De mythe in objectief gerationaliseerde cultuursystemen: de samoeraigenrefilm in het naoorlogse Japan (1945-1970). (Lars Bové)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Empirisch onderzoek:

De samoeraigenrefilm in het naoorlogse Japan (1945-1970)

 

A De historische context: Een zoektocht naar de grondslagen van de Japanse
 cultuurgemeenschap

 

1. Voorgeschiedenis: Van Stenen Tijdperk tot staatssoevereiniteit (tot 710 n.Chr.)

 

Tot voor de Tweede Wereldoorlog blijft de kennis over de Japanse prehistorie uiterst beperkt omwille van de neiging van Japanse archeologen om hun vondsten te interpreteren op basis van subjectief rationele visies op de historische realiteit zoals deze in de eerste Japanse mythen beschreven worden. Bijgevolg heerst er nog steeds een immense onzekerheid omtrent het tijdstip waarop de eerste mensen opduiken in Japan en of zij kunnen bestempeld worden als een homo sapiens of een vroege homo erectus. Hoewel het oudste teruggevonden menselijke fossiel ongeveer 30.000 jaar oud is, wordt er heden ten dage algemeen gesteld dat het eiland al plusminus 200.000 jaar bewoond wordt door menselijke wezens. Tot het einde van de laatste ijsperiode, zowat 15.000 jaar geleden, is Japan nog verbonden met het Aziatische vasteland.[238] Heden ten dage maken de Japanse eilanden, zijnde vier grote en een honderdtal kleinere, deel uit van een eilandenketting aan de Oostkust van het Aziatische continent en worden zij omgeven door de Japanse Zee in het westen, de Oost-Chinese Zee in het zuiden, de Grote Oceaan in het oosten en de Zee van Ochotsk in het noorden.[239]

Er wordt vermoed dat in de Paleolithische tijd - het Oude Steentijdperk - de populatie nooit de twintigduizend overstijgt en dat deze voornamelijk bestaat uit mobiele groeperingen van 20 tot 150 individuen die leven van de jacht en de verzameling van bijvoorbeeld bessen en noten.
Tegen het einde van het Paleolithicum merken we het prille begin van een sedentair bestaan en de eerste vormen van ruilhandel ten gevolge van activiteitsspecialisaties.

 

Vanaf 13.000 v. Chr. verschijnen in Japan de eerste aardewerken ter wereld en deze markeren het begin van de Jõmon periode. “Jõmon” staat namelijk voor een bepaald koordpatroon dat op vele van de eerste keramische vaten terug te vinden is. Vooral vanaf 5000 voor onze tijdrekening beginnen steeds meer nomadische stammen zich permanent te vestigen en is er sprake van groter wordende gemeenschapsverbanden en de ontwikkeling van een agricultuur.
De introductie - als laatste Aziatische land - van rijst, gierst en gerst - hoogstwaarschijnlijk vanuit China via Korea - tegen het einde van dit tijdperk brengt echter geen massale cultivatie van deze planten teweeg en eigenlijk leven de “Ainu” - de naam van de Jõmon bevolking - in eerste instantie nog altijd van de jacht en de pluk. Maar zowel regionaal als temporaal kan er niet gesproken worden van een homogene bevolkingsentiteit. Ondanks het verdwijnen van de landbruggen met het Aziatische vasteland zorgt een constante migratie naar Japan bijvoorbeeld voor een relatieve etnische diversiteit. Een belangrijke evolutie doorheen de tijd is de stijgende toepassing van een subjectief rationele Weltanschauung die zich doorgaans manifesteert in rituelen en shamanisme.
[240] Onze kennis van de preboeddhistische ‘religies’ die nu onder het Shintoïsme (Shinto of “De weg van de Goden”) gecatalogeerd worden,
is vrij onzeker aangezien de geschriften terzake dateren uit latere periodes en van Chinese origine zijn. Zo is de aanbidding van “voorouders” hoogstwaarschijnlijk toe te schrijven aan de Chinese historici gezien de centrale rol van dit element binnen het Chinese Taoïsme.
[241]
In ieder geval leidt deze ontwikkeling onder meer tot een statusdifferentiatie binnen de bestaande cultuurgemeenschappen met topposities die worden bekleed zowel door priesters en stamhoofden omwille van hun religieuze kennis of identiteit alsook door de meest ervaren jagers en boeren die al voordien een zeker aanzien genoten in hun stam.

 

De huidige Japanse natie kent haar oorsprong in het Yayoi tijdperk, dat zich uitstrekt over de tijdspanne van 300 v. Chr. tot 300 n. Chr. Deze periode wordt gekenmerkt door
een massale immigratiestroom van non-“Ainu” bevolkingsgroepen vanuit het Aziatische
continent en dankt haar naam aan het Yayoi district in Tokyo waar eind 19e eeuw een aardewerk wordt teruggevonden dat verschilt van deze uit de Jõmon periode.
De immigranten zijn beduidend groter, lichter qua huidskleur, beschikken over de nodige technologische kennis om brons en ijzer te produceren en leven hoofdzakelijk van rijstcultivering. De inwijkelingen dringen echter niet door tot het noorden van het eiland en aldus behoudt dit gedeelte de kenmerken van de Jõmon periode tot de achtste eeuw n.Chr.

Maar in de rest van het land geschiedt er een duidelijke breuk met het vorige tijdperk met als belangrijkste gevolg een aanzienlijke toename van de sociaal-economische stratificatie door de schaarsheid van metaal, het lucratief handeldrijven en het belang van (vruchtbaar) grondbezit omwille van de centrale rol van rijstlandbouw binnen de levensvoorziening en de stijging van de bevolkingsdichtheid. De vele machtsgevechten tussen de verschillende gemeenschappen resulteren in het opduiken van slavernij, het ontstaan - veelal naargelang het metaalbezit - van een hiërarchie tussen de rivaliserende stammen en een politisering met een honderdtal kleine koninkrijken tot gevolg waarvan Yamatai het machtigste is en bijgevolg de steun geniet van het gros van de overige monarchieën. Naast deze veelheid aan revolutionaire en grootschalige evoluties vertegenwoordigt de Yayoi periode eveneens de overgang van de prehistorie naar de geschreven geschiedenis.[242]

 

Toch is het pas gedurende het Kofun/Yamato tijdperk dat de Japanse staat echt vorm begint te krijgen. Naar analogie met de Egyptische piramides, willen de gezagsdragers in Japan ook na hun dood hun status bevestigen door middel van immense grafheuvels; de zogenaamde “kofun”.[243] Maar het meest kenmerkend voor deze periode is de oprichting van de staat Yamato, genoemd naar haar machtscentrum in het Nara bassin. De Yamato clan dankt haar macht aan een ‘opslorping’ van de vele lokale stammen die nog dateren uit de Yayoi periode. De hierbij gehanteerde inlijvingstactiek is zeer typerend voor de machtsstrategieën die worden toegepast doorheen de hele Japanse geschiedenis. Zij is namelijk gegrond op een relatief behoud van de lokale autonomie dat wordt gekoppeld aan een sterk hiërarchische machtsstructuur binnen het overkoepelende imperium. Tegen de 6e eeuw n.Chr. is het Yamato rijk een ‘fait accompli’ en in 556 bevestigt de clan diens positie door de introductie van het Boeddhisme vanuit het huidige Korea met als doelstelling deze tot staatsreligie te promoveren. Hoewel de band met Korea in de zevende eeuw verbroken wordt, blijft de religie gelden en wordt ze zelfs gebruikt om het gezag van de clan te legitimeren wanneer in 700 een - ‘vulgaire’ - Boeddhistische mythologie gecreëerd wordt. Overigens wordt
het bestuur van het rijk nog voor de achtste eeuw gebaseerd op een Chinees geïnspireerd
politiek-juridisch administratief systeem dat een rationalisering van de bureaucratie en
een centralisering van de keizerlijke autoriteit inhoudt en zo de heerschappij van
slechts 400 gezagsdragers over maar liefst 5 miljoen mensen mogelijk maakt.
Daarenboven wordt er tegen het einde van het Kofun/Yamato tijdperk in 710 steeds meer gesproken van Nippon of Nihon (“Bron van de Zon”)
; de moderne naam van de natie.[244]

 

2. Het Nara tijdperk (710 tot 794)

 

Nog geen eeuw is Heijõ - nu beter gekend als Nara - de hoofdstad van het Yamato rijk. Desalniettemin vertegenwoordigt de Nara periode de Japanse wil om zoveel mogelijk van grootmacht China te leren. Zo is Nara gebaseerd op het model van de toenmalige Chinese hoofdstad; Ch’ang-an, en dit zowel wat bijvoorbeeld de architectuur als het politiek-juridische bestel (“ritsuryõ”) betreft. Bovendien leidt de Chinese invloed eveneens tot het verschijnen van de eerste echte boeken op het Japanse eiland, met name de “Kojiki” (710) en de “Nihon Shoki” (720). [245] Typerend voor de omgang van de Japanse cultuurgemeenschap met vreemde invloeden tot op heden, is het aanpassen - eerder dan het louter imiteren - van het geïmporteerde Chinese gedachtegoed met als gevolg dat iedere ‘derivatie’ door de Japanse bevolking veeleer beschouwd wordt als een integraal onderdeel van de eigen traditie dan een innovatie met een vreemde origine. Bijvoorbeeld de “Kojiki” kroniek vertoont reeds de beginselen van het huidige Chinees geïnspireerde, doch distinctief Japanse taalsysteem.
Voorts zijn het zowel harde tijden voor de boeren, zijnde 95 percent van de bevolking, omwille van hongersnood, epidemieën en hoge belastingen als voor de centrale regering die haar gezag gestaag kwijtraakt door de toenemende onafhankelijkheid van de lokale leiders.
[246]

 

3. Het Heian tijdperk (794 tot 1185)

 

In 794 beslist de toenmalige keizer Kammu om Heian - het huidige Kyõto - aan te duiden als hoofdstad van het imperium. De exacte redenen voor deze beslissing zijn onduidelijk, maar Heian, dat eveneens gemodelleerd is volgens het Chinese patroon, zal gedurende meer dan duizend jaar het officiële centrum van het rijk blijven. Daarenboven herovert het hof in Heian haar gezag en bereikt het eveneens een ongeëvenaard hoogtepunt op het gebied van de kunst en de etiquette. Desalniettemin zorgt deze laatste evolutie geleidelijk voor een verwaarlozing door de hoflieden van hun bestuursfunctie en uiteindelijk voor het afstaan van hun autoriteit aan de provinciale oorlogsaanvoerders; de vroege samoeraikaste.[247] Dit historische feit ligt mogelijk aan de basis van het centrale subjectief rationele conflict binnen de Japanse cultuur tussen de zogenaamde giri (‘discipline’) en het ninjo (‘menselijke gevoel’).[248]

Naarmate meer grondgebieden ‘geprivatiseerd’ worden en bijgevolg de belastingsinkomsten van het centrale bestuur dalen, komt de macht steeds meer in de handen van lokale krijgers.
Maar ook een systeem van jong regentschap en diverse interne intriges binnen de sinds 858 regerende Fujiwara familie maken de gezagsinmenging van ‘mindere’ en veelal misnoegde aristocraten mogelijk die in het begin van de twaalfde eeuw met de hulp van hun loyaal en gewapend gevolg, met name de bushi (“krijgers”) of de - in het Westen beter gekende - samuraï (“volgelingen”), de centrale regering ten val brengen.
[249]

 

Wat volgt, is een machtsstrijd tussen twee provinciale milities; de Taira en de Minamoto. Na een beslissend gevecht in 1159 zegeviert de Taira clan en vestigt leider Kiyomori zich als heerser van het rijk in Heian. Cruciaal binnen het Japanse cultuursysteem is de tot dan ongeziene en zelfs strafbare genade van Kiyomori ten aanzien van de zes kinderen van de verslagen Minamoto leider Yoshimoto.[250]

 

Twee van de zes, Yoritomo en Yoshitsune, voeren op volwassen leeftijd een langdurige strijd tegen de Taira die finaal in 1185 leidt tot de vernietiging van de Taira clan.[251]
Na het beslissende zeegevecht plegen de nakomelingen van de dan reeds gestorven Kiyomori liever zelfmoord dan zich over te geven aan de vijand wat een teken is van het Boeddhistische fatalisme dat doorheen de hele Japanse geschiedenis de culturele consensus domineert.
[252]

 

4. Het Kamakura/Bakufu tijdperk (1185 tot 1333)

 

Hoewel Yoritomo in 1185 ongetwijfeld de machtigste persoon op het Japanse grondgebied is, onderneemt hij geen poging om het keizerlijke hof te vernietigen, maar gebruikt hij het hof om diens macht als “shõgun” (“oppergeneraal”) te legitimeren. Daarenboven bestaat zijn shõgunaat of regering - dat bekend staat als de “bakufu” of het “kampbureau” - niet enkel uit eigen of nieuwe leden.[253] Dit is een voorbeeld van de belangrijke gewoonte binnen het Japanse cultuursysteem om bij innovatie een zekere mate van traditionalisme te behouden.

 

Desondanks zijn het de “bakufu” die vanaf dan als enige het imperium in hun macht hebben en wordt het rijk bestuurd vanuit Kamakura, waar de achterban van Yoritomo resideert.
Een andere breuk met het verleden is dat de regering nu geleid wordt door één heerser die de steun geniet van diens vazallen die verspreid zijn over het gehele rijk en beloond worden met een relatief autonome heerschappij over een provincie die zij onder controle houden en financieel belasten ten voordele van het shõgunaat in plaats van de keizerlijke noblesse.
Dit feodale systeem verschilt van de Westerse varianten in deze periode onder meer omdat de verhouding tussen heer en vazal veel persoonlijker en zelfs familiaal is teneinde de cohesie tussen beide conceptueel te versterken. Een persoonlijke loyaliteit van het volk ten aanzien van de heerser die als vaderfiguur diens onderdanen als een kroost beschermt, is kenmerkend voor de latere staatsstructuren in Japan.

 

Niettemin geniet Yoshitsune duidelijk meer steun van de bevolking dan zijn broer Yoritomo en om deze reden probeert Yoritomo hem te vermoorden. Binnen de Japanse cultuur fungeert Yoshitsune tot op heden als het prototype van de tragische held omdat hij en zijn gezin na vier jaar weerstand uiteindelijk zelfmoord plegen wanneer zij omsingeld zijn door de troepen van de shõgun.[254] Na de dood van Yoritomo en multipele familiale drama’s wordt diens vrouw Masako de oppergeneraal en vanaf 1221 staat zij het grootste deel van haar macht af aan het shõgunaat.

 

De Mongoolse invasies in de tweede helft van de 13e eeuw worden neergeslagen door een gedisciplineerde Japanse militie die wordt bijgestaan door Chinese en Koreaanse krijgers en hevige stormen,“kamikaze” of “goddelijke winden” genaamd, die de Mongoolse vloten vernielen.[255] Dit laatste is de oorzaak voor het wijdverspreide Japanse geloof dat hun land beschermd wordt door de ‘Goden’. Hoewel de economische situatie van het rijk gestaag verbetert en nieuwe Japanse varianten op de Boeddhistische leer opduiken, kan het shõgunaat de groeiende vijandigheid van haar onderdanen niet bedwingen en komt het in 1333 ten val wanneer keizer Go-Daigo met de hulp van enkele dissidente leden van het shõgunaat, waaronder Ashikaga Takauji, Kamakura binnenvalt en het machtscentrum vernietigt.[256]

 

5. Het Ashikaga/Muromachi tijdperk (1333 tot 1568)

 

Bij zijn terugkeer in Heian wil Go-Daigo het rechtstreekse keizerheerschap herinvoeren en om deze reden verwerpt hij de eis van Takauji om zichzelf de titel van shõgun toe te kennen.
Bijgevolg ontstaat er een machtsstrijd tussen beide die resulteert in de verbanning van Go-Daigo uit Heian en de benoeming tot keizer van een lid van een rivaliserende tak van de keizerlijke familie, de Kõmjõ, die Takauji wel benoemt tot shõgun. Takauji is zonder twijfel een opportunist en hoewel de latere subjectief rationele visie op de historische realiteit de samoerai een verregaande loyaliteit toedicht, is een dergelijk pragmatisme in deze periode zeker geen rariteit. Aangezien Go-Daigo in zijn vluchtoord Yoshino in het zuiden van het land een hof in ballingschap opricht, wordt het rijk als het ware in tweeën gedeeld met het Kõmjõ hof in het noordelijker gelegen Heian.
[257] Na een list van Takauji wordt het zuidelijke hof opgedoekt. Het nieuwe shõgunaat wordt ditmaal gevestigd in Heian, meer bepaald in het Muromachi district, en is vooral gebaseerd op bestaande beleidsstructuren en instituten.

 

Doorheen de jaren taant het gezag van de shõgun door de toenemende macht van de provinciale families die de voorlopers zijn van de latere daimyo of “feodale heersers”.
De laatste honderd jaren van het Muromachi tijdperk worden gekenmerkt door onderlinge gevechten tussen deze families, de zogenaamde “sengoku” of “oorlogvoerende staten”.
[258] Gedurende deze chaotische periode kent het serene Zen Boeddhisme veel succes binnen de krijgerkaste. De basiswaarden van deze religieuze leer, zoals giri of ‘discipline’ en
een elegant simplisme, zijn tot op heden dominant binnen het Japanse cultuursysteem.
[259]
Dergelijke ethische en esthetische waarden worden in deze tijdsperiode vertolkt in de mythologische toneelstukken waarin tragische legergevechten worden uitgebeeld en gewroken in het hiernamaals.
[260] Bovendien duiken gedurende deze honderd jaar voor het eerst westerlingen op in Japan die zeer gesofisticeerde vuurwapens met zich meebrengen en vanaf 1549 het Japanse volk systematisch confronteren met de Christelijke leer.[261]

 

6. Het Azuchi-Momoyama tijdperk (1568 tot 1600)

 

De Europeanen maken geen gebruik van de heersende chaos om het imperium te veroveren.
In 1568 neemt een daimyo, Nobunaga genaamd, Kyõto in teneinde Ashikaga Yoshiaki tot nieuwe shõgun te benoemen en hoewel deze tot in 1588 de titel van oppergeneraal behoudt,
is Nobunaga sedert 1568 de eigenlijke bestuurder van het rijk en komt de Ashikaga/ Muromachi heerschappij reeds in dat jaar ten val. Naast gruwelijke executies van verslagen vijanden en Boeddhistische priesters, neemt Nobunaga ook constructieve maatregelen zoals de herverdeling van grondgebieden onder diens verscheidene vazallen.
[262] Na de moord op deze tiran door één van zijn eigen officieren, zet samoerai Hideyoshi het plan van diens meester Nobunaga om “het rijk te verenigen onder een militair bestuur” (“Tenka Fubu”) onvervaard voort, maar net als zijn meester benoemt hij zichzelf nooit tot shõgun.
Hideyoshi breidt zijn macht uit door middel van talrijke succesvolle strijdcampagnes, een perpetuele distributie van de veroverde grondgebieden om de loyaliteit van diens onderdanen te garanderen, de zogenaamde “Zwaardenjacht” (“Katanagari”) teneinde alzo mogelijke boerenrevoltes te voorkomen en edicten en gewelddadigheden gericht tegen Christenen.
[263]
In 1590 is de eenmaking van het rijk een feit, maar Tokugawa Ieyasu, één van de vijf grootste daimyo, die reeds in 1584 een mislukte poging onderneemt om het gezag van Hideyoshi te ondermijnen, verbreekt zijn gezworen loyaliteit aan Hideyoshi na diens dood in 1598 en verslaat in 1600 de vier andere grootste daimyo in een finale strijd om de titel van shõgun.
[264]

 

7. Het Tokugawa/Edo tijdperk (1600 tot 1868)

 

Ieyasu is vastberaden om de door hem net veroverde macht binnen zijn eigen Tokugawa clan te houden en dit door al na twee jaar zijn titel van shõgun over te leveren aan zijn zoon Hideta en door zoveel mogelijk de vruchten te plukken van de vele verwezenlijkingen van zijn voorgangers Nobunaga en Hideyoshi.[265] Ieyasu roept het vissersdorp Edo, de latere grootstad Tõkyõ, uit tot machtscentrum van het imperium vermits hij er reeds voor 1600 resideert in het door hem gebouwde Edo kasteel, dat later dienst zal doen als fundering voor het huidige keizerlijke paleis.[266] Het beleid van alle Tokugawa heersers is voornamelijk gericht op een zeer strikt behoud van de status-quo teneinde de eenheid en de stabiliteit van het rijk te garanderen. Het belangrijkste gevolg van deze bestuursstrategie is het bemoeilijken van sociale mobiliteit door middel van een orthodoxe instandhouding van de “shi-nõ-kõ-shõ” hiërarchie die staat voor “krijger-boer-ambachtsman-handelaar”.[267] Boeren zijn hoger gerangeerd dan ambachtslui en handelaars omwille van hun hogere status binnen het Confucianisme en iedere klasse wordt gekenmerkt door meerdere subverdelingen. De hofnoblesse, priesters en nonnen staan ‘buiten’ het klassensysteem en ‘onzuivere’ of ‘verdachte’ ambachtslieden, zoals begrafenisondernemers of kunstenaars, worden gecatalogeerd als kasteloze ‘verworpelingen’. Het grondgebied dat niet het eigendom van de shõgun is, wordt verdeeld onder ongeveer 275 daimyõ die ondanks hun relatieve autonomie, bijvoorbeeld qua belastingsinning, strikt gebonden zijn aan de richtlijnen van het shõgunaat dat hen nauwlettend controleert en genadeloos en verregaand bestraft indien nodig.[268]
Ook veroordeelde samoerais of lagere aristocraten worden zonder pardon gestraft, maar krijgen wel het ‘privilege’ om ritueel zelfmoord te plegen; het zogenaamde seppuku of harakiri (“het snijden van de buik”). Dergelijke gruwelijkheden illustreren het contrast tussen de militaire en de hofheerschappij.
[269] Het leven op het platteland ontsnapt doorgaans aan de rigide controle door de daimyõ omwille van de drukke agenda van de feodale heersers en de gehoorzaamheid van dorpelingen die gesurveilleerd worden door de dorpshoofden.[270]
Een dergelijk pragmatisch respect voor het gezag is tot op heden present binnen de Japanse cultuur in de vorm van het onderscheid tussen omote/tatemae (“uiterlijke schijn”) en ura/ honne (“innerlijke realiteit”).

 

Het principe van collectieve bestraffing leidt tot een terughoudendheid van gemeenschappen om zich in te laten met ‘vreemdelingen’ en tot op heden zijn bijvoorbeeld immigranten zeer ‘verdacht’ binnen het Japanse cultuursysteem. Voornamelijk westerlingen vormen op dat moment een bedreiging voor, maar vooral volgens het shõgunaat omwille van hun onvoorspelbaarheid en hun constante pogingen om zoveel mogelijk leden van de cultuurgemeenschap tot het Christelijke geloof te bekeren. Maar de gewelddadige ‘uitroeiing’ van de Christelijke bevolking door de Tokugawa clan is in eerste instantie gebaseerd op de politieke vrees voor het expansionisme van de Christelijke staten.[271]
Tegen 1639 worden alle westerlingen uit het imperium verdreven - met uitzondering van de Nederlanders die samen met de Chinezen en de Koreanen als enige vreemdelingen mogen handeldrijven met het rijk - en de komende twee eeuwen wordt het eiland aldus met succes kunstmatig afgezonderd van de rest van de wereld. Dit leidt tot een geleidelijke groei van het nationaal bewustzijn bij de onderdanen van het rijk.

 

Door de langdurige stabiliteit en vrede binnen het rijk en het uitblijven van een echte bedreiging van buitenaf worden de bushi of samoeraikrijgers eigenlijk overbodig en zijn zij verplicht om vooral administratief papierwerk te verrichten binnen het bureaucratische bestel.
Teneinde niet als parasieten aanzien te worden en hun waardigheid en status binnen het rijk te behouden, volgen de samoerais in deze periode op een orthodoxe wijze een subjectief rationeel ideaal, met name de “bushido” of “de weg van de krijger”.
[272] Deze krijgerethiek staat letterlijk beschreven in nog steeds populaire geschriften zoals de “Hagakure”
(“In de schaduw van de bladen”) uit 1716.
[273] Deze “moraliteit” verschilt enigszins van de westerse definitie van de term in die zin dat er eerder sprake is van een vooropgestelde levenswijze of etiquette dan een distinctie tussen het ‘goede’ en het ‘kwade’ of het cultureel aanvaardbare en verworpene. Naast het opduiken van een verregaand nationalisme en de idealisering van het samoeraibestaan, zullen ook de renaissance van het Confucianisme en de algemene verspreiding van het onderwijs in dit tijdperk de basis vormen voor de modernisering van het imperium gedurende de volgende perioden.

 

Tegen het einde van de 18e eeuw is Edo uitgegroeid tot de grootste stad ter wereld en een bloeiend handelscentrum waar net als in de ietwat kleinere steden Osaka en Heian een nieuwe en minder geraffineerde handelsbourgeoisie ontstaat. Dit staat in schril contrast met de verpaupering van het platteland ten gevolge van mislukte oogsten, hoge belastingheffingen en de commercialisering van de rijstcultivering. Er is aldus sprake van een steeds toenemende, doch slechts relatief grote kloof tussen arm en rijk. Het groeiende succes van de handelaar is ook één van de redenen voor de ondergang van het Tokugawa/Edo tijdperk en de daaropvolgende modernisering van het rijk.

 

Maar het is vooral de terugkeer van de buitenlandse ‘duivels’ die het Tokugawa shõgunaat ten val brengt. De band met het westen wordt echter nooit helemaal doorbroken door de voortdurende Hollandse aanwezigheid in Nagasaki en de Japanse interesse in de westerse wetenschappelijke of objectief rationele kennis. Naarmate westerse grootmachten tegen het einde van de 18e eeuw hun activiteiten steeds meer toespitsen op Oost-Azië proberen meer en meer landen, zoals Groot-Brittannië en Amerika, tevergeefs opnieuw handelsrelaties aan te knopen met het Japanse imperium. Hoewel het shõgunaat zich tegen het midden van de 19e eeuw terdege bewust is van de gedrevenheid van deze westerse naties, weigert het elk contact met deze landen omwille van schrikwekkende precedenten, zoals de “Opiumoorlogen” in China ten gevolge van de westerse aanwezigheid ginds. Zowel wat de buitenlandse als de binnenlandse aangelegenheden betreft, verliezen de Tokugawa duidelijk hun greep op het rijk en bijgevolg ook het respect van de bevolking en van de gefrustreerde samoeraikaste.[274] Wanneer de Amerikaanse commandant Matthew Perry in 1853 met vier schepen naar Edo vaart en de keizer met blijk van diens beslistheid informeert over de eisen van de Verenigde Staten om kastelozen meer humaan te behandelen en de Japanse havens open te stellen voor de internationale handel, ziet het verzwakte Tokugawa shõgunaat zich dan ook verplicht om voor de eerste keer de daimyõ te consulteren alvorens de Amerikaanse eisen het jaar daarop in te willigen. Kort daarna worden er gelijkaardige akkoorden gesloten met Groot-Brittannië, Rusland, Frankrijk en Nederland die het gezag van de Tokugawa nog meer ondermijnen.[275] Nationalisten uit de machtige tozama domeinen Satsuma en Chõsu voeren in een louter pragmatisch verbond een heftige oppositie tegen het shõgunaat op grond van hun bekommernis om het welzijn van het rijk, maar evenzeer op basis van hun gedeelde vete met de Tokugawa clan en hun gezamenlijke strijd voor de herinvoering van een hofheerschappij. Uiteindelijk slaagt het tozama bondgenootschap erin om in 1868 met de hulp van enkele hoflieden het Edo paleis te bezetten, de macht van de keizer te herstellen, alzo 700 jaar militaire heerschappij te beëindigen en het ‘gesloten’ imperium opnieuw te openen.[276]

 

8. Het Meiji tijdperk (1868 tot 1912)

 

De eerste keizer die zijn macht herstelt ziet, is de vijftienjarige Mutsuhito die na zijn dood in 1912 herinnerd wordt als de “Meiji” of de “verlichte heerser”. Het zijn logischerwijze de samoerais en de leden van het hof die verantwoordelijk zijn voor de val van het Tokugawa shõgunaat, die de piepjonge keizer begeleiden bij zijn verlichte heerschappij.
De provisoire “grondwet van 1868” voorziet in theorie een nationale assemblee, volksverkiezingen en een Grote Staatsraad. Voorts krijgt het machtscentrum Edo haar huidige naam Tõkyõ (“oostelijke hoofdstad”) en wordt deze officieel benoemd tot hoofdstad van het Japanse rijk waardoor na meer dan duizend jaar het keizerlijke hof Heian of Kyõto inruilt voor Tõkyõ.
[277] Het gehele grondgebied wordt met instemming van het gros van de daimyõ genationaliseerd en opgedeeld in prefecturen. Zowel de feodale heersers als hun getrouwe samoerais worden bij de oprichting van de nieuwe staatsstructuur namelijk zeer gunstige voorstellen gedaan teneinde aldus een gewapende rebellie te voorkomen.
De reeds voor de Meiji periode heersende financiële crisis wordt opgelost aan de hand van economische hervormingen, zoals de invoering van een decimale munteenheid die gebaseerd is op de yen en een vaste grondbelasting in 1873. Het door de Tokugawa clan geïmplementeerde restrictieve “shi-nõ-kõ-shõ” kastensysteem wordt vervangen door een nieuwe klassenverdeling in kõzoku (“keizerlijke familie”), kazoku (“noblesse”), waaronder de feodale heersers, shizoku (“nakomelingen van samoerais”) en heimin (“burgers”), tot dewelke ook de vroegere kasteloze ‘verworpelingen’ behoren. Maar vooral de invoering van een universeel onderricht moet de gelijkheid en de sociale mobiliteit garanderen.
[278] In wezen is er sprake van een geleidelijke afschaffing van de samoeraikaste die noch als krijger noch als administratief bediende aan de slag kunnen binnen het hervormde keizerrijk en die net als de andere burgers enerzijds sedert 1876 geen zwaarden meer mogen dragen en anderzijds de mogelijkheid krijgen om in het officiële leger de keizer te dienen. De ontevredenheid van de bushi bereikt haar hoogtepunt in 1877 met de “Satsuma Rebellie” waarbij de revolterende krijgers na zes weken verslagen worden door het nieuwe officiële leger van de regering.[279]

 

In tegenstelling tot de xenofobische attitude in de vorige periode en naar analogie met de Yamato en Nara tijdperken wordt het buitenlandse gedachtegoed in het kader van de beoogde modernisering veelvuldig pragmatisch toegepast en tegelijk aangepast aan de Japanse culturele consensus.[280] Deze constructievere houding tegenover externe invloeden wordt vooral mogelijk gemaakt door de (voorlopige) desinteresse van de westerse grootmachten om het rijk te koloniseren vermits zij in eerste instantie de gemakkelijker te veroveren staten, zoals China, in hun vizier hebben. Bovendien is een massale verwestering van de politiek, het leger, de industrie, de economie en zelfs de cultuurgemeenschap volgens de nieuwe regering de enige optie om de westerse grootmachten zo snel mogelijk bij te benen.
Voorbeelden zijn het kopiëren van de westerse Gregoriaanse kalender, postverdeling, telegrafie, spoorwegen, geschreven pers, klederdracht, eetgewoontes en architectuur.
[281]
Maar vooral de wil om andere talen, zoals het Engels, aan te leren en alzo eigen schriftwerken te vertalen en westerse literatuur te lezen, veroorzaakt een aanzienlijke culturele schizofrenie bij vele Japanners.
[282] Desalniettemin blijft de impact van het westen steeds beperkt tot een zuiver ideologische interactie en worden vreemdelingen bewust geweerd uit de Japanse gemeenschap door bijvoorbeeld het verbod op grondbezit door buitenlanders in 1873.

 

Teneinde de ontwikkelde en geëmancipeerde bevolking alsnog onder hun controle te houden en tegelijkertijd het westerse imperialisme via een sterke nationale cohesie te bestrijden, propageren de Japanse regeringsleiders een vrij extreem nationalisme dat zijn oorsprong kent in het voorgaande Tokugawa/Edo tijdperk. Het wegcijferen van het individuele ten voordele van het nationale/collectieve welzijn en de idee dat al wat geen deel uitmaakt van het eigen cultuursysteem minderwaardig en verwerpelijk is, wordt via slagzinnen en symbolen opgelegd. Het centrale symbool is de “keizer” die de nationale collectiviteit representeert en bijgevolg de legitimiteit verzekert van de regeringsleiders die zijn steun en zo die van de natie genieten.[283] Maar in eerste instantie wordt de culturele dichotomie bestreden door jongeren gedurende hun educatie enkel te confronteren met door de regering en de keizer goedgekeurd tekstmateriaal. Zo worden in schoolboeken bijvoorbeeld westerse helden vervangen door ongemarkeerde representanten van het Confucianistische ideaal of alle inleidingen voorzien van een Japanse vlag met als gevolg dat tegen het einde van de Meiji periode het onderwijs volledig onder de controle van de Japanse regering staat. Hoewel ook in andere grootmachten in die tijd indoctrinatie schering en inslag is, kan de beperking van de Weltanschauung van de Japanse scholier door de toenmalige gezagsdragers als buitensporig gekwalificeerd worden.[284]

 

Hoewel westerse normen en instellingen, zoals mensenrechten en democratisch bestuur,
in deze periode door het Meiji regime ingevoerd worden, gebeurt dit steeds binnen bepaalde grenzen opdat de oligarchische autoriteit van de keizer en de regerende fracties nooit ter discussie kan worden gesteld. Bijgevolg wordt de Meiji heerschappij gekenmerkt door een constante afwisseling van liberalisme en repressie. Zo wordt bijvoorbeeld de introductie van verkiezingen van prefectuurassemblees gekoppeld aan een verregaande beperking van de vrije meningsuiting, publieke vergadering, het stemrecht terzake en de macht van deze assemblees.
De opstelling van een nieuwe constitutie en de oprichting van het reeds in 1868 grondwettelijk beloofde nationaal assemblee worden door premier en later prins Itõ Hirobumi constant uitgesteld en komen er pas in 1889. De nieuwe grondwet staat daarenboven volledig in het teken van de onaantastbare, doch louter formele autoriteit van de keizer en de almacht van de regering die geen verantwoording moet afleggen ten aanzien van het parlement,
maar enkel ten opzichte van de keizer die de hele natie ‘vertegenwoordigt’.
[285]
Dit heeft tot gevolg dat vele controversiële beleidsbeslissingen worden gelegitimeerd door deze te verkopen aan het volk als persoonlijke verzoeken van de keizer.

Voorts is er een tweekamerparlement met enerzijds de kamer van volksvertegenwoordigers - slechts 2 percent van de Japanners kan een stem uitbrengen - en anderzijds een kamer die enkel bestaat uit adelen en door de keizer aangeduide vooraanstaanden. Het leger wordt geleid door de keizer en de oppercommandanten van land- en zeemacht.[286]

 

De dreiging van een westerse kolonisatie van het Japanse rijk is tegen 1890 zogoed als onbestaande en Japan lijkt af te stevenen op een confrontatie met China over Korea.
De “Chinees-Japanse Oorlog” begint in 1894 wanneer het Japanse leger een Chinees militair schip tot zinken brengt.
[287] China is duidelijk niet opgewassen tegen de Japanse land- en zeemacht en na ongeveer een jaar strijd geeft het zich gewonnen. In het Verdrag van Shimonoseki in 1895 doet China afstand van haar officiële belangen in Korea en schenkt het gebieden, waaronder Taiwan en Kwantung in het zuiden van Mantsjoerije aan het Japanse rijk.[288] Vooral Rusland wil de expansieactiviteiten van Japan stopzetten en slaagt erin om samen met Duitsland en Frankrijk de Japanse regering te overtuigen sommige van de geschonken Chinese territoria om ‘stabiliteitsredenen’ niet te annexeren. Maar wanneer de drie westerse landen in 1898 zelf deze en andere delen van China innemen, wordt de Japanse regering heftig bekritiseerd door haar eigen volk en wordt de Japanse politiek gekenmerkt door een ware ‘stoelendans’ waarbij op een zeer korte tijdspanne partijen en allianties komen en gaan en ministers worden aangesteld en meteen weer aftreden.

 

Katsura Tarõ wordt in 1901 premier en weet de binnenlandse stabiliteit te herstellen dankzij een buitenlands conflict, met name de “Russisch-Japanse Oorlog” van 1904 tot 1905.[289] Dankzij een formele alliantie met Groot-Brittannië is Japan zeker dat Rusland niet zal kunnen rekenen op de rechtstreekse steun van andere westerse landen.[290] Verzwakt door een binnenlandse revolutie geeft Rusland zich gewonnen en in het daaropvolgende Verdrag van Portsmouth worden onder andere de Chinese soevereiniteit in Mantsjoerije en de belangen van Japan in Korea internationaal erkent.[291] Enerzijds geniet Japan nu het lang beoogde respect van de westerse grootmachten en weet het met succes, doch niet zonder moeite in 1905 Korea tot een Japans protectoraat om te vormen, maar anderzijds zorgen de financiële en menselijke verliezen die Japan heeft geleden door beide conflicten, voor consternatie bij het Japanse volk en het aftreden van Katsura.[292] Bovendien is er hoegenaamd geen sprake van een Japanse democratie en wordt iedere vorm van oppositie gewelddadig onderdrukt met als gevolg dat de socialistische beweging tot het einde van de Tweede Wereldoorlog enkel clandestien actief is. Desalniettemin boekt Japan tegen het einde van de Meiji periode een spectaculaire economische vooruitgang dankzij geïmporteerde technologische kennis, een endogeen ontwikkeld entrepreneurschap en een doorslaggevende regeringssteun.

 

9. Aanloop naar de Oorlog in de Stille Oceaan (1912 tot 1941)

 

In 1912 staat de Meiji keizer de troon af aan zijn zoon Yoshihito en dit betekent het begin van het Taishõ tijdperk (1912 tot 1926) waarbij “Taishõ” staat voor “Grote Rechtvaardigheid”.
Maar Yoshihito heeft een zwakke gezondheid en wordt bij zijn bekroning reeds geconfronteerd met een conflict tussen ‘zijn’ leger dat gebrand is op de expansie van haar troepen en de toenmalige regering die de eis tot militaire uitbreiding niet inwilligt en uiteindelijk ontbonden wordt. De noblesse spoort Katsura aan om zijn derde kabinet te vormen, maar zowel het volk als de politieke partijen, zoals Seiyukai en Kokuminto die beide staan voor een constitutionele bescherming van de regering, zijn niet content met de ‘nieuwe’ premier die zij beschouwen als een vertegenwoordiger van het oligarchisch autoritarisme.
Voor de eerste maal in de Japanse politieke geschiedenis leidt publiek protest tot het aftreden van een regering.
[293] Daarenboven worden de steunbetuigingen van de keizer aan Katsura Tarõ genegeerd door de twee democratische partijen - die zich gesterkt voelen door hun grote aanhang bij het volk - wat wijst op het weinige gezag dat de Taishõ keizer uitstraalt.[294]
Hoewel er in 1918 sprake is van het eerste echte partijgestuurde kabinet dankt Seiyukai premier Hara Takahashi zijn post aan de instemming van de oligarchen. Het is duidelijk dat net als in het Meiji tijdperk liberale en repressieve maatregelen elkaar perpetueel afwisselen.
In 1925 wordt bijvoorbeeld het lopende debat omtrent de functie van de keizer en de invoering van een grondwettelijke democratie aan banden gelegd door een “Wet ter Behoud van de Vrede”, maar tegelijk wordt het stemrecht uitgebreid tot alle mannen ouder dan 25.
[295]
Na de toekenning aan Japan als ‘bondgenoot’ van Groot-Brittannië na de Eerste Wereldoorlog van enkele Duitse protectoraten in China, flakkert de gedachte van een militair expansionisme weer op bij de Japanse gezagsvoerders.
[296] Al in 1915 dwingt Japan China, dat op weinig steun van de westerse machten kan rekenen, om Japanse adviseurs in haar regering toe te staan.[297] Daarenboven heerst er in Japan gedurende het interbellum een constant misnoegen over de oneerlijk behandeling van de natie bij de diverse onderhandelingen met de westerse grootmachten en over de racistische wetten die in de Verenigde Staten worden doorgevoerd, zoals de “Immigration Act” van 1924 die Japanse immigratie in Amerika verbiedt. Niettemin is dit laatste een duidelijk geval van “de pot die de ketel verwijt dat hij zwart ziet”.[298]

 

Eind 1926 volgt zijn zoon Hirohito de gestorven keizer op en start het Shõwa tijdperk of de periode van de “Gerenommeerde Vrede” die vrij ironisch allesbehalve vreedzaam verloopt.[299]
Vooral de landbouwsector lijdt in 1927 onder de heersende economische depressie en de kloof tussen de kleine bedrijven en de grote industriëlen of de “zaibatsu” wordt steeds groter.
Maar ook een sociale crisis teistert Japan ten gevolge van de exponentiele toename van de stedelijke bevolking, die op dat moment 45% van de 70 miljoen Japanners uitmaakt, omwille van de lagere levensstandaard en het traditionalisme op het platteland die botsen met de levensdoelen van de zogenaamde “mobo” en“moga” (“moderne jongen en meisje”).
[300]

 

De militairen spelen zowel in op het publieke ongenoegen over de nauwe banden tussen politici en de zaibatsu als op de groeiende wrevel bij de verpauperde en vervreemde rurale gemeenschappen en wijten de problemen aan de westerse invloedsfeer.[301]
De opkomst van het nazisme in Duitsland en het fascisme in Italië doet de Japanners twijfelen over de efficiëntie en de wenselijkheid van het westerse democratische bestel en het leger maakt hiervan gebruik om op eigen houtje een naar eigen zeggen heilzame expansionistische ‘politiek’ te voeren. Zo blaast het Kwantung leger in 1928 nabij Mukden een trein op en probeert de schuld hiervoor in de schoenen van de Chinese bandieten te schuiven teneinde Japanse militaire acties in het gebied aldus te stimuleren.
[302] Hoewel de plotters ontmaskerd worden en hun plan mislukt, worden zij noch door de regering noch door de keizer bestraft voor hun veroordeelde daden en wordt in 1931 dezelfde tactiek op dezelfde locatie toegepast.
Maar ditmaal slagen de leden van het Kwantung leger wel in hun opzet en het zogenaamde “Mantsjoerije Incident” geeft aanleiding tot een Japanse militaire interventie in de regio.
[303]
Premier Inukai Tsuyoshi wordt wegens diens verzet tegen de militaire machtsovername door enkele legerofficieren vermoord en is de laatste partijpolitieke eerste minister tot na de Tweede Wereldoorlog. Keizer Hirohito kant zich nooit (openlijk) tegen deze acties van ‘zijn’ milities en in 1932 richt het Kwantung leger de Republiek van Manchukuo op.
[304]
Het jaar daarop veroordeelt het transnationaal orgaan de “Liga der Naties” het Japanse expansionisme met als gevolg dat Japan zich terugtrekt uit de Liga.
[305] Hoewel de (parlementaire) controle over het Japanse leger vanaf dan totaal zoek is, worden alle daaropvolgende ultranationalistische militaire couppogingen zeer heftig onderdrukt[306] en de meest gekende in 1936 dankzij een exceptionele tussenkomst van de Shõwa keizer zelf.[307]
De gevoerde expansionistische strategie wordt door sommige legerleiders verbloemd als een ‘bevrijding van het Aziatische continent’, met andere woorden als een anti-imperialistisch imperialisme, en door andere weinig omfloerst gegrond op de Japanse nood aan “Lebensraum” of gewoonweg op een streven naar werelddominantie.

 

Japan is één van de eerste grote naties die zich in de jaren dertig herstelt van de economische depressie en dit dankzij effectieve regeringsmaatregelen en een verhoogde export - vooral van katoenproducten - ten gevolge van een devaluatie van de yen. Desalniettemin is het herstel weinig voelbaar in de landbouwsector waarin op dat moment nog een meerderheid van de Japanners tewerkgesteld is. Maar ook de kleinere industrie blijft het moeilijk hebben met als gevolg dat de nauwe band tussen het politieke bestel en de (nieuwe) zaibatsu, zoals Nissan en Toyota, nog altijd voor veel opschudding zorgt bij de Japanse bevolking.

 

De versterkte greep van het leger op de regering blijkt duidelijk uit onder andere een verhoogd militair budget en het exclusief toekennen van de ministerposten van leger en marine aan admiraals en generaals. In 1936 stapt Japan volgens het “Anti-Comintern Pact” in een alliantie met Duitsland en kort daarna ook met Italië tegen gezamenlijke vijand de Sovjetunie.[308] Na het “Marco Polo Brug Incident” het jaar daarop verklaart Japan welwillend de oorlog aan China en verovert het Japanse leger met de grootste gruwel hoofdstad Nanjing.
Maar China geeft zich niet gewonnen en Japan voelt zich bedrogen door Duitsland dat in 1939 een non-agressie pact met de Sovjetunie sluit en door Hitler die de Japanners definieert als ondergeschikten aan het Arische ras.
[309] Toch maakt Japan - omwille van de grote successen van het Duitse leger - deel uit van het “Tripartite Pact” van 1940 waarin de belangen van Japan in Azië worden herkend en de drie naties beloven elkaar te zullen bijstaan wanneer de Verenigde Staten in de oorlog stapt.[310] Deze laatste reageren met een beperking van de export van producten naar Japan en in 1941 met het bevriezen van Japanse kredieten in Noord-Amerika. Hoewel president Roosevelt onofficieel akkoord gaat om het Japanse rijk te bombarderen, worden de aanvallen uitgesteld en wordt ‘en
attendant een zeer effectief olie-embargo doorgevoerd. Japan is zich bewust van de onoverkomelijkheid van een confrontatie met Noord-Amerika en bereidt een aanval voor op de Amerikaanse schepen in Pearl Harbor.

 

10. De Oorlog in de Stille Oceaan (1941 tot 1945)

 

Keizer Hirohito geeft op 1 december 1941 formeel toestemming voor de oorlog en zes dagen later pleegt het Japanse leger onaangekondigde en vrij succesvolle aanvallen op Britse troepen in Malaya en Amerikaanse vliegdekschepen in Pearl Harbor.[311] Door de intensiteit van de Japanse aanvalstrategieën en de activiteiten van de Geallieerden in Europa slaagt Japan erin om diverse successen te boeken en talrijke steden op het Aziatische continent te veroveren.[312]
De Japanners zijn zich terecht bewust van de grotere ‘vastberadenheid’ van hun soldaten die duidelijk blijkt uit het lage aantal overgaven in contrast met het grotere aantal doden. Niettemin worden er door beide partijen sowieso weinig vijanden gevangen genomen en zijn er in het tweede deel van de oorlog beduidend meer Japanse soldaten bereid tot overgave.
Toch ‘geloven’ veel Japanners - al dan niet ten gevolge van ‘indoctrinatie’ - in het subjectief rationele ideaal dat de “bushido” of “de weg van de krijger” hen voorspiegelt en zijn zij ongetwijfeld meer fatalistisch ingesteld dan de Britten en de Amerikanen. Anderzijds worden Geallieerde oorlogsgevangen onderworpen aan de grootste gruwelijkheden en dit onder meer door de jarenlange frustratie ten aanzien van het Westen, het superioriteitsgevoel eigen aan het (Japanse) nationalisme en het sadisme dat iedere legereenheid kan ‘besmetten’.
[313]

 

Maar het Japanse gevoel van onoverwinnelijkheid krijgt enkele serieuze klappen door de onaangekondigde Amerikaanse “Doolitlle Raid op Tõkyõ in april 1942, het verliezen van de “Strijd in de Koraalzee” een maand later en vooral door de verloren “Strijd van Midway” nog een maand later.[314] Vanaf dan weegt het sterk gedaalde aantal overwinningen niet meer op tegen de vele Japanse nederlagen en eind 1943 ‘verplicht’ Japan de marionetleiders van Mantsjoerije, China, Thailand, de Filippijnen en ‘vrij India’ om de “Grote Oost-Aziatische Verklaring” te ondertekenen waarin het Westerse imperialisme wordt veroordeeld en een officieel bondgenootschap tussen de landen wordt gesloten.[315] Tegen 1944 wordt Japan zich steeds meer bewust van de logistieke overmacht van de Verenigde Staten en de verliezen van coalitiepartner Duitsland en leidt het gestaag afnemende geloof in de overwinning bij de bevolking tot een regeringswissel waarbij premier Tõjõ plaatsmaakt voor generaal Kuniaki.
Daarenboven had de Sovjetunie een jaar eerder reeds toegezegd om het Japanse rijk mee te helpen bestrijden eens Duitsland verslagen was. Toch heerst er in Japan alsnog de hoop dat de moegestreden Geallieerden zullen toestemmen met een vredesverdrag en dit met als gevolg dat er steeds meer kamikaze piloten worden ingezet. Het woord “kamikaze” verwijst naar de “goddelijke winden” die de Mongoolse vloten hebben vernield in de dertiende eeuw.
[316]
 

In 1945 worden respectievelijk Corregidor, Manilla, Rangoen en Mandala ingenomen door de Britten en de Amerikanen. De verovering van Iwojima vergemakkelijkt het verhoogde aantal bombardementen boven Japan dat zorgt voor enorme verwoestingen in quasi alle grootsteden die het land rijk is, met uitzondering van culturele sites zoals Kyõto en Nara.[317]
Op 1 april start de invasie van Okinawa en kort daarna wordt admiraal Suzuki Kantaro eerste minister.
[318] De Achtste mei wordt Nazi-Duitsland verslagen en kunnen de Geallieerden zich concentreren op Japan. Op 21 juni wordt Okinawa bezet na een hevige strijd die aan 110.000 Japanse soldaten en maar liefst 150.000 burgers het leven kost.[319]

 

Desalniettemin neemt de fatalistische ingesteldheid van de Japanners enkel toe en bijgevolg verwerpt de Japanse regering de “Verklaring van Potsdam” die door Truman, Stalin en Churchill op 26 juli in Duitsland wordt ondertekend.[320] In deze verklaring wordt Japan onder andere aangemaand zich over te geven onder dreiging van een “plotse en complete vernieling” van de natie en wordt er vaag verwezen naar een Japanse soevereiniteit, maar niet naar de positie van de keizer hierbij.[321]

 

De Geallieerden willen het aantal doden in eigen rangen beperken en de Verenigde Staten zijn erop gebrand om de winsten van de Sovjets zo snel mogelijk te beëindigen. Op 6 augustus wordt op Hiroshima voor de eerste maal in de geschiedenis een atoombom (“genbaku”) gedropt die bij inslag ongeveer 90.000 slachtoffers veroorzaakt en hoogstwaarschijnlijk nog eens zoveel in de komende jaren. Door het uitblijven van een reactie vanuit Japan ondergaat Nagasaki dezelfde tragedie op 9 augustus met in totaal rond de 80.000 doden.[322] Diezelfde nacht vergaderen de Japanse gezagsvoerders en op 14 augustus gaat Hirohito akkoord met de “Verklaring van Potsdam”, de Amerikaanse eis dat de keizerheerschappij wordt gebaseerd op de soevereiniteit van de ‘kiezer’ in plaats van de ‘keizer’ en diens ondergeschiktheid aan de oppercommandant van de Geallieerden. De volgende dag wordt de overgave via de radio door de Shõwa keizer in hoogst eigen persoon medegedeeld aan de Japanse bevolking.
Op 2 september wordt een vredesverdrag ondertekend op de “USS Missouri” boot in de haven van Tõkyõ.
[323] Hirohito - en met hem de meeste Japanners tot op heden - wijt de nederlaag aan een overdreven vertrouwen in de eigen gedrevenheid en een onderschatting van het belang van technologie en wetenschap, waaraan de vijand de overwinning te danken heeft.

 

11. De Geallieerde bezetting (1945 tot 1952)

 

Als hoofd van de Geallieerde bezetting, die officieel op 2 september aanvangt, ziet Amerikaans generaal Douglas MacArthur erop toe dat de voormalige vijand zonder rancune en met het nodige respect behandeld wordt. De hoogst coöperatieve attitude van de Japanners zorgt voor een vermindering van de bezettingstroepen van 500.000 naar 150.000 leden.[324]
Niettemin getuigt de Japanse bevolking - naast de praktische nood aan voedsel en onderdak - logischerwijze van een grote angst en verwarring ten gevolge van de ondermijning van haar geïndoctrineerd geloof in de superioriteit en onoverwinnelijkheid van de eigen cultuurgemeenschap en door het grote wantrouwen jegens de symbolen van haar éénheid, zoals de ‘goddelijke’ keizerfiguur, en de basispijlers van haar culturele consensus.
[325] MacArthur fungeert voor het Japanse volk als een nieuwe shõgun die vergelijkbaar is met de oligarchische gezagvoerders gedurende het Meiji tijdperk.[326] Hoewel de eind 1945 opgerichte “Geallieerde Raad” eveneens uit Groot-Brittannië, China en de Sovjetunie bestaat[327], zijn het op het terrein voornamelijk de Amerikanen die de bezetting leiden en de militaristische en totalitaire staatsstructuur willen vervangen door een Amerikaans geïnspireerde democratie. Een nieuwe grondwet moet mensenrechten en individuele vrijheden garanderen en de keizer een louter symbolische functie toekennen.[328] Ook het stemrecht voor vrouwen, de oprichting en de vakbondsrechten en de verzwakking van de zaibatsu moeten erin opgenomen worden. Oppercommandant Douglas MacArthur adviseert de Japanners om geen afstand te doen van hun eigen culturele consensus, maar veeleer het beste van het eigen cultuursysteem te mengen met dat van het Amerikaanse/westerse. Toch zijn de hervormingen die de bezetter relatief obligatoir doorvoert dermate artificieel opgelegd, innovatief - de vorige tijdperken indachtig - en Amerikaans getint dat de psychologische desoriëntatie bij de doorsnee Japanner niet enkel het gevolg is van de vervreemding van de eigen culturele consensus, maar evenzeer van de nog grotere aliënatie ten opzichte van de extern opgelegde innovatie van de eigen culturele consensus.[329]

 

Over een tijdspanne van enkele maanden wordt het totale Japanse leger ontmanteld en worden de drie miljoen soldaten die over het gehele Aziatische continent verspreid zijn, gerepatrieerd naar het Japanse rijk waar zij in een soortgelijke situatie terecht komen als deze van de samoerais gedurende de Meiji periode.[330] Bovendien wordt in de nieuwe grondwet van 1946 Japan het recht op oorlogvoering voor eeuwig en altijd ontzegd en moeten tussen mei 1946 en november 1948 Japanse oorlogscriminelen verschijnen voor een speciaal opgericht tribunaal in de hoofdstad Tõkyõ.

 

Maar het gros van de veroordeelden bestaat uit tweederangsfiguren en ‘hoofdverdachte’ keizer Hirohito wordt door MacArthur gespaard teneinde de eenheid van de natie niet in gevaar te brengen. Maar samen met de meeste Geallieerde landen, hopen ook vele Japanners tevergeefs op een nieuwe keizer die - zoals dat doorheen de geschiedenis van het rijk steeds de gewoonte is geweest - een nieuwe periode zou vertegenwoordigen.[331] Niettemin verliest de Shõwa keizer diens goddelijke status en staat hij vanaf nu ten dienste van de leden van de cultuurgemeenschap en niet omgekeerd.[332] Ondanks of eerder door deze humanisering is er tot op heden sprake van een ‘oprecht’ respect van het Japanse volk voor diens loyale keizer en vervalt het onderscheid terzake tussen omote/tatemae (“uiterlijke schijn”) en ura/honne (“innerlijke realiteit”).[333] Daarenboven wordt binnen deze context het Shintoïsme voortaan gedefinieerd als een religie of anders gesteld als één mogelijke subjectief rationele wereldvisie en niet meer als dé basis voor de gehele consensus binnen de staat.[334]

 

De belangrijkste component van de nieuwe grondwet van 1946 is de invoering van een democratisch bestel die geleidelijk gekoppeld wordt aan een vrijheid van publieke vergadering en meningsuiting, een proliferatie van de politieke partijen en de vrijlating van alle politieke gevangen - zelfs de communisten -. Maar de duidelijk Amerikaanse origine van dit centraal element binnen het Japanse cultuursysteem botst met de gebruikelijke ‘Japanisering’ van vreemde elementen en is tot vandaag een punt van discussie.
Bij de verkiezingen in april 1946 krijgt de Liberale Partij - ontstaan uit de vroegere Seiyukai partij - een meerderheid van de stemmen, maar is het MacArthur die als een ware Meiji oligarch het liberale partijlid Yoshida Shigeru, dat zijn voorkeur geniet, benoemt tot premier.
[335] Toch heeft ook Yoshida - samen met het Japanse volk - bedenkingen bij de snelle en omvangrijke democratisering aangezien vrijheid zeker niet ongewenst is, maar een zekere mate van controle (in de Japanse gemeenschap) complete anarchie moet vermijden.[336]

 

Toch is het de constitutionele paragraaf over de nieuwe rechten van de vrouw die voor de grootste opschudding zorgt en dit zowel bij politici als bij het volk en zowel bij mannen als bij vrouwen ten gevolge van de contradictie met de Confucianistische subjectief rationele ongelijkheid tussen de man als ongemarkeerd element en de vrouw als gemarkeerde component binnen de cultuurgemeenschap.[337] Maar dankzij de keizerlijke goedkeuring en na lange discussies en de nodige begeleiding wordt de nieuwe grondwet in november geratificeerd en treedt deze vanaf mei 1947 in werking.[338] Toch argumenteren sommige auteurs dat een (geslachtelijk) egalitarisme - gezien de hervormingstendensen die zich op dat moment manifesteren, zoals de gestage doorvoering van de gelijke toegang tot het onderwijs - er ‘uiteindelijk’ ook zou gekomen zijn zonder de tussenkomst van de bezetter.[339]
Dit in tegenstelling tot andere observatoren die beweren dat de Amerikaanse oplegging van het gelijkheidsbeginsel de conditio sine qua non is voor het huidige Japanse feminisme.
[340]

 

Ondanks het gepropageerde recht op vrije meningsuiting, voert de Geallieerde bezetter een verregaande censuur door. Zo moeten bijvoorbeeld films ‘liberale waarden’ representeren en worden samoeraifilmwerken verboden omwille van hun vermeende ‘feodale’ en ‘militaristische’ boodschap.[341] MacArthur baseert diens hervormingsopdracht namelijk op de uitroeiing van het ‘feodale’ karakter van de Japanse cultuur. Deze doelstelling wijst zowel op het etnocentrisme waarmee de Geallieerden als “overwinnaars” de bezetting uitvoeren als op de zeer beperkte vertrouwdheid van de bezetter met het Japanse cultuursysteem.[342]
Deze thematiek zal in het kader van de “linguïstische context” gedetailleerder besproken worden. Voorts worden ook leraars en schoolboeken grondig gecensureerd of vervangen omdat deze - zoals reeds eerder vermeld werd - vanaf de Meiji periode een weinig objectieve visie op de realiteit doceren en gericht zijn op de indoctrinatie van het volk.
[343]

 

Qua economische hervormingen is er onder meer sprake van een herverdeling van de tot dan genationaliseerde grondgebieden en een invoering van het recht van de boer op privaat grondbezit.[344] Het opdoeken van de (vier) grote industriëlen of zaibatsu kadert volgens de bezetter binnen de demilitarisering en de democratisering van de staatsstructuur.[345]
Maar eigenlijk is ook de in 1947 ingevoerde anticoncentratiewet voornamelijk gericht op de ondermijning van de concurrentiele positie van Japan op de internationale markt.
[346]

 

Het recht op vakbondsverenigingen leidt tot een enorme stijging van de vakbondsledenbestanden met een piek van 56% in 1949. Toch beperkt de Geallieerde bezetter het recht op staken met als argument ‘een mogelijke bedreiging voor het publieke welzijn’. Het verbieden door MacArthur van een algemene staking veroorzaakt in februari 1947 het grootste incident tijdens de bezetting, dat voornamelijk door de communisten geïnstigeerd wordt. Maar bij de volgende verkiezingen, enkele maanden later, haalt de Communistische Partij geen voordeel uit de controverse en verliest het zelfs één van haar vijf zetels in het parlement. Dit in tegenstelling tot de Socialistische Partij, met Katayama Tetsu, die samen met de Democratische Partij een nieuwe regeringscoalitie vormt.

 

Wanneer in 1947 de “Koude Oorlog” zijn intrede doet, geschiedt er een duidelijke kentering in de relatie tussen de Amerikaanse bezetter en de Japanse regering. Japan wordt een belangrijk bastion voor de ‘vrije wereld’ in Oost-Azië vermits bijvoorbeeld Korea op dat moment al bestaat uit communistische gebieden en in China de communisten onder Mao de macht dreigen over te nemen. Begin 1948 wordt MacArthur onder toezicht van Amerikaans afgevaardigde George Kennan gedwongen om over te stappen van een hervormingsstrategie naar een hoofdzakelijk economische herstel. Bijgevolg wordt de ontmanteling van de zaibatsu stopgezet, wordt concentratie geduld zolang er sprake is van een efficiënte productie en worden arbeidswetten stringenter, zoals het complete stakingsverbod. In 1949 is
Douglas MacArthur niet meer verantwoordelijk voor de economische hervormingen omdat
president Truman meer vertrouwen heeft in financieel expert Joseph Dodge.

 

Wegens interne onenigheid binnen de Socialistische Partij[347] en de vrees van de Japanners voor het linkse gedachtegoed in deze periode wordt Yoshida na de verkiezingen van januari 1949 opnieuw eerste minister tot 1954 als lid van de “Liberale Democratische Partij” bestaande uit de vroegere Liberale Partij en dissidenten van de Democratische Partij.
Het vrij conservatieve beleid van de partij geniet een grote steun bij de bevolking en dit tot na 1970.
[348] Niettemin boekt de Communistische Partij een winst van maar liefst 31 zetels, maar van 1949 tot 1950 vindt een “Rode zuivering” plaats en wordt de aanwezigheid van de partij tot op heden beperkt tot 5% van de zetels in het parlement.[349]

 

Ondanks de vele economische maatregelen van de regering en de bezetter is het de Japanse wapenvoorziening aan de Amerikaanse troepen in Noord-Korea in 1950 die de Japanse economie doet bloeien.[350] Voorts leidt de Koreaanse Oorlog tot de herbewapening van de Japanse milities, die tot vandaag enkel instaan voor de ‘zelfverdediging’ van de natie, en tot de aftreding van MacArthur als oppercommandant van de Geallieerde Bezetting om de troepen in Noord-Korea met veel succes te gaan leiden. De relatie tussen Douglas MacArthur en president Truman is nooit optimaal geweest en op 11 april 1951 keert MacArthur terug naar de VS. Zowel voor de Japanners als voor het Amerikaanse volk is MacArthur een held en diens vervanger generaal Matthew Ridgway straalt nooit dezelfde ‘présence’ uit als deze van zijn gevierde voorganger.[351]

 

Uiteindelijk wordt er op 8 september 1951 in San Francisco een vredesverdrag met Japan gesloten dat op 28 april 1952 in werking treedt en waarmee er een einde komt aan de Geallieerde/Amerikaanse bezetting.[352] Dit verdrag bevestigt onder meer het verlies van de vroegere kolonies, waaronder Taiwan en Korea, en de verplichting tot (beperkte) herstelbetalingen aan de slachtoffernaties.[353] Maar net na de ondertekening van het vredesverdrag sluiten Japan en de Verenigde Staten een veiligheidsakkoord ter bescherming van het land en ter bestrijding van de communisten met als gevolg dat (vooral in Okinawa) de Amerikaanse militairen aanwezig blijven in Japan.[354] Hoewel de economische welvaart alzo enkel zou vergroten, zorgt dit voor de nodige wrevel bij politici en het Japanse volk.[355]

 

12. De tweede/‘echte’ naoorlogse periode (1952 tot 1970)

 

Japan slaagt erin om de economische kansen die het van de Geallieerde bezetter heeft gekregen, zo goed mogelijk te benutten en dankzij het in 1949 opgerichte Ministerie voor Internationale Handel en Industrie geniet de Japanse industrie van een doelgerichte en op overleg gebaseerde regeringssteun.[356] Een dergelijke planmatige economie is een loutere voortzetting van de nauwe relaties tussen politici en zaibatsu in het Meiji tijdperk.
In de jaren vijftig ligt de nadruk op de ‘zware’ industrie, zoals de productie van ijzer en staal in tegenstelling tot het volgende decennium dat veeleer in het teken staat van meer kennisgerichte en technologische materialen, zoals elektronica en informatica.
[357]
In de tijdspanne tussen 1952 en 1970 vermindert de betrokkenheid in landbouw van 48 naar slechts 18 percent. Maar het is de tertiaire sector die in deze twee decennia dominant wordt met een stijging van 30% naar 48%.
[358] Gedurende dit tijdperk wordt Japan een ware economische supermacht met een gemiddelde jaarlijkse groei van het BNP met maar liefst 10%. De consument is in het begin van deze periode vooral geïnteresseerd in een eigen “radio, brommer en naaimachine”, maar tegen het einde van de jaren zestig wordt dat een “kleurentelevisie, auto en airconditioner” waarmee er terloops kan verwezen worden naar de geleidelijke overgang tijdens deze twee decennia van film naar televisie als dominant (audiovisueel) communicatiemedium.[359]

 

Het Japanse economische “mirakel” is eveneens gebaseerd op een politieke stabiliteit door de constante regeringsmeerderheid en het conservatieve beleid van de Liberale Democratische Partij van 1955 tot 1993.[360] Na de bezetting komen bovendien vele vooroorlogse figuren,
zoals Yoshida Shigeru, weer aan de macht en wordt de ‘machtscoalitie’ “regering-bureaucratie-industie” gewoonweg voortgezet.
[361] Aldus kan het tijdperk tussen 1952 en 1970 zonder twijfel bestempeld worden als de ‘echte’ of de ‘Japanse’ naoorlogse periode in tegenstelling tot de Geallieerde bezetting die veeleer een artificiële Amerikaanse dan een Japanse reactie op de oorlog was en die enkel kan gedefinieerd worden als een plusminus zeven jaar durend intermezzo binnen de Japanse geschiedenis.[362]

 

Ook sociaal-cultureel neemt de Japanse gemeenschap opnieuw de draad op en in wezen begint pas in 1952 het ‘Japanse’ culturele verwerkingsproces van de Oorlog in de Stille Oceaan waarbij de opgelegde westerse innovaties ofwel afgewezen ofwel ‘gejapaniseerd’ of ‘getraditionaliseerd’ worden zoals dat doorheen de geschiedenis steeds de gewoonte is geweest binnen het Japanse cultuursysteem. Hoewel de Japanse bevolking zich meer ‘thuis’ voelt binnen deze continuïteit, heerst er eveneens een ongerustheid over welke elementen uit het eigen verleden opnieuw moeten worden ingesteld. [363] De kenmerken van de Japanse cultuurgemeenschap in dit tijdperk zullen uitgebreid bestudeerd worden in het kader van de “sociaal-culturele context”.

 

Meteen na de ‘Geallieerde meegaandheid’ - die hoogstwaarschijnlijk moet gezien worden binnen de verhouding tussen omote/tatemae (“uiterlijke schijn”) en ura/honne (“innerlijke realiteit”) - geschiedt er ook een heropleving van het Japanse nationalisme dat ditmaal niet militair, maar wel economisch tot uiting zal komen.[364] Met andere woorden is nu de werkvloer en niet het strijdveld de locatie waar de leden van de Japanse cultuurgemeenschap zich inzetten voor het welzijn van hun natie en waar zij het subjectief rationele ideaal van de samoerai - dat zoals we reeds zeer duidelijk gemerkt hebben, projectmatig wordt aangepast aan de tijdperiode - zo goed mogelijk trachten na te leven.[365] Eveneens naar analogie met de militaire erkenning van verdiensten gedurende de oorlog, ontwikkelt zich een meritocratisch systeem waarbij alle individuen kunnen beloond worden voor hun professionele verwezenlijkingen die bijdragen tot het collectieve welzijn.[366] De meest extreme gevallen krijgen de naam “mõretsu-gata” of “zeer gedreven types” die in wezen dezelfde agressiviteit vertonen als de soldaten gedurende de oorlog. Desalniettemin heeft het Amerikaanse liberalisme en individualisme het Japanse collectivisme wel ‘afgezwakt’ in die zin dat er toch grenzen blijken te zijn aan de zelfopoffering voor de natie en voor de keizer. Dit is duidelijk het geval in het eerste decennium van deze periode wanneer de werkomstandigheden en de lonen nog niet in evenwicht zijn met de economische vooruitgang die het land meemaakt en zeer gewelddadige protesten tegen de ondernemers en dus tegen de regering plaatsgrijpen.
De vakbondsverenigingen bieden weinig steun aan de misnoegde arbeiders vermits deze grotendeels bestaan uit het tweederangsmanagement dat naar de pijpen van haar bazen danst.
Maar naarmate de economische welvaart meer gelijk wordt verdeeld over alle lagen van het volk, raken de Japanners opnieuw steeds meer overtuigd van hun ‘uniekheid’ en wat het Japanse cultuursysteem zo speciaal maakt, wordt uitgebreid besproken in de zogenaamde “Nihonjiron” of de “theorieën over het Japans-zijn”.
[367]

 

Het gros van de Japanse bevolking is ook ongerust over een mogelijke heropleving van het militarisme door de aanwezigheid van de Amerikaanse troepen en de Koude Oorlog tussen de Verenigde Staten en de Sovjetunie.[368] Hoewel in 1960 bij de bespreking van het lopende veiligheidsverdrag de VS Japan ‘geruststelt’ dat het zal geconsulteerd worden alvorens de in het land gestationeerde Amerikaanse troepen zullen worden ingezet, leidt deze belofte enkel tot de verhoging van de bestaande angst bij de Japanners en tot (linkse) protestacties.
Ook de pogingen door de meer rechts georiënteerde regering om het onderwijs opnieuw te gebruiken als indoctrinatiemiddel lokken revoltes en algemene turbulentie uit.
[369]
Maar naar analogie met de Meiji periode wordt de interne ‘chaos’ in de jaren zestig verzacht door het internationale respect dat de natie geniet door haar technologische verwezenlijkingen, zoals de shinkansen of “kogelsnelle trein”, en door de Olympische Spelen in Tõkyõ in 1964.
[370] Hoewel Japan reeds in 1956 mag deel uitmaken van de Verenigde Naties is het pas na het organiseren van deze spelen en natuurlijk ook door haar groeiende economische welvaart dat de natie ‘aanvaard’ wordt door de internationale gemeenschap met als summum de Wereldtentoonstelling in Osaka in 1970.[371]

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[238] HENSHALL (K.G.). A history of Japan. From stone age to super power. Londen, Macmillan Press, 1999, p. 1-4.

[239] BEASLEY (W.G.). The Japanese experience. Los Angeles, University of California Press, 1999, p. 1-2.

[240] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 4-8.

[241] BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1999, p. 16-18.

[242] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 8-11.

[243] BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1999, p. 9-11.

[244] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 11-19.

[245] SPORRY (T.B.). De geschiedenis van Japan. Amsterdam, Fibula-Van Dishoeck, 1986, p. 38.

[246] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 20-24.

[247] SPORRY (T.B.). Op Cit., 1986, p. 46-48. & HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 20-25.

[248] COURDY (J.-C.). Les Japonais. La vie de tous les jours dans l’empire du soleil levant. Parijs, Belfond, 1979, p. 240-242.

[249] TOTMAN (C.). Op Cit., 2000, p. 98-103 & 110-112.

[250] STORRY (R.). The way of the samurai. Londen, Orbis Publishing, 1978, p. 27.

[251] SPORRY (T.B.). Op Cit., 1986, p. 64-66.

[252] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 28-30.

[253] STORRY (R.). Op Cit., 1978, p. 43.

[254] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 31-32.

[255] SPORRY (T.B.). Op Cit., 1986, p. 79-84.

[256] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 34-36.

[257] SPORRY (T.B.). Op Cit., 1986, p. 85-87.

[258] BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1999, p. 117-122.

[259] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 39.

[260] APTER (D.E.) & NAGAYO (S.). Against the state: politics and social protest in Japan. Cambridge,Harvard University Press,1984, p. 61.

[261] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 40.

[262] SPORRY (T.B.). Op Cit., 1986, p. 100-103.

[263] TOTMAN (C.). Op Cit., 2000, p. 207-215.

[264] SPORRY (T.B.). Op Cit., 1986, p. 107-108.

[265] STORRY (R.). Op Cit., 1978, p. 66.

[266] SPORRY (T.B.). Op Cit., 1986, p. 113.

[267] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 51-52.

[268] TOTMAN (C.). Op Cit., 2000, p. 223-230.

[269] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 53.

[270] STORRY (R.). Op Cit., 1978, p. 74.

[271] SPORRY (T.B.). Op Cit., 1986, p. 113-116.

[272] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 54-57.

[273] TSUNETOMO (Y.). Hagakure. Tokyo, Kodansha International, 2000, 180 p.

[274] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 58-64.

[275] SPORRY (T.B.). Op Cit., 1986, p. 126-128.

[276] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 65-67.

[277] BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1999, p. 211-212.

[278] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 73.

[279] SPORRY (T.B.). Op Cit., 1986, p. 131-133. & BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1999, p. 219.

[280] BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1999, p. 216.

[281] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 75-77.

[282] BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1999, p. 225-227.

[283] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 77-80. & GIFFARD (S.). Japan among the powers, 1890-1990. Londen, Yale University Press, 1994, p. 11-12.

[284] BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1999, p. 221-222.

[285] TOTMAN (C.). Op Cit., 2000, p. 315-317.

[286] WASWO (A.). Modern Japanese society. 1868-1994. Oxford, Oxford University Press, 1996, p. 77-79.

[287] VARLEY (H.P.). Japanese culture. A short History. New York, Praeger Publishers, 1973, p. 194.

[288] BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1999, p. 231-234.

[289] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 89-90.

[290] TOTMAN (C.). Op Cit., 2000, p. 232.

[291] SPORRY (T.B.). Op Cit., 1986, p. 135-136.

[292] GIFFARD (S.). Op Cit., 1994, p. 32-34.

[293] GIFFARD (S.). Op Cit., 1994, p. 41-47.

[294] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 103.

[295] BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1999, p. 241-243.

[296] VARLEY (H.P.). Op Cit., 1973, p. 197.

[297] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 105-106.

[298] GIFFARD (S.). Op Cit., 1994, p. 70-73.

[299] CRUMP (T.). The death of an emperor: Japan at the crossroads. Oxford, Oxford University Press, 1991, p. 110.

[300] TOTMAN (C.). Op Cit., 2000, p. 393-401.

[301] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 108.

[302] CRUMP (T.). Op Cit., 1991, p. 114-115.

[303] VARLEY (H.P.). Op Cit., 1973, p. 208-209.

[304] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 110.

[305] BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1999, p. 243.

[306] WASWO (A.). Op Cit., 1996, p. 86.

[307] CRUMP (T.). Op Cit., 1991, p. 121-123.

[308] GIFFARD (S.). Op Cit., 1994, p. 103. & HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 111-117.

[309] CRUMP (T.). Op Cit., 1991, p. 124-127.

[310] BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1999, p. 245.

[311] CRUMP (T.). Op Cit., 1991, p. 135-138.

[312] BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1999, p. 247-248.

[313] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 124-127.

[314] GIFFARD (S.). Op Cit., 1994, p. 123-124.

[315] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 127.

[316] THOMAS (J.E.). Modern Japan. A social history since 1868. Londen, Longman, 1996, p. 242-245.

[317] CRUMP (T.). Op Cit., 1991, p. 143-147. & FULLER (R.). Hirohito’s samurai Londen, Arms and Amos Press, 1991, p. 31.

[318] NISH (I.) & TAKEDA (K.). The dual image of the Japanese emperor. Londen, Macmillan, 1988, p. 91.

[319] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 130.

[320] CRUMP (T.). Op Cit., 1991, p. 147-148.

[321] NISH (I.) & TAKEDA (K.). Op Cit., 1988, p. 97-101.

[322] KAWABATA (K.). De binnenzijde van Japan. Amsterdam, Balans, 1987, p. 42-44.

[323] CRUMP (T.). Op Cit., 1991, p. 148-153.

[324] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 132 & 136.

[325] BEASLEY (W.G.). The rise of modern Japan. Londen, Weidenfeld and Nicolson, 1990, p. 213.

[326] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 137.

[327] TOTMAN (C.). Op Cit., 2000, p. 443.

[328] RINJIRO (S.). A question of paternity. In: CONROY (H.) & WRAY (H.) (Eds.). Japan examined: perspectives on modern Japanese history. Honlulu, University of Hawaii, 1984, p. 352-353.

[329] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 138-139.

[330] BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1990, p. 215-216.

[331] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 139-141.

[332] BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1999, p. 252-253. & DOWER (J.W.). Reform and reconsolidation. In: CONROY (H.) & WRAY (H.) (Eds.). Op Cit., 1984, p. 348.

[333] BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1990, p. 220.

[334] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 141-142.

[335] BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1990, p. 218.

[336] REISCHAUER (E.O.). The Allied occupation: Catalyst not creator. In: CONROY (H.) & WRAY (H.) (Eds.). Op Cit., 1984, p. 338.

[337] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 143-144.

[338] BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1999, p. 253.

[339] REISCHAUER (E.O.). Op Cit., 1984, p. 340.

[340] RINJIRO (S.). A question of paternity. In: CONROY (H.) & WRAY (H.) (Eds.). Op Cit., 1984, p. 354.

[341] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 145.

[342] DOWER (J.W.). Reform and reconsolidation. In: CONROY (H.) & WRAY (H.) (Eds.). Op Cit., 1984, p. 346.

[343] TOTMAN (C.). Op Cit., 2000, p. 446-447.

[344] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 145.

[345] REISCHAUER (E.O.). Op Cit., 1984, p. 339. & BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1990, p. 216.

[346] TAKEMAE (E.). Some questions and answers. In: CONROY (H.) & WRAY (H.) (Eds.). Japan examined: perspectives on modern Japanese history. Honlulu, University of Hawaii, 1984, p. 359.

[347] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 146-147.

[348] BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1999, p. 255-256.

[349] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 150.

[350] BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1999, p. 258.

[351] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 151.

[352] BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1999, p. 254.

[353] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 152.

[354] TOTMAN (C.). Op Cit., 2000, p. 447.

[355] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 152-153.

[356] BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1999, p. 258.

[357] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 153-154.

[358] TOTMAN (C.). Op Cit., 2000, p. 471-475.

[359] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 154.

[360] TOTMAN (C.). Op Cit., 2000, p. 462-463.

[361] BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1999, p. 256-257.

[362] REISCHAUER (E.O.). The Allied occupation: Catalyst not creator. In: CONROY (H.) & WRAY (H.) (Eds.). Op Cit., 1984, p. 335-337 & 342. / BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1999, p. 251. & DOWER (J.W.). Reform and reconsolidation. In: CONROY (H.) & WRAY (H.) (Eds.). Op Cit., 1984, p. 343-345.

[363] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 157. & REISCHAUER (E.O.). Op Cit., 1984, p. 341.

[364] BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1999, p. 257. & RINJIRO (S.). A question of paternity. In: CONROY (H.) & WRAY (H.) (EdsOp Cit., 1984, p. 355-356.

[365] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 157.

[366] REISCHAUER (E.O.). Op Cit., 1984, p. 340.

[367] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 158-159.

[368] BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1999, p. 256.

[369] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 159-160.

[370] BEASLEY (W.G.). Op Cit., 1990, p. 236-238.

[371] HENSHALL (K.G.). Op Cit., 1999, p. 161-164.