| Nationalisme en globalisering. Een theoretische verkenning geïllustreerd aan de hand van het nationalisme in Schotland. (Maarten Van Onckelen) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
1 Inleiding en probleemstelling
1789 is een scharnierpunt in de wereldgeschiedenis. Gedurende de hele 18de eeuw propageerden intellectuele vrijdenkers de vrijheid van de mens en de emancipatie uit de traditie. De Franse Revolutie luidde het begin in van het einde van het ancien régime en de idee uit de Aufklärung, namelijk dat de soevereiniteit bij de natie berust en niet bij een monarch, drong door in meer geesten. De toenmalige Europese grootmachten – allemaal monarchieën – huiverden bij de gedachte dat de macht zou toekomen aan het ‘gemeen’, het gewone volk en zij stelden alles in het werk om dat te verhinderen. De besluiten van het congres van Wenen van 1815 zijn daar een mooi voorbeeld van. Daar beslisten de grootmachten immers tot de restauratie van de macht van monarchen en om elkaar bij te staan in geval van nationalistische en liberale agitatie op hun grondgebied. Het duurde dan ook enkele tientallen jaren vooraleer de democratisering definitief doorbrak op het oude continent. Vroeg of laat moest dat immers gebeuren want de revolutionaire legers hadden de geest van vrijheid en volkssoevereiniteit uitgedragen in heel Europa. De 19de eeuw zal zich dan ook kenmerken door democratisering en door latente én manifeste nationalistische agitatie. Inderdaad, in de eeuw waarin de romantiek een vruchtbare bodem bood voor nationalisme, werden bijna alle huidige – Europese - natiestaten in hun definitieve vorm gegoten.
1989 is eveneens een scharnierpunt in de wereldgeschiedenis. Niet alleen wordt – vooral in Frankrijk – het tweede eeuwfeest van de Franse Revolutie gevierd, ook brokkelt het communistische blok in ijltempo af. Symbolisch voor die afbrokkeling is het slopen van de Berlijnse muur in november van dat jaar. Na bijna een halve eeuw Koude Oorlog tussen twee machtsblokken lijkt de vooravond van het nieuwe millennium een tijd van vrede, vrijheid en verdraagzaamheid in te luiden. Met het communisme verdwijnen de grote, ideologische tegenstellingen uit de wereld en de markt, in welke vorm dan ook, wordt het algemeen sturend en ordenend principe van een samenleving waarin de grenzen vervagen. Althans zo ziet Fukuyama (1992) het in The end of history and the last man. Tijdens het laatste decennium van de vorige eeuw wordt de globalisering een concept dat de gemoederen beroert zoals het nationalisme gedaan heeft in de 19de eeuw.
De rol van het nationalisme is echter niet uitgespeeld! Op het einde van de 20ste eeuw ontstaan nieuwe nationale bewegingen en krijgen oudere nieuwe impulsen. Het streven naar onafhankelijkheid, of op zijn minst meer zelfstandigheid, van die groepen staat haaks op de tendens van de globalisering waarin grenzen eigenlijk meer en meer onbestaande worden. Is dit dan de paradox van het nationalisme? De negentiende-eeuwse natiestaat verliest aan belang, maar toch lijkt een eigen staat het streefdoel te blijven van een nationale beweging.
Het bindmiddel tussen nationalisme en globalisering is dus de staat. Enerzijds danken de klassieke natiestaten hun ontstaan en hun legitimiteit aan het nationalisme uit de 19de eeuw. Anderzijds bedreigt de globalisering het wezen van de staat aangezien de grenzen vervagen en de staat zijn controle over een bepaald grondgebied verliest. Toch is dit eveneens een punt van overeenkomst tussen beide fenomenen aangezien de separatistische tendensen van het nationalisme van vandaag eveneens een bedreiging vormen voor die klassieke natiestaat.
Nationalisme en globalisering wekken tevens gelijkaardige gevoelens op: men is voor of tegen. Denk maar aan de protesten in Seattle, Genua en Praag tegen de globalisering of de intensiteit van nationalistische gevoelens in Baskenland en Noord-Ierland.
Er bestaat dus duidelijk een spanning tussen nationalisme en globalisering. De centrale vraag in deze eindverhandeling is dan ook waarom nationalisme nog zo de gemoederen kan beroeren in een tijdperk waar globalisering steeds dominanter wordt? Is er trouwens een verklaring mogelijk? Hierbij aansluitend wil ik ook stilstaan bij de gevolgen voor de klassieke natiestaat. Succesvol separatisme dat voortvloeit uit het nationalisme leidt immers tot het ontstaan van een nieuwe staat, terwijl de globalisering die klassieke staat net uitholt. Zijn nationalisten dan blind voor wat er in de wereld gaande is? Belangrijk is ook de houding van verschillende nationale en internationale actoren ten opzichte van dit alles. Hoe reageren nationale regeringen op het bestaan van separatistische tendensen die de integriteit van hun grondgebied bedreigen?
In het eerste deel wordt een theoretische verkenning uitgevoerd in de literatuur om een aantal concepten te distilleren die toegepast zullen worden op Schotland in het tweede deel. De keuze voor Schotland lijkt op het eerste gezicht misschien een beetje vreemd omdat het Schots nationalisme niet direct onze media haalt. Toch bestaat er in Schotland een nationale beweging die in het laatste decennium van de vorige eeuw een hernieuwd elan heeft gevonden, toevallig op het moment dat het globaliseringsdiscours goed op gang kwam.
Alvorens van wal te steken met de theoretische verkenning, lijkt het me aangewezen om de structuur van deze verhandeling bondig te schetsen. Het eerste deel telt drie verkennende hoofdstukken en wordt afgesloten met een samenvatting waarin de belangrijkste inzichten uit die hoofdstukken met elkaar geconfronteerd worden. In een eerste hoofdstuk bespreken we het denken over nationalisme, vooral vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw. Ook stellen we ons de vraag of het nationalisme uit de 19de eeuw hetzelfde is als het hedendaagse nationalisme. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met een werkdefinitie van nationalisme die in deze verhandeling gebruikt zal worden.
Globalisering vormt het onderwerp van het tweede hoofdstuk van het eerste deel. Als je een verklaring wilt zoeken voor nationalisme in een globaliserende wereld, moet je immers een idee hebben wat globalisering is. We willen hier echter reeds duidelijk stellen dat het louter om een verkenning gaat van zowel het nationalistisch denken als de theorievorming over de globalisering. Het jongste decennium verschenen jaarlijks tientallen boeken en artikels over nationalisme en globalisering waardoor het onmogelijk is om alles doorgenomen te hebben.
In het derde hoofdstuk staan we stil bij het concept nationale zelfbeschikking of het recht van een natie om zelf haar toekomst van te bepalen. Een belangrijke rol is in dit hoofdstuk weggelegd voor de staat. We bespreken hoe een staat tot stand kan komen, hoe een staat zich kan bewegen op het internationale forum en vooral hoe centrifugale tendensen de structuur en de vorm van een staat kunnen bedreigen.
Zoals reeds gezegd sluit een kort, afrondend hoofdstuk het eerste deel af. Behalve een eerste samenvatting van de belangrijkste inzichten van het eerste deel, fungeert dit hoofdstuk ook als opstapje naar het tweede deel over Schotland.
Het tweede deel bestaat uit vier hoofdstukken. Een inleidend hoofdstuk schetst kort de Schotse geschiedenis. Er wordt vooral aandacht besteed aan de gebeurtenissen en evoluties die ervoor gezorgd hebben dat Schotland vandaag geen onafhankelijke natie is.
Het centrale thema van het tweede hoofdstuk is het Schotse nationalisme. We gaan op zoek naar de kenmerken van dat nationalisme en we bespreken de rol die de Scottish National Party (SNP) speelt in de Schotse politiek.
In het derde hoofdstuk bespreken we Schotlands weg naar zelfstandigheid. We onderzoeken eerst of Schotland anders is dan de rest van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland. Hiervoor kijken we naar de economische en politieke evolutie binnen Schotland. Ten tweede gaan we na hoe de staatkundige hervormingen binnen Schotland verlopen zijn en bekijken we of Schotse onafhankelijkheid tot de toekomstmogelijkheden behoort.
Het vierde hoofdstuk voegt geen nieuwe inhoudelijke informatie toe aan deze verhandeling. Wel testen we hier het analyseschema dat we geconstrueerd hebben in deel I. Concreet willen we nagaan of het schema bruikbaar is om de staatkundige evolutie van een ‘natie zonder staat’ te duiden en te voorspellen.
Nationalisme en globalisering: grasduinen in de literatuur
Nationalisme is een relatief jong verschijnsel in de wereldgeschiedenis. De voorbije 200 jaar was nationalisme de drijvende kracht achter verschillende omwentelingen: staten werden opgebouwd in naam van het nationalisme, maar ook afgebroken in naam van datzelfde nationalisme. In diezelfde tijdspanne van amper twee eeuwen werd het nationalisme dikwijls dood verklaard, om even later even veel keer te verrijzen, soms krachtiger dan daarvoor. “I do not believe (…) that the age of nationalism will become a matter of the past”[1] zegt Ernest Gellner, de auteur die de theorievorming omtrent nationalisme sinds de jaren 60 sterk beïnvloed heeft.
Dit hoofdstuk dient verschillende doelen, maar het belangrijkste is duidelijk maken dat nationalisme een complex begrip is waarover geen eensgezindheid bestaat onder sociale wetenschappers (McCrone, 1998a: 3; Smith, 1996: 372). Toch zal dit hoofdstuk afgesloten worden met een definitie van nationalisme die onontbeerlijk is voor het tweede deel van deze eindverhandeling. Vooraleer dat echter kan gebeuren, is het aangewezen om het grote debat onder sociale wetenschappers te schetsen. Centraal daarin staat de natie, het fundament van het nationalisme.
2.1 Enkele definities om te beginnen
We zullen echter van start gaan met een aantal definities van natie en nationalisme op een rijtje te zetten, enerzijds als illustratie van de rijkdom van het debat, anderzijds als referentiepunt voor de rest van het hoofdstuk. Natuurlijk bestaan er nog veel meer definities van nationalisme en natie. Daarom moeten volgende definities eerder beschouwd worden als een bloemlezing dan als een representatieve afspiegeling van alle definities.
2.1.1 Wat is nationalisme?
Nationalisme is een verzameling van symbolen en overtuigingen die zorgen voor een gevoel van behoren tot een bepaalde politieke gemeenschap (Giddens, 1996: 311).
Nationalisme is het promoten van de eigen nationale identiteit met als gevolg de uitsluiting van de andere en het legitimeren van de acties van de staat in naam van het nationaal belang (Viotti & Kauppi, 1999: 487).
Nationalisme is op de eerste plaats een politiek principe dat zegt dat politieke en de nationale eenheid samen moeten vallen (Gellner, 1983: 1; Hobsbawm, 1994: 19).
Nationalisme is een moderne vorm van erkenning (Fukuyama, 1992: 22).
Nationalisme is een emotionele identificatie met een natie en een politiek project dat erop uit is om een onafhankelijke natiestaat veilig te stellen voor de natie (Guibernau & Goldblatt, 2000: 125).
Nationalisme is een ideologische beweging om de autonomie, eenheid en identificatie van een menselijke bevolking, waarvan sommige leden haar opvatten als een feitelijke of potentiële natie, te bereiken en te handhaven (Smith, 1996: 359).
Nationalisme is het gevoel dat men tot een gemeenschap behoort waarvan de leden zich identificeren met een reeks van symbolen, overtuigingen en tradities en die de wil hebben om hun politieke toestand in eigen handen te nemen (Guibernau, 1999: 14).
Nationalisme kan begrepen worden als een vorm van betermakende politieke actie. Het legt pathologische en gebrekkige omstandigheden en processen bloot en stelt remedies voor om ervan af te geraken (Brubaker, 1996: 79-80).
2.1.2 Wat is een natie?
Een natie is een groep individuen die in staat is tot coherente, doelgerichte en collectieve actie (Brubaker, 1996: 14).
Een natie is een menselijke groep die bewust een gemeenschap vormt, een gemeenschappelijke cultuur deelt, een gemeenschappelijk verleden heeft verbonden is met een grondgebied en een gemeenschappelijk project heeft voor de toekomst en het recht opeist om zichzelf te regeren (Guibernau, 1999: 14).
Een natie is een specifieke politieke eenheid die gekenmerkt wordt door de soevereiniteit die erop uit is om de bevolking te integreren in de natie en die zijn rol wil spelen als actor op het internationale niveau (Schnapper, 1996: 219).
Een natie wordt opgevat als een grote gemeenschap die met elkaar verbonden is door een band die noch een gemeenschappelijke vorst is, noch het behoren tot een zelfde religie, noch het behoren tot een zelfde sociale klasse (Thiesse, 1999: 171).
Een natie is een menselijke bevolking die een historisch grondgebied, gemeenschappelijke mythes en herinneringen, een massa, een publieke cultuur, een enkele economie en gemeenschappelijke rechten en plichten voor alle leden deelt (Smith, 1996: 359).
Een natie is een verbeelde politieke gemeenschap die zowel beperkt is als soeverein (Anderson, 1995: 17).
Een natie is een groep die bestaat zolang de wil om stand te houden bestaat (Gellner, 1983: 7).
Een natie is een volk met een gedeelde solidariteit en identiteit erkennen gebaseerd op een gedeelde cultuur, geschiedenis en grondgebied (Guibernau & Goldblatt, 2000: 125).
2.2 Nationalisme door een sociologische bril
Tot de jaren 60 is de studie van het nationalisme hoofdzakelijk het werkgebied van historici. Het essay Thought and Change uit 1964 van Ernest Gellner betekent het startpunt van een intense productie van artikels, boeken en theorieën over nationalisme door sociale wetenschappers (Guibernau & Goldblatt, 2000: 125-128; Nairn, 1997: 1; Leerssen, 1999: 9; Smith, 1989: 7-8; 1996b: 371; 1998: 27-28). De definities die reeds gegeven zijn (cfr. supra), tonen aan dat verschillende auteurs andere accentpunten leggen. Een constante twistappel is echter de natie, die door allen als een wezenlijk attribuut van het nationalisme wordt gezien. De vraag is wat die natie is en waar ze vandaan komt.
Eerst kijken we, zoals zo dikwijls gebeurt in de sociale wetenschappen, wat de vaders van de sociologie over nationalisme gezegd hebben. Daarna schetsen we het grote nationalismedebat met als belangrijkste protagonisten Anthony Smith en zijn leermeester Ernest Gellner. Tot slot staan we even stil bij de recente visies op het nationalisme.
2.2.1 De klassieke sociologen: verbazend stil
Eigenlijk zegt de titel alles: de vaders van de sociologie hebben – op het eerste zicht – geen noemenswaardige bijdrage geleverd. Als we echter wat meer verbeelding aan de dag leggen, blijkt dat zij de latere theorievorming omtrent nationalisme gevoed hebben. De vaders van de sociologie zijn sterk beïnvloed door de maatschappelijke gebeurtenissen in de negentiende eeuw. Duitse filosofen zoals Herder en Fichte zien nationalisme immers als een middel om de individualiteit opnieuw vorm te geven in een tijd van rationalisme en industrialisering. Max Weber schrijft en werkt in een nationalistisch Duitsland dat pas één gemaakt is. Emile Durkheim werkt en leeft in een verbitterd Frankrijk dat in 1870 een smadelijke nederlaag tegen Duitsland heeft geleden (Harvie, 1994a: 94; Lauwers, 1998: hfdst IV&V).
Durkheim voedt – onrechtstreeks – het nationalisme met de ideeën van solidariteit uit De la division du travail. Het toenemende individualisme dat hij waarneemt in zijn negentiende-eeuwse maatschappij moet opgevangen worden door meer organische solidariteit om de cohesie van de samenleving te versterken. In Les formes élémentaires de la vie réligiuese benadrukt hij het belang van religieuze symbolen en rituelen voor het collectief bewustzijn van de leden van de samenleving (Guibernau & Goldblatt, 2000: 136-137; Lauwers, 1998: 56-80). Anthony D. Smith (1989) zal eveneens het belang van nationale symbolen en rituelen benadrukken voor het nationalisme.
Max Weber is voor de studie van het nationalisme belangrijk omdat hij de kenmerken van de moderniteit geïdentificeerd heeft aan de hand van de verschuiving van een religieus georiënteerd wereldbeeld naar een rationeel-legaal wereldbeeld. De secularisatie zorgt ervoor dat de religie minder en minder het bindmiddel wordt van de samenleving ten voordele van de wetenschap die de nieuwe bron van zekerheid biedt. De bureaucratisering zorgt voor een toenemend belang van een rationele en meer afstandelijke organisatie van de staat (Lauwers, 1998: 93-110).
2.2.2 Het grote debat
Zoals reeds gezegd beginnen vanaf de jaren 60 sociale wetenschappers meer en meer aandacht te besteden aan het nationalisme. De definities in paragraaf 2.1 geven ons het idee dat er geen eensgezindheid bestaat over wat nationalisme is en wat de rol of het belang van de natie is binnen het nationalisme. Naar analogie van de klassieke vraag “wat was er eerst: de kip of het ei?” kan men de kern van dit grote debat samenvatten als “wat was er eerst: de natie of het nationalisme?”.
2.2.2.1 De modernisten
Gellner noemt de twee kampen in het debat primordialisten en modernisten. De eersten stellen dat naties altijd bestaan hebben en dat het verleden van onschatbaar belang is voor een natie, terwijl de laatsten zeggen dat de wereld op het einde van de 18de eeuw gecreëerd is en dat het verleden van geen tel is (Gellner, 1996: 366).
De industrialisering, die het gevolg is van een technologische revolutie, verandert de samenleving ingrijpend: de secularisering kent een hoge vlucht en de staatsorganisatie wordt rationeler en afstandelijker. Hierdoor heeft de mensheid zich onomkeerbaar verbonden met de industriële maatschappij en daarmee met een samenleving met een productiesysteem dat gebaseerd is op cumulatieve wetenschap en technologie. Dit betekent dus het definitief verlaten van de agrarische maatschappij want het herstel daarvan zou niet meer kunnen voldoen aan de nieuwe maatschappelijke noden (Gellner, 1983: hfdst IV; 1996: 308).
Een bijverschijnsel van de industrialisering is de noodzaak van culturele homogeniteit. De bevolkingsexplosie die volgt op de industriële revolutie brengt immers arbeidsmigratie en verstedelijking op gang. Om de moderne maatschappij doeltreffend te ordenen is een centraal bestuur onontbeerlijk in een sterke staat. Om de mensen aan de staat te binden ontstaat, volgens Gellner, het nationalisme (Gellner, 1983: 57-62).
Gellner stelt dat het nationalisme een theorie is van politieke legitimiteit (1983, 1). Verder in zijn Nations and nationalism verduidelijkt hij wat hij daarmee juist bedoelt. Het doel van nationalisme is een cultuur politiek onderdak bieden. Hij bedoelt niet de lage cultuur uit de pre-industriële maatschappijen omdat daarin weinig of geen eenheid te vinden is, maar wel de hoge cultuur (onder andere wetten en gebruiken, schrift) die in eerste plaats gesymboliseerd wordt door een taal (Gellner, 1983: 62-63). De taal die hier bedoeld wordt, is de – geconstrueerde - eenheidstaal die gebruikt wordt in de overheidsadministratie en aangeleerd wordt in het onderwijs (Leerssen, 1999: 100-109). Daarom speelt het onderwijsapparaat, dat onder controle staat van het centrale gezag, een belangrijke rol in Gellners nationalistisch model omdat dat de motor is van de culturele homogenisering van de samenleving.
De natie heeft voor Gellner geen navel in het verleden (Gellner, 1996). De natie bestaat – op een gegeven ogenblik – enkel en alleen omdat mensen erbij willen horen. Gellner stelt dat de meeste culturen, zonder enig verzet, door de industriële beschaving naar de schroothoop van de geschiedenis worden geleid. Het nationalisme vindt immers naties uit en vernietigt andere in zijn drang naar homogenisering. Kortom, de natie is niet het ontwaken van een sluimerende, oude cultuur, maar in tegendeel de constructie van een nieuwe cultuur. Deze komt tot stand door onderwijs, opvoeding en sociale organisatie die beschermd wordt door de staat (Gellner, 1983: Hfdst V).
Hobsbawm (1994) stapt volledig in de voetsporen van Gellner. Hij zegt dat de natie een ultramodern verschijnsel is uit een bijzondere en historisch gezien recente periode en dat ze zeker geen belangrijke of onveranderlijke sociale entiteit is. De natie hangt nauw samen met een bepaald soort territoriale entiteit, namelijk de natiestaat en het is zinloos om buiten deze context over natie en nationalisme te discussiëren. Naties zijn toevallige creaties van de moderniteit om de individuen aan de nieuwe sociale realiteit te binden, maar die naties hebben geenszins wortels in het verleden. Het betreft hier, volgens hem, louter mensenwerk (Hobsbawm, 1994: 19-20). Uit de lectuur van Hobsbawms Natie en nationalisme sedert 1780 blijkt trouwens duidelijk zijn vijandige houding tegenover het nationalisme. Zo schrijft hij: “Ten slotte kan ik er slechts aan toevoegen dat geen enkele historicus die zich met naties en nationalisme bezighoudt, een toegewijd politiek nationalist kan zijn (…). Nationalisme vergt te veel geloof in iets wat duidelijk niet zo is.”[2] Gellner loopt trouwens ook niet hoog op met de kracht van de natie. Hij beschouwt haar eerder als de zwakke plek van het nationalisme. Er bestaan immers ontelbaar veel naties, als men uitgaat van taal of geschiedenis als criterium, maar de meeste komen niet tot ontplooiing, ze blijven sluimeren in de nevels van de geschiedenis of worden vergeten (Gellner, 1983: 67-68).
Benedict Anderson (1995) onderstreept het belang van de boekdrukkunst voor het ontstaan van het nationalisme op het einde van de 18de eeuw. De verspreiding van uniforme boodschappen via ‘massamedia’ levert immers een positieve bijdrage tot de integratie van de individuen in de moderne staat. Steunend op Max Webers beroemde essay Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus benadrukt Anderson tevens de rol van het kapitalisme. Zonder kapitaal in privé-handen zouden de technische nieuwigheden niet zo snel geleid hebben tot veranderingen in het productieproces en bijgevolg zou het ontstaan van de moderne, industriële maatschappij langer op zich gewacht laten hebben.
De natie is voor Anderson geen historisch gegroeide gemeenschap. Integendeel, ze is niets anders dan een verbeelde politieke gemeenschap (een groep individuen) die zowel beperkt is als soeverein. Hij erkent hier expliciet het bestaan van verschillende naties naast elkaar (beperkt), maar ze is verbeeld omdat de leden van de natie elkaar niet kennen. De natie bestaat slechts in de geest van de mensen en is bijgevolg niet tastbaar. Als kind van de Verlichting heeft die natie recht op haar soevereiniteit (Anderson, 1995: 17-19).
Samengevat is nationalisme voor de modernisten dus de remedie van de moderniteit om de individuen aan de staat te binden. Hiervoor wordt de natie geconstrueerd die de leden van de samenleving enerzijds zekerheid en geborgenheid geeft en anderzijds dienst doet als kern van de staat. Nationalisme is dus een culturele en politieke ideologie van de moderniteit, een cruciaal vehikel in de transformatie van traditionalisme naar industrialisme en in het bijzonder bij het tot stand komen van de moderne staat. Het onderwijs en de boekdrukkunst spelen hierin een belangrijke rol omdat zij motor zijn van de culturele homogenisering die levensnoodzakelijk is voor de cohesie binnen de staat.
2.2.2.2 De modernisten vertellen slechts de helft van het verhaal
Anthony Smith zegt dat hij van Ernest Gellner vier lessen geleerd heeft om nationalisme te bestuderen. Ten eerste speelt nationalisme een centrale rol om de moderne wereld te begrijpen. Ten tweede worden verschillende complexe fenomenen samengebracht onder de noemer nationalisme zodat een typologie onontbeerlijk is om die complexiteit te duiden. Ten derde leerde Smith van Gellner dat naties en nationalisme een sociologische realiteit zijn. De vierde les is dat naties en nationalisme louter producten zijn van de moderniteit. Het is deze laatste les die het grote verschil uitmaakt tussen de visie van Gellner en Smith aangezien Smith historische wortels van een natie onontbeerlijk vindt (Smith, 1996b: 371-372).
Gellner noemt dit het debat tussen modernisten en primordialisten (Gellner, 1996: 366). Smith vindt deze tweedeling te arbitrair aangezien in zijn visie primordialisten uitgaan van het beeld van natuurlijke naties, ingebed in een natuurlijke orde, zonder de belangrijke rol van de moderniteit te aanvaarden. Daarom neemt hij een middenpositie in die aandacht heeft voor de modernistische these en tegelijkertijd de traditie en de geschiedenis niet vergeet (Smith, 1989: 7-13; 18; 1996a: 361-363; 1996b: 372). Dit tweede kamp zullen we voorlopig ‘historicisten’ noemen naar analogie met McCrone (1998a).
In zijn boek The ethnic origins of nations gaat Smith (1989) op zoek naar het belang van historische banden voor de natie. Zijn uitgangspunt is dat naties de moderniteit vooraf gaan in heel wat gevallen want hij stelt vast dat er vaak een grote continuïteit bestaat tussen premoderne en moderne samenlevingen. Voor hem is de etnie de sleutel tot de moderne natie. In tegenstelling tot de modernisten die natie definiëren aan de hand onderwijs, wetten of economie vindt hij deze kenmerken niet voldoende om de – gewilde – emotionele band aan de natie te verklaren. De passie die het nationalisme opwekt, moet haar oorsprong ergens anders hebben namelijk in de geschiedenis, gebruiken en tradities (Smith, 1996b: 375-378). De etnie wordt gevormd door mythes, herinneringen, waarden en symbolen die de basis vormen van het groepstoebehoren (Smith, 1989: 15).
Het behoren tot een natie of – anders gezegd - de identiteit is een gevoel dat eerder gebaseerd is op geschiedenis en cultuur dan op een collectiviteit of ideologie. Die nood aan identificatie met een gemeenschap om een individuele identiteit en zelfrespect te vormen, is een functie van socialisatie in de historisch-culturele gemeenschap. De vorm en de intensiteit van de symbolische inhoud en betekenis van dat gemeenschappelijk verleden kan veranderen doorheen de tijd, maar de mobilisatiekracht blijft min of meer onveranderd (Smith, 1989: 13-16).
De meest verspreide en gedeelde eigenschappen van een etnische gemeenschap zijn taal en godsdienst, maar gebruiken, instellingen, wetten, architectuur en kunst kunnen een aanvulling zijn of zelfs hun plaats innemen. Het unieke karakter van de etnie zorgt ervoor dat men zich kan affirmeren tegenover anderen en geeft de gemeenschap een bepaalde identiteit, niet enkel in de eigen ogen, maar ook in de ogen van buitenstaanders. Smith geeft zes dimensies die de eigenheid van de etnie typeren: een collectieve naam, een gemeenschappelijke afkomst die door mythes gecultiveerd wordt, een gedeelde geschiedenis, een cultuur die de eigenheid vorm geeft, een band met een specifiek grondgebied en een gevoel van solidariteit dat de kern vormt van het groepstoebehoren (Smith, 1989: 21-46).
Ook Gellner heeft onderzocht of taal en geschiedenis wezenlijke eigenschappen zijn van de natie, maar hij komt tot de conclusie dat in dat geval veel naties niet wakker zouden worden (Gellner, 1983: 60-72). Smith is het in grote mate eens met die stelling en zegt dat niet alle etnieën noodzakelijkerwijs zullen uitgroeien tot naties. De wil om uit te groeien tot een natie in de moderniteit wordt ingegeven door vier factoren die – apart of samen - het lot van de etnie zullen bepalen. Die vier zijn: (1) de grootte en de omvang van de bevolking en het grondgebied ten opzichte van de buren, (2) de compactheid van het grondgebied en de verdedigbaarheid van de grenzen, (3) de afstand tot de centra van macht en rijkdom: hoe groter de afstand, hoe groter de kans dat men een natie zal vormen of anders gezegd: in een staat waar verschillende etnieën samenleven, is de kans groter dat een etnie uit de periferie (bijvoorbeeld – relatief - ver van de hoofdstad, die meestal in het gebied van een andere etnie ligt) daadwerkelijk een natie wordt en (4) de aanwezigheid van grondstoffen en andere economische troeven zoals infrastructuur (bvb havens, wegen) die de autonomie van de natie kunnen waarborgen (Smith, 1989: 94-96).
Afrondend kunnen we zeggen dat in Smiths ogen de modernisten dus maar de helft van het verhaal vertellen. Naties zijn inderdaad tot volle wasdom gekomen sinds het einde van de 18de eeuw, maar ze zijn niet louter een creatie van de moderniteit. Zij vinden hun oorsprong in een etnie die met wisselende intensiteit de natie vorm geeft en bindt. Het pure modernisme kan de natie niet historisch situeren en kan dus de diepere wortels van de etnie niet ontwarren.
2.2.2.3 Een samenvatting van het debat
Modernisten en historicisten zijn het eens over de sociologische realiteit van de natie. De natie is de categorie bij uitstek om het nationalisme te analyseren aangezien zij de kern vormt van de natiestaat. De natiestaat komt nog uitgebreid aan bod in de volgende hoofdstukken. Waarin historicisten en modernisten echter verschillen, is het wezen en de geboorte van de natie. Voor deze laatsten is de natie het gevolg van het nationalisme en is ze een poging van de moderne staat om de bevolking aan zich te binden. De eenheidstaal die door de staat gepropageerd wordt door het onderwijssysteem is het voornaamste bindmiddel. De eersten daarentegen benadrukken dat naties in zekere zin de erfgenaam zijn van veel oudere etnieën. Vanuit die naties is het nationalisme ontstaan dat de moderne staten gevormd heeft. De rol van symbolen, mythen en tradities voor de natie is voor de historicisten van wezenlijk belang.
2.2.3 Nieuwe ontwikkelingen in de studie van het nationalisme
Ook bij Rogers Brubaker staat de opvatting van de natie centraal. Hij bestudeert vooral de uitingen van nationalisme in Oost-Europa en de voormalige Sovjetunie. Daar onderscheidt hij drie vormen van nationalisme. Het nationaliserend nationalisme van recent onafhankelijk geworden staten bestaat uit het sterk benadrukken van de eigenheid en het unieke karakter van de kernnatie die vóór de onafhankelijkheid onderdrukt werd in een groter staatsverband. Thuisland– of grensoverschrijdend nationalisme[3] verdedigt het recht om de belangen te beschermen van mensen die tot dezelfde natie behoren, maar niet binnen dezelfde staatsgrenzen wonen[4]. Dit is een reactie op het nationaliserend nationalisme. Zijn laatste vorm van nationalisme is dat van nationale minderheden. Hij vat minderheid hier niet op als een etnisch-demografisch feit, maar wel als een politieke term. Dergelijke nationale minderheden willen dat de staat, waarin ze leven, hun eigen etnisch-culturele identiteit erkent. Beide laatste vormen van nationalisme staan haaks op het nationaliserend nationalisme (Brubaker, 1996: 4-7).
Voor Brubaker spitst de discussie over het nationalisme zich ook toe op de natie. In reactie op Smith en Gellner die de natie eerder als een categorie van de analyse zien, vindt Brubaker dat men de natie eerder als een categorie van de praktijk moet beschouwen. Volgens hem heeft de natie immers geen constant karakter. Hij baseert zich onder andere op de rational choice-theorie die voorhoudt dat individuen die actie zullen ondernemen die hun het meeste profijt oplevert. Ook put hij uit de postmodernistische logica om de erosie van vaste samenlevingsverbanden en duidelijke grenzen te benadrukken ten voordele van kortstondige, fragmentaire en toevallig geconstrueerde verbanden. De natie is het resultaat van een sociaal proces (cfr netwerktheorie) dat vandaag bestaat, maar morgen andere associaties kan aangaan. Ernest Renan vatte dit in 1882 reeds mooi samen: “Les nations ne sont pas quelque chose d’éternel. Elles ont commencé, elles finiront.”[5] Daarom zegt hij dat men niet de vraag moet stellen “wat is de natie?”, maar wel hoe het behoren tot een natie politiek en cultureel geïnstitutionaliseerd is. Met andere woorden: hoe werkt de natie als praktische categorie of als classificatieschema (Brubaker, 1996: 13-22).
Tot slot nog iets over Montserrat Guibernau. Zij levert niet zozeer een nieuwe, baanbrekende theoretische bijdrage aan de theorievorming omtrent nationalisme. Wel besteedt zij ruim aandacht aan de relatie tussen nationalisme en globalisering en bestudeert zij de concrete uitingen van het nationalisme op de drempel van het derde millennium. Guibernau spitst haar aandacht toe op wat zij noemt ‘naties zonder staat’. Dit zijn culturele gemeenschappen die een gemeenschappelijk verleden delen, verbonden zijn met een specifiek grondgebied en zelf hun toekomst willen bepalen zonder dat ze momenteel een eigen staat hebben (Guibernau, 1999: 1-2). Het nationalisme van de naties zonder staat bedreigt de negentiende-eeuwse natiestaat die op zijn beurt zelf in grote mate het product was van het nationalisme. Verder in deze verhandeling zal meer aandacht besteed worden aan de inzichten uit Nations without states van Guibernau.
2.2.4 De verschillende benaderingen van het nationalisme
In Nationalism and modernism brengt Smith (1998: 223-225) de verschillende benaderingen van het nationalisme samen in een bondig overzicht. Tussen haakjes worden steeds enkele vertegenwoordigers van die denkrichting weergegeven.
De primordialisten gaan ervan uit dat de natie een sociaal en cultureel fenomeen is dat altijd bestaan heeft en gebaseerd is op taal, religie, territorium en afkomst. De banden die bestaan tussen etniciteit en afkomst of territorium vormen de motor van het samenhorigheidsgevoel van de natie (Geertz).
Voor de perennialisten zijn naties de lange termijn componenten zijn van een historische ontwikkeling. Naties zijn voor hen ontstaan uit fundamentele verwantschappen en geen instrumenteel product van de moderniteit (Seton-Watson).
Natie en nationalisme zijn een product van de moderniteit volgens de modernisten. Zonder het ontstaan van de moderne staat zou het nationalisme niet geboren zijn. Elites spelen een belangrijke rol in de promotie ervan via staatsondersteunende cultuur, onderwijs en massamedia (Gellner, Hobsbawm, Anderson, Nairn).
De etno-symbolisten wijzen op de symbolische erfenis van een etnische identiteit voor bepaalde naties. Zij tonen aan dat moderne naties hun verleden en tradities herontdekken als ze geconfronteerd worden met de problemen van de moderniteit (Smith).
De recentste ontwikkelingen in de studie van het nationalisme plaatst Smith onder de noemer postmodernisten. Zij gaan uit van het bestaan van een postnationale orde, een bewuste identiteitspolitiek en het bestaan van een supranationale cultuur (Brubaker).
2.3 Natie en identiteit
Met de enkele definities van natie aan het begin van dit hoofdstuk en de elementen uit het sociologische debat in ons achterhoofd kunnen we besluiten dat de natie bestaat uit een groep mensen die de wil koesteren om samen te blijven. Bartkus (1999: 14) ontdoet het begrip natie van al haar ‘beladen’ en emotionele kenmerken en noemt haar simpelweg ‘distinct community’ of anders gezegd: een duurzame groep mensen met een gemeenschappelijke blik op de toekomst die een bepaald grondgebied bewoont en zich onderscheidt van andere groepen.
Toch is de identiteitsvorming van wezenlijk belang voor het groepstoebehoren. Volgens Brubaker (1996: 79-80) heeft nationalisme trouwens te maken met het feit dat de identiteit van een natie niet goed uitgedrukt of gerealiseerd wordt in de politieke instellingen en de politieke praktijk. Daarom zullen we hier aandacht besteden aan het concept ‘nationale identiteit’ en vervolgens aan het onderscheid tussen civic en etnisch nationalisme.
2.3.1 Nationale identiteit
Een identiteit wordt grotendeels gevormd tijdens de socialisatie in het gezin en de directe leefomgeving. Daarnaast spelen onderwijs (Gellner) en media (Anderson) ook een belangrijke rol in het stroomlijnen van die identiteit. Vandaag spelen ook de moderne massamedia een niet te onderschatten rol in de identiteitsvorming (Jalata, 2001: 389-390). De vraag die we moeten stellen is echter niet alleen via welke weg een identiteit wordt overgedragen, maar ook waarop die identiteit gebaseerd is.
Thiesse zegt, zich baserend op Gellner en andere modernisten, dat de culturele identiteit een constructie is van de 19de eeuw. Plastisch uitgedrukt gebeurt dit als volgt: de elite stopt alle vermeende of soms louter lokale tradities, symbolen en historische gebeurtenissen in een grote pot en distilleert hieruit een identiteit voor de natie. Deze identiteit staat dan borg voor het broodnodige samenhorigheidsgevoel van de natie die ontstaan is om de burgers aan de staat te binden. Volgens deze visie is een identiteit dus het gevolg van een toevallige samenloop van omstandigheden (Cederman, 2001: 142: Thiesse, 1999: 33).
Smith daarentegen zegt dat de identiteit gevormd wordt in een diepgewortelde etnie (cfr. supra). De noodzaak van het bestaan van een identiteit is daarom geenszins het gevolg van de moderniteit, integendeel, moderne staten konden niet ontstaan zonder dat er reeds een identiteit bestond! Hij beroept zich voor die identiteit op symbolen, geschiedenis, normen en waarden. Wel geeft hij toe dat de waarheid soms onrecht wordt aangedaan en dat kleine gebeurtenissen door het nationalisme plots van veel groter belang worden. Dat is voor hem echter geen onoverkomelijk probleem aangezien de belangrijkste taak van die symbolen is de mensen een gevoel van gemeenschappelijkheid te geven (Smith, 1996a: 361-363).
Kortom, de identiteit van een natie heeft tot doel om de leden ervan een gevoel van gemeenschappelijkheid te geven. Ook beseft men dat men door de eigen identiteit anders is dan de anderen. Hiervoor doet men een beroep op een – al dan niet geconstrueerd of opgesmukt – gedeelde geschiedenis, symbolen, waarden en tradities.
2.3.2 Civic en etnisch nationalisme
Het civic nationalisme benadrukt vooral het territoriale aspect van de natie en de wil om er toe te behoren. Het kijkt naar de duidelijke, geografische grenzen en de jurisdictie van een staat over dat omsloten grondgebied om te definiëren wie tot de natie behoort. Deze natie krijgt vorm door een geheel van wetten en instellingen. De individuen die tot de natie behoren, krijgen het burgerschap ervan. Dit moet echter niet enkel opgevat worden in de zin van rechten en plichten, maar ook via solidariteit door middel van actieve sociale en politieke participatie binnen de staat. Het ius soli bepaalt hier het behoren tot de natie (Guibernau, 1999: 29-32; Schnapper, 1996: 219-220; Smith, 1989: 135-137).
Het etnisch nationalisme baseert zijn lidmaatschap van de natie op de idee van afkomst. De natie is een groep mensen die allen een zelfde geschiedenis, tradities en symbolen delen. De motor achter dit nationalisme is niet de staat met zijn instellingen en wetten, maar wel de mobilisatie van de massa door een beroep te doen op de banden met de etnie. Hier is de bloedband of ius sanguinis de bepalende factor voor het al dan niet lid zijn van de natie (Brubaker, 1996: 17; Smith, 1989: 137-138).
In de inleiding werd reeds melding gemaakt van de verschillende emoties die nationalisme kan opwekken. Als we het onderscheid tussen civic en etnisch nationalisme bekijken, valt onmiddellijk op dat beide een mechanisme van uitsluiting bevatten. In principe is het onmogelijk om als vreemdeling toe te treden tot een natie volgens het etnisch nationalisme. Het spreekt voor zich dat dergelijk exclusiemechanisme negatieve gevoelens opwekt in een wereld die antidiscriminatie hoog in het vaandel voert. Voor het civic nationalisme lijkt het uitsluitingsmechanisme aanvaardbaar. Er wordt geen beroep gedaan op afkomst om te bepalen wie tot de natie behoort. Het is immers - min of meer - een bewuste keuze om al dan niet lid te zijn van de natie.
Toch moet de tweedeling etnisch versus burgernationalisme genuanceerd worden omdat zij te scherp is. Correcter is het om civic en etnisch nationalisme te zien als twee uitersten van een spectrum. Elke vorm van nationalisme bevat - in min of meerdere mate - zowel etnische als burgerlijke componenten aangezien steeds beroep wordt gedaan op een - al dan niet geconstrueerd – verleden of afkomst en men middelen zoekt om de eigenheid van de natie te institutionaliseren (McCrone, 1998a: 127; Schnapper, 1996: 229-234; Smith, 1989: 214-217).
2.3.3 Neonationalisme?
Een belangrijke vraag die gesteld moet worden, is of het nationalisme van vandaag nog wel hetzelfde nationalisme is als in de 19de eeuw. Toen was het nationalisme immers de kracht die de staat moest vormen en de gemeenschap moest binden aan een gemeenschappelijke identiteit. Vandaag blijkt dat veel - zoniet alle - klassieke natiestaten bestaan uit verschillende naties met alle gevolgen van dien: staten kunnen uiteenvallen, kleinere naties kunnen verdrukt worden etc. In het vierde hoofdstuk bekijken we de problemen van de complexe samenstelling van de natiestaten.
De complexe samenstelling van de natiestaat heeft tot gevolg dat het nationalisme minder en minder monocultureel wordt. Men neemt een verschillende identiteit aan naargelang de omstandigheden. Dergelijke uitingen van nationalisme komen trouwens hoofdzakelijk voor in regio’s die relatief gezien welvarend zijn. Omwille van deze culturele volatiliteit zijn etnische banden ook minder belangrijk, hoewel ze nog steeds hun rol spelen in de groepsvorming met betrekking tot een bepaalde identiteit. Dit betekent ook dat er een belangrijkere rol is weggelegd voor de burgerlijke componenten van deze nieuwe evolutieve vorm van nationalisme aangezien dit neonationalisme zich zal roeren op het politiek forum met de roep om een of andere vorm van politieke autonomie (McCrone, 1998a: 128-129; Schnapper, 1996: 230-231).
2.4 Een synthese van het nationalisme
Uit de literatuur is het duidelijk dat nationalisme een modern fenomeen is dat niet los gezien kan worden van de staat. Het debat tussen Smith en Gellner, om slechts twee protagonisten te noemen, is boeiend, maar eigenlijk slechts van secundair belang om het nationalisme van vandaag te begrijpen. Dat debat draait immers om de zijnsgeschiedenis van naties. Beiden zijn het er over eens dat naties bestaan, maar verschillen van mening hoe ze bestaan.
De term ‘distinct community’ die Bartkus gebruikt, is daarom goed gekozen: een natie is een gemeenschap die op dit moment bestaat en verschilt van alle andere gemeenschappen. Om de samenhang in de gemeenschap te versterken doet zij een beroep op gedeelde cultuur en geschiedenis die ook verbonden is met een bepaald grondgebied. Of die natie het product is van een geconstrueerde geschiedenis of diepere wortels in het verleden heeft, is daarbij niet zo belangrijk. Feit is dat dergelijke gevoelens opgewekt worden voor de groepscohesie. Daarom lijkt het ook een goed idee om de natie in de eerste plaats te beschouwen als een categorie van de praktijk zoals Brubaker opmerkt. Op deze manier kunnen we immers nagaan wat de natie vandaag is en wat ze wil bereiken. Door natie als een praktische categorie te beschouwen hebben we ook aandacht voor het feit dat er verschillende naties (cq identiteiten) naast elkaar kunnen bestaan en dat men dus ook, naargelang de omstandigheden, tot een andere natie (cq identiteit) kan behoren.
Nationalisme is dan enerzijds de beweging die ernaar streeft dat de natie zelf haar lot kan bepalen en is anderzijds de uitdrukking van de verbondenheid met de natie. Zo gedefinieerd overspant nationalisme een hele resem uitingen van onafhankelijkheidsbewegingen tot collectieve emoties bij sportmanifestaties of prinselijke huwelijken.
In een zin samengevat kunnen we zeggen dat de verschillende gemeenschappen in de wereld zich kunnen onderscheiden van elkaar dankzij het nationalisme.
Even een zijsprongetje. Globalisering is vandaag een populair onderwerp, ook in de – wetenschappelijke – literatuur. Een klein ‘onderzoekje’ toont dit aan. In de Anet-catalogus vindt men 478 sociaal-wetenschappelijke boeken met globaal of globalisering[6] in de titel die in 1990 of later verschenen zijn. Voor 1990 zijn dat er amper 85. De globalisering is dus duidelijk een onderwerp dat tijdens de laatste jaren ‘in de lift’ zit.
3.1 De globalisering beschreven
3.1.1 Afstanden vervagen
De laatste 100 jaar kende de menselijke mobiliteit een hoge vlucht: men kan steeds grotere afstanden afleggen in steeds minder tijd. Dit maakt dat de mens ook los komt van de grond waarop hij geboren is. Hij is niet meer gebonden aan zijn woonplaats, maar trekt de wijde wereld in om te werken, te studeren of louter als ontspanning. Door deze ongebondenheid komt de moderne mens ook gemakkelijker in contact met allerlei – vreemde – culturen dan zijn voorouders amper honderd jaar geleden (de Pater, 1995: 2-4; Schmidt, 1998: 13-14; Trazegnies Granda, 2000: 3).
Niet alleen fysieke afstanden krimpen, ook op communicatievlak is er heel wat veranderd. De moderne media (radio, televisie en internet) brengen ons op minder dan geen tijd op de hoogte van wat er in de wereld gebeurt. We weten soms beter wat er in de bergen van Afghanistan gaande dan wat er in de eigen gemeente gebeurt. Ook maakt de draadloze, mobiele telefonie het mogelijk dat we op alle momenten op bijna alle plaatsen ter wereld bereikbaar zijn (Hertz, 2001: 14-15, 33; Schmidt, 1998: 12, 121; Scholte, 1998: 517; Thrift, 2000: 73).
3.1.2 Economie als uithangbord
Het vervagen van die afstanden hangt nauw samen met een verdere technologische vooruitgang (Schmidt, 1998: 25-26; Went, 1996: 15). De economie daarentegen is reeds langer een globaliserend fenomeen. Sinds het midden van de 18de eeuw zorgt de eerste industriële revolutie voor een ingrijpende verandering in de productiemethodes: fabrieken vervangen meer en meer de – hoofdzakelijk – autarkische productie van individuen. Geleidelijk aan vindt de grotere productie een afzetmarkt die heel de wereld omvat. De internationale markt die hierdoor ontstaat is tevens een noodzakelijke voedingsbodem voor het kapitalistische systeem (Cuyvers, 2001: 15; Thijs: 104-107).
Als de media vandaag over de globalisering spreken, bedoelen zij meestal de economische dimensie ervan. Deze is ook het meest tastbare. Grote bedrijven brengen hun producten overal ter wereld aan de man. Enorme geldhoeveelheden veranderen elke dag van eigenaar (Clark, 1997: 19-20; Schmidt, 1998: 27-34; Went, 1996: 11-19).
Van regelgeving is in de wereldeconomie weinig sprake. De Wereldhandelsorganisatie waakt erover dat de internationale handel zo vrij mogelijk kan verkopen. Economen poneren trouwens dat vrijhandel de welvaart verhoogt (Cuyvers, 2001: 65-76) Ook lijkt de liberale economische ideologie de enige in de wereld na de implosie van het communisme: meer en meer landen omarmen het principe van de vrije markt en het daarmee gepaard gaande kapitalisme. De parlementaire democratie is het regimetype dat die vrije markt ondersteunt. Kortom, er zijn geen alternatieven meer voorhanden (Busch, 2000: 28-29; Clark, 1997: 18; Fukuyama, 1992).
De massale protesten van de laatste jaren hebben echter duidelijk gemaakt dat niet iedereen tevreden is over de economische globalisering. Naomi Klein (2000) klaagt in No logo de uitwassen van de wereldeconomie aan. In het kader van winstmaximalisatie verplaatsen multinationale bedrijven hun productie naar lagelonenlanden en laten ze in hun kielzog een spoor van sociale drama’s achter. Toch slaagt Klein, net als zoveel andere uithangborden van de protestbeweging tegen de huidige globalisering, er momenteel niet in om het stadium van analyse en aanklacht te overstijgen en alternatieven aan te reiken die reëel haalbaar zijn (Barrez, 2001: 244-251).
De Cambridge-econome Noreena Hertz (2001) daarentegen legt de zwakke plek in het globaliseringsverhaal pijnlijk bloot. In The silent takeover verdedigt zij de stelling dat er niet minder, maar juist meer globalisering nodig is. De economie trekt zich niets meer aan van grenzen, terwijl de politiek nog steeds gevangen zit in haar territoriale container. Grensoverschrijdende politieke is vandaag immers quasi onbestaande. Voor politici staan nationale belangen nog steeds voorop, terwijl transnationale bedrijven niet meer gebonden zijn aan een bepaald land. Bijgevolg kunnen deze laatste - relatief - gemakkelijk hun activiteiten verplaatsen naar die landen en regio’s die hun het meeste profijt opleveren. De cruciale vraag is hoe beide – terug – verzoend kunnen worden. Ook zij blijft hier nogal vaag, maar ze stelt wel een interessante vraag. In het vervolg van dit hoofdstuk zullen we daar verder op in gaan. Eerst gaan we echter de globalisering sociologisch onder de loep nemen.
3.2 Globalisering door de bril van de socioloog
3.2.1 Globalisering, oude wijn in nieuwe zakken?
Begin jaren negentig van de vorige eeuw maken we de steile opgang mee van de term globalisering. Sommigen gebruiken hem als een goedkoop substituut voor een ontbrekende ‘grand theory’ van de nieuwe wereldorde na de implosie van het communistische blok. Voor anderen is de globalisering een manier om de verschillende trends in de sociale, politieke en economische organisatie van de wereld te duiden (Ágh, 2000: 128-129; Busch, 2000: 21; Clark, 1997: 18; Friedman, 1995: 72; Wincott, 2000: 173-174).
De vraag is echter of de globalisering wel zo nieuw is. Wat betreft het woordgebruik misschien wel, maar reeds verschillende tientallen, zelfs honderden jaren worden concepten, theorieën en dergelijke verspreid over heel de wereld. Het principe cuius regio eius religio,[7] dat nauw verbonden is met de Westfaalse staat, zorgde ervoor dat staten vrij hun godsdienst konden kiezen. Tevens betekende de vrede van Westfalen van 1648 de start van het moderne statensysteem (Friedman, 1995: 71; Nederveen Pieterse, 1995: 49; Opello & Rosow, 1999: 159-222; Scholte, 1998: 517; Trazegnies Granda, 2000: 4).
3.2.2 Globalisering, een operationalisering
Als een ding duidelijk moet zijn, is het wel dat globalisering een concept is met verschillende dimensies (Beck, 2000: 87-88; Nederveen Pieterse, 1995: 45; Thrift, 2000: 71; Wincott, 2000: 175). Volgende twee voorbeelden illustreren dit.
De Duitse socioloog Ulrich Beck gebruikt voor het economische aspect van de globalisering de term globalisme die duidt op het primaat van de economie. Met globaliteit bedoelt hij het feit dat we al zo lang in een maatschappij leven die eigenlijk de hele wereld omvat zodat het belang van grenzen vandaag louter een illusie is. De globalisering an sich is het geheel van processen waardoor soevereine nationale staten doordrongen en ondermijnd worden. Belangrijk hierbij zijn de transnationale actoren (Beck, 2000: 9-11).
Scholte geeft vier benaderingen van globalisering. In de eerste focust hij op de verspreiding van verschillende objecten en perspectieven over heel de wereld. De intensivering van contacten en van interdependentie tussen landen staat centraal in de tweede. De klemtoon van de derde opvatting ligt op het vrijmaken van het verkeer en goederen tussen landen. De vierde benadering duidt op een proces van deterritorialisering in de zin dat grenzen vervagen en de wereld een ruimte wordt (Scholte, 1998: 517).
Wat Scholte en Beck gemeen hebben, en met hen verschillende andere benaderingen van globalisering (Featherstone & Lash, 1995), is het economische aspect, de ruimtelijke uitgebreidheid en het veelvuldige, wisselende contact tussen actoren. Als we globalisering willen operationaliseren zijn die drie factoren nodig, samen met een factor ‘stabiliteit over tijd’ (Beck, 2000: 12). Deze laatste is noodzakelijk om het toeval te weren. Meteen is dit ook een antwoord op de mensen die beweren dat globalisering eigenlijk niet bestaat. Reeds geruime tijd merkt men immers dat de wereld meer en meer interdependent wordt, dat technologische ontwikkelingen grenzen doen vervagen en dat handel, geldstromen en multinationale bedrijven de wereld omspannen (Schmidt, 1998: 32-33; Stokes, 2001: 19-20; Trazegnies Granda, 2000: 3; Wincott, 2000: 173-176).
3.2.3 Globalisering en moderniteit
In het vorige hoofdstuk stelden we dat nationalisme onlosmakelijk verbonden is met de moderniteit. De vraag is nu wat de relatie tussen globalisering en moderniteit is. Met het voorgaande in ons achterhoofd lijkt er een dualistische verhouding te bestaan tussen beide.
Langs de ene kant hebben we de moderniteit. De industriële revolutie uit de 18de eeuw is de katalysator van de modernisatie. De nieuwe manier van denken blijft niet beperkt tot het industriële, maar vindt tevens ingang in de andere facetten van de maatschappij. Individualisering, secularisering en rationalisering zorgen voor een verandering in de normen en waarden van de mens. Het ancien régime ruimt plaats voor de moderne staat die de unie is van samenleving en individu. Dit statensysteem wordt de norm voor de organisatie van de – westerse – wereld (Beck, 2000: 101; Busch, 2000: 25-26). Dit is trouwens ook de kern van het realistische paradigma in de internationale betrekkingen waarbij staten voorgesteld worden als unitaire, rationele actoren die streven naar macht.
De staat is dus een wezenlijke organisatievorm van de moderniteit. Hier ligt juist het probleem van de globalisering. De moderniteit focust heel sterk op het territoriale, materiële aspect. Vandaag zien we echter dat grenzen steeds minder belangrijk worden. Op het internet bestaan geen barrières, afstanden zijn voor de moderne transport- en communicatiemiddelen eigenlijk onbestaande. Anders gezegd: de moderne staat met zijn grenzen mag dan wel een geglobaliseerd fenomeen zijn, de globalisering trekt zich in feite niets aan van de materiële grenzen en beperkingen van de staat (Beck, 2000: 3-4; Scholte, 1998: 517-518; Went, 1996: 45-47).
De globalisering vindt zijn wortels in de moderniteit: de technologische ontwikkeling, de verspreiding van het moderne statensysteem over heel de wereld die de – latere – onderlinge contacten mogelijk maakt (Nederveen Pieterse, 1995: 45-49; Robertson, 1995: 27). Deze kiemperiode noemt Beck (2000: 8) de eerste moderniteit. De globalisering is echter pas recent tot volle wasdom gekomen. Beck duidt dit aan met de term tweede moderniteit. Twee keer ‘moderniteit’ gebruiken is verwarrend, maar hij heeft er een bedoeling mee. Enerzijds wil hij de continuïteit tussen beide periodes benadrukken, maar anderzijds wil hij ook niet voorbijgaan aan het feit dat de mensheid vandaag de idealen van de Verlichting deels achter zich gelaten heeft en dat de staat de individuen steeds moeilijker aan zich kan binden. De deterritorialisering zet zich door en transnationale en niet-statelijke actoren gaan een belangrijkere rol spelen in de wereld (Beck, 2000: 101-108). Featherstone en Lash gebruiken ongeveer dezelfde invulling als Becks tweede moderniteit om globalisering een postmoderne theorie te noemen (Featherstone & Lash, 1995: 1-3).
3.3 Globalisering en politiek
Tot nu toe hebben we vooral niet-politieke aspecten van de globalisering behandeld. De globalisering heeft echter ook grote gevolgen voor de politiek. Dit wordt het duidelijk als we spreken over het meest verspreide - zeg maar globale - politieke analyseniveau, namelijk de staat. De technologische vooruitgang en de internationalisering van de economie zorgen ervoor dat staatsgrenzen onbestaand lijken. Nationale economieën moeten ingepast worden in de wereldeconomie als ze van enig belang willen blijven en de regelgeving moet tot een minimum beperkt blijven. Althans zo wil de dominante liberale ideologie het.
De internationalisering van de economie is ook het grootste probleem voor de politiek want deze kan niet volgen. Vandaag lijken er op economisch vlak weinig verschillen tussen de politieke ideologieën. Ze staan allemaal een of andere vorm van markteconomie voor. Ze hebben echter te laat gemerkt dat de zeggenschap over de – veelal – multinationale bedrijven hen ontsnapt is. Dergelijke bedrijven kunnen een beleid voeren dat grenzen overstijgt terwijl de politiek gevangen blijft in haar nationale container. Sommige critici van de huidige globalisering zeggen dan ook dat bedrijfsleiders de politici van vandaag en morgen zijn. (Hertz, 2001: 114). Voor een samenleving die de democratie hoog in haar vaandel draagt, is dit problematisch omdat het beleid van bedrijfsleiders niet onderworpen is aan democratische controle, noch democratische legitimiteit bezit.
De globalisering veroorzaakt ook een politieke schokgolf. Staten en samenlevingen met een sterk economisch zelfbewustzijn (bijvoorbeeld Duitsland) voelen zich bedreigd van buitenaf omdat nationale – economische – symbolen zoals de eigen munt in de verdrukking komen en zelfs verdwijnen. Sterke welvaartstaten zoals België, Frankrijk en Nederland voelen zich bedreigd in hun bestaan want de economie ontsnapt hun meer en meer, terwijl ze wel blijven zitten met de sociale gevolgen[8] (Beck, 2000: 13-14; Habermas, 1999: 48).
Op het internationale politieke forum zien we dat staten hun alleenrecht verliezen. Niet-statelijke en transnationale actoren spelen een steeds belangrijkere rol. Ook vervaagt het onderscheid tussen nationale en internationale politiek. Internationale gebeurtenissen hebben een grote invloed op het binnenlands beleid van een land (Busch, 2000: 26-28; Schmidt, 1998: 62; Viotti & Kauppi: 199-221).
De nationale staat lijkt zijn eigenheid te verliezen als behoeder van het nationale belang. Multinationale bedrijven, niet-gouvernementele organisaties of internationale organisaties, allemaal knabbelen ze aan de bevoegdheden van de staat wat leidt tot een verlies aan staatssoevereiniteit (Beck, 2000: 15; Busch, 2000: 24; Stokes, 2001: 25-26). Een belangrijke opmerking is hier echter op zijn plaats: een staat kan alleen bevoegdheden afstaan als hij dat zelf wil. Vandaag hebben staten nog steeds de sleutels in handen van de internationale verdragen (Clark, 1997: 25).
De dominantie van de economie in de relaties tussen staten wordt trouwens mooi geïllustreerd aan de hand van de Europese integratie. De Europese unie zoals we haar vandaag kennen, is begonnen als een vergaande economische samenwerking. Die samenwerking moest een nieuwe oorlog in Europa voorkomen en de lidstaten een grotere welvaart bezorgen. Over deze economische motor bestond grote eensgezindheid. Pas later is men gaan werken, met wisselend succes, aan de politieke eenmaking. Anders dan bij de economische consensus, is de politieke eensgezindheid tussen de verschillende lidstaten soms ver te zoeken. Dit is een indicatie dat de politiek nog niet in staat is om de nationale grenzen te ontstijgen, terwijl de economie daar reeds lang in geslaagd is (Beck, 2000: 156-160; Clark, 1997: 25; Habermas, 1999: 50; Wincott, 2000: 168-190).
3.4 Globalisering en identiteit
In het vorige hoofdstuk stelden we dat nationalisme een beweging is die er – onder andere – op gericht is om de mensen aan de staat te binden door hen een gemeenschappelijke identiteit te geven. De vorige paragrafen maakten echter duidelijk dat de staat meer en meer van zijn pluimen verliest in dit tijdperk van globalisering. Als we deze twee gegevens samenbrengen, kan het niet anders of er moet een spanning ontstaan.
Advocaat van de duivel spelend zouden we de stelling kunnen poneren dat globalisering leidt tot een globale cultuur met een globale identiteit. Hier valt veel voor te zeggen. Velen zien de globalisering als de finale uitdrukking van de Amerikaanse hegemonie over de wereld. Deze amerikanisering is de imitatie van de ‘American way of life’ in heel de wereld (Friedman, 1995: 69-70; Klein, 2000: 117-118; Schmidt, 1998: 126-127; Stokes, 2001: 24; Taylor, 2000: 49-50). Anderen zeggen dat het niet zo’n vaart loopt, maar relativeren het belang van cultuur. De globalisering zorgt niet voor een vereniging of centralisering van culturen, maar leidt evenmin tot een homogene, wereldwijde cultuur (Clark, 1997: 22-23).
Als zo’n globale identiteit zou bestaan of als identiteit niet meer zo belangrijk zou zijn in deze globaliserende wereld blijven we echter met een probleem achter. Hoe komt het dat het nationalisme de laatste tien jaar zo sterk aanwezig is in de wereld? Brubaker (1996) suggereert terecht dat het ineenstorten van het communisme de motor is voor allerhande nationalistische bewegingen in Oost- en Centraal-Europa. Dit verklaart echter niet waarom ook in het westen het nationalisme bloeit wat ook onmiskenbaar het geval is (Stokes, 2001: 25).
Een mogelijke verklaring hiervoor is het verlies aan zekerheid. Het nationalisme zorgde in de negentiende-eeuwse natiestaten voor houvast in de samenleving. Vandaag zet de globalisering diezelfde staten onder druk. Grenzen lijken van geen tel meer, de wereld is een global village. Grote groepen mensen gaan op zoek naar zekerheid die de staat hun niet meer kan bieden. Die vinden zij in de eigenheid van de gemeenschap waar zij bij horen. Deze heeft nog wel een eigen identiteit. Dikwijls gaat het hier niet om gemeenschappen die samenvallen met een bestaande staat, maar om naties zonder staat zoals Guibernau (1999) ze noemt. In het volgende hoofdstuk gaan we na hoe dergelijke naties zonder staat zich staande trachten te houden in deze globaliserende wereld.
Zoals eerder reeds gezegd, bestaat nationalisme in wezen uit twee belangrijke componenten. Enerzijds is er de emotionele component die ervoor moet zorgen dat een bepaalde groep mensen zich aan de natie bindt. Anderzijds is er de politieke component die stelt dat elke natie het recht moet hebben om zelf haar toekomst te bepalen. In het nationalisme van de negentiende eeuw was dit onlosmakelijk verbonden met de vorming, uitbouw of versterking van een onafhankelijke staat.
In het vorige hoofdstuk argumenteerden we dat de klassieke staat een deel van zijn pluimen verliest door de globalisering die de grenzen transcendeert. Tegelijkertijd zien we vandaag in Europa een hernieuwde sterkte van nationale bewegingen die niet verbonden zijn met een klassieke natiestaat. Zich beroepend op het zelfbeschikkingsrecht eisen naties zonder staat (Guibernau, 1999) hun zelfstandigheid op. Dit staat haaks op de tendens naar meer globalisering en de vervaging van duidelijk omlijnde grenzen.
In dit hoofdstuk willen we drie zaken onderzoeken. Ten eerste willen we even stilstaan bij wat een staat is en hoe een staat tot stand kan komen. Ten tweede bekijken we kort de houding van de internationale gemeenschap tegenover de naties zonder staat. Wordt hun roep gehoord of blijft men op het internationale forum doof voor de ontwikkelingen die zich in verschillende traditionele staten afspeelt? Deze eerste twee punten zullen hoofdzakelijk juridisch en politiek-institutioneel benaderd worden. De derde poot is echter veruit de grootste van dit hoofdstuk. Hier onderzoeken we waarom – op een gegeven moment – een natie zonder staat beslist om het zelfbeschikkingsrecht in te roepen en los te komen van de staat zoals hij bestaat. Ook bekijken we hier welke verschillende opties en strategieën mogelijk zijn.
4.1 De staat en de internationale omgeving
4.1.1 Definitie
“Staat soll ein politischer Anstaltsbetrieb heißen, wenn und insoweit sein Verwaltungsstab erfolgreich das Monopol legitimen physischen Zwanges für die Durchführung der Ordnungen in Anspruch nimmt.”[9] Dit is de inmiddels klassieke definitie van de staat van Max Weber. In wezen verschilt die heel weinig met de definitie van de staat in het volkenrecht. Het internationaal recht stelt immers dat de staat als rechtspersoon “should possess the following qualifications: (a) a permanent population; (b) a defined territory; (c) a government; and (d) the capacity to enter into relations with other states.”[10] De bevolking is dus een constitutief bestanddeel van de staat. Die bevolking bewoont een grondgebied waarover een regering geldig, effectief en exclusief haar bevoegdheid uitoefent. Deze regering moet ook bekwaam zijn om betrekkingen met andere staten aan te gaan en haar internationale verplichtingen na te komen. De staat is trouwens de enige entiteit die zowel soeverein is als onmiddellijk onderworpen aan het volkenrecht. Dit impliceert dus onafhankelijkheid (Bossuyt, 2000: 58). De staat uit het internationaal recht en de staat uit het realistische paradigma[11] in de internationale betrekkingen correleren dus heel sterk.
4.1.2 Staatsvorming
Om van een nieuwe staat te kunnen spreken, moet een regering het exclusieve machtsmonopolie verworven hebben over een bepaald, afgebakend grondgebied. De nieuwe entiteit die als dusdanig ontstaat moet tevens erkend worden door de internationale gemeenschap en meer in het bijzonder door de andere staten. Pas dan is de nieuwe staat een subject van het volkenrecht (Bossuyt, 2000: 75; Koch, 1996: 20-21).
Nieuwe staten kunnen tot stand komen door dekolonisatie of door afscheiding van een bestaande staat (Bossuyt, 2000: 71). Het leidend principe is hier het ‘zelfbeschikkingsrecht der volkeren’. Dit recht is gebaseerd op artikels 1 en 55 van het VN-handvest die stellen dat het doel van de Verenigde Naties is om vriendschappelijke en vreedzame relaties tussen naties te bevorderen, gebaseerd op het principe van gelijke rechten en de zelfbeschikking van de volkeren. Het is echter onduidelijk wat bedoeld wordt met de termen volk en natie. Verschillende verdragssluitende partijen geven er immers een verschillende betekenis aan. Een zelfde mistige sluier omhult de betekenis van zelfbeschikking in het handvest. Er bestaat dus geen eenduidig, institutioneel kader waarbinnen claims van zelfbeschikking onderzocht kunnen worden (Bartkus, 1999: 109-114; Quane, 1998: 537-547). In het kader van dekolonisatie stond de internationale gemeenschap positief tegenover het zelfbeschikkingsrecht van de kolonies. Anders is het gesteld met de zelfbeschikking buiten de koloniale context. In dit geval is het zelfbeschikkingsrecht een recht a posteriori. Territoriale integriteit van een onafhankelijke staat wordt belangrijker geacht dan de steun aan afscheidingsbewegingen. Secessionistische bewegingen kunnen immers een bedreiging vormen voor de regionale of zelfs internationale stabiliteit. Slechts als de secessie succesvol is, met andere woorden als een stabiele staat is totstandgekomen, zal de internationale gemeenschap de onafhankelijkheid van de nieuwe staat erkennen (Bossuyt, 2000: 71-72; Hannum, 1998: 13; Quane, 1998: 571-572).
4.1.3 Zelfbeschikking en soevereiniteit
Na de eerste wereldoorlog werd de kaart van Europa hertekend op basis van het zelfbeschikkingsrecht. Volgens de Amerikaanse president Wilson mocht geen enkel volk gedwongen worden om onder een vreemde heerschappij te leven. Daarom propageerde hij het zelfbeschikkingsrecht der volkeren omdat dit zou leiden tot vrede en een verbetering van de menselijke vrijheid (Bartkus, 1999: 106-108; Prager, 1996: 456). Het zelfbeschikkingsrecht kan op verschillende manieren uitgeoefend worden, namelijk door het creëren van een nieuwe staat, de vrijwillige integratie of associatie met een onafhankelijke staat of een of andere vorm van politieke autonomie die door de bevolking zelf gekozen wordt (Bartkus, 1999: 103-104; Bossuyt, 2000: 71).
Terwijl het zelfbeschikkingsrecht meer verbonden is met een bepaalde groep mensen (Hannum, 1998: 15), is soevereiniteit eerder gelieerd aan een grondgebied (Werner & De Wilde, 2001: 294). Beide kunnen dan ook niet los van elkaar gezien worden. De finaliteit van het zelfbeschikkingsrecht is immers het bereiken van een of andere vorm van soevereiniteit over een bepaald grondgebied.
Zo geformuleerd lijkt het wel of zelfbeschikking en soevereiniteit absolute rechten zijn. Dit is echter niet het geval. Een belangrijke parameter is immers de internationale gemeenschap die de mogelijkheidsvoorwaarden creëert voor soevereiniteit en zelfbeschikking. Hoewel het internationaal recht secessie niet verbiedt, staat de internationale gemeenschap in principe huiverachtig tegen afscheidingsbewegingen. Men staat echter niet per se negatief tegenover hervormingen binnen de staat die separatistische tendensen pogen te bezweren. Dit is immers ook een manier van zelfbeschikking verlenen aan een distinct community. Soevereiniteit is eveneens niet absoluut. In het vorige hoofdstuk schreven we dat heel wat zaken omwille van de globalisering ontsnappen aan de klassieke staat waardoor hij zijn absolute soevereiniteit verliest. Ook internationale overeenkomsten hollen de soevereiniteit van de staat over zijn grondgebied uit (Bartkus, 1999: 218-223; Hannum, 1998: 13-14; Opello & Rosow, 1999: 225-236; Werner & De Wilde, 2001: 299-302).
In de volgende paragraaf staan we even stil bij het institutionele kader van de Europese Unie (EU) waarbinnen staten en naties zonder staat zich bevinden.
4.1.4 Staten, naties zonder staat en de Europese Unie
De laatste 50 jaar was een deel van Europa het toneel van gestage, doch ingrijpende veranderingen in het klassieke statensysteem. De lidstaten van wat nu de Europese Unie heet hebben geleidelijk aan meer en meer bevoegdheden afgestaan aan een bovenstatelijk niveau. Wat begon als een functionele samenwerking op economisch vlak, heeft vandaag de ambitie om een volwaardig politiek project te worden. Of dit zal slagen, is koffiedik kijken, maar het is in ieder geval zeker dat de verdere evolutie van de Europese Unie niet van een leien dakje zal lopen. Feit is in ieder geval dat de lidstaten van de Europese Unie er vandaag niet meer hetzelfde uitzien als na de tweede wereldoorlog. Door het afstaan van bevoegdheden, die klassiek toebehoren aan de staat, hebben zij vrijwillig soevereiniteitsverlies geleden (Delwaide, 1996: 31; Elazar, 1996: 422; Hooghe & Marks, 2001: 37-40; Van Staden, 1996: 11-13; Werner & De Wilde, 2001: 303-304). Habermas stelt openlijk de vraag, en met hem anderen, of de huidige confederale status-quo van de Europese Unie behouden moet blijven of dat de EU moet evolueren naar een echte federatie (Habermas, 1998: 55). Deze laatste optie impliceert dat de EU-lidstaten ophouden onafhankelijk te zijn. Het is zeer de vraag of het ooit zover zal komen.
Alle EU-lidstaten zijn ook niet gelijkaardig. Verschillende lidstaten kennen binnen hun grenzen een institutionele machtsverdeling waarbij substatelijke entiteiten bevoegdheden van de klassieke staat overnemen. De klassieke staat wordt dus zowel naar boven als naar beneden uitgekleed in verschillende EU-lidstaten[12].
Dergelijke substatelijke entiteiten komen voor in verschillende institutionele verschijningsvormen. Sommige regio’s zijn louter administratieve omschrijvingen met weinig of geen eigen identiteit terwijl andere regio’s historische naties omvatten met een eigen identiteit en geschiedenis (Anderson, 2001: 39). Om de groeiende regionale dynamiek een plaats te geven in de Europese Unie werd in het Verdrag van Maastricht het Comité van de Regio’s opgericht. Dit Comité heeft echter slechts adviesbevoegdheid. Beslissingen worden nog steeds op het niveau van de staat genomen in de raad van ministers. Ook de heterogene samenstelling van het Comité maakt een krachtdadig optreden moeilijk. Lidstaten waar geen formele regio’s bestaan, zenden vertegenwoordigers van grote steden of nationale parlementairen naar het Comité. Dit maakt een Europa van de regio’s een quasi onbereikbare droom van naties zonder staten omdat er weinig of geen gelijklopende belangen zijn tussen de leden van het Comité (Anderson, 2001: 50-59; Hooghe & Marks, 2001: 81-82)
4.2 Op zoek naar meer zelfstandigheid
4.2.1 Nationalisme en de staat
Nationalisme is onlosmakelijk verbonden met de opkomst en doorbraak van de natiestaat in de 19de eeuw omdat het een grote rol speelde in de vorming en de homogenisering van die staat. Dit had ook gevolgen voor de identiteit van de burgers. In de klassieke natiestaat bestond er immers een één-op-éénrelatie tussen burger en identiteit (Delwaide, 1996: 35; Moore, 2001: 3; van Benthem van den Bergh, 1996: 74-77; Van Staden, 1996: 13).
De vraag is of die natiestaten wel zo homogeen zijn als men ons wil laten geloven. Het hernieuwde elan van verschillende nationale bewegingen is een sterk bewijs dat het tegendeel waar is. Als we vandaag de kaart van West-Europa bekijken, blijkt geen enkele staat aanspraak te kunnen maken op die homogeniteit van zijn inwoners. Enkel de Ierse Republiek blijkt heel dicht in de buurt te komen van het adagio een natie, een staat. De natiestaten vertegenwoordigen dus niet een natie, maar zijn multinationaal. Interne diversiteit is eerder de regel dan de uitzondering (Guibernau, 1999: 17; 2001: 17).
Het is hier aangewezen om enkele begrippen te verduidelijken. Het concept natiestaat, zoals het vandaag gebruikt wordt, is problematisch omdat het niet beantwoordt aan de realiteit. Daarom kunnen we misschien beter spreken over nationale staten als we de huidige staten bedoelen. Deze term is eigenlijk niet goed gekozen omdat in dergelijke nationale staten meestal meerdere naties samenwonen zodat ze – per definitie – multinationaal zijn. Toch zullen we in het vervolg van deze verhandeling de term nationale staat gebruiken omdat deze de vooropgezette eenheid van de natiestaat beter benadert. De natiestaat is een speciale vorm van een nationale staat omdat in een natiestaat inderdaad slechts een natie leeft zoals het woord zegt[13].
In nationale staten kunnen verschillende naties zonder staat leven. Dit zijn culturele gemeenschappen die verbonden zijn met een specifiek grondgebied, een gemeenschappelijk verleden delen en zelf hun toekomst willen bepalen zonder dat ze momenteel een eigen staat hebben. Hun nationalisme stelt de legitimiteit van de klassieke nationale staat in vraag en verdedigt hun democratisch recht op zelfbeschikking (Anderson, 2001: 35-37; Guibernau, 1999: 1-22; Habermas, 1999: 58).
4.2.2 Een eigen staat als eindbestemming?
Er bestaat een sterke correlatie tussen het klassieke nationalisme en een nationale staat. Ziet het nationalisme van vandaag de staat ook nog steeds als absoluut einddoel? Het antwoord op deze vraag bestaat uit twee delen. Ten eerste wordt de één-op-éénrelatie tussen burger en identiteit meer en meer vervangen door een één-op-meerrelatie. De relatie is immers steeds in evolutie (Hooghe, 1989: 94; McCrone, 2001b; Miller, 1996: 268-269; O’Leary, 2001: 278). In hoofdstuk 2 vermeldden we dit reeds onder de noemer neonationalisme.
Omdat die exclusieve binding tussen burger en identiteit steeds minder belangrijk wordt en omdat de staat door globalisering en internationalisering op zijn retour lijkt, is een eigen staat dus niet noodzakelijk het streefdoel van nationale bewegingen. Hoewel ze in hun retoriek een onafhankelijke staat blijven eisen, zijn ze in de praktijk dikwijls tevreden met een of andere vorm van zelfbestuur voor hun natie binnen de nationale staat (Elazar, 1996: 419; Hooghe, 1989: 2; O’Leary, 2001: 277-284; Quane, 1998: 563). Dit kan gaan van culturele erkenning over politieke autonomie tot de vorming van een federatie. Deze mogelijkheden verschillen hoofdzakelijk in de mate van decentralisatie van het bestuur binnen de nationale staat. Dit neemt echter niet weg dat, eens dit proces op gang is gebracht, de natie zonder staat uiteindelijk toch op het punt kan komen dat secessie een reële optie wordt. De hervormingen binnen de nationale staat kunnen immers zo ver gaan dat hij nog amper bevoegdheden heeft waardoor hij – bij wijze – van spreken overbodig wordt voor de natie zonder staat (Guibernau, 1999: 33-66).
4.3 Analyseschema
Op basis van het voorgaande kunnen we nu proberen om een analyseschema op te stellen om de handelingen van naties zonder staat te verklaren. Twee zaken zijn hierbij belangrijk: hoe verloopt het proces van begin tot einde en wat zet het proces in gang. We beginnen met het laatste.
4.3.1 Een verandering in de situatie
Op een gegeven moment verandert er iets in de perceptie van een natie zonder staat dat haar ertoe brengt om de status-quo binnen de nationale staat te doorbreken. Twee dimensies zijn hierbij belangrijk die eigenlijk elkaars tegengestelde zijn: lidmaatschap en secessie. Bartkus (1999) operationaliseert dit door de kosten en baten van lidmaatschap en secessie tegen elkaar af te wegen. Welke factoren bepalen die kosten en baten? Op basis van het voorgaande en Bartkus (1999), Hooghe (1989) en Miller (1996) kunnen we zowel voor lidmaatschap als voor secessie vijf factoren onderscheiden.
Voor lidmaatschap zijn dit:
Het beleid van de staat tegenover de natie zonder staat: heeft zij volledig dezelfde rechten of wordt zij volledig onderdrukt (schendingen van de mensenrechten etc)?
De mate van autonomie binnen de nationale staat: is
De houding van de nationale staat tegenover de economie van de natie zonder staat: wordt zij gelijk behandeld, indien nodig ondersteund of helemaal niet (roofbouw door de centrale overheid)?
De sterkte van de nationale staat, zowel intern (coherentie, homogeniteit) als extern (globalisering, internationalisering): is hij sterk of zwak.?
De houding van de internationale gemeenschap tegenover de separatistische natie zonder staat: hoe groot (klein) is de kans dat zij erkend zal worden?
Voor secessie zijn dit: