Smokkel in het Land van Waas tijdens de Eerste Wereldoorlog. (Steven van Waesberghe)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

HOOFDSTUK II : DE BELGISCHE SITUATIE

 

1. De Belgische Neutraliteit

 

BelgiŽ had in zijn onafhankelijkheidsstrijd in 1830 een verplichte neutraliteit opgelegd gekregen. Dit hield in dat BelgiŽ geen partij kon kiezen in internationale conflicten en geen landen kon aanvallen, en was bovendien ook een waarborg van onschendbaarheid. In 1839 werd deze waarborg gegarandeerd door de grootmachten die in Europa heersten. Duitsland was uiteraard ťťn van de grootmachten die zich daar toe verbonden had. Een andere borgsteller was Engeland, dat al meermaals laten weten dit serieus te nemen. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog hadden de Belgisch-Engelse contacten wel een flinke deuk gekregen door de onthullingen over de wreedheden in het Congo van Leopold II.

BelgiŽ had de vorige Frans-Duitse oorlog van 1870 (de oorlogsmachine was tot stilstand gekomen in het Frans-Ardeense stadje Sedan, vlak bij de Belgische grens)[10] kunnen ontlopen dankzij zijn neutraliteitsstatus. Maar deze keer voorzag de Duitse aanvalsstrategie, in het geheim opgesteld door stafchef Alfred von Schlieffen in 1906, een doortocht door BelgiŽ.[11]

De neutraliteit bracht BelgiŽ nu met de Duitse dreiging in moeilijke papieren. De vraag rees al in 1851 op of een neutraal land wel een leger mocht hebben. Mocht BelgiŽ een leger hebben voor het verdedigen van de landsgrenzen, of moest het rekenen op de steun van de borgstellers van de neutraliteitsstatus? Een commissie, opgericht in 1851, die belast werd met het zoeken naar een oplossing voor dit vraagstuk, kwam tot het besluit dat BelgiŽ een leger op de been mocht brengen. Dit leger moest geen opmars kunnen afslaan, maar wel vertragen in afwachting van de komst van de mogendheden en hiervoor zou 70.000 man voor moeten volstaan.[12] Dit had er toe geleid dat BelgiŽ beschikte over een symbolisch leger, dat door de rest van Europa laatdunkend werd bekeken. Dit beeld van militaire incompetentie werd nog gevoed door de communautair getinte, parlementaire discussies over de landsverdedingsstrategie. Toch werd het leger versterkt in 1909 toen Leopold II de nieuwe dienstplicht ondertekende, die het lotingssysteem afschafte. In 1913 werd het aantal miliciens verdubbeld door de veralgemening van de dienstplicht. Ondanks die versterkingen van het leger dachten heel wat buitenlandse politici dat BelgiŽ de vrije doorgang zou verlenen aan Duitsland zou verlenen, ze partij zou kiezen voor de sterksten of niet meer zou tonen dan een symbolische weerstand.

 

 

2. De Belgische mobilisatie

 

BelgiŽ zat natuurlijk niet stil toen het conflict losbarste en begon zijn troepen te mobiliseren. De miliciens van de klassen 1910, í11, í12 en í13 moesten op 29 juli 1914 aanmelden. Op 1 augustus werd de algemene mobilisatie afgekondigd. De soldaten van de klassen 1901 tot en met 1909 werden ís nachts uit hun bed gehaald. De soldaten van de klasse 1914 zouden pas in september worden opgeroepen worden.[13]

Het buitenlandse wantrouwen in de Belgische macht was niet helemaal onterecht, want er heerste verdeeldheid. De Walen hadden hun sympathie voor Frankrijk nooit onder stoelen of banken gestoken. Bij de Vlamingen, daarentegen, lagen de pogingen van Frankrijk om BelgiŽ in te lijven nog vers in het geheugen. Het merendeel van de Vlamingen vertrouwden de Fransen dan ook voor geen haar, en koos de Duitse zijde.

 

2.1 Het Duitse ultimatum voor BelgiŽ

 

Op 2 augustus hadden de Duitsers bij verrassing en zonder ultimatum het ook neutrale Groot-Hertogdom Luxemburg bezet. Hoewel Duitsland de Belgische neutraliteit bleef verzekeren kreeg het diezelfde avond al een ultimatum.[14] Het ultimatum was volgens Duitsland een noodzakelijk kwaad, want het had uit betrouwbare bron vernomen dat de Fransen via Namen naar Duitsland zou oprukken. ZoĎn overmacht zou BelgiŽ nooit aan kunnen, en Duitsland zag zich dan ook verplicht zijn troepen het Belgisch grondgebied te laten betreden.[15]

In het ultimatum vroeg Duitsland BelgiŽ vriendelijk onpartijdigheid en beloofde aan het einde van de oorlog de bezittingen en de onafhankelijkheid te waarborgen en BelgiŽ te ontruimen. In geval van Belgische afzijdigheid, verbond Duitsland zich ertoe alle aankopen in BelgiŽ te verrichten en alle aangerichte schade te vergoeden. Alleen wanneer het zich vijandig zou opstellen, zou het Duitse leger BelgiŽ ook als vijand beschouwen en alle voorgestelde verplichtingen vergeten.[16]

Duitsland verwachtte binnen de twaalf uur een antwoord. Objectief gezien had de Belgische regering er alle belang bij het voorstel te aanvaarden. Maar als de regering het zou aanvaarden, betekende dit Frans-Engelse represailles als Duitsland de oorlog verloor, en indien Duitsland won de degradatie tot satellietstaat van Duitsland. De ministers die in het koninklijk paleis waren samengekomen, droegen Ďeerí hoog in het vaandel. Ze beseften ook goed dat een klein en zwak land zoals BelgiŽ verplichtingen en afspraken niet zoals een grootmacht zomaar naast zich neer kon leggen. De ministerraad zei unaniem neen tegen het voorstel met een licht voorbehoud voor de katholieke leider Charles Woeste, die maar al te goed besefte dat BelgiŽ vreselijke tijden tegemoet ging.[17] Het antwoord werd de derde augustus om zeven uur ís morgens (het moment dat het ultimatum afliep) aan de Duitse ambassade overhandigd.

Zich bewust van de rol die BelgiŽ sinds meer dan tachtig jaar speelt in de wereldbeschaving weigerde de regering elke schending van de neutraliteit, en verklaarde vastbesloten te zijn elke aanslag op BelgiŽs recht af te weren.[18]

 

2.2 Belgisch nationalisme

 

Toen het bericht zich had verspreid onder de bevolking, kreeg BelgiŽ iets zien wat het nooit durven verwachten. BelgiŽ, dat anders zo verdeeld was onder flaminganten, Walen, katholieken, liberalen en socialisten, werd overspoeld door een golf van patriottisme. Die golf zou een totaal nieuw gegeven met zich meebrengen, het Belgisch nationalisme. Het straatbeeld werd gekleurd door Belgische, Franse en Engelse vlaggen. Duitse en Oostenrijkers moesten halsoverkop vertrekken, hun huizen en winkels hadden door het Belgisch nationalisme geen enkele ruit meer over. Vrijwilligers voor het leger stroomden toe, zowel Walen als Vlamingen. Kortom, de uitbundigheid en het nieuwe Belgisch nationalisme deed het volk blijkbaar even vergeten dat het een oorlog tegemoet ging.

Historicus James Joll schreef: men kan de aanloop tot de Grote Oorlog alleen begrijpen als men bereid is zich te verplaatsen in de geest van de zomer van 1914. Toen werd er in alle ernst gesproken over nationale Ďeerí, toen werd er geweend in parlementen, toen droeg men nog hoeden die men in de lucht kon gooien, en had men een vlag op zolder die men kon uithangen. Het waren theatraler tijden.[19]

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[10] DE SCHAEPDRIJVER S., De Groote Oorlog Ė het koninkrijk BelgiŽ tijdens de Eerste Wereldoorlog, Antwerpen, 1997, p.45.

[11] DE SCHAEPDRIJVER S., De Groote Oorlog Ė het koninkrijk BelgiŽ tijdens de Eerste Wereldoorlog, Antwerpen, 1997, p.43.

[12] VAN EENOO R., De Belgische buitenlandse politiek sedert 1830, Gent, 1998 Ė 1999, p. 41.

[13] VLAMINCK C., Het etappengebied in BelgiŽ tijdens de oorlog 1914 Ė1918, s.l., 1925, 80 p.

BUYSE J. en DULLEART L., díEuzie, Oorlogskroniek van Dr. Lťon Van Haelst deel 1, XII, 1993, 1, pp.7-24.

[14] BUYSE J. en DULLEART L., díEuzie, Oorlogskroniek van Dr. Lťon Van Haelst deel 1, XII, 1993, 1, pp.7-24.

[15] DE SCHAEPDRIJVER S., De Groote Oorlog Ė het koninkrijk BelgiŽ tijdens de Eerste Wereldoorlog, Antwerpen, 1997, p.55.

[16] VAN EENOO R., De Belgische buitenlandse politiek sedert 1830, Gent, 1998 Ė 1999, p. 60.

[17] CRAMER M., DE WAELE M., HENDRICKX ĖVAN DER AVERT G., Vluchten voor de Groote Oorlog Ė Belgen in Nederland 1914 Ė1918, Amsterdam, 1988, pp. 4-5.

[18] DE SCHAEPDRIJVER S., De Groote Oorlog Ė het koninkrijk BelgiŽ tijdens de Eerste Wereldoorlog, Antwerpen, 1997, pp. 56-58.

 

19 DE SCHAEPDRIJVER S., De Groote Oorlog Ė het koninkrijk BelgiŽ tijdens de Eerste Wereldoorlog,

Antwerpen, 1997, p.63.