De monarchie op het schavot. Kritische analyse van de argumentatie in het debat rond de vervolging van Louis XVI. (Eva Catteeuw)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel II Onttroonde koning in opspraak

 

Hoofdstuk 1: Aanloop tot het proces van de koning

 

De eersten die het openlijk durfden hebben over een proces van de koning waren twee journalisten. Vijf dagen na de gevangenneming van de koning eisten Hébert in het dagblad Père Duchesne en Fréron in Orateur du peuple dat Louis XVI in beschuldiging gesteld zou worden en dat hij ter dood zou veroordeeld worden. [41]De aanleiding voor de discussie over het proces van de koning was de oprichting van een speciaal tribunaal voor de misdadigers van de 10de augustus, waarvan de rechters gekozen werden uit de Parijse secties. Toen Barère op 15 augustus verklaarde documenten te hebben gevonden in de Tuileriën, waarmee hij kon aantonen dat de uitvoerende macht verraad had gepleegd, kwam het gehele debat in een stroomversnelling. Maar toch verkoos haast iedereen -zelfs de Commune- te wachten tot de samenstelling van de Convention.

 

Het was pas eind september dat een afvaardiging burgers van de Parijse secties Gravilliers er in de Convention op aandrong om over te gaan tot de berechting van de koning. Zo vond de idee voor een proces geleidelijk ingang. De echte aanleiding voor het starten van het proces was een ophefmakend incident op 1 oktober. De leden van het Ancien comité de surveillance de la Commune beweerden in beslag genomen documenten te kunnen voorleggen waaruit duidelijk werd dat leden van de Législative zich via de Liste civile hadden laten omkopen. De chaos en oproer was compleet in de Convention toen ook nog bleek dat men bewijzen had van andere contrarevolutionaire projecten van de koning. Dit was het ideale moment om het vooronderzoek van het proces te starten. Een andere Parijse sectie, die van Piques, inventariseerde de documenten die in de Tuileriën gevonden waren, die het grootste deel uitmaakten van het bewijsmateriaal dat aan Louis XVI ten laste werd gelegd. De stukken werden gedrukt en verspreid onder de volksvertegenwoordigers, zodat de discussie over de vervolging van de koning van start kon gaan. Ondertussen werd een commissie van 24 leden aangesteld voor de voorbereiding van een eventueel proces. [42]

 

Barbaroux, de voorzitter van de Commission des 24 die met het onderzoek naar de misdaden van de koning belast was, had erop gewezen, dat om het proces op een legale en weloverwogen manier te doen verlopen, men een Comité de législation moest benoemen om een oplossing te zoeken voor de juridische problemen die het proces met zich mee zou brengen. Dit comité nam deze taak op zich op 16 oktober. Meteen stelde Barbaroux ook voor dat de Convention zich tot een “cour de justice” zou omvormen.

 

Op 6 november stelde Valazé in naam van de commissie zijn rapport voor over de misdaden van Louis XVI. Valazé zelf was iemand die de koning niet ter dood wilde. Hij zou later zelf voor de opschorting van straf stemmen en zijn zogenaamd milde houding kwam ook in zijn verslag naar boven. Dit was meteen ook de kritiek die men aan zijn adres uitte, niet bezwarend genoeg te zijn. Toch werd beslist het rapport te drukken en door te spelen aan alle departementen in het land. [43]In het desbetreffende rapport kwamen de resultaten van het onderzoek van stapels papieren en documenten naar voor maar van de corruptie van enkele leden van de Législative waren er geen bewijzen, zoals het Ancien comité de surveillance de la Commune had beweerd. Wel werd volgens de commissieleden het verraad van de afgezette koning door de stukken duidelijk gemaakt. Vanaf dan stond ook vast dat er onschuldigen waren omgekomen in de slachtingen in de gevangenis in de maand september.

 

De Convention toonde wel enige teleurstelling tegenover het rapport van Valazé, daar de meeste aanklachten reeds lang gekend waren en men uiteindelijk niet in staat was coherente bewijzen van het verraad van de koning voor te leggen. Girondins moesten aan autoriteit inboeten en er werd besloten het werk van de commissie voort te zetten in de Convention. De Commission des 24 werd opgedeeld in twaalf bureaus van twee man, gecontroleerd door bureaus van telkens vier leden die zorgden voor de coördinatie van de gehele operaties. [44]

 

 

Hoofdstuk 2: Rapport van het Comité de Législation, redevoering van Mailhe

 

Ondertussen had het Comité de législation, dat zich bezig had gehouden met de juridische problemen die bij het proces opdoken, tegen de 7de november haar werkzaamheden voltooid. In naam van dit comité stelde Mailhe[45] een rapport voor met het resultaat van hun onderzoek. In grote lijnen kwam het er voor Mailhe op neer aan te tonen dat Louis XVI, de koning die men wil berechten, wel degelijk constitutioneel koning was en dat de grondwet die hem onschendbaar verklaarde, ook toeliet een proces tegen hem aan te spannen. In een uitvoerige uiteenzetting[46], bedoeld om zijn voorstel te verantwoorden, motiveerde Mailhe zijn antwoord. Het was een redevoering die in het debat rond de vervolging van de koning in de Convention erg toonaangevend bleekte zijn. Mailhes uitgangspunt waren drie elementaire vragen. De eerste fundamentele vraag bij de inbeschuldigingstelling van Louis XVI, was of er eigenlijk al dan niet recht over hem kon gesproken worden, samengevat als “Louis XVI, est-il jugeable pour les crimes qu’on lui impute d’avoir commis sur le trône constitutionnel?”Indien er positief op deze eerste vraag geantwoord werd was de volgende stap natuurlijk de discussie over welke instantie er eigenlijk recht mocht spreken over Louis XVI, “Par qui doit-il être jugé?”De laatste vraag was dan of dit uitgesproken vonnis nog moest geratificeerd worden door de bevolking: “Est-il nécessaire ou convenable de soumettre le jugement à la ratification de tous les membres de la république, réunis en assemblées de communes ou en assemblées primaires?”

 

Mailhe begon bij de meest fundamentele vraag, namelijk het feit of Louis XVI al dan niet in beschuldiging gesteld kon worden, “Louis XVI est‑il jugeable”?Hetgeen het tegendeel zou kunnen doen vermoeden waren het tweede grondwetsartikel dat bepaalde dat “la personne du Roi est inviolable et sacrée; son seul titre est Roi des Français” en de andere grondwetsartikels, waarin was opgenomen dat de koning geacht werd afstand van de troon te doen onder bepaalde omstandigheden. Zo kon hij pas na onttroond te zijn zoals iedere gewone burger beschuldigd en veroordeeld kan worden, voor misdrijven, begaan na zijn troonsafstand[47]. Na iedere bepaling die aanleiding is voor veronderstelling van troonsafstand te hebben nagegaan, stelde Mailhe vast dat Louis XVI’s handelingen met geen van deze bepalingen overeen stemde. De koning had namelijk binnen de voorgeschreven periode zijn eed aan de grondwet afgelegd, hij had zich niet formeel aan het hoofd gesteld van een leger dat zich tegen de natie richtte en had evenmin het koninkrijk verlaten en geweigerd na een uitdrukkelijke uitnodiging van de Convention binnen een bepaalde termijn terug te keren. In die context, en naar de letter van de wet, kon men Louis XVI niet in beschuldiging stellen, meende Mailhe. De misdrijven waarvan men hem immers wou beschuldigen, dateerden van voor de troonsafstand en dus van de periode waarin Louis XVI beschermd werd door de onschendbaarheid van het koningschap.

 

Daarom ging Mailhe net de efficiëntie en doelkrachtigheid van die grondwetsartikels betwisten. De koning kon immers zijn grondwettelijke macht om de grondwet omver te werpen. Bovendien kon een natie, gedurende lange tijd verraden of verdrukt, zich niet eenswreken nadat het verraad of wangedrag van de koning bekend was. De uitgestippelde bepalingen waarbij de Koning geacht wordt troonsafstand te doen, leken Mailhe trouwens niet consequent genoeg. De constitutie nam uitsluitend maatregelen tegen een koning die zich openlijk vijandig gedroeg tegenover de natie. Zo zou het er dus op neer komen sluw genoeg te zijn om zich niet schuldig te maken aan de bepalingen die hem uit zijn ambt ontzetten, zodat men zich aan eender welke gruwelijkheid te goed doen. In dit geval zou de wetgevende macht toch minstens de intenties van de koning moeten kunnen onderzoeken, stelde Mailhe, en zou de grondwettelijke koninklijke onschendbaarheid minstens aan het oordeel van het wetgevend corps onderworpen moeten worden. In een dergelijk geval van crisis, besloot hij, was het onverantwoord dat de Corps législatif, volledig gebonden en beperkt door de koninklijke onschendbaarheid, het welzijn van de natie zou opofferen om een grondwettelijke regeling niet te schaden. Verder verloor de ministeriële verantwoordelijkheid volgens Mailhe ook haar oorspronkelijk doel, als de Koning een complot beraamde zonder het inschakelen van zijn ministers of zonder zogenaamd zichtbare agenten. Daarom zou de Koning dus wel schendbaar moeten zijn met betrekking tot misdrijven waarbij hij onmogelijk ministers bij betrokken heeft.

 

Daarom was het volgens Mailhe nodig om de eigenlijke zin van de in de grondwet beschreven koninklijke onschendbaarheid te achterhalen. Deze was gecreëerd voor het welzijn van de natie, en niet voor de koning als persoon. Bovendien moet de ministeriële verantwoordelijkheid zorgen voor een inperking van die onschendbaarheid. Zo is de koninklijke onschendbaarheid enkel bedoeld om door de koning te worden ingeroepen, indien, bij het trouw vervullen van zijn taken, zijn onafhankelijkheid tegenover de wetgevende macht in het gedrang komt. Door de koning een onschendbaar statuut mee te geven, wou men vermijden dat het wetgevend corps, in geval het tirannieke intenties koesterde, de koning niet kon elimineren. Zo kon deze onschendbaarheid voor een rechtbank van de natie uiteraard niet meer van toepassing zijn. Als de koning zijn onschendbaarheid dan toch kon inschakelen tegenover het Corps législatif, dan kon hij deze volgens Mailhe toch zeker niet inschakelen tegen de machten van de natie. Om verder te argumenteren dat deze koninklijke onschendbaarheid niet te absoluut moest opgenomen worden, vergeleek Mailhe ze met de onschendbaarheid van de Corps législatif. Misbruikten de leden ervan hun onschendbaarheid stelde hij, dan zou de natie er ook tegen opkomen om hun misdrijven te onderzoeken.

 

Allemaal redenen voor Mailhe om te besluiten dat Louis XVI wel degelijk “jugeable” was voor de misdrijven die hij had begaan op de grondwettelijke troon en zo ging hij over naar een tweede discussiepunt: “Par qui doit‑il être jugé?”, of wie moest over hem recht spreken?Volgens Mailhe waren er drie mogelijkheden: de gewone rechtbanken, waarvoor elke andere gewone burger, beschuldigd van een misdrijf tegen de staat moest verschijnen; een tweede mogelijkheid was de bevoegdheid voor de berechting eveneens afstaan aan een rechtbank, gevormd door afgevaardigden van de 83 departementen; en tot slot kon men gewoon de Convention nationale een vonnis laten vellen.

 

Zo belandde Mailhe bij het concrete, praktische probleem van de berechting. Volgens de grondwet kon het Corps législatif de koning slechts beschuldigen in de bovengenoemde gevallen met slechts één mogelijke straf: de reeds gebeurde ontzetting van de koning uit zijn functies. De grondwet voorzag daarom geen andere mogelijkheid voor het uitspreken van een tweede straf voor het wetgevend orgaan, zodat het Corps législatif zich grondwettelijk geen enkele andere rechterlijke functie kon toeëigenen. Maar volgens Mailhe had de natie haar vertegenwoordigers reeds de opdracht gegeven de grondwet te veranderen, waarin gelijkheid meer tot uiting zou komen en dit leidde noodzakelijk tot een grondwet waarin de koning zijn positie als “premier de la nation” verloor. Louis XVI was volgens deze redenering van Mailhe, tot dan toe noch veroordeeld noch gestraft.

 

Omdat de koning parallel naast de grondwet en het Corps législatif geplaatst was, verhief hij zich ook constitutioneel boven alle andere autoriteiten. Maar, stelde Mailhe, de natie was daarentegen niet gebonden door deze grondwet, want zij kan deze namelijk veranderen. Door haar soevereiniteit kwam het volgens Mailhe aan de natie toe om Louis XVI te berechten. Maar, zoals reeds werd gesteld, kon grondwettelijk over de koning geen recht gesproken worden door hiërarchisch lager geplaatste autoriteiten en omdat reeds werd besloten dat de koninklijke onschendbaarheid slechts verviel voor de natie, besloot Mailhe dat Louis XVI bijgevolg ofwel voor de Convention nationale, ofwel voor een rechtbank samengesteld uit afgevaardigden van de natie, terecht moest staan. Voorstellen om particuliere rechtbanken, verspreid over het land recht te laten spreken over Louis XVI, wees Mailhe resoluut van de hand. Hij vond dit weinig opportuun, omdat men zich immers door locale beweegredenen of persoonlijke wraakgevoelens kan laten leiden. Het tweede plan, dat van een rechtbank van afgevaardigden, werd echter al verworpen door de leden van het Comité, dat er de voorrang aan gaf om de Convention zelf Louis XVI te laten berechten. Een plan werd reeds uitgedacht om een aantal afgevaardigden via het lot te laten benoemen tot openbare aanklagers, rechters en gezworenen. De legitimiteit van dit orgaan als vertegenwoordiger van de natie betwisten is daarom een regelrechte aanval naar de natie toe: “Prétendre récuser la Convention nationale ou quelqu’un de ses membres, ce serait vouloir récuser toute la nation, ce serait attaquer la société jusque dans ses bases”. De vraag was alleen nog of de Convention zich in dit geval nog verder moest aanpassen aan de voorschriften van een crimineel proces.

 

Mailhe anticipeerde verder in zijn redevoering reeds op de vraag volgens welke wet Louis XVI terecht moet staan, omdat de Verklaring van de rechten van de mens en van de burger voorschreef dat niemand vervolgd kon worden zonder het bestaan van een vooraf tot stand gekomen wet die zijn gedrag veroordeelt. [48]Mailhe beweerde deze vereiste wet, die alle openbare ambtenaren die hun plicht verzuimen straft, reeds gevonden te hebben in de Code pénal. Een mogelijk tegenargument was volgens Mailhe dat deze wet voortvloeide uit de grondwet, waarin de Koning reeds onschendbaar was verklaard. Anderzijds zou deze wet niet kunnen worden uitgevoerd door autoriteiten die volgens de grondwet hiërarchisch onder de Koning geplaatst zijn. Maar Mailhe repliceerde daar reeds op dat al deze koninklijke voorrechten allemaal vervielen voor de natie.

 

Eigenlijk was het volgens Mailhe zelfs helemaal niet nodig dat er expliciete wetten bestonden die het gedrag van de koning bestraften. De koning werd immers van oudsher voorgesteld als een creatie om de gemeenschappelijke belangen van de natie te behartigen. Indien deze koning echter handelde tegen het welzijn van de natie in, als hij bijvoorbeeld vrijheid onderdrukte in plaats van haar te garanderen, dan had de natie natuurlijk het recht deze koning voor haar rechtbank te roepen. Mailhe stelde dit voor als een inherent onderdeel van het sociaal contract tussende vorst en zijn natie. Bij deze was het dus gerechtvaardigd om ook een koning af te zetten bij afwezigheid van formele daartoe bepalende wetten, omdat de nationale soevereiniteit dit zonder meer verantwoordde, “parce que les droits et les devoirs de la nature sont d’un ordre supérieur à toutes les institutions! ”.

 

Bij deze, maakte Mailhe ook graag van de gelegenheid gebruik om een loopje te nemen met de goddelijke legitimatie van koningen. “Tous les rois de l’Europe ont persuadé à la stupidité des nations qu’ils tiennent leurs couronnes du ciel. . . si un monarque est un dieu dont il faille bénir les coups. . ”.

 

Zo kwam Mailhe tot de laatste vraag in zijn redevoering, namelijk of het uitgesproken vonnis over Louis XVI al dan niet moest onderworpen worden aan de ratificatie van de bevolking. Mailhe was daar kort en duidelijk over: Hij vond dit praktisch gezien onmogelijk. De gehele bevolking zouimmers vergaderingen moeten beramen, discussiëren, overleggen en oordelen en dit acht Mailhe onmogelijk. Over een grondwet kon elke burger zich nog gemakkelijk uitspreken, maar om een oordeel te vormen over het leven van een man, moest men vooreerst de bewijsstukken van zijn misdrijven kunnen zien en moest men ten tweede, de beschuldigde ook zelf aan het woord horen. Verder moet daar volgens Mailhe niet over gediscussieerd worden omdat deze twee argumenten zo doorslaggevend zijn, naast “une infinité d’autres considérations qui vous forceraient également à rejeter le projet. . . ”

 

Zo kwam Mailhe, in naam van het Comité de législation, uiteindelijk tot het volgende definitief voorstel van decreet:

Later kreeg het Comité de législation de taak alle bijkomende juridische problemen te analyseren, die opdoken bij de berechtiging van Louis XVI. De nadere vormen van het proces moesten namelijk gespecifieerd worden. Dit rapport van Jean-Baptiste Mailhe fungeerde als vertrekpunt voor het debat dat in de Convention zou gevoerd worden. Later zou Mailhe in de Convention toch stemmen voor de ratificatie door de bevolking, niettegenstaande hij dit eerder in deze uiteenzetting afwees. Een verklaring voor zijn verandering van opinie was misschien dat hij hier sprak in naam van de meerderheid binnen het comité, zonder er zijn persoonlijke mening bij te betrekken.

 

 

Hoofdstuk 3: Start van het proces

 

Op 13 november opende men de discussie in de Convention over de vervolging van de koning. Redenaars van allerlei politieke oriëntaties hielden hun pleidooien pro en contra het proces van de koning. Op 20 november zorgde de ontdekking van de “armoire de fer” voor een geheel nieuwe wending in de discussie. s Anderendaags stelde de Convention een nieuwe commissie aan, ditmaal een groep van twaalf door het lot aangestelde leden, om de stukken en documenten uit de “armoire de fer” te inventariseren. De commissie zou zich ook bezig moeten houden met het nemen van maatregelen tegen de politici die in opspraak waren gekomen door de gevonden documenten uit de ijzeren kast. Ook al zou men in “l’armoire de fer” uiteindelijk geen beslissende bewijzen vinden die de banden van de koning met de buitenlandse mogendheden zwart op wit aantoonden, toch maakten de ontdekkingen van november de situatie van de Louis XVI uitzichtlozer. Zijn clandestiene correspondentie met de émigrés kwam aan het licht, net zoals zijn afkeuring van de grondwet, die bovendien nog gestaafd kon worden door enkele getuigenissen. [49]

 

Ondertussen begonnen radicale Parijse groeperingen ongeduldig te worden. Op 2 december[50] kwamen afgevaardigden van de 48 “sections parisiennes” in het wetgevend orgaan protesteren tegen de traagheid van het vonnis. Dit zorgde uiteindelijk voor de impuls die nog nodig was om op 3 december, door een decreet in de Convention, de “mise en jugement” van de koning te laten plaatsvinden. Van ‘s anderendaags dateert het voorstel van Buzot[51], girondijns gezind, om al diegenen die zouden voorstellen om de koningen of het koningschap in Frankrijk te herstellen, ter dood te veroordelen. Onder invloed van de Montagnards zou op 6 december[52] beslist worden om de Commission des Douze aan te vullen met negen nieuwe leden, zodat de nieuwe Commission des 21 zich kon bezig houden met het voorbereiden van de akte van beschuldiging voor Louis XVI. Ook op 6 december werd er op voorstel van Marat, gesteund door Quinette, gedecreteerd dat de stemming in de Convention over Louis XVI hoofdelijk zou gebeuren, wat ongetwijfeld een groot voordeel zou zijn voor de partij die de doodstraf voor de koning wilde. Men zou immers onder het oog van de tribunes zijn stem moeten uitbrengen. . Geen enkele afgevaardigde durfde het aan toe te geven dat hij vreesde om zijn mening in het openbaar te uiten. [53]

 

Op 10 december 1792 dan, legde Lindet in naam van de Commission des Vingt et un een nieuw rapport voor over de misdaden van Louis XVI. Het was een akte met 33 beschuldigingen aan het adres van de ex-koning, opgesteld in een vrij eenvoudige stijl en toegankelijk voor alle burgers met het voornaamste verwijt dat Louis XVI een voortdurende strijd had geleverd tegen de revolutie. De akte was haast een historiek van de handelingen van Louis XVI sinds 1789, ondanks het feit dat Marat er uitdrukkelijk op had gestaan geen feiten aan Louis XVI ten laste te leggen, waarvoor de Assemblée hem al amnestie had verleend. [54] Uiteindelijk werden volgende zaken ten laste gelegd aan de koning: het bijeenroepen van de drie standen, de militaire voorbereidingen die voor het geweld van de 14de juli zorgden, de contrarevolutionaire bijeenkomsten in Jalès, de affaire Bouillé in Nancy, zijn betrekkingen met Mirabeau in 1791, zijn vluchtpoging met arrestatie in Varennes tot gevolg, de repressie op het Champ-de-Mars, de conventie van Pilnitz, zijn commentaar bij zijn aanvaarding van de constitutie, de vertraging van de bijeenkomst van Avignon, de omkoping van een aantal leden van de Législative door familieleden van de koning, de betaling van lijfwachten in Koblentz, de hulp verleend aan émigrés, de onvoldoende voorbereidingen voor de oorlog met Oostenrijk, de weigering decreten van de Assemblée Legislative goed te keuren, zijn clandestiene vijandige intenties, het behoud van de “gardes suisses” in Parijs en het bloedbad van de 10de augustus. [55]

 

Nadat de feiten waarvan Louis XVI beschuldigd werd officieel bekend waren gemaakt, kon op 11 december de eerste -en enige- ondervraging van de koning plaats vinden. Het zou één van de grote dagen van het proces worden. Uitzonderlijke veiligheidsmaatregelen waren genomen en de Commune had zich “en permanence” verklaard. Na een lange en tumulteuze discussie over hoe de ondervraging moest gebeuren, besloot men over te gaan tot het voorlezen van de akte van beschuldiging. Nadat de secretaris dit gedaan had, zou het voorlezen ervan door de voorzitter hernomen worden en zou men na iedere beschuldiging aan Louis XVI vragen “Qu’avez-vous à répondre?”Men herhaalde dus eigenlijk gewoon de akte van Lindet, maar dan in vraagvorm. [56]De koning zelf, die in het beste geval slechts van zijn cipier had vernomen wat er die dag zou gebeuren, werd naar de Convention gebracht. In zijn cel in de Temple werd Louis XVI immers van niets op de hoogte gehouden. Hij had geen recht kranten te lezen en zelfs elementair toiletgerei, zoals een scheermes en kam, werd hem geweigerd. Dit zorgde ervoor dat de vermoeide, verouderde indruk van de koning extra in de verf werd gezet.

 

De koning antwoordde dat hij onschuldig was bij iedere beschuldiging die hem ten laste werd gelegd. Hij verklaarde niet op de hoogte te zijn van de “armoire de fer”, beweerde bij het voorleggen van de meeste stukken en handtekeningen dat het de zijne niet waren en verder gaf hij steeds antwoorden in de zin dat een wet zijn daden niet verbood of dat hij niet een dergelijke intentie had gehad. Hij baseerde zich ook steeds op zijn “pouvoir absolu” om politieke handelingen van voor de revolutie te rechtvaardigen en op zijn rechten als constitutioneel koning en de ministeriële verantwoordelijkheid voor feiten van tijdens de Législative. [57]

 

Na de ondervraging van de koning, werden de zittingen rond het proces geschorst tussen de 15de en 26ste december om de advocaten van de verdediging de tijd te geven zich voor te bereiden op hun eindpleidooi. De verdediging zelf vond plaats op 26 december, maar ondanks alles zorgde deze voor weinig reactie of invloed. [58]

 

De debatten die zich in de Convention afspeelden wekten commotie in het gehele land. Overal, in de departementale en de andere assemblées werd er gediscussieerd over het proces van Louis XVI. Individuele en collectieve manisfestaties kregen een kans op het spreekgestoelte van de Convention.

 

Na nog een reeks discussies over de volgorde en de inhoud van de verschillende vragen bij de hoofdelijke stemming[59], over de schuld of onschuld van de koning en de legitimiteit van zijn vervolging, kon men op 15 januari ook effectief overgaan tot de hoofdelijke stemming. Op 20 januari verscheen het verdict over Louis XVI. In een proces-verbaal van de Convention werd Louis Capet, laatste koning van de Fransen, schuldig verklaard aan verraad tegen de natie en aanslagen tegen de staatsveiligheid. De Convention decreteerde dat Louis Capet de doodstraf moest ondergaan. Ze verklaarde ook het appèl op de natie van de ex-koning ontoegankelijk en preciseerde de omstandigheden waarin Louis de doodstraf moest ondergaan.

 

Ondertussen had Louis een aanvraag gedaan via het ministerie van justitie om drie dagen uitstel te krijgen ‘om zich voor te bereiden op zijn ontmoeting met God’. Hij vroeg meteen ook zijn familie te mogen zien zonder getuigen. De Convention weigerde het uitstel, maar stond wel het vrije contact met zijn gezin toe. Niets stond de executie op 21 januari 1793 van de onttroonde monarch nog in de weg. [60]

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[41] Walter, Jacobins, 264.

[42] Archives Parlementaires, LII, 263-268.

   Isorno, Procès, 53-58.

   Seligman, Justice, II, 385-386.

   Furet & Ozouf, Evénements, 241-242.

[43] Archives Parlementaires, LIII, 210-217.

[44] Seligman, Justice, II, 388-392.

    Furet & Ozouf, Evénements, 245.

    Soboul, Procès, 47.

[45] Jean-Baptiste Mailhe werd geboren in 1750, in Guizerix, Hautes-Pyrenées als zoon van een ploeger.   Hij studeerde rechten in Toulouse en werd advocaat in het parlement van deze stad.   Hij wist er zich een reputatie van briljant redenaar en wijs rechtsgeleerde op te bouwen.   Reeds op eenentwintigjarige leeftijd werd hij verkozen als afgevaardigde in de Assemblée législative.   Herkozen in de Convention, trad hij tot het Comité de législation toe.   Het is door zijn lidmaatschap van dit comité en haar activiteiten rondom het proces van Louis XVI dat Mailhes naam bekendheid geniet.   Eind 1794, sprak hij zich heftig uit tegen diegenen die het koningschap wilden herstellen, “un Français qui voudrait un roi ne serait pas un homme, mais un tigre, un ennemi de l’humanité”.   Toch zou hij zich later meer als restauratie-gezind gedragen.   Hij reageerde eveneens sterk tegen de tirannie van de Jacobins.   Tijdens het Directoire zetelde hij in de Conseil de Cinq-Cents, waar hij zich liet opmerken door zijn pleidooien voor meer soepelheid ten aanzien van de familieleden van de émigrés en persvrijheid.   Hij richtte ook mee de Journal général de France op, een koninklijk gezinde krant.   Kort daarna, in 1797 verscheen zijn naam op de liste des déportés en vluchtte hij.   Als gevangene op het eiland Oléron, kreeg hij amnestie en drie jaar later, in 1800 werd hij benoemd tot secrétaire général de la préfecture des Hautes-Pyrenées.   Toch resideerde hij in Parijs, waar hij advocaat aan het Hof van Cassatie was.   Hoewel hij een tegenstander van Napoleon geweest zou zijn, werd hij na de val van deze verbannen.   Hij vestigde zich daarna in Luik, waar hij in een cabinet als jurisconsultus werkzaam was.   Na de juli-revolutie in Parijs keerde hij terug naar zijn vaderland en werkte hij er aan de balie van het Hof van Beroep.   Hij stierf eveneens in Parijs in 1835.  

(Dictionnaire des Conventionnels, 423-425. )

[46] Archives Parlementaires, LIII, 275-282.

[47] Uittreksel uit de grondwet (voor een volledige weergave van de constitutie, zie bijlage 1):

“Art. 2. - La personne du roi est inviolable et sacrée; son seul titre est roi des français.

Art. 5. - Si, un mois après l’invitation du Corps législatif, le roi n’a pas prêté ce serment, ou si, après l’avoir prêté, il le rétracte, il sera censé d’avoir abdiqué la royauté.

Art. 6. - Si le roi se met à la tête d’une armée et en dirige les forces contre la nation, ou s’il ne s’oppose  pas par un acte formel à une telle entreprise, qui s’exécuterait en son nom, il sera censé avoir abdiqué la royauté.

Art. 7. - Si le roi, étant sorti du royaume, n’y rentrait pas après l’invitaion qui lui en serait faite par le Corps législatif, et dans le délai qui sera fixé par la proclamation, lequel ne pourra être moindre de deux mois, il serait censé avoir abdiqué la royauté. - Le délai commencera à courir du jour où la proclamtion du Corps législatif aura été publiée dans le lieu de ses séances; et les ministers seront tenus, sous leur responsablitié, de faire tous les actes du pouvoir exécutif, dont l’exercice sera suspendu dans la main du roi absent.

Art. 8. - Après l’abdication expresse ou légale, le roi sera dans la classe des citoyens, et pourra être accusé et jugé comme eux pour les actes postérieurs à son abdication. ”

[48] Uittreksel uit de Déclaration des droits de l’homme et du citoyen:

“Art. 8 - La loi ne doit établir que des peines strictement et évidemment nécessaires, et nul ne peut être puni qu’en vertu d’une loi établie et promulguée antérieurement au délit, et légalement appliquée. ”

[49] Seligman, Justice, II, 402-404.

   Soboul, Procès, 83-86.

[50] Archives Parlementaires, LIV, 52-53.

[51] Archives Parlementaires, LIV, 349-351.

[52] Archives Parlementaires, LIV, 400-401.

[53] Conte, Sire, 16.

[54] Soboul, Procès, 100.

[55] Archives parlementaires, LIV, 740-747.

[56] Archives parlementaires, LV, 7-15.

[57] Soboul, Procès, 111-120.    

[58] Op de verdediging van Louis XVI door de De Sèze, wordt uitvoerig ingegaan in een volgende hoofdstuk.

[59] In een volgend hoofdstuk wordt bij de hoofdelijke stemming over het lot van Louis XVI langer stilgestaan.

[60] Seligman, Justice, II, 482-483.

   Archives Parlementaires, LVII, 511-513.