Het Sint-Barbaracollege tijdens het Interbellum. Sociaal-geografische rekrutering en toekomst van de leerlingen. (Didier Delaruelle)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

INLEIDING

 

Voordat ik begin met het motiveren van de afbakening van mijn onderzoeksterrein wil ik het even hebben over de keuze van mijn onderwerp.

 

 

1. Keuze van het onderwerp

 

Ik hoorde voor de eerste maal van het Sint-Barbaracollege toen de deuren van mijn gemeentelijke basisschool zich zeventien jaar geleden definitief achter mij sloten. In die tijd werden jongeren als minder mondig en volgzamer aanzien dan vandaag de dag, waarbij de schoolkeuze meestal voor hen genomen werd. De samenleving evolueert echter alsmaar sneller waardoor ook het dagelijkse leven mentaal verandert en er aldus sprake is van onder andere; democratisering, verzelfstandiging en zelfbeschikking. Jongeren lijken zich meer bewust te zijn van zichzelf en de wereld om zich heen zodat ook in mijn familie de jongeren meer dan wijzelf vroeger, hun eigen keuzes mogen maken.

 

Ik herinner me mijn jeugd als redelijk zorgeloos en ik kreeg de kans om kind te zijn, zonder mij al op de ‘wereld van de groten’ te moeten richten. In een dergelijk beschermd milieu had ikzelf nog niet nagedacht over opleiding of schoolkeuze. Het waren dan ook mijn ouders die mij hierin volledig konden sturen omdat het CLB - het toenmalige PMS - nog niet zo ver gevorderd was in het begeleiden van leerlingen met hun studiekeuze als in het zoeken naar een gepast schoolprofiel.

 

Zoals hier naar voor komt werd mijn secundaire schoolkeuze bepaald door mijn ouders. Door een gebrek aan kennis en informatie was ik niet in staat een beredeneerde beslissing te nemen. Het kwam er eigenlijk domweg op neer dat ik partij koos tussen mijn ouders en mijn keuzevrijheid eigenlijk maar schijn was.

 

Mijn moeders voorkeur ging uit naar het Sint-Barbaracollege als voorbereiding op hogere studies. Mijn vader was hiertegen gekant en fulmineerde zelfs met de uitspraak: “Hij mag naar elke school gaan maar niet naar Sint-Barbara!” Voor hem was het een school voor notariszonen en ik zou er dus niet op mijn plaats zijn.

 

Ik bevond me dan ook tussen twee partijen zonder de maturiteit te bezitten om een derde weg uit te gaan, mijn eigen weg. De keuze die ik maakte was er dan ook één van affectieve aard, ik koos voor het Sint-Barbaracollege om mijn moeder die toen op haar sterfbed lag, te plezieren en daarmee koos ik tegen mijn vader die altijd uithuizig aan het werk was.

 

Zo kwam ik na een succesvol maar niet bindend ingangsexamen op het Jezuïetencollege aan. Het was een wereld waar niet openlijk maar wel in de hoeken en kieren een elitaire sfeer hing: veel leerlingen waren of gedroegen zich rijk en voelden zich beter dan anderen. Ondanks een verbod met de bijhorende reprimandes was het bij verschillende kliekjes ‘bon ton’ om het Frans als voertaal te gebruiken op de speelplaats en in de speelzaal.

 

Deze twee geïsoleerde facetten van mijn persoonlijke beleving van het college schetsen de curiositeit waarmee ik met dit vorige leven waar ik geen vat op kreeg, omging. Ik bleef dan ook maar leerling van dit college tot aan het lager secundair. Het jaar daarop daagde ik niet op want veranderde van school en opleiding. Dit was niet omwille van educatieve redenen, maar uit de drang school te lopen met mijn vrienden en de gemakszuchtige belofte dat je ergens anders niet veel diende te werken.

 

Bij de keuze van mijn thesisonderwerp grasduinde ik vooral in ingediende scripties betreffende het onderwijs. Dit komt omdat ik deze keer doelbewust voor geschiedenis koos met als ambitie in het onderwijs te gaan. Het hiertoe noodzakelijke bijkomend jaar AILO legde ik vorig jaar reeds succesvol af. Deze focus op onderwijs bracht me bij de eindverhandeling van Suzanne De Spaey over het Sint-Barbara alsook bij enkele soortgelijke studies[1].

Dit alles heeft tot het onderwerp en tevens tot de titel van mijn scriptie geleid: “Het Sint-Barbaracollege tijdens het interbellum. Sociaal-Geografische Recrutering en Toekomst van de Leerlingen”.

 

 

2. Probleemstelling

 

2.1. Afbakening van het onderzoeksterrein

 

 In 1978 publiceerde Maurits De Vroede, hoogleraar aan de Katholieke Universiteit van Leuven, een bijdrage in het ‘Belgisch Tijdschrift voor de Nieuwste Geschiedenis’ handelend over de toestand op het terrein van de geschiedenis van het Belgisch onderwijs, dit vergelijkend met de ontwikkelingen in het buitenland.[2] Hierin schetst De Vroede een beeld van de toestand van het onderzoek betreffende onderwijs naar opvatting, invalshoek en inspiratie waarbij hij de toenmalige productie in verschillende categorieën onderbrengt. Op basis hiervan komt de Leuvense hoogleraar tot een argumentering en formulering van toekomstige onderzoeksrichtingen die in het menggebied van sociologie, pedagogie en geschiedenis liggen. De kruisbestuiving tussen deze aparte disciplines levert nieuwe invalshoeken en methodes op die nuttig zijn voor de studie over onderwijs en zijn context. Als grote onderzoeksdomeinen stelt De Vroede hier enerzijds de relatie tussen onderwijs en economie en anderzijds deze tussen school en maatschappij voorop.[3]

 

Wanneer ik de huidige bibliografieën doorneem merk ik dat er sindsdien niet zo veel studies over het onderwijs gemaakt zijn. Veel van die recentere werken kunnen zonder probleem binnen de categorisering van De Vroede geplaatst worden. Zo verschijnen er nog steeds geschiedenissen van individuele onderwijsinstellingen, bijdragen over de taalkwestie, werken handelend over de pedagogische praxis, enzovoort die het aanbod vergroten.

 

Als ik bekijk hoeveel werk er op de vooropgestelde nieuwe domeinen geleverd is, merk ik dat er niet bijster veel gevolg aan de oproep van De Vroede gegeven werd, noch lijkt het onderwijs als studieobject populair te zijn bij wetenschappelijke onderzoekers of studenten. Vooral op het domein van school en maatschappij is er onderzoek verricht. Het betreft hier hoofdzakelijk een tiental scripties waarin aandacht geschonken wordt aan de sociale en geografische herkomst van leerlingen van een specifieke onderwijsinstelling waarbij men dikwijls de link legt met de latere studies of het beroepsprofiel van de onderzochte groep leerlingen, studenten of leraren. Het is in deze richting dat ook ik verder zal gaan.

 

De meeste van de thesissen nemen wel het secundair onderwijs als onderzoeksdomein, maar op basis hiervan kan ik slechts besluiten dat het nog te vroeg is om een overzicht te formuleren over de rekruteringstoestand in België voor het secundair onderwijs. De enkele onderzochte lokaliteiten laten niet toe om de verschillende rekruteringsprofielen te typeren en categorisch in te bedden in de samenleving. Hiertoe moeten volgens mij nog meer bijdragen geleverd worden aan dit onderzoeksveld wat telt voor casussen en een ruimere periodisering. Dit is dan ook het opzet van deze scriptie.

 

In 1982 verscheen er een eindverhandeling over het Sint-Barbara van de hand van Suzanne De Spaey[4]. Zij hing enerzijds een verhalend beeld op van dit college maar deed daarnaast ook sociaal-geografisch onderzoek naar herkomst en toekomst van de leerlingen voor wat de periode tussen 1833 en 1914 betreft.

 

In deze studie maak ik een aanvulling op het onderzoek van Suzanne De Spaey. Mijn chronologische afbakening ligt echter tussen 1918 tot 1940, de periode tussen de twee wereldoorlogen in of het interbellum genoemd. In deze zin is mijn scriptie dus een vervolgonderzoek. Aangezien het Sint-Barbaracollege door De Spaey uitvoerig besproken werd, lijkt het niet opportuun hier weer over uit te wijden. Het door haar opgehangen beeld van het college moet volstaan. Bovendien kan ik hieromtrent ook verwijzen naar de verschillende jubileumboeken die over het Jezuïetencollege verschenen zijn, in het bijzonder naar dat van 1958[5]. Eveneens de getuigenis van Van Hille[6] als het verslag van de jubelfeesten van 1933[7] geven de sfeer op het college weer. Ten slotte moet hier het boek van Brouwers[8] en de uitgave van het Gemeentekrediet[9] onder redactie van Jan De Block, vermeld worden die beiden handelen over de Jezuïeten te Gent.

 

Een specifieke vraag naar de taalproblematiek op het Sint-Barbaracollege wordt hier niet gesteld. Hoewel deze kwestie in de chronologisch door mij afgebakende onderzoeksperiode valt, verwijs ik hiervoor naar de reeds opgegeven werken. In het bijzonder vermeld ik hier ook het werk van Lieve Gevers[10] die specifiek op dit terrein onderzoek deed en hierover publiceerde aan de hand van documenten uit de kerkelijke archieven, waarbij ook specifiek aandacht geschonken wordt aan de positie van de Jezuïeten. Eveneens in het Liber Amicorum voor professor De Vroede[11] wijdt Gevers een stuk aan de Jezuïeten en de bisschoppelijke onderrichtingen inzake het taalgebruik in het middelbaar onderwijs.

 

De door mij gekozen periode, het interbellum, omvat een vijventwintigtal schooljaren zodat de te onderzoeken groep leerlingen zeer uitgebreid is. Het was voor mij tijdseconomisch niet haalbaar was om al deze jaargangen te onderzoeken. Daarom drong zich een verdere afbakening op. Ik heb ervoor geopteerd om drie schooljaren bij wijze van steekproef te onderzoeken en de resultaten als kenmerkend voor de gehele periode aan te nemen. De wijze waarop ik tewerk ging bij het onderzoek wordt in elk hoofdstuk uitvoerig uitgelegd. De verantwoording van de genomen steekproef zal ik hier alsnog uiteenzetten. .

 

Een eerste schooljaar werd gekozen niet lang na het einde van Wereldoorlog I, namelijk 1920-1921. Hierbij nam ik aan dat de directe gevolgen van de bezetting en bevrijding weggeëbd waren en de naoorlogse periode al vorm kreeg. Beredeneerd koos ik als tweede schooljaar het jaar 1938-1939 omwille van het feit dat dit het laatste volledige schooljaar was voor Wereldoorlog II en aldus de evolutie en trend van het interbellum kan typeren. Als extra argument kan ik opmerken dat men omwille van de Belgische neutraliteit niet noemenswaardig reageerde op de mobilisatie van Duitsland. De blitzkrieg kwam per definitie dan ook totaal onverwacht, zodat de onderzoeksresultaten hier niet door beïnvloed zijn. Het is dus aannemelijk om de gegevens van dit schooljaar te extrapoleren naar de jaren ervoor. Het laatste schooljaar dat ik in het onderzoek betrok, ligt logischerwijs in het midden van de twee gekozen uitersten. Dit derde onderzoeksjaar is dan ook 1929-1930.

 

2.2. Doelstelling en vraagstelling

 

Na de verantwoording van de keuze van de ruimte- en tijdsafbakening volgen nu de krachtlijnen van mijn onderzoek. De centrale intentie van deze studie is om na te gaan of de relatie school en maatschappij doorheen duidelijk te onderscheiden perioden wijzigt. Het is hierbij specifiek de bedoeling eventuele evoluties in sociale en geografische rekrutering van de leerlingen van het Sint-Barbaracollege vast te leggen en te typeren. Het overleven van scholen hangt immers af van de wisselwerking met de maatschappij. Bij een veranderende maatschappij zal niet aangepast onderwijs aan belang inboeten en verdwijnen. Als het onderwijs niet meer inspeelt op de behoeften en vraag van de maatschappij, verliest het zijn utilitaire functie. In deze optiek is het dan ook interessant na te gaan of een duidelijk gedefinieerde bevolkingsgroep van waaruit het Sint-Barbaracollege rekruteert, behouden blijft tijdens het interbellum of wijzigingen ondergaat. Krijgt de school met andere woorden een andere doelgroep of een andere functie?

 

Het lijvige werk van De Spaey[12] had als opzet na te gaan welke relatie er tussen het Sint-Barbaracollege en de negentiende-eeuwse maatschappij bestaat. Deze relatie werd onderzocht aan de hand van de sociale en geografische rekrutering van de retoricaleerlingen[13] gedurende enkele afgebakende tijdsblokken van tussen de drie en tien schooljaren. Dit was veruit het zwaartepunt van haar onderzoek. Als aanvulling op de sociale rekrutering berekende De Spaey ook de financiële draagkracht van de leerlingen van het internaat aan de hand van een kostenraming van alle aspecten die hierbij kwamen kijken. Om het aanbod van het college te schetsen maakte ze gebruik van schaarse gegevens over het studieprogramma, genootschappen en de academie op het college. Hiernaast deed De Spaey ook een poging om de leefwereld van de leerlingen te reconstrueren met gebruik van facultatieve lessen en ontspanningmogelijkheden of op basis van getuigenissen uit al dan niet gepubliceerde bronnen.[14]

 

In dit aanvullend onderzoek kan ik mij dus beperken tot de reconstructie van het sociaal-geografisch profiel van de leerlingen. Ik ga na uit welk deel van de bevolking het college rekruteert tijdens de twee wereldoorlogen. De vragen die hierbij antwoord verdienen zijn verbonden aan de bevindingen van het onderzoek van De Spaey. Blijft het Sint-Barbaracollege een Oostvlaams fenomeen en een stedelijk verschijnsel tijdens het interbellum? Maakt de lage middenklasse nog steeds het grootste deel van de rekruteringsgroep uit? Kunnen we uit de keuze van de rekruten voor de klassieke humaniora op dit specifieke college het streven naar opwaartse mobiliteit verder aflezen? Als dit de verwachting lijkt te zijn, correleert dit dan met het latere beroepsprofiel? Kiest men nog steeds in hoofdzaak voor de opleidingen in het recht of de geneeskunde? Of rekruteert het college onder de oud-leerlingen waarbij er misschien sprake kan zijn van sociale reproductie?

 

Op deze vragen tracht ik een antwoord te vinden zodat het rekruteringsprofiel in de tijd verlengd wordt en er eventuele evoluties in kunnen worden vastgelegd. Aldus kan ik nagaan of er een dynamiek of een verschuiving in het rekruteringsprofiel bestaat. Indien het rekruteringsprofiel een duurzaam gegeven is in de veranderende maatschappij, wat zegt dit dan over de verwachtingen en de positie van de doelgroep?

 

Deze scriptie valt uiteen in drie hoofdstukken, waarna een algemeen besluit volgt. In het eerste hoofdstuk wil ik inzicht krijgen in de geografische herkomst van de leerlingen die zich tijdens het interbellum op het Sint-Barbaracollege aanmelden om onderwijs te volgen. Kan hier dezelfde spreiding uitgetekend worden als voor de Eerste Wereldoorlog? In het tweede hoofdstuk zal ik nagaan uit welk milieu het Sint-Barbaracollege zijn retoricaleerlingen rekruteert tijdens het interbellum. De resultaten van dit onderzoek zullen dan ook vergeleken worden met de bevindingen van De Spaey betreffende de periode 1833-1914. Het derde hoofdstuk gaat in op het toekomstig beroep van de leerlingen, waarbij ik aandacht schenk aan de verschuivingen met het beroepsprofiel van de vaders. In ieder hoofdstuk wordt telkens de gevoerde methode aangegeven als het bronnenmateriaal die ik hiervoor heb aangewend. Het algemeen besluit tenslotte zet de bevindingen van het gevoerde onderzoek nog eens op een rijtje. Aangezien deze bijdrage aan de geschiedenis van het onderwijs klein van stuk is, geef ik slechts een aantal bescheiden suggesties voor mogelijk vervolgonderzoek binnen deze casus van het Sint-Barbaracollege.

 

 

HOOFDSTUK 1: DE GEOGRAFISCHE HERKOMST

 

1. Inleiding

 

Alvorens aan te vangen met de bespreking van de resultaten lijkt het me nuttig om eerst even de gevolgde werkwijze voor dit hoofdstuk nader toe te lichten. Hiervoor zal ik dieper ingaan op de vraag welke leerlingen uiteindelijk weerhouden werden voor dit onderzoek, op welke manier ik hen terugvond, om vervolgens uit de doeken te doen welke informatie dit mij concreet opleverde en hoe ik ermee omging.

 

Na de individuele bespreking per selectiejaar, zal ik de bekomen gegevens samenbrengen om aldus het geografische rekruteringsprofiel van het Sint-Barbaracollege tijdens het interbellum op te stellen. Dit profiel kan dan vergeleken worden met de periode tussen 1833 en 1914, de periode die reeds door Suzanne De Spaey onderzocht werd.

 

Tenslotte zal ik ook even ingaan op de resultaten van andere onderwijsinstellingen, voor zover deze bestudeerd zijn in voorgaande thesissen. Dit levert niet zozeer een kwalitatieve vergelijking op maar zet gewoon een aantal van deze geografische rekruteringsprofielen naast elkaar. Het vergelijken van deze onderzoeksgegevens brengt op zich manke conclusies met zich mee, doch plaatsen ze het college in een breder kader waarbij argumenten voor mogelijke verschillen kunnen worden aangegeven.

 

 

2. Methode

 

2.1. Opsporing van de data

 

Zoals reeds eerder uitgelegd in de probleemstelling, onderzoek ik de herkomst van de leerlingen van het Sint-Barbaracollege tijdens het interbellum. Dit gebeurt steekproefsgewijs aan de hand van drie bestudeerde schooljaren. De weerhouden schooljaren zijn 1920-1921, 1929-1930 en 1938-1939.

 

Voor het opsporen van de leerlingen die binnen de marge van de steekproefsgewijze benadering vallen, werd gebruik gemaakt van ‘naamlijsten’ uit het schoolarchief van het Sint-Barbaracollege. In tegenstelling tot de periode 1833-1914 waarbij Suzanne De Spaey[15] zich kon beroepen op een inschrijvingsregister, diende hier gebruik gemaakt te worden van losbladige naamlijsten per klas. De oorspronkelijke naamlijsten zijn handgeschreven en werden als basis gebruikt om de doelgroep samen te stellen. Hoewel bij deze lijsten enige transcriptie nodig was, genieten ze de voorkeur op latere getypte lijsten omwille van hun originaliteit. De geschreven lijsten bevatten namelijk alle leerlingen gedurende de eerste maanden van het jaar, in tegenstelling tot latere versies die afgehaakte en vertrokken leerlingen niet meer vermelden. De getypte exemplaren die losbladig of jaarlijks gebundeld zijn, zijn op hun beurt weer opgenomen in tienjaarlijkse bundels. Deze latere bundels werden uitgezuiverd waardoor de oorspronkelijke handgeschreven naamlijsten een schat aan informatie meer bevatten, zoals onder andere data van stopzetting van de studie. De naamlijsten stelden me in staat om drie groepen studenten te weerhouden waarnaar verder onderzoek gedaan werd. Het spijtige aan deze bron zijn de schaarse randgegevens die opgegeven zijn. Naast de klas en de naam, vermelden ze alleen de adresgegevens. Deze zijn consequent bijgehouden in tegenstelling tot informatie betreffende het regime waarin de leerling zich inschreef. Als deze regimevermelding opgenomen werd, beperkte ze zich tot een lettercode waarbij de P voor pensionnaire (kostschoolleerling), D voor demi-pensionnaire (eetmaalgebruikend leerling) en Q voor quartair (alleen schoollopend leerling) staan. De leerlingen die binnen de afbakening van de steekproef vielen, kregen een eigen ‘onderzoeksfiche’. Deze werd gedurende het onderzoek verder gecompleteerd in functie van de benodigde gegevens.

 

2.2. Verwerking van de data

 

Hoe ben ik nu met deze selectiejaren omgesprongen? De Spaey[16] vermeldt in haar werk dat de gegevens van de leerlingen dikwijls onvoldoende zijn om verder onderzoek naar hen te doen. Dit resulteert dan onvermijdelijk in een groot aantal onbekenden waardoor de resultaten onzinnig worden. Om dit tekort in de bronnen te omzeilen maakt ze in haar studie enkel gebruik van de retoricaleerlingen. Van de leerlingen die afstudeerden aan het college zijn meer gegevens bekend. Dikwijls gaven deze ook hun eventueel gewijzigde adres, verdere studiecarrière en latere beroepsuitoefening op aan de oud-leerlingenbond. In het driemaandelijks tijdschrift van de oud-leerlingenbond ‘Allegro Barbaro’[17], worden nog steeds personalia zoals geboorte, huwelijk en overlijden van de leden of de oud-leerlingen opgenomen. Deze bron is echter niet exhaustief zodat bij de samenstelling van het repertorium van de oud-leerlingen 1837-1985[18], men deze gegevens heeft moeten uitbreiden. Hiervoor werden honderden antwoordkaarten verzonden en werd diepgaand onderzoek verricht in het collegearchief. Aldus reconstrueerde de historicus Marc Beyaert klassenlijsten van de laatstejaarsstudenten met voor de laatste 50 jaar de recentste adressen en beroepsgegevens.[19]

 

Ook andere studenten baseerden zich in hun dissertatie op de afgestudeerde leerlingen van een jaargang. Ik wil hier onder andere Vic Blomme[20] vermelden die onderzoek deed naar de laatstejaarsstudenten van het Sint-Vincentiuscollege te Eeklo. Van belang bij zijn studie is het feit dat de door hem onderzochte periode eveneens tussen de twee wereldoorlogen ligt. Hetzelfde criteria voor dezelfde periode gebruikte ook Hugo Gielis[21], maar zijn onderzoek betreft de technische scholen van de Londenstraat in Antwerpen. Jan Daem[22] ten slotte baseert zich ook enkel op die leerlingen die afstudeerden aan het Koninklijk Atheneum te Gent tot
 

1914. Daem kon in zijn studie de vergelijking maken met de Gentse katholieke tegenpool het Sint-Barbara die reeds door de meermaals genoemde De Spaey onderzocht werd.

 

Enkel Danny Bauters[23] die als casus het Jozefietencollege te Melle koos, baseerde zich in zijn onderzoek op een ruimer criterium. Hij nam alle nieuw ingeschreven leerlingen in zijn onderzoek op. Deze werkwijze zorgt voor een alomvattend profiel van de leerlingen voor één schooljaar.

 

Vandaar dat ik dit laatste selectiecriterium ook hanteer in mijn onderzoek, in tegenstelling tot de werkwijze van mijn voorgangster betreffende het Sint-Barbara. Het idee hierbij is dat indien elk jaar alle nieuw ingeschreven leerlingen weerhouden worden, na verloop van een zestal jaar de volledige schoolpopulatie in het onderzoek zou betrokken zijn. Wat betreft mijn steekproefsgewijze benadering wil dit zeggen dat de nieuw gerekruteerde leerlingen van drie integrale schooljaren in het onderzoek werd opgenomen.

 

Het belang van het selectiecriterium ligt hem in de vaststelling dat op deze wijze effectief de rekrutering van tijdens het interbellum bestudeerd wordt. Indien we de retorica als uitgangspunt zouden hanteren, zouden we eigenlijk nog de vooroorlogse situatie weergeven. Hierbij krijgen we dan ook te maken met alle mogelijke toestanden door de oorlogs- en bezettingsperiode zodat dergelijke gegevens niet echt bruikbaar zouden zijn.

 

Hoe ging ik nu praktisch te werk, waar haalde ik mijn gegevens? Zoals uit de opsporingsmethode blijkt, bestaan er originele naamlijsten die bij inschrijving opgesteld werden en aangevuld gedurende het schooljaar. Op basis van deze lijsten werden de nieuw ingeschreven leerlingen in het schooljaar 1920-1921, 1929-1930 en 1938-1939 bepaald.

Hierbij werd geen rekening gehouden met de voorbereidende klas in 1920 en de toenemende leergangen in de ‘preparatoir’ later tijdens het interbellum. Ik zie deze voorbereidende klassen als afzonderlijk van het humaniora en neem ze dan ook niet op in dit onderzoek. Dit wil wel zeggen dat nieuw weerhouden leerlingen eigenlijk al een jaar of meer vroeger voor het college kunnen gekozen hebben.

 

Met andere woorden het gros van de weerhouden leerlingen komt uit de ‘sixième’, het huidige 1ste middelbaar. Hierbij werd nagegaan welke leerling het jaar ervoor ook ingeschreven werden maar bleven zitten. Zij werden niet in het onderzoek betrokken, omdat zij eigenlijk tot de selectie van het voorgaande jaar zouden behoren. Bovenop deze meest voor de hand liggende groep leerlingen werden ook de hogere jaren onderzocht op nieuw ingeschreven leerlingen. Dit kon aan de hand van vergelijking met het voorgaande schooljaar. Hierbij diende de voorgaande jaargang genomen te worden om de geslaagden te schrappen van de klassenlijsten van het selectiejaar. Daarnaast moest dezelfde graad nagekeken worden om de zittenblijvers te traceren en de hogere graad van het voorgaande jaar én het selectiejaar om leerlingen te ontdekken die dienden af te dalen in de jaargangen. Aldus bleven dikwijls enkele namen over op de klassenlijsten die bijgevolg als nieuw ingeschreven leerlingen voor het selectiejaar werden aanschouwd.

 

Op deze wijze stelde ik voor elk selectiejaar een groep studenten samen, die voor het eerst op het humaniora van het college les volgden. In deze groep zitten dus zowel diegene die slagen in de retorica, als deze die vroeger of later om wellicht diverse redenen afhaakten. De enige enkeling die hierbij niet opgenomen werd, was de persoon naast wie zijn naam vermeld stond dat hij nooit opdaagde op het college.

 

Van quasi al deze leerlingen werden adresgegevens teruggevonden in de klassenlijsten. Naast de naam is dit zowat de enige consequent bijgehouden vermelding. Deze adresgegevens werden overgenomen voor het onderzoek naar de geografische herkomst van de leerlingen. Het betreft hier dus de adressen opgegeven bij intrede op het college, op het eigenlijke moment van de rekrutering weergegeven in de inschrijvingsgegevens.

 

 

3. Geografisch herkomstprofiel

 

3.1. Het schooljaar 1920-1921

 

Het eerste schooljaar dat voor dit onderzoek geselecteerd werd is 1920-1921. Volgens de hierboven beschreven selectiemethode werden alle leerlingen opgespoord die zich dit jaar zich voor het eerst in het humaniora van het Sint-Barbara inschreven. In totaal werden aldus tweeënzeventig leerlingen in aanmerking genomen voor deze doorsnede van de schoolpopulatie.

 

De geografische herkomst van deze leerlingen werd statistisch verwerkt. De resultaten voor deze jaargang zijn weer te vinden op de volgende pagina. Voor deze resultatenweergave verkoos ik de leerlingen eerst volgens provincie in te delen, waarbij de totaalcijfers voor die provincies absoluut en procentueel weergegeven werden. Onder deze provinciale indeling werden de opgegeven steden en gemeenten dan alfabetisch gerangschikt met telkens de corresponderende herkomstquota. Al deze cijfers werden absoluut aangeduid, want deze geven een direct inzicht in het aantal leerlingen dat van de bijhorende plaats afkomstig is. Zij geven snel inzicht in het absolute belang van de herkomstlocatie. De procentuele cijfers bij elke provincie geven dan weer het relatieve belang ervan weer in functie van het totale aantal leerlingen voor het betreffende selectiejaar.

 

Het spreekt voor zich dat dezelfde statistische verwerking ook in de volgende delen gebruikt zullen worden, die respectievelijk het schooljaar 1929-1930 en 1938-1939 zullen behandelen. Maar eerst zullen we hieronder het schooljaar 1920-1921 bespreken, kortweg aangeduid als het jaar 1920.

 

Voor we de meer belangrijke resultaten voor het jaar 1920 bespreken, wil ik even wijzen op het aantal onbekenden in dit onderzoek dat 2,8 procent bedraagt. Dit is een marginaal aandeel in het totaal en het gaat hier eigenlijk over slechts twee leerlingen. Beide leerlingen schreven zich tijdens het jaar op het college in maar volgden slechts enkele weken of maanden de lessen. Beiden werden zonder adresvermelding op de klassenlijst bijgekrabbeld, met de enige vermelding dat ze weer vertrokken waren.

 

Tabel 1: Geografisch herkomstprofiel van het schooljaar 1920-1921

Provincie

Gemeente/Stad

Aantal leerlingen

 

 

Abs.

%

 

 

 

 

Antwerpen

 

2

2,8

 

Antwerpen

2

 

 

 

 

 

Brabant

 

1

1,4

 

Brussel

1

 

 

 

 

 

Oost-Vlaanderen

 

57

79,2

 

Aalter

1

 

 

Eke

1

 

 

Ertvelde

1

 

 

Evergem

1

 

 

Gent

31

 

 

Gentbrugge

3

 

 

Hamme

1

 

 

Ledeberg

1

 

 

Melle

1

 

 

Oudenaarde

1

 

 

Schelderode

1

 

 

Sint-Amandsberg

6

 

 

Sint-Gillis-Waas

1

 

 

Sint-Niklaas

1

 

 

Wetteren

1

 

 

Wondelgem

1

 

 

Zingem

2

 

 

Zomergem

1

 

 

Zottegem

1

 

 

 

 

 

West-Vlaanderen

 

10

13,9

 

Izegem

1

 

 

Koekelare

1

 

 

Kortrijk

3

 

 

Oostende

1

 

 

Vlameringe

1

 

 

Waregem

2

 

 

Wervik

1

 

 

 

 

 

Onbekend

 

2

2,8

 

 

 

 

 

Bij de provincies en hun aandeel in het totaal neemt Oost-Vlaanderen met 79,2 procent overduidelijk de belangrijkste plaats in. In veel mindere mate komen de leerlingen van West-Vlaanderen met een totaal van 13,9 procent. Ook Antwerpen en Brabant zijn in het rekruteringsprofiel voor dit schooljaar aanwezig, maar met een verwaarloosbaar aantal. Antwerpen kent twee rekruten en Brussel 1, waarbij opgemerkt moet worden dat de twee leerlingen uit Antwerpen broers zijn en bijgevolg uit hetzelfde gezin afkomstig zijn. Voor de twee laatste provinciale hoofdsteden is er dus maar telkens één gezin die zijn kinderen op het Sint-Barbaracollege laat schoollopen.

 

In Oost-Vlaanderen valt onmiddellijk de positie van Gent op met een absoluut cijfer van éénendertig op tweeënzeventig leerlingen. Reken hierbij de drie leerlingen afkomstig van de randgemeente Gentbrugge plus de zes leerlingen met origine in Sint-Amandsberg en we komen op een totaal van veertig leerlingen met geografische herkomst uit Gent of zijn onmiddellijke randgemeenten. Dit is dus meer dan de helft van de in aanmerking genomen groep. Tellen we hierbij de gemeenten op een boogscheut afstand van Gent zoals: Eke, Ertvelde, Evergem, Ledeberg, Melle, Schelderode, Wondelgem en Zomergem, dan komen we aan acht leerlingen meer die in de nabijheid van Gent woonden. Voor de rest zijn nog acht andere stadjes of gemeenten uit Oost-Vlaanderen vertegenwoordigt maar dit telkens met één leerling of in het geval van Zingem met twee broers uit hetzelfde gezin.

 

Ook West-Vlaanderen valt onder te verdelen in een zestal herkomstplaatsen waar telkens één leerling vandaan komt of in het geval van Waregem weerom twee broers uit één gezin. Ook in deze provincie neemt het stedelijke centrum Kortrijk met drie leerlingen een groter aandeel in het provincietotaal in.

 

We kunnen dus concluderen dat voor het jaar 1920 de leerlingen hoofdzakelijk uit de provincie Oost-Vlaanderen afkomstig zijn. Binnen deze provincie is er een overwicht van de stad Gent, zijn onmiddellijke rand en naburige gemeenten. Ver achter deze koploper in provinciale herkomst volgt West-Vlaanderen.

 

3.2. Het schooljaar 1929-1930

 

In dit deel bespreken we het schooljaar 1929-1930, dus ruwweg gaat het hier over de leerlingen die zich nieuw inschreven op het humaniora in de tweede helft van het jaar 1929.

 

Voor deze onderzoeksperiode konden we 62 leerlingen in aanmerking nemen als nieuwe rekruten voor het college. Hoewel dit aantal lager ligt dan in het schooljaar ’20-’21, mogen we hier niet zonder meer uit besluiten dat de schoolpopulatie daalde. Dergelijke gegevens moeten in een breder perspectief gezien worden. In het kader van dit onderzoek maakte ik uit tijdsoverweging geen telling van alle schooljaren in het interbellum. Hoewel het interessant kan zijn om de evolutie te schetsen van het totale aantal nieuwe rekruten op het college gedurende de opeenvolgende jaren, werd dit werk dus niet verzet. Hier moeten we dus vertrouwen op de leerlingenevolutie die opgemaakt is aan de hand van de afgestudeerden en ergens anders in dit boek weergegeven is. Indien dergelijke telling ooit zou gemaakt worden, lijkt het mij interessant na te gaan of deze twee evoluties parallel lopen of we eventueel kunnen constateren dat het slaagpercentage stijgt of daalt in de loop der tijd en wat hiervan de reden kan zijn.

 

 Ook in dit tweede onderzochte jaar valt het overwicht van de provincie Oost-Vlaanderen op, met een vergelijkbaar procentueel cijfer van 80,7. West-Vlaanderen levert een min of meer zelfde aantal rekruten aan het college als in de vorige onderzochte periode. Net zoals in 1920 komt hier één enkeling uit de provincie Antwerpen en ook hier liep een leerling tijdelijk school zonder adresgegevens na te laten.

 

De stad Gent waar tevens het college gevestigd is springt weer dadelijk in het oog bij de provincie Oost-Vlaanderen. Maar liefst 33 leerlingen kiezen voor het college in eigen stad, terwijl randgemeenten zoals Ledeberg, Sint-Amandsberg en Sint-Denijs-Westrem ook telkens een nieuwe rekruut opleveren. Naast verder afgelegen plaatsen in de provincie komen weer dorpen uit de ruime regio van Gent voor zoals Evergem, Lovendegem, Melle, Nazareth, Vinderhoute, Wachtebeke en Wondelgem. We kunnen dus stellen dat zowat drieënveertig van de tweeënzestig rekruten op fiets- of wandelafstand van het college woont.

 

Voor de dorpen uit West-Vlaanderen waar twee leerlingen van afkomstig zijn, valt hier weer op te merken dat het hier over broers gaat, die in mijn tellingen apart zijn opgenomen.
 

Tabel 2: Geografisch herkomstprofiel van het schooljaar 1929-1930

Provincie

Gemeente/Stad

Aantal leerlingen

 

 

Abs.

%

 

 

 

 

Antwerpen

 

1

1,6

 

Lier

1

 

 

 

 

 

Oost-Vlaanderen

 

50

80,7

 

Baasrode

1

 

 

Beveren (Waas)

1

 

 

Bottelare

1

 

 

Evergem

1

 

 

Gent

33

 

 

Geraardsbergen

1

 

 

Ledeberg

1

 

 

Lokeren

1

 

 

Lovendegem

1

 

 

Maldegem

1

 

 

Melle

1

 

 

Nazareth

1

 

 

Olsene

1

 

 

Sint-Amandsberg

1

 

 

Sint-Denijs-Westrem

1

 

 

Vinderhoute

1

 

 

Wachtebeke

1

 

 

Wondelgem

1

 

 

 

 

 

West-Vlaanderen

 

10

16,1

 

Aarsele

2

 

 

Gistel

1

 

 

Ieper

1

 

 

Meulebeke

1

 

 

Oostkamp

1

 

 

Veurne

2

 

 

Waregem

2

 

 

 

 

 

Onbekend

 

1

1,6

 

 

 

 

 

3.3. Het schooljaar 1938-1939

 

In dit derde en laatste onderzochte jaar gaan we dus weerom na van waar de nieuw aangetrokken leerlingen afkomstig zijn op het moment van inschrijven. In deze afgebakende periode zijn er maar liefst honderdenelf nieuwe inschrijvingen op deze onderwijsinstelling.

 

Het overwicht van de provincie Oost-Vlaanderen betreffende de geografische herkomst van deze schoolgaande jongeren is groot. Met een totaal van 98 Oost-Vlamingen maken zij 89,1 procent van de nieuwe schoolbevolking uit. West-Vlaanderen komt weerom ver achterop met 9 leerlingen, terwijl de provincie Antwerpen drie jongens uit twee gezinnen naar het college zendt. In dit jaar zijn er geen lacunes in de adresgegevens van de geselecteerde leerlingen, zodat de resultaten hier honderd procent de conclusies dekken.

 

Als we de verdeling van deze groep over de steden en gemeenten van de betreffende provincies bestuderen, kunnen we ook hier vaststellen dat er een trits plaatsen één jongere dit schooljaar naar het Sint-Barbara stuurt, met de blijvende opmerking dat duo’s in vele gevallen uit dezelfde familiale kring komen. Ook hier komt het hoge cijfer van in Gent wonende eerstejaars – zesdejaar? – op de voorgrond. Naast deze 66 Gentenaars zijn ook de in de omgeving liggende gemeenten Evergem, Gentbrugge, Lochristi en Sint-Amandsberg, met 9 leerlingen ruimer vertegenwoordigd dan de meer afgelegen provincieplaatsen. Als we weerom de dorpen in de nabijheid van Gent in ogenschouw nemen zoals Drongen, Ledeberg, Merelbeke, Nazareth, Oostakker, Sint-Denijs-Westrem en Wondelgem, dan komen we tot 7 leerling extra die woonachtig zijn in een grote kring rond Gent in plaats van in de buurt van andere provinciesteden. Als we deze cijfers optellen komen we tot tweeëntachtig leerlingen uit Gent en zijn ruime omgeving, wat toch het overgrote deel van het totaal is.

 

 Voor de derde maal kunnen we dus besluiten dat het college zijn leerlingen hoofdzakelijk uit in de eigen provincie haalt. Bovendien is het overgrote deel van deze nieuwe lichting leerlingen woonachtig te Gent of in de ruime kring gemeenten rond deze stedelijke kern. Een kleinere groep nieuwe leerlingen is afkomstig van West Vlaanderen terwijl de provincie Antwerpen toch nog drie leerlingen naar deze Gentse school stuurt. De andere Belgische en Vlaamse provincies blijven hierin achterwege.

 

Tabel 3: Geografisch herkomstprofiel van het schooljaar 1938-1939

Provincie

Gemeente/Stad

Aantal leerlingen

 

 

Abs.

%

Antwerpen

 

3

2,7

 

Bornem

1

 

 

Westerlo

2

 

Oost-Vlaanderen

 

98

89,1

 

Aalst

1

 

 

Aalter

1

 

 

Astene

1

 

 

Drongen

1

 

 

Eeklo

1

 

 

Evergem

2

 

 

Gent

66

 

 

Gentbrugge

2

 

 

Hamme

1

 

 

Ledeberg

1

 

 

Lochristi

2

 

 

Maldegem

1

 

 

Meerdonk

1

 

 

Merelbeke

1

 

 

Nazareth

1

 

 

Nederbrakel

1

 

 

Oostakker

1

 

 

Ophasselt

1

 

 

Oudenaarde

1

 

 

Overmere

2

 

 

Ruien

1

 

 

Sint-Amandsberg

3

 

 

Sint-Denijs-Westrem

1

 

 

Wetteren

1

 

 

Wichelen

1

 

 

Wondelgem

1

 

 

Zaffelare

1

 

West-Vlaanderen

 

9

8,2

 

Brugge

2

 

 

Deerlijk

1

 

 

Geluwe

1

 

 

Kortrijk

1

 

 

Lichtervelde

1

 

 

Meulebeke

1

 

 

Roeselare

1

 

 

Wakken

1

 

 

 

4. Besluit

 

Aan de hand van deze steekproef, waarin voor het interbellum de totale schoolpopulatie van drie geselecteerde schooljaren uitgevlooid werd op de nieuwe rekruten van de humaniora van het Sint-Barbaracollege, kunnen we vaststellen dat de geografische rekrutering voor deze in aanmerking genomen jaren een gelijklopend profiel oplevert.

 

In de procentuele overzichtstabel hieronder zien we per jaar het aandeel van de verschillende provincies die in de geselecteerde groepen vertegenwoordigd zijn.

 

Tabel 4: Overzichtstabel van de geografische rekrutering

Inschrijvingsjaar

Antw.

Brab.

O-Vl.

W-Vl.

 

 

 

 

 

1920-1921

2,8

1,4

79,2

13,9

1929-1930

1,6

0

80,7

16,1

1938-1939

2,7

0

89,1

8,2

 

We kunnen hierbij onomstotelijk vaststellen dat de primaire rekruteringsprovincie voor het Sint-Barbaracollege Oost-Vlaanderen is. Van minder belang is West-Vlaanderen, die toch nog een ruwweg een tiende van de nieuwe leerlingen levert. Antwerpen en Brabant zijn vertegenwoordigd maar hebben geen grote invloed op de totalen.

 

Hoewel het eigenlijk niet gepermitteerd is op basis van deze schaarse gegevens, wil ik toch opmerken dat het aandeel van de provincie Oost-Vlaanderen stijgt ten nadele van West-Vlaanderen en dit naarmate het interbellum verstrijkt. Dit kan wijzen op de democratiseringstendensen in het onderwijs waarbij meer lokale onderwijsinstellingen ontstonden.

 

Naast het overduidelijke belang van Oost-Vlaanderen voor de geografische herkomst van de nieuwe leerlingen, moet hier ook het belang van Gent onderlijnd worden. In de drie uitgevlooide jaren komt de vestigingsstad van het college onomstotelijk op de voorgrond. Hierbij kunnen we ook de gemeenten in de directe rand van Gent of deze die iets verderaf liggen, vermelden als substantieel rekruteringsgebied.

 

 

5. Vergelijkende studie met de periode 1833-1908

 

Suzanne De Spaey[24] concludeert dat voor de twee eerste schooljaren 1833-1834 en 1834-1835, het college mensen uit de naaste omgeving rekruteert. Dit wil zeggen uit de stad Gent zelf of uit de omliggende plaatsen in de provincie Oost-Vlaanderen. Hoewel haar aandeel onbekenden veel groter is dan in mijn onderzoek, komt ze tot cijfers in dezelfde grootorde van deze uit mijn onderzoeksjaren. Voor de twee eerste collegejaren komt 84,30 procent van de retoricaleerlingen uit Oost-Vlaanderen en maar liefst 68,60 procent zijn ingeschreven als woonachtig te Gent. Het college was dus met andere woorden van in het begin een Gents verschijnsel.

 

Ook uit de latere tijdsblokken waarin ze de nodige gegevens vergaarde blijkt dit profiel bestendigd. De tijdsblokken die hiervoor in aanmerking genomen werden zijn 1836-39, 1844-47, 1851-59, 1860-70, 1870-80, 1880-89 en 1892-1908. De meeste jaren uit de periode voor de eerste wereldoorlog zijn dus in dit onderzoek opgenomen. De reden dat andere jaren niet opgenomen werden, ligt in het feit dat de bronnen voor die periode geen volledige informatie verschaffen. Het totaal aantal leerlingen dat in haar onderzoek betrokken ligt in dezelfde grootorde van de hier door mij onderzochte groep. De reden hiervan is dat in de negentiende eeuw de schoolpopulatie en dus ook het aantal afgestudeerden kleiner is. Omdat ze geen verdere opsporingsarbeid verrichtte naar ontbrekende gegevens in bijvoorbeeld de akten van de burgerlijke stand, komt ze wel tot een groot aantal niet gekende gegevens. Als ik er een gemiddeld percentage van maak zit ze voor de onderzochte periodes tot aan een aandeel van 22,65 procent onbekend. Dit is nog geen kwart van het totaal maar toch significant genoeg om op basis hiervan sluitende conclusies te betwijfelen. Dit gegeven merkte ook Jan Daem[25] op in zijn studie naar het Koninklijk Atheneum Gent. Hij ervoer dit hoge aantal in vergelijking met zijn percentage onbekenden van 5 procent, als een probleem om de twee scholen met elkaar te vergelijken. Daem stelt ‘Dit hoge aantal onbekenden zou misschien, indien ze wel bekend waren, duidelijke verschillen tussen beide scholen kunnen aantonen.’

 

Het aandeel ‘onbekend’ is in mijn onderzoek naar de geografische herkomst van de leerlingen miniem. Dit wil zeggen dat het profiel van de nieuwe rekruten een goede weergave is deze historische situatie. Aangezien dit Oost-Vlaams profiel en Gents fenomeen correleert met de resultaten van De Spaey, kunnen we het belang van het aandeel onbekend in haar onderzoek relativeren. Wellicht zou de groep onbekenden een niet noemenswaardig afwijkende herkomst opleveren.

 

We kunnen dus stellen dat het geografische rekruteringsprofiel van de retoricaleerlingen uit de negentiende eeuw hetzelfde is dan dat van de nieuwe rekruten tijdens het interbellum. Het Sint-Barbaracollege blijft doorheen de tijd dus een lokaal fenomeen. De voor de hand liggende reden hiervoor werd al door Suzanne[26] naar voor geschoven en ligt in een goede spreiding van de Jezuïetencolleges in Vlaanderen. Zo kende Oost-Vlaanderen nog het Sint-Jozefscollege te Aalst, was er een gelijknamig college te Turnhout, hadden de Jezuïeten maar liefst drie onderwijsinstellingen in Antwerpen en ook het Sint-Jan Berchmanscollege in Brussel genoot grote faam.[27] Het was met andere woorden niet nodig je zoon ver weg te sturen om hem de vorming van het geroemde Jezuïetenonderwijs mee te geven.

 

Dezelfde vaststelling kunnen we maken voor het Koninklijk Atheneum van Gent dat voor de periode 1850-1941 door Daem[28] ook als een Oost-Vlaams en Gents fenomeen gekenmerkt word. Ook hier kunnen we opmerken dat de athenea een ruime landelijke spreiding hadden.

 

Hetzelfde merkt ook Vic Blomme[29] op in zijn studie naar het Sint-Vincentiuscollege te Eeklo. Hij stelt vast dat de geografische herkomst van de leerlingen voor het college zich hoofdzakelijk beperkt tot het Meetjesland en dus een lokaal gegeven is. De verklaring hiervoor zoekt hij ook in de spreiding van de onderwijsinstellingen naar hun type. Hij vermeldt dat er van de bisschoppelijke colleges zoals het Sint-Vincentius meerdere per provincie zijn. Daardoor vormen ze dus een lokaal gegeven.

 

Een college met een minder plaatselijk karakter vinden we in dat van de Jozefieten. Bauters Danny[30] constateerde dat er op het college te Melle grote aantallen studenten afkomstig waren uit Frankrijk, Nederland, Duitsland en Groot-Brittannië, met verhoudingen tot veertig procent van het totale aantal nieuwe inschrijvingen. Dit opmerkelijke cijfer verklaart hij door de uitzonderlijke infrastructuur die het college aanbood in zijn handelsafdeling. Aangezien de buitenlanders bijna uitsluitend voor deze afdeling kozen ziet Bauters de aantrekkingskracht van dit college in zijn unieke labo’s en een hoogstaand taalonderricht door buitenlandse leerkrachten. De rekrutering lijkt hier dus gebaseerd op een unieke kwalitatieve positie op onderwijsvlak, die niet weerspiegeld werd in een uitgebreid netwerk van soortgelijke instellingen. Bauters geeft namelijk in zijn inleiding[31] aan dat de congregatie ook scholen oprichtte in Geraardsbergen, Roborst, Halle, Maldegem, Brussel en Leuven. Dit college van Melle is dus een voorbeeld van een rekruteringsprofiel dat bepaald wordt door specifieke kwaliteitskenmerken inzake het aangeboden onderwijs.

 

 

HOOFDSTUK 2: DE SOCIALE HERKOMST

 

1. Inleiding

 

In het vorige hoofdstuk werden alle nieuwe rekruten van de onderzochte jaren weerhouden om het geografische rekruteringsprofiel van het Jezuïetencollege tijdens het interbellum op te maken. Dit was mogelijk omdat de klassenlijsten die hiervoor als bron gebruikt werden, voor net niet alle leerlingen de adresgegevens vermelden. Hierdoor gaf het geen probleem om de volledige groep nieuwe leerlingen in de geografische studie op te nemen. Het profiel dat opgesteld werd, houdt dus rekening met zowel de leerlingen van de onderzoeksgroep die succesvol de collegedeuren achter zich sloten, als met deze die wellicht om tal van redenen het college verlieten nog voor ze de normale zes jaar hadden afgerond. Voor het sociale profiel is deze inclusieve benadering niet wenselijk noch mogelijk geweest.

 

Het methodische bezwaar ligt hem in het feit dat veel van die nieuwe scholieren slechts tijdelijk de lessen op het college frequenteerden. Getuige hiervan zijn de talloze bijschriften in het eerste jaar maar ook, weliswaar in afnemend aantal, in volgende leerjaren. Het bijschrift geeft dikwijls de tijdsindicatie ‘pâques’ of ‘nouvelle an’ aan als het moment waarop de leerling zijn studies aan het college stopzette. Veelal beperkt het zich ook tot de simpele vermelding ‘parti’ of in andere gevallen is de naam gewoonweg doorstreept.

 

Er zijn met andere woorden veel afhakers die het studieverloop aan het college niet succesvol hebben afgerond. Naar de reden van hun vertrek werd geen verder onderzoek verricht omdat we hier van een selectieproces kunnen uitgaan. De Spaey stipte deze selectie in haar studie ook reeds aan voor de negentiende eeuw[32]. Omdat ik hier weinig zicht heb op vergelijkbare cijfers uit andere onderwijsinstellingen kan ik naast persoonlijke motieven enkel verwijzen naar het streven van de Jezuïeten naar kwaliteitsonderwijs en –opvoeding[33]. Hiertoe legden ze de lat hoger dan gemiddeld en verwachtten van de leerlingen grote inzet, uitmuntendheid en wedijver om te slagen in de vereisten van hun onderwijs. Zodoende kwam men tot een selectie van de leerlingen, wat ook blijkt uit het hoge aantal zittenblijvers in zowel de groep die het Sint-Barbara als geslaagden verlaten als bij deze die hun studies hier stopzetten. Het is ook opmerkelijk dat verschillende studenten zelfs meermaals jaren dienden te bissen.

 

Het spreekt voor zich dat leerlingen die slechts tijdelijk op dit college onderricht kregen niet bepalend zijn voor de samenstelling van de collegegroep. Noch zal het college in de leefwereld van die ‘drop-outs’ de kans gekregen hebben om er fundamenteel deel van uit te maken en een diepe indruk op hun persoonlijkheid achter te laten. Hoewel ze dus enige tijd deel uitmaakten van de collegepopulatie acht ik ze dus minder belangrijk om het sociale herkomstprofiel van de leerlingen te bepalen. Onvermijdelijk kom ik hier dus net als in enkele van de eerder genoemde soortgelijke onderzoeken bij de laatstejaars van het Sint-Barbara terecht.

 

Een praktisch argument dat bij deze herdefiniëring van de onderzoeksgroep belangrijk werd, vormt het gebrek aan voorhanden zijnde aanknopingspunten. Bij de leerlingen die voortijdig hun studie aan deze onderwijsinstelling beëindigden ontbreken verdere gegevens over de nieuw ingeslagen weg. Enkele pogingen om deze leerlingen verder te traceren waren meestal weinig succesvol en zou een te groot aantal onbekenden opleveren. Daarom leek het mij onzinnig dit onderzoeksluik verder te completeren en er het vele verdere onderzoekswerk naar te verrichten. Vandaar dat ervoor gekozen werd om het sociale profiel van de leerlingen zowel naar herkomst als in een volgend hoofdstuk naar hun toekomst enkel op te stellen op basis van die leerlingen uit de drie inschrijvingsjaren die ook effectief aan het college afstudeerden.

 

In de volgende delen van dit hoofdstuk zal ik eerst de gevolgde methode bespreken. Hierin geef ik weer welk criterium ik gebruikte om het sociale profiel van de leerlingen te bepalen en op welke wijze ik de gegevens die hiervoor nodig waren, achterhaalde.

 

Daaropvolgend geef ik de resultaten van mijn onderzoek naar het sociale herkomstprofiel van de nieuwelingen uit de onderzochte inschrijvingsjaren. Achtereenvolgens bespreek ik elk profiel afzonderlijk om te eindigen met een typering van het interbellum waarin de belangrijkste tendensen opgenomen zijn.

 

Ik rond dit hoofdstuk besluitend af met de vergelijking van het sociale profiel tijdens het interbellum en datgene dat opgesteld is voor de periode vóór de eerste wereldoorlog.

 

 

2. Criterium voor de bepaling van de sociale afkomst

 

Er bestaan verschillende benaderingen om het profiel van sociale afkomst te bepalen. Uiteindelijk komt het hier telkens neer op een sociale stratificatie, wat een indeling van de maatschappij in een zekere hiërarchie veronderstelt. De criteria die hiervoor gebruikt worden zijn divers en worden soms wisselend toegepast. Naar deze studie toe wil dit zeggen dat nagegaan wordt uit welke sociale groep(en) het Sint-Barbaracollege tijdens het interbellum haar leerlingen rekruteert.

 

In het werk van Audoore, Matthysen en Philips[34] vinden we een uitwerking en bespreking van de verschillende indelingssystemen waarbij ze twee verschillende benaderingen van de sociale stratificatie vooropstellen. Het gaat hier gewoon over een meer- en enkelvoudige benadering. In de multidimensionele benadering doet men beroep op criteria uit verschillende maatschappelijke domeinen zoals familie, inkomen en macht. In de unidimensionele benadering gaat men één enkelvoudige indicator gebruiken om mensen volgens een bepaalde rangorde in te delen waarbij het beroep veruit de best meetbare indicator van sociale rang is voor de industriële samenleving.

 

In dit opzicht kan ik de door mij gevolgde methode indelen bij de unidimensionele benadering. Er werd door mij immers geen onderzoek verricht naar het sociale domein van de samenleving, waarbij ik de onderzochte groep indeel volgens bijvoorbeeld hun familie en hun levenswijze. Dit lijkt mij uiterst langdurig werk waarbij je veeleer de garantie hebt veel onbekenden te vinden. Ik kan hier echter wel vermelden dat tijdens het interbellum meermaals leerlingen met adellijke familienaam op het college ingeschreven stonden. Suzanne De Spaey ondernam in haar studie over het college wel een poging om de levenswijze van de internen te analyseren[35]. Voor dit onderdeel uit de schoolpopulatie onderzocht ze de vrijetijdsbesteding, waarbij ze aan de hand van onder andere het voorkomen van ruiterij en schermen sociale klassen verbond. Voor het interbellum zijn er geen dergelijke bronnen teruggevonden, noch zouden ze inzicht geven in de totale doelgroep.

 

Ook wat betreft het politieke domein lijkt het mij onbegonnen werk macht en status van de ouders van de nieuwe leerlingen uit het interbellum te gaan onderzoeken. Ook hier dreigt namelijk een vertekend beeld verkregen te worden op basis van enkelingen die op dit vlak interessant materiaal zouden opleveren. Hierin werd dan ook geen tijd geïnvesteerd.

 

Zo blijft alleen de economische dimensie over waartoe het inkomen en beroep maar ook het genoten onderwijs behoren. Er blijven dus enkel criteria van dit ene maatschappelijke domein over. In de studies handelend over de negentiende en het begin van de twintigste eeuw kon men op vrij eenvoudige wijze vanaf een bepaalde ondergrens nagaan welk inkomen mensen hadden. Het cijnskiesrecht en het algemeen meervoudig stemrecht maakt het mogelijk mensen in te delen naar hun inkomen. Deze kiezerslijsten met data over personele belasting hielden op te bestaan bij de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen in 1919. Om deze reden kan dit criterium hier niet onderzocht worden.

 

Omdat hier onderzoek gedaan wordt naar de leerlingenpopulatie van het Sint-Barbaracollege, kan ik met het onderwijscriterium ook niet veel meer aanvangen. Wel kan ik hier kort de sociale dimensie van het college schetsen. In haar besluit stelt De Spaey dat ‘Het college zich voor de periode 1844-1914 tot een traditionele elite richt of een opkomende klasse die zich de waarden en beroepsverwachtingen van die klasse wil eigen maken.’[36] Op dezelfde pagina spreekt ze zich uit over de toekomstverwachtingen van de leerlingen van dit college: ‘Het onderwijs heeft hier dus een beslissende invloed op de levensverwachtingen van de collegejongens. Gestart met de ambitieuze houding van de ouders, wordt dit doel bereikt en bewerkstelligd door deze onderwijsvorm. Elementen zoals sociale en economische afkomst spelen hier ontegensprekelijk een rol.’ Het gevolgde onderwijs aan het Sint-Barbara kan dus naar rekrutering en doestelling elitair genoemd worden. In de periode van het interbellum waarin de leerplicht maar tot 7 jaar gold[37], was verder schoollopen ontegensprekelijk een weloverwogen beslissing die de grote massa uit gebrek aan inkomen niet kon nemen. Deze situatie deelde de samenleving dus op naar sociaal-economische mogelijkheden. Bovendien bood het Sint-Barbara tijdens het interbellum alleen maar de Latijn-Griekse afdeling aan. Dit klassieke humaniora was per definitie elitair en gaf de voorstanders voor de oprichting van de athenea één van hun voornaamste kritieken. Deze visie vinden we weer bij Sollie die deze kritiek samenvat als een ‘niet meer van deze tijd zijnde gesloten elite’[38]. Eveneens wijst deze auteur erop dat het klassieke humaniora erop gericht was een voorbereiding voor hogere studies te vormen en dit vanuit de tijdens het interbellum heersende gedachte dat het middelbaar onderwijs de toekomstige elite opleidt.[39]

 

Vandaar ook dat we dit laatste criterium, namelijk het gevolgde onderwijs, kunnen typeren door de leerlingen rudimentair in te delen in een bestaande sociale of een nieuwere economische elite.

 

Dit is echter mijn vraagstelling niet. Ik ben meer geïnteresseerd in de vraag of dit profiel wijzigt in de loop van de tijd. Hebben periodes die algemeen maatschappelijk gekenmerkt worden door verandering hun weerslag op elitaire onderwijsinstellingen? Welke invloed kunnen we hierbij aflezen uit het sociale rekruteringprofiel van de leerlingen? Dus niet alleen de schralere onderzoeksmogelijkheden maar ook de eigen vraagstelling beperkt mij hier in de unidimensionele benadering los van het bredere beeld dat hier kort uitgewerkt is. Ik zal hier dus enkel nagaan wat het beroep van de vader was bij geboorte of bij inschrijven aan de universiteit.

 

 

3. Methode

 

3.1. Opsporing van de data

 

In het voorgaande werd geargumenteerd waarom ik het beroep van de vader gebruik om inzicht te krijgen in de sociale herkomst van de doelgroep. In dit deel leg ik stap voor stap uit hoe ik dit opzoekingwerk heb uitgevoerd als hoe ik de bekomen gegevens verwerkt heb.

 

Als eerste stap werd de onderzoeksgroep uitgedund zoals in de inleiding van dit hoofdstuk uitgewerkt is. Hiertoe volgde ik elke leerling doorheen zijn studieloopbaan op het college. Dit betekent dat ik me eindeloos door steeds wisselende klassenlijsten van verschillende jaargangen diende te worstelen. De gereconstrueerde studiehistoriek van de leerlingen op het college gebruikte ik verder niet maar ze leverde wel wijzigende adresgegevens en uiteraard het afstudeerjaar op. Op deze wijze kon ik de leerlingen die nooit hun middelbaar diploma op het college haalden, schiften van de verdere onderzoeksgroep die omwille van hun afstuderen wel weerhouden werd.

 

De personalia van de leerlingen werd dan verder aangevuld op basis van het ‘alfabetisch repertorium’ van de studenten aan de Universiteit van Gent. Deze grote inschrijvingsboeken bevatten per academiejaar een alfabetische lijst der studenten met vermelding van hun rolnummer. Voor sommige jaren diende bij gebrek aan dergelijke alfabetische opsommingen gebruik gemaakt te worden van soortgelijke inschrijvingsregisters op rolnummer. Hoewel de inschrijvingsregisters op rolnummer beduidend meer informatie gaven dan het alfabetische repertorium, zoals leeftijd, woonplaats van de ouders enz., was de beoogde informatiebron de oorspronkelijke inschrijvingsfiches[40] van de studenten. Deze losbladige fiches worden in opeenvolgende reeksen bewaard in archiefdozen. Deze fiches gaven de ultieme bevestiging dat de student in kwestie dezelfde was als de leerling van het Sint-Barbara. Hiervoor kon ik me baseren op adresgegevens en sporadische vermeldingen van de vorige school. Door deze fiches kon de studiehistoriek van de oud-leerlingen van het college min of meer gevolgd worden. In verschillende gevallen was ook het beroep van de vader opgenomen, zodat voor deze leerlingen de onderzoeksfiches volledig aangevuld waren. Vooral diegenen waar dit item niet bij vermeld stond, kon ik ofwel de exacte geboortedatum van de student overnemen ofwel het jaar van geboorte deduceren aan de hand van de opgegeven leeftijd.

 

Als tweede hogere onderwijsinstelling werd de Katholieke Universiteit van Leuven onderzocht op ‘Barbaristen’. In tegenstelling tot de Universiteit van Gent die wellicht omwille van de nabijheid een groot aandeel van de afgestudeerden aantrok, kunnen we voor Leuven het katholieke karakter naar voor schuiven als aantrekkingsargument. Hoewel er op deze universiteit veel minder oud-leerlingen van het college aanwezig waren, bleek uit het latere beroepsprofiel dat verscheidene van hen deel gingen uitmaken van de religieuze wereld.

 

Voor de studenten van de Katholieke Universiteit Leuven konden we ons niet beroepen op originele bronnen. Deze documenten zijn zoals gekend samen met de universiteitsbibliotheek door de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog in as opgegaan. Gelukkig konden we hier terugvallen op reconstructies in kopijvorm. Een groot deel van deze gekopieerde inschrijvingsfiches is alfabetisch in boekbundels samengebracht. Verschillende studenten die afstudeerden aan het college werden aldus toch weergevonden als student aan deze universiteit. Deze afgeleide bron maakte in tegenstelling tot de registers van de Universiteit van Gent consequent vermelding van het beroep van de vader van de ingeschreven studenten. Uiteraard vermeldde deze inschrijvingsbron ook de gevolgde studierichting(en).

 

Met de nog te completeren onderzoeksfiches kon ik de akten van de burgerlijke stand en de bevolkingsregisters raadplegen. Deze stap was ook bedoeld om het beroep van de vader van de leerlingen te achterhalen. Het gros van de leerlingen werd in de akten van de burgerlijke stand van Gent teruggevonden die telkens het beroep van de vader bij geboorte vermelden. Voor verscheidene anderen diende enkele andere gemeenten te worden bezocht waaronder Ledeberg, Lochristi, Nevele en Sint-Amandsberg. Het was niet evident om de registers van de burgerlijke stand te raadplegen daar het beleid geen inzage in deze akten toelaat voor de laatste 100 jaar. Met de juiste connecties, toestemming van mijn promotor en een toelating van de rechtbank van 1e aanleg slaagde ik er uiteindelijk in om zelf de geboorteregisters ter hand te nemen.

 

Voor de leerlingen die niet in Gent geboren werden, deed ik opzoeking in het archief van de dienst bevolking. Aangezien bijna alle leerlingen tijdens hun studie op het Sint-Barbara te Gent woonden, kon op basis van de achternaam de vader rechtstreeks opgezocht worden in de bevolkingsfiches. Deze fiches van de inwoners van Gent zijn voor de betreffende periode alfabetisch gerangschikt in fichebakken. Elke fichebak beschikt over een nummer en de naam van de eerste in rij. De fiches vermelden naam en beroep van de vader, zijn huwelijk(en) en naam van de echtgenote(s). Hieronder waren de fiches opgedeeld in twee kolommen waarin in de linkse kolom de kinderen werden genoteerd en in de rechterkolom de huisvestingshistoriek. Dit betekent dat voor deze stap alle naamgenoten - met dikwijls wijzigende spelling - werden bekeken om na te gaan of de leerling als zoon van één van hen opgeschreven stond. De selectiecriteria hierbij waren de naam van de zoon, de overeenkomst in adres en de aannemelijkheid op basis van leeftijdsstructuren. Op deze wijze kon het beroep van de vader voor niet in Gent geboren leerlingen van het Sint-Barbaracollege, achterhaald worden.

 

Door de laatste onderzoeksstap bleek ook de betrouwbaarheid van de adresgegevens uit de klassikale naamlijsten van het Sint-Barbara. Doordat bijna allen op deze manier teruggevonden werden, kunnen we ook aannemen dat de gegevens voor de leerlingen die niet in dit onderzoek naar de sociale achtergrond opgenomen zijn, accuraat zijn. Dit wil zeggen dat de vrees dat vele van deze opgegeven adressen de ‘woonst ter stede’ zijn, niet gegrond is. Er werden geen sporen van verblijfplaatsen bij familieleden of andere logiesverstrekkende personen tegengekomen. Deze vaststelling bij het sociale onderzoek pleit dus voor de accuraatheid van de basisgegevens bij het geografische onderzoek.

 

 Tot slot werden een aantal gegevens achterhaald door een specifiek mondelinge vraagstelling naar deze geïsoleerde gegevens. Concreet wil dit zeggen dat ik een paar van de in het onderzoek opgenomen leerlingen kunnen contacteren heb. In geval zij overleden waren, richtte ik mij tot hun verwanten zoals de weduwe, de zus of een zoon.

 

In dit onderzoek slaagde ik erin de beroepsaanduiding van de vaders van bijna alle leerlingen uit mijn onderzoeksgroep op te sporen. Slechts drie onbekenden bleven over op een onderzoeksgroep van 102 leerlingen gespreid over de drie geselecteerde schooljaren. Zoals kenmerkend in dit soort onderzoek bleven de vermeldingen voor de moeders van de leerlingen beperkt tot ‘zonder beroep’ of ‘huisvrouw’. Hiervan nam ik dan ook geen nota.

 

3.2. Verwerking van de data

 

 Zoals uitgestippeld zullen we hier de beroepsgegevens van de vader van elke geslaagde retoricaleerling uit de drie geselecteerde schooljaren in een zinnig verband moeten stellen. Hiervoor hebben we een beroepsclassificatie nodig die gedetailleerd genoeg is om het profiel uit mijn onderzoek in weer te geven als bruikbaar in functie van onderlinge vergelijking met de resultaten uit de periode 1833-1914. De analyse van de samen te stellen beroepsstructuur laat toe om tot een min of meer representatief beeld te komen van de economische activiteit van het milieu waaruit de leerlingen afkomstig zijn. Op basis van deze economische activiteit is het mogelijk het algemeen sociaal prestige van deze groep in te schatten en tot uitspraken te komen wat hun positionering op de sociale ladder betreft.

 

Er bestaan vele mogelijke beroepsclassificaties die voor verschillende doeleinden ontwikkelt zijn. Een poging tot weergave en bespreking van deze onderverdelingen is hier echter niet aan de orde. Het vertrekpunt bij deze classificatiekeuze ligt namelijk bij de onderverdeling die in de vorige studie toegepast werd en deze die in soortgelijk onderzoek gebruikt worden.

 

Suzanne De Spaey baseerde zich hiervoor op Patrick Harrigan[41] die een studie maakte over het Frans middelbaar onderwijssysteem rond 1860. Hij kon zich hiervoor baseren op de door Victor Duruy uitgevaardigde nationale enquête die interessant studiemateriaal voor Frankrijk opleverde. In zijn werk stelde hij een beroepsstructuur samen die sindsdien in verschillende werken over sociale herkomstopbouw toegepast werd. Zijn basisstructuur werd namelijk ook overgenomen en aangepast door Hugo Gielis[42], Patrick De Pree[43] en Jan Daem[44].

 

De structuurwijzigingen die deze auteurs doorvoerden zijn divers van aard. Naast het niet aanwenden van bepaalde categorieën werden er hier en daar extra onderverdelingen of subgroepen aan de structuur toegevoegd. Dikwijls stelde zich ook de vraag waar een bij
Harrigan niet opgenomen beroep het beste werd ingedeeld. Dat één en ander verwarrend is blijkt uit de structuur van De Spaey
[45] en Daem[46] waarin bijvoorbeeld militairen zowel bij de professionals als in een aparte categorie kunnen voorkomen. Zo zijn er ook nog andere eigenaardigheden te vinden.

 

Andere werken gebruiken andere beroepsclassificaties. Zo gebruiken Audoore, Matthysen en Philips[47] maar ook Danny Bauters[48] de beroepsindeling op basis van de beroepentelling van 1856. Deze indeling in beroepsklassen kreeg vorm bij de tweede algemene volkstelling in België waarbij men trachtte de beroepen in min af meer homogene groepen onder te brengen. Ook hier dienden de genoemde auteurs de structuur te wijzigen of aan te vullen in functie van hun tijdskader en onderzoeksgroep. Het gaat hier dus over een gedateerde indeling met enkele belangrijke tekorten zodat ik deze structuur niet functioneel acht voor mijn onderzoek.

 

Recentere werken maken ook van andere classificaties gebruik. Vooral in socio-demografische studies komen de indelingen van Eric Vanhaute[49] en deze weergevonden bij Jaspers en Stevens[50] meer voor. Deze indelingen zijn echter te ruim van opvatting want ze beogen de classificatie van de doorsnee bevolking.

 

Afgaande op het profiel van 1833-1914 over de sociale herkomst van de leerlingen van het Sint-Barbaracollege, kan ik stellen dat het merendeel van deze structuur niet bruikbaar zal zijn, terwijl het andere aan gespecificeerde onderverdeling mankeert. Om deze reden werd ook geen gebruik gemaakt van deze onderverdeling. Dit neemt echter niet weg dat voor andere onderwijsinstellingen met een meer doorsnee publiek deze beroepsstructuur bruikbaar is. Zo gebruikte Vic Blomme[51] de onderverdeling van Vanhaute in zijn werk over het Sint-Vincentiuscollege. Deze indeling was voor hem bruikbaar want hij constateert: ‘In de analyse van de verspreiding van de bestudeerde abituriëntenbevolking van het college van Eeklo over de economische activiteiten van de vaders, valt ons onmiddellijk op dat de abituriënten gerekruteerd werden uit verschillende beroepssectoren: de landbouw, de nijverheid, de diensten onderverdeeld in handel, bedienden en de restcategorie onderverdeeld in eigenaars, onderwijs en vrije beroepen.’[52] De hier gebruikte sectoriële verdeling – landbouw, nijverheid, diensten en rest - blijkt dus nuttig te zijn voor zijn casus. In ons geval echter zal de restgroep waarschijnlijk de hoofdmoot van de abituriënten[53] wat betreft hun sociale origine herbergen, zodat het geen zin heeft deze onderverdeling aan te wenden.

 

 Ik kan dus stellen dat het op zijn minst zinvol is de beroepenindeling van Harrigan aan te wenden als basis voor de structurering van de beroepsactiviteit van de vaders van de afgestudeerde leerlingen. Het mag hierbij ook al duidelijk zijn dat omwille van de onderlinge vergelijking tussen het beroepsprofiel van de vaders en het toekomstige beroepsprofiel van de zonen, dezelfde categorisering zal gebruikt worden in het hoofdstuk handelend over het latere beroepsprofiel van de leerlingen.

 

Indien dit noodzakelijk was, nam ik de aanvullingen en aanpassingen van De Spaey over met als bedoeling een zo congruent mogelijke vergelijkingsstructuur samen te stellen.

 

 In bijlage heb ik de data van de nieuwelingen[54] van de drie onderzochte schooljaren opgenomen voor eventuele verdere onderzoeksdoeleinden. Eveneens in bijlage zijn de tabellen[55] te vinden waarin de beroepsgegevens verwerkt zijn volgens de beroepenindeling van Harrigan.

 

In de hiernavolgende bespreking zal ik achtereenvolgens elk geselecteerd schooljaar bespreken aan de hand van samengevatte tabellen. Daarna breng ik de gegevens van deze drie steekproeven samen om een evolutiepatroon op te stellen, dat vervolgens gekoppeld wordt aan het profiel van de vóóroorlogse periode.

 

 

4. Sociaal herkomstprofiel

 

4.1. Het schooljaar 1920-1921.

 

 In 1920-1921 zaten 74 leerlingen op de schoolbanken van het eerste jaar. Tien ervan waren zittenblijvers en werden in dit onderzoek dus niet opgenomen, omdat ze volgen de logica van de steekproef bij het jaar 1919-1920 zouden horen. Naast de 64 leerlingen in het startjaar van de humaniora, werden er nog 8 leerlingen opgenomen die zich nieuw inschreven in de overige vijf studiejaren. Van deze 72 jongens haakten er zeventien nog in hetzelfde jaar af, acht in het tweede, zes in het derde, twee in het vierde en vijf in het vijfde middelbaar. Na deze meer dan halverende selectie blijven dus maar 34 leerlingen over die vroeger of later afstudeerden aan het college. Deze leerlingen maken hier de onderzoeksgroep uit.

 

Tabel 5: Sociaal herkomstprofiel van het schooljaar 1920-1921

Beroepsindeling

Abs.

%

Professionals

18

52,9

Eigenaar-rentenier

0

0

Business leader

10

29,4

Civil service

4

11,7

Peasant-farmer

0

0

Petit bourgeois

0

0

Military

2

5,8

Other

0

0

Onbekend

0

0

TOTAAL

34

100

 

Zoals mag blijken uit de onderstaande tabel komt 52,9 procent van de onderzoeksgroep uit het milieu van ‘professionals’. Het gaat hier hoofdzakelijk over notarissen, dokters, advocaten en in mindere mate over hoogleraren, apothekers, architecten en onderwijzers. Het aandeel van deze categorie is in de onderzochte groep rekruten het grootst. Er dient hier wel te worden opgemerkt dat bij deze groep twee maal twee zonen voorkomen. Zij werden dubbel geteld omdat zij binnen de schoolgemeenschap ook twee maal de waarden en normen van hun thuismilieu vertegenwoordigen. Voor de rekrutering wil dit zeggen dat er telkens een notaris en dokter minder zich aangesproken voelde om een zoon onderwijs te laten volgen op het Jezuïetencollege.

 

Een tweede belangrijke groep die vertegenwoordigd is zijn de ‘business leaders’. Tot deze groep rekenen we naast industriëlen en handelaars ook bankiers, handelsreizigers, verzekeringsinspecteurs, fabrikanten en zaakvoerders. Deze groep maakt net geen derde uit van de onderzoeksgroep.

 

Een derde categorie die met 11,7 procent in kleine mate voorkomt in het profiel voor het schooljaar 1920-1921, is de ‘civil service’. Bij deze groep gaat het over een arrondisements-commissaris die op een hoger niveau ingecalculeerd wordt dan de vrederechter, de ontvanger en de stationchef.

 

Een laatste groep die vermeld moet worden is het leger. Met een aandeel van 5,8 procent maken zij de kleinste groep uit in deze doorsnede. Het gaat hier concreet over een officier en een kapitein die beiden een zoon naar het Jezuïetencollege zonden.

 

In deze doorsnede kwamen dus geen onbekenden voor, noch zijn de eigenaars-renteniers, de landbouwers en de kleine burgerij van de partij.

 

 Als belangrijkste gegevens kunnen we dus het overwicht van de professionals constateren, met een aandeel van acht in de rechten en zeven in de hogere rangen van deze categorie. Dit betekent dat 15 van de 34 afgestudeerden uit deze hogere kringen komt. Hiernaast neemt ook de categorie ‘business leader’ een niet onbelangrijk aandeel in met toch wel 10 rekruten. Opmerkelijk is hier de totale afwezigheid van de ‘petit bourgeois’, waarvan ik toch enkele vertegenwoordigers verwachtte.

 

4.2. Het schooljaar 1929-30.

 

In 1929-30 zaten 66 leerlingen op de schoolbanken van het eerste jaar. Dertien ervan waren zittenblijvers en werden in dit onderzoek dus niet opgenomen. Naast de 53 leerlingen in het startjaar van de humaniora, werden er nog negen leerlingen opgenomen die zich nieuw inschreven in de overige vijf studiejaren. Van deze 62 jongens haakten er twintig nog in hetzelfde jaar af, twee in het tweede, elf in het derde, drie in het vierde, telkens één in het vijfde en zesde middelbaar. Er bleven dus maar 24 leerlingen over die met een korte of lange studieduur aan het Sint-Barbaracollege afstudeerden. Naar deze leerlingen werd er verder onderzoek geleverd.

 

Tabel 6 : Sociaal herkomstprofiel van het schooljaar 1929-1930

Beroepsindeling

Abs.

%

Professionals

11

45,8

Eigenaar-rentenier

0

0

Business leader

6

25

Civil service

1

4,1

Peasant-farmer

0

0

Petit bourgeois

4

16,6

Military

1

4,1

Other

0

0

Onbekend

1

4,1

TOTAAL

24

100

 

In deze steekproef is de groep van de professionals het sterkst vertegenwoordigd als afkomstbepaling van de afgestudeerde leerlingen uit het inschrijvingsjaar 1929-1930. Met elf leerlingen op vierentwintig zijn ze als sociale categorie in deze groep dominant, want ze maken net niet de helft uit van het totaal. Er zijn vier advocaten, een onderzoeksrechter en telkens twee notarissen, dokters en hoogleraren die een zoon inschrijven op deze school. Ook in dit jaar waren er twee jongen uit hetzelfde gezin die les volgden op het Sint-Barbaracollege. Hun vader werd ook hier twee maal in de gegevens verwerkt en ingedeeld onder de rechten.

 

Een tweede sociale laag die een kwart van de rekruten levert zijn de Business leaders. Onder deze categorie telden we voor dit jaar drie ingenieurs en telkens één verzekeringsagent, directeur en nijveraar.

 

Een groep die in de vorige steekproef niet voorkwam, neemt hier een niet onbelangrijk aandeel in. Met 16,6 procent krijgt de ‘petit bourgeois’ een plaatst in de sociale samenstelling van deze collegegroep. Onder de bedienden tellen we er één werkzaam aan de haven, bij de winkeliers rekenen we de brouwer en de slager en als laatste delen we de treinbestuurder in bij de arbeiders.

 

Verder is er in deze doorsnede een jongen waarvan de vader hoofdgriffier is en dus in openbare dienst tewerkgesteld is, naast een jongen van wie de vader officier in het leger is. Het onderzoek bracht voor een laatste leerling geen gegevens betreffende het beroep van zijn vader op.

 

4.3. Het schooljaar 1938-39.

 

In 1938-39 zaten 141 leerlingen op de schoolbanken van het eerste jaar. Eenendertig ervan waren zittenblijvers en werden in dit onderzoek dus niet opgenomen. In de overige jaren schreven zich geen nieuwe leerlingen in, dus was de totale groep rekruten in dit jaar 110. Van de jongens haakten er 33 nog in hetzelfde jaar af, dertien in het tweede, elf in het derde, zeven in het vierde en twee in het vijfde middelbaar. Na deze strenge selectie bleven dus maar 44 leerlingen over die al dan niet volgens een normaal studieverloop afstudeerden aan het Sint-Barbaracollege. Het beroep van deze leerlingen hun vader werd nagegaan.

 

Tabel 7: Sociaal herkomstprofiel van het schooljaar 1938-1939

Beroepsindeling

Abs.

%

Professionals

16

36,3

Eigenaar-rentenier

0

0

Business leader

13

29,5

Civil service

2

4,5

Peasant-farmer

3

6,8

Petit bourgeois

7

15,9

Military

1

2,2

Other

0

0

Onbekend

2

4,5

TOTAAL

44

100

 

In het profiel van dit jaar nemen de professionals een kleiner aandeel in. Ze zijn toch nog het belangrijkst met een aandeel van 36,3 procent. Vooral de onderverdeling van de rechten heeft hierin de grootste bijdrage. Als belangrijkste beroepsprofiel komen hier de advocaten naar voor. Verder vallen onder deze indeling een notaris, een magistraat en een procureur des konings. De procureur werd ook hier tweemaal aangerekend als vader van twee leerlingen uit deze afgebakende groep geslaagde leerlingen.

 

Naast de vorige onderverdeling bij de professionals is er ook nog deze van de hoger gewaardeerde beroepen zoals in dit voorbeeld drie doctors. Lager op de maatschappelijke lader bij deze categorie staan twee apothekers en één hoofdonderwijzer.

 

De business leaders nemen als categorie bijna dertig procent aandeel in de samenstelling van deze groep geslaagde rekruten uit 1938-1939. Zij weerspiegelen de tweede belangrijkste sociale laag waaruit gerekruteerd werd. In de commerciële geleding van deze categorie rekenen we drie handelaars, terwijl in de industriële vier fabrikanten, drie ingenieurs en drie nijveraars geteld worden.

 

Bij de kleine burgerij is er een gevarieerde inbreng met een totaal aandeel van 15,9 procent in de onderzoeksgroep. De drie bedienden werden hier ondergebracht bij de ‘witte boorden’ en de drukker bij de winkeliers. In deze groep treffen we echter een aantal ambachtslieden aan zoals een schrijnwerker, een technicus en een fietsenmaker. Zij werden ingedeeld bij de ‘artisans’.

 

Voor de rest zijn er nog een paar kleine vertegenwoordigingen die vermeld moeten worden. Opvallend zijn de twee bloemisten en de tuinier, die alle drie ingedeeld werden bij de landbouw. Daarnaast telden we nog een griffier en een treinwachter die opgenomen werden bij de openbare ambten en tenslotte nog één legerofficier.

 

In dit onderzoek bleven de beroepen van de vaders van twee leerlingen onbekend. Zij vertegenwoordigen een percentage van 4,5 dat geen betere omschrijving meekreeg.

 

 

5. Besluit

 

 Om de sociale herkomst tijdens het interbellum te bespreken werden de gegevens van de drie steekproeven samengenomen, om aldus patronen te kunnen vaststellen. De bespreking hangt dan ook af van de gegevens uit de geselecteerde schooljaren.

 

Tabel 8 : Overzichtstabel van de sociale rekrutering

Beroepsindeling

1920-1921

1929-1930

1938-1939

Professionals

52,9

45,8

36,3

Eigenaar-rentenier

0

0

0

Business leader

29,4

25

29,5

Civil service

11,7

4,1

4,5

Peasant-farmer

0

0

6,8

Petit bourgeois

0

16,6

15,9

Military

5,8

4,1

2,2

Other

0

0

0

Onbekend

0

4,1

4,5

 

Op basis van de genomen steekproeven kunnen we stellen dat de groep van professionals de belangrijkste categorie is in de samenstelling van het rekruteringsprofiel naar sociale herkomst. Doorheen het interbellum nemen de vrije beroepen het grootste aandeel in wat betreft het sturen van hun zonen naar het Sint-Barbaracollege. Hun aandeel zakt wel procentueel naar het einde van de onderzochte periode toe. In absolute cijfers is dit echter niet zo significant. Dit kan er op wijzen dat de sociale laag die in deze categorie vertegenwoordigd is trouw blijft aan het college en het Jezuïetenonderwijs naar waarde blijft schatten. Het is namelijk eigen aan verschillende van deze vrije beroepen dat hun aantal niet ongebreideld kan toenemen. Het gaat hier met andere woorden over een min of meer numeriek stabiele bevolkingslaag die tijdens het interbellum zijn zonen naar het Sint-Barbaracollege blijft zenden.

 

Gedurende de onderzochte periodes heb ik nergens een eigenaar of rentenier gevonden. Dit wil niet zeggen dat er gedurende het interbellum geen voorbeelden te vinden zijn. Op basis van deze steekproef kan ik echter wel zeggen dat er voor de mij onderzochte groepen geen melding van gemaakt kan worden. Het lijkt mij zelfs waarschijnlijk dat het aandeel voor de totale zeer gering zou zijn.

 

De tweede belangrijkste groep tijdens het interbellum is deze van de business leaders. De weerslag die zij hebben op de onderzochte groep blijft met een kleine terugval naar 25 procent in 1929-1930, ongewijzigd op 29,5. Dit wil zeggen dat hun aandeel in het totaal ongewijzigd blijft, ook al stijgt het laatste jaar het numerieke aantal retoricaleerlingen. Op basis van de onderzocht jaren kunnen we dus wagen te zeggen dat deze groep meer jongens naar het college stuurt.

 

De vaders van de leerlingen die in openbare dienst werken stuurden in het jaar 1920-1921 nog een viertal leerlingen naar het Sint-Barbaracollege. Voor de twee andere onderzochte jaren bleek dit aantal veel lager. De verschillen kunnen te wijten zijn aan de keuze van de onderzochte jaren. Toch kan ik er niet omheen dat het aandeel van vaders met een dergelijk beroepsprofiel laag is en daalt in de loop van de periode tussen de twee wereldoorlogen.

 

Opmerkelijk is het aandeel van de landbouwers als beroepscategorie. Voor de twee eerste jaren kon ik geen meldingen maken. Het laatste jaar echter haalt deze groep een aandeel van 6,8 procent. Er dient wel gezegd te worden dat dit percentage gehaald wordt met drie beroepen waaronder twee bloemisten en een tuinder. Het gaat hier dus niet over landbouwers in de klassieke betekenis van het woord, zodat hier nog de discussie gevoerd kan worden of deze beroepen niet beter bij de lage burgerij ingedeeld worden. Deze ‘bloeiende’ bezigheid voltrok zich dikwijls op heuse bedrijven en had omwille van zijn productie internationale faam. In dit oogpunt voldoen ze dan ook aan de kenmerken van die groepen die streven naar een stijging op de sociale ladder en het verwerven van een groter prestige.

 

De groep die hier vooral naar streeft is de ‘petit bourgeois’. Voor de eerste steekproef kon ik hier niemand bij indelen. De twee volgende vertoonden een aandeel in het totaal van rond de zestien procent. Dit aandeel bleef behouden ondanks het feit dat het numerieke aantal afgestudeerden tussen de tweede en de derde steekproef met 54,5 procent toenam. Dit wil dus zeggen dat de lage burgerij hun aandeel in de rekrutering evenredig toenam met een stijging in het aantal rekruteringen. De reden waarom in de eerste steekproef niemand tot deze categorie kon gerekend worden, is onduidelijk. Betreft het hier toeval of is er meer aan de hand?

 

Als mogelijk argument voor het wegblijven van deze categorie kunnen we de oorlogssituatie aanhalen. Het zijn namelijk meestal de lagere klassen zoals de ‘petit bourgeoisie’ die snel onder oorlogsomstandigheden en bezetting te leiden hebben. Wellicht komen velen uit deze sociale laag verarmd uit de Eerste Wereldoorlog en konden ze nog niet direct de financiële middelen opbrengen om hun zonen onderwijs te verschaffen. Verschillende van deze niet-leerplichtige jongeren dienden misschien te helpen met de heropbouw van de zaak.

 

Als laatste noemenswaardige categorie dient hier het leger vermeld te worden. Hoewel deze categorie geen groot aantal leerlingen onder de bestudeerde populatie kent, maakt ze toch telkens deel uit van het beroepsprofiel van de vaders voor elke onderzochte groep. Het Sint-Barbaracollege heeft dus een tamelijk stabiele rekruteringsgrond bij gegradeerde militairen.

 

 

6. Vergelijkende studie met de periode 1833-1914[56]

 

Het is al meermaals aangestipt dat de retoricaleerlingen die ik bestudeerde tijdens het interbellum gegroepeerd zijn volgens het inschrijvingsjaar en dus niet per afstudeerklas zoals bij Suzanne De Spaey. Toch zijn deze groepen volgens mij onderling vergelijkbaar en vormen ze een zelfde representatieve doorsnede, als we niet kijken naar het gemiddelde kwart onbekenden in haar resultaten.

 

 De Spaey stelde in haar onderzoek naar de periode voor de Eerste Wereldoorlog vast dat voor de door haar bestudeerde retoricaklassen, de ‘professionals’ in de periode 1836-39 met twee vertegenwoordigers een percentage van 5,13 haalden. De volgende periode in haar onderzoek, namelijk van 1844-47 haalde deze groep met zes mensen een aandeel van 20 procent. Dit percentage bleef min of meer behouden in de volgende periodes om in de periode tussen 1880-1890 terug te vallen naar 12 procent. In de laatste door haar onderzochte periode namelijk van 1890-1907 haalde deze groep het hoogste aandeel van 29 procent.

 

De cijfers voor het interbellum liggen veel hoger in elke bestudeerde groep. Voor het eerste jaar is dit een beetje meer dan de helft van het totaal, het tweede jaar is dat als wat minder en het derde jaar zakt het aandeel terug naar 36, 3 procent, wat nog altijd meer is dan de resultaten van De Spaey en nog altijd de kopgroep van het college vormt. Het is dus duidelijk dat de categorie van vrije beroepen algemeen aan belang won op het Sint-Barbara en het belangrijkste deel van de sociale herkomst van de leerlingen uitmaakte vanaf de jaren 1880 tot aan Wereldoorlog II. Vooral de subgroep van de rechten is hierbij over de hele lijn prominent.

 

Voor deze groep kunnen we niet spreken over verticale mobiliteit. Zoals uit het volgende hoofdstuk zal blijken is het klassieke humaniora erop gericht een voorbereiding te zijn op bij voorkeur universitaire studies. De meeste van die verdere studies leidden tot dezelfde groep van vrije beroepen. Deze groep die sinds eind negentiende eeuw het grootste samenstellende deel van de collegepopulatie vormde streefde dus geen stijging op de sociale ladder op het oog. De grootste groep op het college ziet dus geen hefboom voor de sociale positie in het onderwijs.

 

Deze relativering van de mobiliteitsfunctie van onderwijs vinden we goed terug Claeys in zijn werk over sociale mobiliteit, ‘Over het algemeen wordt er groot belang gehecht aan het onderwijs als middel tot sociale mobiliteit. Dit staat nochtans in tegenstelling met de functies die tijden lang toegekend zijn aan het onderwijsstelsel: een bewaren van de bestaande sociale orde, een verlenen van onderwijs en opleiding naar stand en klasse.’[57] Voor deze hoofdgroep gaat die uitspraak dus op. Deze groep stuurde zijn zonen naar het Sint-Barbaracollege omdat dit bij hun stand paste. Het schooltype heeft hier dus een rekruteringsbasis, dat voor een groot deel uit dezelfde beroepsgroep samengesteld is als waar het voor opleidt. Hierdoor meet het Sint-Barbaracollege zich een eigen status en elitair prestige aan dat niet alleen behouden blijft na de Eerste Wereldoorlog maar zelfs prominenter op de voorgrond komt in de rekrutering.

 

In de stijging van deze beroepscategorie kunnen we dus pas vanaf het interbellum duidelijk het elitaire karakter van dit Jezuïetencollege aflezen. Zodra het college zich kon poneren als de sleutelmacht voor maatschappelijk succes, reageerde het hogere milieu prompt door met een nog grotere zelfrekrutering zijn positie te handhaven.[58]

 

De tweede grootste groep tijdens het interbellum is deze van de business leaders. In deze periode zakt hun aandeel niet onder het kwart en zit er tweemaal met 4,5 procent boven. Hier merken we een duidelijk verschil met de tijdsblokken die De Spaey bestudeerde. In de periodes 1836-39, 1844-47, 1851-59 en 1860-70 haalt deze beroepsgroep iets meer dan tien procent of blijven ze hieronder. In de periode van 1870-80 haalden ze een aandeel van 18,35 procent om in de twee volgende periodes weer aan belang in te boeten en te eindigen op 13 procent. Zij zijn dus ook grote uitschieters voor het interbellum.

 

Voor deze groep kan het streven naar meer prestige wel meespelen. Deze groep moet financieel dikwijls niet onderdoen voor de inkomsten van de vrije beroepen. Toch staan zij lager op de sociale lader en bezitten minder prestige. Vooral deze groep ziet zijn aandeel tijdens het interbellum stijgen, wat hun streven naar meer waardering verraad. Zij wensen voor hun zonen een klassieke opleiding die hen de waarden, normen en dus ook het prestige moet opbrengen van de meer toonaangevende groep op het college.

 

De derde groep die zich duidelijk tijdens het interbellum profileert is de lagere burgerij. Hoewel zij van de eerste onderzoeksgroep geen deel uitmaken, halen zij de periodes erop toch 16 procent. Deze groep is dus niet te onderschatten maar is duidelijk niet meer zo belangrijk in het rekruteringsprofiel van het college zoals in de negentiende eeuw. Gedurende die hele eeuw vormde hun afkomst de belangrijkste maatschappelijke vertegenwoordiging op het college. Pas in de laatste periode van 1890-1907 verloren zijn hun belang ten voordele van vooral de professionals maar ook ten opzichte van de eigenaars. Voor de negentiende eeuw werd een groot deel van deze groep gevormd uit winkeliers maar hun aanwezigheid is tussen ambachtslieden niet meer zo opvallend als voor het interbellum.

 

De declinatie van de lagere burgerij gaat gepaard met de opgang van de meer elitaire groepen en zij die daar naar streven. Hoewel het aandeel van deze groep opmerkelijk blijft tijdens het interbellum, stelt ze niet zo veel meer voor in vergelijking met de genese van het Sint-Barbaracollege, toen zij nog de hoofdbrok van de leerlingen aanbracht. Hier kunnen we dus niet onomwonden stellen dat deze sociale laag een hogere status ambieerde. Velen bleven weg en hun procentueel belang daalde. De kleinere maar constante groep die wel nog hun zonen naar het college stuurden waren de enkelen van een sociale laag die per definitie numeriek veel groter was dan de elite. Zij kozen wel voor het Jezuïetenonderwijs, om door eigen verdienste een dikwijls veel hoger sport op de maatschappelijke lader te bereiken.

 

Het aandeel van de openbare beroepen blijft quasi gelijk. Daar waar ze tot 1950 geen deel uitmaken van het beroepsprofiel, halen ze vanaf dan een percentage dat schommelt tussen de 4 en 7. Zij vormen dus een trouw maar klein publiek. De enige uitschieter die opgetekend werd was het jaar 1920 waarin zij hun aandeel tot elf procent konden optrekken. Gezien de verder resultaten uit het interbellum kunnen we hier wellicht over een uitzonderlijk jaar praten.

 

Ook militairen sturen regelmatig hun zonen naar het college. Het betreft hier meestal enkelingen die in bijna alle bestudeerde periodes hun procentjes halen. Voor deze groep zijn geen fluctuaties of uitzonderlijkheden te benoemen.

 

Een echte breuk met het verleden merken we voor het beroepsprofiel van de renteniers. Doorheen de hele negentiende en begin van de twintigste eeuw komen zij voor in
 

het afkomstprofiel van de leerlingen. Hoewel in de eerste twee bestudeerde tijdsblokken er maar telkens een vermeld is, klimt hun aantal vanaf 1851 op tot tien. In de laatste twee periodes voor Wereldoorlog I halen ze zelf een aandeel van 17 procent. De teloorgang van deze categorie in de samenstelling van het beroepsprofiel is dus opmerkelijk. Wellicht gingen ten gevolge van de oorlog veel van de mogelijkheden om te rentenieren verloren, of wou men zich in volle heropbouw van het land minder als dusdanig profileren. Verder onderzoek naar wijzigingen in het sociaal prestige verbonden aan beroepsindelingen is nodig om meer klaarheid te scheppen in het verdwijnen van deze beroepscategorie.

 

Een laatste groep die hier nog niet besproken is zijn de landbouwers. Hun zonen zijn een zeldzame verschijning op het college. In de resultaten van De Spaey vinden we maar drie leerlingen met deze afkomst terug in de periode rond de eeuwwisseling. Ook in het interbellum zijn er drie beroepen die in deze categorie ingedeeld werden. De aantallen zijn echter te klein en te verspreid om hier van een mate van democratisering te spreken.

 

 

HOOFDSTUK 3: DE TOEKOMST

 

1. Inleiding

 

In dit hoofdstuk leg ik eerst uit hoe ik te werk ging bij het verzamelen en verwerken van de toekomstgegevens. Daarna bespreek ik de resultaten van het onderzoek naar de toekomstige beroepen van de leerlingen uit de drie onderzoeksgroepen. Deze worden dan in een algemeen toekomstprofiel gegoten voor de leerlingen uit het interbellum. Dit profiel wordt daarna vergeleken met het patroon dat uit de periode 1833-1914 afgeleid is.

 

 

2. Methode

 

Voor dit hoofdstuk baseerde ik mij in eerste instantie op de repertoria van de oud-leerlingen van 1954[59], 1958[60] en 1985[61]. Als basis nam ik het recentste repertorium omdat dit het meest uitgebreid is. Op andere pagina’s in deze scriptie deed ik uit de doeken dat er voor dat repertorium een grootschalig onderzoek gevoerd werd in functie van het bekomen van de benodigde gegevens. Nadeel van dit repertorium was dat de oud-leerlingen die overleden waren op het moment van samenstellen, naast het overlijdenskruisje geen extra vermeldingen bood.

 

Om deze lacune’s op te vullen ging ik in eerste op zoek in de oudere repertoria en dit in afdalende volgorde. Hier konden verschillende beroepsvermeldingen wel teruggevonden worden, van de toen nog levende oud-leerlingen.

 

In laatste instantie diende ik mij te beroepen op het curriculum aan de universiteiten. Op mijn onderzoeksfiches schreef ik namelijk de studievoortgang van de leerlingen sinds hun intrede op het Sint-Barbaracollege. Deze historiek vulde ik aan op basis van de studiegegevens van de studenten aan de Universiteit Gent en de Katholieke Universiteit Leuven. Deze studievermeldingen vormen voor sommigen dan ook het enige toekomstbeeld dat ik van hen heb.

 

Voor de verwerking van de gegevens gebruikte ik dezelfde classificatiestructuur van hoofdstuk twee waarin ik de beroepsgegevens van de vaders van de leerlingen indeelde. De enige opmerking die ik hierbij moet maken is dat in de gevallen waarbij uitgegaan wordt van de studies van de leerlingen, deze data opgenomen zijn onder de rubriek ‘Others’.[62]

 

 

3. Toekomstprofiel

 

3.1. Het schooljaar 1920-1921

 

Tabel 9 : Toekomstprofiel van het schooljaar 1920-1921

Beroepsindeling

Abs.

%

Professionals

19

55,9

Eigenaar-rentenier

0

0

Business leader

7

20,6

Civil service

4

11,8

Peasant-farmer

0

0

Petit bourgeois

0

0

Military

1

2,9

Other

3

8,8

Onbekend

0

0

TOTAAL

34

100

 

De belangrijkste groep in dit beroepsprofiel zijn de ‘professionals’. Maar liefst 55,9 procent van de onderzochte groep vindt een toekomst in de vrije beroepen. Dit is drie procent meer dan in het beroepsprofiel van de vaders. Van deze groep gaan negen personen verder in de rechten, terwijl tien van de leerlingen dokter worden. Ook twee van de studenten vermeld bij ‘others’, deden rechten en geven dus extra gewicht aan deze categorie.

 

De lichte stijging in het aandeel van de professionals gaat hier ten koste van de groep ‘business leaders’. Hun aandeel blijft groot met 20,6 procent maar boet toch 8,8 procent in als we de vergelijking maken met het profiel van de vaders. Slechts twee personen worden nijveraar of handelaar. Ook hier versmalt het beroepsprofiel aangezien er vijf mensen werkzaam waren als ingenieur.

 

De derde grootste groep is deze van de ‘civil service’, die een status-quo bereikt. Dit blijft een opmerkelijk cijfer in de evolutie, zowel voor het profiel van de vaders als dat van de zonen. De beroepen die hier zijn ingedeeld bezitten echter ook het nodige prestige. Het gaat hier over topfuncties bij de overheid zoals een inspecteur- en een directeur-generaal. De derde vermelding is vager, want een ambtenaar kan zowel een hoge als een lage positie bekleden

 

Naast deze belangrijkste groepen moeten we nog een hogere officier en een student natuurwetenschappen vermelden. De andere categorieën zoals de renteniers, de landbouwers maar ook de petit-bourgeois blijven hier achterwege.

 

3.2. Het schooljaar 1929-1930

 

Tabel 10: Toekomstprofiel van het schooljaar1929-1930

Beroepsindeling

Abs.

%

Professionals

16

66,7

Eigenaar-rentenier

0

0

Business leader

3

12,5

Civil service

2

8,3

Peasant-farmer

0

0

Petit bourgeois

0

0

Military

1

4,2

Other

2

8,3

Onbekend

0

0

TOTAAL

24

100

 

 Voor dit jaar is er een duidelijkere verschuiving merkbaar in het voordeel van de professionals. Het herkomstprofiel van deze groep van 45,8 procent evolueert naar een toekomstprofiel van 66,7. Deze verschuiving mag echter niet op rekening van de rechten, de dokters en de hoogleraren geschreven worden. In deze groep zijn ook de religieuzen ondergebracht, die 16,6 procent van de onderzoeksgroep vormen. In dit verband is er dan ook geen toename van de vrije beroepen maar een religieuze profilering aanwezig. Ook hier kunnen we een student geneeskunde vermelden, van wie het echter niet zeker is of hij zijn verwachting waargemaakt heeft.

 

De nieuwe constellatie is deels te danken aan een halvering van het aandeel van de business leaders. Slecht drie personen zoeken hun toekomst in het bankwezen, de nijverheid of als ingenieur.

 

Weerom is er iemand in deze groep die voor een militaire carrière kiest, maar hier is geen familiale keuze in het spel, want er is geen verband met de hogere officier bij de vaders.

 

De lage middenstand is echter de grootste verliezer. Niemand gaat voor een toekomst in dit beroepsveld, terwijl 16,6 procent van de groep uit deze sociale klasse afkomstig is.

 

3.3. Het schooljaar 1938-1939

 

Tabel 11: Toekomstprofiel van het schooljaar 1938-1939

Beroepsindeling

Abs.

%

Professionals

26

59,1

Eigenaar-rentenier

0

0

Business leader

12

27,3

Civil service

3

6,8

Peasant-farmer

0

0

Petit bourgeois

2

4,5

Military

0

0

Other

1

2,3

Onbekend

0

0

TOTAAL

44

100

 

Ook in dit laatste onderzoeksjaar staat de hergroepering bij de professionals als een paal boven water. De groep is aangezwollen met 22,8 procent wat hoofdzakelijk krediet oplevert voor de geneeskunde en hoogleraars. De rechten gaan er hier één beroepsgenoot op achteruit maar ook in deze groep verwelkomen we een missionaris.

 

De toename van de vrije beroepen en de geestelijkheid wordt gevoed door de petit bourgeois die 11,4 procent inlevert en de militaire wereld die dit jaar geen rekruten kon ronselen. De lagere burgerij kent een interne evolutie van pakweg de ‘velomaker’ naar de labotechnieker, zonder dat hier een oorzakelijk verband tussen bestaat. Verder geeft het wegvallen van de onbekenden hier ook extra relatieve waarde aan de beroepsgroepen.

 

Met een klein verlies van 2,2 procent handhaaft de groep van de business leaders zich. In tegenstelling tot de beroepenverschraling die tot nu toe optrad, krijgen we bij deze groep een diversificatie zowel voor de commerciële als de industriële richting.

 

Een groep die er ook lichtjes op vooruit gaat is de civil service. Zij groeien aan van 4,5 naar 6,8 procent. Ook binnen deze categorie is er een verschuiving van bij voorbeeld een treinwachter uit de lagere regionen naar de meer gewaardeerde posities zoals een directeur-generaal en een directeur van een ziekenhuis. Bij deze openbare ambten werd een gevangenisaalmoezenier gerekend, die dan ook niet bij de geestelijkheid opgenomen is.

 

 

4. Besluit
 

Tabel 12: Overzichtstabel van de toekomstprofielen

Beroepsindeling

1920-1921

1929-1930

1938-1939

Professionals

55,9

66,7

59,1

Eigenaar-rentenier

0

0

0

Business leader

20,6

12,5

27,3

Civil service

11,8

8,3

6,8

Peasant-farmer

0

0

0

Petit bourgeois

0

0

4,5

Military

2,9

4,2

0

Other

8,8

8,3

2,3

Onbekend

0

0

0

 

Algemeen kunnen we in het toekomstprofiel van de leerlingen de toename van de vrije beroepen vaststellen. Ook Suzanne De Spaey concludeerde dit in haar besluit: ‘Velen zijn afkomstig uit een middenstandsmilieu of commerciële en industriële groepen van de bevolking, terwijl de zonen zelf zich hiervan afkeren[,] en eerder hun heil zoeken in de richting van de vrije beroepen.’[63] Deze tendens blijft behouden gedurende het interbellum, alleen is deze verschuiving vooral op rekening van de petit bourgeois te schrijven en in mindere mate op de commerciële en industriële groepen. De business leaders weten zich ondanks hun verlies goed staande te houden en vormen de tweede grootste beroepsgroep.

 

Het is niet onmogelijk, maar uit het religieuze milieu kan normaliter niet gerekruteerd worden. Vergelijking met het beroepsprofiel van de vaders is hier dus niet aan de orde. Om de vijf religieuzen uit de laatste twee jaren te kaderen verwijzen we naar de evolutie in het aantal roepingen dat vastgesteld werd door De Spaey.[64] Zij kwam uit op percentages van 19,83 procent voor de periode 1833-34; 56,41 procent tijdens 1836-39; 13,33 procent gedurende 1844-47; 5,88 procent in de jaren 1851-59; 10,11 procent voor de periode 1860-70; 21,10 procent in het decennia 1870-80; 24,77 procent in het tijdsvak 1880-88 en 21 roepingen tussen 1892-1908. Dit geeft een sterk fluctuerende evolutie, met een hoog aandeel van de leerlingengroep.

 

In mijn steekproeven komt het belang van de religieuze wereld alleen tot uiting voor de leerlingen uit het inschrijvingsjaar 1929-30. In dat jaar haalt dit toekomstprofiel 16,6 procent. Ook in het laatste jaar is er melding van een missionaris. Het is dus duidelijk dat mijn profiel tekort schiet om de evolutie van het aantal roepingen tijdens het interbellum goed in te schatten. Wel kan ik vaststellen dat men niet automatisch voor de Jezuïetenorde koos. Op de drie omschreven geestelijken kiest er namelijk ook één voor de Witte Paters en de andere voor de Benedictijnenorde. Ik kan dus alleen meer opmerken dat het hoge aantal roepingen van de leerlingen van 1929-30 net buiten de hausse-periode[65] vallen die professor Jan Art vooropschuift in zijn artikel. De periode van 1920 tot 1935 waarin het aantal roepingen een opleving kende is net voorbij wanneer de bestudeerde leerlingen aan het college afstuderen. Het is echter niet mogelijk om op basis van deze geïsoleerde lokaliteit voor het interbellum verstrekkende uitspraken te doen.

 

In tegenstelling tot de negentiende eeuw en het beroepsprofiel van de vaders, wint de civil service aan belang in het toekomstprofiel. De reden hiervoor ligt wellicht in de toename van het prestige van hogere overheidsfuncties die naast een hoge financiële verdienste ook macht met zich meebrengt.

 

De beroepsgroep van de renteniers is misschien niet echt meer van de twintigste eeuw want ze verdwijnt volledig na Wereldoorlog I. Ook de groep van de landbouwers blijft hier net als voor de oorlog totaal achterwege. Gezien het type van onderwijs mag ons dit ook niet verwonderen.

 

 

HOOFDSTUK 4: ALGEMEEN BESLUIT

 

Dit onderzoek bracht aan het licht dat de gebruikers en de functie van onderwijsinstellingen wijzigen in de tijd. Hoewel het Sint-Barbaracollege terecht als elitair bestempeld mag worden, vormt het geen monolithisch noch statisch geheel.

 

Het Sint-Barbaracollege te Gent is sinds het ontstaan in 1833 een Oostvlaams en een stedelijk fenomeen. Dit kenmerk blijft behouden voor het interbellum. Dit komt door de spreiding van Jezuïetencolleges waardoor dit type instelling en onderwijs provinciaal voorhanden is. Het stedelijke karakter wordt behouden door het aanbieden van onderwijs dat voldoet aan de behoefte van een vooral stedelijke elite en de groepen die daartoe willen behoren.

 

Het Jezuïetencollege had bij aanvang een leerlingenpopulatie die voor het belangrijkste deel samengesteld was uit de ‘petit bourgeois’ waaronder de winkeliers. Doorheen de negentiende eeuw behield de lage middenklasse zijn numerieke aandeel maar daalde relatief gezien door de opkomst en verdere groei van de ‘professionals’ met de vrije beroepen en in mindere mate de ‘business leaders’. De lage middenstand tracht via het klassieke humaniora betere functies in de maatschappij te bereiken om aldus een hogere sociale status te verkrijgen. De burgerij ziet in dit onderwijs een mogelijkheid om hun traditionele sociale positie te bewaren in reactie op de opkomende industriële klasse.

 

Rond de eeuwwisseling worden de professionals de belangrijkste groep en die trend zet zich verder door in het interbellum. Deze evolutie tekent de wisselwerking tussen school en maatschappij door de elitaire definiëring die het college in de negentiende eeuw ontwikkelt. Door zijn samenstelling uit enerzijds een traditioneel elitaire groep en anderzijds een groep die streeft naar opwaartse mobiliteit en daar ook in slaagt, ontstaat een succesformule. De groep ‘professionals’ slaagt er in zijn sociale positie in stand te houden door de bevestiging die ze krijgt van die groep die ook hun rangen gaat versterken. Deze overwinning zorgt er op zijn beurt voor dat deze elitaire groep deze rekrutering wil consolideren waardoor ze in eerste instantie nog toeneemt. Dit proces is duidelijk afleesbaar in het overwicht dat de elitaire groep binnen de collegemuren behaalt en behoudt tijdens het interbellum.

 

In dit elitaire wordingproces valt het belang van de eerder belangrijkste groep van de lage middenstand weg. Deze weet zich enkel nog te handhaven maar kan zijn streven niet veralgemenen. Nu de elite zich verzekerd weet van zijn positie binnen de maatschappij en binnen ‘zijn’ school, vergroot de onderlinge afstand en verwantschap met deze groep van ‘petit bourgeois’. De neergang van de lage middenstand aan het einde van de negentiende eeuw ging echter gepaard met een groei van de groep ‘business leaders’ binnen de leerlingenpopulatie. In het interbellum nemen zij het dan ook over van de ‘petit bourgeois’ en van de niet onbelangrijke groep van renteniers. De elite die trachtte zijn eigen positie te redden in de aanblik van de industrialiseringsprocessen, slaagde daarin door de industriële en commerciële middens te overtuigen van hun voorbeeld en positie. Deze laatste groep wou zich op hun beurt de waarden en normen van deze elite eigen maken en zich eenzelfde beroepsprofiel aanmeten.

 

Zodoende nam de expanderende groep van de ‘business leaders’ de fakkel over van de ‘petit bourgeois’ die in belang afnam. Deze twee groepen hadden dus afwisselend de bovenhand in hun streven naar sociale mobiliteit.

 

In ruimer opzicht vervolmaakte het Sint-Barbaracollege zijn functie van sociale reproductie. Niet alleen de waarden en normen van de elite werden hier uitgedragen, ook het toelaten van de assimilatiewens van prestigieus lagere klassen zorgde voor een versterking en behoud van de eigen sociale groep. Verticale mobiliteit staat hier dus ten dienste van de sociale reproductie. Sociale reproductie is de doelstelling van het onderwijssysteem en de leefwereld op dit college en dat blijkt uit het toekomstprofiel van de afgestudeerden dat een overduidelijke tendens vertoont naar de vrije beroepen zoals in de rechten en in de geneeskunde. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat ook het toekomstprofiel van de ‘business leaders’ na Wereldoorlog I een verdubbeling kent en een belangrijke tweede positie inneemt wat de toekomstrealisatie van de studenten betreft. Dit hoeft niet als een vloek opgevat te worden want dit wil zeggen dat de sociale laag die tijdens het interbellum afstudeert aan het Sint-Barbaracollege er niet alleen in slaagt om het echelon van de vrije beroepen te beheersen maar ook andere leidinggevende functies in commerciële en industriële geledingen van de maatschappij. Ze slagen er met andere woorden in hun invloed in de maatschappij uit te breiden.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[1] DE SPAEY (S.), Sint-Barbara, 1833-1914, Gent, UGent (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1982, 394 p. Soortgelijke studies als onder andere; BLOMME (V.), “Eikels worden bomen”. Het Sint-Vincentiuscollege van Eeklo (1921-1941), Gent, UGent (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1996, 32 + 172 p. DAEM (J.), Koninklijk Atheneum te Gent, 1850-1914 (3 delen), Gent, UGent (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1984, 422 p. BAUTERS (D.), Herkomst, opleiding en toekomst van de leerlingen in het vrij middelbaar onderwijs casus : het Jozefietencollege te Melle, 1837-1914, Gent, UGent (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1981, 329 p.

[2] DE VROEDE (M.), “Actuele tendensen in het onderzoek betreffende de geschiedenis van het onderwijs”, BTNG, IX, 1978, 1-2, pp. 289-303.

[3] Ibid., p. 298.

[4] DE SPAEY (S.), loc.cit.

[5] Jubileum-Album bij het 125-jarig bestaan van het Sint-Barbaracollege, 1933-1958, Gent, L. Vanmelle N.V., 1958, 80 p.

[6] VAN HILLE (W.) en DEWULF-HEUS (R.L.), Sainte-Barbe, Gand: 1913-1922, Gent, eigen beheer, s.d., 16 p. Deze persoonlijke reflectie circuleert op het college en de vakgroep Nieuwste Geschiedenis en werd reeds besproken in het werk van Suzanne De Spaey.

[7] Centenaire du collège Sainte-Barbe Gand: compte-rendu des fêter jubilaires du 12 juillet 1933 – Honderdjarig jubelfeest van het Sint-Barbaracollege Gent: verslag over de jubelfeesten van 12 juli 1933, Gent, Vanmelle, 1933, 81 p.

[8] BROUWERS (L.), De Jezuïeten te Gent : 1585-1773, 1823- heden, Gent, Sint-Barbaracollege, 1980, 255 p.

[9] DE BLOCK (J.), 400 jaar Jezuïetencollege te Gent, Brussel, Gemeentekrediet, 1992, 96 p.

[10] GEVERS (Lieve), Kerk, onderwijs en Vlaamse Beweging. Documenten uit kerkelijke archieven over taalregime en Vlaamsgezindheid in het Katholiek Middelbaar Onderwijs 1830-1900, Leuven, 1980, 426 p. (Interuniversitair centrum voor Hedendaagse Geschiedenis, bijdrage 89)

[11] DE PAEPE (M.), Onderwijs, opvoeding en maatschappij in de 19de eeuw en 20ste eeuw: liber amicorum Prof. Dr. Maurits De Vroede/ Onder redactie van M. Depaepe en M. D’Hoker, met advies van M. Cloet e.a., Leuven, Acco, 1987, 217 p.

[12] DE SPAEY (S.), loc.cit.

[13] Retoricaleerlingen zijn de leerlingen uit het afstudeerjaar van het humaniora. Vandaag de dag zijn dit de zesdes, destijds waren het de leerlingen uit het eerste omdat de rekenkundige benaming toen andersom liep.

[14] Deze bronnen werden reeds opgesomd in de inleiding. Het betreft hier onder andere getuigenissen uit de verschillende jubileumboeken en de in eigen beheer uitgegeven tekst van de hand van W. Van Hille.

[15] DE SPAEY (S.), Sint-Barbara, 1833-1914, Gent, UGent (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1982, 394 p.

[16] DE SPAEY (S.), op.cit., p. 3.

[17] Allegro Barbara. Oud-Leerlingenblad van het Sint-Barbaracollege, Gent, lopend.

[18] BERTRAND (P.), Sint-Barbaracollege Gent. Repertorium van de oud-leerlingen 1837-1985, Gent, Vanmelle NV, 1985, 432 p.

[19] Er werden wel enkele lacunes vastgesteld. Zo baseerde het repertorium zich deels op het repertorium uit 1958, ook opgenomen in de bibliografie, waarin opnieuw dezelfde naam van een rethoricaleerling ontbrak.

[20] BLOMME (V.), “Eikels worden bomen”. Het Sint-Vincentiuscollege van Eeklo (1921-1941), Gent, UGent (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1996, 32 + 172 p.

[21] GIELIS (H.), De leerlingen aan de technische scholen Londenstraat Antwerpen (1909-1960), Gent, Ugent (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1985, s.p.

[22] DAEM (J.), Koninklijk Atheneum te Gent, 1850-1914 (3 delen), Gent, UGent (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1984, 422 p.

[23] BAUTERS (D.), Herkomst, opleiding en toekomst van de leerlingen in het vrij middelbaar onderwijs casus : het Jozefietencollege te Melle, 1837-1914, Gent, UGent (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1981, 329 p.

[24] DE SPAEY (S.), op.cit., pp. 35-42.

[25] DAEM (J.), op.cit., p. 75.

[26] DE SPAEY (S.), op.cit., p. 40.

[27] Deze opsomming is gebaseerd op het Repertorium 1958, Antwerpen, Federatie van de oud-studentenverenigingen van de Vlaamse Jezuïetenprovincie v.z.w., 1958, 509 p.

[28] DAEM (J.), op.cit., p. 86.

[29] BLOMME (V.), op.cit., p. 64.

[30] BAUTERS (D.), op.cit., pp. 131-146.

[31] Ibid., p.III.

[32] DE SPAEY (S.), Sint-Barbara, 1833-1914, Gent, UGent (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1982, p. 4.

[33] DE BLOCK (J.), 400 jaar Jezuïetencollege te Gent, Brussel, Gemeentekrediet, 1992, pp. 80-81.

[34] AUDOORE (K.), MATTHYSEN (F.) en PHILIPS (J.), De sociale herkomst van de onderwijzer in het midden van de negentiende eeuw. Een onderzoek betreffende Antwerpen, Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen, Leuven, KUL (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1977, pp. 67-97.

[35] DE SPAEY (S.), op.cit., pp. 297-316.

[36] DE SPAEY (S.), op.cit., p. 322.

[37] BOEKHOLT (P. TH. M.), Onderwijsgeschiedenis, Zutphen, Walburg Pers, 1991. (Cahiers voor Lokale en Regionale Geschiedenis, 6), p. 35.

[38] SOLLIE (L.), De evolutie van en in het Middelbaar Onderwijs in België. Een historisch onderzoek vanuit lessenroosters en leerplannen in het algemeen en geschiedenis en Nederlands in het bijzonder. 1850-1970, Leuven, KUL (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), s.d., p. 92.

[39] Ibid., pp. 98-99.

[40] Zie bijlage 2, p. 74.

[41] HARRIGAN (P.), Mobility, Elites and Education in French Society of the Second Empire, Waterloo, 1980, 203 p.

[42] GIELIS (H.), De leerlingen aan de technische scholen Londenstraat Antwerpen (1909-1960), Gent, Ugent (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1985, s.p.

[43] DE PREE (P.), Eeklose studenten aan universiteit en seminarie (1817-1940). Kwantitatief en socio-professioneel onderzoek., Gent, UGent (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1984, 423 p.

[44] DAEM (J.), Koninklijk Atheneum te Gent, 1850-1914 (3 delen), Gent, UGent (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1984, 422 p.

[45] DE SPAEY (S.), op.cit., pp. 70-96. Hier rekent ze officieren, kapiteins, enzovoort onder de professionals, terwijl ze gepensioneerde militairen, militair en leger in een aparte categorie onderbrengt.

[46] DAEM (J.), op.cit., p. 31 en 48. Zo stel ik hier vast dat bijvoorbeeld een kapitein de ene keer in een aparte categorie is onderverdeeld, om een andere keer bij de Professionals in de ‘High-ranking’ categorie gerekend te worden.

[47] AUDOORE (K.), MATTHYSEN (F.) en PHILIPS (J.), op.cit., 376 p.

[48] BAUTERS (D.), Herkomst, opleiding en toekomst van de leerlingen in het vrij middelbaar onderwijs casus : het Jozefietencollege te Melle, 1837-1914, Gent, UGent (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1981, 329 p.

[49] VANHAUTE (E.), De invloed van de groei van het industrieel kapitalisme en van de centrale staat op een agrarisch grensgebied: de Noorderkempen in de 19de eeuw, Gent, UGent (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1982, s.p.

[50] JASPERS (L.) en STEVENS (C.), “Arbeid en tewerkstelling in Oost-Vlaanderen op het einde van het Ancien Regime. Een socio-professionele en demografische analyse”, in: Cultureel jaarboek voor de provincie Oost-Vlaanderen. Bijdragen 23,Gent, Provinciebestuur Oost-Vlaanderen, 1985, 179 p.

[51] BLOMME (V.), “Eikels worden bomen”. Het Sint-Vincentiuscollege van Eeklo (1921-1941), Gent, UGent (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1996, 172 p.

[52] Ibid., p. 70.

[53] Abituriënten zijn diegenen die de eindexamens van het middelbaar onderwijs gedaan hebben.

[54] Zie bijlage 3, 4 en 5, pp. 75-77.

[55] Zie bijlage 6, 7 en 8, pp. 78-80.

[56] DE SPAEY (S.), op.cit., p. 29.

[57] CLAEYS (P.C.), Onderwijsstructuren en sociale mobiliteit: enige verkennende en kritische beschouwingen over de ontwikkeling van het Westers schoolwezen als instrument tot sociale stijging en daling., Leiden, Rijksuniversiteit (Sociologisch Instituut), 1966, 89 p.

[58] Ibid., pp. 73-75.

[59] Lijst der oudleerlingen (Afgesloten op 10 juni 1954), Gent, Sint-Barbaracollege, 1954, 84 p.

[60] Repertorium 1958, Leuven, Federatie van de oud-studentenverenigingen van de Vlaamse Jezuïetenprovincie v.z.w., 509 p.

[61] Repertorium van de oud-leerlingen, 1837-1985, Gent, Sint-Barbaracollege, 1985, 432 p.

[62] Zie bijlage 9, 10 en 11, pp. 81-84.

[63] DE SPAEY (S.),op.cit., p. 321.

[64] Ibid. pp. 11-34.

[65] ART (J.), “De evolutie van het aantal mannelijke roepingen in België tussen 1830 en 1975. Basisgegevens en richtingen voor verder onderzoek”, BTNG, X, 1979, 3, p. 292.