Van slavenliederen tot hedendaagse dancehall: invloed van politiek, cultuur, religie en taal op reggaemuziek. (Muriel Grégoire)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding en probleemstelling

 

De doelstelling van dit eindwerk is om een informatief en geanalyseerd overzicht te bieden van de geschiedenis van de reggaemuziek en enkele factoren die er invloed op hebben gehad.

 

Over de geschiedenis en die factoren zijn al heel wat naslagwerken en documentaires verschenen, maar er is gebrek aan een Nederlandstalige samenhangende beschrijving en analyse.

 

Ik heb onderzocht hoe de factoren politiek, cultuur, religie en taal concreet een invloed hebben gehad op de muziek en welke impact ze hebben gehad in de verdere evolutie van de muziek.

 

In het eerste hoofdstuk wil ik een algemeen beeld scheppen van Jamaica en uit welke muzikale genres de reggaemuziek is ontstaan. Ook wil ik meteen met de deur in huis vallen en verklaren hoe de muziek is geëvolueerd naar een vandaag immens populair muzikaal genre, namelijk ‘dancehall’.

 

Het tweede hoofdstuk geeft een overzicht van de politieke situatie en verklaart hoe het komt dat Bob Marley als protestzanger Jamaica, dat nog steeds als belangrijkste exportproduct reggae heeft, op de wereldkaart zette.

 

In hoofdstuk drie wordt een cultureel profiel geschetst van de doorsnee Jamaicaan, gebaseerd op sociale factoren zoals opvoeding en onderwijs. Daarnaast worden de verschillende culturele expressievormen toegelicht en wordt er duiding gegeven over de invloed van de internationalisering van de muziekwereld op reggae.

 

Hoofdstuk vier gaat dieper in op de spirituele belevingen van de Jamaicaanse bevolking en hoe dit zich manifesteert in de muziek. In het vijfde hoofdstuk kunt u ten slotte lezen over hoe de taal met de geschiedenis is meegeëvolueerd en wat de muzikale gevolgen hiervan zijn.

 

 

I Jamaica, paradijselijk reggae-eiland

 

1.1. Jamaica, ‘Out of many one people’

 

Never had I seen a land so beautiful.

Now I know where the writers of the Bible

had got their description of Paradise.

They had come here to Jamaica.

 

– Errol Flynn in My Wicked, Wicked Ways, 1959

 

[A1]

 

Slechts enkele eilanden of landen met dezelfde grootte als Jamaica bezitten een zodanige diversiteit van huidskleuren en gelaatstrekken, landschappen en planten- en dierenrijk. Met een oppervlakte van ongeveer 11 000 vierkante kilometer, is Jamaica slechts iets kleiner dan de Amerikaanse staat Connecticut en net iets groter dan Libanon. Het eiland strekt zich uit van oost naar west van Morant Point naar Negril. Er leven ongeveer 2,5 miljoen mensen, vermengingen van Afrikaanse, Europese, Arabische, Chinese en Oost-Indische volkeren die samenleven onder het nationale motto “Out of Many, One people”.

 

Jamaica drijft in de Caraïbische Zee op de achttiende noordergraad van de evenaar. Zijn reputatie is gegroeid rond zijn prachtige stranden en de meeste hotels en vakantieoorden concentreren zich langs de noordkust. Het hoogste punt, de top van de blue Mountain, doorprikt de wolken op een hoogte van 2 256 meter en net 16 kilometer van de oostelijke kust- en hoofdstad Kingston vandaan. In het midden van het eiland bevindt zich Mandeville op het plateaugebergte Figuero Mountains, zeshonderd meter uitstekend over de landbouwhellingen van het platteland.

Het noordwesten van Jamaica is gekenmerkt door het ‘Cockpit’ platteland, een “Me No Send, You No Come” gebied van het vrijgevochten spirituele Maroonvolk.

 

Ongeveer 120 rivieren en waterlopen stromen vanuit bergravijnen en snijden de landelijke vlaktes in. Geologen geloven dat Jamaica en zijn Caraïbische buureilanden ontstaan zijn uit vulkanen die van onder de zee zijn opgeborreld biljoenen jaren geleden. De lager gelegen vlakten die de toppen omringen vloeiden uit de zee 30 miljoen jaar geleden, de erfenis van nietige geraamtes van zeeschepsels en –organismen die zich opgestapeld hebben op de zeebedding. Een kaap van wit leemgesteente, het overblijfsel van de organismen, bedekken ongeveer twee derden van het eiland. Dit landopbouwende proces bereikte zijn climax ongeveer 20 miljoen jaar geleden toen het eiland ontstond uit de Caraïben. Het Cockpit platteland en ontelbare grotten verraden de oceanische herkomst van de landoppervlakte.

 

Het voorhistorische Jamaica was een ruw, rotsachtig land. Uiteindelijk ontstonden onder invloed van klimaat en bodem schitterende wouden die elke are bedekten tegen de vijftiende eeuw. De enige inheemse vruchten die aanwezig waren toen Columbus aankwam waren guava, ananas, appel, sweetsop en waarschijnlijk de stervrucht. Alles dat vandaag groeit werd ofwel geïmporteerd door de mens of door de uitwerpselen van vogels. Europeanen introduceerden suikerriet, bananen en citrusvruchten. Spaanse handelaars brachten kokosnoten uit Malaya in de zeventiende eeuw. De ‘ackee’, die de basis vormt van het traditionele Jamaicaanse ontbijt kwam uit slavenschepen uit West-Afrika in 1778. Ongeveer drieduizend variëteiten plantensoorten zijn geïdentificeerd op het eiland, inclusief 800 soorten die nergens anders in de wereld gevonden zijn.

 

Jamaica’s fauna verbleekt in vergelijking met het visuele floraparadijs. Er zijn natuurlijke ratten en ‘mongooses’, geïntroduceerd door de 19de eeuwse plantage-eigenaars om de ratten te bestrijden. De inheemse Jamaicaanse ‘coney’ lijkt op een groot ‘guinea’-varken, maar is een aanverwant van de rat. Het leeft in een hol onder de grond maar is zeldzaam geworden. Vleermuizen zijn Jamaica’s meest talrijke dieren. Ongeveer 25 verschillende variëteiten fladderen over het eiland. Het enorm vriendelijke ‘manatee’, die verhalen over zeemeerminnen inspireerde is een ander zoogdier dat de afgezonderde wateren van de Zuidkust bewoont. Walvissen kunnen soms ook gespot worden langs de kusten. Jamaica’s snel stijgend aantal krokodillen worden alligators genoemd. Kikkers worden padden genoemd en motten vleermuizen. Ook de gekko, een redelijk grote hagedis komt veel voor. Jamaica heeft slechts een paar slangen, allen ongevaarlijk.

 

Jamaica’s vogelpopulatie maakt het zowel in kleur als in variëteit goed wat de dierenpopulatie mist. De nationale zangvogel, de ‘Doctor Bird’, met zijn gestroomlijnde staart en werd enkel in Jamaica gevonden. Felgele, oranje en groene parkieten, papegaaien en vinken zingen in de wouden. ‘John Crow’, een kalkoenachtige buizerd, doorzoekt vuilnis en leeft van overblijfselen van dode dieren. Meer dan 200 soorten vogels zijn geobserveerd op het eiland, inclusief 25 inheemse soorten.

 

Maar Jamaica’s grootste attractie is altijd het klimaat geweest. De warmte trekt elk jaar duizenden zonaanbiddende toeristen aan. Seizoenen zijn zo goed als onbestaand. Regens, gemiddeld 17 centimeter per jaar, vallen hoofdzakelijk in mei en oktober, hoewel de hoeveelheid regen in de bergen gemiddeld oploopt tot 500 centimeter per jaar in de parochies van Portland en St. Thomas. Zonneschijn komt veel meer voor. De gemiddelde temperatuur bedraagt 26°C aan de kust. [1]

 

 

1.2. Van slavenliederen tot hedendaagse dancehall

 

Er bestaan veel theorieën en naslagwerken over hoe en wanneer reggae nu eigenlijk ontstaan is. Sommige bronnen rekenen de ska – die ontstond rond de periode van de Jamaicaanse onafhankelijkheid in 1962 – tot de eerste vorm van reggae. Anderen gaan veel verder terug in de tijd en aanzien de slavenliederen als beginpunt van dit genre wereldmuziek.

 

Tijdens de kolonisatie al bleken de slaven hun rituelen en ceremonies – vaak meegebracht uit hun Afrikaans vaderland – te uiten door liederen en dans. Muziek maakte ook deel uit van het alledaagse leven op de plantages onder de vorm van werk- en klaagliederen. De Afrikaanse muziekstijlen cumina en de pocomania hebben een grote ritmische invloed gehad, die tot op vandaag terug te vinden is in verschillende raggabaslijnen. Vooral de ‘heartbeat drum’ was en is nog steeds een vitaal onderdeel in de muziek, aangezien hij even belangrijk wordt beschouwd als een hart voor een mensenleven. De Afrikaanse percussie, gebaseerd op improvisatie op een traditionele melodie, heeft eveneens een grote invloed gehad op de muziek van het Rastafarianisme. [2]

 

Het Rastafarianisme is absoluut een niet te verwaarlozen aspect in Jamaica, met als pionier Marcus Garvey, die opriep tot de terugkeer naar Afrika en

‘Emperor Selassie I’ als de enige geestelijke leider aanzag die kon leiden tot bevrijding.

 

Toen de skamuziek de wereld veroverde met zijn snel en uitgelaten ritme, kreeg ook andere muziek uit het Westen langzaam aan invloed op de muziek.

Niet alleen de inlandse bevolking interesseerde zich in de ‘roots’ en ‘culture’ van het reggae-eiland. Ook Europese platenlabels begonnen te investeren in de reggae en dit fenomeen kwam nog meer in de lift te zitten met de groeiende populariteit van ‘the King of Reggae’, Bob Marley. Vanaf toen stond Jamaica meer dan ooit overal ter wereld bekend als het reggae-eiland.

 

Economische recessie en politieke problemen bracht een vertraging in het ritme van de baslijn met zich mee en mondde uit in de ‘rocksteady’. Vooral de revolutionaire teksten waren in die tijd kenmerkend voor het genre. Het was ook tijdens die periode dat politieke partijen propaganda maakten met behulp van reggaenummers. In 1979 slaagde Bob Marley er zelfs in Michael Manley (PNP – socialistische partij) en Edward Seaga (JLP: Jamaican Labor Party – liberale partij) elkaar de hand te doen reiken op het “One Love”-concert.

 

Eind jaren ’80, begin jaren ’90 stak ‘ragga’, afkorting van ‘raggamuffin’ de kop op. Vanaf toen draaide alles rond entertainment, zonder de revolutionaire ondertoon te verliezen. Ragga was een instrument om de zorgen van het volk te doen vergeten. De bas werd versneld en verzwaard en zangers gingen – onder invloed van de Amerikaanse rap – toasten op de baslijn. Ook de verschillende dansbewegingen die gepaard gingen met verscheidene ‘riddims’ en nummers kenden hun ontstaan.

Artiesten begonnen zich te associëren met hun dansbewegingen die zij uitvonden en lieten zich dikwijls in hun levensstijl inspireren door de hiphop. Het is dan ook tijdens die periode dat de ‘dancehall’ zijn ontstaan kent. ‘Dancehall’ verwijst naar de ontmoetingsplaats waar artiesten, dansers, soundsystems en het publiek samenkomen om zich te vermaken.

 

Een soundsystem is een formatie van één of meerdere diskjockeys die populariteit verwerven door een goede platenselectie en het spelen van dubplates.

Dat zijn speciale versies van nummers ingezongen door een populaire artiest voor de soundsystem. De pionier van de soundsystems is Coxxson Dodd, die al in de jaren vijftig ska en reggae producete, en verleidde niet alleen Jamaicanen om hun eigen sound te beginnen.

Vandaag zijn er overal ter wereld soundsystems die bekendheid verworven hebben met hun manier van entertainment.

In Jamaica zijn de bekendsten bijvoorbeeld Tony Matterhorn, Stonelove, Killamanjaro, Blackcat… David Rodigan is één van de bekendste reggae- en dancehalldiskjockeys uit Groot-Brittannië.

Duitsland herbergt verschillende grote sounds zoals ‘Pow pow movement’ en ‘Sentinel’ en in Frankrijk won onlangs ‘Arawak Sound’ de nationale soundclash.

Ook in België groeit het aantal soundsystems elk jaar aan. Enkele namen zijn bijvoorbeeld Red Alert Sound en Uruhu (West-Vlaanderen), Bong Productions en Far West (Antwerpen), Bass Culture (Brussel) en NSG (Gent).

Tijdens een soundclash dagen soundsystems elkaar uit om het meeste respons te krijgen van het publiek. Alles hangt af van hun vaardigheden om zo goed mogelijk te mixen en hun platen en dubplates in een zodanig goede volgorde af te laten spelen om hun tegenstander te overtroeven.

 

Dancehall is momenteel razend populair en helemaal ín bij de jeugd.

Vaak wordt die muziek gedraaid in nachtclubs naast andere genres zoals hiphop en r&b. Die drie genres ondergaan een wederzijdse beïnvloeding en er ontstaan ook verschillende coproducties tussen de Jamaicaanse dj’s (een dj is in Jamaica een zanger, niet te verwarren met wat wij hier kennen als diskjockey) en de Amerikaanse rappers. Een voorbeeld hiervan is het nummer ‘Babyboy’ van Sean Paul en Beyoncé. Talloze muziekzenders, zowel nationaal als internationaal, beginnen steeds meer Jamaicaanse artiesten los te laten op het Europese publiek.

Niet alleen de muziek maar ook de verschillende danspasjes die erop uitgevoerd worden, genieten steeds meer bekendheid in de Westerse clubs.

In België alleen al kan je in verschillende steden Jamaicaanse dans volgen en vindt er jaarlijks een nationale ‘Dancehall Queen Contest’ plaats.

 

Het hedendaagse dancehall-landschap heeft zijn voor- en tegenstanders. De laatste jaren kwam de scene in opspraak door de homohaat die vaak terug te vinden is in de teksten van de Jamaicaanse dj’s. Ook de ‘slackness’ (vuile praat) die vele artiesten vaak in de mond nemen, wordt door de aanhangers van de ‘roots reggae’ niet altijd in dank afgenomen.

 

Hoe dan ook: door de jaren heen heeft reggae in al zijn vormen de hele wereld veroverd en talloze invloeden hebben ingespeeld op de beleving van de muziek.

 

 

II Politiek en economische invloed

 

 

“A good part of the attraction of reggae music to its metropolitan audience is the anger and protest of the lyrics. We obviously face a contradiction between the message of urban poverty and protest which reggae conveys and that of pleasure and relaxation inherent in our holiday product. In short, when we promote reggae music we are promoting an aspect of Jamaican culture which is bound to draw attention to some of the harsher circumstances of our lives.”

 

- Jamaica Tourist board memorandum, 10 oktober 1975.

 

 

2.1. De eerste volkeren en de Europese bezetting

 

Toen Christopher Columbus Jamaica ontdekte op 5 mei 1494 tijdens zijn tweede reis naar de ‘Nieuwe Wereld’, vond hij een welvarende kolonie van Arawak-indianen zoals hij ontmoet had in de buureilanden Cuba en Haïti. Vanuit een voorvaderlijke thuis in de Orinoco-regio van Guyana en Venezuela, hadden de Arawaks lang daarvoor noordelijk gevaren in hun uitgeholde kano’s, zich settelend op de verschillende eilanden van de Antillen van Trinidad tot Cuba. Waarschijnlijk kwamen zij in Jamaica aan in twee golven – de eerste (de zogenaamde ‘Redware People’) rond het jaar 650, de tweede tussen 850 en 900. Het was ook het Arawakvolk dat het eiland een naam achterliet, “Xaymaca”, land van het gezegende goud.

Enkele eeuwen later werd het kalme en vredevolle bestaan van de Arawaks grof verstoord door de aankomst van een andere indianenstam, de temperamentvolle mensetende Caribs (van wie de naam kannibaal is afgeleid). Waarschijnlijk was dit oorlogszuchtige volk ook afkomstig uit de Guyana-regio van Zuid-Amerika en verspreidde zich over de verschillende eilanden met hun oorlogskano’s.

Ze lieten dood en vernieling achter in hun dodenwake, slachtten de mannen af en ontvoerden hun vrouwen. Ze zwermden verder noordwaarts en hadden de volledige Lesser Antillen veroverd en vielen het oosten van Puerto Rico binnen tot Columbus de West Indies ontdekte in 1492. Ze waren gekend en gevreesd in Haïti en af en toe deden ze moordzuchtige aanvallen, zelfs op Jamaica. Voor de aankomst van de Spanjaarden hadden de Caribs waarschijnlijk al de eerste Jamaicanen uitgeroeid, maar de Europese nieuwkomers zouden die destructie voortzetten.[3]

 

Hoe briljant Columbus als ontdekkingsreiziger en navigator ook was, toch beschikte hij niet over de ervaring en capaciteiten om een succesvol koloniale administrator te zijn. Na zijn mislukking met de kolonie in Hispaniola verloren de Spaanse monarchen vertrouwen in hem. Hoewel zij hem met respect behandelden, werd hem nooit meer toegestaan om nog te interveniëren in de regering van zijn eiland Hispaniola. Hij stierf als een droevig, eenzaam man, tot het bittere eind proberend zijn verloren privileges te herwinnen. Diego, zijn zoon, slaagde erin zich te laten aanduiden als ‘Governor of the Indies’ in 1508. Toen hij in Jamaica aankwam ontdekte hij dat het eiland al onder het leidersschap stond van Diego de Nicuesa en Alonso de Ojeda. Om zijn rechten op Jamaica veilig te stellen duidde Columbus Juan de Esquivel als gouverneur aan. Hij was de eerste van meer dan twintig Spaanse gouverneurs die gedurende bijna anderhalve eeuw de zaken in Jamaica mocht beheren.

 

Over het algemeen was Jamaica als een Spaanse kolonie vanaf het begin een mislukking. Het kende geen bloei, was steeds arm en meer een last dan een voordeel voor Spanje. De interesse in het eiland vervaagde snel toen het duidelijk was dat er geen goud kon worden gevonden, maar niet voordat een groot aantal indianen zich dood gewerkt hadden in de zoektocht naar het waardevolle metaal.

De inheemse Arawak-indianen werden ook vaak, bij wijze van sport, afgeslacht. De uitroeiing van de Arawaks is dan ook een zwarte bladzijde in Jamaica’s geschiedenis.

 

De Spanjaarden gebruikten Jamaica hoofdzakelijk als afleveringsbasis. In het begin van de kolonisatie werden mannen, paarden, wapens en voedsel geëxporteerd om de verovering van Cuba en het Amerikaanse vasteland te vergemakkelijken. Daarna werd Jamaica van steeds minder groot belang. Er werd haast niets gedaan om de natuurlijke rijkdommen van het land te ontwikkelen. Toch werd de Spaanse bezetting bedreigd en er waren vele kapers op de kust.

 

Gedurende honderd jaar deden de Fransen, Nederlanders, Italianen, Portugezen en Engelsen om beurten verschillende pogingen om het eiland te veroveren.

Het was pas op 10 mei 1655 dat een Engelse vloot, onder leiding van Admiral Sir William Penn (vader van de stichter van Pennsylvania) en General Robert Venables, aanmeerde aan Kingston Harbour (zoals het nu nog steeds heet) en de Spaanse bezetting beëindigde. [4]

 

In 1657 nodigde de gouverneur ‘buccaneers’, piraten die hun carrière startten als ‘cow-killers’, uit om zich te vestigen in Port Royal om Spaanse agressie af te schrikken. In 1657 en 1658 verloren de Spanjaarden de slag van Ocho Rios en Rio Nuevo.

De Britten begonnen hun volledige kolonisatie in 1661 en verkregen formeel bezittingsrecht door het Verdrag van Madrid in 1670. Hoewel het grootste stuk van de Spaanse hoofdstad Villa de la Vega verbrand werd gedurende de verovering, hernoemden de Engelsen het ‘Spanish town’ en behielden ze het als de hoofdstad van het eiland. Toch functioneerde Port Royal als hoofdstad gedurende de heropbouw van Spanish Town.

Het eiland was een belangrijke basis voor piraten, vooral Port Royal, voordat het verwoest werd door een aardbeving in 1692. Na de ramp werd Kingston opgericht, één van de grootste natuurlijke havens ter wereld, en dat werd al snel het belangrijkste commerciële centrum van het eiland.

Het verbouwen van suikerriet en koffie door Afrikaanse slavenarbeid maakte Jamaica één van de meest begeerde en waardevolle bezittingen in de wereld voor meer dan 150 jaar. Ontsnapte slaven, gekend als ‘Maroons’, bouwden onafhankelijke gemeenschappen op in het bergachtige binnenland dat de Britten ondanks pogingen in 1730 en 1790 niet konden veroveren. Eén Maroon-gemeenschap werd verbannen van het eiland na de tweede Maroon-oorlog in 1790 en deze bevolking sloten zich uiteindelijk aan bij Sierra Leone, het knooppunt van de Creoolse gemeenschap.

De koloniale regering stelde een lijst op met gevangen Maroons die de plantages hadden geprobeerd te ontvluchten. In 1800 bestond de Jamaicaanse bevolking voor 88% uit Afrikaanse slaven. De slaven van de kolonie overtroefden hun blanke meesters in aantal, 300 000 tegenover 30 000. Tijdens de kerstvakantie van 1831 brak er een grote slavenrevolutie uit, gekend als de ‘Baptist War’. Hierbij waren 60 000 van de 300 000 slaven betrokken en het was een vredevolle staking onder leiding van Samuel Sharp. De rebellie werd tien dagen later onderdrukt door de militanten van de Jamaicaanse ‘plantocratie’ en Britse garnizoen.

Door het grote verlies van bezit en levens in de opstand van 1831 hield het Britse parlement twee politieke navragen. De resultaten van die navragen droegen voor een groot stuk bij tot de opheffing van de slavernij door het Britse imperium op 1 augustus 1834. Jamaicaanse slaven bleven echter tot 1938 gebonden aan hun vorige eigenaars, al hadden ze een garantie van rechten, het ‘Apprenticeship System’. De ‘bevrijde’ bevolking moest ontbering blijven trotseren en in 1865 brak de ‘Morant Bay’-opstand uit, onder leiding van George William Gordon en Paul Bogle. Die opstand werd brutaal onderdrukt, maar het eiland verloochende zijn autoriteit en Jamaica werd een kroonkolonie. Het belang van de opbrengsten van de suikerplantages daalde in de 19e eeuw en de kolonie diversifieerde in bananen.

In 1872 verhuisde men de hoofdstad naar Kingston, aangezien de havenstad ruim het inlands gelegen Spanish Town had overvleugeld in grootte en economische kennis.

Het heersende gezag over de kroonkolonie resulteerde in de volgende decennia in een opmars van een middenklasse van ambtenaren en politieagenten. De sociale en politieke vooruitstrevendheid van de massa werd echter tegengehouden door het koloniale gezag. [5]

 

 

2.2. Sociaal commentaar onder invloed van slavernij

 

Ongetwijfeld zijn de wortels van de reggaemuziek terug te vinden in slavernij. Slavenorkesten werden gevormd door meerdere rijkere plantagewerkers en entertainden op verlofdagen zoals op ‘End of Crop Time’, ‘Piccaninny Chrismas’, ‘Recreation Time’, en de ‘Grandee Balls’. Ritmes, liederen en dans, die puur Afrikaans waren, overleefden in landelijk Jamaica tot in de twintigste eeuw. Een studie uit 1924 over mogelijke overlevende Afrikaanse liederen in Jamaica identificeert Afrikaansafgeleide werk- en uitvaartgezangen in het Westen voor een groot deel met het zingen, roep- en responsgezang en het herhalen van enkele korte muzikale zinnen, allen karakteristiek voor reggae.

 

[A2]

 

Onderzoekers uit de studie van 1924 verzamelden gezangen van de Maroonstammen, ‘Coromantee’ liederen genoemd, die over befaamde Afrikaanse verhaallegenden spreken zoals ‘Anansi’ de spin en ‘Jesta’ de fopster.

Kerstmis wordt in Jamaica tot op de dag van vandaag nog steeds gevierd door gezelschappen van ‘John Canoe’ (of Junkanoo) dansers, gekleed in kleurige lappen stof, hoofddeksels met veren en huiveringwekkende zwarte maskers met witomlijnde gelaatstrekken. De dansers paraderen door de plattelandsdorpen, al roepend en springend op Afrikaanse poliritmes en panfluitmuziek. Niemand is zeker waar de ‘John Canoe’-dans om draait, maar hij heeft te maken met magie en geestelijke krachten. De naam is afkomstig van ‘dzong kunu’, wat ‘verschrikkelijke tovenaar’ betekent in de West-Afrikaanse taal van de ‘Ewe’.

 

In 2005 kende de ‘dancehall riddim’ ‘Junkanoo’ nog een enorm succes.

[A3]

De ‘cumina’-dans wordt nog altijd uitgevoerd in Jamaica voor zijn geneeskrachtige werking. Zwarte en witte magie wordt toegepast door ‘obeah’-mannen en ‘science ladies’. Die vorm van magie wordt vaak aangewend om duidelijkheid te krijgen over een mogelijke vloek die al dan niet op de gewassen zou rusten of om slechte geesten, ‘duppy’s’ genoemd, te ontmaskeren.

De verschillende Afro-Caraïbische cultussen die in Jamaica zijn ontstaan zijn ook Afrikaans in herkomst, vooral de ‘Pocomania’ (‘little madness’) kerken die overleven in Kingston en Montego Bay met hun sterk polytheïstisch karakter. De ‘Pocomaniacs’ schuifelen in trance rond op de gesyncopeerde drummuziek: “wuh-huh, wuh-huh, wuh-huh…”

De slavernij werd opgeheven in 1838, maar de kolioniale institutie liet een stempel achter op de Jamaicaanse afstammelingen van Afrikaanse slaven die ervoor zorgde dat de reggae een ideologische baslijn kreeg. Eén van Jamaica’s meest populaire reggaegroepen, Burning Spear, heeft een snijdende, hypnotiserende zanglijn die zowel een retorische vraag als een vermaning impliceert: “Do you remember the days of slavery?” En in ‘Slave Driver’, één van de Wailers’ eerste nummers, riep Bob Marley opnieuw het angstaanjagende beeld van de slavernij op:

 

“When I remember the crack of the whip

My blood runs cold

I remember on the slave ship

When they brutalized my very soul “

– Bob Marley (Slave Driver)[6]

 

[A4]

 

Verschillende muziekvormen hebben het Jamaicaanse volk geholpen om zich te verzetten tegen de obstakels die het heeft moeten doorstaan. Het was een manier om hun gevoelens en dromen te uiten en om zich te beklagen over hun pijnlijk leven. In een zeker opzicht is het Jamaicaanse volk geboren in een wereld van lijden ten gevolge van de slavernij. De vitaliteit van de muziek werd dan ook aangewend als een helende en geestverheffende levenswijze. De emotionele effecten die slavernij gehad heeft op de Jamaicanen konden gehoord worden in de muziek in die tijd en elementen ervan kunnen nog steeds teruggevonden worden in de hedendaagse muziek.

 

Muziek heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in de levens van het Jamaicaanse volk, die hun wortels hebben in de Afrikaanse cultuur. Richard Jobson, een Engelse kapitein, reisde in 1620 en 1621 door Afrika. Tijdens zijn reis observeerde Jobson het belang van muziek voor het Afrikaanse volk: “Er bestaat ongetwijfeld geen volk op aarde, dat op natuurlijke wijze meer beïnvloed wordt dan de Afrikanen”.

De Afrikaanse slaaf Equiano sprak zijn volk toe met de volgende woorden: “Wij zijn een natie van dansers, muzikanten en poëten. Voortaan wordt elke belangrijke gebeurtenis gevierd met openbare dansavonden die gepaard gaan met bijpassende liederen en muziek.” Oogsten, jachten, gevechten, religieuze ceremonies, geboorterituelen, huwelijken, genezing en dood waren voorbeelden van die gelegenheden waar muziek en dans werden opgevoerd. Muziek maakte ook een belangrijk deel uit van het dagelijkse leven in de vorm van werkliederen en sociaal commentaar. Het werd vaak gebruikt als een manier van communiceren en uiten van emoties.

Regelmatig kon men slaven liederen over hun leed horen zingen van op de slavenboten. Ze zongen liederen over de horror rondom hen en over hoezeer ze verlangden naar de terugkeer huiswaarts. Naarmate slavengemeenschappen aangroeiden op de plantages en de slavencultuur begon de muziek een steeds een groter deel uit te maken in het slavenleven. Eén van de eerste vormen van muzikale expressie waren de werkliederen of “digging songs”. Plantagearbeiders verzonnen ze en zongen ze terwijl ze zwoegden in de brandende zon. Ze waren bedoeld om te vermaken, maar vooral om tijd sneller te laten voorbijgaan en de pijn ten gevolge van het zware werk te verzachten. Eén van die liederen beschrijft de wens naar huis te gaan: “If we want to go in Ebo/Me can’t go there!/Since dem tief me from a Guinea/Me cant’ go there!” Analoog met het voorgaande beschrijft het volgende lied het verzoek aan een superieur, Mr. Linky “to knock off work for the day”: “Tell Mister Linky me wan go, hm!”

Slaven begonnen instrumenten te maken om een hechtere gemeenschap te vormen en een nieuwe dimensie te geven aan hun muziekgebeuren. De eigenaars van de slaven begonnen te vermoeden dat het drummen en zingen gebruikt werd om opstandige ideeën te communiceren, dus poogden ze die activiteiten te reguleren. Meestal faalden ze. In de vroege dagen van de slavernij waren begrafenissen de enkele gelegenheden op welke slaven volledig alleen gelaten werden. Die gelegenheden werden dan ook niet alleen aangewend om de doden te herdenken maar ook een kans om volledig uit de bol te gaan op muziek.

 

Of het nu mento, ska, rocksteady, reggae of ragga betreft, de ideeën en emoties afgeleid uit het tijdperk van de slavernij worden nog steeds vermengd in de Jamaicaanse muziek. Van de eerste ‘digging songs’ van slaven zingend over pijn en plezier in het leven tot de dancehall riddims van vandaag: vele songteksten worden toegewijd aan sociaal commentaar.[7]

 

In het volgende hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de invloeden van de Afrikaanse cultuur op de Jamaicaanse muziek.

 

 

2.3. Van ska naar rocksteady: impact van politiek-economisch klimaat

 

Tot aan het begin van de jaren ’50 bestond Jamaicaanse muziek enkel uit ‘mento’, een gedepolitiseerde aanhanger van de ophitsende calypso uit Trinidad.

Mento is een Jamaicaanse aanpassing van oude Britse volks- en zeeliederen. Terwijl calypso een verfijnde drager is van sociaal commentaar, was mento vaak platvloers en grof. Zo ontuchtig zelfs dat de kerk in Jamaica sommige van de beste mentoplaten achterhield om de verkoop tegen te houden. [A5]

 

Het volk was tevreden met mento tot op het moment dat de industrialisatie op gang kwam en de samenleving veranderde van een landbouwgerichte cultuur naar een uitgebreide verstedelijking. Kingston en de andere grote steden vulden zich op en de bauxietarbeider en de fabriekskracht lieten de landelijke parochies achter zich omwille van de mogelijkheden van de stad.

 

Toen Jamaica in 1962 zijn onafhankelijkheid bereikte bleef een erfenis over van een gedeprimeerde koloniale mentaliteit en een gigantisch nationaal minderwaardigheidscomplex onder invloed van 250 jaar slavernij. Voor welopgeleide Jamaicanen was alles wat Brits, Amerikaans of Canadees was zeker superieur aan alles inlands. [8]

 

Tijdens de jaren ‘50 en ‘60 werd de Jamaicaanse muziekscène gedomineerd door de Amerikaanse rhythm & blues (R&B). Door de nabijheid van Jamaica met de Zuidoostkust van de Verenigde Staten konden de Jamaicanen naar de Amerikaanse radiostations luisteren, waar regelmatig R&B geprogrammeerd werd. Jamaicaanse muzikanten hebben dat R&B-geluid op hun eigen distinctieve manier geherinterpreteerd. Dat nieuwe R&B geïnspireerde geluid werd bekend als ska. Populaire ska artiesten in de vroege jaren ‘60 waren onder andere Byron Lee, Owen Gray, Laurel Aitkin en Prince Buster. [A6]

Met de komst van de R&B in Jamaica kwamen ook de legendarische ‘sound systems’ op gang. Jamaicaanse radio werd gecontroleerd door de overheid en was toen te conservatief voor het stevige dieet van zwarte blues die de gewone Jamaicaan wilde horen. Goede R&B-platen waren moeilijk te vinden en waren, als ze al beschikbaar waren, te duur voor de meeste Jamaicanen. Een nieuwe ondernemer verscheen op het toneel: de ‘sound system man’. Ze waren vaak het verlengde van platenwinkels, wiens eigenaar een bestelwagen leende en de grootste luidsprekers die hij maar kon vinden inlaadde. Hij zette zijn set op in iemands tuin of op een landelijk marktplein. Er heerste ook een zekere concurrentie onder de ‘sound system men’. Pioniers zoals Duke Reid, Sir Coxone Dod en Prince Buster gingen zelfs zover dat ze het etiket op de plaat onleesbaar maakten zodat het moeilijker werd om hetzelfde nummer te traceren.

 

Midden jaren ‘50 werd in Amerika rock ‘n’ roll steeds populairder, hierdoor kwam de toestroom van Amerikaanse R&B naar Jamaica steeds meer in het gedrang. Dit deed Jamaicaanse muzikanten beslissen om zelf hun favoriete muziek op te nemen. Een aantal jaren volgde deze muziek het Amerikaanse patroon, maar met verloop van tijd begon ze steeds Jamaicaanser te klinken: de ritmegitaar die de ‘offbeat’ (het accent tussen de tellen van een maat) aansloeg, kwam meer op de voorgrond, zodat je het type ritme hoorde dat ook in mento te vinden was. Ook de drums veranderden, de basdrum ging de nadruk leggen op de derde beat.

 

Van daar verschoof de nadruk naar de ‘afterbeat’ (de tweede en vierde tel in een vierkwartsmaat), het typerende kenmerk van de latere Jamaicaanse muziek. Volgens zanger Derrick Morgan was Prince Buster de eerste die in zijn platen duidelijk de nadruk legde op de afterbeat, in tegenstelling tot de offbeat van de Jamaicaanse boogie’s. Buster legde in zijn producties het karakteristieke ritme van de klassieke ska. Ook veteraan Alton Ellis haalt de afterbeat aan als het essentiële Jamaicaanse ingrediënt.[9]

 

“Ska was vrolijk. Het gaf de stemming van de mensen weer. In de volkswijken van Jamaica veranderde iets. De mensen begonnen te zeggen: Onafhankelijk? Dat ben ik niet. Misdaad komt voort uit armoede. Als je niet weet hoe je aan eten moet komen spookt er vanalles door je hoofd. De muziek werd dus trager.” – Jimmy Cliff [10]

 

De rocksteady was een gepaste benaming van deze nieuwe muziekvorm, het was ‘steadier’, standvastiger en betrouwbaarder dan de vaagheid van ska. Het geluid was meer omvattend en bracht meer interne betekenis mee dan de luchtigheid van de ska. Tekstinhoud legde voor het eerst de bewustheid van de artiest bloot. Liedjes gingen niet langer enkel over liefde maar over politie, hongerige kinderen en de economische wantoestanden.[11] [A7]

 

Muzikaal werd hij gedragen door een meer dynamische baslijn en de teksten richtten zich specifiek naar het doelpubliek, de getto-jeugd. Die tragere muziek vond veel bijval bij de straatbendes van West Kingston, die ‘rude boys’ werden genoemd, vandaar ook het label ‘rude boy music’.[12] [A8]

 

Het was rond 1968 dat rocksteady werd vervangen door de muzikale term ‘reggae’. Het is niet zeker waar het woord exact vandaan komt. Sommigen verwijzen naar het Jamaicaanse dialectisch woord ‘raggedness’. Het woord verscheen eerst in het nummer “Do the Reggay” van de Maytals. [A9]

Toots Hibbert, leadzanger van de Maytals, definieerde reggae als volgt: “Reggae means comin’ from di people y’know? Like a everyday thing. Like from the ghetto. From majority. Everyday thing that people use like food, we just put music to it and make a dance out of it. Reggae mean regular people who are suffering, and don’t have what they want.” Sociale, politieke en spirituele concepten kenmerkten steeds meer de teksten, zelfs in die mate dat reggaemuzikanten beschouwd werden als Jamaica’s profeten, sociale commentatoren en sjamanen. [13]

 

Rond 1969 werd een ander subgenre van reggae geboren, dub. Dub hielp artiesten om zichzelf te lanceren in de ‘dancehalls’, de ontmoetingsplaats voor reggaeliefhebbers. Het was een methode waarbij producers de teksten uit een nummer knipten en daarbij enkel de bas en de drum overlieten, zodat de zangers over het nummer konden zingen. [A10]

 

Oorspronkelijk werd het ‘version’ genoemd, verwijzend naar de instrumentale versie van een nummer. Dat bleek economisch zeer interessant voor de producers omdat ze zo verschillende artiesten nummers konden laten opnemen op dezelfde ‘riddim’. Dat gebruik is nog steeds aanwezig in dancehallmuziek. Het was ook interessant omdat producers zo konden zien welke songs een hit konden opleveren voordat ze uiteindelijk werden uitgebracht. Dubmuziek bleek al vlug een kans te geven aan de minderbedeelde en genegeerde Jamaicanen om hun gevoelens over de harde realiteit op te nemen over een dubplaat. De uitvinder van deze techniek was ‘King Tubby’, snel gevolgd door Lee ‘Scratch’ Perry. Opnieuw was het sociaal commentaargehalte zeer hoog. De eerste artiest die de kunst van de dubvoice-over populariseerde was U Roy, met als bekendste album ‘Dread Babylon’.[14] [A11]

 

“Wake the Town and Tell the People kwam wel op de radio, maar ik had er geen hoge verwachtingen van. Ik dacht dat het een tijdje zou gedraaid worden en dan weer zou verdijnen, maar toen werd het een hit. Ik was echt stomverbaasd.” – U Roy

 

Bob Marley was al vanaf 1964 actief bezig met muziek en haalde al eerder met de band ‘The Wailers’ nummer 1-hits. Maar zijn echte doorbraak in het buitenland, en vooral in Engeland, kwam pas later.

De aanzet tot de grote carrièresprong van Bob Marley kwam van Lee Perry, een oude vriend die beroemd was geworden door dub en nu wat voor hem kon doen.

Perry had Brits succes gehad met de ‘Upsetters’ en ging in 1969 met Marley samenwerken.

De anderhalf jaar bij Perry veranderden de Wailers en de Jamaicaanse muziek. Marley ontsteeg de Amerikaanse R&B-invloeden en werd een Jamaicaanse protestzanger. [A12]

 

“Eerst waren zijn teksten wel politiek, maar puur op Jamaica gericht. In 1969 zag je het fenomeen van de ‘Black Power Movement’ en daar schreef hij dus over. Hij kon elke dag wel ’n revolutionair nummer opnemen.” – Danny Simms, manager The Wailers 1967-’72 [15]

 

 

2.4. Reggae en politiek vanaf 1970

 

Jamaica’s moderne geschiedenis wordt nog steeds gekenmerkt door een politiek getouwtrek tussen de JLP en de PNP. Het leiderschap en de daarmee samenhangende principes en politieke problemen zijn door de jaren heen veranderd.

Door zijn slechte gezondheid moest Bustamante, de leider van de JLP die Jamaica door de beginjaren van onafhankelijkheid loodste, op vervroegd pensioen gaan in 1965. Hugo Shearer leidde de JLP naar een verkiezingsoverwinning in 1967 en bleef eerste minister van Jamaica tot 1972. Door de aanhoudende controle, werkloosheid en stijgende inflatie verliet hij het leiderschap met een reputatie als een herrieschopper binnenin de partij, corrupt en zwakke leider.

De PNP had Norman Manley als leider gedurende de jaren ’60, maar zijn dood in 1969 zorgde ervoor dat zijn zoon Michael Manley de leidende hand overnam. Michael was een charismatische leider en wilde zijn partij opnieuw leiden naar zijn socialistische wortels die zijn vader wegens politieke redenen had achtergelaten.

Tijdens de jaren ’70 en ’80 werd Jamaica geplaagd door politiek geweld op een nog nooit eerder geziene schaal. De politieke partijen waren Michael Manley’s socialistische “People Nationalist Party” (PNP) en Edward Seaga’s rechtse “Jamaica Labor Party” (JLP). Seaga, gesteund door de CIA, bewapende zijn kiezers met geweren om diegenen die het socialisme steunden af te schieten in een poging om verkozen eerste minister Manley ten val te brengen. De verkiezingen in 1972 waren de eerste in welke de twee opponerende politieke partijen met compleet verschillend politiek gedachtegoed tegenover elkaar stonden in de politieke arena. Het land bevond zich op de rand van een burgeroorlog en Manley bewapende op zijn beurt zijn achterban.[16]

 

Die politieke sfeer werd niet vastgelegd in de eerste reggaeliedjes uit de jaren ’70, maar op het einde van het decennium zorgde een toenemend aantal rastamuzikanten ervoor dat de wereld wist wat plaatsvond. Met de ‘Rasta message’ van ‘black people return to your roots’, zou reggaemuziek zich profileren op een meer spirituele en filosofische manier “in addition to its role as social or political commentary. Een boodschap die een ongelofelijke impact zou hebben, met artiesten zoals Bunny Wailer, Peter Tosh en Bob Marley. Die artiesten benadrukten de onrechtvaardigheid, veroorzaakt door koloniale machten en ‘puppet leaders’, die niet alleen Jamaicanen maar ook Afrikanen over de hele wereld ondergingen. De wortels van de reggaeboodschap waren afkomstig van de pijnvolle omstandigheden op de plantages met fysieke pijn, afwijzing, rebellie en onrechtvaardigheid ten opzichte van een onderdrukkend systeem. Velen zien reggae slechts als Rastafarianistische muziek, maar dat is niet het geval. Het werd beoefend en beleefd door Jamaicanen met verschillende achtergronden, maar Rasta’s waren hoofdzakelijk de meest populairste reggaezangers die de strijd van hun medeburgers omzetten in muziek.[17]

 

Rastamuzikanten zoals Bob Marley zagen de komst van Manley ook als een goede zaak. Er kwam een man die zei: we gaan ons eigen voedsel verbouwen. Dat zeiden de rasta’s al lang.”

- Mutabaruka

 

“De Jamaicaanse muziek die hoogtij viert met de reggae is een niet te onderschatten politieke kracht omdat die om veranderingen vraagt. De reggae spreekt echt de taal van het volk. De mensen zingen in reggae over hun ellende, hun wanhoop en vragen daar begrip voor.” – Michael Manley, 1971.

 

“Michael Manley bevrijdde de rasta’s. Als rasta kon je nu overal werken. Voor die tijd moesten rasta’s zich verstoppen. Daarom heb ook ik me bij hem aangesloten. Zijn boodschap sprak me aan: geef de armen een kans.” – Max Romeo [18]

 

In hoofdstuk V wordt er dieper ingegaan op het Rastafarianisme.

Muzikanten trokken naar Manley. Bob en Rita Marley, Dennis Brown en Alton Ellis steunden zijn campagne in ’71. Toen Michael Manley de verkiezingen van 1972 won, zorgde hij voor veranderingen in Jamaica. De PNP was aan de macht gekomen door een socialistisch platform en had beloofd de leef- en werkomstandigheden in Jamaica te verbeteren.De PNP-slogan was ten slotte “Better Must Come”, geïnspireerd door een nummer van Delroy Wilson. [A13]

Hij liet de welvaart toenemen, maar bouwde ook vriendschappen op met socialisten zoals Cuba’s Fidel Castro.

In 1974 kondigde de regering haar bekering naar het socialisme aan, tot grote verrassing van het Jamaicaanse volk. Het democratisch-socialisme was geboren.

 

Manley begon Jamaica’s grootste bedrijven over te nemen en te nationaliseren, zoals bauxietmijnen. De overlevende privé-bedrijven die zich niet lieten overnemen door de overheid moesten extra veel belastingen betalen. In 1975 zocht Manley Castro op in Cuba.

De economie onderging een extreme dip onder Manley’s regering. De rivaliteit tussen Manley en Seaga bleef het politieke landschap domineren en er heerste een gespannen sfeer. [19]

In 1976 werd Bob Marley door het culturele departement van de Jamaicaanse regering uitgenodigd om voor het hele land op te treden op het concert ‘Smile Jamaica’. Marley bevond zich in een moeilijke situatie. Hij wilde zijn schuld ten opzichte van Tony Spaulding, de PNP-minister van Huisvesting die Bob’s familie aan een nieuw huis had geholpen aflossen. Hij ging akkoord om op te treden als er geen politieke overheersing zou zijn. Maar een week nadat de persberichten over het concert waren uitgekomen, riep minister Manley verkiezingen uit.

Marley’s gevoel was dubbelzinnig want aanhangers van de JLP zouden dit concert nu zeker aanzien als een zaak waarin Bob voor Manley zou optreden. Kort daarop begon Marley doodsbedreigingen te krijgen. Op 3 december 1967 vielen gewapende mannen het repetitielokaal van Marley en zijn band binnen en er werd verschillende keren gevuurd. Er vielen miraculeus genoeg geen doden tijdens de nachtelijke overval, wel waren Don Taylor, Bobs manager en Lewis Griffith, Bobs vriend, zwaar gewond. Ook Rita Marley, zijn vrouw moest een operatie ondergaan om een kogel uit haar schedel te laten verwijderen. Bobs wonde werd behandeld en hij werd uit het ziekenhuis ontslagen. Hij trok zich terug op een afgezonderde schuilplaats hoog in de blue Mountains boven Kingston. Door de grote overredingskracht van Marley’s omgeving besloot Bob uiteindelijk toch op te treden op het ‘Smile Jamaica’-concert. [20]

In 1976 waren er dus opnieuw verkiezingen. De aanhangers van de PNP waren de onbekwame arbeiders en werklozen, terwijl de hoogopgeleide en ‘white-collar’ambtenaren de JLP steunden.

De Jamaicaans oppositie beschuldigde de PNP-regering ervan een bende communisten te zijn en de aanhangers van Manley waren ervan overtuigd dat er complotten waren vanuit de oppositie en het buitenland om het land te destabiliseren. [21]

Toch kende de PNP een sterke overwinning. De volgende jaren dreef de economische crisis de regering ertoe om internationale hulp in te roepen en de partij begon de terugkeer naar haar gematigde houding.

 

In 1978 zorgde Bob Marley voor een gedenkwaardig moment in de Jamaicaanse geschiedenis. Op zijn ‘One Love’-concert liet hij PNP-leider Michael Manley en JLP-kopstuk Edward Seaga elkaar de hand reiken. Het initiatief om op te roepen tot het einde van de politieke rivaliteit was een idee van de jongeren op de straat in Kingston.

 

Toch bleken de verkiezingen van 1980 één van de bloedigste in de Jamaicaanse geschiedenis. Er waren speculaties dat als Michael Manley herverkozen zou worden, dat hij de marihuanahandel zou legaliseren om zijn socialistische innovaties te realiseren en om de schulden aan het buitenland te financieren. Maar Edward Seaga won de verkiezing en kon een aanvullend bedrag van 698 miljoen dollar lenen van het Internationaal Monetair Fonds. Daarbovenop leende Seaga nog een bedrag van 100 miljoen dollar van de Verenigde Staten, die als voorwaarde stelde dat Jamaica militaire bijstand aanvaardde om de marihuanaplantages te vernietigen. [22]

 

Hoewel er verbeteringen waren in de vroege jaren ’80 stemden de Jamaicanen in 1989 toch opnieuw voor Manley. Manley, die zijn campagne onderbouwde met de verklaring geleerd te hebben uit zijn fouten, nam een derde ambtstermijn als eerste minister.

 

Tijdens de jaren ’80 werd Jamaica een belangrijk knooppunt voor drugshandel tussen Zuid-Amerika en de Verenigde Staten. Vreemde valuta vloeiden het eiland binnen als gevolg van die handel en de overheid was ofwel onwillig of machteloos ten opzichte van die ‘industrie’.

In 1992 moest Manley, om gezondheidsredenen, op pensioen en P.J. Patterson treedde in zijn voetsporen. Patterson riep op tot een vervroege verkiezing in 1993 om een economische heropleving ten gelde te maken en werd Jamaica’s eerste zwarte eerste minister.

Jamaica worstelde met toenemend geweld tijdens de jaren ’90 en de politie bood nauwelijks hulp. Haar brutaliteit was welbekend en zij waren verantwoordelijk voor meer dan een derde van de moorden op het eiland. [A14]

Toch bleven de Jamaicanen hun Patterson en de nieuwe PNP steunen. Patterson werd opnieuw verkozen in 2002. Op 31 maart 2006 beëindigde hij zijn 48 jaar durende politieke carrière en gaf de fakkel door aan de eerste vrouwelijke eerste minister van Jamaica, Portia Simpson Miller. De volgende verkiezingen zijn voorzien in 2007.[23]

 

 

2.5. Nieuwe reggae en dancehall gaan in tegen neokolonialisme en politiek-economisch wanbeleid

 

Ondanks Manley’s oprechte toewijding aan zijn land begon de bevolking zich vragen te stellen over zijn activiteiten en rol in Jamaica. De oorzaak van deze ontgoocheling heeft te maken met de onderhandelingen die de minister deed met het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Het IMF heeft een grote politieke rol gespeeld in Jamaica door problemen op de lange baan te schuiven en ze tegelijkertijd nog erger te maken.

 

De economische ‘crash’ gedurende de jaren ’70 heeft alle sectoren van het economische systeem in Jamaica beschadigd. In 1977 beantwoordde Michael Manley aan een verscheidenheid van pijnpunten, waaronder het IMF, en stelde het ‘People’s Plan’ voor in het parlement. Dat initiatief omvatte ook verschillende elementen van democratisch socialisme daar het vroeg om zich te onttrekken aan internationaal kapitalistisch engagement en pleitte voor socialisatie van productiemiddelen om Jamaica’s zelfredzaamheid te bewerkstelligen. De conservatieven in de PNP steunde dat plan echter niet. De combinatie van blijvende economische problemen, sterke bemiddeling van conservatieven in het PNP-leiderschap en de verkiezing van Jimmy Carter als president van de VS, leidde ertoe dat de PNP zich richtte naar het IMF. In juni 1977 schreef het Internationaal Monetair Fonds een lening van 75 miljoen dollar uit aan Jamaica.

 

De voorwaarden van het IMF-akkoord omvatte pensioen- en loonscontrole, stopzetting van prijscontrole en een besparing van 40 procent op de levensstandaard. In 1978 namen de besparingen en de ellende toe en Manley zei dat “negotiations are harrowing and ghastly”.

Er doken graffiti’s op waarin stond: “IMF stands for ‘Is Manley Fault’”.

Hij gaf toe dat zijn overeenkomst met het IMF verkeerd was, maar daarvoor was het al te laat.[24]

 

De documentaire “Life and Debt” van Stephanie Black, een gerenomeerd filmmaakster, onthult veel over de huidige situatie van Jamaica en het langetermijneffect van de IMF-lening. Armoede en misdaad zijn onacceptabel hoog en landbouwers zijn niet in staat om te concurreren met de internationale markt. Geïmporteerd voedsel en goederen zijn goedkoper dan lokaal geproduceerde goederen. Zelfs voor diegenen die werk hebben is het leven vaak keihard. Als resultaat van het optrekken van een vrijhandelszone worden vrouwen uitgebuit en onderworpen aan mensonwaardige omstandigheden. De “Free Zone” bevindt zich in Jamaica maar is in handen van multinationals zoals Hanes en andere Amerikaanse kledingsbedrijven die wereldwijd opereren. De lonen zijn laag en bieden geen garantie. Als de productie te duur wordt en ergens anders goedkoper kan, pakken de bedrijven in en vertrekken ze, zelfs zonder de Jamaicaanse arbeiders te betalen.

Deze documentaire werd ook gesteund door verschillende reggaeartiesten zoals o.a. Buju Banton, Anthony B, Morgan Heritage, Sizzla, Yami Bolo…Zij zongen de soundtrack van de film in en hielpen bij de wereldwijde promotie via concerten.[25] [A15]

 

“Ik schrijf teksten volgens de omstandigheden en wat er rondom mij gebeurt. Als iemand je bedriegt, weet je dat er een verdict moet vallen. Mijn nummer op het album van Saël is speciaal opgedragen aan de jongeren van mijn wijk ‘la ZAC Massive’. In plaats vaan een cultureel centrum heeft de lokale autoriteit daar een kapel gebouwd en de jongeren in de steek gelaten. On n’a pas besoin de ça.” – Pleen Pyroman

 

“In mijn teksten heb ik het over alle onderwerpen die me nauw aan het hart liggen. Ik klaag het slecht functioneren van de politiek aan en het overdreven optreden van de politie. Zelfs als het harde tijden zijn moeten de mensen toleranter zijn ten opzichte van de jongeren.” - Valley [26]

 

 

2.6. Misdaad en protest

 

In Jamaica ontstond eind 2005 nog opschudding toen één van de meest bekende dansers Gerald Levy, beter bekend als ‘Bogle’ werd neergeschoten na een dansavond in Kingston. Kort daarop staken een groep mannen het huis van zijn vermeende dansrivaal ‘John Hype’ Prendegast in brand. Dancehallster Beenie Man maakte diezelfde dag nog bekend dat hij 1 miljoen Jamaicaanse dollar uitloofde voor diegene die Bogle’s moordenaars kan vangen. Het is niet de eerste keer dat conflicten uit de entertainmentwereld ontaarden in moordpraktijken. De overheid en politiek lijken maar geen controle te krijgen op de hoge misdaadcijfers die het eiland teisteren.

 

Officieel werd geen gehoor gegeven aan Beenie Man’s miljoenenbeloning. De politie lijkt zich afzijdig te houden van de context waarin de moord kaderde. De getuigenissen werden opgetekend en de moord geklasseerd als ‘reported, not cleared up’ (gerapporteerd maar niet opgelost).[27]

 

De ‘Jamaica Constabulary Force’, de politiedienst, kampt met een hevig tekort aan moderne technologie en de helft van alle moorden blijven onopgelost. Zaken van politiekmisbruik blijven onvervolgd. Het is pas sinds vorig jaar dat de politiecommissie tijdens een persconferentie zei ‘werk te zullen maken van een nieuw programma voor getuigenbescherming’.

Niet alleen de politie heeft het moeilijk om de misdaad adequaat te bestrijden. Ook politici maken deel uit van het probleem. Regelmatig associëren zij zich met criminele elementen, terwijl ze tegelijkertijd beweren ze te willen bestrijden. Zo werd in het verleden meerdere malen aangetoond dat politici er nauwe banden op na hielden met drugs- en wapenhandelaars. Vorig jaar werd de Minister van Veiligheid, Peter Philips gesignaleerd op de begrafenis van een ‘gang leader’.[28]

 

“Een van de hoofdoorzaken van het geweld in Jamaica ligt bij de politiek. Politici houden de veiligheidsdiensten enerzijds en notoire bandieten anderzijds, een hand boven het hoofd. Als deze laatsten een misdaad begaan doet de politiek er alles aan om hen te beschermen want ze maken tegelijkertijd deel uit van hun partij. In ieder geval kunnen ze niet vermijden dat ‘ganja’ het eiland verlaat, noch dat ‘coke’ erin komt. Men moet ermee leren leven, tegelijkertijd proberend op het juiste pad te blijven. Men kan hopen op een betere wereld de dag dat wapens zullen verdwijnen, we moeten dus een stap terug zetten en de wereld heropbouwen.” – Yellowman[29]

 

Een ander probleem is dat Jamaica bekend staat als een broeihaard van verschillende ‘streetgangs’. Deze straatbendes hebben een zeer complexe rivaliserende verhouding ten opzichte van elkaar en de kopstukken zijn vaak moeilijk op te sporen.

De overheid geeft de schuld aan de dancehall entertainment, omdat die naar eigen zeggen zou oproepen tot geweld. De artiesten uit de ‘dancehall scene’ beschuldigen echter de overheid en politie van corruptie, wanbeleid en machtsmisbruik.[30] [A16]

 

Jaarlijks vinden in Jamaica 1500 schietpartijen plaats en 1400 moorden, en dat op een eiland van slechts 11 000 km² (een derde van België). Dat zijn 100 moorden verspreid over 14 ‘parishes’ (parochies).[31]

 

“De politici zijn degenen die met de vinger gewezen moeten worden, want zij zorgen ervoor dat de wapens op elke hoek van de straat beschikbaar zijn voor de jongeren. Je kunt geen wapen in de hand van een dommerik steken. Politici en de politie moorden niet voor geld, maar voor macht. Maar ook drugs hebben er veel mee te maken, vooral cocaïne en crack. Wij planten geen cocaïne in Jamaica, maar er wordt er wel veel verhandeld. Want met marihuana kan je gewoon niet zoveel geld verdienen. Ik ben tegen ‘coke and crack’ omdat het niet goed is voor de mensheid. Maar ik ben vóór degenen die ganja verkopen en roken. Big up!” – Jigsy King [32]

 

Zowel het cultiveren, exporteren- of importeren, verhandelen, bezitten als het gebruiken van ‘ganja’, zoals marihuana in Jamaica genoemd wordt, is strafbaar. Het wordt in al die gevallen bestraft met een geldboete en/of een gevangenisstraf tot vijf jaar.[33]

 

Toch is Jamaica een land dat al vele generaties lang een traditioneel cannabisgebruik kent. Dat traditionele gebruik kreeg in de loop van de jaren zeventig mythische proporties, niet in de laatste plaats door Bob Marley. Behalve ‘peace & love’ in hun reggae songs te prediken, riepen veel Jamaicaanse artiesten in hun reggaenummers op tot de legalisering van cannabis. Natuurlijk zongen zij er niet alleen over, veel van die artiesten waren ook ganja-rokers. Reggae-artiesten (maar ook weer niet allemaal) willen tussen de sessies in de studio door nogal eens een ‘spliff’ opsteken.

 

Nadat Bob Marley aan kanker was gestorven op 11 mei 1981, legde zijn vrouw Rita bij zijn begrafenis symbolisch een stengel ‘sensemilla’ in de kist. Rita Marley ging zelfs verder en nam het nummer ‘One Draw’ op. [A17]

Cannabis bleef de reggaeteksten in de jaren ’80 overheersen. De nadruk lag minder op de genezende eigenschappen van het kruid, maar op de mogelijke winst die gemaakt kon worden met de ‘ganja business’.

De ‘Sleng Teng’-riddim inspireerde verschillende versies, waaronder die van Barrington Levy ‘Under Me Sensi’. De tekst handelde opnieuw over de hypocrisie van de houding ten opzichte van de cannabishandel. [A18]

Hetzelfde team nam ook het nummer ‘Ream Thing op, waarin Barrington Levy smeekt: “Gimme the grass, won’t you gimme the gras”, verklaren dat cocaïne zijn hersenen zou vernietigen.[34]

 

Reggaemuziek, de boodschap van de teksten die vaak niet los was te zien van het rastageloof, en daarbij het gebruik van cannabis. Jamaica, reggae, rasta en ganja, het geheel sprak en spreekt nog steeds tot de verbeelding en bepaalt in zekere mate ook de beeldvorming over Jamaica.[35]

 

 

Maar reggaeartiesten zijn het niet over alle wetten in Jamaica oneens. De wet tegen de homoseksualiteit wordt door de overgrote meerderheid van het Jamaicaanse volk ondersteund en verdedigd door verschillende reggaeartiesten.

In Jamaica staat homoseksualiteit nog altijd vermeld in het strafwetboek onder het artikel uit 1864 ‘ Offences Against the Person’ (‘misdrijven tegen de persoon’), dat afgeleid is van het Engelse artikel uit 1861. Het betreft ‘offences of buggery and gross indecency’:

 

“Whoever shall be convicted of the abominable crime of buggery, committed either with mankind or with any animal, shall be liable to be imprisoned and kept to hard labour for a term not exceeding ten years.” – uittreksel uit het Jamaicaanse strafwetboek [36]

 

Populaire artiesten zoals Sizzla, Buju Banton en Capleton roepen op om de ‘batty boys’, verbastering van het woord ‘bottom’ of kont, te verbranden (zie 4.3.2.).

 

 

III Cultuur

 

“The Jamaica consciousness is just burning out of sight. Its history is African. Its culture is European. Its politics are Third World. We’re producing a totally new breed of human being.” – Perry Henzell, regisseur van ‘The Harder They Come’ [37]

 

 

3.1. Karakteristieken van het Jamaicaanse volk onder invloed van sociale factoren

 

3.1.1. Inleiding

 

Over het algemeen zijn Jamaicanen erg trotse mensen en daardoor ook uiterst bekommerd om persoonlijke hygiëne en kleding. De slaapkamer en badkamer zijn de belangrijkste vertrekken van het huis waar het meeste geld aan wordt uitgegeven. Jamaicanen kunnen erg rechtuit zijn en, eenmaal ze zich ergens op hun gemak voelen, zeer luidruchtig. Jamaicanen zijn dol op eten en plezier maken. Elke dag wordt beleefd alsof het de laatste kan zijn. Van de mannen wordt gezegd dat ze 24 uur per dag aan seks denken, terwijl de vrouwen eerder kieskeurig zijn over hun seksuele partners en op zoek zijn naar vooruitgang. Een goede man moet ambitieus zijn en over vaardigheden beschikken. Zijn toekomst moet er –ook vaak financieel – rooskleurig uitzien.

Di sociale houdingen manifesteren zich dan ook in de muziek. In raggateksten vind je vaak extreem seksueel getinte teksten terug, ook wel ‘slackness’ genoemd. Vrouwelijke artiesten zingen vaak over wat ze van hun man verlangen. [38] [A19] [A20]

 

3.1.2. Opvoeding en onderwijs

 

Het was pas in het begin van de jaren ’70 dat een goed uitgebouwd educatief systeem Jamaica bereikte. Zelfs na de opheffing van de slavernij was het onderwijs schaars en beginnende inspanningen werden hoofdzakelijk uitgevoerd door de christelijke kerken. Het dubbel-educatiesysteem dat na de dekolonisatie ingevoerd werd, werd gekenmerkt door overheidsgestuurde lagere scholen en privé secundaire scholen, zorgde ervoor dat een groot gedeelte van de bevolking analfabeet bleef. Bovendien was de inhoud van het formele onderwijs in Jamaica irrelevant voor studenten die hun studies niet konden voortzetten in Groot-Brittanië. In 1943 liep minder dan 1 procent van de zwarte populatie en slechts 9 procent van de gemengde rassen school in het secundair onderwijs. Het systeem speelde te weinig in op de Jamaicaanse realiteit en er waren te weinig vormende opportuniteiten.

De PNP-regering die verkozen werd in 1972 nam het initiatief om belangrijke veranderingen door te voeren in het educatief systeem. Kwalitatieve en kwantitatieve verbeteringen werden als sleutelelementen van het nieuwe regeringsprogramma beschouwd (1972-76). De twee belangrijkste aspecten van het programma waren gratis secundair onderwijs en een campagne om het analfabetisme te bestrijden. Educatieve hervormingen waren bedoeld om de sociale ongelijkheden recht te trekken en een groter jobbereik in de overheid- en privé-sector te creëren.

De hervormingen zorgden voor een positief maar beperkt effect. Door de jaren heen boekte het ministerie van Onderwijs stap voor stap vooruitgang. Analfabetisme werd, vooral bij de jongeren, in hoge mate teruggedreven.[39]

In 1980 was nog ruim 17 procent van de volwassenen (+15-jarigen) ongeletterd, terwijl dit in 2003 werd teruggedrongen tot 12 procent. Bij de jongeren tussen 15 en 24 jaar stellen we vast dat in1990 nog 8 procent analfabeet was tegenover 5 procent in 2003. [40]

Als je het onderwijs in Jamaica bekijkt, is de opleiding veel algemener en minder uitgediept dan in België. Het probleem van de openbare scholen is dat er meestal les gegeven wordt aan grote groepen met minder pedagogische middelen, waardoor de kwaliteit van het onderwijs stukken lager is dan in de privé-scholen. Slechts 20% van de jongeren studeert voort en verkiest daarbij het buitenland.

 

Het knelpunt van het Jamaicaans onderwijssysteem is dat het grootste gedeelte van de bevolking het geld niet heeft om zijn kinderen een voortgezette opleiding te financieren. Dat is het gevolg van de instabiele economische situatie sinds lange tijd. Er is niet echt een middenklasse in Jamaica, je hebt er vooral arm en rijk. Als ouders hun kinderen wel financieel kunnen ondersteunen voor hun studies, worden die er vaak ertoe aangezet om in het buitenland te studeren.

 

Over het algemeen zorgt dat er wel voor dat onderwijs toch beschouwd wordt als iets essentieel. De sociale omgeving moedigt studeren aan en als de kans zich voordoet is de motivatie des te hoger. Jammergenoeg zijn de mogelijkheden voor jongeren in de meeste van de gevallen beperkt.[41]

 

Toch heeft men door de jaren heen verschillende initiatieven ontwikkeld voor kansarme jongeren, zoals de ‘Alpha Boys school’. Daar konden en kunnen nog steeds jongeren die leven in moeilijke sociaal-economische omstandigheden een muzikale opleiding volgen om toch onafhankelijk te worden. Verscheidene muzikanten die hun opleiding genoten aan de ‘Alpha Boys school’ konden terecht bij Studio One, het label van Coxsone Dodd. Hij apprecieerde vooral de discipline en muzikale kwaliteiten van deze studenten. Eén van de bekendste formatie die het op deze manier ver schopte, was ongetwijfeld de band ‘The Skatalites’.[42]

 

In de reggaemuziek wordt het belang van onderwijs vaak benadrukt, de jongeren aansporend om hun capaciteiten uit te bouwen. [A21]

Soms worden zelfs van kinderrijmpjes nieuwe liedjes gemaakt. [A22]

 

Ook de normen en waarden waarmee Jamaicanen in hun opvoeding worden grootgebracht manifesteren zich sterk in de muziek. De meerderheid van de bevolking is christelijk opgevoed, ten gevolge van de Europese bezetting. Het geloof werd aangewend om de bevolking angst in te boezemen.