Vervlogen schoonheid. Schmink en parfum in de romeinse periode. (Annika Devroe)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding.

 

1. Afbakening en doelstelling.

 

Toen ik twee jaar geleden aan deze eindverhandeling begon, had ik een heel andere doelstelling voor ogen. Aanvankelijk wou ik een confrontatie maken tussen de iconografische en archeologische bronnen in verband met Romeinse schmink, waarbij ik op het materiaal van een museum wou werken. Na wat opzoekwerk werd al snel duidelijk dat er te weinig iconografisch materiaal voorhanden was en toen bleek dat het te moeilijk zou zijn om op archeologische vondsten te werken uit een museum (In België omdat ze er te weinig hadden, in Venetië, waar ik een half jaar op Erasmus ben geweest, omdat ze er te veel hadden), besefte ik dat er over dit onderwerp te weinig informatie te vinden was om een volwaardige eindverhandeling te schrijven. Ik wou echter niet volledig van onderwerp veranderen omdat dit thema mijn eigen idee was geweest en ik er dan ook enorm enthousiast over was. Het feit dat er weinig over te vinden was, leek me nog een extra uitdaging. Uiteindelijk besloot ik mijn thesisonderwerp gewoon wat uit te breiden, maar ook dit heeft me veel gepieker opgeleverd vooraleer ik tot de definitieve beslissing ben gekomen. Heel wat zaken hebben met schoonheid te maken, maar volgens mij kon niet alles zomaar gecombineerd worden met schmink en ik wou dat beide thema’s vooral over de vrouwelijke schoonheid handelden. Mijn beslissing viel dus uiteindelijk op parfum omdat ik persoonlijk vond dat dit een mooie aansluiting vormde bij make-up.

De titel van deze eindverhandeling, “Vervlogen schoonheid”, kan je op verschillende manieren interpreteren en dekt zo het onderwerp en de afbakening ervan. Aan de ene kant heeft schmink vooral te maken met schoonheid, terwijl parfum een substantie is dat snel vervliegt. Aan de andere kant kun je ook het geheel bekijken en dan zijn er twee interpretaties mogelijk. Ten eerste, het feit dat zowel schmink als parfum de tand des tijds meestal niet overleven, op een paar uitzonderingen na. De tweede interpretatie is wat nostalgisch en verwijst zo naar de schoonheid van de vrouwen uit de Romeinse periode. Met het woord ‘schoonheid’ wou ik ook wijzen op het lichamelijke karakter van het onderwerp. Schmink en parfum konden ook gebruikt worden in andere contexten, bijvoorbeeld om godenbeelden in een tempel te besprenkelen, maar hier zal niet worden op ingegaan. Ook een ander element, namelijk de handel van de verschillende ingrediënten zal in deze eindverhandeling niet aan bod komen omdat dit ons te ver zou leiden en waarschijnlijk maar weinig relevante gegevens zou aanreiken bij het beantwoorden van de hoofdvragen in deze eindverhandeling. Omwille van deze afbakening is er niet echt een strak geografisch of chronologisch kader en heb ik me vooral laten leiden door de gevonden informatie. Op geografisch vlak komt heel wat informatie uit de Baai van Napels waar onder andere Pompei, Herculaneum, Paestum en Oplontis gelegen zijn, maar ook Brittannië is goed vertegenwoordigd. Het chronologische kader heb ik vrij uitgebreid gehouden omdat ik niet een te beperkt aantal voorwerpen voor mijn catalogus wou hebben en hoewel ik veel informatie uit de Keizertijd heb, komen er ook veel zaken uit de periode ervoor of erna. Toen ik had besloten om schmink en parfum te behandelen, moest ik ook opnieuw beslissen wat ik precies wou nagaan. Over parfum bleek er heel wat meer informatie voorhanden te zijn, maar omdat er zowel over schmink als parfum geen enkel exhaustief werk bestaat dat enkel over de Romeinse periode handelt en ik daar verandering in wou brengen, besloot ik alle bronnen te onderzoeken die mij ook maar iets konden vertellen over schmink en parfum. In deze eindverhandeling zullen dus de literaire, iconografische, archeologische en epigrafische bronnen aan bod komen, samen met enkele chemische analyses en experimentele archeologie. Zo kan iedere bron zijn eigen verhaal over dit onderwerp vertellen, waarbij vooral zal bekeken worden wie schmink en parfum gebruikte en welke visie men daarover had, uit welke ingrediënten beide bestonden, hun productieproces en waar en door wie ze verkocht werden.

 

 

2. Opbouw en methodologie.

 

Bij ieder deel wordt er een inleiding gegeven die de verdere onderverdeling kort bespreekt, waardoor het hier dus enkel van nut is de algemene opbouw van deze eindverhandeling en de gebruikte methodes weer te geven. Drie algemene delen leiden het eigenlijke onderwerp in. Deze delen, waarin het Romeinse huwelijk, de Romeinse moeder, het kapsel, de juwelen, de kledij en de algemene lichaamsverzorging besproken zullen worden, zullen maar heel beknopt de nodige informatie weergeven, zodat de lezer zich kan inwerken in de leefwereld van de vrouw, het uiterlijke van zowel man als vrouw en de visie van de Romein ten opzichte van deze thema’s. Volgens mij kun je moeilijk bepaalde vaststellingen doen in verband met schmink en parfum als je niet weet of de vrouw enige zelfstandigheid had of niet, of men ook belang hechtte aan hygiëne, enz. Hierna begint het eigenlijke onderwerp met in de eerste plaats een analyse van de literaire bronnen, waarbij schmink en parfum apart zullen behandeld worden. Heel wat publicaties vermelden hier en daar een antieke auteur en aanvankelijk vermoedde ik dat het niet zoveel werk ging zijn om die fragmenten telkens zelf op te zoeken. Toen ik hiermee begon, verbaasde me het dat de informatie uit de publicaties bijna altijd uit antieke bronnen kwam. Het feit dat steeds bij dezelfde fragmenten naar een antieke auteur werd verwezen, terwijl andere informatie zomaar werd meegedeeld, zonder verwijzing, wijst erop dat heel wat auteurs deze bronnen vermoedelijk niet geraadpleegd hebben, maar zich gewoon op een andere publicatie baseerden. De reden hiervoor is waarschijnlijk het feit dat schmink en parfum bijna altijd behandeld worden als een klein onderdeel van de schoonheidsverzorging en dus gewoon geplaatst worden tussen de thema’s van de eerste drie delen of deel uitmaken van een bespreking van de geschiedenis van schmink of parfum, waarbij de auteurs waarschijnlijk niet altijd de moeite namen om alle antieke teksten na te gaan. Ik ben dus aan dit titanenwerk begonnen en het resultaat is een vrij exhaustief deel geworden waarbij meestal de oorspronkelijke teksten en vertalingen worden weergegeven, tenzij deze echt te lang waren. Hierna worden de iconografische, archeologische en epigrafische bronnen besproken, samen met enkele chemische analyses, waarbij schmink en parfum als één geheel aan bod zullen komen. Deze drie bronnen worden samen behandeld omdat ze elkaar meteen kunnen aanvullen en het nogal artificieel zou overkomen mocht dit apart gebeuren. In de algemene publicaties wordt er maar weinig aandacht besteed aan deze bronnen, maar de informatie over parfum is echter beter vertegenwoordigd dan die over schmink. Gelukkig zijn er ook enkele gespecialiseerde werken, vaak met typologieën, en enkele interessante artikels, zodat hier toch een vrij goed beeld geschetst kan worden. Bij dit deel hoort een catalogus met een selectie van iconografisch en archeologisch materiaal. Bij de keuze van de meeste voorwerpen mocht ik niet kieskeurig zijn omwille van het beperkte aantal publicaties die ik hiervoor kon gebruiken. In de publicaties die typologieën opstellen vond ik vaak heel wat goede afbeeldingen, maar ontbrak meestal de context. In algemene werken vond ik ook wel enkele interessante voorwerpen, maar vaak zonder enige gegevens. Daarbij komt nog dat bepaalde vondsten, waaronder glazen recipiënten, heel vaak voorkomen, terwijl andere, waaronder keramiek, ondervertegenwoordigd zijn. Al deze problemen zorgen ervoor dat er hier en daar enkele hiaten zitten in de catalogus en dat, omwille van het vaak ontbreken van de context, ik hier niet echt zelf conclusies kon uit trekken. Deze catalogus biedt dan ook eerder een overzicht van afbeeldingen die bij de tekst horen en de evoluties, typologieën en redeneringen zichtbaar staven. Tot slot wordt er nog een deel gewijd aan experimentele archeologie, waarbij op basis van de literaire bronnen, eigen experimenten, aangevuld met die van Sally Pointer, ook tot enkele conclusies kunnen leiden. In de synthese worden al deze bronnen met elkaar geconfronteerd in de hoop dat er een eenduidig beeld gevormd kan worden over het gebruik, de productie en de verkoop van schmink en parfum. Door deze opbouw hoop ik dat ik alle bronnen gelijkwaardig behandel, zodat ze elk hun eigen informatie kunnen geven, maar op het einde toch een samenhangend geheel vormen. Deze gelijkwaardigheid wil ik vooral op kwalitatief gebied bereiken, hoewel ik bij bepaalde zaken, zoals de chemische analyses waarover ik weinig kennis heb, niet alle details kan geven. Ik kan alles jammer genoeg niet kwantitatief gelijkwaardig behandelen, ten eerste omdat voor ieder deel niet altijd evenveel materiaal beschikbaar is en ook omdat de omvang van een eindverhandeling dit niet toelaat.

Bibliografische verwijzingen worden telkens in voetnoten weergegeven door middel van de naam van de auteur, gevolgd door het publicatiejaar en de pagina. De volledig weergegeven publicaties vindt men achteraan in de bibliografische lijst. Deze lijst is opgesteld volgens het Angelsaksische systeem en is opgedeeld in drie grote onderdelen waarbij de publicaties telkens alfabetisch worden gerangschikt op basis van de achternaam van de auteur. De referentielijst bevat enkel de bibliografische verwijzingen waarnaar als voetnoot wordt verwezen in de tekst. Er is ook een aparte lijst voor de antieke bronnen omdat deze een groot deel uitmaken van de eindverhandeling. In het deel over de literaire bronnen wordt er bij de vertalingen in de voetnoot telkens verwezen naar de publicatie, maar bij de oorspronkelijke vertalingen en eigen vertalingen vindt men geen verwijzing naar de precieze uitgaven van de Budé- of Loebreeks en deze kan je hier dan ook gemakkelijk terugvinden. Hoewel ik voor de eigen vertalingen meestal gebruik heb gemaakt van de vertalingen uit beide reeksen, zal ik in de bibliografische lijst telkens maar één uitgave weergeven voor iedere tekst. In de tekst zelf wordt er naar fragmenten verwezen door middel van de naam van de antieke auteur, de titel van het werk in zijn oorspronkelijke taal en de nummering. Ten derde is er ook een algemene bibliografie van publicaties die ik heb gelezen, maar uiteindelijk niet heb kunnen gebruiken en van werken die vermoedelijk interessant waren, maar ik niet ter beschikking had. Naast deze drie grote delen, worden er ook nog enkele Internetsites gegeven en de publicaties waarin de opschriften werden teruggevonden. Bij de figuren wordt de afgekorte bibliografische verwijzing tussen haakjes weergegeven, net als bij de catalogus, en deze publicaties kunnen ook teruggevonden worden in de referentielijst omdat het vaak om dezelfde werken gaat. De figuren worden samen met hun afgekorte bibliografische verwijzing achteraan in een illustratielijst samengebracht. In de tekst zelf staan de figuren altijd zo dicht mogelijk bij het fragment waarop ze terugslaan. De verklarende woordenlijst bevat woorden en personen die in de tekst weergegeven worden, maar om iets meer uitleg vragen. Woorden die in de tekst zelf meteen worden verklaard worden hier niet in opgenomen. In deze lijst werden de woorden alfabetisch gerangschikt, wat bij de personen op basis van hun algemeen gebruikte naam gebeurde (Martialis, Ovidius, Plinius,…).

 

 

3. Bronnen.

 

Voor deze eindverhandeling kon ik gebruik maken van allerlei soorten publicaties. Zoals hierboven al vermeld werd, bestaat er geen enkele publicatie die alleen maar over Romeinse schmink of parfum handelt. Ik moest me dan ook meestal op meer algemene publicaties richten, die vaak dezelfde informatie gaven en vooral gebaseerd waren op literaire bronnen. Waar er een historisch overzicht wordt gegeven van schmink of parfum gebeurt het heel vaak dat de Romeinse periode samen wordt besproken met de Griekse, waardoor het moeilijk is een onderscheid te maken in de verkregen informatie.

Bij de eerste drie algemene delen heb ik zowel gebruik gemaakt van algemene als specifieke publicaties over deze onderwerpen. De volumes van de “Dictionnaire des Antiquités grecques et romaines” leverden de eerste informatie op. Voor het deel over de literaire bronnen heb ik de Budé- en Loebreeks gebruikt en de vertalingen die ik terug kon vinden in de bibliotheek de Gulden Librije. De informatie over de iconografische en archeologische bronnen werden uit verschillende soorten publicaties gehaald. Aan de ene kant uit enkele algemene werken en aan de andere kant uit meer specifieke publicaties en artikels. Voor de verschillende soorten recipiënten, spatels, lepels en spiegels kon ik me vaak maar op een paar goede publicaties baseren. Voor de spatels, spelden en lepels is dat bijvoorbeeld “Catalogue des objets de tabletterie du musée de la civilisation gallo-romain de Lyon” van J.C. Béal, voor de recipiënten de drie volumes van “Roman glass in the Corning museum of glass” van D. Whitehouse en “Roman glass from dated finds” van C. Isings en voor de cosmetische vijzels kunnen we vooral naar de artikels van R. Jackson verwijzen. Vaak werden de afbeeldingen uit deze publicaties gebruikt voor de catalogus. Voor de opgravingen te Tabard Square, Pompei en Paestum was ik in het eerste geval vooral aangewezen op artikels van het Internet omdat er nog bijna niets over gepubliceerd was, en bij de andere twee gevallen op specifieke publicaties. Voor de informatie over de pers te Pompei was het artikel “Paintings, presses and perfume production at Pompeii” van D. J. Mattingly van groot belang en in verband met de tuin van Hercules de publicatie “The gardens of Pompeii, Herculaneum and the villas destroyed by Vesuvius” van W. F. Jashemski. Voor de pers uit Paestum vormde het artikel “The production of perfumes in Antiquity: the cases of Delos and Paestum” van J.-P. Brun de basis. Over de chemische analyses van enkele substanties uit recipiënten werden alleen maar artikels gevonden. Hoewel we voor de archeologische vondsten vaak maar op artikels zijn aangewezen, die meestal van beperkte omvang zijn, valt het toch op dat men naast de opgravingen soms ook verbanden probeert te leggen met literaire, iconografische en epigrafische bronnen. Het artikel van J.-P. Brun (“Une parfumerie romaine sur le forum de Paestum”) is hier een mooi voorbeeld van. Tot slot heb ik de Latijnse opschriften meestal uit het Corpus Inscriptionum Latinarum gehaald.

 

 

I. De Romeinse vrouw als echtgenote en moeder.

 

1. Inleiding.

 

De interesse voor de vrouwengeschiedenis bestaat nog maar sinds de jaren zestig, toen dergelijke aspecten van de samenleving meer aandacht begonnen te krijgen. Vanaf dit moment gaat men in de oude geschiedenis de archaïsche periode en de late Oudheid centraal stellen en in de sociale geschiedenis treden slaven, vrouwen en barbaren op de voorgrond[1]. Deze verhandeling zal op één van deze groepen, namelijk de vrouwen, dieper ingaan en het lijkt me dan ook passend even een korte schets te geven van hun leefwereld. Het huwelijk zal als eerste onderwerp aan bod komen, waarbij zowel de verloving, de voltrekking van het huwelijk en de relatie tussen man en vrouw verder uitgewerkt worden. Daarna wordt nagegaan hoe de vrouw als moeder optrad, of ze een nauwe band had met haar kinderen of net niet. Het is hier natuurlijk onmogelijk om dieper in te gaan op de complexiteit van de Romeinse maatschappij, aangezien dit ons te ver van het eigenlijke onderwerp zou brengen. Deze complexiteit, die vooral tot uiting komt in de wetgeving, is echter een belangrijk fenomeen en we moeten er ons van bewust zijn dat dit in alle aspecten van de gemeenschap merkbaar was. Hierdoor geeft de volgende uiteenzetting maar een algemeen beeld van het huwelijk en het moederschap terwijl er veel meer mogelijkheden en afwijkingen zijn. Het huwelijk en moederschap lijken misschien veraf te staan van de lichaamsverzorging en schoonheid, maar om later bepaalde conclusies te kunnen trekken over schmink en parfum is het nodig te weten hoe de Romeinse vrouw als vrouw was. Dit werd voor een groot deel bepaald door haar leefwereld, waarbij het huwelijk en moederschap een grote rol speelden, waardoor dit inleidende deel zeker niet overbodig is.

 

 

2. Het Romeinse huwelijk.

 

Ook in de Romeinse periode ging er meestal een sponsalia of verloving aan het huwelijk vooraf, wat gevierd werd met een verlovingsfeest, waarbij er geschenken werden uitgewisseld. Deze verloving werd meestal bezegeld met een kus tussen het koppel, sponsus en sponsa genaamd, en het geven van een ring, de anulus pronubus, die de jongen om de middenvinger van de linkerhand van het meisje schoof. De formaliteiten werden voltrokken tussen de toekomstige man en de vader van het meisje, waarbij er regelingen konden getroffen worden in verband met de bruidsschat, wat niet juridisch verplicht was, maar in de hogere klassen meestal wel werd gegeven omwille van de morele verplichting. Afhankelijk van het soort manus (zie infra) dat werd afgesloten, kon de man ofwel eigenaar worden van de bruidsschat ofwel verantwoordelijk gesteld worden voor het beheer ervan[2].

Het Romeinse huwelijk was een monogame verbintenis tussen man en vrouw waarbij beiden instemden om samen te leven en wettige kinderen voort te brengen, wat met de term affectio maritalis werd aangeduid. In principe was het een privé-aangelegenheid en een huwelijksregister of derde persoon waren dus niet nodig om het huwelijk wettig te verklaren. Alleen vrije personen met het Romeinse burgerrecht konden een rechtsgeldig huwelijk, een iustum matrimonium, afsluiten en het enige wat de staat dus deed, was bepaalde groepen hiervan uitsluiten. Als één van de partners geen vrije Romeinse burger was, maar een slaaf of vrijgelatene, sprak men niet van een rechtsgeldig huwelijk, maar gebruikte men de term ‘concubinaat’[3]. Een huwelijk tussen bloedverwanten was ook verboden, maar de voorschriften hieromtrent werden vrijer door de jaren heen. De wettelijke minimumleeftijd om te huwen was twaalf jaar voor meisjes en veertien jaar voor jongens, maar meestal waren de meisjes in hun late tienerjaren en de jongens twintigers toen ze in het huwelijk stapten. Het huwelijk kon vrij gemakkelijk ontbonden worden omdat het in principe alleen maar gebaseerd was op de affectio maritalis en echtscheidingen kwamen dan ook vaak voor. Er zal hier echter niet worden ingegaan op de scheidingsprocedures, de mogelijkheid tot een tweede huwelijk en de daardoor ontstane nieuwe familiebanden, omdat dit ons te ver zou leiden en het enkel de bedoeling is een algemeen beeld te schetsen[4].

Hoewel men al kon spreken van een huwelijk als twee mensen op een dag beslisten samen te gaan wonen, kwam er meestal toch een huwelijksplechtigheid aan te pas, waarbij de dag van het huwelijk zorgvuldig werd uitgekozen[5]. Het meisje offerde vóór het huwelijk haar kinderkledij en speelgoed aan de goden. Op de vooravond van het huwelijk trok ze haar bruidskleed aan, de tunica recta of regilla, een geelrode sluier en ging zo naar bed. Het bruidskleed was een lang, wit gewaad met een wollen gordel, het symbool van maagdelijkheid, die op een speciale manier was vastgeknoopt, namelijk met de Herculesknoop die het teken was van vruchtbaarheid, maagdelijkheid en de vereniging van man en vrouw. Aan haar voeten droeg ze oranje slippers, lutei socci genaamd. Haar kapsel zag eruit als dat van een Vestaalse maagd en bestond uit zes vlechten waarbij de scheiding werd gemaakt met een speerpunt, gedoopt in het bloed van een stervende gladiator, waarna het met wollen banden werd vastgemaakt als teken van kuisheid. De dag zelf was vooral bij de rijke families een heel gebeuren en de huizen van het paar waren dan ook feestelijk versierd met bloementapijten. Het eerste deel van het feest vond plaats in het vaderlijke huis van de bruid waar de voortekenen werden geraadpleegd en enkel als die gunstig waren, mocht het huwelijk voltrokken worden. Tijdens de plechtigheid zat het paar naast elkaar op stoelen die waren vastgebonden met wol en de vacht van een geofferd schaap. Het huwelijkscontract, de tabulae nuptiales, werd hierbij ondertekend, waarna de partners hun mondelinge toestemming gaven met de woorden “Ubi tu Gaius, ego Gaia” (“Waar jij gaat Gaius, ga ook ik Gaia”) en de bruidsbegeleidster hun rechterhanden in elkaar legde. Hierna werden offers gebracht aan de beschermsters van het huwelijk en feest gevierd. ’s Avonds begon het tweede deel van het huwelijk waarbij in het licht van toortsen, symbool voor het huwelijk, de bruid in een feestelijke stoet naar het huis van haar man werd gebracht. Het was de gewoonte dat de bruid eerst deed alsof ze niet mee wenste te gaan en wat tegenstribbelde, maar uiteindelijk toch overtuigd werd en zo, vergezeld door een aulosspeler en twee jongens die toortsen droegen, in de stoet meeging waarbij er geschreeuwd, gezongen en gelachen werd. Toen de vrouw bij het huis van de man aankwam, zalfde ze de deurposten in met vet en olie en omwond ze met wollen doeken waarna ze over de drempel gedragen werd. De bruidegom bood zijn vrouw vuur en water aan, wat de fundamentele tekens waren van het private huis. In de hal stond een klein huwelijksbed voor de genius en de iuno van het koppel waaraan ze wierook offerden, om daarna in hun eigen huwelijksbed te duiken. De dag na het huwelijk werd er meestal een diner in het huis van de man gegeven waarbij de vrouw voor de eerste keer aan de goden van haar nieuwe huis offerde[6].

Men spreekt meestal van een huwelijk cum manu en een huwelijk sine manu hoewel de termen huwelijk en manus geen synoniemen zijn omdat deze laatste wel een rechtszaak was. Bij een huwelijk cum manu werd de vrouw aan de macht van haar vader onttrokken en onderworpen aan die van haar man, wat op drie manieren kon gebeuren, namelijk door confarreatio, coemptio of usus. Bij de confarreatio offerde het bruidspaar onder het uitspreken van plechtige formules het speltbrood en at ervan in aanwezigheid van twee priesters, namelijk de Pontifex Maximus en de Flamen Dialis, en tien getuigen. Men sprak van coemptio wanneer de vrouw in aanwezigheid van vijf getuigen verkocht werd voor een reële of symbolische prijs. Als een vrouw een jaar lang ononderbroken met haar man had samengeleefd, sprak men van usus en de enige manier om hieraan te ontsnappen was door drie nachten niet in het echtelijke bed te slapen. Bij het huwelijk sine manu bleef de vrouw onderworpen aan de macht van haar vader en leefde ze gewoon samen met haar echtgenoot. Ieder jaar moest ze drie nachten buitenshuis slapen zodat ze niet in de macht van haar man zou komen via usus. (zie supra). Als haar vader stierf, kon de vrouw in dit geval een redelijk grote zelfstandigheid verkrijgen [7].

We kunnen ons nu afvragen hoe man en vrouw tegenover elkaar stonden in het huwelijk. We zien dat de vrijgeboren man superieur was en zowel macht had op politiek, sociaal en seksueel vlak en hoewel er beweerd werd dat hij een enorme zelfbeheersing had, toch vreemd mocht gaan. De vrijgeboren vrouw moest echter gehoorzaam, kuis en trouw zijn aan haar man, maar omdat ze van nature wispelturig en genotziek zou zijn, werd ze er snel van verdacht haar man te bedriegen. De Romeinen kenden dus duidelijk een dubbele seksuele moraal, want de gehuwde man mocht zijn seksuele lusten bevredigen bij andere vrouwen terwijl zijn echtgenote uitermate trouw moest zijn aan hem. Voor de vrouw kwam het er gewoon op neer wettige kinderen voort te brengen en het was dan ook niet de bedoeling dat ze plezier beleefde aan de geslachtsgemeenschap. Omdat de vrouw bij iedere geslachtsgemeenschap zwanger kon worden, wat in die periode vaak levensbedreigend was, te meer omdat de meisjes heel jong en lichamelijk nog niet volgroeid waren, kunnen we deze ongelijkheid als een soort bescherming zien[8]. Er vond een mentaliteitswijziging plaats in de 1ste en 2de eeuw n.C. waarbij er een andere visie ontstond over liefde, seksualiteit en sekserollen. Ook al sprak men vanaf nu over harmonie en de zorg voor elkaar binnen het huwelijk, toch was dit meestal gewoon een ideaalbeeld en had de man nog steeds de macht. De laatstoïcijnse filosofen Musonius Rufus en Hierocles speelden hierbij een belangrijke rol omdat hun gedachtegoed paste in het ethische reveil van Augustus en Tiberius die de traditionele Romeinse waarden en gewoonten in ere wilden herstellen[9]. Musonius stelde de superioriteit van de man in vraag, want het feit dat mannen mochten vreemd gaan bewees net dat ze minder zelfbeheersing hadden dan de vrouw. Vrouwen die hun man volgden in ballingschap of in de dood of hem voor eeuwig trouw bleven, verdienden respect en zorgden voor een positiever beeld van de vrouwelijkheid, maar van een echte opwaardering van de vrouw kunnen we niet spreken[10].

 

 

3. De Romeinse moeder.

 

Er is weinig materiaal gekend uit de wereld van de kinderen, zodat het moeilijk is om hun leven te reconstrueren en na te gaan hoe hun relatie met hun ouders was en volgens C. Laes kunnen we deze relatie dan ook op twee manieren bekijken, namelijk negatief en positief.

De vader besliste over het leven van de pasgeborene, want hij beschikte over het ius vitae necisque, en gehandicapte baby’s of meisjes die te duur waren omwille van de bruidsschat werden dan ook vaak te vondeling gelegd. De baby kreeg pas zijn naam op zijn dies lustricus, voor meisjes de achtste dag en voor de jongens de negende dag na de geboorte. Meteen na de bevalling werd de baby toevertrouwd aan een voedster, de nutrix, die ofwel een bepaalde tijd in het huis woonde zodat de moeder zelf nog wat contact had met haar kind, ofwel de baby meenam naar het platteland. De eerste drie maanden werden de baby’s als busselkinderen ingewikkeld om een goede lichaamshouding te verzekeren en in verduisterde kamertjes gehouden. Ook al was de kindersterfte hoog, toch waren de reacties van de ouders onbegrijpelijk koel en het lijkt alsof men niet mocht treuren om het verloren kind. Na de periode van borstvoeding bleef het kind in handen van surrogaatmoeders waarbij de rol van nutrix kon overgenomen worden door de mamma en de tata die meestal uit de lagere klassen afkomstig waren. Het sterftecijfer van vrouwen op het kraambed lag hoog en bij echtscheidingen werden de kinderen normaal gezien aan de vader toegewezen waardoor de moeder vaak een afwezige figuur was voor de kinderen[11].

Het lijkt alsof de kinderen verwaarloosd werden en hun ouders met moeite kenden, maar we kunnen alles ook op een andere, positieve manier bekijken waarbij de ouders alles deden waarvan ze dachten dat het goed was voor het kind. Soms moest men nu eenmaal een kind opofferen voor een ander en de voedsters dachten dat het inbusselen het kind echt goed deed. Als een kind stierf, ging dit soms wel gepaard met hevige emoties, wat veel opschriften aantonen. Voor de opvoeding van een kind werden de beste opvoeders, educatores en paedagogi gekozen, dus de ouders waren helemaal niet zo afstandelijk[12].

 

 

4. Besluit.

 

We mogen besluiten dat zowel het huwelijk als het moederschap moeilijk te doorgronden zijn en dit omwille van verschillende redenen. Het huwelijk lijkt op het eerste zicht een simpele privé-aangelegenheid, maar na iets grondiger onderzoek komt al snel de complexe wetgeving naar boven die veel veranderingen heeft doorstaan. Ook blijkt het moeilijk na te gaan wat de gewoonte was bij de plechtigheid en of dit enkel bestemd was voor de rijkere klasse of niet. Ook het moederschap geeft ons geen eenduidig beeld, want de literaire en epigrafische teksten spreken elkaar vaak tegen en archeologisch hebben we bijna geen bewijzen, zodat we alles vanuit twee posities kunnen bekijken. Bij de analyse van de teksten van de antieke auteurs zal blijken dat dit algemeen kader van de leefwereld van de vrouw noodzakelijk is voor de interpretatie ervan.

 

 

II. Mundus, cultus, ornatus en vestis.

 

1. Inleiding.

 

Na het schetsen van een algemeen beeld van de vrouw als echtgenote en moeder kan er dieper ingegaan worden op de uiterlijke kenmerken van de vrouw waarbij het kapsel, de juwelen en kledij aan bod zullen komen. Deze categorieën behoren ook tot de wereld van de man en zo kunnen we, net als bij de vrouwen, modeverschijnselen en statussymbolen herkennen. De indeling die hier gevolgd zal worden is gebaseerd op het werk van R. Berg die een onderscheid probeerde te maken tussen mundus, cultus en ornatus op basis van teksten van antieke auteurs[13]. Ze verwijst ten eerste naar Ulpianus (Digesta 34.2.25) die een onderscheid maakte tussen ornamenta muliebra en mundus muliebris waarbij het eerste sieraden omvat zoals oorringen, armbanden, kettingen, ringen, goud en kostbare stenen en het andere spiegels, parfum, zalfjes, flesjes en benodigdheden voor het bad[14]. Tertullianus (De cultu feminarum 1.4.2) beschouwde cultus als een synoniem van mundus, maar plaatste hieronder goud, zilver, edelstenen en kledij, terwijl hij ornatus zag als de verzorging van het haar en het lichaam[15]. R. Berg geeft echter een foute interpretatie van deze tekst weer omdat ze cultus en ornatus omwisselde, waardoor Tertullianus Ulpianus lijkt te volgen[16]. Volgens andere auteurs is cultus een onderdeel van mundus waarbij het eerste op de lichaamsverzorging van zowel man als vrouw slaat en het tweede enkel de vrouw betreft. Sommigen beweren dat de Romeinen veel belang hechtten aan de nutsfunctie van alles en maakten op basis hiervan een onderscheid tussen het nuttige dat in dienst stond van de gezondheid en hygiëne (mundus) en het nutteloze dat er alleen maar voor zorgde dat iemand er goed uitzag (ornatus). In het dagelijkse leven kende men waarschijnlijk geen strikte scheiding in de terminologie, waardoor de meeste auteurs deze termen door elkaar gebruikten, maar toch bakende R. Berg ze duidelijk af[17]. Volgens haar omvatte ornatus alle juwelen en werd cultus beschouwd als de minimum hoeveelheid lichaamsverzorging, zowel voor man als vrouw, en kan het zo in strikte zin gezien worden als een synoniem van mundus muliebris, dat enkel gold voor de vrouwen[18].

Deze verhandeling zal dieper ingaan op enkele aspecten van cultus/mundus waaronder make-up, schoonheidsmaskers en parfum en zullen dus later uitgebreid aan bod komen. De algemene lichaamsverzorging wordt hier ook niet besproken, ondanks het feit dat het ook tot cultus behoort, maar zal in deel III apart behandeld worden. Ten eerste zal hier de evolutie van het kapsel besproken worden en de benodigdheden hiervoor als onderdeel van cultus en dus van zowel man als vrouw. Ten tweede zal ingegaan worden op ornatus en komen de verschillende soorten juwelen aan bod waaronder ook diegene die als statussymbolen beschouwd kunnen worden, ook al sluiten enkele auteurs dit soort juwelen uit van ornatus. Tot slot zal er ook een deel gewijd worden aan de kledij (vestis), wat naast de vorige categorieën vaak besproken wordt door antieke auteurs, maar bij R. Berg niet aan bod komt en mijns inziens toch vermeld moet worden.

 

 

2. Het kapsel.

 

Het haar van de Romeinse vrouw werd verzorgd door een vrouwelijke kapster, tonstrix of ornatrix genaamd, of door één of meer slaven die hiervoor waren opgeleid. Sommige antieke auteurs gaven tips in verband met het kapsel, zoals Ovidius (Ars Amatoria III. 129-168) die zegt dat iedere vrouw een kapsel moet kiezen dat bij de vorm van haar gezicht past. Vrouwen met een langwerpig gezicht adviseert hij om het haar op het voorhoofd te dragen, terwijl iemand met een rond gezicht beter een wrong boven op het hoofd draagt als een onderdeel van een hoog kapsel. De haarmode kan goed gevolgd worden omdat er altijd veel aandacht werd besteed aan de uitwerking van het kapsel van standbeelden en portretten.

Tijdens de Republiek waren de kapsels vrij eenvoudig en werd het haar gewoon naar achteren getrokken, in een wrong gedraaid en met een haarpin vast gestoken. Bij een variant hierop werd het haar, dat in twee was verdeeld, over de oren en slapen naar achteren geslagen om te eindigen in een knot die men nobus noemde. Soms maakte men twee vlechten uit deze gescheiden delen en als ze lang genoeg waren, werden ze naar voren gelegd, zodat er een soort diadeem ontstond. Deze vrij eenvoudige kapsels verdwenen in de Keizertijd en maakten plaats voor ingewikkelde haarwerkjes waarbij de diadeem van haar heel kunstig werd uitgewerkt tot een boog en de vlechten boven elkaar werden gelegd, zodat er als het ware een mandje ontstond. Portretten van Octavia en Livia tonen een haarstijl waarbij er een grote lok over het voorhoofd werd gevouwen, waarna het als een vlecht naar een knot achter in de nek getrokken werd, waar ook twee zijlokken, die over de slapen krulden, samenkwamen. Er bestond ook een eenvoudig kapsel waarbij het haar naar achteren werd gekamd en in de nek met een reepje stof werd vastgebonden terwijl er kleine krullen over het voorhoofd liepen tot aan de slapen. In de 1ste eeuw n.C., in de tijd van Valeria Messalina, de vrouw van Claudius, was er een grote variëteit aan haarstijlen waarbij de meeste een hoog, kegelvormig model hadden waarbij het haar rondom een draden geraamte werd getooid dat op het hoofd werd vastgezet, maar omwille van de onstabiliteit snel verlaten werd om op zoek te gaan naar alternatieven. Een gelijkaardig kapsel, afkomstig uit Cyprus, waarbij er kleine krullen over het voorhoofd vielen, was snel geliefd onder de Romeinse vrouwen die de krulletjes eerst uitbreidden tot aan de oren en later tot boven op het hoofd, zodat er een soort brede diadeem ontstond van kleine krullen. Tijdens de regering van Nero (54-68 n.C.) liet men veel krullen over het voorhoofd en de slapen vallen waarbij de rest van het haar in vlechten achter in de nek werd vastgebonden en zo over de schouders viel. Dit model werd van nog meer krullen voorzien tijdens de regering van Vespasianus (69-79 n.C.) en Titus (79-81 n.C.). Naast al deze soorten kapsels konden vrouwen, die niet blij waren met hun eigen haarkleur, het haar laten bleken of verven. Nadat men contacten had gehad met de Germanen was vooral blond haar in de mode, maar ook rossig haar was geliefd omdat het bleken vaak mislukte en men dan eerder een rode glans kreeg in het haar. Vrouwen met te weinig haar om kunstige kapsels te maken, konden gebruik maken van haarstukjes, en wie bijna kaal was, vaak door overmatig gebruik van bleekmiddelen, kon altijd nog een pruik in de gewenste kleur opzetten[19].

Ook de mannen besteedden aandacht aan hun kapsel en net als de vrouwen volgden ze vooral de trends aan het keizerlijk hof. Vóór de 3de eeuw v.C. lieten ze het haar vrij groeien en viel het in natuurlijke golven of krullen, maar toen men in 300 v.C. barbiers uit Sicilië haalde[20], verkoos men tot aan de Keizertijd kort haar en een gladgeschoren gezicht. De gewone man ging vanaf nu naar de kapper om zijn baard te laten scheren en het haar te laten bijknippen, maar wie genoeg geld had, zorgde ervoor dat hij een eigen barbier (tonsor) in huis had. In de Keizertijd was gekruld en golvend haar terug in de mode en werd het iets langer gedragen en soms gekleurd. Hadrianus (117-138 n.C.) verkoos een baard (volgens sommigen om de littekens op zijn gezicht te verbergen) en dit werd dan ook gevolgd door de gewone man, terwijl keizer Constantijn (306-337 n.C.) een glad geschoren gezicht prettiger vond, waardoor de mannen hun baard en snor weer lieten scheren. Na de dood van Hadrianus liet geen enkele man zijn baard groeien, met uitzondering van filosofen en andere geleerden die hun baard soms tot op de buik lieten groeien. Jongens konden hun baard laten groeien tot ze de overgang moesten maken naar volwassen man, waarbij hun eerste baard werd afgeschoren (barbae deposito) en geofferd werd aan de Lares. Een niet-geleerde met lange baard wees op een teken van rouw, maar ook militairen, boeren en zeelieden hadden meestal een baard die ze, in tegenstelling tot de burgers, niet goed verzorgden en weelderig lieten groeien, net als hun haar dat ze gewoon sluik lieten vallen. Ook al blijven de kapsels bij de mannen vrij gewoon, toch waren ze erop gesteld, want als ze in hun haar of baard één grijs haartje ontdekten, werd dit meteen uitgetrokken en teveel grijze haren werden gewoon gekleurd[21].

De kapsters maakten natuurlijk gebruik van allerlei voorwerpen om het haar in het juiste model te krijgen en te houden. Men had ten eerste een borstel nodig, die meestal uit varkensharen bestond, en een kam, uit hout, been, ivoor en soms uit metaal en bestaande uit twee tegenover elkaar staande rijen tanden, waarbij de ene kant brede tanden had en de andere kant smalle, zodat het op onze moderne luizenkam leek. De iets duurdere exemplaren waren vaak versierd met motieven van heldendaden, afbeeldingen van liefdesgoden en vogel- en bloemmotieven. Scharen werden gebruikt om het haar te knippen en de wenkbrauwen te trimmen en natuurlijk had men ook scheermessen nodig om de baarden af te scheren. Men kende ook een soort krultang, calamister of calamistrum genaamd, bestaande uit een holle metalen cilinder met binnenin een vaste cilinder waar men het haar rond draaide nadat het opgewarmd was. Haarpinnen waren meestal uit been gemaakt, maar konden ook uit ivoor, glas, goud of zilver zijn en dienden ofwel om lokken te scheiden waardoor het de term acus discriminalis kreeg, ofwel om het haar op zijn plaats te houden en zo acus crinalis of acus comatoria genoemd werd. Sommige haarpinnen waren heel eenvoudig uitgevoerd met een klein geometrisch kopje, terwijl andere veel meer bewerkt waren en een kopje hadden in de vorm van een handje, vogel of een persoon waardoor ze eerder tot de juwelen behoorden. Priesteressen, Vestaalse maagden en meisjes droegen op de vooravond van hun huwelijk een haarnetje van rood garen om het kwade af te zweren, maar al snel begonnen andere vrouwen ook dergelijke netjes te dragen die fijn uitgewerkt waren en misschien zelfs versierd waren met juwelen[22].

 

 

3. Juwelen.

 

Juwelen konden gemaakt worden uit zilver, brons of ijzer, maar de best bewaarde stukken die tot ons gekomen zijn, waren uit goud. Het materiaal dat men nodig had voor goudbewerking was vrij simpel en bestond uit een smeltkroes, aambeeld, hamers, nijptangen, beitels, moules, stempels, vijlen, schuurmiddelen en boren. Om juwelen te maken gebruikte men metalen blaadjes of draad, edelstenen en glaspasta en men kende allerlei technieken, zoals filigraan, granulatie, open werk, enz. om het metaal om te vormen tot mooie pronkstukjes. De ambachtslui waren meestal gespecialiseerd in een bepaald onderdeel van de metaalbewerking en zo bestond er naast de aurifex of goudsmid, een brattarius die zich bezig hield met het slaan van goud tot dunne blaadjes, de barbaricarius, een specialist in goudborduurwerk, en de caelator die het beitelwerk deed. Daarnaast waren er meesters in het maken van één bepaald soort juweel, zoals de anularius en armillarius, experts in het maken van ringen en armbanden, de scalptor, gespecialiseerd in intaglio, en de gemmarius die zowel gemmen verkocht als sneed.

Volgens sommigen kan er tijdens de 1ste en 2de eeuw n.C een onderscheid gemaakt worden tussen de Italisch-Romeinse en Hellenistisch-Romeinse juwelen. De eerste groep werd gekenmerkt door geometrische vormen, lineaire decoratie en kleur en de tweede groep door gestileerd naturalisme van Hellenistische dieren- en mensenmotieven. Vanaf de 3de eeuw n.C. gebruikte men een sterkere polychromie, gekleurde stenen die in meer massieve stukken werden gebruikt en een nieuwe decoratietechniek, opus interrasile of open werk genoemd. Men kende edelstenen zoals smaragd, aquamarijn en opaal, maar parels, waar men oorringen van maakte of de kledij mee versierde, waren nog meer geliefd.

Wat de juwelen zelf betreft, kunnen we ten eerste verwijzen naar de hierboven vernoemde haarpinnen en netjes die het kapsel versierden, waarbij ook de diademen horen die het kapsel iets meer in de kijker zetten. De Romeinse vrouwen droegen oorringen, armbanden, ringen en kettingen, dus in principe alle sieraden die we nu ook nog kennen. Bij de oorringen waren vooral de crotalia geliefd, dit waren dubbele hangers die op het einde een parel droegen en een aangenaam geluid produceerden bij het wandelen. Bij de armbanden ging de voorkeur naar massief gouden exemplaren in de vorm van een slang, maar ook diegene met een dubbele rij gouden halve cirkels, die in paren waren samengevoegd, waren geliefd. Terwijl deze juwelen enkel dienden om zichzelf op te smukken, bestaan er naast de haarpinnen nog andere juwelen met een nutsfunctie, zoals de fibulae die ervoor zorgden dat de kledij bijeen gehouden werd, maar soms mooi uitgewerkt konden zijn. Dit is ook het geval bij de broches, waar men meestal munten in verwerkte. Tijdens de Republiek mocht men maar één ring dragen, die doorgaans als zegelstempel werd gebruikt, terwijl men vanaf de Keizertijd met meerdere ringen pronkte. De gewone mensen droegen vaak een simpele ijzeren ring, maar rijkere mensen hadden zelfs ringen voor ieder seizoen[23]. Juwelen werden vaak gezien als een statussymbool waarbij de belangrijkste de bulla en de gouden ring waren. De bulla mocht enkel gedragen worden door vrijgeboren burgers en de gouden ring was gereserveerd voor een bepaalde klasse of voor speciale gelegenheden. Vanaf de regering van Tiberius (14-37 n.C.) mocht je een gouden ring dragen als je een vrijgeboren burger was en 400.000 sestertiën bezat, maar ook getrouwde vrouwen droegen er één tot in de 2de eeuw n.C. Vanaf 197 n.C. mochten alle soldaten een gouden ring dragen van Septimius Severus (193-211 n.C.). Soms werden juwelen ook beschouwd als onderscheidingstekens en zo kregen buitenlandse soldaten een gouden ketting en Romeinse een zilveren. Er bestonden ook kronen die om verscheidene redenen uitgereikt konden worden, waaronder de burgerlijke kroon met eikenbladeren voor het redden van levens van Romeinse burgers en de laurierkrans als teken van overwinning voor de generaal[24].

Het gebruik van juwelen werd door verschillende wetten bepaald, waaronder de wet van de Twaalf Tafelen uit 450 v.C. die de hoeveelheid juwelen beperkte, die met de overledene mocht begraven worden. Omdat het gebruik van juwelen soms buitensporige proporties aannam, bracht de tribuun Gaius Oppius een wet uit in 215 v.C., de Lex Oppia genoemd, die zei dat vrouwen niet meer dan een halve ons goud bij zich mochten hebben, geen veelkleurige kledij mochten dragen en niet in een koets mochten rijden binnen een mijl van de stad Rome. In 195 v.C. eisten twee tribunen, Marcus Fundanius en Lucius Valerius, dat de wet zou ingetrokken worden, maar dit werd verworpen door twee andere tribunen, namelijk M. Iunius Brutus en P. Iunius Brutus, die hun veto wilden stellen. Op dat moment kwamen de vrouwen uit de omliggende steden en het platteland naar Rome, blokkeerden de straten naar het forum en bestormden de deuren van de twee tribunen die tegen de verwerping van de wet waren tot ze zich gewonnen gaven[25].

 

 

4. Kledij.

 

De onderkledij van een vrouw bestond uit een lichte mouwloze ondertuniek, een hemd (intusium) en bustehouder, een fascia pectoralis of strophium genoemd, waarboven ze een tunica droeg, die vanaf de 2de eeuw v.C. de term stola kreeg. Een tuniek was normaal gezien een wollen kleed, bestaande uit twee aan elkaar genaaide stukken stof, waarbij het voorste deel tot onder de knieën kwam en het achterste deel tot op de kuiten. Vanaf de 2de eeuw v.C. begonnen de vrouwen de mode te volgen, waardoor de tunieken verschillende uitvoeringen en kleuren kregen. Elke tuniek had een specifieke naam, maar de bekendste was waarschijnlijk de tunica regilla of tunica recta, i.e. een soort witte tuniek, gedragen voor het huwelijk, met erover nog een stola. De stola was een wit kleed, met of zonder mouwen, waarvan de onderkant meestal getooid was met borduursel of edelstenen en dat langer was en nauwer aansloot dan de mannelijke toga en rond de middel bijeen gehouden werd met behulp van een ceintuur en aan de schouders met fibulae. In het begin van de Republiek droeg de vrouw hierover een ricinium, een eenvoudige vierkante mantel, die vanaf de keizertijd vervangen werd door een palla, dit was een ruime mantel die vaak rijk geborduurd was[26] . Het is echter niet zo dat elke Romeinse vrouw dezelfde klederdracht kende, want deze was afhankelijk van haar positie in de maatschappij. Een vrijgeboren meisje droeg een toga praetexta en ondanks de weinige voorbeelden die we kennen, mogen we waarschijnlijk aannemen dat het sterk leek op die van de jongens, waarbij er een smalle purperen geweven band liep langs de lange zijde van de toga. In tegenstelling tot de jongens, die onder de toga een tuniek droegen met twee purperen geweven strepen, clavi genaamd, en rond hun nek een medaillon uit goud, zilver, brons of leer met een amulet erin (bulla), droegen de meisjes waarschijnlijk geen amulet, maar een ketting met een lunula, i.e. een maanvormig hangertje. Wanneer ze de puberteit bereikten, voor het meisje wanneer ze trouwde en voor de jongen afhankelijk van de leeftijd die zijn ouders bepaalden, legden ze deze toga af en offerde de jongen hem aan de Lar en het meisje hem aan Fortuna Virginalis, waarna de jongen zijn toga virilis kreeg en het meisje de klederdracht van een matrona volgde. Deze droeg een wollen stola over haar tuniek, wollen banden (vittae) in het haar en bedekte haar hoofd met een wollen palla of mantel als ze onder het publiek kwam. De mater familias droeg ook een stola, vittae, en palla, maar verschilde van de matrone door haar kapsel, de tutulus genaamd, waarbij het haar in twee delen werd verdeeld, die hoog op het hoofd werden vastgezet en met vittae werden omwonden. De weduwe bedekte haar hoofd met een ricinium in plaats van een palla, maar of ze ook nog een stola of vittae droeg is onbekend, terwijl een echtbreekster een effen toga droeg. Over de klederdracht van gewone volwassen ongehuwde vrouwen is er echter niets gekend[27].

De toga, met zijn half elliptische vorm en afgeronde uiteindes, werd in het begin door zowel mannen als vrouwen gedragen. Vanaf de 2de eeuw v.C. werd het over een tuniek gedragen en was het voorbehouden voor volwassen mannen, terwijl de vrouwen een stola gingen dragen[28]. Doorheen de tijd veranderde de manier van draperen, maar omwille van de vrij technische manier van draperen, zal hier niet verder op worden ingegaan. Bovendien is het hier niet de bedoeling om de exacte patronen van de toga weer te geven. Net als bij de vrouwen, kun je de maatschappelijke positie van de man herkennen door zijn toga te bekijken en zo krijg je, naast de normale witte toga, de toga pura of virilis, die gedragen werd door vrijgeboren Romeinse burgers, nog allerlei andere soorten toga’s. De toga praetexta, hierboven al besproken, werd ook gedragen door magistraten en hogepriesters. Iemand die in de rouw was droeg een toga pulla, dit was een zwarte of donkere toga, terwijl de toga candida wit en effen was en gedragen werd door kandidaten voor publieke ambten. De toga picta, purper gekleurd met een gouden band, tooide de generaals die een overwinning hadden behaald en later ook de keizers en consuls. De auguren kon men dan weer herkennen aan hun toga trabea met lichte strepen en een purperen boord. De toga was echter niet altijd even praktisch en thuis droeg men dan ook vaak gewoon een tuniek, die vanaf de Keizertijd meestal vervangen werd door andere kledingstukken die men over de toga kon dragen, maar vaak in de plaats ervan droeg. Een pallium droeg men op dezelfde manier als een toga, maar het was korter en moest niet dubbel gevouwen worden. De lacerna was oorspronkelijk een soldatenmantel, maar na een tijdje werd dit ook door gewone burgers gedragen omdat het in goedkopere stoffen gemaakt werd. Een eenvoudige mantel, meestal met een kap, was de paenula die vooral bescherming gaf bij koud en slecht weer, terwijl de laena een klein rond zwart manteltje was dat door het gewone volk werd gedragen. Er bestonden ook zware mantels met een kap waaronder de cucullus, de birrus en de caracalla[29].

Wat het schoeisel betreft was er geen onderscheid tussen man en vrouw en kunnen we enkele soorten onderscheiden. Ten eerste had je sandalen die met lederen riempjes werden vastgebonden en dienden om thuis rond te lopen, ten tweede had je sloffen (socci) en ten derde calcei die tot de publieke kledij behoorden van een Romeinse burger en waarmee men dus naar buiten kwam. Verder kende men nog de pero, van ongelooide huid, de caliga, de sandaal van de militairen en de sculponea, een soort klomp met houten zool die voornamelijk werd gedragen door slaven en landbouwers. Je had ook verschillende soorten laarzen die vooral werden gedragen door jagers en landbouwers, maar er was ook een fijner model, de zancae, van Parthische afkomst en uit rood leer gemaakt, die door de laatste keizers werden gedragen in plaats van calcei[30].

 

 

5. Besluit.

 

Deze drie categorieën werden misschien strikt opgedeeld, maar na het bespreken ervan kan er vastgesteld worden dat ze soms in elkaar overvloeien, zoals de haarpinnen die zowel tot het kapsel als de juwelen behoren of de fibulae die men zowel bij de juwelen als bij de kledij kan plaatsen. Er kan ook opgemerkt worden dat zowel de vrouw als de man modebewust waren, maar waarschijnlijk mogen we ze niet over dezelfde kam scheren. We kunnen vaststellen dat de vrouw vaak buitensporig omging met de rijkdom van haar man en hem soms ruïneerde om toch maar met een paar oosterse juwelen te kunnen pronken. De mannen verzorgden hun haar en baard waarschijnlijk gewoon omdat ze dan gezien werden als goede burgers en de juwelen die ze droegen waren meestal een statussymbool. De kledij duidde bij beiden op hun sociale positie, maar de vrouw verkoos duidelijk mooie kleuren en bepaalde stoffen boven andere, terwijl het bij de man vermoedelijk enkel om zijn status ging. Er bestonden mannen die aan iedere vinger een ring droegen en de mode probeerden te volgen, maar deze werden vaak met een scheef oog bekeken en beschouwd als verwijfde mannen. Natuurlijk mogen we nooit vergeten dat de informatie die tot ons komt vaak alleen de wereld van de rijkere klasse weergeeft en we ons dus moeilijk kunnen voorstellen hoe gewone burgers erbij liepen, of hun haar ook zo mooi gekapt was en of ze zich goedkope juwelen konden veroorloven of gewoon niets van dit alles.

 

 

III. De algemene lichaamsverzorging.

 

1. Inleiding.

 

In het vorige deel werd het kapsel, de kledij en de juwelen van de Romeinen geschetst, waardoor we een duidelijker beeld van de Romein hebben gekregen. Het spreekt voor zich dat dit beeld nog niet volledig is en in het vorige deel werd al opgemerkt dat er naast het kapsel, nog meer zaken tot de cultus behoorden, waaronder de algemene lichaamsverzorging. Deze persoonlijke hygiëne, die voor de Romeinen uiterst belangrijk was om als goede burger beschouwd te worden, zal hier kort besproken worden. Ten eerste zal er nagegaan worden in hoeverre en hoe vaak de Romeinen zich wasten en of dit thuis gebeurde of in de publieke badgebouwen. Daarna komt het reinigen van de oren en de verzorging van de tanden aan bod en tot slot wordt er nog een hoofdstuk gewijd aan de ontharing van bepaalde lichaamsdelen.

 

 

2. Persoonlijke hygiëne: stinken of blinken?

 

Men waste iedere dag zijn armen, benen en gezicht en iedere week of om de negen dagen nam men een volledig bad[31]. De Romeinen kenden blijkbaar geen zeep en gebruikten een spons (spongia) en schurende producten zoals puimsteen (pumex) om alle poriën goed te reinigen[32]. Er werden ook nog andere reinigingsmiddelen aangewend, zoals struthium, i.e. een extract van de wortels van zeepkruid, creta fulonica wat een kleiproduct was, soda of aphronitrum en lomentum, een mengsel gebaseerd op meel van bonen of eikels en gedroogde, gemalen slakkenhuisjes[33].

Vanaf de 3de eeuw v.C. gingen de meeste Romeinen voor het wekelijkse bad naar de publieke badgebouwen (balneum of balneae), terwijl de rijke burgers zich natuurlijk een bad (lavatrina) in hun eigen huis of op hun plattelandsvilla konden veroorloven. In het begin bedroeg de toegang tot de thermen maar een quadrans, zodat zelfs de minder gegoede burger hiervan gebruik kon maken. Tijdens de Republiek waren de thermen gemengd, maar vanaf Hadrianus werd dit na enkele schandalen verboden, waardoor mannen en vrouwen op verschillende tijdstippen gingen baden. In sommige thermen werden bepaalde delen ontdubbeld, zodat ze op hetzelfde moment maar in een ander deel konden baden. De publieke badgebouwen bevatten allemaal dezelfde drie onderdelen (tepidarium, frigidarium en caldarium) en afhankelijk van de grootte kon het nog enkele toevoegingen krijgen. Bij het binnenkomen had je eerst de kleedkamer (apodyterium) met kastjes voor je kleren en er waren ook handdoeken voorzien. Het tepidarium was een lichtjes verwarmde grote hal waar je dus in lauw water kon baden, terwijl het frigidarium het koude bad was omdat het niet volledig overdekt was. Het caldarium of hete bad werd warm gehouden door de zon en de verwarming en bevatte een fontein (labrum) om de handen en het gezicht te wassen en ten zuiden ervan soms een zweetbad, sudatoria of laconica genaamd. Rondom de thermen was er een porticus met winkels en binnenin bevonden zich tuinen, gymnasia, massagekamers, bibliotheken en musea. Er werkten verschillende slaven met elk hun eigen taak, zoals de capsarii die de ingang bewaakten en op de kleren letten, de fornacarii die voor de verwarming zorgden, de unctores die de mensen masseerden en de aliptes en de dropacistes die bepaalde lichaamsdelen epileerden met pincetten of dropax (zie infra). Na het bad schraapte men het vuil van het lichaam met een strigilis en besprenkelde men zichzelf met geparfumeerde oliën om de zachtheid van de huid te behouden[34]. De grote thermen hadden zelfs een speciale kamer, unctuarium of eleothesium genoemd, vol grote parfumflessen zodat men er zijn favoriete geur kon kiezen[35].

 

 

3. Oor- en mondhygiëne.

 

De Romeinen spoelden hun mond met licht geparfumeerd water voor een frisse adem en poetsten hun tanden met allerlei middeltjes, zoals hoornpoeder, puimsteen en urine, of mengden verschillende ingrediënten tot er een soort tandpasta ontstond[36]. Er werd gebruik gemaakt van tandpasta op basis van puimsteenpoeder, mastiek van Chios, soda en bicarbonaat, maar ook van gemalen hondentanden met honing. Bij slecht ruikende adem kauwde men op bladeren van Malabar of nam men de pastilles van Cosmus[37]. Wie een tand miste, kon een valse tand uit ivoor, been of goud laten maken, die dan met gom tussen de twee andere tanden geplakt werd. Het nadeel was dat de gom vrij snel smolt, waardoor je er eigenlijk niet mee kon eten en de gom regelmatig vernieuwd moest worden[38]. Om de etensresten tussen de tanden te verwijderen gebruikte men een dentiscalpium, een soort tandenstoker uit hout, been of metaal met op het einde een haakje[39].

De oren reinigde men met een auriscalpium, een stokje uit bot, ivoor of brons met een dun schijfje op het einde[40]. Soms had men een staafje met aan de ene kant een dentiscalpium en aan de andere kant een auriscalpium, maar er bestonden ook toiletsetjes waarbij alle benodigdheden voor de dagelijkse verzorging (o.a. dentiscalpium, auriscalpium, pincet, lepeltjes, schraper) aan één ring hingen[41].

 

 

4. Het epileren.

 

De Romeinse vrouwen epileerden hun oksels en benen, en sommigen ook de armen en genitaliënstreek, met ontharingscrème of epileertangetjes[42]. Psilothrum was één van de bekendste ontharingscrèmes, bestaande uit arseensulfide, goudpigment, opgeloste kalk met meel, suiker en honing, maar kon ook gebaseerd zijn op een oplossing van pek in olie, gemengd met hars en was, of op een mengsel van heggenrank (bryonia dioica). Een andere ontharingscrème was dropax, een sparrenhars die men moest opwarmen en op linnen doeken smeren, waarna men ze op de huid legde[43]. De pincetten (volsellae), tussen 5 en 11 cm lang, waren gemaakt in brons, zilver of goud en werden vooral gebruikt voor het epileren van de oksels. De slaaf die deze taak uitvoerde, werd alipilus genoemd en kon men meestal vinden in de buurt van de thermen[44].

 

 

5. Besluit.

 

Ook al drijven dichters, zoals Martialis, de spot met deze algemene lichaamsverzorging, toch mogen we aannemen dat dit een alledaagse bezigheid was. Aan de andere kant begrijpen we Martialis ergens wel, want soms leek het erop dat men eerder naar de thermen ging om achteraf lekker te ruiken of dat men het belangrijker vond om witte tanden en een frisse adem te hebben, dan geen gaatjes. We kunnen de Romein hier echter niet voor veroordelen, want wie neemt er vandaag de dag geen muntje bij een slechte adem en wassen we ons niet allemaal met de zeep die zo lekker ruikt?

 

 

IV. Literaire bronnen.

 

1. Inleiding.

 

In de voorgaande delen werden telkens enkele aspecten van het dagelijkse leven besproken. Deze vormen een algemene achtergrond voor het eigenlijke onderwerp van deze eindverhandeling, dat vanaf hier aan bod zal komen. De indeling die hier gevolgd zal worden, is gebaseerd op de verschillende soorten bronnen die ons iets kunnen vertellen over dit thema.

In dit deel zullen de literaire bronnen van schmink en parfum apart geanalyseerd worden. Deze analyse kan ons heel wat informatie verschaffen, maar stelt ook enkele problemen. Aan de ene kant wordt er regelmatig iets over schmink of parfum vermeld, maar anderzijds moeten we er ons van bewust zijn dat het vaak om spotdichters gaat, die dit misschien overdrijven, en dat alles vanuit het mannelijke standpunt wordt gezien. Een bijkomend probleem is dat antieke teksten tot het vakgebied van historici behoren en je, als archeoloog, hier bijna niet mee leert omgaan, hoewel je er vaak mee geconfronteerd wordt. Ondanks deze problemen mogen we deze teksten zeker niet aan de kant schuiven, want ze geven ons veel informatie en kunnen dit onderwerp misschien op een andere manier belichten dan de iconografische of archeologische bronnen. Natuurlijk is het onmogelijk om alle teksten weer te geven die ook maar iets vermelden over make-up en parfum en hier werd dan ook een exhaustieve selectie gemaakt.

De teksten over make-up zullen opgedeeld worden in teksten die het gebruik van schmink vermelden, teksten die de producten zelf vermelden en schoonheidsmaskers. In het begin worden de fragmenten telkens kort besproken, meestal per auteur, waarna de Latijnse teksten en vertalingen op basis van de auteur alfabetisch worden weergegeven[45]. Bepaalde auteurs maken een onderscheid tussen goede cosmetica (ars ornatrix) en slechte cosmetica (ars fucatrix), maar deze discussie zal hier niet gevoerd worden. Het zijn trouwens vooral artsen, zoals Galenus en Criton, die zich hiermee bezighielden en de goede cosmetica als een onderdeel zagen van de geneeskunde, waarbij de natuurlijke schoonheid van het lichaam centraal stond. Ze verachtten echter de cosmetica die het gezicht witter maakten of de haren een ander kleur gaven. In de Oudheid was het onderscheid tussen cosmetica en geneeskunde vrij vaag omdat ze dezelfde primaire elementen bevatten en er pas door hun verwerking een onderscheid ontstond. Hier zal echter niet uitdrukkelijk nagegaan worden of bepaalde cosmetica ook geneeskundige krachten bezaten omdat deze eindverhandeling in de eerste plaats over ‘schoonheid’ gaat[46].

Bij het hoofdstuk over parfum zal er eerst een selectie van korte fragmenten, die het gebruik van parfum vermelden, aan bod komen, waarbij het vaak om epigrammen of spotgedichten gaat. Deze teksten kunnen onderverdeeld worden in die met een positieve en een negatieve visie en diegene die neutraal zijn of weetjes geven. Ze worden voor een groot deel op dezelfde manier behandeld als de teksten over schmink, dus met een korte bespreking en daarna de Latijnse teksten en vertalingen in alfabetische volgorde. Daarna worden de parfums en hun ingrediënten beschreven, maar deze worden in enkele werken echter zo uitgebreid behandeld dat het onmogelijk is om alle oorspronkelijke teksten en vertalingen weer te geven. Deze teksten zullen dan ook gewoon besproken worden en een tabel, waarin de verschillende soorten parfums, ingrediënten en auteurs vermeld worden, moet hierover meer duidelijkheid scheppen. De belangrijkste werken voor dit tweede stuk zijn de Naturalis Historia van Plinius de Oudere, de De odoribus en Historia plantarum van Teophrastus en De materia medica van Dioscorides[47].

 

 

2. Schmink.

 

2.1. Teksten die het gebruik van schmink vermelden.

 

In sommige teksten krijgen we geen gedetailleerde beschrijving van de producten, maar wordt gewoon het gebruik van schmink vermeld. Martialis zegt in Epigrammaton IX.37 dat het gezicht van Paula in verschillende doosjes (pyxides) bewaard wordt, want haar gebit, wimpers en wenkbrauwen zijn vals en ze maakt gebruik van verschillende soorten poeders en verf om zichzelf mooier te maken. Welke middeltjes de vrouwen ook gebruikten om er beter uit te zien, volgens Martialis bleven lelijke vrouwen gewoon lelijk.

Petronius (Satyricon 110) haalt ook het gebruik van valse wenkbrauwen aan, die in een pyxis bewaard werden.

In Poenulus (208-238), één van de komedies van Plautus, geeft Adelphasium op een bepaald moment een vergelijking tussen een schip en een vrouw omdat je beide kan blijven verfraaien. Ze vermeldt dat vrouwen urenlang bezig zijn met baden, het opsteken van hun haar, het draperen van hun kledij, het schminken van hun gezicht en dit allemaal met behulp van enkele slavinnen. Deze dagelijkse lichaamsverzorging en opsmuk waren blijkbaar heel belangrijk voor de vrouw, want volgens de tekst is er altijd tijd voor, zowel overdag als ’s nachts. Iets verder (Poenulus 267) wordt er gesproken over de achterbuurten, waar de zwaar geschminkte hoeren hun geld verdienen. In het Latijn krijgen we een specifiek woord voor schmink, namelijk schoeno, waardoor aangeduid wordt dat het om goedkope schmink gaat.

Propertius spot in zijn Elegies II.18.D met een meisje dat zichzelf wil besmeren met verf zoals de Britten. Volgens Propertius is natuurlijke schoonheid het mooist en past Belgische rouge niet op haar wang.

Tot slot lezen we in de Dialogen (XVI.4) van Seneca dat cosmetica de mens bedriegen omdat je er beter uitziet dan in werkelijkheid.

 

- Martialis, Epigrammaton IX.37:

“Cum sis ipsa domi mediaque ornere Subura, fiant absentes et tibi, GalIa, comae,
nec dentes aliter quam serica nocte reponas, et iaceas centum condita pyxidibus,
nec tecum facies tua dormiat, innuis illoquod tibi prolatum est mane supercilio,
et te nulla movet cani reverentia cunni, quem potes inter avos iam numerare tuos.
promittis sescenta tamen; sed mentula surda est, et sit lusca licet, te tamen illa videt.”

“Je bent thuis, beste Paula, mijn schat, maar je schoonheid is elders verspreid want je haar is zo pas door je meid naar de kapster gebracht in de stad. Naast je zijden gewaad dat daar ligt prijkt je nieuwe sneeuwwitte gebit, in die talloze doosjes hier zit wat je ’s middags vertoont als gezicht. Als je slaapt heb je er eigenlijk geen tot het na je ontwaken herleeft. Wie zijn eigen gezelschap niet heeft is in bed toch wel uiterst alleen. Maar met wimper en wenkbrauw beplakt en met verfjes en poeders compleet, ben je, deftig in zijde gekleed, opgetuigd, ridicuul en bekakt. En je lonkt en je knipoogt en smelt van behaagzucht maar blijft toch een trut wiens vergrijsde en oeroude kut in de rij van je voorouders telt. Ook je geld overbrugt niet de kloof. Heeft mijn pik maar één oog (en zo klein), hij ziet jou toch te goed, cherubijn, en voor jou blijft hij Oost-Indisch doof.”[48]

 

- Petronius, Satyricon 110:

Plura uolebat proferre, credo, et ineptiora praeteritis, cum ancilla Tryphaenae Gitona in partem nauis inferiorem ducit, corymbioque dominae pueri adornat caput. Immo supercilia etiam profert de pyxide, sciteque iacturae liniamenta secuta totam illi formam suam reddidit.”

“Hij wilde nog meer te berde brengen, leek het, en nog grotere onnozelheden dan de vorige, toen een dienares van Tryphaena Giton naar beneden in het schip bracht en zijn hoofd sierde met een pruik van haar meesteres. Zelf haalde ze een stel wenkbrauwen tevoorschijn uit haar toiletkastje, en door met bekwame hand de omtrekken van de verloren wenkbrauwen te volgen wist zij hem geheel en al zijn oorspronkelijke schoonheid te hergeven.”[49]

 

- Plautus, Poenulus 208-238:

“Adelphasium: Negoti sibi sui uolet uim parare, nauem et mulierem haec duo comparato. Nam nullae magis res duae plus negoti habent, forte si occeperis exornare, neque umquam satis hae duae res ornantur, neque eis ulla ornandi satis satietas est. Atque haec ut loquor, nunc domo docta dico. Nam nos usque ab aurora ad hoc quod diei est [Postquam aurora inluxit numquam concessauimus] ex industria ambae numquam concessamus lauari aut fricari aut tergeri aut ornari, poliri expoliri, pingi fingi; et una binae singulis quae datae nobis ancillae, ea<e> nos lauando, eluendo operam dederunt; aggerundaque aqua sunt uiri duo defessi. Apage sis; negoti quantum in muliere una est! Sed uero duae, sat scio, maxumo uni populo cuilubet plus satis dare potis sunt. Quae noctes diesque omni in aetate semper ornantur, lauantur, tergentur, poliuntur. Postremo modus muliebris nullus est; neque umquam lauando et fricando scimus facere neniam.”

Adelphasium: Een man die zich een massa last op de hals wilt halen, schaft zich een schip aan en een vrouw: ’t zijn twee rivalen. Geen andere zaken weten je er zo bij te lappen dan die twee, als je eraan begint ze op te knappen. Want nimmer zijn die twee voldoende opgetooid; wat je er ook aan besteedt, voldoende is het nooit. En wat ik zeg, heb ik sinds kort zelf ondervonden. Want van de dageraad af tot op ’t moment daarnet zijn we onophoudelijk bezig met ons toilet: we baden, wrijven, drogen, maken haren op, blanketten, verven, poeieren, kleden ons op en top, terwijl twee meisjes voor ons elk beschikbaar zijn, die ons met bad en met toilet behulpzaam zijn; en nog twee man van ’t waterhalen bekaf zijn. Mijn hemel! Wat een overlast bezorgt één vrouw! Maar twee – dat weet ik – geven een heel volk al gauw volop te doen met hun besognes en zelfs meer dan dat. Hun leven lang zijn ze in de weer en aan de slag met wassen, poetsen, schminken, nacht en dag. Tenslotte weet een vrouw geen maat; want hoe je ook praat, voor wassen, wrijven, poetsen is ’t haar nooit te laat.”[50]

 

- Plautus, Poenulus 267:

“Adelphasium: Turba est nunc apud aram. An te ibi ui sinter istas uersarier prosedas, pistorum amicas, reliquias alicarias, miseras, schoeno delibutas, seruolicolas sordidas.”

Adelphasium: Bij ’t altaar is ’t nu zo druk. Je wilt je toch niet mengen onder tippelaarsters, kroegenmeiden, sletten uit de achterbuurt, arme typen, zwaar bepoederd, haveloze slavenliefjes.”[51]

 

- Propertius, Elegies II.18.D:

Nunc etiam infectos demens imitare Britannos, ludis et externo tincta nitore caput? Ut natura dedit, sic omnis recta figurast: turpis Romano Belgicus ore color an si caerulea quaedam sua tempora fuco tinxerit, idcirco caerula forma bonast? Illi sub terris fiant mala multa puellae, quae mentita suas vertit inepta comas!

“Nu wil je net als de Britten met verf je besmeren, gek meisje, spelen de blonde prinses met een exotische glans. Zo de natuur haar geschapen heeft, is elke schoonheid het mooiste; eerlijk, in Rome misstaat Belgische rouge op een wang. Geef dat het meisje in Hades veel kwellingen zal ondervinden die zo pronkzuchtig het haar omtovert in een valse kleur. Stel dat bijvoorbeeld een vrouw haar wangen met blauw zou bewerken, is dat daarom dan mooi, zo een gezicht van azuur? Wat mij persoonlijk betreft: voor mij kun je makkelijk mooi zijn: mooi genoeg ben je voor mij als je maar dagelijks komt!”[52]

 

- Seneca, Dialogen XVI.4:

Non faciem coloribus ac lenociniis polluisti.

“Je gezicht heb jij nooit met verleidelijke cosmetische middelen besmeurd”.[53]

 

2.2. Teksten die de producten om schmink te maken vermelden.

 

Andere teksten geven ons wel informatie over de gebruikte middelen om schmink, zoals rouge, fond de teint,… te maken. Juvenalis (Satyricon II.93-109) heeft het over roet (fuligo) waarmee men de wenkbrauwen en oogleden zwart kleurde en een soort broodpapje dat men op het gezicht smeerde. Ook al gaat het hier niet over vrouwen, maar over mannen met verwijfde trekjes, toch waren dit zeker ook de producten die vrouwen dagelijks gebruikten.

Martialis vermeldt in zijn Epigrammaton II.41 twee soorten fond de teint, namelijk verpulverd krijt (creta) en loodwit (cerussa)[54]. In een ander epigram (VI.93) heeft Martialis het over Thais, een meisje dat enorm stinkt en haar toevlucht zoekt in de thermen. Daar onthaart ze zich met psilothrum (zie III.4), laat ze zich insmeren met een soort moes van bonen, waarschijnlijk lomentum (zie III.2), en gebruikt ze verpulverd krijt om er wit uit te zien. Dit epigram gaat in zijn geheel eerder om algemene lichaamsverzorging en we kunnen ons dan ook afvragen of men het krijt op heel het lichaam smeerde, maar dit wordt jammer genoeg niet weerlegd of bevestigd door andere teksten. Het gebruik van krijt als fond de teint wordt nog eens bevestigd in Epigrammaton VIII.33.18. In Epigrammaton X.22 vertelt hij over een meisje dat haar kin bepleistert en haar lippen met loodwit kleurt. Andere informatie vinden we in zijn Epigrammaton XI.98, waar er sprake is van een soort lippenstift of lippenbalsem, die vrij vettig is en uit was (cerato) bestaat. Het lijkt echter vrij onwaarschijnlijk dat men was gebruikte, want in vaste toestand is het niet smeerbaar en in lopende toestand te heet, maar het is de enige verwijzing die we hebben, zodat we hieromtrent in het duister blijven tasten.

Ovidius geeft in een deeltje van zijn Ars Amatoria (III.193-235) eerst een korte uiteenzetting over algemene lichaamsverzorging en wijdt daarna uit over het gebruik van make-up, waaruit blijkt dat hij heel wat meer weet dan Martialis. In deze tekst wordt het gebruik van krijt nogmaals bevestigd, maar we stoten ook op enkele nieuwe gegevens, zoals het gebruik van rouge. De wenkbrauwen trok men tot één lijn door en met zwarte as (favilla) of saffraan trok men een lijntje rond de ogen, zoals ons oogpotlood tegenwoordig[55]. Wie een oneffenheid had of een lelijk plekje op zijn gezicht, kon een schoonheidsvlekje aanbrengen (aluta), maar ook hier komen we niets meer te weten. Hierna verwijst hij naar een ander boekje dat hij heeft geschreven, namelijk De medicamine faciei femineae (zie infra) waarin hij enkele recepten geeft voor schoonheidsmiddeltjes. Hij raadt de vrouw aan zich op te sluiten in haar kamer wanneer ze zich opmaakt, zodat haar man de onsmakelijke middelen niet ziet die haar mooi maken. Tijdens deze dagelijkse bezigheid spreidt ze alle pyxides uit over tafel, waaruit ze dan de nodige poeders en zalfjes haalt. Ovidius wees in het begin op het gebruik van rouge, maar pas hier komen we te weten dat men het bezinksel van wijn (faex) gebruikte. Een andere soort fond de teint was oesypum, een mengsel van zweet en vuil dat zich ophoopte op de huid van schapen en waarvan de beste blijkbaar uit Athene kwam. Hij maakt een mooie vergelijking met het maken van beelden, waarbij uit een ruw blok steen een mooi figuur wordt gekapt en waaruit blijkt dat hij geschminkte vrouwen mooi vindt, maar gewoon niet wil weten wat ze allemaal hebben moeten doen of hoe lelijk ze in werkelijkheid zijn. Ook in zijn Remedia amoris (347-354) wijst Ovidius op het gebruik van oesypum en allerlei wondermiddelen (venenis) die in pyxides bewaard worden. Zoals hierboven al vermeld, schreef Ovidius een boekje dat speciaal gericht was op de opmaak van de vrouwen, namelijk De medicamine faciei femineae (51-100). Hij geeft eerst een recept voor het maken van een soort zalf die een blanke kleur geeft aan het gezicht en waarbij men een mengsel van Libische gerst, linzen, eieren, hertengewei, narcisbollen, Tuscaanse speltmeel, gom en honing nodig had. Hierna geeft hij nog een ander recept met lupinezaden, bonen, loodwit, salpeter (nitrum) en iris uit Illyrië, maar waarvoor dit mengsel diende is niet duidelijk. Ovidius vermeldt ook twee middelen om vlekjes op het gezicht te laten verdwijnen, waarbij het eerste gebaseerd is op alcyoneum, een soort algen waarvan men vroeger dacht dat de ijsvogel het gebruikte om zijn nest te bouwen, en Attische honing. Het andere product was een mengsel van wierook, salpeter, gom, mirre en honing, eventueel aangevuld met venkel, rozenblaadjes, krachtige wierook en salmiak waarover men het sap van gerst goot[56]. Tot slot verwijst hij nog naar een vrouw die geweekte klaprozen op haar gezicht smeerde, waarmee hij waarschijnlijk wil aantonen dat er heel veel mogelijkheden zijn om een mooie gelaatskleur te krijgen.

In de Mostellaria, een komedie van Plautus, vinden we twee fragmenten (257-259 en 261-262) waarbij het meisje Philematium zich aan het opmaken is met behulp van Scapha, een slavin. Bij het eerste fragment vraagt ze aan Scapha het loodwit, om op haar wangen te smeren en bij het tweede de rouge (purpurissum). Dit soort rouge was gemaakt van het paars van de murex, een purperslak. De vertaling van het laatste fragment klopt niet helemaal, want nergens staat er een Latijns woord dat kan doorgaan voor nagellak of lippenstift. Er worden wel drie soorten fond de teint opgenoemd, namelijk cerussa, Melinum[57] en offucia[58].

Plinius zegt in zijn Naturalis Historia (XXI.127) dat verbrande rozenblaadjes gebruikt kunnen worden als oogschaduw of mascara[59]. In een ander fragment (XXVIII.184) geeft hij een tip om rode wangen te krijgen, waaronder het aanbrengen van stieren- of krokodillenmest[60], waarbij je vooraf en achteraf je gezicht goed moest wassen met koud water. Wanneer hij het gebruik van azuriet bespreekt (XXXV.47), vermeldt hij dat het ook voor de oogleden werd gebruikt, dus als oogschaduw.

Tertullianus behoort misschien niet meer echt thuis in deze reeks van auteurs omdat hij een vroegchristelijke schrijver was, maar zijn werk De cultu feminarum (II.V.1-2) bevestigt duidelijk enkele zaken die we al kennen van de andere auteurs. We lezen dat vrouwen zalf op hun gezicht smeerden, rouge op hun wangen aanbrachten en hun ogen groter maakten met roet (fuligo). Een vrouw die make-up gebruikte, was volgens Tertullianus niet tevreden met het lichaam dat God haar geschonken had omdat ze het wil verbeteren.

 

- Juvenalis, Satyricon II.93-110:

Ille supercilium madida fuligine tinctum obliqua producit acu pingitque trementis attollens oculos; vitrea bibit ille priapo reticulumque comis auratum ingentibus implet caerulea indutus scutulata aut galbina rasa et per Iunonem domini iurante ministro; ille tenet speculum, pathici gestamen Othonis, Actoris Aurunci spolium, quo se ille videbat armatum, cum iam tolli vexilla iuberet. Res memoranda novis annalibus atque recenti historia, speculum civilis sarcina belli. Nimirum summi ducis est occidere Galbam et curare cutem, [summi constantia civis Bebriaci campis] solium adfectare Palati et pressum in faciem digitis extendere panum, quod nec in Assyria pharetrata Sameramis urbe maesta nec Actiaca fecit Cleopatra carina.”

“Eén trekt met een in roet gedoopt penseel de wenkbrauwlijnen zijwaarts bij en schildert elk ooglid door het trillend op te tillen; een ander drinkt uit een kristallen pik en bindt de weelde van zijn lange lokken een gouden netje om, gekleed in ruiten van blauwe stof of gele zij. Zijn slaaf roept Juno aan al even luid als hij. Een derde houdt een spiegel voor, zo één als flikkerkeizer Otho had: een spiegel als een trofee, waarin hij stoer gewapend zichzelf bewonderde toen hij het sein van ‘vaandels voorwaarts!’ gaf. Ja heus, een spiegel in de bagage van een burgeroorlog – ’t is voor modern-historische annalen bepaald vermeldenswaard! Diezelfde keizer toonde zich een uitmuntend generaal door Galba te verslaan en toch te denken aan eigen huid, en een der stoutste burgers door op het slagveld, vechtend voor paleis en keizerstroon, het eigen aangezicht met laagjes broodpap te bekledderen, iets wat Semiramis van Babylon al pijlenschietend, noch Cleopatra ontredderd op haar vloot bij Actium waagden te doen.”