Openbare terechtstellingen in West-Vlaanderen (1811-1867). (Marleen Dupont)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL II: DE WET EN DE DOODSTRAF IN HET 19de-EEUWSE BELGIË

 

Het Belgische strafrecht werd gedurende de 19de eeuw volledig beheerst door de napoleontische “Code des délits et des peines” (1810). Het vormde zelfs de basis voor het nieuwe Belgische strafwetboek uit 1867.

 

I  HET WETTELIJK KADER

 

1. De Code Pénal

 

1.1.  Misdaden waarop de doodstraf van toepassing was

 

Zoals in deel één reeds vermeld, werden vooral de misdrijven tegen de staat door deze napoleontische Code Pénal hardhandig aangepakt. Zo stond de doodstraf op het meewerken aan invasies op touw gezet door buitenlandse legers (art. 75-77, 79, 81-83). Ook spionage door het overheidspersoneel (art. 80), een aanslag op de vorst of zijn familie (art. 86 en 87), en betrokkenheid bij enige vorm van militaire agitatie (art. 91-96) werden bestraft met de dood. Tot slot werd ook elke vorm van valsmunterij (art. 132 en 139) met de dood bestraft[173].

 

Moord, oudermoord[174], kindermoord, vergiftiging, diefstal vergezeld van mishandeling en doodslag vergezeld van een andere misdaad of wanbedrijf (art. 302-304), waren de misdrijven tegen personen die met de dood werden bestraft.

 

De misdrijven tegen eigendommen die met de doodstraf bestraft werden waren: diefstal met 5 verzwarende omstandigheden[175] (art. 381), en brandstichting in de gebouwen, schepen, pakhuizen, werven oogsten, …(art. 434)[176].

 

Zoals vermeld in Deel I was de Code Pénal uit 1810 op verschillende vlakken veel strenger dan zijn voorganger uit 1791. Art. 2 bepaalde bijvoorbeeld dat elke poging tot misdaad die een begin van een uitvoering inhield, werd bestraft zoals de voltooide misdaad. Een poging tot moord werd dus evenals een moord met de dood bestraft. Een analoog scenario werd voorzien voor medeplichtigheid. Volgens art. 59 ontving een medeplichtige dezelfde straf als de dader. Daarenboven werden volgens art. 56 de straffen voor personen die reeds eerder een strafrechterlijke veroordeling opgelopen hadden met een graad verhoogd. Recidivisten die normaal gezien zouden worden bestraft met eeuwige dwangarbeid, werden op die manier dus ook ter dood veroordeeld[177]. Op deze manier zou deze zeer repressieve Code zelfs de meest verdorven individuen tot inkeer moeten brengen.

 

1.2. Toepassing van de doodstraf

 

Art. 12 van de Franse Code Pénal uit 1810, die tot de invoering van het nieuwe Belgische strafwetboek op 8 juni 1867 van kracht bleef, bepaalde: “Tout condamné aura la tête tranché”. Deze onthoofding gebeurde op een uniforme wijze voor elke veroordeelde. De onthoofding werd gezien als een loutere beroving van het leven door middel van de guillotine. Hoewel de doodstraf in 1791 zo veel mogelijk ontdaan werd van alle bijkomende kwellingen en folteringen, werd in 1810 aan de doodstraf voor bepaalde veroordelingen nog een aantal bijkomende straffen toegevoegd. Artikel 13 van de Code Pénal luidde: “Le coupable condamné à mort pour parricide sera conduit sur le lieu de l’exécution, en chemise, nu-pieds, et la tête couverte d’un voile noir. Il sera exposé sur l’échafaud pendant qu’un huissier fera au peuple lecture de l’arrêt de condamnation; il aura ensuite le poing droit coupé, et sera immédiatement exécuté à mort”. Om de voorbeeldfunctie van deze terechtstellingen te garanderen, diende ze in het openbaar plaats te hebben. Art. 26 van de Code Pénal stelde: “L’exécution se fera sur l’une des places publiques du lieu qui sera indiqué par l’arrêt de condamnation”.De executie mocht niet plaatsvinden op een zondag, officiële of kerkelijke feestdag, en wanneer een vrouw zwanger was werd volgens artikel 27 de executie uitgesteld tot na de bevalling.

 

2. De weg naar een eigen Belgisch strafwetboek

 

Na de Belgische onafhankelijkheid zal het debat rond de doodstraf hernomen worden vanaf 1832, de vraag omtrent het behoud van deze ultieme straf werd praktisch in elke parlementaire sessie opgeworpen. In de kamer en de senaat werd dit hekel punt aangekaart in de sessies van 1831-32, 1833-34, 1834-35, 1839-40 tot 1843-44, 1846-47, 1848-49, 1851-52, 1852-53, 1860-61 tot 1862-63 en tot slot in de sessies 1865-66 en 1866-67[178].

 

Ondanks het feit dat België in de eerste vijf jaar van haar bestaan een feitelijke afschaffing van de doodstraf kende, lieten de voorstellen om deze straf ook wettelijk af te schaffen niet lang op zich wachten. Reeds op 19 juni 1832 diende Henri de Brouckère een wetsvoorstel in om de doodstraf, deportatie, het brandmerken en het handafhakken af te schaffen. Hij motiveerde zijn voorstel door te stellen: “il est urgent d’en (Uit het strafwetboek) faire disparaître les peines qui ont cessé d’être en harmonie avec nos mœurs, qui sont contraire à l’humanité et à la justice.” Jammer genoeg voor de Brouckère maakte een voorstel waarin de doodstraf zou worden afgeschaft en vervangen door eeuwigdurende dwangarbeid, geen kans[179].

 

Op 1 augustus 1834 werd in de kamer van volksvertegenwoordigers een project tot herziening van het napoleontische strafwetboek en het wetboek van strafvordering neergelegd door de minister van justitie Joseph Lebeau[180]. De vernieuwende elementen uit dit project werden sterk beïnvloed door de Franse wet van 28 april 1832 aangaande de herziening van de Code Pénal en de introductie van de verzachtende omstandigheden. Lebeau stelde: “Heureuse la nation qui pourra la (de doodstraf) rayer un jour de son code” [181]. Hij raadde, in navolging van de Franse wet uit 1832, aan om door het hanteren van verzachtende omstandigheden de toepassing van de doodstraf zoveel mogelijk te vermijden. Het project onderdrukte de deportatie, de kaak, de verbanning en het brandmerken. De eeuwigdurende hechtenis vormde een alternatief voor de doodstraf bij politieke misdaden. Over dit project werd niet eens gediscuteerd, alleen J.J. Haus schreef naar aanleiding van dit project zijn “Observations sur le projet de révision du code pénal présenté aux Chambres belges, suivies d’un nouveau projet.” Desondanks werd ook dit project op de lange baan geschoven[182].

 

Op 1 november 1848 werd er bij Koninklijk Besluit een buitenparlementaire commissie aangesteld die zich diende bezig te houden met de voorbereiding van een project tot de herziening van de Code Pénal uit 1810. De commissie was samengesteld uit vijf leden, waarbinnen J.J. Haus een centrale rol innam. De basis van dit project werd gevormd door de ideeën die Haus in 1835-1836 had geformuleerd. De meeste rapporten van deze commissie werden ook exclusief door Haus opgesteld [183]. De vraag omtrent het nut van de doodstraf in België was in deze commissie het onderwerp van hevige discussie. Slechts één van de vijf leden was voor de onmiddellijke en totale afschaffing van de doodstraf, de andere vier waren voor het behoud van de doodstraf, maar tegen de executie ervan op een publieke plaats[184]. Men begon in te zien dat de executies, in plaats van de massa te inspireren, een tegengesteld effect konden hebben. Deze openbare terechtstellingen oefenden een verderfelijke invloed uit op de toeschouwers. Er gingen steeds meer stemmen op om dit “juridisch bloedvergieten” aan het oog van de bevolking te onttrekken[185].

 

Vanaf 1848 tot aan de invoering van het Belgische strafwetboek, zal het probleem van de doodstraf nog 53 keer worden aangekaart in de kamer, en 19 keer in de senaat[186].

 

Op basis van de beslissingen van de aangestelde commissie, diende minister van justitie de Haussy eind 1849 - begin 1850 bij de kamer van volksvertegenwoordigers een wetsontwerp in van wat het eerste boek van onze nieuwe strafwet zou worden. De verspreiding van de verschillende zittingen, de lange discussies en het grote aantal amendementen heeft ervoor gezorgd dat het eerste boek van de nieuwe Code Pénal maar werd aangenomen op 10 maart 1853.[187] Het belangrijkste amendement tegen de doodstraf kwam er op 13 november 1851 door Perceval. Hij stelde een volledige onderdrukking van de doodstraf voor. Zijn amendement werd echter weggestemd met 48 stemmen tegen 9, en één onthouding[188].

Dit deel van het strafwetboek kon echter maar in werking treden na de goedkeuring van het tweede boek. Dit tweede boek werd slecht vier jaar later, op 20 januari 1858, door de toenmalige minister van justitie Tesch, ingediend bij de kamer van volksvertegenwoordigers. Op 17 mei 1867 werd het nieuwe strafwetboek goedgekeurd door de Senaat[189].

 

Hoewel de Code Pénal gedurende deze periode nog steeds van kracht was, werd deze toch niet altijd strikt toegepast. De Code Pénal voorzag, zoals reeds eerder vermeld, voor vadermoordenaars een bijkomende straf, bovenop de executie. Volgens art. 13 diende vlak voor de executie de rechterhand van de veroordeelde te worden afgehakt. De enige vadermoordenaar uit de West-Vlaamse casus, namelijk De Mettere werd echter door het koninklijk besluit van 3 juni 1846 vrijgesteld van deze beproeving[190]. Via het gratierecht ontsnapten steeds meer ter dood veroordeelden vanonder het mes van de guillotine. Daarnaast werd ook door de wet van 5 juni 1832 bepaald dat op het namaken van binnenlandse gouden of zilveren munten niet langer de doodstraf stond[191].

 

3. Het Belgisch strafwetboek

 

3.1. Misdaden waarop de doodstraf van toepassing was

 

Bij de invoering van het Belgische strafwetboek van 1867, werd in de lijst van halsmisdaden fors gesnoeid. Brandstichting, wat onder de Code Pénal een kapitaal delict was, werd in het Belgische strafwetboek niet meer met de dood bestraft.[192] Tenzij er bij de brandstichting dodelijke slachtoffers vielen, en de dader zich bewust was van de aanwezigheid van deze mogelijk slachtoffers[193]. Ook diefstal met de vijf verzwarende omstandigheden werd niet meer bestraft met de dood[194].

 

De ultieme straf werd hoofdzakelijk nog behouden voor misdaden gepleegd tegen personen: moord[195], vadermoord[196] en vergiftiging[197]. Kindermoord kon bestraft worden als moord of als doodslag. Er werd een duidelijk onderscheid gemaakt tussen kindermoord gepleegd door een moeder op haar onwettig kind, wat bestraft werd met tijdelijke dwangarbeid, en kindermoord gepleegd door elke andere persoon, dit werd naargelang de omstandigheden bestraft zoals moord of doodslag [198].

 

Met betrekking tot de misdaden tegen de staat werd alleen een aanslag tegen de vorst of zijn troonopvolger nog met de dood bestraft[199].

 

Zowel de poging tot het plegen van een kapitaal delict, als de medeplichtigheid eraan, werden niet langer met de dood bestraft. Ook de verzwaring van de straf in geval van recidivisme werd afgeschaft. Bovendien gaf het systeem van verzachtende omstandigheden het Hof de mogelijkheid om de doodstraf door levenslange dwangarbeid te vervangen. Dit systeem van verzachtende omstandigheden bestond reeds voor de invoering van het nieuwe strafwetboek, maar was toen niet van toepassing op de doodstraf. Tot slot werd ook de minimumleeftijd voor de doodstraf opgetrokken tot de leeftijd van 18 jaar[200].

 

3.2. Toepassing van de doodstraf

 

Met betrekking tot de modaliteiten van de doodstraf, bracht het nieuwe strafwetboek  niet veel nieuws onder de zon.

 

Art. 8 voorzag nog steeds dat de executie door middel van onthoofding moest gebeuren.

Art. 9 bepaalde dat de straf in het openbaar zou moeten plaatsvinden, in de gemeente bij het arrest van veroordeling aangewezen. De veroordeelde zou vergezeld door de minister van eredienst, wiens bijstand hij kon inroepen, in een celrijtuig naar de strafplaats worden gevoerd. Daar zou hij op het schavot onmiddellijk gehalsrecht worden.

Art. 10 bepaalde dat het lichaam van de veroordeelde aan zijn familie zou worden afgeleverd, indien deze dit vorderde. Geen enkel terechtstelling mocht plaatsvinden op een nationale, of godsdienstige feestdag, noch op zondag.

Art. 11 voorzag tot slot dat een zwangere vrouw ter dood zou worden gebracht na de bevalling[201].

 

Ondanks het feit dat de doodstraf als een stok achter de deur werd behouden, zal na de executie van Kestelyn in 1863 geen terechtstellingen meer worden uitgeoefend. Op deze regel werd slechts één uitzondering gemaakt. Op 26 maart 1918 werd Emiel Verfaille, door tussenkomst van de Franse beul op het binnenplein van de gevangenis te Veurne gehalsrecht[202]. Deze onderofficier had tijdens de oorlog een jonge vrouw vermoord. De koning weigerde genade te verlenen, omwille van de bedenking dat door de omzetting van de doodstraf in levenslange dwangarbeid, de veroordeelde zijn leven zou veilig gesteld hebben, terwijl de frontsoldaten in grote aantallen hun leven dienden te offeren voor de verdediging en bevrijding van het land[203].

 

 

II ENKELE CIJFERS MET BETREKKING TOT DE TOEPASSING VAN DE DOODSTRAF [204]

 

1. De Franse periode

 

zwart = cijfers voor België

Groen = cijfers voor West-Vlaanderen

 

JAAR

AANTAL TER DOOD VEROORDEELDEN

AANTAL TERECHTGESTELDEN

PERCENTAGE VAN DE VEROORDEELDE DAT EFFECTIEF GEËXECUTEERD WERD

1811

23                          0

14                              0

61                           /       

1812

19                          2

16                              2

84                         100       

1813

28                          2

23                              1

82                         50

1814

6                           

5                                0

83                          /

 

2. Hollandse periode

 

JAAR

AANTAL TER DOOD VEROORDEELDEN

AANTAL TERECHTGESTELDEN

PERCENTAGE

1815

4                              1

2                                1

67                          100   

1816

8                              4

3                                0

37.5                           0

1817

8                              3

7                                3

87.5                       100   

1818

8                              3

5                                0

62.5                            0       

1819

11                            2

9                                0

82                                0

1820

2                              1

2                                1

100                         100

1821

17                            0

11                              0

65                             /

1822

6                              1

2                                0   

33                               0

1823

5                              1

2                                0

40                               0

1824

10                            5

6                                3

60                             60

1825

16                            3

5                                0

31                                0 

1826

9                              0

2                                0

22                                /

1827

14                            2

1                                0

7                                   0

1828

17                            0

11                              0

65                                 0

1829

9                              1

3                                0

33                                 0 

 

3. Na de Belgische onafhankelijkheid

 

JAAR

AANTAL TER DOOD VEROORDEELDEN

AANTAL TERECHTGESTELDEN

PERCENTAGE

1830

2                             0

0                               0

0                             0

1831

9                             3

0                               0  

0                             0   

1832

6                             1

0                               0

0                             0

1833

5                             2     

0                               0

0                             0

1834

26                           15

1                               1

4                             6.5 

1835

18                           7

2                               1   

11                           14     

1836

15                           6

0                               0 

0                             0

1837

14                           3

0                               0 

0                             0   

1838

6                             2

1                                0

17                           0

1839

19                           6

1                               0

5                             0    

1840

18                           7

0                               0

0                             0   

1841

27                           10

2                               1      

7                             10  

1842

20                           6

1                               0 

5                               0  

1843

20                           5 

1                               0

5                               0

1844

27                           5

3                               0

11                             0

1845

24                           8  

7                               0

29                             0 

1846

58                           25

3                               2

5                               8

1847

26                           14  

3                               0

11.5                         0

1848

43                           12

4                               0

9                               0

1849

41                            7

1                               0 

2                               0

1850

42                             3      

3                               0

7                               0  

1851

31                          12

6                               3

19                           25

1852

18                          5

0                               0 

0                              0

1853

25                          6

1                               0

4                              0

1854

24                          9

4                               1

17                            11

1855

32                          12

6                               3  

19                            25

1856

19                          6    

1                               0

5                               0

1857

14                          2

1                               0

7                                0  

1858

26                          10   

0                               0

0                                0

1859

18                          7        

0                               0

0                                0

1860

16                          5  

2                               0

12.5                           0

1861

32                          6

3                               0

9.4                             0 

1862

19                          5

1                                  1

5.3                             20  

1863

13                          7

1                               1

7.7                            14.3

 

Over het algemeen is er een geleidelijke daling waarneembaar van het aantal ter dood veroordeelden sinds de Franse periode. In 1834 steeg het aantal ter dood veroordeelden in België bruusk tot 26, een cijfer dat zelfs tijdens het Nederlandse régime nooit werd bereikt. Deze stijging betekende het einde van de vijf jaar durende, feitelijke afschaffing van de doodstraf. De stijgende bendecriminaliteit vooral in Vlaanderen,  vormde natuurlijk een ideale voedingsbodem voor de voorstanders van de doodstraf. Ze schreven de stijging van het aantal misdaden toe aan de misplaatste filantropie van de minister van justitie[205]. Minister Ernst gaf onder de stijgende druk toe dat de doodstraf nooit in wet werd afgeschaft en dat een consequent gratierecht voor moordenaars nooit de bedoeling was geweest. Het gevolg hiervan was dat men op 3 februari 1835 in het staatsblad kon lezen dat Dominicus Nys te Kortrijk zou werd terechtgesteld[206].

 

Ook het toepassen van de executie nam geleidelijk af. Vanaf 1811-1815 werd in België 76 % van de geëxecuteerden ook effectief terechtgesteld (58 terechtstellingen op de 76 veroordeelden). In de Hollandse periode daalde dit percentage tot 49% (71 terechtstellingen op 144 veroordelingen). En in het Belgische regime was het percentage teruggedrongen tot 7.8% (59 terechtstellingen op 753 veroordelingen). De hoofdreden waarom zo weinig veroordeelden ook effectief terechtgesteld werden, was de toepassing van het koninklijke gratierecht. Dit werd steeds systematische doorgevoerd, zodat de doodstraf in de praktijk enkel nog voor de ergste gevallen bewaard bleef.

 

 

III  HET GRATIERECHT

 

Heel wat ter dood veroordeelden werden, zoals bleek uit voorgaande cijfergegevens, niet effectief ter dood gebracht. Gedurende de 19de eeuw konden steeds meer ter dood veroordeelden, door het toedoen van de koninklijke gratie, aan de guillotine ontsnappen. Daarom is het interessant om dit recht tot gratie eens van naderbij te bekijken.

 

1. Onder het Hollandse régime

 

1.1.  De procedure

 

Op de eerste plaats werd er door de veroordeelde, de familie van de veroordeelde, of derden die het goed met hem meenden een verzoek tot gratie opgesteld. Dit verzoek, dat goed onderbouwd diende te zijn, werd vervolgens naar de vorst gezonden. De instantie die zich bezighield met de administratie van de koning, zorgde ervoor dat de aanvraag naar de minister van justitie werd verstuurd. Deze moest dan de tenuitvoerlegging van het vonnis opschorten[207].

 

Vervolgens vroeg de minister van justitie advies aan het hoogste rechtscollege[208]. Dit college bestond uit de vier kamerpresidenten en de procureur-generaal. Wanneer het adviserend college het advies had geformuleerd, werd het samen met het request terug naar de minister van justitie verzonden[209].

 

De minister voorzag het advies al dan niet van zijn akkoord, en stuurde het vervolgens door naar de vorst. Op basis van dit advies zal de koning zijn beslissing formuleren. Reeds vanaf Willem I heeft de vorst zelden een ander besluit genomen dan zijn minister. De minister van justitie had over het algemeen een beslissende stem binnen de gratieprocedure[210].

 

1.2.  De gratieafweging: het delict[211]

 

Cijfers onder het ressort van het hooggerechtshof van Brussel en van Luik (1815-1830).

 

KAPITALE MISDAAD

GEVALLEN VAN GRATIE

WEIGERING VAN DE GRATIE

Kindermoord

11

2

Moord + diefstal

4

15

Moord

7

15

Vadermoord

1

0

Diefstal met verzwarende omstandigheden

1

7

Brandstichting

12

2

Brandstichting en diefstal met verzwarende omstandigheden

1

0

Vergiftiging

2

2

Valsmunterij

7

0

Verzet tegen de openbare orde

1

0

Moord + verkrachting

1

0

Recidivisme

1

0

 

 

Doorgaans werd er een positief advies gegeven voor misdaden zoals: muntmisdrijven, brandstichting en kindermoord. De Code Pénal uit 1810 werd voor deze misdaden in het algemeen als veel te streng aanzien.

Doodslag met diefstal en moord met diefstal waren misdaden waarbij het verzoek tot gratie overwegend verworpen werd. In dergelijke gevallen doodde de crimineel zijn slachtoffer om op die manier de getuige tegen hem uit de weg ruimen; dit kon niet getolereerd worden[212].

 

1.3.  De gratieafweging: de veroordeelde

 

De persoonlijke kenmerken van de crimineel werden op de tweede plaats in beschouwing genomen. Het gedrag en het karakter van de veroordeelde vormde zeker een argument binnen de besluitvorming. Ook het geslacht, de leeftijd en de sociale herkomst van de crimineel konden een doorslaggevende rol spelen[213]. Zo verkreeg de ca. 18-jarige Maria de Beyst in 1825 gratie. Minister Van Maanen beargumenteerde deze beslissing door te stellen dat: “de uitvoering van de doodstraf aan vrouwen, vooral van jonge jaren, is voorzeker pijnigende voor het menselijke gevoel”[214].

 

2. Het Belgische regime

 

2.1.Procedure

 

Art. 73 van de Belgische grondwet stelde: “Le roi à le droit de remettre ou de réduire les peines prononcées par les juges, sauf ce qui est statué à l’égard des ministres”[215].

 

Hoewel de koning in principe autonoom over het verlenen van gratie kon beslissen, werd hij in de praktijk geadviseerd door de minister van justitie, die uiteindelijk de touwtjes in handen had. Het verzoekschrift tot gratie werd, net zoals in de Hollandse periode, aan de koning gericht. Vervolgens werd het verzonden naar de minister van justitie die op zijn beurt advies inwon bij de verschillende procureurs-generaal[216]. De strengheid van de doodstraf, en de regel dat deze diende toegepast te worden 24 uur na het uitspreken van het arrest door het Hof van Assisen, hebben ervoor gezorgd dat deze adviezen niet dienden te wachten op een verzoekschrift, maar dat ze automatisch, onmiddellijk na een veroordeling, geformuleerd konden worden. Deze maatregel werd niet genomen om de executies te voorkomen, maar wel om ze te versnellen[217]

 

2.2. De gratieafweging: het delict[218] 

 

Cijfers voor België (1831-1860)

 

KAPITALE DELICTEN

AANTAL VEROORDEELDEN

AANTAL TERECHTGESTELDEN

Vadermoord

10

3

Moord

177

17

Rebellie

21

0

Moord + diefstal

53

25

Doodslag + diefstal

13

1

Vergiftiging

24

3

Kindermoord

80

0

Aanranding van een kind.

3

0

Valsmunterij

17

0

Brandstichting

169

3

Diefstal met verzwarende omstandigheden

154

0

Totaal

721

52

 

De evolutie sinds het Hollandse regime, waarbij veroordeelden wegens valsmunterij, brandstichting en kindermoord steeds meer gratie verkregen, zette zich ook in het onafhankelijke België voort. Niemand werd nog geëxecuteerd voor kindermoord of valsmunterij. In de West-Vlaamse casus werden er 24 personen veroordeeld voor kindermoord in de periode 1831-1860. Geen van deze veroordeelden belandde hiervoor onder de guillotine.  Ook de 7 West-Vlaamse valsmunters kregen gratie.

 

Daarenboven werden ook de veroordeelden voor diefstal met de vijf verzwarende omstandigheden (art. 381 Code Pénal), niet meer geëxecuteerd, wat lijnrecht stond tegenover de Hollandse gebruiken. Over het algemeen kan dus gezegd worden dat misdaden tegen de eigendommen niet meer met de dood bestraft werden.

 

De misdaad bij  uitstek waarbij de doodstraf ook in de praktijk moest behouden blijven, was diefstal vergezeld van moord. De dieven zouden, met in het achterhoofd de gedachte dat ze toch niet onder de guillotine zouden belanden, hun slachtoffers immers bewust kunnen doden. Op die manier elimineerden ze mogelijke getuigen, en was de kans op vervolging kleiner[219]. Voor West-Vlaanderen waren 9 van de 14 geëxecuteerden (64%) inderdaad veroordeeld geweest voor diefstal gevolgd door moord.

 

Van de 284 ter dood veroordeelden te West-Vlaanderen werden er slechts 25 ook effectief terechtgesteld. In 4 van de gevallen werd het arrest verbroken door het hof van Cassatie. 12 van de ter dood veroordeelden waren voortvluchtig op het moment van het arrest, en werden niet geëxecuteerd. In de overige 243 gevallen werden de veroordeelden vrijgesteld van de doodstraf als gevolg van een koninklijk gratiebesluit[220].

 

Het was aan de minister van justitie, Jules Bara, dat de eer toekwam de doodstraf feitelijk te hebben onderdrukt. Hij stelde bij elke ter dood veroordeling voor om de straf om te zetten in levenslange dwangarbeid. Leopold II heeft, hoewel hij hiertoe in staat was geen enkel gratieverzoek verworpen[221]. Hoewel deze systematische toepassing van het gratierecht een terugdringing van de praktijk van de terechtstellingen betekende, was niet iedereen hier even gelukkig mee. Gratie was volgens sommigen geen goede oplossing om de bezwarende aanwezigheid van de doodstraf weg te werken. Te vaak de straf verzachten zou immers de geloofwaardigheid en het gezag van de wet en het gerecht aantasten[222].

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[173]  J. CAROEN, De doodstraf in Oost-Vlaanderen (1811-1914), Gent, R.U.G. (onuitgegeven       licentiaatsverhandeling), 2000, p. 22

[174] Hieronder werd verstaan; de doodslag van een wettige, natuurlijke of aangenomen vader of moeder, of van een wettige grootvader of grootmoeder in rechte lijn (zie: S. VAN RULLER, Genade voor recht, Amsterdam, De Bataafse Leeuw, 1987, p. 134)

[175] Deze vijf omstandigheden hielden in dat : 1) de inbraak ’s nachts werd gepleegd, 2) door twee of meerdere personen, 3) waarvan er minstens één een wapen droeg, 4) die zich tot een bewoond gebouw toegang verschaft hebben door uitwendige braak, beklimming, valse sleutels, misbruik van overheidstitels,      overheidsdocumenten of uniformen, en 5) bij het uitvoeren van de diefstal geweld of bedreigingen hebben gebruikt.

[176] J. DE BROUWER, op.cit., p. 11

[177] J. CAROEN, op.cit., p. 23-24

[178] J. DE BROUWER, op.cit., p. 19

[179] D. WEBER, op.cit., p. 47-48

[180] J.J. HAUS, op.cit., p. 69

[181] D. WEBER, op.cit., p. 52

[182] F. STEVENS, art.cit.,  p. 300

[183] ibid., p. 300 - 301

[184] J.J. HAUS, op.cit., p. 73

[185] ibid., p. 90

[186] M.S. DUPONT-BOUCHAT, op.cit., p. 118

[187] F. STEVENS, art.cit., p. 301

[188] D. WEBER, op.cit., p. 55

[189] F. STEVENS, art.cit., p. 301

[190] RAB, Archief van het Hof van Assisen van de provincie West-Vlaanderen, 55, arrest 2957.

[191] J. CAROEN, op.cit., p. 24

[192] Art. 510-513 van de Code Pénal uit 1867

[193] Art. 518 van de Code Pénal uit 1867

[194] Art. 467 van de Code Pénal uit 1867

[195] Art. 394 van de Code Pénal uit 1867

[196] Art. 395 van de Code Pénal uit 1867

[197] Art. 397 van de Code Pénal uit 1867

[198] Art. 396 van de Code Pénal uit 1867

[199] Art. 101-102 (J. CAROEN, op.cit., p. 25)

[200] J. CAROEN, op.cit., p. 25-26)

[201] J. DEBUSSERE, “De Guillotine bestaat 200 jaar”, ’t Meiboompje (Gulleghem), IX, 1992, p. 122

[202] J. CELS, Artikel 8, ieder ter dood veroordeelde wordt onthoofd, Deurne, Kluwer, 1981, p. 169

[203] ibid., p. 9

[204] J. DE BROUWER, op.cit., p. 25-28. Hij baseerde zich voor deze cijfers op: relevé des condamnations et exécutions capitales van 1796 tot 1833 in: Documents statistiques sur le Royaume de Belgique, Bruxelles, 1836, p. 122;  des condamnés à mort depuis l’an IV jusqu’en 1830, des condamnations à mort et exéctions dans le royaume van 1831 tot 1860 in: Statistique générale de la Belgique. Exposé de la situation du royaume (période décennale 1851-1860), Bruxelles, 1865, T.2, pp. 134-136; J.J. HAUS, op.cit., p. 89-90  Voor de cijfers over West-Vlaanderen: RAB, Archief van het Hof van Assisen van de provincie West-Vlaanderen.

[205] E. PICARD, Pandectes Belges…, Deel 39, p. 175

[206] ibid., loc.cit.

[207] S. VAN RULLER, Genade voor recht…, p. 56

[208] Voor de periode 1814 -1830 waren dit voor de Zuidelijke Nederlanden, het hooggerechtshoven van Brussel en van Luik.

[209] S. VAN RULLER, Genade voor recht…, p. 57

[210] ibid., p.64

[211] S. VAN RULLER, Genade voor recht…, p. 259-262

[212] ibid., p 143-145

[213] Van een bewuste bevoordeling van hoger geplaatsten was er geen sprake. In tegendeel zelfs, armoede kon bijvoorbeeld als verontschuldiging voor de lage klasse, maar niet voor de hoge klasse worden aangevoerd.

[214] ibid., p. 149

[215] E. PICARD, Pandectes Belges…, Deel 48, p. 945

[216] J. DE BROUWER, op.cit., p. 42

[217] E. PICARD, Pandectes Belges…, Deel 48, p. 1072

[218] J. DE BROUWER, op.cit., p. 44

[219] S. VAN RULLE, P. IPPEL, B. SANDERS, “Diefstal, doodstraf en lijfschade…, p. 9

[220] RAB, HA WEST 33-63.

[221] J. CELS, op.cit., p. 141

[222] J.J. THONISSEN, op.cit., p. 63