| De politieke besluitvorming bij de Staten van Vlaanderen, 1670 – 1680. (Marijn Follebout) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Hoofdstuk 7: Kwalitatieve analyse van 10 jaar Ledenvergaderingen.
Leesbare stof destilleren uit de resolutieboeken is niet zo’n eenvoudige opgave. De resolutieboeken kenmerken zich vooral door oeverloos heen en weer geschrijf en veel geblaat, maar weinig wol. Na anderhalf jaar het archief van 10 jaar Ledenvergaderingen te hebben doorzocht, was dit het eerste dat bij ons opkwam om het Ledencollege te kenmerken. Voor tal van facetten hebben de Leden simpelweg niet genoeg machtsbasis om tot een oplossing te komen. Vaak wordt een bepaald probleem aangekaart in de vergaderingen. Men bespreekt het probleem. Men schrijft brieven naar de meer bevoegde instanties omtrent het probleem. En dan…is er niets meer. De klachten blijven binnenkomen, maar de Leden kunnen er niet veel meer aan doen dan nogmaals een brief daaromtrent schrijven naar de landvoogd. Deze thesis zou dus een aaneenschakeling kunnen zijn van telkens losse verzoeken, maar dat zou de leesbaarheid niet echt bevorderen.
Deze bovenstaande spot op het Ledencollege is een puur subjectieve reflectie na anderhalf jaar archiefwerk te hebben verricht. Het kan evenwel zijn dat het Ledencollege sterk te lijden had onder de voortdurende oorlogen die het land teisterden. De vredesjaren tussen de oorlogen in duurden niet lang genoeg om de provincie er weer bovenop te krijgen. De vrees voor wanordelijkheden van soldaten, plunderingen en muiterij zat er ook bij het Ledencollege diep in.
Verder is het ook zo dat het Ledencollege ruim vier vijfden van zijn tijd spendeerde aan belastingen, betalingen, openbare werken en aangelegenheden in verband met de troepen die in de provincie gelegerd waren. De eerste drie thema’s handelden haast steeds over hetzelfde. Vaak werden er zaken louter om bureaucratische redenen in de resolutieboeken neergepend. Voor de historicus zijn deze zaken van minder belang. Het is dus niet eenvoudig de interessante zaken van de minder interessante zaken te scheiden. Het is evenwel ook niet de bedoeling dat deze thesis een avonturenroman wordt.
Om een duidelijker beeld te geven van wat in het Ledencollege zo allemaal werd besproken, hebben we een berekening gemaakt per thema. De jaren 1674-1679 vormden de basis voor de telling. Hiervan werd een gemiddelde gemaakt per jaar. Deze telling biedt dan wel een duidelijker beeld, toch dient ze met de nodige voorzichtigheid behandeld te worden. Bepaalde thema’s kunnen onderling verwisseld worden. De Leden groepeerden hun resolutieboek niet in bepaalde thema’s. Deze constructies zijn dus puur het werk van de onderzoeker. De keuze om een bepaalde resolutie in deze of een ander thema te plaatsen is steeds aan discussie onderhavig. Eerst bespreken we de algemene cijfers (alle cijfers zijn een gemiddelde per jaar + het gaat enkel over zaken die in de resolutieboeken vermeld worden):
|
|
Aantal |
procentueel |
|
Eindbesluiten |
262 |
64,7 % |
|
Beraadslagingen |
143 |
35,3 % |
|
Totaal |
405 |
100 % |
Bij deze cijfers komt duidelijk het hierboven reeds aangehaalde eenmalige karakter van verschillende verzoeken naar voor. Aan vele verzoeken van andere instanties werd weinig gehoor geven. Het Ledencollege besliste zeer vaak enkel een brief te schrijven naar de landvoogd of via een afvaardiging van het Ledencollege te Brussel het verzoek of de klacht te laten aankaarten. Deze eindbesluiten (zoals ze hier genoemd worden) zijn ook beraadslagen. Men besliste bij deze de dag zelf wat men zou doen. De beraadslagingen zijn dagen waarop reeds eerder aangehaalde verzoeken opnieuw aangekaart werden en verder werden uitgewerkt.
De volgende cijfers handelen over de brieven die het Ledencollege zelf schreef en de brieven die ze binnenkregen van andere instanties. Deze cijfers geven een gemiddelde per jaar. Enkel de brieven die in de resolutieboeken werden overgenomen werden in deze cijfers opgenomen. Niet alle brieven werden in de resolutieboeken overgeschreven. De cijfers geven naar alle waarschijnlijkheid een verkeerd beeld van de realiteit. Ze worden hier toch meegegeven omwille van de volledigheid. Ze bieden dan geen reeël beeld van de realiteit, maar wel een reeël beeld van wat er allemaal in een resolutieboek van het Ledencollege staat:
|
|
Aantal |
procentueel |
|
Brieven van de Leden zelf. |
83 |
58 % |
|
Brieven van andere instanties. |
60 |
42 % |
|
Totaal |
143 |
100 % |
Een laatste reeks cijfergegevens handelen over de thema’s die in het Ledencollege werden besproken.
|
Thema |
onderverdelingen |
aantal |
procentueel (? x 100/ 405) |
|
Legeraangelegenheden[317] |
betalingen, logementen, ongeregeldheden, transport, materiaal, fouragie, verzorging. |
117 |
28,9 % |
|
Verpachtingen |
bargie, provinciale belastingen |
75 |
18,5 % |
|
Provinciale belastingen |
Alle andere zaken omtrent de provinciale belastingen. |
105 |
25,9 % |
|
Subsidies |
o.a. adviezen, akte van presentatie, akte van acceptatie,… |
25 |
6,2 % |
|
Openbare werken |
vooral waterwerken en werken aan bruggen. |
26 |
6,4 % |
|
Auditie van de rekeningen. |
|
6 |
1,5 % |
|
Handel |
o.a. klachten van kooplieden, het Ledencollege die probeert de handel weer aan te zwengelen. |
6 |
1,5 % |
|
Zaken in verband met de oorlog. |
o.a. paspoorten, oorlogsgeweld, … |
29 |
7,2 % |
|
Bureaucratie |
Zaken in verband met de eigen werking van het Ledencollege. |
16 |
4 % |
|
Totaal |
|
405 |
100,1 % (foutmarge van 0,1 % wegens de afrondingen tot op 0,1 % nauwkeurig.) |
Het moge duidelijk wezen dat vooral het luik belastingen (zowel de verpachtingen als de andere zaken) het meeste tijd in beslag namen. De legeraangelegenheden waren, toch zeker in deze periode, een groot aandachtspunt van het Ledencollege. De oorlog hield het Ledencollege bezig. Men diende vaak aanpassingen aan het sociale leven te doen tijdens de oorlogsjaren. De Leden dienden de bevolking soms restricties (speciale paspoorten) op te leggen voor de veiligheid van iedereen. De andere zaken slorpten minder tijd op van het Ledencollege. Ze waren daarom niet minder belangrijk. De subsidies bijvoorbeeld kan men beschouwen als het belangrijkste onderdeel waaraan de Leden hun tijd spendeerden in de vergadering. De aktes van presentatie waren een soort bundeling van klachten die de Leden en de onderdanen op dat moment bezig hielden. De subsidies stonden ook voor de continuïteit van het Ledencollege. Ze werden al eeuwen toegestaan (of afgekeurd) door het Ledencollege.
Het Ledencollege had ook een zekere jurisdictie op het vlak van de openbare werken. Toch mag men deze bevoegdheid niet overroepen, ze was namelijk tamelijk beperkt in de zeventiende eeuw. Het Ledencollege had in de tweede helft van de zeventiende eeuw enkele waterlopen onder haar hoede. Ze stond in voor het goede beheer van deze kanalen. De meeste van deze kanalen waren begin zeventiende eeuw gegraven in opdracht van het Ledencollege. De openbare werken stonden steeds in functie van een zo vlot mogelijk transport. Zo werd door het Ledencollege in de winter 1678 – 1679 verschillende malen bevolen om het ijs te breken in verschillende kanalen[318]. Meermaals kwam dit na een vraag van kooplieden. Dit thema komt in de hierna volgende hoofdstukken niet aan bod. Het is waarschijnlijk zeer interessant voor andere studies, maar weinig voor deze. De beslissingen die men nam in het Ledencollege omtrent openbare werken werden steeds in een korte tijd genomen.
In het verdere verloop van dit hoofdstuk werd niet strikt aan de hierboven in het kader geschetste thema’s gehouden. We hebben geopteerd voor een iets andere indeling om de leesbaarheid te bevorderen.
Jaarlijks werd een bepaald bedrag aan het Ledencollege gevraagd door de landvoogd. Sedert 1656 werd dit bedrag uitgedrukt in ‘rations’. Dit zijn dagrantsoenen voor de soldaten in de provincie. Elk ration had een waarde van vijf stuiver of een halve dagloon van een ongeschoolde arbeider in die tijd. De subsidies werden dus steeds gebruikt voor de verdediging van de provincie[319]. In het kolomdiagram die in bijlage te vinden is, toont een duidelijk beeld van het verschil in verzoek van een bede en het antwoord van de Leden, jaar na jaar.
Bij elk verzoek tot een bede werd een vast stramien aanhouden. Eerst deden enkele hooggeplaatste, liefst van Vlaamse afkomst, heren een petitie of verzoek in naam van de landvoogd. Hun brieven van credentie of hun geloofsbrieven werden door de Leden het eerst gelezen. Daarna volgde het waarom van de bede. De hoofdreden werd vermeld in de brieven van instructie die aan de hooggeplaatste heren door de landvoogd werden meegegeven en die ook in de resolutieboeken van het Ledencollege werden opgenomen. Meestal werd als hoofdreden vermeld: (…) pour le payement a faire aux gens du guerre (…) pour pouvoir continuer la bonne discipline militaire (…)[320]. Hiermee doelt men op de betaling van het soldatenloon zodanig dat ze zouden vechten tegen de vijand en niet beginnen te muiten en te plunderen. De soldaten konden dit gemakkelijk doen, want ze hadden een overwicht aan wapens en training. In periodes waarin het moeilijker was om de bede te betalen, gebeurden deze plunderingen dan ook op relatief uitgebreide schaal.
Na de uitleg van de twee heren ging het Ledencollege uiteen om de achterban en eventuele subalternen te raadplegen. Kort daarna werd dan door elk Lid de adviezen ingediend. Hieruit werd een besluit getrokken en konden de betalingen van start gaan.
In de periode 1670-1680 liet men steeds een nieuwe bede beginnen op 1 november om hem het jaar daarop op 31 oktober te laten eindigen. Meestal werd een bede pas veel later dan 1 november goedgekeurd. De betalingen verliepen in schijven. De eerste schijf had als beginpunt steeds 1 november.
A.) De bede van 1671.
Elke bede wordt hier kort besproken. Het is enkel op die manier dat men een zicht kan krijgen op de werking van het Ledencollege en op wat het Ledencollege werkelijk bezig hield.
Bij de bede van 1671 legde de vorst er de nadruk op dat men de gevraagde bede betaalde. Er heerste weliswaar een relatieve vrede, maar men moest ten allen tijde voorbereid zijn op een vijandelijke aanval, aldus de landvoogd. Om dit te bereiken wou hij het aantal infanteriesoldaten optrekken. Hij wou door middel van een deel van de bede zijn leger op zee uitbreiden. Hij vond dat Frankrijk een uitstekende vloot had en hij wou hun ook op zee kunnen bekampen. Hij stelde het voor alsof hij een gunst toestond aan de provincie door te vermelden dat de koninklijke domeinen zullen deelnemen aan de volledige som. De landvoogd speelde ook op het gevoel van de Leden. Hij stelde dat de Staten van Brabant hun aandeel hadden verhoogd om aan de wensen van de landvoogd te voldoen. De landvoogd stelde tevens dat de bede niet voor hemzelf was, maar voor het behoud van de provincie. Om aan deze zaken te voldoen, verzocht de landvoogd een bede van 20.000 rations daags aan 5 stuivers per ration[321].
Op 5 oktober 1671 brachten de Leden hun adviezen binnen. De geestelijkheid, Ieper en het Vrije adviseerden elk 20.000 rations daags. Brugge en Gent adviseerden elk 16.000 rations daags. Elk Lid had tevens een waslijst van verzoeken en klachten voor de overheid. Het zou ons te ver leiden om ze allemaal te vermelden. Daarom worden enkele klachten aangehaald. Zo vermeldde Gent dat de overheid niet meer aan subalternen of kasselrijen apart om een bede mag verzoeken[322]. Dit gebeurde nogal vaak. De overheid omzeilde daarmee het Ledencollege en negeerde de macht van de Leden over hun kwartieren. Dit was natuurlijk een doorn in het oog van de Leden en daarom werd dit ook aangekaart. Brugge verzocht om minder soldaten te laten logeren bij de inwoners van de open steden[323]. Klaarblijkelijk hadden ondergeschikte schepenbanken hiervan herhaaldelijk bezwaar gemaakt bij de Brugse schepenbank. Brugge kaarte deze kwestie aan in het Ledencollege in de hoop dat de overheid er iets ging aan doen.
Het Ledencollege besliste dezelfde dag een bede toe te staan van 20.000 rations daags. De akte van presentatie werd op 14 oktober naar de landvoogd gezonden. Ze kregen reeds antwoord via de akte van acceptatie op 15 oktober. Alle Leden kregen steeds een poosje de tijd om zich over de akte van acceptatie te beraden. Op 19 november kwam het Ledencollege bijeen om eventuele verdere klachten omtrent de akte van acceptatie te formuleren. Er waren hoegenaamd geen klachten, dus werd de bede aanvaard en kon men beginnen met de betaling van de eerste schijf (600.000 guldens) aan de ontvanger-generaal van de beden en subsidies.
B.) De bede van 1672.
Op 1 oktober 1672 verzocht de landvoogd om een subsidie van 30.000 rations daags[324]. De geestelijkheid, Brugge en het Vrije verzochten een som van 23.000 rations daags. Gent verzocht om een som van 20.000 rations daags en Ieper om een som van 24.000 rations daags. Alle Leden verzoeken de landvoogd dat dit de enige betaling zal blijven dit jaar. Ze wilden dat ‘alle andere lasten sullen cesseren’. Dit is iets wat de landvoogd onmogelijk kon beloven, dit liet hij verstaan in zijn akte van acceptatie. Toch beloofde hij ervoor te zorgen dat ze minder belast zouden worden. Tevens verzochten alle Leden om andere logementen te zoeken voor de militairen. Volgens de Leden was het verblijf van de soldaten bij de inwoners op het platteland een veel te grote belasting voor die mensen. Geleidelijk aan begon men vanaf dan met het bouwen van barakken in Vlaanderen, onder andere in Dendermonde. Deze klachten komen telkens bij iedere bede terug.
In de akte van presentatie stonden de Leden 23.000 rations daags toe[325]. Enkele bijkomende klachten die in de akte van presentie terechtkwamen:
als soldaten enige moeilijkheden veroorzaakten, verviel het akkoord. Deze uitspraak was dode letter. In dit jaar gebeurde dit nog niet zo veelvuldig, maar in latere jaren gebeurde het wel regelmatig. De betalingen van de beden liepen toen gewoon door.
De tollen langs verschillende rivieren lagen te hoog. De landvoogd diende deze aan te passen ‘pour le retablissement du commerce’.
President Errembaut, de voorzitter van de Raad van Vlaanderen, deed volgens het Ledencollege zijn werk niet meer naar behoren. De Leden hadden hem graag vervangen gezien. Dit verzoek kwam enkele jaren na elkaar terug. De Leden en Errembaut hadden een dispuut omwille van een uitspraak van hem tijdens zijn hoedanigheid als intendant van Vlaanderen in augustus 1669 over het Ledencollege. Hierover verder meer.
De Leden verzochten meer Vlamingen in de collaterale raden rond de landvoogd. Ze verzochten dit zodat het publiekrecht in Vlaanderen meer gerespecteerd werd door de overheid. Ook dit punt kwam telkens terug de volgende jaren.
De Leden verzochten de landvoogd plakkaten omtrent het stoken van brandewijn opnieuw uit te vaardigen. In zijn akte van acceptatie stond hij daar nog weigerachtig tegenover, maar op 4 februari 1673 werd het plakkaat toch opnieuw uitgevaardigd. Op 18 maart 1673 verwittigden de Leden de subalternen van het verbod op het stoken van brandewijn[326]. Dit is een voorbeeld van hoe de Leden toch heel soms in deze periode een toegeving van de landvoogd konden binnenrijven.
In zijn akte van acceptatie neem de landvoogd heel wat voorstellen van de Leden en belooft ze dan ook uit te voeren[327]. De voorstellen van de Leden die niet direct haalbaar blijken, zoals het vervangen van president Errembaut zal de landvoogd aan de koning voorleggen. Maar, en dit wordt door de landvoogd benadrukt, hij zal zich daarvoor niet onder druk laten zetten door het Ledencollege. Op 15 oktober 1672 gaan de Leden grotendeels akkoord met de akte van acceptatie.[328]
C.) De bede van 1673.
Op 11 september 1673 verzocht de landvoogd om een subsidie van 30.000 rations daags[329]. Vanaf dit verzoek werd er steeds bij vermeld dat de landvoogd dezelfde condities aanneemt zoals het lopende akkoord, dus van de voorgaande bede. De Leden vermeldden dan steeds welke artikels van het lopende akkoord dat ze graag hadden laten wegvallen. Vaak keerden steeds dezelfde artikels terug die de landvoogd moest laten wegvallen. Dit was een gemakkelijker manier van werken voor beide partijen.
Gent, Ieper en het Vrije adviseerden elk 23.000 rations daags. Brugge adviseerde 25.000 rations daags en de geestelijkheid 24.000 rations daags.
Een nieuw verzoek in deze periode (maar die waarschijnlijk reeds voor 1670 verschillende keren ter sprake was gekomen) was het verzoek dat de inwoners van Vlaanderen steeds voor de juiste rechter dienden te verschijnen[330]. De hogere rechtbanken snoepten graag rechtszaken weg van andere besturen. Dit was vooral een plaag bij de collaterale raden. Het verzoek van de Leden had waarschijnlijk daarop betrekking. Voor de tijdgenoot moeten al die verschillende instanties die recht spraken behoorlijk verwarrend zijn geweest. De Leden verzochten dus om meer eenduidigheid in de rechtspraak.
Op 16 oktober 1673 werd de akte van presentatie aan de landvoogd afgegeven[331]. Inderdaad werden dezelfde artikelen van het voorgaande jaar herhaald. Op sommige artikelen werd meer de nadruk gelegd, zoals op het artikel met betrekking tot president Errembaut. In het afgelopen jaar werden er nu en dan Franse invallen in Vlaanderen gesignaleerd. De Leden verzochten de landvoogd dat de plaatsen die tot ruïnes herschapen waren door de Fransen een minder aandeel in de bede kregen. Het ging hier onder andere over Aalst, Dendermonde, Ninove.
Op 7 november 1673 kreeg het Ledencollege de akte van acceptatie in handen[332]. De landvoogd ging akkoord met het bedrag door de Leden toegestaan. De 25 artikelen uit de akte van presentatie kregen per artikel als commentaar: ‘y prendrat esgard favorable (…)’. Hij beloofde dus steeds aan die zaken iets te doen, maar zijn argumenten daarvoor waren behoorlijk zwak. Op dezelfde dag nog verzocht het Ledencollege aan de achterban van alle Leden een advies in te dienen op enkele artikelen van de akte van acceptatie[333]. Op 15 november verzocht het Ledencollege aan de commiezen om de benodigde gelden van de eerste schijf bijeen te zoeken[334]. De Leden vergaderden twee dagen, namelijk 15 en 16 november 1673 om de punten waarvoor ze naar hun idee nog geen voldoening hadden gekregen in de akte van acceptatie te bewerken. Eén van de belangrijkste punten hiervan was ‘dat de solvente niet en sullen wesen responsable voor d’insolvente (…)’[335]. Hiermee doelde men op de plaatsen die niet het volle van hun deel konden betalen. Als een bepaald dorp bijvoorbeeld slechts 2/3 van hun deel kon betalen, dan mocht dit resterende 1/3 niet onder de andere plaatsen van het graafschap worden verdeeld. De Leden haalden hiervoor hun slag thuis. Vanaf deze bede werd dit steeds vermeld voor de verdere periode tot 1680. Maar om hun slag thuis te halen, hadden de Leden nog eventjes geduld nodig. Op 30 november 1673 wilden de Leden de eerste schijf van de bede nog niet betalen omdat ze nog geen voldoening hadden gekregen van de akte van acceptatie[336]. De landvoogd verzocht daarop om een deputatie van het Ledencollege (van elk Lid 1 iemand) tot bij hem te laten komen. Hij kon dan persoonlijk zijn motieven uitleggen. Op 15 december 1673 bracht de deputatie verslag uit in het Ledencollege van deze audiëntie[337]. De achterban van elk van de Leden beraadde zich verder over dit verslag. Op 9 januari 1674 werden alle standpunten bijeengelegd en besliste men alle artikelen te aanvaarden en de bede te betalen. Op 12 januari werd dan overgegaan tot de eerste echte betaling. Na een kleine vijf maanden te hebben onderhandeld, waren zowel de landvoogd als het Ledencollege tevreden. Op de kolomdiagram in bijlage valt duidelijk te zien dat het Ledencollege toch wel een kleine slag heeft binnengehaald. De landvoogd had 30.000 rations daags gevraagd en kreeg er maar 23.000.
D.) De bede van 1674.
Op 15 oktober 1674 verzocht de landvoogd om een subsidie van 24.000 rations daags[338]. De landvoogd gebruikte meermaals een woordenschat die, naar hij hoopte, het patriottisme van de Vlamingen zou aanwakkeren: ‘(…) y prendre promptement la bonne et fructueuse resolution que nous attendons de la continuation de v(ost)re ancien zèle (…)’. De inleiding tot zijn verzoek is een overzicht van hoe de bondgenootschappen in elkaar zitten in Europa om aan te tonen dat men veel geld nodig heeft om deze ‘si sanglante guerre’ de baas te kunnen. Er dient aangestipt te worden dat de oorlog toen al officieel verklaard was tussen Holland en Frankrijk. Op 26 oktober beslisten de Leden dat elk Lid op 6 november collatie zou houden over deze bede[339]. Men stelde op 12 november het indienen van de adviezen nog even uit, wegens een moeilijkheid met Ieper. Ieper adviseerde een vaste som te betalen in plaats van een advies in aantal rations daags te geven. Dit was niet naar de zin van de andere Leden en wel om twee nauw aansluitende redenen. De solvente steden en kasselrijen zouden voor de insolvente steden en kasselrijen moeten betalen indien men een vaste som zou aannemen in plaats van rations. De koning van Frankrijk zou daar dan weer zijn voordeel uit halen door verhoogde contributien te heffen in de plaatsen die door zijn soldaten worden bezet[340]. De rest van de Leden drong dan ook sterk aan bij Ieper om toch maar een advies in rations te geven. Op 16 november 1674 werden alle adviezen in het college vergeleken[341]. De geestelijkheid en Gent adviseerden elk 15.000 rations daags. Het Vrije adviseerde 18.000 rations daags. Brugge adviseerde 20.000 rations daags. Ieper hield nog steeds vast aan hun eenmalige vaste som van 800.000 guldens[342]. Ieper verhaalde hierbij zijn redenen (op vraag van de andere Leden): ‘(…) te weten dat men in tijde van oorloghe gheen vaste resolutie en can nemen bij rations voor heel iaeren midts de onsekerheijt vanden uitval vande publicke saecken ende de wapenen, maer (…)’ men kan wel een vaste som aannemen om de soldaten te kunnen uitbetalen en een onderdak en voedsel voor deze winter te verschaffen. Indien de provincie dan toch overleeft tot volgende zomer zal de landvoogd nog voldoende uit de lopende middelen kunnen putten om zijn soldaten te onderhouden.
Alle Leden hadden naast de gebruikelijke verzoeken, het verzoek tot het stopzetten van de confiscaties en de vermindering van de contributies aan Frankrijk. Dit kon de landvoogd enkel bekomen door diplomatie. Deze eis, die waarschijnlijk ook in andere provincies werd verzocht, leidde in 1678 tot de conferentie van Deinze alwaar over deze zaken werd vergaderd met vertegenwoordigers van het Spaanse imperium en vertegenwoordigers van Frankrijk. Gent voegde er ook aan toe dat de soldaten van de koning zich beter dienden te gedragen en moesten stoppen met het afbreken van huizen en het afkappen van bomen. Om het met de woorden van Ieper te zeggen: Er moet een remedie gestelt worden tegen de ‘dieverijen, vollereien en(de) andere desordres die de militaire sijn doende in huijsen ende op publicque weghen’[343]. Dit deden de soldaten om hout te hebben om zich te kunnen verwarmen terwijl ze buiten sliepen. Er was oorlogsdreiging, dus de soldaten waren georganiseerd in troepen om de vijand het hoofd te kunnen bieden.
Op 23 november zond het Ledencollege naar de landvoogd met de mededeling dat hij nog even geduld moest uitoefenen[344]. Ze vermeldden er letterlijk bij dat er onenigheid heerste in het Ledencollege en dat dit eerst moest opgelost worden. Alle Leden hadden diezelfde dag opnieuw adviezen binnengebracht. De meeste Leden bleven bij hun vroeger advies. Enkel de geestelijkheid wou nog enkele kleine punten veranderd zien in de akte van presentatie. Ieper gaf bij deze gelegenheid een ellenlang betoog af over het nut van de vaste som. Aan het einde van hun betoog besloten ze dat ze zich bij het Vrije zouden aansluiten en ook 18.000 rations daags adviseren[345].
Op 29 november 1674 maakte men de akte van presentatie op[346]. Men gebruikte hiervoor enkel de adviezen van de geestelijkheid, Gent en Brugge. Ieper en het Vrije werden uitgesloten. Er volgden over de twee dagen, 29 en 30 november tal van adviezen over hetzelfde onderwerp. Toch trokken de geestelijkheid, Gent en Brugge aan het langste eind. Zij waren de meerderheid en stonden bijgevolg recht in hun schoenen. Ieper kaarte in dit verband aan dat Brugge zijn advies heeft aangepast om een meerderheid met de geestelijkheid en Gent te vormen. Dit is inderdaad juist. Brugge heeft zijn advies van 20.000 rations daags naar 15.000 rations daags teruggebracht. Brugge kon evengoed een meerderheid hebben gevormd met het Vrije en Ieper, maar ze kozen voor de geestelijkheid en Gent.
Op 17 december kregen de Leden de akte van acceptatie in handen[347]. Het merendeel van de opmerkingen van de landvoogd sloegen op het vorige jaar. Hij beloofde dus telkens iets aan die bepaalde zaak te doen, zoals hij dat het vorig jaar had geprobeerd. Op 29 december 1674 kwamen de Leden bijeen met hun adviezen om de akte van acceptatie te bespreken. Alle Leden drongen aan om verdere stappen door de landvoogd te laten ondernemen omtrent verschillende artikels alvorens de bede te betalen[348]. Vooral Ieper en het Vrije drongen via een waslijst van klachten aan.
Op 13 januari 1675 antwoordde de landvoogd hierop[349]. Hij stond onder andere vermindering van betaling toe. De Leden hadden geklaagd dat de landvoogd verschillende keren betalingen had gevalideerd op de komende subsidie. Hij had er zich niet aan gehouden bij de bede. Nu bindt hij in en houdt er zich wel aan. Ook bij andere zaken liet hij zich om ‘kopen’ of om ‘praten’. Zo gaf hij advies aan het Ledencollege hoe ze konden bereiken dat men kon tol vragen aan personen en kooplui die uit het land van Waas kwamen.
De Leden antwoordden op 15 januari 1675 dat ze voorlopig slechts 1 schijf zouden betalen[350]. Ze waren nog steeds niet niet voldoende tevreden over de akte van acceptatie van de landvoogd. Dit was nochtans een minderheidsbeslissing geweest. Enkel Brugge en Gent hadden dit geadviseerd. De andere drie Leden hadden geadviseerd om nog helemaal niets te betalen.
Op 21 januari zonden de Leden nogmaals een brief naar de landvoogd waarin men aandrong op de voor hun belangrijke punten[351]. Op 18 februari was het dan eindelijk zover. De landvoogd gaf een akte van acceptatie af die iedereen tevreden zou stellen. Op 10 maart 1675 dienden alle Leden hun adviezen hierover in[352]. Allen waren ze het volmondig eens met elkaar, onafgezien van bij enkele Leden nog een licht aandringen omtrent bepaalde punten.. De bede zou doorgaan. Men had een half jaar gediscussieerd over verschillende facetten van deze bede, maar men was dan eindelijk tot een vergelijk gekomen. Ook bij deze bede lag het uiteindelijke antwoord van de Leden omtrent het aantal rations heel wat lager dan het verzochte aantal rations.
E.) De bede van 1675.
De landvoogd had blijkbaar geleerd uit de ‘langgerekte’ ervaring van het voorgaande jaar. Het verzoek tot de bede voor het jaar 1675-1676 deed hij reeds op 25 juni 1675. De landvoogd verzocht een bede van 30.000 rations daags in te gaan op 1 november 1675[353]. Gent adviseerde 15.000 rations per dag. Brugge en Ieper adviseerden 23.000 rations per dag. De geestelijkheid en het Vrije adviseerden 20.000 rations per dag. Er waren weer de traditionele klachten, zoals de contributies en de opeisingen en de verminderingen van betalingen. De geestelijkheid drong aan op de betaling van het achterstallige loon van de kanunniken en de pastoors van Vlaanderen sedert het begin van de oorlog[354]. Gent kloeg de aanstelling aan van een griffier in de Raad van Vlaanderen[355]. De aanstelling strookte niet met de provincierechten daar de man een Brabander was.
Het aantal rations daags werd vastgesteld op 20.000 rations, een pak minder dan het gevraagde dus. De vorst aanvaardde de akte van presentatie reeds op 17 september 1675[356]. Er werden bij geen enkel punt noemenswaardige problemen gemaakt. De landvoogd liet wel niet na te vermelden dat het punt van Gent over de griffier in de Raad van Vlaanderen geen uitstaans had met een bedeverzoek. De Leden hadden in hun akte van presentatie ook gevraagd of de landvoogd pogingen kon doen om de handel opnieuw aan te wakkeren in Vlaanderen en bij uitbreiding de gehele Koninklijke Nederlanden. De landvoogd antwoordde dat dit een zeer belangrijk punt was en dat het Ledencollege dit voor hun gewest eerst diende te onderzoeken.
De eerste betaling aan de ontvanger-generaal van de beden en subsidies van Vlaanderen geschiedde reeds op 10 november[357].
Volgens ons was de dreiging van een ‘vijandelijk’ Frankrijk op dat moment zeer reëel. De landvoogd en de Leden kenden beiden de noodzaak van een zo soepel mogelijke afhandeling van de bede om verdere moeilijkheden te vermijden. De Leden stemden toe in de som die het land op dat moment aankon.
F.) De bede van 1676.
Vele kasselrijen hadden in het Ledencollege reeds op 14 september 1676 bij monde van het Vrije gevraagd of ze slechts de helft van de komende subsidie moesten betalen[358]. De reden hiervoor waren de voortdurende Franse confiscaties. Het Ledencollege zou op dit verzoek niet ingaan. Deze kwestie werd niet meer aangeraakt. Tenzij sommige dorpen of kasselrijen die het zeer zwaar te verduren hadden gehad. De landvoogd stond hen, via de akte van acceptatie vermindering van betaling toe. Het was pas op 28 januari 1677, toen er reeds heel wat dorpen contributie betaalden aan het Franse gezag, dat de landvoogd een decreet uitvaardigde dat deze dorpen en kasselrijen slechts de helft van hun aandeel in de subsidie moesten betalen[359].
Op 30 september 1676 verzocht de landvoogd een subsidie van 25.000 rations daags[360]. Klaarblijkelijk was het geschil tussen de president van de Raad van Vlaanderen en het Ledencollege op dat moment weer bijgelegd, want hij was het die het verzoek van de landvoogd overbracht naar het Ledencollege.
De geestelijkheid adviseerde 15.000 rations daags[361]. Eén van hun klachten handelden over het feit dat de gouverneurs, dit waren bestuurders van een bepaalde kazerne uit die tijd, hun soldaten al te vaak uitzonden op het platteland[362]. Volgens de geestelijkheid werden daardoor alle middelen van de parochies geconsumeerd.
Gent wou geen subsidie betalen tot ‘(…) dat de contributien vermindert ende de confiscatien afghedaen syn (…)’[363].
Brugge adviseerde 18.000 rations daags[364]. Dit Lid vroeg onder andere om de steden en kasselrijen die onder contributie van Frankrijk lagen slechts de helft te laten betalen. Hiermee traden ze het advies van het Vrije van 14 september bij.
Ieper adviseerde een som van 23.000 rations daags[365]. Alle ‘cliché’-matige onderwerpen werden in hun klachten gestopt.
Het Vrije adviseerde 20.000 rations daags[366]. Ook hier waren wederom alle traditionele klachten van de partij.
Uiteindelijk werd beslist om in de akte van presentatie 18.000 rations daags te noteren als toegestane bede aan de landvoogd.
Op 29 oktober kloeg de prelaat van Zonnebeke omtrent de aantasting van de privilegiën van de geestelijkheid[367]. Volgens hem tastte het tweede artikel van de akte van presentatie de privilegiën van de geestelijkheid aan[368]. Hij verzocht dit artikel dan ook te veranderen ten gunste van de geestelijkheid. Zijn protest haalde niets uit, want zijn verzoek werd door de andere Leden afgewezen. Op 17 november herhaalde de prelaat zijn protest jegens dit artikel[369]. Het Ledencollege antwoordde aan de geestelijkheid dat men zich met dergelijke klachten over privilegies tot bij de landvoogd of de raden moest richten.
Tien dagen later kon men dan de akte van presentatie aan de landvoogd afgeven[370]. Begin december kregen de Leden de akte van acceptatie reeds onder ogen. Op 29 december 1676 hechtten ze hun goedkeuring aan de akte van acceptatie[371]. Enkel Brugge stemde tegen. Dit Lid wilde wel de bede betalen, maar in kleinere schijven. Er waren ook enkele artikels waarmee Brugge nog problemen had, terwijl de andere Leden met dezelfde artikels volmondig akkoord gingen. Het standpunt van Brugge kreeg dus geen kans om echt voldoende gehoord te worden.
G.) De bede van 1677.
Op 24 september 1677 verzocht de landvoogd bij monde van de graaf van Rennebourg en de president van de Raad van Vlaanderen om 25.000 rations daags[372].
De Leden dienden hun adviezen een kleine maand later in[373]. De geestelijkheid en het Vrije adviseerden 15.000 rations daags. Gent adviseerde een laagterecord van 8.000 rations daags. Brugge adviseerde 20.000 rations daags. Ieper adviseerde 18.000 rations daags.
Allen hadden het vooral over de ‘uytloopers’ en de bezette steden. De bede moest verdeeld worden zoals dit normaal het geval was, zelfs onder de bezette steden, maar zij dienden niet te betalen[374]. De niet-bezette gebieden draaiden er dan niet voor op.
Het gemiddelde van deze adviezen was 15.200 rations daags ofwel, afgerond, 15.000 rations daags. Dit besloot men aan de landvoogd toe te staan.
De Leden zonden op 8 november 1677 een brief naar de kasselrij van Oudenburg, naar het Land van Aalst en naar het Land van Dendermonde met de mededeling dat ze toch dienden te participeren in de bede. Ze dachten dat ze slechts de helft of minder moesten betalen wegens het decreet van de landvoogd van januari van dat jaar. Dit kon het Ledencollege niet toestaan.
De Leden vermeldden wel dat ze weten dat deze plaatsen groot leed doorstaan, maar nochtans ‘(…) het is ons seer leedt te verstaen door den heere com(m)ys van Sallardinghe dat ul(ieden) van gheene intentie en zoude wesen eenighe betaelynghe te doene van ’t ghone zy noch resterende sijn van hunne quoten in het leste subsidie (…)’[375]
Op 23 november kregen de Leden de akte van acceptatie in handen die het Ledencollege grotendeels aanvaardde[376]. De Leden hadden onder andere fraude door de officieren van het leger aangekaart. Dit gebeurde op grote schaal in haast alle Europese legers in de zeventiende eeuw. Dit kwam door de organisatie van de legers waarbij de officieren instonden voor het wel en wee van hún soldaten, gaande van het loon tot hun dagdagelijkse hygiëne[377]. De landvoogd antwoordde dat hij ging proberen de fraude op te sporen en er komaf mee te maken.
H.) De bede van 1678.
Op 5 oktober 1678 verzocht de landvoogd om 10.000 rations daags[378]. Het was het begin van een zenuwslopende correspondentie tussen het Ledencollege en de landvoogd omtrent de bede.
De Leden antwoordden op 19 oktober op dit verzoek. In hun brief stelden ze dat enkel die plaatsen moesten betalen die niet onder het Franse juk lagen en die niet zeer zwaar afgezien hadden in de oorlog[379]. De landvoogd antwoordde positief op deze brief en bevestigde dat het Land van Waas en het Land van Aalst niet hoefden deel te nemen aan de subsidie[380].
De Leden hadden aan de subalternen die wel konden meebetalen gevraagd of ze wilden hun adviezen over de bede binnenbrengen. Slechts twee subalternen, Roeselare en het land van Bornem, gingen op het aanbod in. Daarom belegde men een algemene vergadering op dinsdag 25 oktober in de hoop dat er meer ondergeschikte besturen zouden op af komen[381].
Daags na het houden van deze algemene vergadering dienden de Leden hun adviezen in[382]. De geestelijkheid en Brugge waren wel bereid de soldaten één maandloon toe te staan, maar waren niet bereid om de bede aan de landvoogd toe te staan. Ze wilden dit pas doen nadat de plaatsen die door Frankrijk waren ingenomen uit krachte van het Traktaat van Nijmegen terug onder het bewind van de Spaanse kroon stonden. Het Vrije was bereid om twee maandlonen voor de soldaten in de provincie toe te staan. Dit Lid wou de bede ook niet toestaan ‘(…) omme de ieghenw(oordigh)e coniuncture van tyde (…)’. Men besloot om slechts één maandloon toe te staan en geen bede tot na de publicatie van de vrede en totdat alle veroverde plaatsen weer onder het gezag van de koning van Spanje stonden. Op 31 oktober werd hun akte van presentatie door de landvoogd niet aanvaard. De Leden moesten ofwel toestemmen ofwel de bede volledig excuseren, maar ze mochten niet uitstellen enkel omdat er een mindere conjunctuur heerste[383]. Dezelfde dag bogen de Leden zich opnieuw over de bede[384].
De geestelijkheid adviseerde dat men diende in te stemmen met de bede om verdere moeilijkheden te voorkomen. Het Vrije wou ook instemmen met de bede, maar was slechts bereid van 2500 rations toe te staan. Brugge wou verder afwachten. Men besloot om op dinsdag 8 november opnieuw een algemene vergadering te houden met alle ondergeschikte besturen.
Na de vergadering werd er over de bede twee dagen vergaderd[385]. De geestelijkheid adviseerde om 18.000 rations daags toe te staan. Hun advies werd in het Latijn meegedeeld. Een reden hiervoor werd niet meegegeven. Het Vrije adviseerde opnieuw 2500 rations daags. Een hemelsbreed verschil met het advies van de geestelijkheid. Brugge wou nog steeds afwachten. Er werd beslist om 2500 rations daags toe te staan. De Leden moesten op dit resultaat hun adviezen aanhechten. Ze gingen alle drie akkoord. De geestelijkheid vermeldde letterlijk bij hun advies dat hun ‘vorige resolutie waarschijnlijk niet zo goed begrepen was’ door de andere Leden[386].
De nieuwe akte van presentatie werd wederom niet aanvaard door de landvoogd omdat hun voorstel ‘al te cleen’ was[387]. De landvoogd toonde zich zelfs verbolgen en stak dit niet onder stoelen of banken: ‘(…) nous vous dirons que sommes bien estonnez de veoir qu’au lieu de continuer vostre ancien zele, et affection au service de sa Maiesté (…), vous pretendez de le diminuer si notablement (…)’.
De landvoogd diende een week later een nieuw verzoek in. Hij verzocht om 25.000 rations daags[388]. Er werd een soort van ultimatum gesteld in de petitie, namelijk dat de Leden (en de subalternen) hun adviezen moesten bij elkaar brengen in het Ledencollege tegen donderdag 22 december 1678 tegen 10 uur in de voormiddag. Uiteindelijk gaf, van alle subalternen, enkel het Land van Dendermonde gehoor aan de oproep. Het Land van Dendermonde adviseerde om 15.000 rations toe te staan. De Leden besloten daarop opnieuw een algemene vergadering te beleggen op donderdag 29 december ‘ten effecte van daerop te strecken vruchtbarighe resolutie (…)’[389].
De Leden dienden hun adviezen in op 2 januari 1679[390]. De geestelijkheid keerde weer terug naar zijn oorspronkelijk advies, ze stonden namelijk enkel één maandloon toe. Ze wilden geen bede toestaan tot na de officiële publicatie van de vrede. Het Vrije adviseerde 15.000 rations daags met uitdrukkelijk verzoek dat iedereen evenveel meebetaalde aan deze bede. Brugge adviseerde 18.000 rations daags. Brugge stond er wel op dat onder andere Gent, na terugkeer onder de Spaanse koning, in de mogelijkheid was om over dit aantal zijn beklag te doen. Uiteindelijk werd 15.000 rations daags beslist. De voorwaarden waren dezelfde zoals elk jaar. Enkel hetgeen wat Brugge had voorgesteld werd nu ook in de akte van presentatie opgenomen.
Op 10 januari mochten de Leden hun zegen geven over de akte van presentatie[391]. Voor Brugge en het Vrije was alles in orde. De geestelijkheid had, zoals bij de vorige subsidieaanvraag, bezwaar tegen enkele punten die volgens hen hun privilegiën aantastten. Ze wilden dit enkel eens vermelden, maar niet de akte van presentatie tegenhouden.
De Leden dienden enige tijd te wachten op de akte van acceptatie. Dit kwam doordat de vredesgesprekken in een stroomversnelling zaten. De landvoogd wachtte dus waarschijnlijk moedwillig om de akte van acceptatie te verlenen. Indien er vrede kwam, kon hij opnieuw een bedeverzoek doen en misschien een grotere bijdrage in de wacht slepen.
I.) De eerste bede van 1679.
Na het officieel aankondigen van de (voorlopige) vrede tussen Frankrijk en Spanje verzocht de landvoogd om een nieuwe bede op 20 maart 1679. Hij verzocht ofwel 25.000 rations daags ofwel 20.000 rations daags met de opbrengsten van de lopende middelen voor de Spaanse schatkist[392]. De landvoogd vroeg deze som ‘(…) pour estre en estat de ne plus tombe es miseres que la province a souffert pendant les dernieres guerres (…) et pour prendre un pied stable, et durable doibt estre l’entretien d’un nombre de soldats proportionné aux places qu’ il faut garnir (…)’. Pas op 7 april dienden de Leden hierover hun adviezen in[393]. De geestelijkheid adviseerde 16.000 rations daags, de andere Leden adviseerden 20.000 rations daags mits de opbrengst van de lopende middelen naar de provinciale kas ging. Haast alle voorwaarden betroffen de gevolgen van de oorlog. Zo vroeg Gent bijvoorbeeld de sleutels van de stad terug te geven aan de hoogbaljuw, dat de wachters in de stad zouden stoppen met wacht lopen,… . Men besliste om 20.000 rations daags toe te staan. Het Ledencollege nam opnieuw nota van het protest van de geestelijkheid omtrent het schaden van hun privilegiën[394]. Op 5 mei werd de akte van acceptatie door de Leden aanvaard. Op 26 mei volgde dan de eerste betaling[395]. Deze subsidie liep tot 31 oktober 1679.
J.) De tweede bede van 1679.
Op 13 augustus 1679 verzocht de landvoogd om een subsidie van 26.000 rations daags[396]. Het Ledencollege liet de subalternen hierover hun adviezen uitbrengen op 26 augustus 1679[397]. De laatste jaren was er een duidelijke stijging van de aantal keren dat de subalternen advies mochten uitbrengen in verband met de beden. Het Ledencollege deed dit volgens ons louter uit redenen van zelfbehoud. Zoals hoger reeds vermeld verzocht de overheid soms rechtstreeks aan kasselrijen, dorpen of steden om een bijdrage in plaats van via de tussenstop van het Ledencollege. Voor de subalternen was het ook een voordeel als de landvoogd rechtstreeks een bede aan hen verzocht omdat ze dan zelf de hoeveelheid konden beslissen. Het Ledencollege voelde ook wel dat ze op die manier langs de kant werden geschoven. Ze lieten daarom de subalternen meer aan het woord. Daarmee probeerden ze de subalternen te doen inzien dat het belangrijk was om via het Ledencollege een bede toe te staan.
Op 4 oktober 1679 dienden alle Leden hun adviezen in[398]. De geestelijkheid en Brugge adviseerden beiden 22.000 rations daags. Het Vrije diende een advies in van 20.000 rations daags en Gent 18.000 rations daags. De geestelijkheid vroeg hierbij aan de landvoogd om hun privilegiën te respecteren. Ze vroegen ook dat, als er hierover een stemming zou volgen in het Ledencollege, de meerderheid van stemmen niet zou tellen. Gent vroeg om op te treden tegen de ongeregeldheden die zowel binnen als buiten de stad voorkwamen. Uiteindelijk werd een subsidie van 22.000 rations daags aanvaard in het Ledencollege.
Op 23 oktober 1679 hechtte de landvoogd zijn goedkeuring aan de akte van presentatie[399]. De Leden gingen grotendeels akkoord met de akte van acceptatie.
Er zijn enkele constanten te ontdekken in het overschouwen van tien jaar bedeaanvragen. Het duurde soms een hele tijd, soms enkele maanden zelfs, tot een subsidie werd geregeld. Alle partijen moesten tevreden gesteld worden en het was een haast diplomatiek getouwtrek om een bedeaanvraag tot een goed einde te brengen. De Leden boden vaak een veel kleiner bedrag dan hetgeen verzocht was door de landvoogd. De landvoogd ging uit van de landsverdediging, de veiligheid van het land. De Leden gingen uit van hun financiële middelen. Het was de bedoeling dat ze een zelf toegestane bede konden betalen en niet om de inwoners van het graafschap helemaal uit te melken. De landvoogd en de Leden kenden allebei de noodzaak van een bede, maar beide partijen hadden andere belangen. Ze dienden van deze belangen uit te gaan.
De Leden onderling hadden ook allemaal verschillende belangen. Ze hadden wel één gemeenschappelijk belang en dat was het beste voor hebben met de hele provincie. In hun klachten – en verzoekenlijsten gingen ze steeds uit van de klachten of verzoeken van ondergeschikte besturen. Hun belangen verhielden zich met de oorlogssituatie op dat moment. Als ze plunderingen hadden meegemaakt door soldaten van welke partij dan ook, dan werd dit zeker vermeld in de akte van presentatie.
7.3. Betalingen via het Ledencollege aan de overheid.
Het Ledencollege kan aanzien worden als een tussenschakel tussen de kwartieren die de basis vormden voor de financiële inrichting van de provincie en de overheid. Het Ledencollege besliste welke som men zou toestaan aan de overheid. Het Ledencollege onderhield de contacten met de commiezen en instrueerde hen ook.
Men zou het Ledencollege in negatief daglicht kunnen stellen door te opperen dat ze een hinderlijk obstakel waren tussen de kwartieren en de overheid. Dit is echter helemaal niet waar. Via het Ledencollege konden alle verzoeken tot betalingen gecentraliseerd worden en was het voor de overheid eenvoudiger werken. Als de overheid een buitengewone betaling vroeg, dan werd dit geregeld via het Ledencollege. De overheid diende slechts aan te dringen en het antwoord te aanhoren. De onderhandelingen over het wel of niet aanvaarden van de buitengewone betaling door de provincie werden allemaal door het Ledencollege en de ondergeschikte besturen gevoerd. Het Ledencollege fungeerde dus ook als spreekbuis in deze kwesties naar de ondergeschikte besturen toe. Omgekeerd ook fungeerde het Ledencollege als spreekbuis van de onderdanen naar de overheid toe. Het Ledencollege bundelde in zich de klachten van de onderdanen en handelde ze ofwel zelf af of gaf de klachten door aan de overheid.
7.3.1. Organisatie van de provinciale belastingen.
De inning van de belastingen werden steeds verpacht per kwartier. Per kwartier waren er, zoals reeds hoger vermeld, drie commiezen die elk een andere soort belastingen onder hun hoede hadden. Deze commiezen stonden in voor het goed verloop van de verpachting van de belastingen en voor de controle op de pachters. De uiteindelijke controle op alle verpachtingen gebeurde onder de supervisie van het Ledencollege. In het Ledencollege werden ook de reglementen voor de pachters opgesteld. De algemene supervisie over de commiezen was ook in handen van het Ledencollege. Het college bepaalde immers wat met de gelden zou gebeuren. Het gebeurde nu en dan wel eens dat iemand van de twaalf commiezen werkende voor de provincie zijn takenpakket niet verstond. De commiezen konden omtrent hun taakbeschrijving steeds uitleg vragen aan het Ledencollege[400]. Deze stuurde de commiezen dan bij. Toch keek de oveheid nog steeds van op de zijlijn toe en kon deze ook de commiezen waar nodig bij sturen. Het gebeurde wel eens dat de overheid, bij monde van de landvoogd, de rekeningen van enkele commiezen opvroeg over een langere termijn. Op 3 april 1672 vroeg de overheid dit met betrekking tot de rekeningen van de impost. De Leden waren klaarblijkelijk in hun autoriteit aangetast, want ze weigerden dit verzoek[401]. Enkele maanden later, na een herhaald aandringen van de overheid, besloten de Leden dan toch de rekeningen in handen te stellen van de ‘controleurs’[402]. Op 11 december 1679 maakten de ‘controleurs’ van de landvoogd wederom gewag van een weigering op de vraag om de boeken in te kijken[403]. Ze hadden dit gevraagd aan Jodocus de la Villette, de commis van de maalerij en van de impositien voor het kwartier van Brugge. De Leden beveelden de commis om meteen al zijn boeken voor te leggen aan de controleurs. Het Ledencollege lijkt in 1679 met betrekking tot deze kwestie reeds heel wat inschikkelijker dan in 1672.
Naast de traditionele verpachtingen werd ook de uitbating van de bargie verpacht. Dit was de trekschuit die zorgde voor een vlot personenverkeer over de rivieren van de ene hoofdplaats naar de andere in de provincie. De beheerders van de trekschuit pachtten de uitbating ervan van het Ledencollege. In het begin van de onderzochte periode steeg de pacht van de bargie van Brugge naar Plasschendale, dichtbij Oostende, van 1700 ponden of 204.000 stuivers of 20.400 daglonen van een ongeschoold arbeider uit die tijd naar 1900 ponden of 228.000 stuivers per jaar of 22.800 daglonen van een ongeschoold arbeider uit die tijd. De vrije schippers van Brugge die deze route van de barge pachtten, verdubbelden daarop het vaargeld van 3 stuivers naar 6 stuivers of iets meer dan de helft van een gemiddeld dagloon van een ongeschoold arbeider uit die tijd[404].
Het Ledencollege verpachtte de bargie, maar de chefcolleges wilden in het jaar 1672 ook de andere provincierechten verpachten in plaats van dit door de commiezen te laten doen[405]. Dit verzoek aan de landvoogd bleef echter dode letter. De landvoogd wou niet afwijken van de normale gang van zaken. De lijsten met de provincierechten werden wel door het Ledencollege geregeld en goed – of afgekeurd door de Raad van Vlaanderen. Op deze lijsten stonden de zaken waaraan men zich diende te houden bij de pacht van een belasting en hoe hoog de belasting lag[406].
Volgens Lenders kwamen er onder druk van de oorlogsnoodwendigheden in de zestiende en de zeventiende eeuw nog nieuwe lasten bij[407]. De verpachting van de bargie is daar een voorbeeld van. Toch zat het Ledencollege in de hier onderzochte periode ook niet stil. Ze zochten verder naar het uitbreiden van de provincierechten op de belastingen. Zo zonden de Leden op 2 juli 1671 een brief en een delegatie naar de landvoogd ‘(…) omme aldaer voorts gheprocedeert te worden tot het verbeteren vande conditien, van(de) pachten ende augmenta(t)ie vande middelen vande provincie (…)’[408]. De delegatie werd aanhoord, maar voorlopig, althans enkele jaren, werden de provincierechten niet uitgebreid. Ze bleven bij de landvoogd wel aandringen om de provincierechten uit te breiden[409].
Niet enkel de Leden zelf wilden uitbreiding van de provinciale belastingen, het idee kwam soms ook van de onderdanen. De kooplieden uit Vlaanderen porden steeds bij het Ledencollege om de invoerrechten op diverse goederen te verhogen. Op 21 november 1675 werd hierover een vertoog gehouden in het Ledencollege door de kooplieden ‘sautsieders’ van Brugge en Gent[410]. Ze wilden dat het ingevoerde zout belast zou worden met 21 stuivers per zak. De kooplieden beseften zeer goed dat het zout die de West-Indische Compagnie invoerdde uit de Kaap-Verdische eilanden en uit de zoutpannen te Venezuela van betere kwaliteit was. De Vlaamse kooplieden werden op hun eigen markt weggeconcureerd. Ze wilden hier een stokje voor steken door de belasting voor het ingevoerde zout drastisch te verhogen. Het Ledencollege antwoordde dat ze de zaak gingen voorleggen aan de landvoogd. Enkel Gent stemde tegen het voorstel. De geestelijkheid onthield zich van enig advies. Het Ledencollege was dus voor het voorstel. Ze zouden aan de landvoogd vragen of ze bij de volgende verpachting het vreemde zout op de nieuwe voet zouden mogen verpachten. Pas op 25 april 1676 werd hierover een bevestigend antwoord door de landvoogd verleend[411].
Bij het invoeren van nieuwe overheidsbelastingen steigerden de Leden steeds. Volgens hen bracht dit steeds schade toe aan de gehele provincie[412].
Vele pachters vervulden hun werk niet naar behoren. Ze hadden niet genoeg enthousiasme om hun taak naar behoren te vervullen, daardoor lagen hun inkomsten soms behoorlijk laag, aldus het Ledencollege. Volgens het Ledencollege kwamen deze kwalen voort uit het feit dat de verpachting steeds slechts voor 1 seizoen of 6 maanden was. Op 13 december 1679 resolveerde het Ledencollege dan ook dat vanaf ‘(…) meye toecommende de rechten vande provincie, soo van impost, impositien als maelderie behalvens bestiael ende schaepghelt te verpachten voor den termyn van een gheheel iaer ende dat bij maniere van essaij (…)’[413].
7.3.2.Klachten van lagere instanties.
Een koploper in het neerleggen van klachten omtrent betalingen was de kasselrij van Oudenburg. Deze kasselrij had een hele tijd soldaten moeten inkwartieren[414]. Dit betekende voor hen reeds een grote uitgavepost. Bijkomende uitgaven deden