| Openbare terechtstellingen in West-Vlaanderen (1811-1867). (Marleen Dupont) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
DEEL II: DE WET EN DE DOODSTRAF IN HET 19de-EEUWSE BELGIË
Het Belgische strafrecht werd gedurende de 19de eeuw volledig beheerst door de napoleontische “Code des délits et des peines” (1810). Het vormde zelfs de basis voor het nieuwe Belgische strafwetboek uit 1867.
1.1. Misdaden waarop de doodstraf van toepassing was
Zoals in deel één reeds vermeld, werden vooral de misdrijven tegen de staat door deze napoleontische Code Pénal hardhandig aangepakt. Zo stond de doodstraf op het meewerken aan invasies op touw gezet door buitenlandse legers (art. 75-77, 79, 81-83). Ook spionage door het overheidspersoneel (art. 80), een aanslag op de vorst of zijn familie (art. 86 en 87), en betrokkenheid bij enige vorm van militaire agitatie (art. 91-96) werden bestraft met de dood. Tot slot werd ook elke vorm van valsmunterij (art. 132 en 139) met de dood bestraft[173].
Moord, oudermoord[174], kindermoord, vergiftiging, diefstal vergezeld van mishandeling en doodslag vergezeld van een andere misdaad of wanbedrijf (art. 302-304), waren de misdrijven tegen personen die met de dood werden bestraft.
De misdrijven tegen eigendommen die met de doodstraf bestraft werden waren: diefstal met 5 verzwarende omstandigheden[175] (art. 381), en brandstichting in de gebouwen, schepen, pakhuizen, werven oogsten, …(art. 434)[176].
Zoals vermeld in Deel I was de Code Pénal uit 1810 op verschillende vlakken veel strenger dan zijn voorganger uit 1791. Art. 2 bepaalde bijvoorbeeld dat elke poging tot misdaad die een begin van een uitvoering inhield, werd bestraft zoals de voltooide misdaad. Een poging tot moord werd dus evenals een moord met de dood bestraft. Een analoog scenario werd voorzien voor medeplichtigheid. Volgens art. 59 ontving een medeplichtige dezelfde straf als de dader. Daarenboven werden volgens art. 56 de straffen voor personen die reeds eerder een strafrechterlijke veroordeling opgelopen hadden met een graad verhoogd. Recidivisten die normaal gezien zouden worden bestraft met eeuwige dwangarbeid, werden op die manier dus ook ter dood veroordeeld[177]. Op deze manier zou deze zeer repressieve Code zelfs de meest verdorven individuen tot inkeer moeten brengen.
1.2. Toepassing van de doodstraf
Art. 12 van de Franse Code Pénal uit 1810, die tot de invoering van het nieuwe Belgische strafwetboek op 8 juni 1867 van kracht bleef, bepaalde: “Tout condamné aura la tête tranché”. Deze onthoofding gebeurde op een uniforme wijze voor elke veroordeelde. De onthoofding werd gezien als een loutere beroving van het leven door middel van de guillotine. Hoewel de doodstraf in 1791 zo veel mogelijk ontdaan werd van alle bijkomende kwellingen en folteringen, werd in 1810 aan de doodstraf voor bepaalde veroordelingen nog een aantal bijkomende straffen toegevoegd. Artikel 13 van de Code Pénal luidde: “Le coupable condamné à mort pour parricide sera conduit sur le lieu de l’exécution, en chemise, nu-pieds, et la tête couverte d’un voile noir. Il sera exposé sur l’échafaud pendant qu’un huissier fera au peuple lecture de l’arrêt de condamnation; il aura ensuite le poing droit coupé, et sera immédiatement exécuté à mort”. Om de voorbeeldfunctie van deze terechtstellingen te garanderen, diende ze in het openbaar plaats te hebben. Art. 26 van de Code Pénal stelde: “L’exécution se fera sur l’une des places publiques du lieu qui sera indiqué par l’arrêt de condamnation”.De executie mocht niet plaatsvinden op een zondag, officiële of kerkelijke feestdag, en wanneer een vrouw zwanger was werd volgens artikel 27 de executie uitgesteld tot na de bevalling.
2. De weg naar een eigen Belgisch strafwetboek
Na de Belgische onafhankelijkheid zal het debat rond de doodstraf hernomen worden vanaf 1832, de vraag omtrent het behoud van deze ultieme straf werd praktisch in elke parlementaire sessie opgeworpen. In de kamer en de senaat werd dit hekel punt aangekaart in de sessies van 1831-32, 1833-34, 1834-35, 1839-40 tot 1843-44, 1846-47, 1848-49, 1851-52, 1852-53, 1860-61 tot 1862-63 en tot slot in de sessies 1865-66 en 1866-67[178].
Ondanks het feit dat België in de eerste vijf jaar van haar bestaan een feitelijke afschaffing van de doodstraf kende, lieten de voorstellen om deze straf ook wettelijk af te schaffen niet lang op zich wachten. Reeds op 19 juni 1832 diende Henri de Brouckère een wetsvoorstel in om de doodstraf, deportatie, het brandmerken en het handafhakken af te schaffen. Hij motiveerde zijn voorstel door te stellen: “il est urgent d’en (Uit het strafwetboek) faire disparaître les peines qui ont cessé d’être en harmonie avec nos mœurs, qui sont contraire à l’humanité et à la justice.” Jammer genoeg voor de Brouckère maakte een voorstel waarin de doodstraf zou worden afgeschaft en vervangen door eeuwigdurende dwangarbeid, geen kans[179].
Op 1 augustus 1834 werd in de kamer van volksvertegenwoordigers een project tot herziening van het napoleontische strafwetboek en het wetboek van strafvordering neergelegd door de minister van justitie Joseph Lebeau[180]. De vernieuwende elementen uit dit project werden sterk beïnvloed door de Franse wet van 28 april 1832 aangaande de herziening van de Code Pénal en de introductie van de verzachtende omstandigheden. Lebeau stelde: “Heureuse la nation qui pourra la (de doodstraf) rayer un jour de son code” [181]. Hij raadde, in navolging van de Franse wet uit 1832, aan om door het hanteren van verzachtende omstandigheden de toepassing van de doodstraf zoveel mogelijk te vermijden. Het project onderdrukte de deportatie, de kaak, de verbanning en het brandmerken. De eeuwigdurende hechtenis vormde een alternatief voor de doodstraf bij politieke misdaden. Over dit project werd niet eens gediscuteerd, alleen J.J. Haus schreef naar aanleiding van dit project zijn “Observations sur le projet de révision du code pénal présenté aux Chambres belges, suivies d’un nouveau projet.” Desondanks werd ook dit project op de lange baan geschoven[182].
Op 1 november 1848 werd er bij Koninklijk Besluit een buitenparlementaire commissie aangesteld die zich diende bezig te houden met de voorbereiding van een project tot de herziening van de Code Pénal uit 1810. De commissie was samengesteld uit vijf leden, waarbinnen J.J. Haus een centrale rol innam. De basis van dit project werd gevormd door de ideeën die Haus in 1835-1836 had geformuleerd. De meeste rapporten van deze commissie werden ook exclusief door Haus opgesteld [183]. De vraag omtrent het nut van de doodstraf in België was in deze commissie het onderwerp van hevige discussie. Slechts één van de vijf leden was voor de onmiddellijke en totale afschaffing van de doodstraf, de andere vier waren voor het behoud van de doodstraf, maar tegen de executie ervan op een publieke plaats[184]. Men begon in te zien dat de executies, in plaats van de massa te inspireren, een tegengesteld effect konden hebben. Deze openbare terechtstellingen oefenden een verderfelijke invloed uit op de toeschouwers. Er gingen steeds meer stemmen op om dit “juridisch bloedvergieten” aan het oog van de bevolking te onttrekken[185].
Vanaf 1848 tot aan de invoering van het Belgische strafwetboek, zal het probleem van de doodstraf nog 53 keer worden aangekaart in de kamer, en 19 keer in de senaat[186].
Op basis van de beslissingen van de aangestelde commissie, diende minister van justitie de Haussy eind 1849 - begin 1850 bij de kamer van volksvertegenwoordigers een wetsontwerp in van wat het eerste boek van onze nieuwe strafwet zou worden. De verspreiding van de verschillende zittingen, de lange discussies en het grote aantal amendementen heeft ervoor gezorgd dat het eerste boek van de nieuwe Code Pénal maar werd aangenomen op 10 maart 1853.[187] Het belangrijkste amendement tegen de doodstraf kwam er op 13 november 1851 door Perceval. Hij stelde een volledige onderdrukking van de doodstraf voor. Zijn amendement werd echter weggestemd met 48 stemmen tegen 9, en één onthouding[188].
Dit deel van het strafwetboek kon echter maar in werking treden na de goedkeuring van het tweede boek. Dit tweede boek werd slecht vier jaar later, op 20 januari 1858, door de toenmalige minister van justitie Tesch, ingediend bij de kamer van volksvertegenwoordigers. Op 17 mei 1867 werd het nieuwe strafwetboek goedgekeurd door de Senaat[189].
Hoewel de Code Pénal gedurende deze periode nog steeds van kracht was, werd deze toch niet altijd strikt toegepast. De Code Pénal voorzag, zoals reeds eerder vermeld, voor vadermoordenaars een bijkomende straf, bovenop de executie. Volgens art. 13 diende vlak voor de executie de rechterhand van de veroordeelde te worden afgehakt. De enige vadermoordenaar uit de West-Vlaamse casus, namelijk De Mettere werd echter door het koninklijk besluit van 3 juni 1846 vrijgesteld van deze beproeving[190]. Via het gratierecht ontsnapten steeds meer ter dood veroordeelden vanonder het mes van de guillotine. Daarnaast werd ook door de wet van 5 juni 1832 bepaald dat op het namaken van binnenlandse gouden of zilveren munten niet langer de doodstraf stond[191].
3.1. Misdaden waarop de doodstraf van toepassing was
Bij de invoering van het Belgische strafwetboek van 1867, werd in de lijst van halsmisdaden fors gesnoeid. Brandstichting, wat onder de Code Pénal een kapitaal delict was, werd in het Belgische strafwetboek niet meer met de dood bestraft.[192] Tenzij er bij de brandstichting dodelijke slachtoffers vielen, en de dader zich bewust was van de aanwezigheid van deze mogelijk slachtoffers[193]. Ook diefstal met de vijf verzwarende omstandigheden werd niet meer bestraft met de dood[194].
De ultieme straf werd hoofdzakelijk nog behouden voor misdaden gepleegd tegen personen: moord[195], vadermoord[196] en vergiftiging[197]. Kindermoord kon bestraft worden als moord of als doodslag. Er werd een duidelijk onderscheid gemaakt tussen kindermoord gepleegd door een moeder op haar onwettig kind, wat bestraft werd met tijdelijke dwangarbeid, en kindermoord gepleegd door elke andere persoon, dit werd naargelang de omstandigheden bestraft zoals moord of doodslag [198].
Met betrekking tot de misdaden tegen de staat werd alleen een aanslag tegen de vorst of zijn troonopvolger nog met de dood bestraft[199].
Zowel de poging tot het plegen van een kapitaal delict, als de medeplichtigheid eraan, werden niet langer met de dood bestraft. Ook de verzwaring van de straf in geval van recidivisme werd afgeschaft. Bovendien gaf het systeem van verzachtende omstandigheden het Hof de mogelijkheid om de doodstraf door levenslange dwangarbeid te vervangen. Dit systeem van verzachtende omstandigheden bestond reeds voor de invoering van het nieuwe strafwetboek, maar was toen niet van toepassing op de doodstraf. Tot slot werd ook de minimumleeftijd voor de doodstraf opgetrokken tot de leeftijd van 18 jaar[200].
3.2. Toepassing van de doodstraf
Met betrekking tot de modaliteiten van de doodstraf, bracht het nieuwe strafwetboek niet veel nieuws onder de zon.
Art. 8 voorzag nog steeds dat de executie door middel van onthoofding moest gebeuren.
Art. 9 bepaalde dat de straf in het openbaar zou moeten plaatsvinden, in de gemeente bij het arrest van veroordeling aangewezen. De veroordeelde zou vergezeld door de minister van eredienst, wiens bijstand hij kon inroepen, in een celrijtuig naar de strafplaats worden gevoerd. Daar zou hij op het schavot onmiddellijk gehalsrecht worden.
Art. 10 bepaalde dat het lichaam van de veroordeelde aan zijn familie zou worden afgeleverd, indien deze dit vorderde. Geen enkel terechtstelling mocht plaatsvinden op een nationale, of godsdienstige feestdag, noch op zondag.
Art. 11 voorzag tot slot dat een zwangere vrouw ter dood zou worden gebracht na de bevalling[201].
Ondanks het feit dat de doodstraf als een stok achter de deur werd behouden, zal na de executie van Kestelyn in 1863 geen terechtstellingen meer worden uitgeoefend. Op deze regel werd slechts één uitzondering gemaakt. Op 26 maart 1918 werd Emiel Verfaille, door tussenkomst van de Franse beul op het binnenplein van de gevangenis te Veurne gehalsrecht[202]. Deze onderofficier had tijdens de oorlog een jonge vrouw vermoord. De koning weigerde genade te verlenen, omwille van de bedenking dat door de omzetting van de doodstraf in levenslange dwangarbeid, de veroordeelde zijn leven zou veilig gesteld hebben, terwijl de frontsoldaten in grote aantallen hun leven dienden te offeren voor de verdediging en bevrijding van het land[203].
II ENKELE CIJFERS MET BETREKKING TOT DE TOEPASSING VAN DE DOODSTRAF [204]
zwart = cijfers voor België
Groen = cijfers voor West-Vlaanderen
|
JAAR |
AANTAL TER DOOD VEROORDEELDEN |
AANTAL TERECHTGESTELDEN |
PERCENTAGE VAN DE VEROORDEELDE DAT EFFECTIEF GEËXECUTEERD WERD |
|
1811 |
23 0 |
14 0 |
61 / |
|
1812 |
19 2 |
16 2 |
84 100 |
|
1813 |
28 2 |
23 1 |
82 50 |
|
1814 |
6 0 |
5 0 |
83 / |
|
JAAR |
AANTAL TER DOOD VEROORDEELDEN |
AANTAL TERECHTGESTELDEN |
PERCENTAGE |
|
1815 |
4 1 |
2 1 |
67 100 |
|
1816 |
8 4 |
3 0 |
37.5 0 |
|
1817 |
8 3 |
7 3 |
87.5 100 |
|
1818 |
8 3 |
5 0 |
62.5 0 |
|
1819 |
11 2 |
9 0 |
82 0 |
|
1820 |
2 1 |
2 1 |
100 100 |
|
1821 |
17 0 |
11 0 |
65 / |
|
1822 |
6 1 |
2 0 |
33 0 |
|
1823 |
5 1 |
2 0 |
40 0 |
|
1824 |
10 5 |
6 3 |
60 60 |
|
1825 |
16 3 |
5 0 |
31 0 |
|
1826 |
9 0 |
2 0 |
22 / |
|
1827 |
14 2 |
1 0 |
7 0 |
|
1828 |
17 0 |
11 0 |
65 0 |
|
1829 |
9 1 |
3 0 |
33 0 |
3. Na de Belgische onafhankelijkheid
|
JAAR |
AANTAL TER DOOD VEROORDEELDEN |
AANTAL TERECHTGESTELDEN |
PERCENTAGE |
|
1830 |
2 0 |
0 0 |
0 0 |
|
1831 |
9 3 |
0 0 |
0 0 |
|
1832 |
6 1 |
0 0 |
0 0 |
|
1833 |
5 2 |
0 0 |
0 0 |
|
1834 |
26 15 |
1 1 |
4 6.5 |
|
1835 |
18 7 |
2 1 |
11 14 |
|
1836 |
15 6 |
0 0 |
0 0 |
|
1837 |
14 3 |
0 0 |
0 0 |
|
1838 |
6 2 |
1 0 |
17 0 |
|
1839 |
19 6 |
1 0 |
5 0 |
|
1840 |
18 7 |
0 0 |
0 0 |
|
1841 |
27 10 |
2 1 |
7 10 |
|
1842 |
20 6 |
|