De relatie van de keizers Claudius, Nero en Trajanus met de Italische steden. Een onderzoek van epigrafisch en historiografisch materiaal. (Geertrui Meire)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

6. Keizerlijke eerbewijzen

 

6.1. Inleiding

 

6.1.1. OPZET

 

De bedoeling van dit hoofdstuk is het aantal tot ons gekomen inscripties ter ere van Claudius, Nero dan wel Trajanus te onderzoeken en te kijken of een geografisch en chronologisch overzicht ons toelaat het een en ander te besluiten over de gewoonten en evoluties i.v.m. het oprichten van ereïnscripties. We zullen ook proberen uit deze keizerlijke ereïnscripties (“tituli imperatorum Romanorum”) iets af te leiden omtrent de populariteit van deze keizers in Italië. Ook de weinig zeggende, fragmentaire inscripties zijn daarom opgenomen: al verschaffen ze geen nadere uitleg, ze blijven niettemin een bewijs dat men monumenten voor hen oprichtte.[388] Zowel de ereopschriften gericht aan de levende keizer als die aan de divus zijn opgenomen. De keizerinnen en andere keizerlijke familieleden worden hier niet bestudeerd, op de paar vermeldingen na wanneer ze samen met de keizer worden geëerd.

 Ook de attestaties van de praefecti imperatoris worden hier besproken (supra, hoofdstuk 3). Hun voorkomen geeft blijk van een bijzonder eerbetoon: de stad verkoos de princeps als -opperste- magistraat.

 

Na een algemene bespreking van de inscripties (paragraaf 6.2.) wordt vervolgens onderzocht wie het initiatief nam tot de oprichting (6.3.) en wat daarvoor de reden was (6.4.). In de laatste paragraaf voorafgaand aan het besluit (6.6.) wordt de regionale evolutie gekenschetst (6.5.).

 

6.1.2. BRONNEN

 

Dit hoofdstuk is bijna uitsluitend gebaseerd op epigrafisch materiaal; bronnen van literaire aard werden nauwelijks aangewend daar zij ons weinig informatie bieden met betrekking tot het onderzochte. De historiografen interesseerden zich in de eerste plaats voor de keizercultus; over het opstellen van ereopschriften of standbeelden zwijgen zij unaniem. De praefecti, de vertegenwoordigers van de keizers bij het vervullen van het ambt, zijn ons eveneens bekend door de epigrafie.

 Het was gebruikelijk dat de steden hun trouw aan de keizer betuigden in de vorm van -veelal marmeren- monumenten, triomfbogen of standbeelden voorzien van inscripties en/of reliëfs. Triomfbogen zijn karakteristiek voor de keizertijd en werden veelal door senatus populusque romanus opgesteld.[389] De boog ter ere van Augustus te Augusta Praetoria (het huidige Aosta) uit 25 v. Chr. -opgericht toen de keizer de stad het koloniaal statuut verleend had- is het vroegst bekende voorbeeld van dit genre.

 Alle monumenten hadden als doel de keizer eer te bewijzen. Het is echter moeilijk te beoordelen in hoeverre deze uitingen van loyaliteit een vorm van “reëel” contact met de keizer vertegenwoordigden. Een dergelijk gebaar was immers niet steeds het antwoord op een weldaad of gift van de kant van de princeps, het kon evengoed een algemene uitdrukking van loyaliteit zijn; vandaar dat het ons moeilijk valt hun eigenlijke betekenis in te schatten.[390]

 

De ereïnscripties kennen veelal dezelfde opmaak. In sommige gevallen geeft het opschrift slechts de naam en de titulatuur van de geëerde, in dit geval de keizer, in de datief. Interessanter is natuurlijk wanneer ook de dedicator wordt genoemd, ditmaal in de nominatief, en/of een verdere specificatie zoals bijvoorbeeld de reden van de oprichting, sua pecunia of andere uitleg. De opschriften kennen meestal een eenvoudige lay-out. De naam van de princeps is in veel gevallen wel in grotere of meer versierde letters geschreven dan de rest. De schriftdrager varieert van een marmeren plaat of de sokkel van een beeld tot een triomfboog. Men spreekt van tituli honorarii.

 

6.1.3. DE KEIZERCULTUS

 

Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen een honoraire inscriptie en een inscriptie met betrekking tot de keizercultus. Dit is niet altijd eenvoudig.

 

De Augustales vormden een “organisatie” die belast was met de keizercultus. Nu is het zo dat de epigrafie weinig tot niets bijdraagt tot onze kennis over de functie van de Augustales. De uitzonderlijke opschriften die toch tot stand kwamen door toedoen van de Augustales in het kader van hun ambt, zijn niet in ons corpus opgenomen. Met betrekking tot Claudius, Nero of Trajanus in Italië gaat het waarschijnlijk om slechts twee exemplaren, De eerste is CIL X 1574, waar drie Augustales uit Puteoli spelen organiseerden ter ere van Nero, zijn vrouw, Jupiter en de genius coloniae. De tweede is CIL XIV 4486a, waar de seviri Augustales uit Ostia een marmeren monument aan Trajanus schenken.[391]

 

Daarnaast zijn er de inscripties die de keizer als een god vermelden of een gegeven bevatten die wijst in de richting van een tijdens zijn leven vergoddelijkte princeps. In tegenstelling tot de provincies vinden we op het Schiereiland zeer weinig van dergelijke opschriften. In Italië werd de keizer niet officieel vereerd.[392] Voor de hier bestudeerde keizers vinden we het enkel met betrekking tot Claudius en slechts in drie inscripties: C45 (opdracht aan de deos curiales en aan de genius van Claudius), C1 (een private inscriptie, waarin Claudius gewijd wordt aan diezelfde deos curiales) en C34 (attestatie van een sacerdos divini nostri imperatoris). We zien hier al meteen dat twee van de drie inscripties niet 100 procent “Italisch” zijn. Puteoli was zoals we weten een half-oosterse stad; een groot deel van haar bevolking was Grieks. Navius Atticus, de dedicator van de laatstgenoemde inscriptie was een banneling die door toedoen van Claudius terug naar zijn land mocht keren; de inscriptie is in het Grieks opgesteld. De wijding van de keizer aan bepaalde godheden (hier, de deos curiales) ging uit van lokale initiatieven.[393] Deze inscripties zullen toch in paragraaf 6.2.1. bij de betreffende regio worden besproken.

 

Volgens sommigen was Claudius de eerste keizer die het vereren van de levende keizer toeliet en niet meer slechts de divus Augustus.[394] De positie van de keizer zou vanaf toen een theocratisch getint karakter gekregen hebben. Niet iedereen schijnt hierin te geloven.[395]

 We merken nog op dat de keizercultus in de provincies, en dan vooral de Oosterse, een belangrijke factor vormde voor de eenheid van het Rijk; de keizer verzette zich daar in principe ook niet tegen. Dergelijke belangen zijn hier niet aan de orde, gezien onze studie handelt over het meest geromaniseerde gebied van het Rijk.

 

 

6.2. Eerbetoon aan de keizers: algemene bespreking

 

Hieronder volgt een overzicht van de tituli honorarii per keizer. Deze bespreking van het keizerlijk eerbetoon moet bestudeerd worden met de tabellen II.6.1 tot II.6.3 bij de hand (zie bijlage II.6). Omdat een volgorde per bron in feite nietszeggend is, leek het mij goed de opdrachten geografisch te ordenen. Dit vormt dan tevens een goede basis voor de regionale schets (paragraaf 6.5). Binnen de regio’s (I tot en met XI) opteerde ik voor een alfabetische opname volgens de naam van de steden. Voor alle duidelijkheid heb ik in de tabellen tevens de kolom “bron” bijgevoegd, evenals de datering van de monumenten.

 We moeten ook aandacht hebben voor de drager van de inscriptie. Bevindt de tekst zich op een stenen of marmeren plaat, op de sokkel van een standbeeld of gaat het b.v. om een graffito? Dit staat vermeld in de kolom “schriftdrager”.

 

6.2.1. CLAUDIUS (kaart 6.1)

 

We constateren een totaal aantal van 39 inscripties afkomstig van het Italisch Schiereiland. Op het eerste gezicht springt in het oog dat de helft daarvan, meer precies 19, afkomstig is uit slechts twee regio’s: regio I (Latium - Campania) met negen inscripties en VII (Etruria), die er zelfs tien telt. Uit regio X, die in het noorden van het land gelegen is, komen zeven inscripties, ook nog een respectabel aantal.

 

Regio I

 

De negen geattesteerde inscripties zijn afkomstig uit zes verschillende steden: Aricia, Herculaneum, Lanuvium, Minturnae, Ostia en Puteoli.

 Van de drie opdrachten uit Herculaneum zijn er twee nogal fragmentarisch tot ons gekomen (C3 en C59). Vanwege het standaardformularium is het echter mogelijk ze tot op zekere hoogte aan te vullen: ze bevatten beiden de volledige titulatuur van Claudius in de datief. Bij C3 is de manier van tot stand koming gespecifieerd: “decreto decurionum”; en aan de hand van de tribunicia potestas kan deze inscriptie worden gedateerd in het jaar 46/47. De derde en laatste inscriptie uit Herculaneum is interessanter aangezien de oprichter wordt vermeld (C33). Het gaat om een zekere […]essi Men. Seneca, een soldaat uit de 13de cohorte, die in 48 n. Chr. Claudius per testament eert. Het opschrift bevindt zich op de sokkel van een bronzen standbeeld -teruggevonden in de basiliek van de stad-, dat de soldaat er moet bijgeschonken hebben.[396]

 De burgers van de colonia Minturnae plaatsten in 50 n. Chr. een ereïnscriptie voor Claudius, hoogstwaarschijnlijk op de voet van een zilveren standbeeld van de keizer (C8).[397] De inscriptie geeft het precieze gewicht van het beeld, 300 pond, wat volgens de AE zou overeenkomen met plus of min 90 kg.. Helaas is de inscriptie niet meer leesbaar op de plaats waar het motief voor de oprichting zou moeten staan. De afkorting “h. c. f.” staat mogelijk voor “honoris causa fecerunt”, vertaald “om wille van deze eer -en deze moet in het niet leesbare deel worden gezocht- hebben zij (dit standbeeld) gemaakt, met een gewicht van …” .

 

 

 

 

Kaart 6.1: Steden waar eerbewijzen zijn geattesteerd voor Claudius.

 

?. Camunni (stam) (X) ; 1. Aricia (I/L) ; 2. Lanuvium (I/L) ; 5. Ostia (I/L) ; 12. Herculaneum (I) ; 13. Minturnae (I) ; 16. Puteoli (I) ; 40. Histonium (IV) ; 41. L’ Aquila (IV) ; 44. Trebula Mutuesca (IV) ; 47. Falerio (V) ; 48. Montegiorgio (V) ; 50. Urbs Salvia (V) ; 53. Forum Sempronii (VI) ; 55. Sestinum (VI) ; 57. Caere (VII) ; 61. Lucus Feroniae (VII) ; 62. Luna (VII) ; 64 Rusellae (VII) ; 66. Veii (VII) ; 69. Ravenna (VIII) ; 70. Veleia (VIII) ; 73. Acelum (VII) ; 75. Brixia (X) ; 77. Pola (X) ; 78. Verona (X) ; 79. Augusta Taurinorum (XI) ; 81. Mediolanum (XI)

 De inscriptie uit Puteoli, gedateerd in 46 n. Chr., is geen ereïnscriptie in de eigenlijke zin van het woord, maar leert ons niettemin iets over de verering van de keizer (C34). Ze getuigt van de aanwezigheid van een sacerdosdivini nostri imperatoris” en zou als opzet hebben de goddelijke natuur van Claudius uit te drukken. We hebben hier een voorbeeld dat duidt op een verering van de levende keizer. Dit was normaal gesproken steeds “verboden” geweest, maar volgens sommige historici liet Claudius die als eerste toe. Hoe de princeps er zelf over dacht lijkt echter niet relevant want dergelijke inscripties zijn ook opgericht toen de keizer het nog specifiek verbood.[398]

 De votiefinscriptie aangetroffen nabij Aricia is kort na Nero’s adoptie opgericht “pro salute … Caesaris” (C60). [399] Ze is tegelijk gericht aan Claudius, Agrippina, Britannicus én Nero. De oprichter kan echter niet worden achterhaald. De andere inscriptie uit deze stad is zeer fragmentarisch tot ons gekomen en kan niet nauwkeuriger dan tijdens Claudius’ regeringsperiode worden gedateerd (C57).

 In Lanuvium richtten de burgers van de stad een monument op voor de keizer: “senatus populusque Lanvinus, ex pecunia publica” (C56).

 De enige titulus honorarius uit Ostia is fragmentair en weinig zeggend (C61).

 

Regio IV

 

De inscripties komen uit drie steden verspreid in Samnium. Zeer opvallend en tevens uniek in mijn verzameling is een Grieks geschreven inscriptie uit de omgeving van L’ Aquila (C1). Het gaat om een zekere Navius Attus, een gewezen banneling, die dankzij Claudius terug naar zijn vaderland kon gaan. In een dankmonument droeg hij de keizer op aan de qeois Frhtriois, het Griekse equivalent van de dei curiales, de goden van de fratrieën waarin de burgers waren ondergebracht.[400]

 Uit deze regio bezitten we verder nog slechts twee fragmentaire ereopschriften, één uit Histonium en één uit Trebula Mutuesca, met de naam van keizer Claudius in de datief maar waar noch de opdrachtgever, noch de reden tot oprichting zijn overgeleverd (C26 en C31).

 

Regio V

 

Uit Falerio kennen we een inscriptie (C27), die vertelt dat Lucius Celer Quidacilius in 43 n. Chr. bij testament iets -volgens M. Cuyx misschien een standbeeld- heeft laten opzetten voor de keizer. Zijn zoon Gaius Octavius Celer zorgde voor de uitvoering en diende nog geld bij te leggen. In de werken van M.E. Blake en H. Jouffroy vinden we echter dat de inscriptie getuigt van de bouw van het theater in Falerio in 43 n. Chr..[401] De reden staat niet in de inscriptie vermeld.

 Daarnaast bezitten we twee, wederom fragmentaire, inscripties uit Montegiorgio en Urbs Salvia (C5 en C28).

Regio VI

 

In Sestinum en Forum Sempronii zijn twee opdrachten gevonden die de princeps eren, waarvan de eerstgenoemde “decreto decurionum”. Beiden zijn opgericht in het begin van Claudius’ regering, respectievelijk in 42 en 43 n. Chr. (C50 en C51).

 

Regio VII

 

Deze regio is rijkelijk voorzien van honoraire inscripties uit de Claudische periode. Uit Caere bezitten we een qua vorm “gewone” ereïnscriptie die kan gedateerd worden in 41 n. Chr., het jaar dat Claudius de troon besteeg (C46). Eveneens uit Caere stamt een monument geplaatst op privé-initiatief door Marcus Iunius Eutychus (C45). Hij droeg het monument op aan de dei curiales en tevens aan de genius van Claudius. De verering van de genius is een typisch westerse opvatting van de hellenistische keizercultus.[402]

 We hebben twee marmeren tabulae uit de stad Luna in ons bezit. Één is wederom reeds in 41 n. Chr. opgericht, om de nieuwe keizer te eren (C52). De andere, lacunaire, inscriptie is ter ere van divus Augustus maar ook voor het heil van de huidige keizer Claudius (C6). De verwijzing naar Augustus in een Claudische inscriptie is markant: men bewees eer aan de stichter van het principaat, die belast was met de bescherming van Claudius.[403]

 Een eques uit Rusellae, Aulus Vicirius Proculus, bekostigde ter ere van de keizers overwinning in Britannia een beeldje van de godin Victoria (C4). Het dateert van kort na Claudius’ militaire expeditie, namelijk 45 n. Chr.. Het opschrift vermeldt enkele ambten van Proculus. Hij was flamen Augustalis en tribunus militum. Dezelfde persoon liet ook een inscriptie op een marmeren plaat aanbrengen ter ere van Claudius’ zoon Britannicus.[404]

 Uit Veii tellen we drie ereïnscripties gericht aan Claudius, allen aangebracht op een tabula marmorea en allen uit een verschillend tijdvak van zijn regering. Alweer is er een opschrift dat stamt uit het jaar 41/42 n. Chr. (C47). De tribunicia potestas noch de titel imperator zijn voorzien van een cijfer, maar we kunnen deze datum afleiden uit de titulatuur van de keizer: “Tiberio Claudio Drusi filio Caesari Augusto Germanico” alsmede uit het ontbreken van de eretitel “pater patriae”. Frappant is dat dezelfde inscriptie tevens opgedragen is aan divus Tiberius (14-37 n. Chr.), terwijl men in alle talen zwijgt over de daartussen regerende keizer Caligula (37-41 n. Chr.). Een tweede inscriptie is van 46 n. Chr. (C48), de derde uit 50 (C49). De initiatiefnemers staan in geen van de gevallen vermeld.

 Een weinig zeggende inscriptie is aangetroffen “ergens in Etruria”, zonder verdere plaatsspecificatie (C53).

 Tenslotte hebben we nog een inscriptie uit Lucus Feroniae, waarvan enkel de regels met Claudius’ naam in de genitief zijn bewaard (C7). De AE meent dat de inscriptie naar alle waarschijnlijkheid een vrouw van Claudius eert of eventueel één van zijn kinderen. I. Cogitore concludeert daarentegen na nauwkeurig het aantal ontbrekende letters te hebben geteld, dat beide vermoedens onwaarschijnlijk zijn. Volgens haar moet er “in honorem”, “pro salute” of een dergelijke formule gestaan hebben, waarvan nog enkele voorbeelden zijn bekend.[405]

 

Regio VIII

 

We bezitten een opdracht uit Veleia om de keizer “decreto decurionum” te eren (C43). De afkorting “p. p.” wordt door M. Cuyx als p(atri) p(atriae) aangevuld, I. Cogitore denkt echter dat het op het middel van betaling slaat en completeert p(ecunia) p(ublica).[406] Wanneer men een vergelijking maakt met gelijkaardige inscripties, lijkt mij p(atri) p(atriae) meer voor de hand liggen. De inscriptie dient gedateerd te worden in 42 n. Chr., Claudius’ tweede regeringsjaar, maar kan naar de mening van I. Cogitore samen genomen worden met de verschillende tituli honorarii uit andere Italische steden die opgedragen zijn in 41 n. Chr., het jaar dat Claudius de troon besteeg.[407] Blijkbaar was het bij het begin van het principaat in sommige steden min of meer gebruikelijk geworden bij elke troonswisseling een monument te maken ter ere van de nieuwe keizer.

 Veleia is ook de stad waar men de befaamde “tabula alimentaria” teruggevonden heeft; Trajanus voerde er de alimenta in (supra). De stad ligt in een bergachtig gebied en beschikte wellicht over weinig vruchtbare grond. C. Bossu merkt in zijn thesis op dat het niet onmogelijk is dat de stad speciale aandacht kreeg vanwege de Iulio-Claudische keizers;[408] misschien valt deze inscriptie in een dergelijke context te situeren.

 

De “porta aurea” te Ravenna is een bijzonder geval. Deze gouden poort was de stadspoort van Ravenna en terzelfdertijd een herdenkingsmonument geschonken door Claudius in 43 n. Chr..[409] Volgens sommigen liet de keizer de weg die naar de stad leidde op eigen kosten herstellen; de inscriptie aangetroffen boven de poort zou hiervan getuigen (C42: “Ti. Claudius ... dedit”).[410] G.C. Manasse prefereert echter een ander scenario. De bouw van deze poort was volgens hem reeds gevorderd toen Claudius een bezoek bracht aan Ravenna op zijn terugreis vanuit Britannia. Toen de stadsraad op de hoogte werd gesteld van zijn komst en de behaalde overwinning, zou de poort “aangepast” zijn tot een soort triomfboog die het oorlogssucces van de keizer memoreerde. Dit lijkt af te leiden uit de symboliek van de versiering op de poort.[411] Toen de keizer ter plekke was, besloot hij de kosten daarvoor op zich te nemen, wat eveneens de formule “Ti. Claudius ... dedit” verklaart.

 

Regio X

 

Slechts een paar woorden resten ons nog van een opschrift uit Brixia: “... Drusi ...xim trib...” (C18). Toch zou men uit de aangevulde inscriptie kunnen afleiden dat het om keizer Claudius gaat en dat ze dateert van 41 n. Chr..[412] Mogelijk gaat ook de twijfelachtige tekst van de Camunni “[Ti(berio) Cla]udio Cai[sari / ---]mus haec efi[--- / ---]tibus curam doc[---]” over Claudius (C19). We zien hier andermaal de vorm “Caisari” in plaats van “Caesari” (zie voetnoot 10). De Camunni waren een stam in Val Camonica die behoorden tot het territorium van Brixia.[413]

 Een korte inscriptie vormt een voorbeeld van private verering. Marcus Saloniu[s …] plaatste een monument voor de keizer in Acelum (C16).

 

In enkele steden werden meerdere inscripties aangetroffen. Uit Pola bezitten we twee honoraire inscripties, die te lezen waren op de voet van twee standbeelden. Één daarvan, en dit is uitzonderlijk in mijn Claudische verzameling, dateert van vóórdat Claudius keizer werd (C10). Claudius heette toen Tiberius Claudius Nero Germanicus. Men had zijn tot dan toe vervulde functies opgesomd: augur, sodalis Augustalis, sodalis Titius, consul. De titel augur kreeg Claudius van Augustus, in ieder geval voor 14 n. Chr., wrs. in 8 of 9 n. Chr. (Suet., Claudius 4, 12). De benaming van sodalis Augustalis en Titius (= lid van het priestercollege belast met de eredienst van de vergoddelijkte keizer) verwierf hij na deze datum op voorstel van de senaat. Wanneer we weten dat Claudius consul suffectus was van 1 juli tot 12 september van het jaar 37 (Dio Rwmaikhistoria LIX 6.5-6 en LX 2.1) en imperator in 41 n. Chr., kunnen we vaststellen dat deze inscriptie daartussen moet gedateerd worden. De andere inscriptie uit Pola is gericht aan Claudius als keizer en dateert van enkele jaren na de troonsbestijging, meer precies van 45 n. Chr. (C11). Th. Mommsen plaatste ze in 46 n. Chr., maar de combinatie van tribunicia potestas V, imperator VIII en consul III designatus IIII duidt ontegensprekelijk op het jaar 45. Een rectificatie is te vinden in de Inscriptiones Italiae.

 Twee inscripties uit hetzelfde jaar -44/45 n. Chr.- zijn aangetroffen in Verona. Beide opschriften zijn zeer gelijkend en eren naast Claudius nog twee andere personen. Degene beschreven in C9 is hergebruikt in een middeleeuwse muur maar behoorde naar alle waarschijnlijkheid tot de noordoostelijke stadspoort. Het gaat hier vermoedelijk om een soortgelijke situatie als in Ravenna, waar de stadspoort eveneens de functie van herdenkingsmonument had (supra). Men kan aannemen dat ze op kosten van de keizer is opgetrokken.[414] In de tekst worden tevens Messalina en, zo blijkt na onderzoek, Germanicus vermeld. Van C17, een deel van de architraaf van een gebouw, is slechts het middenstuk volledig. Het is gericht aan Claudius. Links en rechts zijn nog slechts enkele letters leesbaar, maar de auteurs van het ILS schrijven dat het wellicht om een vrouw, de kinderen of misschien de voorouders van de keizer te doen is. G.C. Manasse opteert voor Augustus (wellicht met Livia) of Tiberius enerzijds en Gaius (Caligula) anderzijds.[415] De titulus geeft niet aan hoeveel maal Claudius reeds de titel van imperator gedragen had. Misschien twijfelde men in Verona over het juiste aantal.

 

Regio XI

 

[..g]litius Barbarus, een praefectus fabrum van keizer Claudius, liet in Augusta Taurinorum een standbeeld voor hem plaatsen (C22, 48/49 n. Chr.). De overige ambten van de dedicator staan ook op de enigszins beschadigde sokkel vermeld: primipilaris, praefectus cohortis en tribunus militum.[416]

 Een andere ereïnscriptie uit dezelfde stad, doch waarvan de initiatiefnemer niet kan vastgesteld worden, stamt uit 42/43 n. Chr., de beginjaren van Claudius’ regering (C23). Ditmaal is niet de standaard formulering -de keizerstitulatuur in de datief- gebruikt, maar “in honorem” waarna de naam van Claudius volgt in de genitief.

 In Mediolanum tenslotte is een opdracht aan Claudius teruggevonden. De marmeren tabula werd geschonken door vicus Venerius, d.i. een wijk van de stad (C21).
 

6.2.2. NERO (kaart 6.2)

 

Allereerst valt op dat we voor Nero duidelijk minder eerbewijzen bezitten, slechts 19. We dienen dit nader te onderzoeken. Een aantal regio’s komt niet voor en pieken vormen andermaal regio’s I en VII.

 

Regio I

 

Niet minder dan acht inscripties zijn gevonden in regio I. Wat we bij Claudius slechts eenmaal aantroffen, namelijk dat het opschrift van vóór het keizerschap dateerde, vinden we hier reeds in drie gevallen. Een eerste is op eigen initiatief geplaatst én met eigen middelen betaald door Lucius Mammius Maximus uit Herculaneum (N6). Van deze man zijn in dezelfde stad meerdere eerbewijzen teruggevonden, allen gericht aan keizerlijke familieleden. Steeds op eigen kosten eerde hij Augustus, Livia, Tiberius, Antonia, Germanicus, Agrippina de Jongere en tenslotte Nero, waarmee hij overduidelijk zijn loyaliteit tegenover Rome demonstreerde (zie voetnoot 97). Het opschrift voor Nero moet uit het jaar 50 n. Chr. stammen, het jaar dat Agrippina’s zoon door Claudius werd geadopteerd.[417] Andere inscripties geven te kennen dat Maximus augustalis was en zich met hart en ziel voor zijn stad inzette.[418] De tweede inscriptie van vóór 54 komt uit Aricia en is reeds hierboven besproken, gezien zij tevens ter ere van Claudius opgericht werd (N31 = C60, zie p. 133). De oprichtingsdatum van Nero’s eerbewijs uit Pompeii, tenslotte, moet ook rond diens adoptie schommelen (N17). Daar Nero volgens de inscriptie nog niet benoemd was tot sacerdos collegiorum omnium, moet het in elk geval vóór maart 51 geweest zijn. Dit eerbewijs werd decreto decurionum opgericht.

 Het volgend opschrift voor Nero uit Pompeii is in feite een grafitto (N1). Er staat geschreven: “Pro salute Neronis / in terrae motu”. Het zou volgens de AE alluderen op Nero’s zangdebuut in 64 n. Chr. in het nabij gelegen Neapolis. Na de voorstelling, gelukkig op het moment dat reeds alle toeschouwers het gebouw hadden verlaten, stortte het theater volledig in, vandaar “in terrae motu”. Beschouwde Nero persoonlijk dit gebeuren als bewijs van goddelijke voorzienigheid, velen zagen erin een slecht voorteken (Tac., Annales XV 33-34). Nog in Pompeii nam Nero in 54/55 n. Chr. bij wijze van eer het duumviraat waar in de stad.

 Vervolgens is er het opschrift voor Nero uit Casinum, dat Lucius Stenius Sil[---] per testament liet oprichten (N19). Deze persoon is ons verder onbekend en I. Cogitore acht de inscriptie niet van bijzonder belang: “l’ inscription n’ est sans doute provoquée que par la mort du dédicant”.[419]

 Ook de stad Praeneste eerde de keizer, maar niet met een titulus honorarius. De stad verkoos op een onbekend tijdstip de princeps tot magistraat (N29). Sextus Pomp[eius ...] was de plaatsvervangende magistraat.

 

 

Kaart 6.2: Steden waar eerbewijzen zijn geattesteerd voor Nero.

 

?. Pagus Laebactium (tribale subgroep) ; 1. Aricia (I/L) ; 6. Praeneste (I/L) ; 9. Casinum (I) ; 12. Herculaneum (I) ; 15. Pompeii (I) ; 16. Puteoli (I) ; 25. Aeclanum (II) ; 37. Aequiculi (IV) ; 39. Cures (IV) ; 43. Saepinum (IV) ; 62. Luna (VII) ; 68. Bononia (VIII)

 

 Een laatste inscriptie tenslotte is gevonden te Puteoli en getuigt van een bijzondere vorm van eerbetoon voor Nero (N7). Men kan het afleiden van een marmeren monument opgesteld ter ere van L. Cassius Cerealis. De lacunaire aard van de inscriptie gaf aanleiding tot een aantal voorstellen betreffende de onleesbare gedeelten. De meest recente aanvulling werd verschaft door M. Le Glay.

 Een gladiatorium munus, waarvan in de inscriptie sprake is, is een buitengewoon spektakel dat plaatsvond in een amfitheater (r. 6: “in amphithea[tro]”). In Rome vormde het munus gladiatorium -een van de cura ludorum- het monopolie van de keizer, in andere steden echter niet en we maken uit de inscriptie op dat Cerealis dergelijke spelen in Puteoli organiseerde. Cerealis behoorde tot de rijke elite, zo blijkt uit diens cursus honorum -hij was maar liefst vijf maal duumvir quinquennalis. We bemerken ook dat de bekende functie van curator operum publicorum (letterlijk curator van openbare werken) wordt gevolgd door het bijvoegsel “et locorum”. Het blijkt dat de titel werd aangepast omdat Cerealis de eerste drager (r. 2: “primus factus”) en uitvoerder was van deze functie met een bijzondere taak: hij werd belast met de constructie van het amfitheater van Puteoli.[420] Men begon de bouw van dit vrij groot amfitheater ten tijde van Nero en de inscriptie getuigt ervan dat de inwijding van het gebouw werd vergezeld van een munus gladiatorium ter ere van de keizer, uiteraard in zijn aanwezigheid. Dit moet in 64, 65 of 66 n. Chr. geweest zijn, tijdens een van Nero’s vele reizen naar de stad. De afwerking van het theater kwam er zekerlijk pas onder de Flaviërs. Een inscriptie gevonden binnen de muren van het gebouw geeft aan dat de naam van deze kolonie van Nero (de stad werd “colonia Claudia Neronensis” in 60 n. Chr.) later veranderde in “colonia Flavia Aug(usto) Puteolana”.[421]

 De inscriptie verschaft enige informatie over relatie tussen Nero en de inwoners van Puteoli. Deze keizer moet bij het gewone volk buitengewoon populair geweest zijn. Dat Nero gevierd was in de Urbs, wisten we reeds. Hij organiseerde regelmatig spelen voor het volk en was daar dan persoonlijk bij aanwezig. De uitspraak van P. Veyne is in deze context te situeren: “En assistant souvent aux spectacles ou, a défaut, en en donnant souvent, un prince prouve qu’ il ne dédaigne pas la plèbe”.[422] Met andere woorden, en dit is voor dit onderzoek enorm belangrijk, deze tekst leert ons dat Nero’s populariteit bij het volk zich niet tot de hoofdstad beperkte.[423] We moeten wel waken voor een ongenuanceerde extrapolatie; Puteoli is namelijk niet gelijk te stellen met een willekeurige Italische civitas. Het bezat van oudsher een haven en mede door de nabije ligging van het aantrekkelijke Baiae is het steeds een pleisterplaats geweest voor de Romeinse elite, de principes incluis. Het is daarenboven geweten dat keizer Nero de kuststrook van Campania bijzonder apprecieerde als verblijfplaats buiten de Urbs. Puteoli zelf schonk hij de koloniale status en het was deze stad die hij via een kanaal met de Tiber wilde verbinden.[424] Vandaar dat men zich kan afvragen in welke mate we deze situatie mogen projecteren op bepaalde andere Italische steden. Het is in ieder geval te betreuren dat we maar weinig van dergelijke inscripties bezitten.

 

Regio II

 

Aeclanum is de enige stad in deze zuidelijk gelegen regio die vertegenwoordigd is door een honoraire inscriptie voor Nero (N13). De oprichter kan helaas niet vastgesteld worden; het monument moet er na de adoptie maar nog tijdens het keizerschap van Claudius gekomen zijn met andere woorden, tussen 50 en 54 n. Chr..

 

Regio IV

 

Een fragmentaire en bijgevolg betwistbare inscriptie (N4) is afkomstig uit Saepinum, een stad in het uiterste zuiden van de regio. H.G. Pflaum beweerde dat het opschrift niet over Nero ging, maar over Drusus Germanicus, de broer van Tiberius. Het eerbewijs zou volgens deze historicus het antwoord zijn op de constructie van de stadsmuren door de beide broers. Nadien is evenwel vastgesteld dat de inscriptie oorspronkelijk, wrs. in 4 n. Chr., voor Drusus opgesteld was, maar in 57 werd omgevormd tot een eerbewijs voor Nero.[425] Kostenbesparing moet sommige steden van tijd tot tijd tot dergelijke maatregelen hebben gedreven, doch bij eerbewijzen gericht aan de keizerlijke familieleden dunkt het mij dat dit minder voorkwam dan bij inscripties die aan anderen gericht waren.

 Nero werd ook in 58 n. Chr. decreto decurionum geëerd in Aequiculi (N15) en te Cures is een praefectus Neronis Caesaris geattesteerd (N16).

 

Regio VII

 

We hebben drie inscripties uit het noordelijk gesitueerde Luna en één uit het ietwat zuidelijker gelegen Luca. De ene inscriptie gevonden te Luca (N8) zou volgens de auteurs van de AE echter eveneens afkomstig zijn uit de stad Luna en horen bij N24. Eerstgenoemde inscriptie uit Luca is uit 65 n. Chr. en getuigt van een opdracht voto suscepto, terwijl laatstgenoemde uit 66/67 n. Chr. het votum solutum vertegenwoordigt. N24 a en b vormen één inscriptie, gericht aan Nero en diva Poppaea Augusta.[426] Beide zijn opgericht door Lucius Titinius Glaucus Lucretianus, patronus van Luna; de volledige cursus honorum van deze ridder staat op de inscripties vermeld. Het gaat hier onmiskenbaar om een persoon met aanzien, althans op lokaal niveau, die een glansrijke carrière doorlopen had (infra). Het is echter vreemd dat Poppaea volgens de lay-out als belangrijkste persoon naar voren komt, terwijl de gelofte toch in het teken staat van Nero’s welzijn. De inscriptie zou namelijk een reactie zijn op de -weliswaar mislukte- samenzwering van Piso in 65 n. Chr. (Tac., Annales XIV 65 en XV 48-74).[427] Het monument getuigt zodoende van de snelle reactie op actuele gebeurtenissen van die aard in de Italische steden.[428] Illustratief is het feit dat de inscriptie slechts één van de twee consules van dat jaar (65. n. Chr.) vermeld, namelijk Silius Nerva. De andere consul, M. Atticus Vestinus, is reeds niet meer op de steen te vinden omdat hij naar aanleiding van de Pisoonse samenzwering kort nadien door Nero werd vermoord (Tac., Annales XV 48).[429]

 De andere honoraire inscriptie (N27) is eveneens gericht aan Nero en Poppaea en kwam tot stand door toedoen van dezelfde L. Titinius Glaucus Lucretianus. Ze heeft praktisch hetzelfde formularium, met het verschil dat Poppaea Sabina nog geen diva was; wel had ze reeds de Augusta-titel gekregen.[430] Deze inscriptie kwam dus enkele jaren eerder tot stand dan de zojuist besprokene en heeft niet de samenzwering van Piso als aanleiding. Uit de cursus honorum vernemen we dat Glaucus praefectus van de keizer was. Dit vormt op zich ook een eerbetoon aan de keizer vanwege de stad.

 Volgens de hypothese van S. Demougin kwam ook de derde, verminkte inscriptie uit de stad Luna er op initiatief van dezelfde Glaucus (N25).[431] Deze inscriptie is moeilijk nauwkeurig te dateren, maar kwam zeker na 54 n. Chr. tot stand.

 

We merken op dat de vier inscripties uit Luna/Luca bij hun keizerstitulatuur stuk voor stuk terug gaan tot en met keizer Augustus: “Neroni Claudio, divi Claudii filio, Germanici Caesaris nepoti, Tiberii Caesaris Augusti pronepoti, divi Augusti abnepoti, Caesari Augusto Germanico ...”. Dit is te vergelijken met de inscriptie uit Luna ter ere van Claudius (C6); ook daar verwees men naar Augustus (supra). We zien dus dat Luna, een stad die een ereïnscriptie plaatste voor Octavianus als patronus, gedurende de verder Iulio-Claudische dynastie volhardde in die referentie naar Octavianus-Augustus, de stichter én beschermer van de dynastie.[432]

 

Regio VIII

 

In Bononia tellen we één eerbewijs voor Nero, waar volstrekt niets uit af te leiden valt (N22). Het enige wat van de inscriptie nog te lezen valt, is [---] im[--- / ---] Ti. [--- / ---] VII [---], maar ze zou toch geïdentificeerd zijn als ereopschrift voor deze keizer.

 

Regio X

 

Het opschrift uit de Pagus Laebactium is een opmerkelijk exemplaar (N12). Men leest dat Sextus Paeticus Tertius en Gaius Paeticus Firmus een horologium (uurwerk) aan de zijkant van een gebouw lieten aanbrengen, dit ter ere van keizer Nero.[433] De vraag is of de dedicantes naast het uurwerk ook de inscriptiekosten betaalden. Het gaat hier om een kleine schenking aan de pagani die het leefcomfort van de stedelingen enigszins verhoogde.[434] Dat dit “in honorem Neronis” gebeurde, heeft misschien nog een specifieke reden.

 

6.2.3. TRAJANUS (kaart 6.3)

 

Tenslotte overlopen we de honoraire inscripties voor Trajanus. In totaal tellen we 46 inscripties ter ere van Trajanus. Regio I is zoals bij de vorige twee keizers goed vertegenwoordigd, maar nu is het niet Etruria (regio VII), maar eerder Apulia-Calabria (regio II) die qua aantal enigszins boven de rest uitsteekt.

 

Regio I

 

Het valt direct op dat uit de voorname havenstad Ostia meerdere inscripties komen. Maar ook andere steden leverden resultaat. De inscriptie op het monument uit Capua ter ere van divus Vespasianus, divus Titus en Trajanus is spijtig genoeg té fragmentair om ook de laatste regel te kunnen interpreteren (T100).

 Een voorbeeld van particuliere devotie vinden we in Ulubrae, waar Geminia Myrtis en Anicia Prisca een tempel voor Bellona lieten construeren tot heil van keizer Trajanus (T104). Het opschrift eindigt met de woorden “sua pecunia fecerunt”.[435] In Nomentum vervolgens, is ook een afgebroken ereopdracht gevonden voor Trajanus (T149). Gezien de keizer in beide inscripties reeds het epitheton Dacicus draagt, moet ieder afzonderlijk zeker na 102 n. Chr. gedateerd worden. De Laurentes Lavinates (de inwoners van de stad Lavinum) plaatsten “decreto decurionum” en “publice” een honoraire inscriptie voor Trajanus in hun stad (T146). Aan de hand van Trajanus’ titel imperator III kan de datum van deze inscriptie op een half jaar nauwkeurig worden bepaald, namelijk de eerste helft van het jaar 102.

 In Puteoli moet een triomfboog gestaan hebben ter ere van Trajanus. Ze memoreerde de voltooiing van de Via Puteolana of Via Antiniana (van Puteoli naar Neapolis), en volgens A. Garzetti ook de beëindiging van de havenwerken.[436] De ereboog was bij mijn weten niet voorzien van een memorerende tekst. Bescheidener eerbetoon in deze havenstad uitte zich in de vorm van twee ereïnscripties. Één ervan gaat uit van een vrijgelatene, Lucius Plutius Phoebus (T97). Hij plaatste het monument in 111/112 n. Chr. voor de “optimus princeps”, maar de precieze drijfveer wordt niet prijsgegeven. Trajanus ontving de titel van “optimus”, de beste, officieus aan het begin van zijn regering. Pas in 114 n. Chr. nam hij het element in zijn naam op. Het andere opschrift uit deze stad werd geplaatst door de cultores Iovis Heliopolitani Berytenses in het voorlaatste jaar van Trajanus’ regering (T98).

 

Twee van de zeven opdrachten aan de keizer afkomstig uit Ostia verwijzen naar een bepaald werk dat Trajanus er liet uitvoeren. In T145, gevonden in het noordwesten van de haven, leest men de volledige naam van de door Trajanus vergrote haven: “[port]us Traiani felicis”. De context is onduidelijk vanwege de lacunaire aard van het opschrift, maar volgens R. Meiggs zou de inscriptie, zoals de vele munten, de voltooiing van de haven herdenken.[437] We hebben hoger gezien dat deze in 113 n. Chr. geopend werd. De marmeren tabula kwam tussen 112 en 117 tot stand, dus de data spreken elkaar in elk geval niet tegen. De andere inscriptie
 

 

Kaart 6.3: Steden waar eerbewijzen zijn geattesteerd voor Trajanus.

 

1. Aricia (I/L) ; 3. Lavinium (I/L) ; 4. Nomentum (I/L) ; 5. Ostia (I/L) ; 8. Capua (I) ; 16. Puteoli (I) ; 19. Tarracina (I) ; 22. Ulubrae (I) ; 26. Beneventum (II) ; 27. Brundisium (II) ; 28. Herdoniae (II) ; 29. Larinum (II) ; 32. Messania (II) ; 33. Tarentum (II) ; 34. Petelia (III) ; 38. Alba Fucens (IV) ; 39. Cures (IV) ; 45. Ancona (V) ; 46. Auximum (V) ; 51. Ameria (VI) ; 52. Attidium (VI) ; 54. Sarsina (VI) ; 56. Tifernum Tiberinum ; 60. Forum Clodii (VII) ; 61. Lucus Feroniae (VII) ; 62. Luna (VII) ; 66. Veii (VII) ; 67. Ariminum (VIII) ; 71. Augusta Bagiennorum (IX) ; 72. Vardagate (IX) ; 79. Augusta Taurinorum (XI)

 

verwijst naar het aquaduct richting Ostia waarvoor Trajanus misschien verantwoordelijk was (T150: “aquae Traianae feliciter”).[438] Van een derde inscriptie zijn twee fragmenten overgeleverd aan de hand waarvan we slechts de titulatuur van Trajanus kunnen reconstrueren. Het voorkomen van de letters “hico” (aangevuld: “[Part]hico”) laat ons evenwel toe de inscriptie zeer laat in de regering te plaatsen, namelijk 116 of 117 n. Chr.. Een andere inscriptie uit Ostia kwam er na Trajanus’ dood en vergoddelijking en werd opgericht door het collegium fabrum tignuariorum, een vereniging van timmermannen (infra) (T155). R. Meiggs maakt ook gewag van twee beelden van de keizer die in de buurt van de haven zijn gevonden, hetgeen ook op keizerlijke verering wijst.[439] Als laatste vorm van geaccepteerd eerbetoon zou het kunnen dat Trajanus het ambt van duumvir waargenomen heeft in de stad (T158). Meer zekerheid omtrent deze vorm van eerbetoon hebben we in Aricia, een aantal mijlen zuidelijk van Ostia. Trajanus werd er tot dictator gekozen (T147).

 

Rest ons nog de inscriptie uit Tarracina aangebracht op een groot (1,5 m hoog) marmeren monument met aan weerszijden afbeeldingen uit de beginperiode van Trajanus’ regering (T103: “providentiae imperatoris Caesaris Nervae Traiani Augusti Germanici, ex senatus consultum”). Over de betekenis en symboliek van de afbeeldingen is veel gespeculeerd.[440] De tabula werd aangetroffen op het forum van de stad. Volgens W. Eck -en velen gaan hierin mee- gaat het om een dankmonument aan Trajanus omdat hij verantwoordelijk was voor de oprichting van de alimenta in de stad.[441] Doch, andere historici zijn van mening dat deze inscriptie getuigt van de havenwerken die deze adoptiefzoon van Nerva in Tarracina liet uitvoeren.[442] R.P. Longden relateert deze havenwerken op zijn beurt aan de vroege fase van de werken aan de Via Appia.[443] De stedelingen eerden in ieder geval de “providentia” van de keizer, letterlijk de voorzienigheid, voorzorg. Deze term werd meermaals, maar niet uitsluitend, met betrekking tot de alimenta gebruikt; het kan ook met andere keizerlijke maatregelen verband houden.

 

Regio II

 

Ten einde de opening van de Via Traiana te vieren, liet de senaat en het volk van Rome niet zomaar een eenvoudig gedenkteken, maar een ware triomfboog opzetten, “Porta Aurea” of “Arco di Traiano” genoemd. Men plaatste het indrukwekkende monument aan het beginpunt van de weg, in Beneventum. Het opschrift noemt de keizer “fortissimus princeps” (T45). Er wordt echter geen verdere beweegreden vermeld maar we weten dat de aanleg en de opening van de Via Traiana de aanleiding was en dienst deed als “Janus Viae”: ze gaf aan waar de keizerlijke Via begon.[444] Er kan gediscussieerd worden over het precieze tijdstip van de afwerking en opening. Naar de mening van F.J. Hassel was de weg reeds klaar in 109 n. Chr. -hij steunt hier op de vele mijlpalen die met de vermelding van “fecit” allen 109 als datering geven- en was de oprichting van de boog voltooid in 114 n. Chr.. Een vijftal jaar voor de bouw van een dergelijk monument was, de aanvoer van het materiaal indachtig, zijns inziens niet ongewoon.[445] Aan de hand van de titulatuur berekende men de herfst van 114 n. Chr.. De triomfboog was versierd met niet minder dan 27 reliëfs met scènes gegrepen uit het leven van de keizer. In allen staan de weldaden van Trajanus centraal. We onderscheiden drie delen: de “stadszijde”, d.i. de kant gericht naar de stad Beneventum, de “landzijde” en de doorgang. De manier waarop de afbeeldingen in overeenstemming zijn gebracht met hun omgeving is frappant. De reliëfs naar de stad gericht tonen de keizer in relatie met Rome zowel als Italië terwijl die aan de landzijde Trajanus’ veroveringen in het Rijk en verwezenlijkingen in de provincies uitbeelden. De sculpturen die het gewelf onder de boog bedekken tenslotte, zijn aangebracht ter genoegen van de inwoners van Beneventum, die dikwijls onder de poort doorgingen.[446] Één beeldhouwwerk toont Trajanus, omringd door lictores, als ontvanger van de Italische kinderen met hun ouders, een duidelijke verwijzing naar de alimenta. We stellen vast dat de afbeeldingen stuk voor stuk weloverwogen en betekenisvol zijn én dat Rome, Italië en de provincies aan bod komen. De hoofdbedoeling was vermoedelijk het etaleren van de alom heersende voorspoed en vrede, bereikt door Trajanus’ militaire activiteit. Het monument legitimeert Trajanus’ regering -zowel goden als volk geven hun goedkeuring- en zijn verwezenlijkingen.[447]

 De Via Traiana liep onder andere doorheen de stad Herdoniae. Zoals hoger aangeduid profiteerde de stad op meerdere vlakken van deze centrale ligging. Teneinde haar dankbaarheid te manifesteren, liet de stad haar toegangspoort transformeren in een triomfboog voor de keizer.[448]

 Aan het eindpunt van diezelfde weg, te Brundisium, stelden de decuriones en inwoners van de stad reeds in 110, een jaar nadat de werken aangevangen waren, een standbeeld van Trajanus op (T41). C. De La Berge verklaart het als volgt: “Dès l’ an 110, les décurions et les habitants de Brindes, pressentant les avantages qu’ allait leur assurer la voie nouvelle, élevèrent un monument en l’ honneur de Trajan”.[449] Deze redenering gaat uiteraard niet op voor de historici die menen dat de via in 109 n. Chr. reeds voltooid was; voor hen kwam dit standbeeld er pas na de opening.[450] B.W. Henderson tenslotte, denkt dat het werk aan de weg in 110 volbracht was, met andere woorden het jaar dat het standbeeld er kwam.[451] Hoe het ook zij, het zou niet ongebruikelijk geweest zijn een keizer die verantwoordelijk was voor een wegconstructie een standbeeld te schenken aan het aanvangspunt.[452]

 

In een volgende inscriptie uit Beneventum wordt de keizer geëerd door Lucius Licinius Telesinus (T13). Ook uit Brundisium kennen we een private inscriptie: Gaius Fulvius Epitynchanus, vrijgelatene van Herma, plaatste een monument ter ere van zijn ambt als Augustalis (T40).

 De inwoners van de stad Tarentum richtten in 109/110 n. Chr. een gedenksteen voor Trajanus op (T160). Volgens K. Lomas was dit een herdenkingssteen ter ere van het vertrek van de keizer naar Parthia.[453] De keizer verliet Italië inderdaad via het zuiden (waar Tarentum ligt), maar volgens de bronnen trok de keizer pas in 113/114 n. Chr., d.i. vier jaar later, ten strijde tegen de Parthen (Dio, Rwmaikhistoria LXVIII 20). Mogelijk bedoelt K. Lomas Trajanus’ deelname als militair tribuun in de campagne van zijn vader; Trajanus was toen nog maar een jongen, zoals Plinius het in zijn Panegyricus uitdrukt (Plinius, Paneg. 14.1: “Non incunabula haec tibi, Caesar, et rudimenta cum puer admodum Parthica lauro gloriam patris augeres nomenque Germanici iam tum mererere, ...”). Over het aandeel van Trajanus’ overwinning is niet veel bekend. Waarom de stad in dit geval na 10 jaar keizerschap ineens om die reden een monument zou oprichten, is mij niet duidelijk.

 Tenslotte zijn er twee opschriften uit Larinum en Messania, waarvan het eerste decreto decurionum is opgesteld en de andere voor het heil van Trajanus (T43 en T42). De laatste regel van de tweede inscriptie, namelijk “risq. eius c. gemi.” is raadselachtig.

 

Regio III

 

Quintus Fidubius Alcimus liet ter ere van zijn ambt als Augustalis een gelduitdeling houden én plaatste bovendien deze inscriptie voor de keizer in zijn stad Petelia (T96).

 

Regio IV

 

De inscriptie afkomstig uit Cures is eenvoudig van opmaak. Ze dateert uit Trajanus’ laatste regeringsjaar (T50). Recentelijk werd nog een keizerlijk ereopschrift in de stad gevonden, helaas eveneens beschadigd (T30).

 Een ereopdracht uit Alba Fucens herinnert aan Trajanus’ poging het Lacus Fucinus droog te leggen en de senaat en het volk van Rome uiten hiervoor hun dank (T47: “ob reciperatos agros et possessores reductos quos lacus fucini violentia exturbarat”).[454] De inscriptie werd aangetroffen in de kerk te Avezzano en stond op de sokkel van een standbeeld van Trajanus.[455]

 

Regio V

 

Ter nagedachtenis aan de werken van de keizer aan de haven te Ancona werd net als in Beneventum een triomfboog geconstrueerd, opnieuw door de senaat en het volk van Rome. Gezien zijn hoogte deed het bouwwerk tevens dienst als markeringspunt, dat zichtbaar moest zijn voor schippers op zee.[456] Op de boog schittert een opschrift in bronzen letters, waarin Trajanus, “providentissimus princeps”, wordt bedankt omdat hij de stad een veilige haven had gegeven (“... quod accessum Italiae hoc etiam addito ex pecunia sua portu tutiorem navigantibus reddiderit”). Links en rechts daarvan worden Plotina en Marciana genoemd, respectievelijk de echtgenote en zuster van de keizer, die ook een zekere populariteit genoten. De titulatuur van de keizer laat toe het monument in 114/115 n. Chr. te dateren (T54).

 In Auximum werd de keizer geëerd om wille van zijn “munificentia”, d.i. vrijgevigheid en zijn zorg voor de “suboles Italiae”, de “kroost” van Italië (T52). Opnieuw hebben we hier dus een inscriptie die in verband staat met de alimenta die de keizer kennelijk ook in deze stad organiseerde. Het monument kwam er hoogstwaarschijnlijk op initiatief van de lokale elite.[457]

 

Regio VI

 

Twee opschriften uit Sarsina zijn zo goed als identiek en werden geschonken door een tribunus cohortis VII vigilum (T12 en T17). Zijn naam is gedeeltelijk onleesbaar maar aan de hand van een inscriptie ter ere van hem hebben we kunnen vaststellen dat het om L. Appaeus Luci filius Pup(inia tribu) Pudens gaat.[458] De datering van beiden schommelt rond 112 n. Chr. Van de derde inscriptie, T140, zijn de eerste vier regels niet meer goed leesbaar, maar alles wijst erop dat daar b.v. “in honorem” of “pro salute” moet gestaan hebben. Onderaan wordt de oprichter bij naam genoemd: Gaius Caesius Sabinus.

 De volgende inscriptie komt uit Ameria, opnieuw een stad waar Trajanus het alimenta-systeem invoerde (T137). Ook hier beschikken we over epigrafisch bewijsmateriaal: in naam van de jongens en meisjes uit de stad die geldelijke steun verkregen door de alimenta werd volgens senaatsbesluit een standbeeld met inscriptie gericht aan de keizer in de stad geplaatst.[459] De kosten werden niet door de kinderen persoonlijk gedragen, hoewel dit ook voorkwam, maar door de stad (“publice”). Uit de naamgeving van de kinderen, “puerorum puellarumque Ulpianorum”, leiden we tevens af dat de ontvangers van de alimenta -vaak- genoemd werden naar de verantwoordelijke keizer. Mogelijk was dit omdat ze de keizerlijke steun van de alimenta als een eer beschouwden.[460]

 

Naast deze tituli honorarii attesteren we twee andere vormen van eerbetoon in deze regio. Enerzijds getuigt een inscriptie dat Gaius Camurius Clemens plaatsvervangend magistraat was voor de keizer (T27 en T139). Attidium verkoos Trajanus als opperste magistraat. Anderzijds zorgde Plinius de Jongere voor een groots opgezet project ter ere van Trajanus en de voormalige principes. Hij bouwde op eigen kosten een tempel in Tifernum Tiberinum en plaatste daarin de standbeelden van de vroegere keizers en dat van Trajanus (Plinius, Epistulae X 8).

 

Regio VII

 

Een monument uit Forum Clodii is opgericht als dank aan de “optimus et indulgentissimus princeps”, die met geld van de fiscus voor de watertoevoer van de stad zorgde. De toelating om fiscusgelden te gebruiken zou niet dikwijls gegeven zijn.[461] De inscriptie bevat helaas geen bruikbaar dateringselement (T130). Een andere titulus honorarius, betaald met stedelijke gelden van de stad Lucus Feroniae, noemt Trajanus “restitutor coloniae Iuliae Felicis Lucus Feroniae” (T21). Het was gebruikelijk de keizer de titel “restitutor coloniae”, dat letterlijk “hersteller” betekent, te verlenen, wanneer hij ingegaan was op het verzoek van de stad.[462] Daaruit kunnen we afleiden dat deze inscriptie gemaakt is als reaktie op keizerlijke financiële bijstand, misschien de oprichting of het herstel van een openbaar gebouw. De stad plaatste ex decreto decurionum een dankmonument in 105/106 n. Chr.. Rond diezelfde tijd werd in Luna een tabula marmorea opgesteld, eveneens decreto decurionum (T129). Deze ereïnscriptie was niet alleen gericht aan Trajanus, maar tevens aan zijn vrouw Plotina en zijn zus Marciana. Een dergelijke inscriptie wijst dan veeleer op een algemeen loyaliteitsbetoon aan het heersende vorstenhuis. Een ander soort inscriptie is T128, eveneens uit Luna. Er is sprake van een vilicus Aithalis, slaaf van Florus, die ex-voto een gedenkteken plaatst dat gewijd werd aan keizer Trajanus, maar ook aan Jupiter Optimus Maximus. Een passage in Plinius’ lofrede aan Trajanus verklaart mogelijk deze samenhang: “Simili reverentia, Caesar, non apud genium tuum bonitati tuae gratias agi, sed apud numen Iovis optimi maximi pateris: illi debere nos, quidquid tibi debeamus, illius, quod bene facias, muneris esse, qui te dedit” (Plinius, Paneg.52.6).

 Tenslotte gaat het bij de fragmentaire inscriptie uit Veii mogelijk om een eerbetoon aan de keizer (T135).

 

Regio VIII

 

In Aemilia (regio VIII) werden geen ereïnscripties aangetroffen, maar Trajanus nam in Ariminum een magistratuur waar (T126).

 

Regio IX

 

Er is slechts een enkele opdracht uit regio IX tot ons gekomen. Het gaat om een monument uit Augusta Bagiennorum dat er in 103 n. Chr. decreto decurionum is gekomen (T37). Ook in deze regio, meerbepaald in Vardagate, werd de keizer verkozen om een ambt uit te voeren, waarschijnlijk dat van duumvir iure dicundo. De praefectus imperatoris was Gaius Hirpidus Memor (T38).

 

Regio XI

 

Ons allerlaatste eerbewijs en tevens het enige uit deze regio, is van private aard en komt uit Augusta Taurinorum. Het richt zich tot divus Trajanus (T36).

 

 

De vraag is welke conclusies we nu kunnen trekken uit al deze vormen van eerbetoon. Constateren we opmerkelijke discrepanties tussen de verschillende regio’s enerzijds en de keizers anderzijds? En zo ja, welke zijn hiervoor de redenen? Daarnaast valt ook het een en ander op te merken omtrent de datering, de opdrachtgevers en de financiële kant van de zaak.

 

 

6.3. De initiatiefnemers tot keizerlijk eerbetoon

 

In deze paragraaf wordt onderzocht van wie het initiatief uitging en wie de kosten van de inscriptie en/of het monument droeg. De persoon die verantwoordelijk was voor de oprichting van de inscriptie vinden we meer niet dan wel aangegeven op de steen. In het merendeel van de gevallen gaat het om een individu, een stad of een vereniging.

 

Uit de overzichtstabellen (bijlage II.6) blijkt dat vele van de tot ons gekomen tituli honorarii oprichter noch beweegreden vermelden. Vooral de inscripties voor Claudius vallen op door de vele lege plaatsen in de kolommen “oprichter” en “aanleiding”. We moeten echter rekening houden met het groot aantal fragmentarische monumenten waarvan het in theorie mogelijk is dat de initiatiefnemende persoon in het weggevallen gedeelte genoemd werd. De meest “informatieve” inscripties worden hieronder besproken.

 

We dienen de bekende initiatiefnemers te ordenen volgens een zinvol criterium. Lokale eerbewijzen (paragraaf 6.3.2.) worden gesplitst in officiële (a.) en particuliere (b.). Bij de laatstgenoemde sektie moet nogmaals een onderscheid worden gemaakt tussen groepsinitiatieven en de opdrachten afkomstig van een individu. Allereerst worden de supralokale gevallen kort besproken (6.3.1.)

 

Een naar vaak wordt aangenomen gangbare procedure wanneer men de princeps eer wilde bewijzen, was hiervoor zijn toestemming te vragen. Hierover is weinig concreet bekend mede omdat de historiografen zich niet voor dergelijke simpele eerbewijzen interesseerden. We weten dus weinig over de praktische gang van zaken in dit verband. Het was in de Oudheid geenszins vanzelfsprekend dat men de naam van de keizer op een eremonument mocht zetten. Het standbeeld zelf mocht men daarentegen wel zonder toestemming van de keizer plaatsen; men vond ze overal. Op openbare plaatsen was wel de goedkeuring van de autoriteiten vereist, in de steden waren dat de decuriones.[463] T. Pekary’s tekst maakt echter niet duidelijk of iedere privatus die de keizer met een opschrift eerde, de persoonlijke goedkeuring van de keizer moest afdwingen.

 

6.3.1. SUPRALOKAAL

 

De Romeinse senaat (SPQR)

 

Ook al overstijgt de senaat te Rome het lokale niveau en valt ze dus strikt genomen buiten ons onderzoeksgebied, een korte kanttekening is hier op zijn plaats. Het gaat vanzelfsprekend om keizerlijk eerbetoon dat uitgaat van de senaat te Rome maar aangetroffen werd buiten de Urbs.

 We stellen vast dat we enkel bij keizer Trajanus monumenten vinden die werden opgesteld door de senaat. Het gaat in alle drie de gevallen niet slechts om eenvoudige opschriften, maar om ware triomfbogen of standbeelden. We hebben in chronologische volgorde de triomfboog te Beneventum (T45), die te Ancona (T54) en het standbeeld te Alba Fucens (T47). Deze steden doen direct een belletje rinkelen; ze staan, zoals we reeds zagen, in connectie met de grootschalige werken die Trajanus liet uitvoeren, namelijk de Via Traiana, de bouw van de haven te Ancona en de drooglegging van het Lacus Fucinus.

 We kunnen m.a.w. besluiten dat dergelijke aanzienlijke werken bekroond werden met grootse herinneringsmonumenten, en dat deze er vaak kwamen op initiatief van de senaat. Dit hoeft ons niet te verwonderen omdat deze werken van meer dan plaatselijk belang waren. Het waren gewichtige projecten die in de eerste plaats de welvaart van de Urbs beoogden, vandaar dat ook de dankbetuiging van de hand van de senatus populusque Romanus kwam.

 

Bij C56 en T103 gaat het, ondanks de vermelding van senatus, om lokale besluiten (infra).

 

6.3.2. LOKAAL

 

a. Officiële initiatieven

 

Redelijk vaak blijkt de stad in haar geheel (DEC) de initiatiefnemer achter het keizerlijk eerbetoon geweest te zijn. We stellen dit vijf maal vast voor Claudius, twee maal voor Nero en negen keer bij Trajanus; 15 in totaal. De term “stad” vergt echter enige toelichting. Het was uiteraard niet zo dat de opinie van de hele bevolking werd gepeild, alvorens tot de oprichting over te gaan. De beslissing werd genomen door de lokale autoriteiten, de decuriones. De standaardformule “(ex) d(ecreto) d(ecurionum)” op de steen getuigt hiervan. Precisering omtrent de financiering is nogal zeldzaam. Slechts drie maal zijn de woorden “publice” of “p(ecunia) p(ublica)” toegevoegd.[464]

 Éénmaal vermeldt de inscriptie expliciet: “… decuriones et municipes”, d.w.z. dat dit keer ook de burgers van het municipium mee zouden hebben beslist. Mogelijk gebeurde dit in de volksvergadering. Het geld voor het monument was niet afkomstig uit de gemeentekas, maar werd door collectie verkregen.[465] Driemaal (éénmaal bij Claudius en tweemaal bij Trajanus) komt het voor dat de term “senatus” wordt gebruikt, terwijl dit toch op de lokale machthebbers slaat: C56 uit Lanuvium (Latium vetus) zegt “senatus p.q. Lanvinus”, T103 uit Tarracina (Latium adiectum) “ex s.c.”. De decuriones noemden zich in deze steden van Latium senatus.[466] Dit geldt tenslotte ook voor T137 (“ex s.c.”) uit Ameria (in Umbria).

 

Het oprichten van een ereinscriptie vormde niet de enige mogelijkheid voor een officieel eerbetoon. Bij specifieke gebeurtenissen kwam het voor dat de stad een gezantschap naar de keizer zond om hem eer te bewijzen. Men beoogde hiermee de welwillendheid van de keizer te winnen. Aanleidingen konden bijvoorbeeld liggen in de troonsbestijging, een militaire overwinning of formele gebeurtenissen zoals het verkrijgen van de titel pater patriae. Men feliciteerde de -nieuwe- keizer en bewees zijn loyaliteit ten opzichte van hem. Terzelfdertijd echter maakte men van de gelegenheid gebruik om te verzoeken om het behoud van de bestaande privileges of om nieuwe voorrechten te bepleiten. De keizer diende antwoord te geven op deze formele procedure. Dit ‘gebruik” vertoonde een opmerkelijke continuïteit maar onze bewijzen zijn in hoofdzaak afkomstig van Griekse steden.

 We kennen het voorbeeld van de Alexandrijnen, die in 41 n. Chr. een gezantschap stuurden naar keizer Claudius. Zij begonnen met de keizer verschillende eerbewijzen aan te bieden zoals het plaatsen van standbeelden in Rome en Alexandria. Vervolgens uitten ze een aantal specifieke verzoeken: ze vroegen de keizer de inwoners van Alexandria het burgerrecht te verlenen. Tenslotte smeekten ze Claudius te bemiddelen in het conflict met de Joden. De keizer sprak geen oordeel uit maar gebood beide partijen de vrede in acht te nemen.[467] Bij de troonsbestijging van Trajanus in 98 n. Chr. kwamen legaten vanuit verschillende Griekse steden de nieuwe princeps feliciteren. Dio van Prusa rapporteerde over de festiviteit. Bepaalde steden zouden geld verkregen hebben, andere schenkingen of bepaalde rechten, maar vele geruchten waren volgens hem verzonnen; “But I am especially amazed at the malevolence of sundry persons as I call to mind what sort of tales they invented, first of all in connexion with the mission of congratulation which you sent. For they claimed that he [Trajanus] was not glad to receive your envoys, but was vexed ... . And others invented the tale that he [Trajanus] gave the delegates from Smyrna very many presents, and that he sent untold riches along with the images of Nemesis, and, by Heaven, that after some one else had delivered an address he granted him ten thousand councillors and ordered a flood of gold to be turned in the direction of his city, and countless thousands of guineas were bestowed -not a word of which was true, though for my part I wish it were. For to see many people meeting with success and gaining great favours would never disturb a man of discernment ...(Orationes XL 13-15, vertaling uit de Loeb). Dio was er persoonlijk aanwezig en verwierf eveneens gunsten voor zijn geboortestad. Deze vriend van Trajanus vermeldt uitdrukkelijk in zijn redevoering dat hij in het belang van de welvaart van Prusa handelde en niet uit egocentrisch oogpunt (Dio van Prusa, Orationes XLV 3-4). Dio Cassius geeft melding van soortgelijke gebeurtenissen. Over het jaar 107 n. Chr., bij de definitieve overwinning op de Daciërs, noteerde hij: “Upon Trajan’s return to Rome ever so many embassies came to him from various barbarians, including the Indi” (Dio, Rwmaikhistoria LXVIII 15.1, vertaling uit de Loeb).

 Er zijn slechts schaarse tekenen dat dit fenomeen zich ook in het westen voordeed. Bovendien zijn die bijna allen afkomstig uit Italië; enkele komen van Spanje en Gallië. We mogen in geen geval uitsluiten dat het zenden van gezantschappen ter verkrijging van gunsten ook in gans het Westen en daarmee dus ook in ons studiegebied gebruikelijk was.[468]

 

Naast de stedelijke initiatieven moeten tevens de eerbewijzen die uitgingen van de Augustales besproken worden. Men bestempelt deze doorgaans als “quasi-officieel” eerbetoon. Er bestaat overeenstemming over het feit dat de institutie van de Augustales in verband stond met de keizercultus. Ze had met andere woorden een religieuze functie. Wanneer we ons echter enkel en alleen op de epigrafie baseren, zijn we geneigd te denken dat deze instelling slechts een sociaal-economische functie vervulde; sociaal omdat de leden zich op maatschappelijk vlak van de massa konden onderscheiden en economisch omdat de evergetische activiteiten van de Augustales (b.v. “ob honorem”) een belangrijke steun vormden voor de stad. Daarenboven betekenden de summa honoraria inkomsten voor de stad. De reden voor het epigrafisch stilzwijgen van de belangrijkste taak van de Augustales, de religieuze, moet worden gezocht in het feit dat de opschriften enkel het bijzondere vereeuwigden.[469]

 De drie besproken inscripties in ons corpus afkomstig van de Augustales zijn stuk voor stuk uitdrukkingen van persoonlijke devotie ten aanzien van de keizer, en ook al zijn ze “ob honorem Augustalitatis ” opgericht, ze staan volledig los van hun plichten aangaande het ambt. Bij nader inzien staan ze op één lijn met de overige persoonlijke vereringen en zullen ze derhalve in het luik handelend over de individuen worden besproken.

b. Particulieren

 

- Ereopdrachten in groepsverband (verenigingen e.d.m.) (COL)

 

Gingen sommige inscripties uit van de stad in haar geheel, andere kwamen tot stand op initiatief van slechts een deel van de stadsbevolking, een bepaalde vereniging, een beroepsgroep of een vicus.

 Zo was de vicus Venerius uit Mediolanum de oprichter van een monument voor Claudius in 49/50 n. Chr. (C21). Een vicus was een stadsdeel. Traditioneel werd binnen elke vicus de cultus van de Lares gevierd. Augustus had hierbij de genius van de keizer gevoegd. Hij reorganiseerde met de vici in Rome ook die in verscheidene Italische steden hetgeen de loyaliteit jegens de keizer als gevolg zou hebben.[470] Dit is een mogelijke verklaring voor het bovenvermeld eerbetoon, maar er kunnen uiteraard andere motieven gezorgd hebben voor de tot stand koming van deze inscriptie.

 In Ostia vermeldde het collegium fabrum tignuariorum zichzelf als initiatiefnemer voor een keizerlijke titulus honorarius gericht aan divus Trajanus (T155). Dit collegium van timmermannen had een politieke, zowel als een publieke en religieuze functie. Men trof het aan in grote provinciesteden, maar ook in Italische coloniae zoals Ravenna en Mediolanum. In Ostia zouden de fabri tignuarii bijzonder talrijk en van uitgesproken belang zijn geweest. Ze werden ingezet voor het onderhoud van de gebouwen in deze haven, die ook als opslagplaats voor Rome van levensbelang was. De fabri uit Ostia plaatsten eenzelfde monument gewijd aan keizer Pertinax (193 n. Chr.).[471] Om collegia tignuariorum op te richten, was de toestemming van princeps of senaat noodzakelijk.[472]

 Het feit dat de cultores Iovis Heliopolitani Berytenses (Puteoli) een monument voor keizer Trajanus plaatsten (T98), bewijst dat ook Oosters georiënteerde cultusgemeenschappen in Italië aanwezig waren en de keizer eerden.[473] Wat voor een cultusgemeenschap dit juist was, is mij niet geheel duidelijk, maar waarschijnlijk gaat het hier strict genomen om een inscriptie die getuigt van de keizercultus. Indien zij in verband staat met Jupiter, dan kan misschien een link worden gelegd tussen deze cultusgemeenschap en de keizer. Sinds 114 n. Chr. werd “Optimus” in de titulatuur van Trajanus opgenomen (Dio, Rwmaikhistoria LXVIII 23.2). Dit betekende een hele eer, te meer omdat hij deze titel slechts deelde met de oppergod Jupiter (“Optimus Maximus”). De honorifieke inscriptie wordt gedateerd in 116 n. Chr. en vernoemt dus deze nieuw verworven titel van de keizer.

 

- Individuen (PR)

 

Het was niet uitzonderlijk dat een enkeling los van alle hogere instanties eer bewees aan de keizer. We tellen dit private eerbetoon niet minder dan 23 maal (zeven maal voor Claudius, zes maal voor Nero en tien maal voor Trajanus). Het staat hiermee in absoluut aantal op de eerste plaats. Voorzichtigheid is echter geboden. Wanneer een monument werd opgericht door een individu, zal dit -bijna- steeds op de steen zijn vermeld. Dit was niet het geval bij de ereïnscripties op initiatief van de steden. Van de verschillende inscripties waarop geen oprichter genoemd wordt, zijn er beslist enkele d(ecreto) d(ecurionum) tot stand gekomen. Waarschijnlijk waren de stedelingen hiervan op de hoogte en achtte men het in sommige gevallen niet noodzakelijk de oprichter te vermelden.

 

Veel namen van dedicatores zijn ons onbekend en verschillende zijn daarenboven onvolledig tot ons gekomen.