België en de Spaanse kwestie. Het Belgische diplomatieke beleid ten aanzien van Spanje tussen 1944 en 1954. (Jean Christophe Kremer)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

INLEIDING

 

De Tweede Wereldoorlog bracht een gewijzigd internationaal systeem met zich mee. Twee afzonderlijke blokken staten hitsten elkaar op en dit leidde tot de Koude Oorlog. De oorzaak lag in verschillende elementen, waarbij de ideologische factor wel de belangrijkste was. Een gevolg van dit conflict was de wil tot samenwerking binnenin de blokken. Dit was in feite een voortzetting van het vóóroorlogse spel van alliantievorming in een andere versie. De samenwerking binnen een blok gebeurde door het initiatief en onder het leiderschap van één staat. Voor het Westerse blok waren dat de Verenigde Staten en voor het Oosterse de Sovjetunie. Dat nam niet weg dat enkele andere staten, zoals Groot-Brittannië en Frankrijk in het Westen, een zeker prestige genoten. Ook speelde België een meer dan bescheiden rol in de militaire, economische en politieke coöperatie in het Westerse blok. Dit kwam hoofdzakelijk door één man: Paul-Henri Spaak. Hij leidde het ministerie van Buitenlandse Zaken tijdens de beslissende jaren na de oorlog. Zijn impact op het Belgisch buitenlands beleid kan nauwelijks overschat worden. Internationaal gezien verwierf hij hierdoor veel faam.

Opmerkelijk was dat ten minste een West-Europees land, Spanje, aan het appel van deze internationale samenwerking ontbrak. Niet dat Spanje vrijwillig de coöperatie weigerde, maar het land werd door de Verenigde Naties volledig geïsoleerd. Dat kwam doordat een dictator, die zijn macht had veroverd met de hulp van de verslagenen van de Tweede Wereldoorlog, Hitler en Mussolini, het land nog steeds bestuurde. Francisco Franco had de grootste moeite om zijn feitelijke machtspositie in het buitenland te bewijzen. Zo werd het probleem van de “Spaanse kwestie” geboren. Hoe men met de dictator moest omgaan, bleef een veelgestelde vraag binnen de internationale diplomatie. Het heil, voor Franco, kwam van Latijns-Amerikaanse landen en de Verenigde Staten.

De Latijns-Amerikaanse landen ijverden er binnen de Verenigde Naties voor een einde te maken aan de verbanning van Spanje uit de internationale gemeenschap. De Verenigde Staten zagen, in het kader van de Koude Oorlog Spanje als een militair-strategisch gelegen land, en bovendien in Franco, dankzij diens anticommunistisch beleid, een bondgenoot. De aanvaarding van Spanje in 1955 binnen de Verenigde Naties betekende dan ook het einde van de “Spaanse kwestie.”

De bedoeling van deze verhandeling is het Belgische beleid ten aanzien van het franquistische Spanje in de periode tussen 1944 en 1954 te bestuderen. In deze periode waren Paul-Henri Spaak en Paul van Zeeland, elk voor vijf jaar, ministers van Buitenlandse Zaken. De vraag is hoe België, via het beleid uitgestippeld door beide ministers, officieel op het franquistisch regime reageerde. Het recente boek van Coolsaet biedt veel hulp om de accenten van het gevoerde beleid te verklaren[1]. Hij stelt vier continue variabelen voor die bepalend zijn geweest voor de geschiedenis van het Belgische buitenlandse beleid. Deze vier variabelen – de ideologische factor, de economische en commerciële belangenbehartiging, het veiligheidsbeleid en de interne politieke machtsverhoudingen – kunnen ook op het beleid tegenover Spanje in die periode getoetst worden.

De keuze voor dit onderwerp ligt in verschillende – persoonlijke – redenen. Zo koesterde ik, in de eerste plaats, de wens dat mijn verhandeling zou kunnen bijdragen tot de geschiedenis van de Belgische diplomatie. Door mijn ervaring in Spanje, dankzij de Socrates beurs, dacht ik vervolgens dat het goed zou zijn het ongekende verhaal van de relaties tussen Spanje en België te bestuderen. Dit onderwerp leek naarmate het onderzoek vorderde, bovendien aantrekkelijker omdat een hele evolutie besproken wordt gaande van gespannen relaties in 1944 tot eerder hartelijke betrekkingen in 1954. Tenslotte werd mijn interesse van de naoorlogse jaren na dit onderzoek slechts bevestigd. De specifieke data ante quem et post quem, 1944 en 1954, werden zorgvuldig gekozen. Tijdens de oorlog, in april 1944, benoemde Paul-Henri Spaak een diplomaat om de, sinds 1940 gesloten, ambassade weer te heropenen. In 1954, tien jaar later, waar het onderzoek stopte bij de nederlaag van de CVP en het aanstellen van Spaak als minister van Buitenlandse Zaken, zagen de relaties er heel anders uit. Spanje werd zo goed als aanvaard in de internationale gemeenschap.

 

In het eerste, inleidende deel wordt de geschiedenis van het franquistische Spanje geschetst. Nadat een algemeen kader van het franquisme sinds de Burgeroorlog tot de dood van Franco in 1975 is gegeven, wordt verder ingezoomd op de periode 1945-1955 die voor deze verhandeling van belang is. In die periode werd franquistisch Spanje internationaal veroordeeld, geïsoleerd en geleidelijk aan weer in dezelfde gemeenschap aanvaard. Deze geschiedenis wordt hier verteld omdat zij in België minder gekend is. Nochtans hebben België en Spanje enkele gemeenschappelijke trekken, zoals de overtuigde Europeaan Salvador de Madariaga het stelde: “Politically, Spain curiously resembles Belgium […]. Like Belgium it is composed of a Clerical-Catholic Right, a Liberal Centre and a Socialist Left. This haunting likeness is completed by the fact that in Belgium as in Spain there is a regionalist-separatist movement […].[2] Anderzijds is de Belgische en internationale geschiedenis wel degelijk gekend zodat hier geen overzicht is gegeven. Andere historici of politologen hebben deze geschiedenis beter gesynthetiseerd dan ikzelf het had kunnen doen.

In het tweede deel wordt het beleid van Paul-Henri Spaak bestudeerd. In de periode tussen 1944 en 1949 vonden trouwens de meest belangrijke gebeurtenissen plaats. Er dient evenwel een stap in het verleden te worden gemaakt. Tijdens de Spaanse Burgeroorlog werd Spaak al geconfronteerd met de netelige erkenningskwestie van de fascistische regering van Franco. In de zomer van 1940, op doortocht in Spanje tijdens zijn vlucht naar Londen, werd Spaak in zekere zin gearresteerd, maar hij kon de Spaanse autoriteiten ontlopen. Uit vergelding werd de Belgische ambassadeur het land uitgezet. Bovendien kwam na de oorlog Léon Degrelle Spanje clandestien binnen. Harde onderhandelingen tussen beide landen voor de uitlevering van deze collaborateur leverden niets op. Deze gebeurtenissen maakten dat Spaak een vurige voorstander was van de veroordeling en isolering van franquistisch Spanje. Hiervan maakte hij gebruik van zijn positie in de Verenigde Naties. In december 1946 veroordeelden de Verenigde Naties het franquistische regime in een harde resolutie. Hierdoor moesten alle diplomatieke missiehoofden Madrid verlaten. Dit zou zo blijven tot het einde van 1950. België volgde het UNO-beleid zonder veel protest zodat de bilaterale relaties tussen beide landen dan ook bijzonder slecht waren.

In het derde kortere deel, over het ministerschap van Paul van Zeeland, wordt dan de verbetering tussen de relaties bestudeerd. Het tij keerde in 1949-1950. Zowel in de Verenigde Naties als in België werd de politiek tegenover Spanje veranderd. In België was dat het gevolg van een regeringswissel met Paul van Zeeland als nieuwe minister van Buitenlandse Zaken. Hij was gevoeliger, zoals de meeste katholieken, voor de Belgische economische belangen in Spanje. De “normalisatie” van de diplomatieke relaties bleek een positief effect te hebben op de verbetering van de betrekkingen tussen beide landen.

 

Deze verhandeling kent, in haar methodologie en uitwerking, een historische basis. Zo zijn de literatuur en het bronnenonderzoek in functie hiervan gezocht. Er bestaan noch gespecialiseerde werken over de bilaterale relaties tussen België en Spanje, noch uitgegeven werken over de rol van België in de Verenigde Naties. De informatie uit de literatuur was dus uiteindelijk heel primair of summier zodat de verschillende dossiers “politieke correspondentie” uit het Belgisch ministerie van Buitenlandse Zaken grondig uitgepluisd werden. De oorspronkelijke gedachte was dan ook het Spaanse beleid tegenover België te bestuderen. Bijgevolg werd in het archief van het Spaanse ministerie van Buitenlandse Zaken in Madrid naar informatie gezocht. Maar dat archief bevatte werkelijk niets interessant inzake België[3]. Het archief van het Belgisch ministerie van Buitenlandse Zaken mist ook sommige stukken. Voornamelijk tijdens de gespannen relaties tussen 1944 en 1946 ontbreken interne nota’s die het beleid van Spaak beter zouden kunnen uitleggen. Het archief van Paul-Henri Spaak bevatte, volgens M. Dumoulin, merkwaardig genoeg ook niets.

 

Omdat deze verhandeling voor het merendeel op bronnenmateriaal is gebaseerd, werd er veelvuldig naar verwezen en – misschien teveel – uit geciteerd. Enkele dossiers, zoals de problematiek van de zaak Degrelle, zijn heel complex. Er is bewust voor gekozen het verhaal zuiver chronologisch te vertellen. Zo worden ook alle nuances weergegeven. Door het gebrek aan literatuur had ik daarenboven geen echte basis voor interpretatie. Daarom is ook hier voor een nauwkeurige – misschien te encyclopedische – reconstructie gekozen. Deze verhandeling heeft slechts als ambitie een uitvoerige studie te zijn van de “feiten.” Feiten die het Belgisch beleid ten aanzien van Spanje kunnen verklaren. Deze feiten moeten eerst gekend zijn vooraleer ze verklaard kunnen worden.

 

 

Deel I. Algemeen historisch kader van Spanje

 

Hoofdstuk I. Franquistisch Spanje [1]

 

“Il n'est pas un pays que l’Espagne dont les us et coutumes soient si peu en harmonie avec les moeurs des autres nations.”

 

Wellington[2].

 

Om een degelijk beeld van het regime van Franco te schetsen zou men moeten teruggaan tot 1808. De hele periode van de Nieuwste Tijd is een erg onrustige periode van zowel revoluties en pronunciamentos[3] als restauraties van de monarchie en de proclamatie van een (kortstondige) Eerste Republiek met daarenboven twisten tussen de monarchisten – carlisten vs. de Bourbons. In de jaren ’20, onder koning Alfonso XIII (1898-1931), kwam generaal Miguel Primo de Rivera aan de macht als eerste minister en begon, met instemming van het volk, de “Dictatuur van Primo de Rivera” die elf jaar zou duren. Deze dictatuur institutionaliseerde zich nooit, in tegenstelling tot het fascisme van Mussolini in diezelfde periode. Dit verklaart waarom Primo de Rivera in 1931 zijn macht moest overdragen toen de onvrede over zijn beleid duidelijk werd. Het probleem echter was dat ook de koning geen instemming meer kreeg van zijn volk. Hij voelde zich genoodzaakt vrijwillig in ballingschap te gaan[4]. Het einde van de dictatuur van Primo de Rivera en het vertrek van de koning betekenden geenszins het begin van een kalme periode: het radicalisme nam alsmaar toe. De geproclameerde Tweede Republiek kampte met een politieke wereld die zich meer en meer verdeelde in heftige extremistische kampen. Interessant is de interpretatie van de Franse historicus Hermet die de oorsprong van de Tweede Republiek, naast het politieke aspect, ook koppelde aan rampzalige economische situatie van Spanje[5], maar deze thesis werd door andere historici niet verder uitgespit. Daarom definieert men hieronder “rechts” en “links” want beide kampen groeperen verschillende strekkingen.

Enerzijds waren er de rechtse katholieken, monarchisten en militairen en anderzijds de republikeinen, socialisten en zelfs communisten. Beide fracties bevochten elkaar bijna drie jaar lang. Deze burgeroorlog, die als laatste loopgravenoorlog de geschiedenis inging, definieert men vaker als een microkosmische oorlog die een totale oorlog voorafgaat. Alle strijdende partijen van de Tweede Wereldoorlog staan voor de eerste maal tegenover elkaar op: fascisten, communisten en democraten. De fascisten, gegroepeerd rond generaal Franco, wonnen de strijd dankzij de steun van hun ideologische broeders in Italië en Duitsland. Maar ook het andere kamp had een bondgenoot: de USSR. Vandaar was deze burgeroorlog meer een strijd tussen communisten en anticommunisten.

De overwinning van de anticommunisten op de communisten is één van de belangrijkste pijlers in Franco’s buitenlandse en binnenlandse politiek. Pas na zijn dood konden rechts en links samenwerken aan de democratisering van Spanje[6]. Nog even dit: Franco is zich goed bewust van de verschillende groepen – militairen, monarchisten, katholieken, Falangisten – in zijn kamp. Zijn enige binnenlandse politiek bestaat erin steeds een evenwicht te bewerkstelligen binnen deze fracties om zijn greep op allen en alles goed te behouden; zijn beleid wordt dan ook vaak bestempeld als zijnde ambigu of opportunistisch.

 

A. Franco vóór Franco

 

1. De opgang van een kleine man

 

Generaal Francisco Franco y Bahamonde werd geboren op 4 december 1892 in El Ferrol, een stadje bij La Coruña in Galicië. Zijn familie was van bescheiden afkomst. In 1907 volgde Francisco Franco studies aan de Militaire Academie van Toledo. Drie jaar later promoveerde hij in de Infanterie tot tweede luitenant. Hij eindigde er slechts op de 251ste plaats op 312 officieren. Dit belette niet dat hij een snelle carrière maakte in Marokko. Tussen 1912 en 1926 vocht hij bijna onafgebroken tegen de Marokkaanse rebellie onder leiding van Abd El Krim, waarbij hij enkele keren gewond raakte. In 1926 werd hij op drieëndertigjarige leeftijd benoemd tot generaal, de jongste van Europa.

 Kortom, Franco was wat men noemt een Africanista, iemand die vlug carrière maakte in Marokko, maar men mocht hem niet beschouwen als een strateeg. Zoals de meeste militairen van zijn generatie kwam hij volop voor zijn politieke ideeën uit. Zijn belangrijkste theorie was van nationaal militaire aard. Het leger was de enige incarnatie van het patriottisme en de garantie voor het behoud van de nationale rust. Dit had tot gevolg dat militaire interventie steeds gelegitimeerd kon worden[7]. Zo identificeerde Franco zich in de jaren ‘20 met de dictatuur van generaal Primo de Rivera, alhoewel hij daar ook enige bedenkingen bij had zoals de gedachte om Spaans Marokko te verlaten, of de liberale grondwet van 1876 niet af te schaffen.

Na zijn carrière in Marokko werd hij in 1928 benoemd tot directeur van de Militaire Academie van Zaragoza die hij met sterke hand leidde. Hij stelde, bij wijze van voorbeeld, de tien geboden van de cadet op, waar patriottisme, eer, vlag, discipline en dergelijke centraal in stonden. In Zaragoza werd de generaal openlijk conservatief en anticommunist. Maar in 1931, met de proclamatie van de Tweede Republiek, werd de Academie gesloten. Mede hierdoor vond Franco de Tweede Republiek onaanvaardbaar, maar toch nam hij geen ontslag uit het leger[8].

Hierbij wordt de ambiguïteit van Franco reeds aangetoond: hij bleef de republiek dienen alhoewel hij zich niet met haar ideeën kon verzoenen. Twee voorbeelden illustreren dit. In 1932 speelde de monarchist Franco geen rol in de mislukte monarchistische staatsgreep. Twee jaar later ondermijnde hij, daarentegen, met harde hand een anti-republikeins Asturiaans mijnwerkersoproer[9].

Tengevolge die hulp benoemde de Republiek hem tot opperbevelhebber van de Spaanse troepen in Marokko. In mei 1935, drie maanden na zijn benoeming, kwam er echter een regeringswissel. De nieuwe minister van Oorlog was de man die Franco openlijk steunde. José María Gil-Robles, leider van de conservatieve partij. Hij benoemde Franco tot het hoogste ambt dat een militair kan hopen: stafchef van het leger. Hij trachtte het leger te moderniseren. Hij had echter te weinig tijd want tien maanden later, in februari 1936, won de socialistische Frente popular onder leiding van Manuel Azaña de verkiezingen en Franco stapte op. Hij zei openlijk dat hij de Spaanse socialistische partij als een product van een internationale communistische operatie zag, geïnspireerd door de USSR. Hij werd daarop benoemd tot kapitein-generaal van de Canarische Eilanden, ver weg van de Spaanse hoofdstad.

 

2. De Burgeroorlog

 

Indien Franco het liberale parlementarisme van het einde van de negentiende eeuw niet begreep, dan begreep hij nog minder de Tweede Republiek. Zij kon onmogelijk Spanje op een waardige en verstandige vertegenwoordigen. Franco voelde niets voor de democratische waarden die de Tweede Republiek in Spanje trachtte te introduceren. Hij was ook blind voor het feit dat de republiek, op basis van de vrijheid, probeerde eerlijke en ambitieuze hervormingen op sociaal-economisch vlak door te voeren[10].

 Met zijn positie op de verre Canarische Eilanden werd hij niet onmiddellijk betrokken bij de militaire samenzwering tegen de republiek. Integendeel, hij bekommerde zich over de verloren eenheid in het leger. Het was pas op 23 juni 1936 dat hij zich met de opstandige generaals zoals José Sanjurjo, Mola, Kindelán, Vigón en anderen, verbond. Op 18 juli 1936, een dag na de alzamiento of het begin van de opstand, wordt dan een Manifest bekend gemaakt[11]. De samenzweerders hoopten dat hun coup hard en vlug zou slaan. De onverwachte escalatie van dit pronunciamento tot een burgeroorlog betekende geenszins een terugtrekking van de rebellen die zich groepeerden in de Unión Militar Española. Franco zei in april 1968 aan zijn neef Francisco Franco Salgado-Araújo: “de militair die zich tegen een legitieme regering in opstand komt, heeft geen recht op vergeving of gratie en daarom moet hij tot het einde vechten[12]”.

In oktober 1936, na de dood van zijn grote rivaal generaal Sanjurjo – tot dan leider van de Movimiento – en wanneer de rebellen van Marokko bijna heel Andalousië bezetten, werd Franco benoemd tot Staats- en Regeringshoofd. De samenzweerders aanvaardden dit, alhoewel niemand precies kon omschrijven over welk Spanje het ging. Hij was nu ook Generalísimo van de legers en omschreef zichzelf als caudillo (leider). De monarchisten zagen in hem de persoon die de monarchie zou terugbrengen en steunden hem ook ten volle. Het politieke brein achter Franco was echter zijn schoonzoon Ramón Serrano Suñer. Hij bezat charisma, een karaktertrek die Franco miste. Hij was pro-Duits en pro-Italiaans, meer totalitair, kortom hij bracht de rebellen dichter bij een fascistische doctrine.

 Op 1 april 1937 decreteerde Franco de eenheidswet. Alle rechtse politieke partijen versmolten in een partij, deze van de Movimiento nacional, die op zich een personalisatie was van de extreme partij de Falange[13]. Andere partijen werden ontbonden of verboden. Precies twee jaar later won Franco de burgeroorlog tegen de communisten, verpersoonlijkt in de republikeinen. Vanaf 1 april 1939 verstrengelen de biografie van een man en de geschiedenis van zijn land zich in een enkel verhaal[14].

 

B. Het franquisme: noodzakelijke weg naar de democratie?

 

Het franquisme is gemakkelijk in verschillende periodes af te bakenen. Alleen hangt alles af van de gehanteerde criteria; politieke, internationale, sociaal-economische. Hier wordt geopteerd voor het eerder politieke en internationale oogpunt. Maar om het eigenzinnig regime goed te verstaan, om de lange regeerperiode van deze dictator uit te leggen, dient men de verschillende “pijlers” van het regime te begrijpen om tenslotte te kunnen besluiten dat alles in het werk is gezet om Franco zo lang mogelijk aan de macht te laten.

 

1. Het eerste franquisme: tussen Geallieerden en de Asmogendheden

 

 De eerste regering van Franco was de zogenaamde regering van Burgos[15]. Opmerkelijk was dat Franco deze pas opstelde op 1 februari 1938 of anderhalf jaar nadat hij zichzelf tot Staats- en Regeringshoofd proclameerde. Twee ministers zijn het vermelden waard. Ramón Serrano Suñer, als minister van Binnenlandse Zaken, bouwde de franquistische staat: hij hervormde de politie, hield de propaganda en de pers in handen en bouwde een nieuw systeem met een sterk gecentraliseerde Staat. Door de monarchist Pedro Sainz Rodríguez tenslotte, die als minister van Opvoeding het republikeins onderwijs hervormde, werd in Spanje slechts het privaat onderwijs getolereerd. Dankzij hem werd het Spaanse onderwijs niet getroffen door een zekere indoctrinatie of door een cultus aan Franco.

 Enkele maanden later hervormde Franco zijn regering. Serrano Suñer werd nu ook minister van Buitenlandse Zaken. Onder zijn impuls verduidelijkten zich de buitenlandse krachtlijnen van het regime. Bij het uitbreken van de oorlog werd Spanje officieel neutraal. Deze situatie bleef niet zo omwille van de duidelijke sympathieën die het regime toonde aan de fascisten. Zij hadden tenslotte Franco aan de macht geholpen[16]. In juni 1940, na de val van Frankrijk, verklaarde Spanje zich “niet-oorlogvoerende” partij. Er volgden verschillende ontmoetingen tussen Serrano Suñer en Hitler, Mussolini en Himmler die leidden tot de enige ontmoeting tussen Franco en Hitler in het Franse Hendaye op 23 oktober 1940. Wat zij er bespraken, bleef onduidelijk, maar vandaag neemt men aan dat Franco zich bereid voelde om samen met Duitsland en Italië de oorlog te verklaren tegen de geallieerden “op het gepaste moment”[17].

 Indien vóór Hendaye Franco nog twijfelde om in de oorlog te treden, werd het na de ontmoeting met Hitler duidelijk dat Franco dat niet zou doen om verschillende redenen. Haar ambities om vaste territoria te verkrijgen in Noord-Afrika werden niet goed onthaald door Mussolini en het Franse regime van Vichy. Spanje was nog militair en economisch te zwak om werkelijk oorlog te voeren na de uitputtende burgeroorlog. Bovendien verplaatste de strijd zich meer naar de Balkan, Rusland en Afrika. Spanje bleef wel nog openlijk Duitsland steunen door Duitse U-boten in haar havens toe te laten en wolfraam exclusief naar Duitsland te exporteren. Maar ze interpreteerde op een eigen manier hoe de oorlog er uitzag: indien het niet tegen het Westen oorlog voerde, deed Spanje dat wel tegen de communisten, want in juni 1941 werd de División Azul (Blauwe Divisie) opgericht onder leiding van Generaal Muñoz Grandes. Tot november 1943 vochten 18.000 “vrijwilligers” aan het Oostfront.

 Toen Serrano Suñer in 1942 viel – Franco hield niet van sterke persoonlijkheden – begonnen de geallieerden, via de Amerikaanse ambassadeur Carlton Hayes[18], druk uit te oefenen op Spanje opdat het weer neutraal werd. De plannen voor de landing in Noord-Afrika lagen klaar en de geallieerden wilden de garantie dat Spanje zich niet in de strijd zou mengen. In ruil garandeerden de geallieerden de onschendbaarheid van het Spaanse territorium. In oktober 1943, na zware druk[19] te hebben uitgeoefend en nadat het voor Duitsland minder rooskleurig werd, keerde Spanje terug naar de neutraliteit. De División Azul werd naar Spanje teruggeroepen. Spanje sloot ook het Duits consulaat te Tanger. Maar de geallieerde druk bleef. De geallieerden dreigden ermee in het Noorden van Spanje te landen om Frankrijk te bevrijden, alhoewel zij uiteindelijk dit zouden doen vanuit het Zuiden van Frankrijk zelf.

 

 De Falange domineerde de binnenlandse politiek tijdens de oorlog. Men mag gerust spreken van een fascistisch autoritair regime. Vermits de oorsprong van het franquisme in een revolutie ligt, in tegenstelling tot het Italiaans fascisme, duurde de repressie en de honger naar bloed voort in de gebieden, zoals Catalonië, die de Republiek tot op het laatste ogenblik trouw dienden. In 1940 decreteerde Franco de Wet van Politieke Verantwoordelijkheden. In deze wet werden communisten en vrijmetselaars veroordeeld. Temeer had deze wet een terugwerkende kracht tot 1934. Sinds het einde van de Burgeroorlog tot 30 juni 1944 vonden er waarschijnlijk 50.000 executies plaats terwijl het regime ongeveer 300.000 burgers in de gevangenis of concentratiekampen gestopt. Rond 1945 waren er nog zeventien duizend politieke gevangenen[20]. Deze repressie vond steun zowel bij de industriëlen als bij het overgrote deel van de bevolking[21]. Repressie vond men ook terug bij de pers: door de Perswet van 22 april 1938 werden de journalisten benoemd en dit zou tot het einde van het franquisme duren.

 De Falange creëerde verschillende (vak-)bonden voor alle lagen van de bevolking: in 1940 werd de Frente de Juventudes (Jeugdfront) opgericht waar de doctrines van het franquisme “onderwezen” werden in kampen, excursies en dergelijke. Ook de studenten hadden hun bond, de SEUN, die beurzen gaf en waarvan elke student verplicht was lid te zijn.

Het was ook de Falange, naast de persoon van Serrano Suñer, die de nieuwe ideologie van het regime definieerde met als basis de strijd tegen het communisme en voor een aanvaardbaar klerikalisme. Door de invoering van een aanvaardbaar klerikalisme werd, ter illustratie, het katholicisme de officiële staatsgodsdienst, mochten de Jezuïeten weer in Spanje komen, werden verschillende congregaties weer geopend, en werd het kerkelijk huwelijk als enige wettige beschouwd[22]. De Falange echter, als enige getolereerde partij, was een melting pot geworden van de Spaanse conservatieven en reactionairen, christen-democraten en allerhande nationalisten en fascisten van de oude garde – die vóór de Burgeroorlog eerder antiklerikaal waren. Zoals Hermet aantoonde verloor de Falange als “cocktail-partij” hierdoor haar slagkracht[23]. De partij die haar hoogdagen vierde in de oorlog verloor haar leiderspositie. In de jaren 1950 probeerde zij tevergeefs de verloren macht opnieuw te grijpen, maar deze berustte dan voorgoed bij de katholieken. In 1957 veranderde deze schaduwpartij zelfs van naam en doopte zich om tot Nationale Beweging.

 

2. Het nationaal-katholieke franquisme[24]

 

Door de winst van de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog, kwam de man die Duitsland openlijk steunde in een moeilijke positie terecht. Internationaal dacht men luidop dat Franco’s val hooguit een kwestie van een paar maanden zou worden. De Spaanse republikeinen in ballingschap in Parijs en Mexico hergroepeerden zich en oefenden bij de regeringen van de Geallieerden druk uit om Franco’s vertrek te eisen. Maar dan kenden ze de kleine, sluwe man uit Galicië niet goed. Samen met zijn persoonlijke secretaris en raadgever, Luis Carrero Blanco, zetten ze de Operación Cosmética (Opsmukoperatie) op. Niet alleen verdween de symboliek; er vonden grondige hervormingen plaats. De fascistische woordenschat en groet werden verbannen. Belangrijke falangisten als José-Luis de Arrese werden uit de regering gezet en katholieken namen hun plaats in. Het gaat voornamelijk om de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, Alberto Martín Artajo. Ibañez Martín werd de nieuwe minister van Onderwijs. Opmerkelijk was ook dat er geen echte monarchisten deel uitmaakten van de regering. Dit kwam door de houding van de troonpretendent zelf. Don Juan had recent in een manifest het regime als onwettig beschouwd en dat was uiteraard in het Pardo (de officiële residentie van Franco) niet in goede aarde gevallen. De regering hield zes jaar stand tot Franco een lichte wijziging doorvoerde, in 1951 werden weer twee katholieken meer benoemd.

Voor de geallieerden waren deze hervormingen onvoldoende, want Franco bleef. Op 12 december 1946 veroordeelden uiteindelijk de Verenigde Naties Spanje en bevalen ze hun leden aan hun diplomatieke missiehoofden uit Madrid terug te roepen. Deze zwarte nacht van het franquisme duurt uiteindelijk niet zo lang. Spanje begon aan een diplomatiek tegenoffensief door pacten te sluiten met het Portugal van Salazar en het Argentinië van Perón. Toch kwam de zegen vanuit de Verenigde Staten zelf. Als de Koude Oorlog, eind jaren 1940, pas echt woedde, vonden zij in Franco een factor van politieke stabiliteit. Daarenboven was Spanje strategisch gelegen om het communisme te bestrijden. De onderhandelingen tussen de twee landen konden beginnen: de Verenigde Staten wilden bases voor hun gevechtsvliegtuigen en Spanje wou economische hulp. Beide partijen bezegelden hun akkoord op 26 september 1953 in het Pact van Madrid (geen verdrag). Franco had redenen om blij te zijn want hij bereikte hiermee een dubbel doel. Enerzijds kreeg hij zijn eigen “Marshallplan” van de Verenigde Staten en anderzijds, doordat de machtigste natie van de wereld een akkoord met hem ondertekende, kreeg hij ook internationale erkenning. Dit gebeurde ook in 1955 toen, nog geen tien jaar na de veroordeling, Spanje in de Verenigde Naties mocht zetelen. In augustus 1953 sloot Spanje ook een Concordaat met het Vaticaan, wat ook als een overwinning voor Franco beschouwd mocht worden. Het concordaat was in het voordeel van Spanje[25].

 Op binnenlands vlak voerde Franco, nog steeds in het kader van de Operación Cosmética, enkele hervormingen door. Op 27 augustus 1945 voerde hij het Fuero de los Españoles (Charter van de Spanjaarden) in, een soort eigen interpretatie van de mensenrechten. Op 22 oktober 1945 decreteerde hij een wet die het referendum invoerde voor belangrijke staatszaken. Hij maakte daarvan gebruik om de belangrijke Ley de Succesión (de Opvolgingswet van juni 1947) door te voeren, waarin voor het eerst over de institutionalisering van het regime werd gesproken. Spanje werd officieel een koninkrijk, maar Franco bleef wel staatshoofd voor het leven en zou zelf zijn opvolger – met de titel van Koning – mogen aanduiden.

 

Economisch gezien ging het echter heel slecht in Spanje. Na de Burgeroorlog voerde het regime een systematische staatsgeleide economisch beleid, voornamelijk door subsidiëring van sectoren die nationaal belangrijk waren zoals de communicatie, elektriciteit, ijzer en steenkool. Buitenlandse investeringen in Spaanse bedrijven werden beperkt tot 25 procent van het totale kapitaal van dat bedrijf[26]. Het Nationaal Instituut voor de Industrie (INI), opgericht op 25 september 1941, beheerde alle staatsgeleide bedrijven. Franco’s doel was de volledige autarchie. Deze politiek werd verder gevolgd tot 1951 totdat men inzag dat het gekozen systeem faalde. De regering hechtte veel belang aan het houden van de officiële vaste koers van de Spaanse munt, de peseta. Hierdoor verminderden de deviezen van de Spaanse Nationale Bank spectaculair[27]. De beperkingen op import en export tengevolge de politiek van autarchie leidden tot een regelrechte ramp. De landbouw stortte in, het werden jaren gekenmerkt door honger[28] en de import van energie was slechts bestemd voor de zware industrie. Het waren jaren van hoge inflatie en een belangrijke zwarte markt[29].

 In 1951 schakelde men over naar een liberale handelspolitiek. De Spaanse markt werd opengemaakt voor de import van nieuwe, moderne producten uit de Verenigde Staten. De monetaire politiek werd ook flexibeler. Door het vermeldde Pact met de Verenigde Staten kreeg Spanje nu ook kredieten. De resultaten lieten niet op zich wachten: de economie groeide met 4 à 5 procent per jaar. Het werden de “jaren van Seat” (genoemd naar de Spaanse auto).

 

Ondanks deze economische relance kwam er een driedubbele crisis in 1956[30]. Het was in de eerste plaats een generatiecrisis. In drie dagen tijd, van 8 tot 11 februari 1956, voltrok zich te Madrid een ware “echtscheiding” tussen de nieuwe generatie van studenten en het regime van Franco. De studenten bleven na de rellen loyaal tegenover het regime, maar zij identificeerden er zich niet meer mee. Het was ook een koloniale crisis. Vermits Frans Marokko onafhankelijk werd, moest, omwille van de eenheid van het land, ook Spaans Marokko onafhankelijk worden. Spanje behield weliswaar enkele plaatsen zoals het stadje Ifni en de provincie Río del Oro, of de huidige West-Sahara[31]. Uiteindelijk was het ook een sociaal-economische crisis. Gedurende drie jaar vonden regelmatig stakingen plaats door de arbeiders in het relatief rijkere Noorden. Gegeven het verbod om te staken, diende dit geïnterpreteerd te worden als de mislukking van het syndicale model van verticale solidariteit die de Caudillo had opgezet, en als een algemene sociale malestar (malaise). Indien de economie sinds 1951 terug groeide, bleef er nog een graad van ongeveer 40 procent inflatie per jaar[32] als gevolg van de te hoge peseta. Vandaar dat het hoognodig werd van de economie een prioriteit te maken in de volgende regering. Vermits Franco zich slechts bezig hield met de binnenlandse en buitenlandse politiek, liet hij het werk aan zijn ministers over. Hij ondertekende slechts de beslissingen[33].

 

3. Technocratie en Franco

 

 In deze lange fase, tussen 1957 en 1969, stond de economische heropleving van Spanje zonder twijfel op het voorplan. De invloed van de falangisten kon nu omschreven worden als virtueel na de Ley de Principio del Movimiento (Wet van het principe van de Beweging)[34]. Het nagelaten vacuüm werd opgevangen door “technocraten”, meestal hoogleraren Economie en allen leden van het Opus Dei. Alberto Ullastres en Mariano Navarro Rubio speelden een grote rol in de eerste regering of deze van het Plan de Estabilización (Stabilisatieplan). Indien in de tweede regering (van 1962 tot 1965) anderen hun portefeuille innamen, volgden zij de lijn van hun voorgangers. Laureano López Rodó, Gregorio López Bravo ontwierpen, eind 1958, het eerste vijfjaarlijkse Plan de Desarollo (Ontwikkelingsplan). Dankzij het succes van dat plan volgden later nog meer plannen. Een bijkomende reden voor een nieuwe economische politiek, naast de driedubbele crisis in 1956, was de geboorte van de Europese Economische Gemeenschap. De EEG werd in Spaanse economische kringen onmiddellijk populair.

Voor Ullastres was het broodnodig de economie te liberaliseren door middel van de ontwikkelingsplannen, alhoewel de Caudillo huiverde bij dit woord (“Ik word nu communist[35]”). Deze liberalisering ging gepaard met een sterke devaluatie van de peseta, hetgeen de export ten goede kwam. De inflatie verdween echter niet in de jaren 1960. Dankzij de liberalisatie was het mogelijk een nieuw Ontwikkelingsplan uit te voeren. Het verschil met de Sovjetrussische vijfjarenplannen ligt in de vrije, geconcerteerde actie tussen de regering en de bedrijvenwereld om ontwikkelingspolen uit te bouwen. De gevolgen van deze plannen zijn verschillend van aard; er is zeker en vast een economische bloei te bemerken, maar deze is cyclisch van aard[36]. Bovendien waren het ook de geürbaniseerde gebieden die ervan profiteerden: oude industriële polen – zoals Madrid, Barcelona, Catalonië en Baskenland – breidden zich uit en andere steden, zoals Zaragoza, Vigo, Valladolid en Burgos, wierpen zich op als nieuwe polen. De andere provincies (als Andalousië of de Canarische Eilanden) genoten niet van deze economische groei. Een gevolg was dat Spanje in de jaren 1960 sterk urbaniseerde, tot 50 procent[37], en dat er een belangrijke emigratie was naar Europese landen als België[38] en Duitsland. Niet alle sectoren profiteerden van de economische bloei. De agrarische sector bijvoorbeeld, had geen voordeel bij het plan. De ontwikkelingsplannen spraken zich niet uit over een te volgen landbouwpolitiek. Anderzijds werd in 1963 ook de sociale zekerheid uitgebouwd die voor 85 procent door de privé-sector werd gefinancierd terwijl de Staat de overige 15 procent subsidieerde.

De regeringen uit deze periode waren ook verantwoordelijk voor de uitbouw van het toerisme aan de Middellandse Zee. De inkomsten uit het toerisme vertienvoudigden in hetzelfde decennium (van 1963 tot 1973). Dankzij het toerisme kwamen ook buitenlandse deviezen in Spanje terecht, hetgeen welkom was voor de Spaanse schatkist.

 

De derde regering noemde men naar de Ley Orgánica del Estado (Bijzondere Wet voor de organisatie van de Staat). De belangrijke ministers Ullastres en Navarro Rubio werden respectievelijk ambassadeur bij de EEG en secretaris van de Spaanse Nationale Bank. Voor het eerst in het dertigjarig bestaan van het regime legde Franco het regime definitief vast op basis van de “organische democratie.” Spanje werd dus een katholiek, sociaal en representatief koninkrijk. Deze wet van 10 januari 1967 werd gelegitimeerd door middel van een referendum waarin 95 procent voor de wet stemde. Organische democratie betekent geenszins democratie maar een vertegenwoordiging van de drie verschillende onderdelen (organen) van de maatschappij, met andere woorden de katholieke Kerk, de familie en de arbeidssector. In die zin wordt ook gesproken van een verticale democratie. Juan-Pablo Fusi schreef dat deze wet eerder een politieke opsmukoperatie was dan het door Franco omschreven begin van een nieuwe fase[39].

In 1966 stelde ook de progressieve minister van Toerisme, Informatie en Pers, Manuel Fraga Iribarne, een nieuwe perswet op. De onmiddellijke censuur voor de pers werd opgeheven: het sanctioneren zou pas na de publicatie plaatsvinden. Ook kwam er meer openheid in de filmcensuur en werd de cultuur van de ballingen van het regime gerecupereerd door films van Buñuel of gecensureerde boeken.

In 1967 werd Franco 75 jaar en sinds 1961 leed hij aan de ziekte van Parkinson, zodat enkelen aan zijn opvolging begonnen te denken. Voor veel Spanjaarden was Franco onsterfelijk en dus was het onnodig zich met deze vraag bezig te houden[40]. Carrero Blanco, de “éminence grise” van het regime, en López Rodó wisten Franco ervan te overtuigen dat de tijd wel rijp was geworden om een opvolger te benoemen. Franco dacht al sinds de jaren ‘40 aan de kleinzoon van Koning Alfonso XIII, Juan Carlos. De vader van Juan Carlos, de graaf van Barcelona en legitieme troonpretendent, werd over het hoofd gezien omwille van de openlijke kritiek op de Caudillo en zijn regime. Juan Carlos had al zijn studies, zoals afgesproken door Don Juan en Franco zelf, in Spanje kunnen verwezenlijken. Volgens de Opvolgingswet van 1947 moest de opvolger minstens dertig jaar oud zijn en Don Juan Carlos werd net 30 in 1968. Op 22 juli 1969 benoemde Franco hem uiteindelijk tot opvolger “met de titel van Koning”. In die zin instaureerde Franco de monarchie in plaats van ze te restaureren[41].

Deze benoeming betekent ook definitief het einde van de ambities van de carlisten, een branche van de Bourbons die sinds het midden van de XIXe eeuw de opvolgers van Isabella II van Spanje betwisten. Na lange debatten gunde de Cortes (het Parlement) Franco zijn opvolger[42]. Maar ondanks zijn ziekte hield de Caudillo de touwtjes nog stevig in de handen: “Terwijl God mij het leven heeft gegeven, zal ik met jullie er nog zijn om voor het vaderland te werken” zei Franco. Fusi besloot voor hem: God heeft hem nog zes jaar leven gegeven[43].

 

4. Crisis van het franquisme

 

 Tijdens de laatste zes levensjaren van de Caudillo verroestte het regime. Twee strekkingen kenmerken deze periode van twee regeringen waarin Franco voor de eerste keer het premierschap overliet aan Luis Carrero Blanco en Carlos Arias Navarro: het conservatisme en het aperturisme. Het conservatisme verenigde verschillende groepen van de oude garde van het franquisme zoals het goed georganiseerde extreem rechts, de oudstrijdersbond van de Burgeroorlog (met vele officieren) en de oud-strijders van de Blauwe Divisie. Ook de onmiddellijke omgeving van Franco behoorde tot deze groep zoals zijn schoonzoon, de Markies van Villaverde. Tot de aperturisten behoorde de leidende elite van Spanje, zoals ministers, het diplomatieke corps en ook de generatie van Don Juan Carlos. Deze generatie, opgegroeid tijdens het franquisme, hoopte op een verandering na de dood van de Caudillo. Een man mag hier niet vergeten worden: Adolfo Suárez. De latere premier van koning Juan Carlos, die het democratiseringsproces van Spanje zou doorvoeren, was tijdens de laatste jaren van het franquisme directeur van de Spaanse radio- en televisieomroep.

 Het omkoopschandaal van het textielbedrijf Matesa, waar verschillende ministers en de broer van Franco in verwikkeld waren, ontketende een nieuwe crisis. Arbeidsconflicten herrezen, een nieuwe generatie studenten brak eens te meer met het franquisme en ook kerkelijke leiders van na het Tweede Vaticaans Concilie, zoals paus Paulus VI en de Madrileense bisschop Mgr. Tarancón, verbraken openlijk de band met het regime. Tenslotte laaiden regionale conflicten op, voornamelijk op cultureel vlak in Catalonië en in het Baskenland. In 1968 begon ETA een gewapende strijd tegen de centrale staat[44].

 De eerste regering geleid door Carrero Blanco tussen 1969 en 1973 was duidelijk conservatief (en repressief) van aard. Positief aan deze regering was echter de economische vooruitgang, het BNP steeg nog duidelijk met gemiddeld zes procent. Op buitenlands vlak sloot Spanje, in 1970, een preferentieel akkoord met de EEG en knoopte het diplomatieke relaties aan met het communistische China en Oost-Europa. Door de institutionele continuïteit verloor de regering veel van haar krediet. In december 1970 vond het befaamde proces van Burgos plaats. Zes etarras (ETA-leden) werden tot de doodstraf veroordeeld en tien anderen tot 752 jaar cel. De wereld reageerde verontwaardigd. Franco zelf ondertekende de veroordeling op kerstdag 1970. Deze veroordeling leidde tot een climax in de gewelddadigheid. De ETA ontvoerde de Duitse consul te Barcelona zodat de paus en Duitsland zich genoodzaakt voelden zich in het debat te mengen. De ETA organiseerde ook nog twee spectaculaire bomaanslagen, een in december 1973, op regeringsleider Carrero Blanco en een andere in september 1974, in een café in het centrum van Madrid, elf mensen kwamen hierbij om het leven.

Na de moord op Carrero Blanco benoemde de bejaarde Franco zijn laatste regeringsleider Carlos Arias Navarro. Zijn regeringsploeg beloofde de aperturistische toer op te gaan (vrijheid van pers en van politieke groepering) maar door verschillende incidenten, de val van de dictatuur in Portugal en de internationale oliecrisis kwam daar niets van terecht. De Caudillo zelf werd zwaar ziek zodat troonopvolger Don Juan Carlos tot staatshoofd ad interim voor twee weken werd aangesteld[45]. Na deze mislukte openheid kwam een allerlaatste fase, gekenmerkt door repressie, waarin aperturistische leiders en legerofficieren ontslagen werden. Toch werden, al dan niet in ballingschap, allerhande bewegingen gesticht met het oog op het post-franquisme zoals de rechtse Unie voor het Spaanse Volk (UDPE) onder leiding van Adolfo Suárez[46] of ook de zogenaamde socialistische Groep van Sevilla onder leiding van Felipe González. De fysieke toestand van Franco verergerde, zijn laatste openbare verschijning gebeurde op 1 oktober 1975. Anderhalve maand later, na een wekenlange doodsstrijd, stierf hij op 22 november[47]. Don Juan Carlos werd opnieuw tot staatshoofd ad interim benoemd. Tijdens de laatste en belangrijke dagen van het franquisme verloor Spanje zijn laatste gebieden in Marokko (Ifni en de Río del Oro) en sloeg de ETA alsmaar harder toe.

 Merkwaardig was dat op de begrafenis van de Caudillo, die zijn land afwisselend met harde en zachte hand bijna veertig jaar lang bestuurde, slechts drie staatshoofden aanwezig waren. Naast de Amerikaanse delegatie bevond er zich ook prins Rainier van Monaco, Koning Hussein van Jordanië en Augusto Pinochet. Dit stond in fel contrast met de kroning van Don Juan Carlos I enkele dagen later. Dit toonde de verwachtingen van de internationale gemeenschap, die Franco uiteindelijk aanvaardde, voor een democratisering van Spanje. Deze weg was, zoals de geschiedenis heeft aangetoond, vrijgemaakt.

 

5. Besluit

 

 Het was een feit dat Franco handelde als een volledig opportunistische, en daardoor ambigue, politicus. Dankzij de steun die hij tijdens de Burgeroorlog genoot van Italië en Duitsland benoemde hij fascistische ministers – met als boegbeeld zijn schoonbroer Ramón Serrano Suñer – in zijn regering tijdens de Tweede Wereldoorlog. Na het verlies en het failliet van het fascisme verdwenen ook deze politici van de voorgrond om plaats te maken voor nationaal-katholieken. Hun boegbeeld was de minister van Buitenlandse Zaken Alberto Martín Artajo. Fascistische tekens als de groet en de camisa azúl of blauwe hemd verdwenen van het toneel. Nadat Spanje opnieuw aanvaard werd in de internationale gemeenschap, misschien wel de grote verdienste van deze periode, kwamen de technocraten aan de macht die Spanje economisch zouden moderniseren, met als boegbeelden Laureano López Rodó en Alberto Ullastres Calvo. Toen Spanje ook economisch actief werd, waren alle ingrediënten klaar opdat het land ook politiek een moderne staat kon worden en de weg van de democratie kon inslaan. Maar hiervoor moest men tot de dood van Franco wachten. Dit wachten was een langslepende crisis die vijf jaar zou duren. In deze onzekere periode trad de versleten Franco hardnekkig op tegen het groeiend protest.

 Deze korte schets toont aan dat Franco een pragmaticus bij uitstek is: de veranderingen kwamen waar nodig waren om orde en eenheid te kunnen waarborgen. Er bestond met andere woorden geen krachtdadigheid of geen Staatsvisie zoals bij andere totalitaire staten. Het was op een bepaald moment een fascistisch regime (maar niet zoals in Duitsland of Italië), op andere momenten een autoritair regime (tijdens de laatste jaren) of nog een nationaal-katholiek regime waarbij de Kerk een grote rol speelde. Het regime had geen grondwet, de instellingen evolueerden met de tijd, het was kortom een persoonlijke en militaire dictatuur. Zowel het leger, de fascistische Falange en de Kerk steunden de Caudillo.

 Misschien is het beter om te eindigen met wat professor Fusi schreef in zijn biografisch essay over Franco:

[…] De geschiedenis bekeek […] dit tijdvak niet met “bewondering en respect” zoals Franco het op 24 december 1966 voorspelde, maar met een gepassioneerde nieuwsgierigheid en gedeelde opinie. Het kan ook niet anders. Men kan lang polemiseren over het begin op 18 juli [1936], over de persoonlijke motivaties van Franco zelf, over de natuur zelf van het regime […]. Men kan ook lang debatteren over het succes of niet van Franco’s beleid als staats- en regeringshoofd, over zijn relaties met Mussolini en Hitler, over zijn houding in de Tweede Wereldoorlog, over de keuze van zijn regeringen […]. Men kan twisten over de repressie of over de grote maatschappelijke aanhang die het regime vond. […] Maar er is iets waarover men nooit zal discussiëren: dat Franco de langste dictatuur vestigde in de XIXe en XXe eeuw van de Spaanse geschiedenis, een persoonlijke dictatuur van veertig jaar lang waar het tijdens haar bestaan het liberale en democratische bewustzijn echt verwierp. […] Franco die zich steeds verantwoordelijk voelde tegenover God en de Geschiedenis, zal, of men het nu wil of niet, de mening van deze laatste moeten aanvaarden en die is in meerderheid tegen hem.[48]

 

C. De moeilijke jaren na de Tweede Wereldoorlog[49]

 

 Als laatste onderdeel van dit inleidende deel focus ik op de periode waarbij de verhandeling verder wordt uitgebouwd. In deze fase werd het regime, na een zware veroordeling door de internationale gemeenschap, weer door diezelfde gemeenschap aanvaard. Op binnenlands vlak werkte Franco aan de versterking van zijn macht waarop hij tot zijn dood kon berusten. Dit gedeelte handelt over Franco’s reactie op de verschillende veroordelingen van zijn regime, de grote lijnen van zijn diplomatie tijdens zijn internationaal isolement en tenslotte de weg naar de internationale aanvaarding.

 

1. De Zwarte Nacht van het franquisme

 

 De problemen voor de overleving van het regime begonnen in 1944. Spanje trok weer de neutrale kaart na zware druk van de geallieerden. In deze periode situeerde zich ook het begin van de Operación Cosmética (Opsmukoperatie). De Caudillo zag in dat, indien hij en zijn regime na de oorlog wilden overleven, het fascistisch imago van het regime moest plaatsmaken voor een nieuwe basis. Deze basis werd het anticommunisme[50].

 Slechts weinigen geloofden Franco en dus begonnen van alle zijden de aanvallen op Franco en zijn regime. De eerste zware aanval kwam van Don Juan, de troonpretendent die in zijn Manifest van Lausanne, gepubliceerd op 19 maart 1945, het regime veroordeelde. Hij schreef dat het regime “geïnspireerd is vanuit de totalitaire principes van de Asmogendheden[51]”. Zes dagen later kende Franco de inhoud van de brief die de Amerikaanse president, Franklin D. Roosevelt had gestuurd naar zijn nieuwe ambassadeur in Spanje. Daarin schrijft Roosevelt het volgende:

Having been helped to power by Fascist Italy and Nazi Germany, […] the present regime in Spain is naturally the subject of distrust by a great many American citizens. […] The fact that our Government maintains formal diplomatic relations with the Spanish regime should not be interpreted by anyone to imply approval of that regime and its sole party, the Falange, […]. As you know, it is not our practice in normal circumstances to interfere in the internal affairs of other countries unless there exists a threat to international peace. The form of government in Spain and the policies pursued by that Government are quite properly the concern of the Spanish people. I should be lacking in candor however, if I did not tell you that I can see no place in the community of nations for governments founded on Fascist principles. […][52]”.

 

Franco reageerde op deze veroordelingen door enkele hervormingen door te voeren of, zoals hij het cynisch zei, Spanje met een democratisch gewaad te kleden[53]. Op 13 juli 1945 kondigde hij de Fuero de los Españoles af, zoals vermeld een soort eigen verklaring van de rechten van de Spanjaarden. Enkele dagen later verleende hij een partiële amnestie. De Ley de Bases del Regimen Local (gemeentewet) bepaalde dat er corporatieve verkiezingen konden worden gehouden, maar de regering behield het recht de burgemeester te benoemen onafhankelijk van de resultaten. Op 11 september verbood hij de fascistische groet, precies één week later evacueerden de Spaanse troepen de internationale zone van Tanger en op 22 oktober kondigde hij de belangrijke wet op het referendum af, waarbij de Spaanse bevolking enkele voorgestelde wetten kon stemmen[54].

 Op 20 juli 1945, voor de Conferentie van Potsdam, vond de meest aangrijpende verandering plaats met de benoeming van een nieuwe regering waarin het ministerschap van de Movimiento vacant werd. Het ambt werd traditioneel aan een lid van de Falange gegeven. De opvolger van de minister van Buitenlandse Zaken en oud-ambassadeur te Vichy tijdens de Tweede Wereldoorlog, José Felix de Lequerica was de katholieke Alberto Martín Artajo. De man achter deze benoeming was de rechterhand van Franco, admiraal Carrero Blanco, en de benoeming kreeg de zegen van de Spaanse primaat en trouwe aanhanger van Franco, kardinaal Pla y Deniel. De Spaanse historicus Javier Tusell zag hier het echte begin van de collaboratie van het politiek katholicisme met het regime alsook de uitwerking van Spanje als een katholieke Staat[55]. Franco speelde nu openlijk de katholieke kaart en deed dit slechts om zijn regime te laten overleven[56].

 Maar voor de ogen van de internationale opinie bleef franquistisch Spanje een persoonlijke dictatuur. Tijdens de opgesomde hervormingen vond de Conferentie van San Francisco plaats waar de Mexicaanse delegatie een motie voorstelde om regeringen, opgezet met de hulp van de Asmogendheden, het lidmaatschap van de Verenigde Naties te ontzeggen[57]. De Conferentie van Potsdam gebruikte deze motie om Spanje van de Verenigde Naties te houden[58]. Frankrijk sloot op eigen initiatief de grens met Spanje. Tijdens de eerste zitting van de Algemene Vergadering werd Spanje na maandenlange debatten op 12 december 1946 in een resolutie veroordeeld met 34 stemmen tegen zes en dertien onthoudingen. Hierbij aansluitend vroegen de Verenigde Naties aan de leden hun ambassadeurs of ministers uit Madrid terug te trekken. Resolutie 39 van de Algemene Vergadering werd onmiddellijk uitgevoerd door alle leden van de UNO, met uitzondering van het Argentinië van dictator Juan Perón. Het Vaticaan, Portugal, Zwitserland en Ierland waren geen leden van de UNO en voelden zich bijgevolg ook niet verplicht om hun vertegenwoordigers terug te roepen[59]. De harde taal van de resolutie kwam voor Franco moeilijk over. Volgens Fusi was het eigenlijk zijn eerste nederlaag sinds het uitbreken van de Burgeroorlog[60]. Vandaar dat men spreekt van de Zwarte Nacht van het franquisme. Op 9 december 1946, tijdens de laatste debatten over de resolutie van 12 december, vond echter een grote volkse mobilisatie plaats ten voordele van zijn regime. Meer dan een half miljoen mensen juichten de Caudillo toe op de Plaza de Oriente in het centrum van Madrid. Franco genoot van een grote populaire aanhang en hij bewees het die dag voor de ogen van de buitenlandse vertegenwoordigers[61].

 

2. Versterking van de binnenlandse macht

 

 Tien jaar na het uitbreken van de Burgeroorlog kreeg Franco nog steeds geen steun bij het merendeel van de internationale gemeenschap. Het Westen heeft zich nooit geïdentificeerd met de Caudillo en zijn ideeën. Maar Franco vroeg geen erkenning van de morele legitimering van zijn regime, hij wilde slechts, zoals Fusi schreef, een erkenning voor zijn machtsuitoefening de facto[62].

In 1955, nog eens tien jaar later, kreeg hij wat hij wou: aanvaard worden in de instelling die hem voordien had veroordeeld, namelijk de Verenigde Naties. Dit was te danken aan de steun die hij twee jaar voordien kreeg van twee pijlers van de Westerse maatschappij, de Verenigde Staten en de Heilige Stoel. Franco had er bovendien niet veel voor moeten doen. Dankzij de Koude Oorlog werd alles “geregeld.”

Op binnenlands vlak overleefde de Caudillo ook de mogelijkheid op een democratische alternatief. Dit kwam voornamelijk, in 1947, door het invoeren van de Opvolgingswet (Ley de Succesión). Daarin schreef Franco de basis van zijn regime. Het eerste artikel luidde als volgt: “Spanje, als politieke eenheid, is een katholieke, sociale en representatieve Staat die, akkoord met haar traditie, zich als Koninkrijk instelt[63].” Het tweede artikel kondigde af dat Franco het staatshoofd was. Verder sprak het nog over de persoonlijke macht van het staatshoofd en hoe Franco zijn opvolger kon benoemen hetzij als regent, hetzij als koning. Voor het eerst sprak men van de instelling van de koninklijke macht in plaats van een restauratie van de monarchie.

Om deze reden kon de troonpretendent, Don Juan, deze wet niet aanvaarden. Nadat Franco aan de radio verklaarde deze wet door de Spanjaarden te laten goedkeuren bij wijze van referendum, reageerde Don Juan met het “Manifest van Estoril”, genoemd naar zijn residentie in Portugal. Daarin zei hij dat deze wet Franco’s macht gewoon omzet in levenslange macht[64]. Maar Franco liet de propaganda werken. Don Juan werd in de pers hevig beschuldigd. Franco zelf bezocht meerdere provincies ter voorbereiding van het referendum op de wet en liet de vrouw van Perón, de legendarische Eva Duarte Perón, naar Spanje overkomen om haar van harte te verwelkomen[65].

Op 6 juli 1947 vond het referendum uiteindelijk plaats en het resultaat was verbazingwekkend. Veertien van de zestien miljoen stemgerechtigden brachten er hun stem uit en daarvan stemden er 78,01 procent voor de Opvolgingswet. De pers publiceerde andere – nog betere – cijfers, maar het kwam op hetzelfde neer[66]. Franco triomfeerde en zette hiermee zowel de monarchisten als de republikeinen in ballingschap schaak. Er was geen sprake meer van een restauratie van de monarchie, noch van een republiek. Beide strekkingen van de oppositie zagen dit in en bundelden hun krachten om samen (!) verder tegen het franquisme te strijden. Onder de hoede van het Britse Foreign Office ondertekenden zij de akkoorden van San Juan de Luz, die echter zonder veel gevolgen bleven omdat het tussen monarchisten en republikeinen, onder leiding van respectievelijk José-María Gil-Robles en Indalecio Prieto, nooit goed kon gaan.

Ook de internationale gemeenschap zag dat Franco duidelijk versterkt uit het referendum kwam. De Verenigde Staten waren getroffen door Franco’s populariteit en in mei 1947 en april 1948 ondertekende Groot-Brittannië twee economische akkoorden met Spanje. Ook Frankrijk legde zich bij deze feiten neer, maar wachtte tot mei 1948 om de grens met de zuiderbuur opnieuw te openen[67].

Don Juan is één van de weinigen die deze veranderingen inschatte en daarom vroeg hij ook om de Caudillo te zien. Op 25 augustus 1948 onderhielden ze zich op Franco’s jacht “Azor” voor de kust van San Sebastian. Het was een kille ontmoeting, maar toch vonden beiden het nodig om Don Juans oudste zoon, Don Juan Carlos, in Spanje te laten opvoeden. De Belgische zaakgelastigde Beyens besloot als volgt:

Le fait, cependant, que le Comte de Barcelone [Don Juan] tout d'abord a accepté une entrevue avec le Caudillo et ensuite lui confie l'éducation de son fils me semble être une preuve de la faiblesse de caractère du prétendant au Trône espagnol. Franco, lui, n'avait rien à perdre dans cette rencontre et une fois de plus il remporte une victoire tactique sur son adversaire[68].

 

Maar de Spaanse historicus Fusi schreef dat Don Juan, door zijn oudste zoon in Spanje te laten studeren, opteerde voor de lange weg van de restauratie, een weg van – nimmer enthousiaste – compromissen met Franco[69].

 

3. Uiterste wachtpost van het Westen

 

Na de veroordeling door de Verenigde Naties in resolutie 39 reageerde Franco met een diplomatiek offensief dat berustte op drie pijlers om uit de impasse te geraken van het internationale isolement. In een discours in de Cortes op 17 mei 1952 lichtte hij deze nogmaals toe[70]. De constante vormde het anticommunisme. De eerste pijler berustte op het zogenaamde Iberische Pact, getekend in 1939 na het einde van de Burgeroorlog, met het Portugal van Salazar. Het was voornamelijk een militair akkoord tussen de twee landen. Franco en Salazar ontmoetten elkaar meermaals in de jaren ‘40 en ‘50[71].

De tweede pijler was de band tussen Spanje en de voormalige kolonies in Latijns-Amerika, met uitzondering van Mexico omdat de republikeinse regering in ballingschap asiel genoot. Dit was eerder een nieuwigheid want sinds de onafhankelijkheid van deze landen in de negentiende eeuw waren de (politieke) banden tussen moederland en kolonies bijna volledig gebroken[72]. Verscheidene culturele instellingen werden nu opgericht en de studenten kregen beurzen om in Spaanssprekende landen te gaan studeren. Economische samenwerking kwam er voornamelijk met Argentinië, dat als enig lid van de Verenigde Naties zijn ambassadeur in Madrid behield. Dankzij het belangrijke protocol Franco-Perón leverde Argentinië het nodige graan aan Spanje. De uitvoer van Argentinië naar Spanje verdrievoudigde tussen 1946 en 1948[73]. Het vermelde bezoek van Peróns vrouw bewees eens te meer de goede banden tussen beide landen. In 1949 verbrak Argentinië echter het akkoord omwille van voornamelijk economisch-monetaire en politieke redenen (inflatie in Argentinië, de zwakke peseta)[74]. Gelukkig voor Spanje kreeg het een jaar later al economische hulp vanuit de Verenigde Staten[75].

De derde pijler was de vriendschappelijke band met de Arabische landen. Het katholieke Spanje steunde openlijk de Arabische landen in hun strijd tegen Israël. Franco erkende trouwens nooit Israël[76]. In die zin was het begrijpelijk dat, in september 1949, de hachemitische koning Abdallah I van Jordanië als eerste buitenlands staatshoofd Spanje officieel bezocht. Toch is er iets paradoxaals in de vriendschap tussen het katholieke Spanje en de Arabische landen. In de eerste plaats omwille van de reconquista in de Middeleeuwen, maar ook omwille van de strijd die Franco persoonlijk heeft geleverd in Spaans Marokko tegen de rebellie aldaar. De bedoeling achter deze politiek lag juist in het feit dat Spanje nog gebieden in Marokko bezat en deze ook wenste te behouden. Hierdoor had het de hulp van de Arabische landen nodig[77]. Meer nog, deze landen boden hun steun aan resoluties van de Verenigde Naties ten voordele van het franquistische Spanje.

Maar de echte redding kwam van de Verenigde Staten zelf. Hun politiek ten aanzien van Spanje begon “flexibeler” te worden omwille van de opkomende Koude Oorlog. In de eerste plaats leidde Franco een open en sterk anticommunistisch buitenlands beleid. De oorsprong lag in de Burgeroorlog. Dit was één van de belangrijkste reden voor de rechtvaardiging van de alzamiento op 18 juli 1936. Tijdens de Tweede Wereldoorlog streed Spanje samen met het nazi-Duitsland en het fascistische Italië tegen de Sovjetunie[78]. Meer nog, de persoonlijke strijd tegen het communisme projecteerde Franco als een nieuw soort kruistocht. Het imago van Franco als “wachtpost van het Westen” kreeg in deze periode vorm[79]. Deze harde strijd tegen het communisme zorgde ervoor dat Franco uiteindelijk aanvaard werd door het Westen. Maar niettegenstaande het feit dat het Westen de dictator duldde, bleef hij er steeds in quarantaine[80].

Naast de strijd tegen de “ideologie die het geloof verwerpt” zagen de Verenigde Staten twee andere niet te onderschatten factoren om de banden met Spanje aan te halen. Sinds het einde van de Burgeroorlog bleef het rustig op binnenlands vlak. Er bestond geen echte strijd van het Spaanse volk tegen de dictator. De Verenigde Staten zagen hierin een factor van stabiliteit die in de sommige West-Europese landen zoek was. Voornamelijk in Italië en Frankrijk bezaten de communisten nog een belangrijke macht. Tenslotte had Spanje een militair-strategisch belang in de defensie van het Westen omwille van de straat van Gibraltar, de Canarische eilanden. Dit ontgunde de Amerikaanse militairen niet die als eerste erbij waren om aan president Truman te vragen de koude relaties te laten dooien[81]. De Amerikaanse regering was sterk verdeeld over de Spaanse kwestie.

 

Het waren uiteindelijk het Congres, dankzij een ijzersterke Spanish lobby[82], en de militairen die hun slag thuis haalden voor een meer constructief beleid met Spanje[83]. Het State Department en Truman waren er oorspronkelijk niet voor te vinden[84]. Maar uiteindelijk boog Truman eens hij ervan overtuigd was dat er geen alternatief bestond voor de dictator. Zonder Franco bestond het gevaar op een tweede burgeroorlog en de kans was groot dat Spanje communistisch werd, wat absoluut vermeden moest worden[85]. Dit was ook het doorslaggevend argument voor het State Department dat nu onder leiding stond van Dean Acheson[86].

Merkwaardig genoeg begon de dooi tussen beide landen dankzij een document van oktober 1947 dat juist bestemd was voor het State Department van de hand van diplomaat George F. Kennan. Dit document leidde ertoe dat de Verenigde Staten voor het eerst tegen een nieuwe veroordeling van Spanje in de Verenigde Naties stemden op 17 november van hetzelfde jaar[87]. Maar de militairen zetten de eerste stap. In februari 1948 bezocht admiraal Forrest Sherman, bevelhebber van de Amerikaanse vloot in de Middellandse Zee admiraal Carrero Blanco, Franco’s rechterhand. Tot 1950 kon men niet spreken van een verbetering van de relaties[88]. Hiervoor moest eerst het State Department groen licht geven. Dit gebeurde officieel in een brief, gedateerd op 18 januari 1950, van Staatssecretaris Dean Acheson aan senator Tom Connally, hoofd van de Senaatscommissie voor Buitenlandse Zaken. Enkele dagen later publiceerde The New York Times deze brief waarin geschreven stond dat de Verenigde Staten zouden ijveren voor een verandering in de politiek die de Verenigde Naties voerden ten aanzien van Spanje:

“Latin-American [states] expressed a wish to revise the 1946 Resolution in such a way as to permit members to exercise freedom of action in determining whether to return Ambassadors or Ministers to Madrid. It is the opinion of this Government that the anomalous situation with respect to Spain should be resolved. The United States is therefore prepared to vote for a resolution in the General Assembly [of the United Nations] which will leave members free to send an Ambassador or Minister to Spain if they choose.[…] Our vote would in no sense signify approval of the regime in Spain. It would merely indicate our desire, in the interests of orderly international intercourse, to return to normal practice in exchanging diplomatic representation. […] The policy of the United States towards Spain is based on the recognition of certain essential facts. First, there is no sign of an alternative to the present Government. Second, the internal position of the present regime is strong and enjoys the support of many who, although they might prefer another form of Government or chief of state, fear that chaos and civil strife would follow a move to overthrow the Government […][89].”

 

De brief sprak ook over economische hulp, die er enkele maanden later effectief kwam. Op 1 augustus 1950 zette het Amerikaanse Congres het licht op groen om via de Import-Export Bank een krediet ter waarde van 62,5 miljoen dollar te lenen aan Spanje.

 Niet alleen in de Verenigde Staten veranderde de houding tegenover de Spaanse dictator. In februari 1948 heropende Frankrijk de grenzen met Spanje. Tijdens datzelfde jaar dienden vijftien Latijns-Amerikaanse landen een resolutie in om Spanje in de UNO op te nemen, wat niet lukte. Het jaar daarop probeerden Brazilië, Colombia, Peru en Bolivia een motie in te dienen om elk lid van de Verenigde Naties vrijheid van actie te geven in hun politiek ten aanzien van Spanje. Ook dit voorstel behaalde niet de vereiste meerderheid. Steeds meer landen erkenden Franco openlijk. Al vermeld is het officieel bezoek van de Jordaanse koning Abdallah in 1949[90]. In het begin van 1950 stuurden Costa Rica en Colombia ambassadeurs naar Madrid, de resolutie van 12 december 1946 omzeilend[91]. Dit zorgde ervoor dat in 1950 de stemming in de Verenigde Naties omsloeg tijdens de bespreking van de Spaanse kwestie. Dankzij de aanvaarding van de resolutie van 4 november 1950 konden de leden van de Verenigde Naties hun ambassadeurs of ministers terug naar Madrid sturen. De meeste landen deden dit dan ook vrij snel[92]. Ook België stuurde een nieuwe ambassadeur. De resolutie liet ook toe dat Spanje deel uitmaakte van de verschillende instellingen afhankelijk van de UNO. Spanje trad onmiddellijk toe tot de FAO. Toch was de resolutie geen totale overwinning. Ze herriep de resolutie van 1946 niet volledig, want de paragrafen verwijzend naar de collaboratie met Hitler en Mussolini bleven bestaan[93].

 

 Franco genoot van zijn relatieve overwinning en voelde zich ook versterkt in de onderhandelingen met de Verenigde Staten enerzijds en de Heilige Stoel anderzijds. Het idee van een concordaat met de Heilige Stoel was hoofdzakelijk afkomstig van de Spaanse ambassadeur bij de Heilige Stoel, Joaquín Ruiz-Giménez. Franco en zijn minister van Buitenlandse Zaken stonden er aanvankelijk sceptisch tegenover. De bedoeling volgens Ruiz-Giménez was om, enerzijds, de positie van de katholieke Kerk in Spanje te versterken en anderzijds zich te verzekeren van het volle vertrouwen van het Vaticaan in de Spaanse kwestie. Drie maanden later begonnen de onderhandelingen want meerdere diplomaten van de Heilige Stoel liepen niet hoog op met het regime[94]. Op 27 augustus 1953 werd uiteindelijk het concordaat ondertekend door Fernando María Castiella[95]. Franco gaf veel toe tijdens de onderhandelingen, maar kon belangrijke voorrechten zoals de benoeming (of veto) van de bisschoppen behouden. De toegevingen waren te verklaren omdat Franco de ondertekening van een concordaat als een succes aanzag (meer nog dan de resolutie van 4 november 1950) en ook omdat hij diepgelovig was – in verschillende onderwerpen zelfs integrist[96].

De vraag of Spanje nu zou toetreden in de pas opgerichte Noord-Atlantische Verdragsorganisatie botste op het veto van de West-Europese landen. Daarom, en Franco zelf vroeg niets minder[97], voerden de Verenigde Staten bilaterale gesprekken met Spanje. Het resultaat bleef uiteindelijk hetzelfde: Spanje werd in het Westerse defensiesysteem geïncorporeerd. De onderhandelingen zelf duurden anderhalf jaar. Ze versnelden door de uitbreken van de Koreaanse oorlog en later na de verkiezing van Dwight Eisenhower eind 1952[98]. Het ging voornamelijk om economische hulp vanwege de Verenigde Staten in ruil voor Amerikaanse legerbasissen in Spanje. Langs Spaanse zijde onderhandelden Franco en Carrero Blanco persoonlijk terwijl het aan Amerikaanse zijde het voornamelijk de ambassadeurs Stanton Griffis, Lincoln McVeagh en James Dunn waren.

Op 26 september 1953 ondertekenden uiteindelijk de minister van Buitenlandse Zaken Alberto Martín Artajo en de Amerikaanse ambassadeur James Dunn drie akkoorden (dus geen verdrag): een defensief pact, een pact over wederzijdse hulp in militaire zaken en een pact over economische hulp en dit voor een periode van tien jaar die verlengd kon worden. Zo kreeg Spanje ongeveer 226 miljoen dollar economische hulp (uiteindelijk werd het 1.183 miljoen dollar met daarbovenop ongeveer 131 miljoen dollar voor de aankoop van legermateriaal). In ruil mochten de Verenigde Staten vier militaire basissen opzetten in heel Spanje[99]. In zijn gedetailleerd boek over de geheime onderhandelingen schreef Angel Viñas dat de Verenigde Staten bij dit pact er beter zijn uitgekomen dan Spanje. De Spaanse regering moest de soevereiniteit op het land waarop de basissen rustten prijsgeven in geval van oorlog[100]. Toch betekende de ondertekening van dit Pact van Madrid dat de weg vrij was voor de toetreding van Spanje tot de Verenigde Naties. Dit gebeurde op 15 december 1955 dankzij 55 stemmen voor, met twee onthoudingen van België en Mexico.

 

4. Besluit