Het Sint-Barbaracollege tijdens het Interbellum. Sociaal-geografische rekrutering en toekomst van de leerlingen. (Didier Delaruelle)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

INLEIDING

 

Voordat ik begin met het motiveren van de afbakening van mijn onderzoeksterrein wil ik het even hebben over de keuze van mijn onderwerp.

 

 

1. Keuze van het onderwerp

 

Ik hoorde voor de eerste maal van het Sint-Barbaracollege toen de deuren van mijn gemeentelijke basisschool zich zeventien jaar geleden definitief achter mij sloten. In die tijd werden jongeren als minder mondig en volgzamer aanzien dan vandaag de dag, waarbij de schoolkeuze meestal voor hen genomen werd. De samenleving evolueert echter alsmaar sneller waardoor ook het dagelijkse leven mentaal verandert en er aldus sprake is van onder andere; democratisering, verzelfstandiging en zelfbeschikking. Jongeren lijken zich meer bewust te zijn van zichzelf en de wereld om zich heen zodat ook in mijn familie de jongeren meer dan wijzelf vroeger, hun eigen keuzes mogen maken.

 

Ik herinner me mijn jeugd als redelijk zorgeloos en ik kreeg de kans om kind te zijn, zonder mij al op de ‘wereld van de groten’ te moeten richten. In een dergelijk beschermd milieu had ikzelf nog niet nagedacht over opleiding of schoolkeuze. Het waren dan ook mijn ouders die mij hierin volledig konden sturen omdat het CLB - het toenmalige PMS - nog niet zo ver gevorderd was in het begeleiden van leerlingen met hun studiekeuze als in het zoeken naar een gepast schoolprofiel.

 

Zoals hier naar voor komt werd mijn secundaire schoolkeuze bepaald door mijn ouders. Door een gebrek aan kennis en informatie was ik niet in staat een beredeneerde beslissing te nemen. Het kwam er eigenlijk domweg op neer dat ik partij koos tussen mijn ouders en mijn keuzevrijheid eigenlijk maar schijn was.

 

Mijn moeders voorkeur ging uit naar het Sint-Barbaracollege als voorbereiding op hogere studies. Mijn vader was hiertegen gekant en fulmineerde zelfs met de uitspraak: “Hij mag naar elke school gaan maar niet naar Sint-Barbara!” Voor hem was het een school voor notariszonen en ik zou er dus niet op mijn plaats zijn.

 

Ik bevond me dan ook tussen twee partijen zonder de maturiteit te bezitten om een derde weg uit te gaan, mijn eigen weg. De keuze die ik maakte was er dan ook één van affectieve aard, ik koos voor het Sint-Barbaracollege om mijn moeder die toen op haar sterfbed lag, te plezieren en daarmee koos ik tegen mijn vader die altijd uithuizig aan het werk was.

 

Zo kwam ik na een succesvol maar niet bindend ingangsexamen op het Jezuïetencollege aan. Het was een wereld waar niet openlijk maar wel in de hoeken en kieren een elitaire sfeer hing: veel leerlingen waren of gedroegen zich rijk en voelden zich beter dan anderen. Ondanks een verbod met de bijhorende reprimandes was het bij verschillende kliekjes ‘bon ton’ om het Frans als voertaal te gebruiken op de speelplaats en in de speelzaal.

 

Deze twee geïsoleerde facetten van mijn persoonlijke beleving van het college schetsen de curiositeit waarmee ik met dit vorige leven waar ik geen vat op kreeg, omging. Ik bleef dan ook maar leerling van dit college tot aan het lager secundair. Het jaar daarop daagde ik niet op want veranderde van school en opleiding. Dit was niet omwille van educatieve redenen, maar uit de drang school te lopen met mijn vrienden en de gemakszuchtige belofte dat je ergens anders niet veel diende te werken.

 

Bij de keuze van mijn thesisonderwerp grasduinde ik vooral in ingediende scripties betreffende het onderwijs. Dit komt omdat ik deze keer doelbewust voor geschiedenis koos met als ambitie in het onderwijs te gaan. Het hiertoe noodzakelijke bijkomend jaar AILO legde ik vorig jaar reeds succesvol af. Deze focus op onderwijs bracht me bij de eindverhandeling van Suzanne De Spaey over het Sint-Barbara alsook bij enkele soortgelijke studies[1].

Dit alles heeft tot het onderwerp en tevens tot de titel van mijn scriptie geleid: “Het Sint-Barbaracollege tijdens het interbellum. Sociaal-Geografische Recrutering en Toekomst van de Leerlingen”.

 

 

2. Probleemstelling

 

2.1. Afbakening van het onderzoeksterrein

 

 In 1978 publiceerde Maurits De Vroede, hoogleraar aan de Katholieke Universiteit van Leuven, een bijdrage in het ‘Belgisch Tijdschrift voor de Nieuwste Geschiedenis’ handelend over de toestand op het terrein van de geschiedenis van het Belgisch onderwijs, dit vergelijkend met de ontwikkelingen in het buitenland.[2] Hierin schetst De Vroede een beeld van de toestand van het onderzoek betreffende onderwijs naar opvatting, invalshoek en inspiratie waarbij hij de toenmalige productie in verschillende categorieën onderbrengt. Op basis hiervan komt de Leuvense hoogleraar tot een argumentering en formulering van toekomstige onderzoeksrichtingen die in het menggebied van sociologie, pedagogie en geschiedenis liggen. De kruisbestuiving tussen deze aparte disciplines levert nieuwe invalshoeken en methodes op die nuttig zijn voor de studie over onderwijs en zijn context. Als grote onderzoeksdomeinen stelt De Vroede hier enerzijds de relatie tussen onderwijs en economie en anderzijds deze tussen school en maatschappij voorop.[3]

 

Wanneer ik de huidige bibliografieën doorneem merk ik dat er sindsdien niet zo veel studies over het onderwijs gemaakt zijn. Veel van die recentere werken kunnen zonder probleem binnen de categorisering van De Vroede geplaatst worden. Zo verschijnen er nog steeds geschiedenissen van individuele onderwijsinstellingen, bijdragen over de taalkwestie, werken handelend over de pedagogische praxis, enzovoort die het aanbod vergroten.

 

Als ik bekijk hoeveel werk er op de vooropgestelde nieuwe domeinen geleverd is, merk ik dat er niet bijster veel gevolg aan de oproep van De Vroede gegeven werd, noch lijkt het onderwijs als studieobject populair te zijn bij wetenschappelijke onderzoekers of studenten. Vooral op het domein van school en maatschappij is er onderzoek verricht. Het betreft hier hoofdzakelijk een tiental scripties waarin aandacht geschonken wordt aan de sociale en geografische herkomst van leerlingen van een specifieke onderwijsinstelling waarbij men dikwijls de link legt met de latere studies of het beroepsprofiel van de onderzochte groep leerlingen, studenten of leraren. Het is in deze richting dat ook ik verder zal gaan.

 

De meeste van de thesissen nemen wel het secundair onderwijs als onderzoeksdomein, maar op basis hiervan kan ik slechts besluiten dat het nog te vroeg is om een overzicht te formuleren over de rekruteringstoestand in België voor het secundair onderwijs. De enkele onderzochte lokaliteiten laten niet toe om de verschillende rekruteringsprofielen te typeren en categorisch in te bedden in de samenleving. Hiertoe moeten volgens mij nog meer bijdragen geleverd worden aan dit onderzoeksveld wat telt voor casussen en een ruimere periodisering. Dit is dan ook het opzet van deze scriptie.

 

In 1982 verscheen er een eindverhandeling over het Sint-Barbara van de hand van Suzanne De Spaey[4]. Zij hing enerzijds een verhalend beeld op van dit college maar deed daarnaast ook sociaal-geografisch onderzoek naar herkomst en toekomst van de leerlingen voor wat de periode tussen 1833 en 1914 betreft.

 

In deze studie maak ik een aanvulling op het onderzoek van Suzanne De Spaey. Mijn chronologische afbakening ligt echter tussen 1918 tot 1940, de periode tussen de twee wereldoorlogen in of het interbellum genoemd. In deze zin is mijn scriptie dus een vervolgonderzoek. Aangezien het Sint-Barbaracollege door De Spaey uitvoerig besproken werd, lijkt het niet opportuun hier weer over uit te wijden. Het door haar opgehangen beeld van het college moet volstaan. Bovendien kan ik hieromtrent ook verwijzen naar de verschillende jubileumboeken die over het Jezuïetencollege verschenen zijn, in het bijzonder naar dat van 1958[5]. Eveneens de getuigenis van Van Hille[6] als het verslag van de jubelfeesten van 1933[7] geven de sfeer op het college weer. Ten slotte moet hier het boek van Brouwers[8] en de uitgave van het Gemeentekrediet[9] onder redactie van Jan De Block, vermeld worden die beiden handelen over de Jezuïeten te Gent.

 

Een specifieke vraag naar de taalproblematiek op het Sint-Barbaracollege wordt hier niet gesteld. Hoewel deze kwestie in de chronologisch door mij afgebakende onderzoeksperiode valt, verwijs ik hiervoor naar de reeds opgegeven werken. In het bijzonder vermeld ik hier ook het werk van Lieve Gevers[10] die specifiek op dit terrein onderzoek deed en hierover publiceerde aan de hand van documenten uit de kerkelijke archieven, waarbij ook specifiek aandacht geschonken wordt aan de positie van de Jezuïeten. Eveneens in het Liber Amicorum voor professor De Vroede[11] wijdt Gevers een stuk aan de Jezuïeten en de bisschoppelijke onderrichtingen inzake het taalgebruik in het middelbaar onderwijs.

 

De door mij gekozen periode, het interbellum, omvat een vijventwintigtal schooljaren zodat de te onderzoeken groep leerlingen zeer uitgebreid is. Het was voor mij tijdseconomisch niet haalbaar was om al deze jaargangen te onderzoeken. Daarom drong zich een verdere afbakening op. Ik heb ervoor geopteerd om drie schooljaren bij wijze van steekproef te onderzoeken en de resultaten als kenmerkend voor de gehele periode aan te nemen. De wijze waarop ik tewerk ging bij het onderzoek wordt in elk hoofdstuk uitvoerig uitgelegd. De verantwoording van de genomen steekproef zal ik hier alsnog uiteenzetten. .

 

Een eerste schooljaar werd gekozen niet lang na het einde van Wereldoorlog I, namelijk 1920-1921. Hierbij nam ik aan dat de directe gevolgen van de bezetting en bevrijding weggeëbd waren en de naoorlogse periode al vorm kreeg. Beredeneerd koos ik als tweede schooljaar het jaar 1938-1939 omwille van het feit dat dit het laatste volledige schooljaar was voor Wereldoorlog II en aldus de evolutie en trend van het interbellum kan typeren. Als extra argument kan ik opmerken dat men omwille van de Belgische neutraliteit niet noemenswaardig reageerde op de mobilisatie van Duitsland. De blitzkrieg kwam per definitie dan ook totaal onverwacht, zodat de onderzoeksresultaten hier niet door beïnvloed zijn. Het is dus aannemelijk om de gegevens van dit schooljaar te extrapoleren naar de jaren ervoor. Het laatste schooljaar dat ik in het onderzoek betrok, ligt logischerwijs in het midden van de twee gekozen uitersten. Dit derde onderzoeksjaar is dan ook 1929-1930.

 

2.2. Doelstelling en vraagstelling

 

Na de verantwoording van de keuze van de ruimte- en tijdsafbakening volgen nu de krachtlijnen van mijn onderzoek. De centrale intentie van deze studie is om na te gaan of de relatie school en maatschappij doorheen duidelijk te onderscheiden perioden wijzigt. Het is hierbij specifiek de bedoeling eventuele evoluties in sociale en geografische rekrutering van de leerlingen van het Sint-Barbaracollege vast te leggen en te typeren. Het overleven van scholen hangt immers af van de wisselwerking met de maatschappij. Bij een veranderende maatschappij zal niet aangepast onderwijs aan belang inboeten en verdwijnen. Als het onderwijs niet meer inspeelt op de behoeften en vraag van de maatschappij, verliest het zijn utilitaire functie. In deze optiek is het dan ook interessant na te gaan of een duidelijk gedefinieerde bevolkingsgroep van waaruit het Sint-Barbaracollege rekruteert, behouden blijft tijdens het interbellum of wijzigingen ondergaat. Krijgt de school met andere woorden een andere doelgroep of een andere functie?

 

Het lijvige werk van De Spaey[12] had als opzet na te gaan welke relatie er tussen het Sint-Barbaracollege en de negentiende-eeuwse maatschappij bestaat. Deze relatie werd onderzocht aan de hand van de sociale en geografische rekrutering van de retoricaleerlingen[13] gedurende enkele afgebakende tijdsblokken van tussen de drie en tien schooljaren. Dit was veruit het zwaartepunt van haar onderzoek. Als aanvulling op de sociale rekrutering berekende De Spaey ook de financiële draagkracht van de leerlingen van het internaat aan de hand van een kostenraming van alle aspecten die hierbij kwamen kijken. Om het aanbod van het college te schetsen maakte ze gebruik van schaarse gegevens over het studieprogramma, genootschappen en de academie op het college. Hiernaast deed De Spaey ook een poging om de leefwereld van de leerlingen te reconstrueren met gebruik van facultatieve lessen en ontspanningmogelijkheden of op basis van getuigenissen uit al dan niet gepubliceerde bronnen.[14]

 

In dit aanvullend onderzoek kan ik mij dus beperken tot de reconstructie van het sociaal-geografisch profiel van de leerlingen. Ik ga na uit welk deel van de bevolking het college rekruteert tijdens de twee wereldoorlogen. De vragen die hierbij antwoord verdienen zijn verbonden aan de bevindingen van het onderzoek van De Spaey. Blijft het Sint-Barbaracollege een Oostvlaams fenomeen en een stedelijk verschijnsel tijdens het interbellum? Maakt de lage middenklasse nog steeds het grootste deel van de rekruteringsgroep uit? Kunnen we uit de keuze van de rekruten voor de klassieke humaniora op dit specifieke college het streven naar opwaartse mobiliteit verder aflezen? Als dit de verwachting lijkt te zijn, correleert dit dan met het latere beroepsprofiel? Kiest men nog steeds in hoofdzaak voor de opleidingen in het recht of de geneeskunde? Of rekruteert het college onder de oud-leerlingen waarbij er misschien sprake kan zijn van sociale reproductie?

 

Op deze vragen tracht ik een antwoord te vinden zodat het rekruteringsprofiel in de tijd verlengd wordt en er eventuele evoluties in kunnen worden vastgelegd. Aldus kan ik nagaan of er een dynamiek of een verschuiving in het rekruteringsprofiel bestaat. Indien het rekruteringsprofiel een duurzaam gegeven is in de veranderende maatschappij, wat zegt dit dan over de verwachtingen en de positie van de doelgroep?

 

Deze scriptie valt uiteen in drie hoofdstukken, waarna een algemeen besluit volgt. In het eerste hoofdstuk wil ik inzicht krijgen in de geografische herkomst van de leerlingen die zich tijdens het interbellum op het Sint-Barbaracollege aanmelden om onderwijs te volgen. Kan hier dezelfde spreiding uitgetekend worden als voor de Eerste Wereldoorlog? In het tweede hoofdstuk zal ik nagaan uit welk milieu het Sint-Barbaracollege zijn retoricaleerlingen rekruteert tijdens het interbellum. De resultaten van dit onderzoek zullen dan ook vergeleken worden met de bevindingen van De Spaey betreffende de periode 1833-1914. Het derde hoofdstuk gaat in op het toekomstig beroep van de leerlingen, waarbij ik aandacht schenk aan de verschuivingen met het beroepsprofiel van de vaders. In ieder hoofdstuk wordt telkens de gevoerde methode aangegeven als het bronnenmateriaal die ik hiervoor heb aangewend. Het algemeen besluit tenslotte zet de bevindingen van het gevoerde onderzoek nog eens op een rijtje. Aangezien deze bijdrage aan de geschiedenis van het onderwijs klein van stuk is, geef ik slechts een aantal bescheiden suggesties voor mogelijk vervolgonderzoek binnen deze casus van het Sint-Barbaracollege.

 

 

HOOFDSTUK 1: DE GEOGRAFISCHE HERKOMST

 

1. Inleiding

 

Alvorens aan te vangen met de bespreking van de resultaten lijkt het me nuttig om eerst even de gevolgde werkwijze voor dit hoofdstuk nader toe te lichten. Hiervoor zal ik dieper ingaan op de vraag welke leerlingen uiteindelijk weerhouden werden voor dit onderzoek, op welke manier ik hen terugvond, om vervolgens uit de doeken te doen welke informatie dit mij concreet opleverde en hoe ik ermee omging.

 

Na de individuele bespreking per selectiejaar, zal ik de bekomen gegevens samenbrengen om aldus het geografische rekruteringsprofiel van het Sint-Barbaracollege tijdens het interbellum op te stellen. Dit profiel kan dan vergeleken worden met de periode tussen 1833 en 1914, de periode die reeds door Suzanne De Spaey onderzocht werd.

 

Tenslotte zal ik ook even ingaan op de resultaten van andere onderwijsinstellingen, voor zover deze bestudeerd zijn in voorgaande thesissen. Dit levert niet zozeer een kwalitatieve vergelijking op maar zet gewoon een aantal van deze geografische rekruteringsprofielen naast elkaar. Het vergelijken van deze onderzoeksgegevens brengt op zich manke conclusies met zich mee, doch plaatsen ze het college in een breder kader waarbij argumenten voor mogelijke verschillen kunnen worden aangegeven.

 

 

2. Methode

 

2.1. Opsporing van de data

 

Zoals reeds eerder uitgelegd in de probleemstelling, onderzoek ik de herkomst van de leerlingen van het Sint-Barbaracollege tijdens het interbellum. Dit gebeurt steekproefsgewijs aan de hand van drie bestudeerde schooljaren. De weerhouden schooljaren zijn 1920-1921, 1929-1930 en 1938-1939.

 

Voor het opsporen van de leerlingen die binnen de marge van de steekproefsgewijze benadering vallen, werd gebruik gemaakt van ‘naamlijsten’ uit het schoolarchief van het Sint-Barbaracollege. In tegenstelling tot de periode 1833-1914 waarbij Suzanne De Spaey[15] zich kon beroepen op een inschrijvingsregister, diende hier gebruik gemaakt te worden van losbladige naamlijsten per klas. De oorspronkelijke naamlijsten zijn handgeschreven en werden als basis gebruikt om de doelgroep samen te stellen. Hoewel bij deze lijsten enige transcriptie nodig was, genieten ze de voorkeur op latere getypte lijsten omwille van hun originaliteit. De geschreven lijsten bevatten namelijk alle leerlingen gedurende de eerste maanden van het jaar, in tegenstelling tot latere versies die afgehaakte en vertrokken leerlingen niet meer vermelden. De getypte exemplaren die losbladig of jaarlijks gebundeld zijn, zijn op hun beurt weer opgenomen in tienjaarlijkse bundels. Deze latere bundels werden uitgezuiverd waardoor de oorspronkelijke handgeschreven naamlijsten een schat aan informatie meer bevatten, zoals onder andere data van stopzetting van de studie. De naamlijsten stelden me in staat om drie groepen studenten te weerhouden waarnaar verder onderzoek gedaan werd. Het spijtige aan deze bron zijn de schaarse randgegevens die opgegeven zijn. Naast de klas en de naam, vermelden ze alleen de adresgegevens. Deze zijn consequent bijgehouden in tegenstelling tot informatie betreffende het regime waarin de leerling zich inschreef. Als deze regimevermelding opgenomen werd, beperkte ze zich tot een lettercode waarbij de P voor pensionnaire (kostschoolleerling), D voor demi-pensionnaire (eetmaalgebruikend leerling) en Q voor quartair (alleen schoollopend leerling) staan. De leerlingen die binnen de afbakening van de steekproef vielen, kregen een eigen ‘onderzoeksfiche’. Deze werd gedurende het onderzoek verder gecompleteerd in functie van de benodigde gegevens.

 

2.2. Verwerking van de data

 

Hoe ben ik nu met deze selectiejaren omgesprongen? De Spaey[16] vermeldt in haar werk dat de gegevens van de leerlingen dikwijls onvoldoende zijn om verder onderzoek naar hen te doen. Dit resulteert dan onvermijdelijk in een groot aantal onbekenden waardoor de resultaten onzinnig worden. Om dit tekort in de bronnen te omzeilen maakt ze in haar studie enkel gebruik van de retoricaleerlingen. Van de leerlingen die afstudeerden aan het college zijn meer gegevens bekend. Dikwijls gaven deze ook hun eventueel gewijzigde adres, verdere studiecarrière en latere beroepsuitoefening op aan de oud-leerlingenbond. In het driemaandelijks tijdschrift van de oud-leerlingenbond ‘Allegro Barbaro’[17], worden nog steeds personalia zoals geboorte, huwelijk en overlijden van de leden of de oud-leerlingen opgenomen. Deze bron is echter niet exhaustief zodat bij de samenstelling van het repertorium van de oud-leerlingen 1837-1985[18], men deze gegevens heeft moeten uitbreiden. Hiervoor werden honderden antwoordkaarten verzonden en werd diepgaand onderzoek verricht in het collegearchief. Aldus reconstrueerde de historicus Marc Beyaert klassenlijsten van de laatstejaarsstudenten met voor de laatste 50 jaar de recentste adressen en beroepsgegevens.[19]

 

Ook andere studenten baseerden zich in hun dissertatie op de afgestudeerde leerlingen van een jaargang. Ik wil hier onder andere Vic Blomme[20] vermelden die onderzoek deed naar de laatstejaarsstudenten van het Sint-Vincentiuscollege te Eeklo. Van belang bij zijn studie is het feit dat de door hem onderzochte periode eveneens tussen de twee wereldoorlogen ligt. Hetzelfde criteria voor dezelfde periode gebruikte ook Hugo Gielis[21], maar zijn onderzoek betreft de technische scholen van de Londenstraat in Antwerpen. Jan Daem[22] ten slotte baseert zich ook enkel op die leerlingen die afstudeerden aan het Koninklijk Atheneum te Gent tot
 

1914. Daem kon in zijn studie de vergelijking maken met de Gentse katholieke tegenpool het Sint-Barbara die reeds door de meermaals genoemde De Spaey onderzocht werd.

 

Enkel Danny Bauters[23] die als casus het Jozefietencollege te Melle koos, baseerde zich in zijn onderzoek op een ruimer criterium. Hij nam alle nieuw ingeschreven leerlingen in zijn onderzoek op. Deze werkwijze zorgt voor een alomvattend profiel van de leerlingen voor één schooljaar.

 

Vandaar dat ik dit laatste selectiecriterium ook hanteer in mijn onderzoek, in tegenstelling tot de werkwijze van mijn voorgangster betreffende het Sint-Barbara. Het idee hierbij is dat indien elk jaar alle nieuw ingeschreven leerlingen weerhouden worden, na verloop van een zestal jaar de volledige schoolpopulatie in het onderzoek zou betrokken zijn. Wat betreft mijn steekproefsgewijze benadering wil dit zeggen dat de nieuw gerekruteerde leerlingen van drie integrale schooljaren in het onderzoek werd opgenomen.

 

Het belang van het selectiecriterium ligt hem in de vaststelling dat op deze wijze effectief de rekrutering van tijdens het interbellum bestudeerd wordt. Indien we de retorica als uitgangspunt zouden hanteren, zouden we eigenlijk nog de vooroorlogse situatie weergeven. Hierbij krijgen we dan ook te maken met alle mogelijke toestanden door de oorlogs- en bezettingsperiode zodat dergelijke gegevens niet echt bruikbaar zouden zijn.

 

Hoe ging ik nu praktisch te werk, waar haalde ik mijn gegevens? Zoals uit de opsporingsmethode blijkt, bestaan er originele naamlijsten die bij inschrijving opgesteld werden en aangevuld gedurende het schooljaar. Op basis van deze lijsten werden de nieuw ingeschreven leerlingen in het schooljaar 1920-1921, 1929-1930 en 1938-1939 bepaald.

Hierbij werd geen rekening gehouden met de voorbereidende klas in 1920 en de toenemende leergangen in de ‘preparatoir’ later tijdens het interbellum. Ik zie deze voorbereidende klassen als afzonderlijk van het humaniora en neem ze dan ook niet op in dit onderzoek. Dit wil wel zeggen dat nieuw weerhouden leerlingen eigenlijk al een jaar of meer vroeger voor het college kunnen gekozen hebben.

 

Met andere woorden het gros van de weerhouden leerlingen komt uit de ‘sixième’, het huidige 1ste middelbaar. Hierbij werd nagegaan welke leerling het jaar ervoor ook ingeschreven werden maar bleven zitten. Zij werden niet in het onderzoek betrokken, omdat zij eigenlijk tot de selectie van het voorgaande jaar zouden behoren. Bovenop deze meest voor de hand liggende groep leerlingen werden ook de hogere jaren onderzocht op nieuw ingeschreven leerlingen. Dit kon aan de hand van vergelijking met het voorgaande schooljaar. Hierbij diende de voorgaande jaargang genomen te worden om de geslaagden te schrappen van de klassenlijsten van het selectiejaar. Daarnaast moest dezelfde graad nagekeken worden om de zittenblijvers te traceren en de hogere graad van het voorgaande jaar én het selectiejaar om leerlingen te ontdekken die dienden af te dalen in de jaargangen. Aldus bleven dikwijls enkele namen over op de klassenlijsten die bijgevolg als nieuw ingeschreven leerlingen voor het selectiejaar werden aanschouwd.

 

Op deze wijze stelde ik voor elk selectiejaar een groep studenten samen, die voor het eerst op het humaniora van het college les volgden. In deze groep zitten dus zowel diegene die slagen in de retorica, als deze die vroeger of later om wellicht diverse redenen afhaakten. De enige enkeling die hierbij niet opgenomen werd, was de persoon naast wie zijn naam vermeld stond dat hij nooit opdaagde op het college.

 

Van quasi al deze leerlingen werden adresgegevens teruggevonden in de klassenlijsten. Naast de naam is dit zowat de enige consequent bijgehouden vermelding. Deze adresgegevens werden overgenomen voor het onderzoek naar de geografische herkomst van de leerlingen. Het betreft hier dus de adressen opgegeven bij intrede op het college, op het eigenlijke moment van de rekrutering weergegeven in de inschrijvingsgegevens.

 

 

3. Geografisch herkomstprofiel

 

3.1. Het schooljaar 1920-1921

 

Het eerste schooljaar dat voor dit onderzoek geselecteerd werd is 1920-1921. Volgens de hierboven beschreven selectiemethode werden alle leerlingen opgespoord die zich dit jaar zich voor het eerst in het humaniora van het Sint-Barbara inschreven. In totaal werden aldus tweeënzeventig leerlingen in aanmerking genomen voor deze doorsnede van de schoolpopulatie.

 

De geografische herkomst van deze leerlingen werd statistisch verwerkt. De resultaten voor deze jaargang zijn weer te vinden op de volgende pagina. Voor deze resultatenweergave verkoos ik de leerlingen eerst volgens provincie in te delen, waarbij de totaalcijfers voor die provincies absoluut en procentueel weergegeven werden. Onder deze provinciale indeling werden de opgegeven steden en gemeenten dan alfabetisch gerangschikt met telkens de corresponderende herkomstquota. Al deze cijfers werden absoluut aangeduid, want deze geven een direct inzicht in het aantal leerlingen dat van de bijhorende plaats afkomstig is. Zij geven snel inzicht in het absolute belang van de herkomstlocatie. De procentuele cijfers bij elke provincie geven dan weer het relatieve belang ervan weer in functie van het totale aantal leerlingen voor het betreffende selectiejaar.

 

Het spreekt voor zich dat dezelfde statistische verwerking ook in de volgende delen gebruikt zullen worden, die respectievelijk het schooljaar 1929-1930 en 1938-1939 zullen behandelen. Maar eerst zullen we hieronder het schooljaar 1920-1921 bespreken, kortweg aangeduid als het jaar 1920.

 

Voor we de meer belangrijke resultaten voor het jaar 1920 bespreken, wil ik even wijzen op het aantal onbekenden in dit onderzoek dat 2,8 procent bedraagt. Dit is een marginaal aandeel in het totaal en het gaat hier eigenlijk over slechts twee leerlingen. Beide leerlingen schreven zich tijdens het jaar op het college in maar volgden slechts enkele weken of maanden de lessen. Beiden werden zonder adresvermelding op de klassenlijst bijgekrabbeld, met de enige vermelding dat ze weer vertrokken waren.

 

Tabel 1: Geografisch herkomstprofiel van het schooljaar 1920-1921

Provincie

Gemeente/Stad

Aantal leerlingen

 

 

Abs.

%

 

 

 

 

Antwerpen

 

2

2,8

 

Antwerpen

2

 

 

 

 

 

Brabant

 

1

1,4

 

Brussel

1

 

 

 

 

 

Oost-Vlaanderen

 

57

79,2

 

Aalter

1

 

 

Eke

1

 

 

Ertvelde

1

 

 

Evergem

1

 

 

Gent

31

 

 

Gentbrugge

3

 

 

Hamme

1

 

 

Ledeberg

1

 

 

Melle

1

 

 

Oudenaarde

1

 

 

Schelderode

1

 

 

Sint-Amandsberg

6

 

 

Sint-Gillis-Waas

1

 

 

Sint-Niklaas

1

 

 

Wetteren

1

 

 

Wondelgem

1

 

 

Zingem

2

 

 

Zomergem

1

 

 

Zottegem

1

 

 

 

 

 

West-Vlaanderen

 

10

13,9

 

Izegem

1

 

 

Koekelare

1

 

 

Kortrijk

3

 

 

Oostende

1

 

 

Vlameringe

1

 

 

Waregem

2

 

 

Wervik

1

 

 

 

 

 

Onbekend

 

2

2,8

 

 

 

 

 

Bij de provincies en hun aandeel in het totaal neemt Oost-Vlaanderen met 79,2 procent overduidelijk de belangrijkste plaats in. In veel mindere mate komen de leerlingen van West-Vlaanderen met een totaal van 13,9 procent. Ook Antwerpen en Brabant zijn in het rekruteringsprofiel voor dit schooljaar aanwezig, maar met een verwaarloosbaar aantal. Antwerpen kent twee rekruten en Brussel 1, waarbij opgemerkt moet worden dat de twee leerlingen uit Antwerpen broers zijn en bijgevolg uit hetzelfde gezin afkomstig zijn. Voor de twee laatste provinciale hoofdsteden is er dus maar telkens één gezin die zijn kinderen op het Sint-Barbaracollege laat schoollopen.

 

In Oost-Vlaanderen valt onmiddellijk de positie van Gent op met een absoluut cijfer van éénendertig op tweeënzeventig leerlingen. Reken hierbij de drie leerlingen afkomstig van de randgemeente Gentbrugge plus de zes leerlingen met origine in Sint-Amandsberg en we komen op een totaal van veertig leerlingen met geografische herkomst uit Gent of zijn onmiddellijke randgemeenten. Dit is dus meer dan de helft van de in aanmerking genomen groep. Tellen we hierbij de gemeenten op een boogscheut afstand van Gent zoals: Eke, Ertvelde, Evergem, Ledeberg, Melle, Schelderode, Wondelgem en Zomergem, dan komen we aan acht leerlingen meer die in de nabijheid van Gent woonden. Voor de rest zijn nog acht andere stadjes of gemeenten uit Oost-Vlaanderen vertegenwoordigt maar dit telkens met één leerling of in het geval van Zingem met twee broers uit hetzelfde gezin.

 

Ook West-Vlaanderen valt onder te verdelen in een zestal herkomstplaatsen waar telkens één leerling vandaan komt of in het geval van Waregem weerom twee broers uit één gezin. Ook in deze provincie neemt het stedelijke centrum Kortrijk met drie leerlingen een groter aandeel in het provincietotaal in.

 

We kunnen dus concluderen dat voor het jaar 1920 de leerlingen hoofdzakelijk uit de provincie Oost-Vlaanderen afkomstig zijn. Binnen deze provincie is er een overwicht van de stad Gent, zijn onmiddellijke rand en naburige gemeenten. Ver achter deze koploper in provinciale herkomst volgt West-Vlaanderen.

 

3.2. Het schooljaar 1929-1930

 

In dit deel bespreken we het schooljaar 1929-1930, dus ruwweg gaat het hier over de leerlingen die zich nieuw inschreven op het humaniora in de tweede helft van het jaar 1929.

 

Voor deze onderzoeksperiode konden we 62 leerlingen in aanmerking nemen als nieuwe rekruten voor het college. Hoewel dit aantal lager ligt dan in het schooljaar ’20-’21, mogen we hier niet zonder meer uit besluiten dat de schoolpopulatie daalde. Dergelijke gegevens moeten in een breder perspectief gezien worden. In het kader van dit onderzoek maakte ik uit tijdsoverweging geen telling van alle schooljaren in het interbellum. Hoewel het interessant kan zijn om de evolutie te schetsen van het totale aantal nieuwe rekruten op het college gedurende de opeenvolgende jaren, werd dit werk dus niet verzet. Hier moeten we dus vertrouwen op de leerlingenevolutie die opgemaakt is aan de hand van de afgestudeerden en ergens anders in dit boek weergegeven is. Indien dergelijke telling ooit zou gemaakt worden, lijkt het mij interessant na te gaan of deze twee evoluties parallel lopen of we eventueel kunnen constateren dat het slaagpercentage stijgt of daalt in de loop der tijd en wat hiervan de reden kan zijn.

 

 Ook in dit tweede onderzochte jaar valt het overwicht van de provincie Oost-Vlaanderen op, met een vergelijkbaar procentueel cijfer van 80,7. West-Vlaanderen levert een min of meer zelfde aantal rekruten aan het college als in de vorige onderzochte periode. Net zoals in 1920 komt hier één enkeling uit de provincie Antwerpen en ook hier liep een leerling tijdelijk school zonder adresgegevens na te laten.

 

De stad Gent waar tevens het college gevestigd is springt weer dadelijk in het oog bij de provincie Oost-Vlaanderen. Maar liefst 33 leerlingen kiezen voor het college in eigen stad, terwijl randgemeenten zoals Ledeberg, Sint-Amandsberg en Sint-Denijs-Westrem ook telkens een nieuwe rekruut opleveren. Naast verder afgelegen plaatsen in de provincie komen weer dorpen uit de ruime regio van Gent voor zoals Evergem, Lovendegem, Melle, Nazareth, Vinderhoute, Wachtebeke en Wondelgem. We kunnen dus stellen dat zowat drieënveertig van de tweeënzestig rekruten op fiets- of wandelafstand van het college woont.

 

Voor de dorpen uit West-Vlaanderen waar twee leerlingen van afkomstig zijn, valt hier weer op te merken dat het hier over broers gaat, die in mijn tellingen apart zijn opgenomen.
 

Tabel 2: Geografisch herkomstprofiel van het schooljaar 1929-1930

Provincie

Gemeente/Stad

Aantal leerlingen

 

 

Abs.

%

 

 

 

 

Antwerpen

 

1

1,6

 

Lier

1

 

 

 

 

 

Oost-Vlaanderen

 

50

80,7

 

Baasrode

1

 

 

Beveren (Waas)

1

 

 

Bottelare

1

 

 

Evergem

1

 

 

Gent

33

 

 

Geraardsbergen

1

 

 

Ledeberg

1

 

 

Lokeren

1

 

 

Lovendegem

1

 

 

Maldegem

1

 

 

Melle

1

 

 

Nazareth

1

 

 

Olsene

1

 

 

Sint-Amandsberg

1