp. 14-15).
De meeste literatuur over subculturen bij tienermeisjes gaat er van uit dat meisjes in hun adolescentie geen seksueel verlangen kennen. Meisjes zouden alleen maar seks willen hebben in dienst van een relatie en zouden nooit uit zichzelf zin hebben in seks. De meerderheid van de onderzoekers veronderstellen dat meisjes geen lichamelijke en seksuele gevoelens hebben ook al hebben ze deze veronderstelling nog nooit getest. Volgens hen hebben meisjes alleen oog voor een vaste relatie en ervaren ze nooit seksueel verlangen. Deze onderzoeken leiden er toe dat meisjes de indruk krijgen dat ze geen seksueel verlangen behoren te hebben en hier dus maar beter over zwijgen (Irvine, 1994, pp. 250-253).
Uit het onderzoek van Irvine (1994, pp. 253-258) blijkt echter dat vrouwelijke adolescenten wel degelijk te maken krijgen met seksuele gevoelens. Van de 30 meisjes die zij heeft geïnterviewd hadden er 18 al eens seksueel verlangen gevoeld, zonder dat dit iets te maken had met een relatie. De meisjes beschreven het seksueel verlangen als een specifiek “gevoel”, een krachtig gevoel van onmiddellijk seks willen. Bovendien wezen ze allen op de intensiteit en de urgentie van hun gevoel, wat ingaat tegen de karakterisering van vrouwelijke seksualiteit als zacht, diffuus en kortstondig. Vaak voelden ze ook allerlei zaken in hun lichaam, zoals tintelingen in de buik en kriebels in de vagina. Het meest opvallende hierbij is dat elk meisje tegen de onderzoekster zei dat ze hier normaal niet openlijk over praatte met anderen. Ze voelden een algemene druk vanuit de maatschappij om niet te praten over hun seksuele gevoelens, iets wat voor jongens niet opgaat. We kunnen dus stellen dat er een soort cultureel taboe rust op seksueel verlangen bij meisjes (Irvine, 1994, pp. 253-258).
Door het omgaan met jongens en door het ervaren van seksuele gevoelens tijdens de adolescentie kunnen meisjes hun eigen genderidentiteit bijschaven. Hierbij benadrukken ze altijd de verschillen tussen de geslachten en dit leidt wel eens tot stereotiepe beelden over mannelijkheid en vrouwelijkheid (de Waal, 1989, p. 118). Het mag duidelijk zijn dat gender niet biologisch is, maar het resultaat is van allerlei culturele processen. De mate waarin de cultuur doorwerkt op relaties tussen jongens en meisjes in de adolescentie is niet geheel duidelijk. Veralgemeningen over cultuur, gender en seksualiteit zijn trouwens meestal onmogelijk omdat er nog andere factoren meespelen, zoals bijvoorbeeld sociale klasse (Irvine, 1994, pp. 12-13). In deze eindverhandeling wordt er vanuit gegaan dat de media ook een cruciale factor zijn bij het construeren van een identiteit; tienermagazines zouden dan bijdragen aan de constructie van een genderidentiteit bij tienermeisjes en aan de betekenis van seksualiteit in het algemeen (cfr. Deel 3).
3. Het belang van tienermagazines
In dit deel van de eindverhandeling wordt er dieper ingegaan op de inhoud van tienermagazines en worden er onderzoeksvragen geconstrueerd aan de hand van relevante literatuur. Eerst zal ik definiëren wat een tienermagazine juist is en het onderscheid tussen popbladen en meisjesbladen verder toelichten. Daarna herhaal ik kort het belang van tienermagazines voor het vormen van een genderidentiteit. Het laatste onderdeel gaat meer specifiek over de inhoud van tienermagazines, waarbij ik mij laat leiden door het onderzoek van McRobbie (1991). Hierin worden bovendien de onderzoeksvragen geformuleerd die gebruikt werden in deze eindverhandeling.
3.1 Definitie van een tienermagazine
Voordat er een uitgebreid literatuuroverzicht over de inhoud van tienermagazines kan gegeven worden, is het noodzakelijk dat het volledig duidelijk is wat tienermagazines nu juist zijn. Tienermagazines zijn een segment binnen de jongerenbladen die specifiek afgestemd zijn op vrouwelijke adolescenten en die gezien kunnen worden als een tussenstap naar de vrouwenbladen. Vaste waarden in deze magazines zijn de vragenrubriek/probleempagina, de roddels en foto’s van bekende sterren en de vele illustraties (Van Broeck, 2000, p. 6). In de literatuur staan magazines voor tienermeisjes bekend omwille van hun gender-stereotypische inhoud. Meisjes zouden erin beschreven worden als afhankelijk, enkel bezig met hun uiterlijk en met een grote interesse in jongens (Willemsen, 1998, pp. 851-853).
In het algemeen kan men twee categorieën onderscheiden binnen tienermagazines, namelijk die van de popbladen en die van de meisjesbladen. Popbladen leggen vooral de nadruk op tieneridolen en entertainment en besteden vrij weinig aandacht aan mode en schoonheid. Ze spreken de meisjes aan als teeny-boppers en worden vooral gelezen door vroege adolescenten. Meisjesbladen daarentegen zijn meer voor de midden en late adolescenten en hun focus ligt op persoonlijke groei en zelfverbetering. Ze bevatten meer artikels over mode, lifestyle en schoonheid en zijn minder gericht op popsterren (Evans, Rutberg, Sather & Turner, 1991, pp. 100-101). Het magazine Top of the Pops is een duidelijk voorbeeld van een popblad, terwijl het Nederlandse Fancy meer een meisjesblad is.
3.2 Het vormen van een genderidentiteit
Zoals uitgebreid uitgelegd in het eerste deel moet een jongere tijdens de adolescentie op zoek gaan naar zijn eigen identiteit. Volgens Larson (1995, pp. 536-539) ervaren tieners een moeilijke emotionele periode bij de overgang van kindertijd naar volwassenheid; als kind heeft iedereen een vrij zeker beeld van zichzelf, dat voornamelijk bepaald wordt door de ouders en de sociale omgeving. Naarmate het kind echter ouder wordt, brokkelt deze band met de ouders meer en meer af en gaat het kind op zoek naar een eigen, nieuwe identiteit. Dit proces van identiteitsvorming gaat gepaard met veel onzekerheid en een stijging van negatieve emoties. De jongere moet immers bepalen wie hij is, wat hij waard is en welke richting hij zal inslaan in het leven (Berk, 2004, pp. 382-383). Zo komt het dat de vroege adolescentie geassocieerd wordt met een verhoogde zelfreflectie waarbij pubers veel tijd alleen in hun slaapkamer doorbrengen om over hun eigen identiteit na te denken (Larson, 1995, pp. 540-541).
Het is net bij deze vorming van de eigen identiteit dat de media een belangrijke rol spelen. Tijdens de adolescentie vermindert immers de invloed van de familie en de gemeenschap en neemt het belang van de media als bron van socialisatie alleen maar toe. Volgens Arnett (1995, pp. 521-525) zijn er vijf redenen waarom adolescenten media gebruiken in hun privé-leven, namelijk entertainment, identiteitsvorming, hoge sensatie, om om te gaan met negatieve emoties en om het gevoel te krijgen verbonden te zijn met een grotere jeugdcultuur (cfr. Deel 1). Het is vooral de tweede reden, die van identiteitsvorming die belangrijk is voor dit onderzoek. Vele jongeren zoeken specifiek naar identiteitsrelevante informatie in de media en tienermagazines zijn hierbij geen uitzondering.
De media dragen niet alleen bij tot de identiteitsontwikkeling in het algemeen, maar kunnen ook een invloed uitoefenen op de constructie van een genderidentiteit bij adolescenten. Vooral in tienermagazines voor meisjes zou de constructie van een genderidentiteit een impliciet thema zijn dat steeds terugkeert. Dit wil zeggen dat meisjes een idee krijgen van wat het betekent om een vrouw te zijn via het lezen van verscheidene tienermagazines (Arnett, 1995, pp. 522-523). Uit de interviews die Currie (1999, pp. 237-245) afnam van tienermeisjes blijkt duidelijk dat tienermeisjes moeite hebben met het ‘tiener’ zijn. Ze voelen zich noch kind noch volwassene en hebben geen duidelijke richtlijnen hoe ze zich als vrouw moeten gedragen. De druk van de vriendengroep maakt de zoektocht naar de eigen identiteit er bovendien niet makkelijker op. Vele tienermeisjes halen daardoor bewust of onbewust hun identiteit uit de media, in het bijzonder uit tienermagazines. Ook Duke & Kreshel (1998, p. 48) menen dat de tienertijdschriften aangeven wat de gedeelde definities van vrouwelijkheid zijn onder de bevolking. Tienermagazines zijn bijgevolg geen banale ‘blaadjes’, maar sociale teksten die een zekere invloed uitoefenen op meisjes in hun puberteit (Currie, 1999, p. 246).
Uit meerdere onderzoeken komt een negatief beeld tevoorschijn van de genderidentiteit die in de meeste tienermagazines geschetst wordt; tienermagazines zouden vooral de traditionele, stereotiepe vrouwelijkheid benadrukken en meisjes de indruk geven dat ze pas meetellen in de maatschappij indien ze aantrekkelijk zijn en zich kunnen linken aan een man (Duke & Kreshel, 1998, p. 51). De seksualiteit van meisjes zou problematisch en negatief geconstrueerd zijn en dit zou leiden tot een laag zelfbeeld (Durham, 1999, p. 195). Uit het onderzoek van Willemsen (1998, pp. 859-860) blijkt bovendien dat er alleen al op het vlak van de inhoud typische gender-stereotypische verschillen te vinden zijn; zo bevatten magazines voor meisjes significant meer artikels over mode, schoon