| Openbare terechtstellingen in West-Vlaanderen (1811-1867). (Marleen Dupont) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
DEEL III: EXECUTIES IN WEST-VLAANDEREN 1811-1867
In de periode 1811-1863 werden in totaal 284 personen door het Hof van Assisen te West-Vlaanderen ter dood veroordeeld. Vijfentwintig van deze veroordeelden werden in deze periode ook effectief terechtgesteld; 3 daarvan vonden de dood onder het Franse regime, 8 onder hen werden onder het regime van Willem I geëxecuteerd, en de resterende 14 personen werden vanaf de Belgische onafhankelijkheid in West-Vlaanderen ter dood gebracht. De stad Brugge vormde het toneel voor de executie van 16 personen, 4 ter dood veroordeelden werden te Ieper geëxecuteerd, en 5 te Kortrijk. Alle ter dood veroordeelden werden apart veroordeeld, met uitzondering van vier dubbele en één drievoudige executie.
II DE VERSLAGGEVING OVER DE EXECUTIES
Over het kapitaal belang van de pers als bron voor de geschiedschrijving van de Nieuwste Tijd bestaat geen twijfel meer[223]. De verslaggeving biedt een enorme waaier aan informatie over de executies. De plaats en tijd van het gebeuren, de volgorde van gebeurtenissen, de belangstelling van het volk, het exacte verloop van de executies, zijn allemaal elementen die uit de artikels te puren zijn. Daarom heb ik ervoor gekozen om met deze rijke bron te werken. Men dient zich ervan bewust dat deze kranten tijdens de eerste helft van de 19de eeuw zich vooral richtten naar een elite, niet naar een brede bevolkingslaag. De kranten gingen dus vooral schrijven in functie van dit publiek. Pas in de tweede helft van de 19de eeuw werden de kranten goedkoper en richtten ze zich tot een breder publiek. Dit blijkt ondermeer uit de oplagecijfers. Voor het Journal de Bruges was het oplagecijfer in 1830: 95 exemplaren, en in 1846 reeds 450 exemplaren[224]. Ook bij Le Propagateur was een gestage stijging merkbaar. Het oplagecijfer bedroeg in 1825: 30 exemplaren, en in 1845 was het reeds gestegen tot 268 exemplaren[225].
De pers in België vertoonde gedurende de 19de eeuw vooral een regionaal karakter, aangezien zij vooral in provinciale en gemeentelijke handen lag[226]. Daarom werd in het kader van dit onderzoek geopteerd om drie West-Vlaamse kranten te weerhouden. Twee daarvan werden in de hoofdplaats van de provincie gedrukt, de derde krant werd in Ieper gedrukt.
1.1. De Gazette van Brugge[227]
De Gazette van Brugge werd voor de eerste maal uitgegeven op 21 december 1792 door Joseph Bogaert. Ze verscheen vanaf 23 juni 1795 drie maal per week.
Vanaf 20 mei 1811 tot 1814 droeg de krant de naam: “Journal du Département de la Lys”. Het was, ondanks de Franse titel, een tweetalig blad. “D’après les ordres de M.P. Arborio, préfet du département de la Lys, il ne paraîtra à dater du 20 mai 1811, pour tout le département, qu’une seule feuille, ayant pour titre: Journal du département de la Lys. G. De Busscher-Marlier et J. Bogaert et fils en sont les éditeurs-propriétaires. Ce journal, étant le seul autorisé dans le département, contiendra toutes les annonces prescrites par le code de procédure civil, les ventes de biens meubles et immeubles…” (De Gazette van Brugge en van het Departement der Leye, 17 mei 1811)
Vanaf februari 1814 tot december 1815 droeg de krant de naam: “Brugsche Gazette/ Gazette van Brugge en van het Departement der Leye/ Gazette van Brugge en van de provincie van West-Vlaenderen”. Deze krant hield zich vooral bezig met een objectieve berichtgeving zonder enige persoonlijke toets. Volgens een enquête van 23 september 1814 zou het blad een gematigd liberale houding aannemen.
Vanaf 1 januari 1817 tot 27 september 1830 droeg de krant de naam: “Gazette van de provincie van West-Vlaenderen en der Stad Brugge”. “Door het provinciael bestuer begunstigd, neemt hetzelfde met autorisatie van die overheyd, by den aenvang van het jaar 1817 den tytel van Gazette der Provincie, en als zoodanig, pronkt het met het door den koning, voor de provincie van West-Vlaenderen goedgekeurde wapen.” (Gazette van de Provincie West-Vlaenderen en der stad Brugge, 1 januari 1817) De krant kreeg de verplichting alles mee te delen wat de provincie aanbelangde. Ze beweerde dit te doen los van alle partijdigheid. Naast de staatkundige berichtgeving zal de krant zich eveneens toeleggen op het publiceren van werken in de moedertaal.
Vanaf 27 september 1830 droeg de krant de naam: “Gazette van Brugge en van West-Vlaenderen”. “De verdediging der regenten van onze tael, ons land en onze onafhankelijkheyd, was de bannier die wy over 51 jaren aennamen; zy is het nu nog meer dan ooit, en deze bannier zullen wy nimmer verlaten, omdat wy nimmer gedogen zullen dat de tael der Vlamingen tekort worde gedaen, dat de belangen van ons Vlaenderen verwaerloosd worden, en dat onze burgerregten die wy ten pryze van zoveel opofferingen veroverd hebben, ons door de noyt verzadigde hoogmoed ontnomen worden. Wat onze staetkundige denkweyze betreft, wy hebben steeds bewezen dat ons dagblad onafhankelyk is, en dat wy alhoewel tot de zoogezeide katholyke party niet behoorende, wy deze eerbiedigen, zoo lang zy in de palen der redelykheyd blijft…” (Gazette van Brugge, 1 januari 1845) Vanaf ongeveer 1851 zou het blad definitief een uitgesproken katholiek karakter aannemen. Begin 1900 werd het blad zelfs een officieus partijorgaan.
Deze krant was dus in twee opzichten belangrijk voor mijn onderzoek. Enerzijds omvat deze krant de gehele periode die ik onderzocht heb, en anderzijds evolueerde ze van gematigd liberaal naar uitgesproken katholiek.
1.2.Journal de Bruges[228]
Het Journal de Bruges werd voor de eerste maal uitgegeven op 4 april 1837 door P. Popp, aanvankelijk uitgever en hoofdredacteur. De eerste week verscheen de krant drie keer, de tweede week verscheen ze vier keer, en vanaf de derde week verscheen de krant zes maal per week.
Bij de aanvang op 4 april 1837 had de krant geen duidelijk omschreven programma. “Qu’il nous suffise de dire que les deux journaux flamands de Bruges (Gazette van Brugge, Standaerd van Vlaenderen) ne nous semblent point répondre aux besoins de l’époque. Nos colonnes seront ouvertes à tous les projets qui tendront au bien-être de la province.”
Reeds in 1838 schreef Le Nouvelliste des Flandres: “Le Journal de Bruges fait une espèce de profession de foi politique en adhérant pour son compte aux principes de libéralisme de Mr. L’avocat Heugebaert. Depuis longtemps nous nous sommes demandés sous quelle bannière se rangeait ce journal, et souvent en parcourant ses nouvelles et en examinant à quelles sources elles semblaient prises de préférence, nous avons cru remarquer une tendance manifeste vers le libéralisme exclusif qui domine un certain parti.” (Le Nouvelliste de Flandres, 16 april, 1838)
Vanaf 1846 was het Journal de Bruges duidelijk liberaalconservatief gekleurd, en trad het op als spreekbuis van de liberale vereniging.
Omdat in de discussie omtrent de doodstraf de meningen van de liberale en de katholieke kranten lijnrecht tegenover elkaar stonden, was het aangewezen om het Journal de Bruges te kiezen als liberale tegenhanger van de Gazette van Brugge. Interessant is bovendien dat deze krant toch een groot gedeelte van de onderzochte periode overlapte. Om vergelijkend te werk te kunnen gaan is de aanwezigheid van een aaneensluitende reeks van één bepaalde krant natuurlijk onontbeerlijk.
1.3.Le Propagateur d’Ypres[229]
Le Propagateur d’Ypres werd voor de eerste maal uitgegeven in augustus 1818 door Gambart-Mortier. Na enkele jaren werd het blad vervangen door een Vlaamstalig weekblad (De Nieuwe Gazette van Yperen). Dit laatste was waarschijnlijk enkel een publiciteitsblad dat niet voldeed aan de verwachtingen van de lezers, zodat R. Gambart op 7 januari 1825 opnieuw begon met het uitgeven van Le Propagateur. Het blad verscheen twee maal per week (woensdag en zondag).
Aanvankelijk deed het blad niet aan politiek, doch omstreeks 1840 begon het zich soms in te laten met lokale moeilijkheden, onder andere in verband met het onderwijs. Wanneer in mei 1841 Le Progrès het orgaan werd van de liberalen uit het arrondissement, begon Le Propagateur meer en meer de katholieken te ondersteunen, zodat het soms tot hevige polemieken kwam tussen beide kranten.
Wanneer op 9 maart 1846 Rogier, minister van binnenlandse zaken, aan de gouverneur van West-Vlaanderen een overzicht vroeg van de pers in zijn provincie, ook over de geest en de invloed van de plaatselijke bladen, schreef de burgemeester van Ieper aan de gouverneur dat er te Ieper twee bladen verschenen (Le Progrès en Le Propagateur). De burgemeester plaatste Le Propagateur aan de katholieke zijde.
Naast het liberale Journal de Bruges, vormt Le Propagateur een katholiek tegengewicht. Het blad beslaat eveneens een groot deel van de bestudeerde periode en werd in tegenstelling tot de twee vorige bladen niet uitgegeven in Brugge.
De enige West-Vlaamse krant die de hele Hollandse periode omvatte was de Gazette van Brugge. Ook Le Propagateur die in 1818 werd opgericht, bestreek een groot deel van de Hollandse periode. Het Journal de Bruges werd pas na de Belgische onafhankelijkheid opgericht en is dus niet bruikbaar voor de Hollandse periode.
Aangezien de Gazette van Brugge de hele periode omvatte, werd deze krant het eerst doorlopen. Voor de Franse en Hollandse periode leverde dit onderzoek eigenlijk bitterweinig informatie op. In de Gazette van Brugge stond er over slechts één van de twaalf executies een kort bericht. Het bericht over de executie van Engelalbertus Ghijselen telde 8 regels en bevond zich op de vierde en tevens laatste pagina van de krant[230]. Over de executie van Francis Goderis en Godelieve Verplaetse die later datzelfde jaar plaats had, vond ik opnieuw geen berichtgeving meer.
Op basis van deze vaststelling kan men concluderen dat de berichtgeving over de openbare executies geen belangrijke plaats innam binnen deze kranten. De berichtgeving die ik over Ghijselen gevonden heb was zeer sober en onthulde geen enkel detail over het verloop van de executie. Dit is zeer vreemd, want de assisendossiers vermelden dat er steeds een grote publieke belangstelling was voor openbare executies, maar in de kranten stonden ze niet of nauwelijks vermeld. Staatkundige nieuwsberichten, buitenlans nieuws, berichtgeving over de koop en verkoop van roerende en onroerende goederen waren gedurende de Hollandse periode de hoofdbekommernis van deze krant[231]. Gelet op het lezerspubliek kan dit geen verwondering wekken. Bij de gegoede burgerij, zij die zich konden veroorloven om kranten te lezen, bestond er een toenemende gevoelsmatige afkeer ten aanzien van dit lichamelijk geweld tijdens de openbare strafvoltrekkingen[232]. Ze verkozen niet met deze volkse en ruwe strafuitoefening geconfronteerd te worden. Ook H. Franke concludeerde in zijn studie dat de bekende Nederlandse bladen niet of nauwelijks aandacht schonken aan schavotstraffen[233].
Voor de Belgische periode beschik ik over drie kranten om te vergelijken. De twee katholiek georiënteerde kranten, Le Propagateur en de Gazette van Brugge, bestonden reeds bij de onafhankelijkheid in 1830. De liberaal georiënteerde krant, Journal de Bruges, ontstond daarentegen pas in 1837 en zal ons dus geen informatie kunnen verschaffen over de terechtstellingen van Nys en Van Gheluwe uit 1835.
3.1. Formele aspecten
Aan de hand van onderstaande tabel zal ik een evolutie trachten te schetsen van de berichtgeving aangaande de executies. Hoeveel aandacht werd er besteed aan deze toch wel ongewone gebeurtenissen en welke plaats namen deze berichten in ten opzichte van het overige nieuws?
| EVOLUTIE VAN DE BERICHTGEVING OVER DE TERECHTSTELLINGEN IN WEST-VLAANDEREN (1835-1863). | ||||
|
NAAM |
DATUM |
GAZETTE VAN BRUGGE |
LE PROPAGATEUR |
JOURNAL DE BRUGES |
|
Nys Dominicus |
02/02/1835 |
22 regels (p.3) 4/2 10 regels (p.3) 11/2 |
/ |
/ |
|
Van Gheluwe Ivo |
23/05/1835 |
15 regels (p.3) |
23 regels (p.1) |
/ |
|
De Coene Pieter |
10/05/1842 |
43 regels (p.3)
|
11 regels (p.1) |
30 regels (p.1) 10/05 45 regels (p.1) 11/05 68 regels (p.1) 12/05 |
|
Christiaens Joannes |
07/04/1846 |
9 regels (p.3) 6/04 65 regels (p.2) 8/04 |
/ |
/ |
|
De Mettere Eduardus |
06/06/1846 |
48 regels (p.2) |
148 regels (p.1-2) |
28 regels (p.1) |
|
Van Keersebilck & Van Troyen |
09/07/1851 |
47 regels (p.2) |
106 regels (p. 2) |
31 regels (p.1-2) |
|
Schoutet Desiderius |
10/01/1852 |
/ |
92 regels (p.2) |
5 regels (p. 2) 96 regels (p.1-2) |
|
Brame Joseph |
20/09/1854 |
37 regels (p.2) |
/ |
18 regels (p.2) |
|
Algoet Karel |
16/04/1855 |
19 regels (p.3) 16/4 62 regels (p.3) 18/4 |
67 regels (p.2) |
19 regels (p.1) |
|
Rys & De Praetere |
02/07/1855 |
48 regels (p.2) |
22 regels (p.1) |
46 regels (p.1-2) 2/7 18 regels (p.2) 3/07 |
|
Acke Pieter |
03/04/1862 |
68 regels (p.2)
|
16 regels (p.1) |
38 regels (p.1) ¾ 27egels (p.1) 4/04 |
|
Kesteleyn Karel |
01/07/1863 |
36 regels (p.2) 1/07 223 regels (p.2) 4/07 |
113 regels (p.1-2) |
22 regels (p. 2) 1/07 97 regels (p.3) 2/07 26 regels (p.2) 4/07 |
In tegenstelling tot in de Nederlandse periode, vond ik na de Belgische onafhankelijkheid wel over elke terechtstelling een relaas in de kranten. De openbare terechtstellingen werden met meer belangstelling beschreven dan tijdens de Nederlandse periode. Na de Belgische onafhankelijkheid werd er in de kranten blijkbaar steeds meer aandacht besteed aan de executies in het bijzonder, maar ook aan de misdaad in het algemeen. Zowel de katholieke als de liberale kranten trokken steeds meer plaats uit voor het beschrijven van deze macabere gebeurtenissen, hoewel het aantal pagina’s van de kranten doorheen deze periode hetzelfde bleef. Bovendien blijkt uit de bovenstaande tabel dat er over sommige executies meerdere artikels verschenen. Deze artikels, die de dagen voor of na de executies verschenen, vermeldden meestal dat het verzoek tot gratie en het cassatieberoep verworpen waren, en dat de veroordeelde nu weldra geëxecuteerd moest worden. Sommige artikeltjes vermeldden korte gebeurtenissen die zich afspeelden voor of tijdens de executies, zoals daar zijn: diefstallen, een vermelding van het grote aantal vrouwen, een incident tijdens de executie, … en anderen formuleerden kritiek op de terechtstellingen[234].
Bij Le Propagateur en het Journal de Bruges valt het op dat de berichten over de executies steeds op de eerste of de tweede pagina verschenen. Dit komt omdat deze kranten de voorkeur gaven aan het binnenlandse nieuws ten opzichte van het internationale nieuws. De annonces en bekendmakingen kwamen net zoals bij de Gazette van Brugge op de vierde en laatste pagina. Bij de Gazette van Brugge werden de executies aanvankelijk op de derde pagina vermeld, daar de internationale berichten in deze krant prioritair waren. Vanaf 1846, bij de executie van De Mettere, kreeg het binnenlands nieuws echter voorrang op de internationale berichtgeving, dit bleef zo in de jaren daarna. Op zich veranderde er dus niet zoveel aan de positie die de berichten over de strafvoltrekkingen innamen in de krant.
Naast de toenemende lengte van de artikels over de executie, heeft nog een ander vormelijk aspect mijn aandacht getrokken. De verslaggeving met betrekking tot de eerste executies stonden meestal tussen andere berichten van verschillende aard. Vanaf de jaren 1840 kregen deze verslagen vaker een eigen titel. “exécution capital”[235], “Une exécution capitale à Bruges”[236], “halsregting van Karel Kesteleyn”[237], het waren enkele specifieke titels die de aandacht van de lezer op het bericht vestigden. Toch werd dit gebruik niet consequent toegepast, sommige verslagen verschenen nog steeds onder een algemene titel zoals “Verschillige Tydingen”, of “Nouvelles Diverses”.
3.2. Inhoudelijke aspecten
Naast de korte berichtgeving over de identiteit en de woonplaats van de veroordeelde, de reden van de veroordeling, de plaats van de executie en het moment waarop deze zou worden uitgevoerd, gingen de kranten steeds meer aandacht besteden aan andere elementen binnen het executiegebeuren. Het gedrag van de veroordeelde voor zijn executie en het gedrag van het volk aan de voet van het schavot, zijn twee belangrijke factoren die nader onder de loep werden genomen. De manier waarop deze berichtgeving werd opgesteld, was sterk afhankelijk van de politieke sympathieën van de kranten. De verslaggeving rond één en dezelfde executie kon enorm verschillen naar gelang de krant waarin dit verslag verscheen. Dit zal ik hieronder illustreren aan de hand van de berichtgeving over de executie van Schoutet (10 januari 1852). Ik zal achtereenvolgens het relaas van Le Propagateur (katholiek) en dat van het Journal de Bruges (liberaal) weergeven.
Le Propagateur[238]
EXECUTION CAPITALE
“Samedi, 10 janvier, à 9 heures, a eu lieu l’exécution capitale de Désiré Schoutet, condamné à mort par la cour d’assises de notre province de chef de triple empoisonnement commis sur les personnes de sa femme légitime le mari de sa maîtresse et son beau-frère. Comme pour l’exécution de Van Keirsbilck et Van Troye, la fatale machine était dressée sur la plaine devant la porte de Gand, qui, nonobstant le jour du marché est restée fermée jusqu’après l’exécution. Ce n’est que hier au soir à cinq heures que Schoutet a appris que son pourvoi en grâce avait été rejeté et qu’il ne lui restait plus qu’à se préparer à la terrible épreuve. Il a reçu cette nouvelle avec calme et pour ainsi dire avec plaisir, car depuis sa condamnation il n’avait qu’une seule idée, qu’un seul désir, c’était mourir, et de se préparer d’avance à paraître devant le juge suprême. Plusieurs fois il s’est approché des Saints Sacréments; et toujours il a montré les meilleurs dispositions. Cinq jours avant sa dernière heure il a écrit une lettre à M. Walle, l’aumônier de la prison, pour remercier ce digne ecclésiastique des soins assidus avec lesquels il l’ a assisté dans ses moments de captivité. Grâce à ces soins, dit le malheureux Schoutet, il a compris tout ce qu’il y a de bonheur dans la religion et la prière. Le jour de nouvel an, Schoutet a écrit une lettre non moins touchante à ces parents, qui demeurent encore à Alveringhem, et dans laquelle il leur demande pardon en les priant de vouloir lui donner leur dernière bénédiction. Telles sont les dispositions dans lesquelles se trouvait Schoutet quand l’autorité judiciaire est venue lui annoncer son heure suprême. Il a entendu la lecture de l’arrêt du rejet de son pourvoi en grâce avec beaucoup de fermeté, et a remercié les membres du parquet, ceux de la commission et tous les employés de la prison des soins qu’ils avaient eus de lui. Ensuite il a demandé qu’on différât de lui mettre la camisole de force jusqu’à ce qu’il eût signé deux lettres qu’il avait écrites dans le courant de la journée; après cette signature il s’est laissé lier avec calme et à demandé de pouvoir fumer une pipe. A six heures on l’a laissé seul avec son confesseur pour régler ses comptes avec Dieu, comme il disait. A huit heures il a soupé et a soutenu la conversation avec tous ceux qui se sont approchés de lui; à tous il a dit qu’il était content et heureux de pouvoir mourir dans des conditions aussi bonnes que celles dans lesquelles il se trouvait. Quand on lui a demandé s’il ne voulait pas se reposer un instant il a répondu: non quand on dort on est comme mort, et il ne me reste pas trop de temps à vivre pour ne pas l’employer entièrement à prier, et en effet il a passé tout le reste de la nuit en prières. Ce matin à 7 heures il a assisté à la messe et y a communié avec beaucoup de ferveur. Au sortir de la messe il s’informa combien de temps il avait encore à vivre, on lui répondit: encore deux heures et demie, c’est deux heures et demie de trop, dit-il. Arrivé au lieu de l’exécution Schoutet est monté avec courage sur l’échafaud, ses regards se sont promenés un instant sur l’immense population qui le complait. Il reçut avec humilité la bénédiction du prêtre, semblait écouter attentivement les dernières paroles que lui adressait la charité chrétienne et après avoir tendrement embrassé son confesseur il s’est livré de lui-même et sans résistance aux mains des bourreaux qui l’ont poussé sur la fatale machine. Un coup sourd et un cri vif et perçant parti des divers côtés ont annoncé que la justice des hommes était satisfaite. Na deze beschrijving volgde nog een publicatie van de brief die Schoutet voor de executie aan zijn familie had geschreven.
In de berichtgeving over dezelfde executie lagen de aandachtspunten in het journal de Bruges helemaal anders.
Journal de Bruges[239]
10 januari, de dag van de executie zelf werd er slechts zeer kort melding gemaakt van de executie en werd dezelfde brief gepubliceerd die ook Le propagateur publiceerde.
13 januari 1852 daarentegen viel het volgende te lezen:
UNE EXECUTION CAPITALE A BRUGES
“L’ instrument du supplice se dressait samedi a la Vieille porte de Gand. La justice des hommes allait frapper de mort un empoisonneur. Dès le matin les notes joyeuses du carillon s’étaient tués et le tintement lugubre de la cloche sonnant les heures livrait l’âme à de sinistres pensées. Un homme allait mourir! Non pas paisiblement couché sur un lit sanctifié par la douleur, non pas entouré d’une famille aimée, mais sur les tréteaux rougis de la guillotine, la , d’horribles apprêts étaient jetés en pâture à la curiosité pantelante de la foule; un homme allait mourir de la main du bourreau! Nous passons l’éponge sur les détails: la machine à tuer n’a pas échappé à la manie des perfectionnements, grâce à d’ingénieuses complications un homme met moins de temps à mourir en place publique qu’à naître sur un misérable et sordide grabat. Cette fois le hideux spectacle s’est voilé à nos yeux pour nous montrer dans toute sa nudité l’effrayant cynisme d’une populace venant savourer à longs traits les émotions violentes d’une exécution capitale. La mort porte en soi un caractère saint et digne qu’on ne viole pas impunément; l’acte mystérieux de la séparation de l’âme et du corps, la cessation subite du mouvement et de la pensée, la transformation soudaine d’un homme en cadavre éveille de grandes, de profondes pensées; mais pour que ce caractère ne perde rien de sa sainteté il faut laisser à la mort le calme, la paix, la sérénité. Prémices d’un monde meilleur. Qui de nous n’a pas pleuré devant l’auguste spectacle d’une agonie; qui n’a pas senti son cœur se fondre de larmes en face de d’un être aimé, se mourant insensiblement comme une lampe veuve d’huile, et qui alors n’a point vu mourir un coupable sur l’échafaud? L’impression est elle la même? Cet assassinat juridique a t’il la dignité mystérieuse d’une mort naturelle? Nous le pensons pas. Quoi! sur la place publique où l’attend le couperet de la justice un homme arrive, pâle, défait; vivante image de la prostration morale et de l’abattement physique, il gravit cet échafaud saignant de la veille, il s’a tosse a une planche où le fixent de solides courroies; on le couche horizontalement sur le poteau. Un mouvement du bourreau fait glisser le fer dans la guillotine, et la tête du patient roule dans un ignoble lambeau de toile que le sang d’une autre victime a rougi déjà. Quoi! vous voulez que ce hideux spectacle éveille en moi les saintes et consolantes pensées de la mort, vous affichez la honte de la civilisation moderne à la face du soleil de Dieu en présence de vieillards qui attendaient la message divine, de pères de famille, de jeunes gens qui entrent à peine dans la vie, d’enfants naïfs, de qui dévorent des yeux les moindres détails, vous conviez o justice des hommes! des mères, des jeunes filles à cet épouvantable banquet de sang humain! Oh! je ne veux point contester à la loi le droit de punition, ce n’est pas l’efficacité de la peine de mort que je veux attaquer maintenant, c’est le mode de son application; ne voyez vous pas qu’en donnant à l’expiation du crime le caractère du triomphe de la force vous réduisez la mort aux hideuses proportions d’un égorgement de par la loi; ne voyez vous pas qu’en offrant à la foule un semblable spectacle riche de tous les détails d’une mise en scène , vous enlevez à la mort du criminel la plus belle, plus grande de ses excuses: la terreur de l’exemple! Vous affaiblissez au cœur de la foule les pieuses croyances dont elles aime à entourer l’idée de la mort. Croyez moi, cet homme qui meurt sur l’échafaud n’est plus une créature qui rend son âme au Dieu du ciel et de la terre, ce n’est pas même un coupable qui expie sa faute, c’est une victime qu’on tue et on éprouve pour elle la commisération que le passant ressent à la vue d’un agneau mené pour abattoir. Je ne veut point chercher mes arguments dans les pages de Beccaria, de Vico, de Turgot, je les trouve dans mon cœur et les larmes aux yeux, je déplore la publicité donnée à ces sacrifices humains. Puis, pourquoi tolérer cette affluence de femmes et d’enfants. N’y a-t-il aucun danger à alimenter cette irrésistible tentation qui pousse les natures frêles et impressionnables devant les scènes les plus émouvantes? Quelle est donc cette loi occulte qui fait retrouver la femme partout où travaille le bourreau. Ce n’est pas d’hier que cet instinct de la destruction brutale la travaille; comme aujourd’hui la place publique, les échos du Colysée retentirent de ses clameurs. O saintes vertus de la femme! voilez vous. Mères de famille qui quittez le berceau de votre enfant pour nourrir vos yeux de ces scènes sanglantes, quel besoin d’émotions vous poursuit; aux sourires du petit être que vous allaitez, vous préférez les grincements, les contorsions du patient qu’on décapite; vous, jeunes filles que le printemps de la vie rend belles de toutes ses beautés, votre cœur ne s’épanouit-il qu’en face de l’échafaud. Tristes gages que vous donnez à l’avenir de votre famille. Nous avons vu samedi des mégères hisser sur leurs épaules de jeunes enfants qui suivaient avec une curiosité tenace les moindres particularités du sacrifice, nous avons entendu des bouches de femmes proférer les plus grossiers quolibets en face de cet homme qui mourait et, pas une de ces créatures à eût trouvé assez de larmes en face d’un moribond, dans une chambre silencieuse qu’éclaire le cierge funèbre! Avouons-le, la guillotine (horrible mot n’est pas) commence à se rendre justice à elle-même. Naguère, elle dressait sur le Bourg sa charpente hideuse en plein jour; maintenant elle se cache en un coin écarté à l’heure matinale; puisse-t-elle bientôt ne pas sortir de l’enceinte des prisons et se dérober pour toujours aux regards de nos populations.
In de verslaggeving over de executie van Schoutet kwam het verschil in zwaartepunt tussen de katholieke en de liberale kranten het sterkst tot uiting. Terwijl de katholieke krant enorm veel aandacht ging besteden aan de bekering en het vrome gedrag van de veroordeelde voor de executie, ging de liberale krant slechts zeer kort de executie zelf aanhalen; de rest van het artikel vormde eigenlijk een pleidooi tegen de doodstraf waarbij vooral het openbaar karakter van de executie werd gehekeld. Ook bij de verslaggeving rond de executie van De Coene (1842) gold eenzelfde scenario. Het eerste artikel beschreef de misdaad en het verloop van de terechtstelling[240]. Het artikel dat de dag nadien in de krant verscheen was een pleidooi tegen het opstellen van de guillotine op Den Burg en hekelde de aanwezigheid van de vele vrouwen[241]. Het derde artikel aangaande de executie verscheen op 12 mei en vormde een aanklacht tegen het ongegeneerd opstellen van de guillotine op klaarlichte dag. Bijna elke executie werd door het Journal de Bruges aangegrepen om de afkeer ten opzichte van dergelijke bloedige spektakels weer te geven. Het is echter niet zo dat er totaal geen aandacht werd besteed aan de veroordeelde zelf, maar deze aandacht was in elk geval veel geringer dan in de katholieke kranten.
De scherpe kritieken die in het Journal de Bruges werden geuit vond ik geenszins terug in de Gazette van Brugge of Le propagateur d’Ypres. Toch kan over deze twee kranten niet gezegd worden dat ze een loutere neutrale weergave bieden van het gebeuren. Uit het woordgebruik van die kranten bleek wel dat er, ondanks het feit dat de katholieke kranten voorstander waren van de doodstraf, een gevoelsmatige afkeer heerste met betrekking tot openbare executies. Bij Le Propagateur kwam deze afkeer sterker tot uiting dan bij de Gazette van Brugge. Zij die in de 19de eeuw voorstander waren van de doodstraf, maakten blijkbaar wel gewag van hun afkeer ten aanzien van deze hoogste straf. Toch achtten zij de maatschappij nog niet ver genoeg gevorderd opdat de afschaffing van deze straf zou kunnen worden doorgevoerd zonder gevaar voor de belangen van de maatschappij[242]. Uitdrukkingen zoals: “het treur-toneel”[243], “het afschuwelijke werktuig des doods”[244], “le moment fatal, le fatal instrument, cette scène horrible”[245], “une terrible épreuve, la fatale machine”[246] tonen aan dat er ook in de katholieke kranten een emotionele afkeer heerste ten aanzien van de executies, en vooral hun publiek karakter.
Ondanks deze verschillende zwaartepunten binnen de berichtgeving, waren er toch ook een aantal belangrijke overeenkomsten. Zowel bij de katholieke als bij de liberale kranten werd er weinig in detail getreden rond de feitelijke strafvoltrekking. Het “moment suprême” werd nooit gedetailleerd beschreven. Meestal benadrukte men de kortstondigheid van het gebeuren, hoe het slechts enkele seconden duurde vooraleer er “gerechtigheid” geschiedde; “La justice des hommes était satisfaite!”[247], “La justice humaine fit son devoir, et Algoet avait cessé de vivre”[248], “een oogenblik nadien hoorde men een somber gerucht, het was het mes dat gevallen was”[249], “Rys était lancé dans léternité”[250].
Daarnaast werd er voor sommige executies een quasi identiek relaas geboden in de verschillende kranten. Le Propagateur bijvoorbeeld, nam een aantal keer letterlijk de berichtgeving over uit La Patrie. Dit was het geval voor de executies van Van Troyen en Van Keersebilck en die van Désiderius Schoutet. Over het algemeen was de inhoud van de artikels over het verloop van de executie, grotendeels gelijklopend. Het enige verschil is dat de berichtgeving over de laatste levensuren van de veroordeelde in het Journal de Bruges vaak korter is en dat er uitvoeriger aandacht werd besteed aan het formuleren van kritieken op deze openbare doodstrafvoltrekkingen. Tegenstrijdige berichtgeving was er echter niet aanwezig.
Dit hoofdstuk handelt over de ter dood veroordeelden die in de loop van de periode 1811-1867 binnen de provincie West-Vlaanderen effectief werden terechtgesteld. Het betreft hier 25 geguillotineerden op een totaal van 284 ter dood veroordeelden voor deze periode. Drie van hen belandden in de Franse periode onder de guillotine, 8 lieten in de Nederlandse periode het leven en 14 onder hen werden geëxecuteerd in de periode nà de Belgische onafhankelijkheid. Wie waren deze mensen die de koninklijke gratie niet waardig waren? Waarom werden zij terechtgesteld? Hoe vervulden zij hun rol binnen dit hele gebeuren[251]?
1. Wie waren deze slachtoffers van de guillotine?
1.1. Het Franse regime
- DECKMYN Jacques
Op het moment van het arrest was hij 45 jaar. Hij werd geboren te Roubaix, en was er gedomicilieerd. Hij was marktkramer en verkocht vis. Deckmyn werd beschuldigd van brandstichting tijdens de nacht van 15 op 16 april 1812 in de gebouwen van Pierre de Jonghe te Oostnieuwkerke. Hij werd op 11 september 1812 door het assisenhof van het département de la Lys ter dood veroordeeld, en werd op 6 februari 1813 terechtgesteld op een publieke plaats te Ieper[252].
- LUDWIG Marie
Marie Catherine Ludwig, 24 jaar, werd geboren te Amsterdam en was op het moment van de feiten huisbediende te Klemskerke. Ze werd beschuldigd van roofmoord op Cecile Martens. Dit alles gebeurde met voorbedachte rade. Ze werd op 16 december 1812 door het assisenhof van het département de la Lys ter dood veroordeeld en werd op 13 februari 1813 om 12h ’s middags op de Vrijdagsmarkt terechtgesteld[253].
- VAN HOVE Jacques
Jacques Alexander Van Hove, wagenmaker, geboren en wonende te Westoutre, werd ervan beschuldigd op 29 november 1812 Barbe Ysenbrandt (Vrouw van Pierre Boone) te hebben vermoord met voorbedachte rade. Hij werd op 25 september 1813 door het Hof van Assisen van het département de la Lys ter dood veroordeeld en op 4 december 1813 op de Grote Markt te Ieper terechtgesteld[254].
1.2. Het Hollandse regime
- DE BEUCK Joseph
Joseph De Beuck, 28 jaar, koerier, geboren en wonende te Ingelmunster, werd ervan beschuldigd op 13 juli 1815 zijn vrouw Barbe Thérèse van Oost met arsenicum te hebben vergiftigd. Hij werd op 15 december 1815 door het Hof van Assisen van West-Vlaanderen ter dood veroordeeld, en op 23 februari om 12h ’s middags terechtgesteld op de Grote Markt te Kortrijk[255].
- DE BISSCHOP Pierre en Jean, VAN ROYE Hubert
Pierre Joseph De Bisschop was een 39 jarige katoenwever, geboren en wonende te Ronse. Zijn broer, Jean Joseph De Bisschop was een 37 jarige katoenwever, eveneens geboren en gedomicilieerd in Ronse. Hubert Van Roye was een 22 jarige leisteenhandelaar, geboren en wonende te Kortrijk. Ze werden ervan beschuldigd in de nacht van 26 op 27 december 1816 een inbraak te hebben gepleegd in het huis van Pierre Joseph De Clercq te Avelghem. Ze werden op 3 juli 1817 door het assisenhof van de provincie West-Vlaanderen ter dood veroordeeld, en op 4 oktober om 12h ’s middags terechtgesteld op de Grote Markt te Brugge[256].
- VERPLANCKE Joanna
Joanna Verplancke, 26 jaar dienstmeid geboren te Zwevelghem en wonende te Wardamme, werd ervan beschuldigd om op 27 april 1820 haar pasgeboren zoontje te hebben omgebracht. Ze werd op 22 september 1820 door het assisenhof in West-Vlaanderen ter dood veroordeeld, en op 17 februari 1820 terechtgesteld op de Vrijdagsmarkt te Brugge[257].
- GHIJSELEN Engelalbert
Engelalbert Ghijselen, 40 jaar, herbergier en werkman, geboren en wonende te Bixschote, werd beschuldigd van moord op Barbara Loot en Lodewijk Boerhaane. Daarenboven werd hij beschuldigd van poging tot moord op Joseph Boerhaane en brandstichting van het woonhuis van de Boerhaanes. Hij werd op 17 april 1824 door het Assisenhof te West-Vlaanderen ter dood veroordeeld, en op 19 februari 1825 op de middag, terechtgesteld op de Vrijdagsmarkt te Brugge[258].
- GODERIS Francis en VERPLAETSE Godelieve
Francis Goderis, 22 jaar, werkman, geboren en wonende te Oostduinkerke, en Godelieve Verplaetse, 35 jaar, werkvrouw, geboren en wonende te Oostduinkerke werden beschuldigd van de moord op Karel Rustiens. Ze werden op 19 juni 1824 door het Assisenhof te West-Vlaanderen ter dood veroordeeld en op 4 juni 1825 terechtgesteld op de Vrijdagsmarkt te Brugge[259].
Tijdens de Hollandse periode werden er 9 personen bij verstek ter dood veroordeeld. Door het slecht functioneren van het vervolgingsapparaat kon de overheid deze voortvluchtige ter dood veroordeelden niet op het spoor komen. Het assisenvonnis bij verstek van deze personen werden wel op een paal gespijkerd door de toenmalige scherprechter Jan –Willem Hannof. Hoewel er geen openbare executie plaatsvond trok ook deze gebeurtenis al heel wat aandacht.
1.3. Het onafhankelijke België
- NYS Dominicus
Dominicus Nys, 29 jaar, slager, geboren te Zweveghem en wonende te Tourcoing, werd beschuldigd van vrijwillige doodslag op Francis Leagre en diefstal ten nadele van dezelfde persoon. Hij werd op 4 oktober 1834 door het Assisenhof van West-Vlaanderen ter dood veroordeeld, en op 2 februari 1835 terechtgesteld te Kortrijk[260]. Nys was tevens de eerste persoon die na een periode van 5 jaar feitelijke afschaffing van de doodstraf werd terechtgesteld.
- VAN GHELUWE Ivo
Ivo Van Gheluwe, 25 jaar, dienstbode, geboren te Oudeghem en wondende te Moen, werd beschuldigd van moord met voorbedachten rade op Xaverius Verplancke en diefstal ten aanzien van dezelfde persoon. Hij werd op 4 februari 1835 door het Assisenhof van West-Vlaanderen ter dood veroordeeld, en op 23 mei 1835 om 8h ’s morgens terechtgesteld op de Korenmarkt te Kortrijk[261].
- DE COENE Pieter Alexander
Pieter Alexander De Coene, 32 jaar, werkman, geboren te Passendaele en wonende te Oostrosebeke, werd beschuldigd van moord met voorbedachten rade op zijn vrouw, Barbara van Isacker. Hij werd op 26 augustus 1841 door het Assisenhof van West-Vlaanderen ter dood veroordeeld, en op 10 mei 1842 om kwart na twaalf terechtgesteld op Den Burg te Brugge[262].
- CHRISTIAENS Joannes
Joannes Christiaens, 22 jaar, werkman, geboren en wonende te Wareghem, werd beschuldigd van moord met voorbedachten rade op Catherina Ghequière en diefstal ten aanzien van dezelfde persoon. Hij werd op 10 maart 1846 door het Assisenhof van West-Vlaanderen ter dood veroordeeld, en op 7 april 1846 om twaalf uur terechtgesteld op de Grote Markt te Kortrijk[263].
- DE METTERE Eduardus
Eduardus De Mettere, 25 jaar, tuinman, geboren en wonende te Kortrijk, werd beschuldigd van vadermoord. Hij werd op 3 juni 1846 door het Assisenhof van West-Vlaanderen ter dood veroordeeld, en op 6 juni 1846 om twaalf uur ’s middags terechtgesteld op Den Burg te Brugge. De Mettere kreeg wel gratie voor het afhakken van zijn hand, een bijkomende straf die het wetboek voorzag voor vadermoordenaars[264].
- KEERSEBILCK Karel en VAN TROYEN Philippus – Jacobus
Karel Keersebilck, 28 jaar, boerendienstknecht, geboren en wonende te Zuynkerke en Philippus – Jacobus, 49 jaar, boerenwerkman, geboren te Stalhille en wonende te Zuynkerke, werden beschuldigd van moord met voorbedachten rade op Joanna De Boeve (echtgenote Van De Pitte) en haar dochtertje Rosalie Van De Pitte (9 maand oud) en diefstal ten nadele van de familie Van De Pitte. Ze werden op 15 april 1851 door het Assisenhof van West-Vlaanderen ter dood veroordeeld, en op 9 juli 1851 om 8h ’s morgens terechtgesteld op de Gendpoort te Brugge[265].
- SCHOUTET Desiderius
Desiderius Schoutet, 41 jaar, steenbakker, geboren te Alveringhem en wonende te Steenkerke, werd beschuldigd van 3 moordaanslagen op zijn vrouw Barbara Gennevier, en 1 moordaanslag op de dagloner Elias Pauwels. Hij werd op 5 december 1852 door het Assisenhof van West-Vlaanderen ter dood veroordeeld, en op 10 januari 1852 om 9.05h ’s morgens terechtgesteld op de Gendpoort te Brugge[266].
- BRAME Joseph
Joseph Brame, 59jaar, arbeider, geboren te Houthem, wonende te Warneton, werd beschuldigd van dubbele brandstichting op de eigendommen van Pierre Briat. Hij werd op 10 augustus 1854 door het Assisenhof van West-Vlaanderen ter dood veroordeeld, en op 20 september 1854 om 8h ’s morgens terechtgesteld op de Grote Markt te Kortrijk[267].
- ALGOET Karel
Karel Algoet, 31 jaar, metser, geboren en wonende te Desselghem, werd beschuldigd van vrijwillige doodslag met voorbedachten rade op de persoon van Melanie Van De Steene, en diefstal ten nadele van Angelus Meersman. Hij werd op 16 maart 1855 door het Assisenhof van West-Vlaanderen ter dood veroordeeld, en op 16 april 1855 om 7.30h ’s morgens terechtgesteld op de Jan Palfijnplaats te Kortrijk[268].
- RYS Auguste, DE PRAETERE Pierre
Auguste Rys, 41 jaar, wever, geboren te Rekhem en wonende te Moeskroen, en Pierre De Praetere, 31 jaar, wever, geboren te Dichele en wonende te Roubaix, werden beschuldigd van moord op Catherine Hoiedez, Jean Hoiedez en Auguste Hoiedez, en diefstal ten nadele van deze personen. Ze werden op 23 april 1855 door het Assisenhof van West-Vlaanderen ter dood veroordeeld, en op 2 juli 1855 om 8h ’s morgens terechtgesteld op de Grasmarkt te Brugge[269].
- ACKE Pieter Josephus
Pieter Acke, 39 jaar, geboren te Woesten en wonende te Westvleteren, werd beschuldigd van moord op Joanna Spriet, diefstal ten nadele van dezelfde persoon, poging tot verkrachting van Julie Wollaert, en diefstal ten nadele van Pieter Heite. Hij werd op 27 februari 1862 door het Assisenhof van West-Vlaanderen ter dood veroordeeld, en op 3 april 1862 om 9h ’s morgens terechtgesteld op de Grasmarkt te Brugge[270].
- KESTELYN Karel
Karel Kestelyn, 43 jaar, dagloner, geboren te Elverdinghe en wonende te Vlamertinghe, werd als leider van de rode bende beschuldigd van verschillende moorden, diefstallen en slagen en verwondingen. Hij werd op 19 februari 1863 door het Assisenhof van West-Vlaanderen ter dood veroordeeld, en op 1 juli 1863 om 7h ’s morgens terechtgesteld op het Minneplein te Ieper[271].
1.4. Algemene kenmerken van de geëxecuteerde personen
Aan de hand van bovenstaande identiteitsgegevens kunnen een aantal typerende kenmerken van de geëxecuteerden naar voor gehaald worden, zonder de ambitie te koesteren om via deze gegevens een beeld op te hangen van een prototype geëxecuteerde. Dit valt immers buiten het opzet van deze thesis, bovendien is de bestudeerde groep niet representatief genoeg om een dergelijke vraagstelling te kunnen beantwoorden. Toch is het interessant om de geguillotineerde veroordeelden binnen de West-Vlaamse casus ook eens kort vanuit een kwantitatieve invalshoek te bestuderen.
Van de 25 personen die in West-Vlaanderen onder de guillotine belandden, waren er slechts 3 van het vrouwelijke geslacht. De overige 22 terechtgestelde personen waren mannen. De executies van de vrouwen vonden allemaal plaats in de periode vóór de Belgische onafhankelijkheid. Vanaf 1825 heeft elke door het Hof van Assisen te West-Vlaanderen ter dood veroordeelde vrouw gratie gekregen. De gemiddelde leeftijd van de geëxecuteerde vrouwen was 28 jaar, die van de mannen 34 jaar. Ondanks deze leeftijd hadden sommigen onder hen reeds een aanzienlijk juridisch verleden. Joannes Chrstiaens bijvoorbeeld; hij was 22 jaar, en was reeds 3 maal veroordeeld voor diefstal.
Vanuit de sociale hoek belicht, behoorden de meeste onder hen tot de klasse van diegene die amper konden lezen of schrijven. Dit bleek uit het feit dat de getuigenissen onderaan vaak ondertekend werden met een X. De vermelding van hun beroepen toonde aan dat niemand onder deze ter dood veroordeelden een belangrijke sociale positie vervulde. Werkmannen (4), werkvrouwen (1), dienstmeiden (2), dienstbodes (2), wevers (2), weefsters (1), een dagloner, een marktkramer, een koerier, een wagenmaker, een herbergier, een slager, een steenbakker, een metser, een arbeider, en een tuinman, waren de beroepen die voorkwamen in de assisendossiers. Bij een aantal onder hen stond zelfs geen specifiek beroep vermeld.
1.5. Aard van de veroordeling.
Onder de 25 personen die werden terechtgesteld in West-Vlaanderen in de periode tussen 1811 en 1867, werd er slechts 1 onder hen louter omwille van brandstichting geguillotineerd. Het betreft hier Jacques Deckmyn, hij werd op 6 februari 1813 geëxecuteerd. Hoewel Artikel 434 van de Code Pénal luidde: “Al wie opzettelijk in gebouwen, schepen, schuiten, pakhuizen, werven, bossen, hakhout, of oogsten, het zij te veld staand, hetzij gekapt, gemaaid (…), brand sticht, zal met de dood gestraft worden.”, blijkt uit de West-Vlaamse casus toch dat op één na alle voor brandstichting ter dood veroordeelden, gratie kregen.
De 25 andere geëxecuteerden hadden daarentegen de dood van een medemens op hun geweten. In 12 van de gevallen ging deze moord gepaard met diefstal. In 1 geval ging het om kindermoord van een zuigeling vlak na de geboorte[272]. In één geval, dat van Joseph Braem, ging het hier toch nog om brandstichting, maar dan wel met een dodelijke afloop, want 2 mensen kwamen om in de gebouwen die hij in brand had gestoken.
2. Het gedrag van de veroordeelde voor de executie
In de verslaggeving over de openbare terechtstellingen vervulde de ter dood veroordeelde zonder twijfel een primordiale rol. Vooral bij de katholiek georiënteerde kranten werden de laatste verzuchtingen van de ter dood veroordeelde nauwlettend gevolgd. In de liberaal georiënteerde kranten werd daarentegen, met grote afkeer, meer aandacht besteed aan de aanwezigheid van talrijke nieuwsgierigen.
Er werd in de katholieke kranten vooral aandacht besteed aan de religieuze gevoelens van de crimineel. De biecht, de heilige communie, de aalmoezenier en de heilige mis, zijn allemaal factoren die keer op keer terug te vinden zijn in de berichtgeving. De grootste crimineel bleek met het oog op de dood te veranderen in een toonbeeld van godsvrucht en geloof. Hun boetvaardigheid en spijt werden extra benadrukt. De vadermoordenaar,
De Mettere, liet een brief schrijven aan zijn moeder en broer: “(…)écrivez – leur, que je leur demande pardon de tout le chagrin que je leur ai causé; recommandez à mon frère qu’il s’ éloigne constamment de la voie que j’ai suivi (…)”[273]. Ook bij Désiré Schoutet, die een driedubbele vergiftiging op zijn geweten had, getuigen de krantenberichten van een uitgesproken religiositeit. Deze veroordeelde weigerde ’s nachts zelfs te slapen omdat hij de tijd die hem nog restte volledig aan het gebed wilde wijden. Sinds zijn veroordeling had hij immers nog slechts één wens, namelijk sterven en zich klaarmaken om voor het laatste oordeel, de opperste rechter te verschijnen. Ook hij schreef een brief, deze keer naar zijn zoon, waarin hij hem het juiste pad trachtte te tonen.“(…)Je vous recommande d’être toujours sage, et de vous bien comporter, d’observer les commandements de Dieu, de fréquenter de temps en temps les sacrements, (…)”[274].
Uit de krantenberichten bleek ook dat de laatste actie van de ter dood veroordeelde vaak het kussen van het kruisbeeld was. Deze handeling ging meestal gepaard met de woorden “Seigneur, je remets mon âme entre vos mains”[275],“Mon Dieu, je remets mon âme entre vos mains”[276], “Heer in uw handen beveel ik mynen geest”[277]. Tot op het laatste moment bleef de priester aan de zijde van de veroordeelde, die meestal zonder al te veel tegenstribbelen de handelingen onderging. Ook bij de laatste geëxecuteerde, Kestelyn, aanvoerder van de rode bende, bleek uit de berichtgeving een gelijkaardig scenario.