| Sociale context van intieme relaties. Kwantitatief onderzoek naar de relatie tussen social support en het gezinsleven. (Ellen Denauw) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
“All families today need and use support in raising children; to define the “needy” family as the exception is to deny the simplest facts of contemporary family life.”
(Keniston, 1985, p.33)
Kenneth Keniston geeft met dit citaat sprekend weer waar het in dit onderzoek over zal gaan. Hij duidt namelijk op de noodzakelijke steun van vrienden en familie die elk gezin nodig heeft. Gezinnen kunnen namelijk niet afgezonderd hun leven leiden maar hebben voor het oplossen van de alledaagse problemen hulp en steun van familie en vrienden nodig. Dit is echter niet altijd zo geweest. Vroeger waren gezinnen zelfvoorzienend en dus onafhankelijk van de omgeving. De samenleving en het gezin hebben de laatste eeuwen echter heel wat economische, politieke, culturele en sociale veranderingen ondergaan, waardoor gezinnen meer afhankelijk zijn geworden van de omgeving (Goetting, 1986, pp. 83-84; Hooghe, 2005, p. 19; Keniston, 1985, pp. 29-33).
In de 17de eeuw waren nagenoeg alle gezinnen nog zelfvoorzienende agrarische eenheden. Deze familieboerderijen produceerden, soms met de hulp van buren, bijna alles wat ze nodig hadden om te overleven. Gezinnen waren hier economische eenheden waarin alle gezinsleden, van jonge kinderen tot volwassenen, een belangrijke productieve rol vervulden in het huishouden. Kinderen waren vanaf hun zesde tot de leeftijd va n twintig jaar, waarna ze het ouderlijke huis verlieten, een belangrijke schakel in de familie-economie. Hierdoor werden ze door de ouders beschouwd als een enorme economische opbrengst (Hustinx, 2002-2003, p. 59; Keniston, 1985, pp. 29-30).
Dit alles begon te veranderen in de 19de eeuw. Gezinnen ontdekten toen namelijk dat ze een hogere levensstandaard konden verwerven door hun oogsten te verkopen en van deze winsten dan de benodigdheden aan te kopen bij anderen in plaats van in alles zelf te voorzien. Het gevolg hiervan was dat de gezinnen minder zelfvoorzienend werden. Sommige gezinnen stopten zelfs volledig met de productie van goederen en gingen in de fabrieken werken voor een loon. Naarmate handel en fabriekswerk belangrijker werden (industrialisatie), staakten de meeste gezinnen hun productieproces en gingen in de fabrieken werken. Het gezinsleven en het werk werden hierdoor twee afzonderlijke onderdelen van het leven (Keniston, 1985, p. 30).
Een tweede grote verandering in het gezinsleven was dat de opvoeding van kinderen niet langer in het gezin werd gegeven, maar door buitenstaanders (Keniston, 1985, p. 31). Vroeger brachten ouders zelf de kennis en vaardigheden die kinderen later nodig hadden over aan hun kroost. Zo leerden kinderen de ambacht of boerenstijl van hun ouders. Dit veranderde echter door de industrialisatie omdat kinderen toen niet langer zomaar het beroep van de ouders overnamen, maar later in de fabriek tewerkgesteld zouden worden. De opleiding moest nu dus elders gegeven worden. Eerst kregen ze hun opleiding in de fabrieken waar ze werkten, na de invoering van de leerplicht gebeurde dit in de scholen (Noordman & Van Setten, 1988, pp. 146-147).
Naast deze veranderingen in economische productie en opvoeding waren er nog tal van andere traditionele functies van het gezin die wegvielen of werden overgenomen door personen of instellingen buiten het gezin. Zo wijzen historici en sociologen op de afnemende rol van het gezin in de zorg voor de ouderen, de hulp aan de armen, het overbrengen van religieuze en culturele normen en de zorg voor de mentaal gehandicapten (Keniston, 1985, p. 31). Omdat er meerdere traditionele functies van het gezin verwaterden, wil dat nog niet zeggen dat het gezin minder belangrijk is geworden. Het gezin wint zelfs aan belang en krijgt ook nieuwe functies toegewezen (Hooghe, 2005, p. 19; Hustinx, 2002-2003, p. 59; Keniston, 1985, p. 32; Skolnick, 1993, p. 49). Eén van deze nieuwe functies is het vervullen van de emotionele noden van de ouders en de kinderen. Dit komt omdat mannen en vrouwen, doordat ze het professionele leven als zeer onpersoonlijk ervaren en omdat de relaties met vrienden en kennissen gespannen kunnen zijn, hopen om al hun emotionele vervullingen in het gezinsleven te krijgen. Naarmate de traditionele functies van het gezin verwateren, worden er dus meer emotionele eisen gesteld naar het gezinsleven toe (Keniston, 1985, pp. 32-33).
Kinderen nemen in deze nieuwe gezinnen ook een heel andere plaats in. Vroeger waren ze een economische opbrengst doordat ze al vanaf zesjarige leeftijd konden meewerken in de familie-economie. Omdat de gezinnen door de industrialisatie in de fabrieken gingen werken en doordat later de schoolplicht werd ingevoerd, werden kinderen economisch onproductief. Er is zelfs meer. Niet alleen werden kinderen economisch onproductief, ze werden zelfs een enorme economische kost. Ze waren namelijk kostelijk wat betreft het inwonen, de kledij, het eten en de opvoeding. Vooral naarmate de leerplicht verlengd werd, liepen de kosten voor het hebben van kinderen hoog op en duurden de zware financiële jaren voor gezinnen ook langer (Keniston, 1985, pp. 30-31). Hier bovenop is er in deze nieuwe gezinnen aan de kinderen ook een grotere emotionele kost verbonden (Skolnick, 1993, p. 55). Naarmate kinderen geen economische winst meer met zich meebrengen en een zware financiële kost worden, is de keuze om kinderen te krijgen een weloverwogen beslissing geworden. Mannen en vrouwen gaan nu bewust kiezen voor kinderen omdat ze verwachten dat de emotionele opbrengsten groter zijn dan de emotionele kosten en de satisfacties groter dan de dissatisfacties. De moderne geboortetechnieken zoals in-vitrofertilisatie, kunstmatige inseminatie en surrogaatmoederschep, evenals de opkomst van adoptie, wijzen nog maar eens op de grote emotionele en symbolische waarde die tegenwoordig aan kinderen gehecht wordt (Goetting, 1986, p. 83; Skolnick, 1993, p. 61).
De postmoderne revolutie zorgt ervoor dat men in het gezin nog meer belang gaat hechten aan de emotionele kwaliteiten van het gezinsleven. Deze postmoderne revolutie wordt gekarakteriseerd door industrialisering, specialisering, urbanisering en geografische mobiliteit. Naast deze structurele processen zijn er echter ook enkele belangrijke culturele veranderingen, waaronder secularisering en individualisering. Deze culturele veranderingen zorgen ervoor dat men meer nadruk gaat leggen op persoonlijke autonomie en individuele keuze. Terwijl men het vroeger vanzelfsprekend vond dat iedereen zou trouwen en kinderen krijgen, wordt dit nu overgelaten aan het individu zelf. Ieder moet voor zichzelf uitmaken of hij al dan niet wil trouwen of kinderen krijgen. Indien men dan besluit om te trouwen, wordt het ook niet langer beschouwd als iets dat voor eeuwig wordt aangegaan. Zo kan men er op elk moment voor kiezen om er een punt achter te zetten. Getuige hiervan zijn de steeds stijgende echtscheidingscijfers. Aangezien het huwelijk niet meer vanzelfsprekend is, wordt het steeds onderworpen aan evaluaties om te bepalen of het nog wel voldoet aan de verwachtingen. Het huwelijk moet dus steeds meer voldoen aan de emotionele verwachtingen van de personen in kwestie en zal dus steeds meer op haar kwaliteit beoordeeld worden. Ook de opvoeding en de relaties met de kinderen zullen steeds meer op hun kwaliteit beoordeeld worden (Van den Troost, 2005, pp. 8-26).
Door de grotere nadruk op de kwaliteit van de opvoeding, ontstaan er ook nieuwe verwachtingen over wat kinderen nodig hebben. Zo moeten ouders ervoor zorgen dat kinderen een goede school hebben, voldoende eten, een goede gezondheidszorg en zo meer. Hiermee gepaard zien we een opkomst van nieuwe specialisten en instellingen die tegemoet moeten komen aan deze nieuwe verwachtingen over wat kinderen nodig hebben. Ouders krijgen hierdoor met een nieuwe en veeleisende rol te maken. Ze moeten namelijk contact houden met al de personen en instellingen die hun kind opvoeden. Hier bovenop moeten ze de vrije tijd van het kind nuttig invullen en zo dus bijvoorbeeld toekijken dat het kind de juiste tv-programma’s bekijkt, de juiste vrienden heeft en dergelijke meer. Ouders kunnen al deze taken echter niet meer alleen vervullen en zijn voor de opvoeding van hun kinderen dus in toenemende mate aangewezen op andere personen en instellingen. Alle gezinnen hebben tegenwoordig dus de hulp van familie, vrienden en specialisten nodig, om de kinderen te kunnen opvoeden (Keniston, 1985, pp. 32-33). Deze steun omvat echter niet alleen praktische steun, maar ook emotionele steun. Deze emotionele steun is nodig om overweg te kunnen met de problemen die ouders ervaren tijdens het opvoeden. Kinderen opvoeden kan namelijk behoorlijk veeleisend, complex en stresserend zijn voor de ouders (Wan, Jaccard & Ramey, 1996, p. 504; Suárez & Baker, 1997, p. 373). Wanneer de ouders hun ouderrol als stresserend ervaren, dan kan dit uiteindelijk leiden tot een daling van hun levenssatisfactie. Wan, e.a. (1996, p. 504) geven echter aan dat een goed uitgebouwd social support netwerk kan helpen om de stress die ouders ervaren te verminderen. Hierdoor kunnen ouders meer tevreden zijn met hun rol als opvoeder en krijgen ze ook meer kansen op persoonlijke groei. Dit zou op zijn beurt leiden tot een hogere graad van welbevinden (Wan, e.a., 1996, p. 504).
Dat social support een enorme bijdrage kan leveren aan het welbevinden, werd de laatste jaren reeds meermaals aangehaald. Ook Cohen en Wills (1985) wijzen op de vele positieve effecten die social support kan hebben. Volgens deze auteurs wijst heel wat onderzoek erop dat mensen die veel social support ontvangen een betere gezondheid hebben dan mensen die weinig social support ontvangen (Cohen & Wills, 1985, p. 310). Cobb (1982) en Asher (1984) kwamen eveneens tot deze conclusie. Social support heeft echter niet alleen een invloed op de gezondheid, maar ook meer specifiek op het welbevinden. Zo toonde onderzoek van Turner (1981) en Williams, Ware en Donald (1981) aan dat personen die veel social support hebben een hogere graad van welbevinden hebben dan de personen die weinig social support hebben. Onderzoekers zijn het er niet over eens of social support als buffer fungeert tegen stress (Lyons, Perrotta & Hancher-Kvam, 1988; Perrewé & Carlson, 2002) of dat het een rechtstreeks effect heeft op het welbevinden (Bryant & Conger, 1999; Turner, 1981). Eén ding staat echter wel vast, namelijk dat social support een belangrijke invloed heeft op het welbevinden.
Enerzijds blijken ouders dus steeds meer belang te hechten aan de kwaliteit van hun huwelijksrelatie en de opvoeding én anderzijds blijkt dat social support een enorme invloed kan hebben op de kwaliteit van deze relaties. We weten echter nog niet welke invloed social support nu precies heeft op de gevoelens die ouders ervaren in hun relatie en in hun taak als opvoeder. Daarom zal ik in het eerste deel van dit onderzoek dan ook de relatie tussen social support en huwelijkssatisfactie én tussen social support en ervaringen in verband met de opvoeding nagaan. Men kan echter zeer veel verschillende ervaringen in verband met de opvoeding hebben. Om een meer genuanceerd beeld te krijgen van de ervaringen in verband met de opvoeding, zal een onderscheid gemaakt worden tussen opvoedingssatisfactie, ouderlijke depressie, ouderlijke rolrestrictie en opvoedingsbelasting. Meer specifiek zal ik in het eerste deel van dit onderzoek de invloed nagaan van het hebben van social support van familie, vrienden en kennissen op huwelijkssatisfactie, opvoedingssatisfactie, ouderlijke depressie, ouderlijke rolrestrictie en opvoedingsbelasting.
Zoals reeds werd aangehaald, is het hebben van veel steun belangrijk voor ouders om met hun opvoedingstaken om te kunnen gaan (Keniston, 1985, p. 33). Caplan (1982, pp. 203-214) ondervond dat het kerngezin al zeer veel steun kan bieden aan de gezinsleden. Dit bleek echter alleen zo te zijn in de gezinnen die een grote mate van cohesie vertoonden. Hiermee geeft hij aan dat gezinnen met een grote mate van cohesie zeer veel steun in het gezin ontvangen, maar dat dit voor de gezinnen met een kleine mate van cohesie niet zo is of in mindere mate. Aangezien cohesie een invloed blijkt te hebben op de steun die men in het gezin kan ontvangen, zou cohesie dus ook een invloed kunnen hebben op de steun die men buiten het gezin gaat zoeken. Daarom zal ik in het tweede deel van dit onderzoek de invloed van cohesie in het gezin op social support buiten het gezin nagaan.
Hierboven werd reeds aangegeven dat de postmoderniteit voor enkele belangrijke culturele verandering zorgde. Dit blijkt ook uit longitudinaal onderzoek van Felling, e.a. (in Hustinx, 2002-2003, pp. 42-43) waarin werd vastgesteld dat er in Nederland de laatste jaren een verschuiving is opgetreden in het belang dat men hecht aan verschillende waarden. Zo vonden de auteurs dat de Nederlandse bevolking in de periode van 1979 tot 1995 steeds minder belang was gaan hechten aan de traditionele gezinswaarden en steeds meer belang aan hedonistische waarden. Ook is men steeds meer belang gaan hechten aan individuele autonomie en keuzevrijheid. Omdat de Nederlandse bevolking aan deze waarden opvallend meer dan wel minder belang is gaan hechten, worden deze waarden ook opgenomen in het onderzoek. Meer specifiek zal ik onderzoeken of deze waarden (autonomie, traditionele gezinswaarden en hedonistische waarden) een invloed hebben op de relaties tussen social support en huwelijkssatisfactie, opvoedingssatisfactie, ouderlijke depressie, ouderlijke rolrestrictie en opvoedingsbelasting én op de relatie tussen cohesie en social support.
Voor de twee grote delen van dit onderzoek zullen de gegevens van het Nederlandse onderzoek “Parents, adolescents and young adults in Dutch families” van Gerris, Houtmans, Kwaaitaal-Roosen, Schipper, Vermulst, en Janssens (1998) gebruikt worden. In dit onderzoek werd in twee golven, namelijk in 1990 en in 1995, gegevens verzameld van 484 gezinnen in Nederland om zo het Nederlandse gezins- en huwelijksleven te kunnen onderzoeken. Het betreft gezinnen die in 1990 minstens één kind tussen de 9 en 16 jaar hadden. Voor dit onderzoek zullen de gegevens van de golf van 1995 gebruikt worden en gaat het dus om een specifieke onderzoekspopulatie van ouders met tieners.
Het onderzoek wordt in vijf grote delen weergegeven. Een eerste hoofdstuk omvat het theoretische kader, waarin het onderzoek eerst gesitueerd wordt in het onderzoeksveld van social support, waarna de specifieke onderzoeksvragen uiteengezet worden. Hierna worden de gebruikte concepten gedefinieerd en de resultaten van voorgaand onderzoek besproken. Aan het einde van het eerste hoofdstuk worden de hypothesen geformuleerd. Het tweede hoofdstuk omvat de gevolgde methode, waarbij ten eerste de procedure van steekproeftrekking wordt weergegeven en ten tweede de procedure van dataverzameling. Vervolgens wordt de steekproef van dit onderzoek besproken en de meetinstrumenten omschreven. Dit tweede hoofdstuk wordt afgesloten met een beschrijving van de werkwijze die in het onderzoek gevolgd zal worden. In het derde hoofdstuk worden de resultaten van de invloed van social support op huwelijkssatisfactie, opvoedingssatisfactie, ouderlijke depressie, ouderlijke rolrestrictie en opvoedingsbelasting weergegeven. De beschrijvende statistiek wordt eerst uiteengezet en daarna worden achtereenvolgens de resultaten van de bivariate en multivariate analyses besproken. In het vierde hoofdstuk worden vervolgens de resultaten van de invloed van cohesie op social support beschreven. Ook hier wordt eerst de beschrijvende statistiek omschreven, waarna de resultaten van de bivariate en multivariate analyses geïnterpreteerd worden. Het vijfde en laatste deel geeft de belangrijkste conclusies weer en enkele kritische reflecties over het gevoerde onderzoek, alsook enkele richtlijnen voor verder onderzoek.
1.1. Situering van het onderzoek
Toen er in 1970 een opeenstapeling was van gegevens die bewezen dat sociale banden en sociale integratie een belangrijke rol speelden in gezondheid en persoonlijke aanpassing, startte het onderzoek rond social support (Pierce, Sarason & Sarason, 1996, p. ix). Sindsdien hebben heel wat onderzoekers zich geconcentreerd op de banden tussen social support en het lichamelijke - en emotionele welbevinden van de mens. Omdat er reeds veel onderzoek rond social support bestaat, is het belangrijk om onderstaand onderzoek te kaderen binnen het bestaande onderzoek.
Heel wat studies tonen aan dat social support een positief effect heeft op de gezondheid en het welbevinden (onder andere: Acitelli, 1996; Bretherton, Walsh & Lependorf, 1996; Cobb, 1982; Cutrona, 1996; Cutrona, Suhr & MacFarlane, 1990; Hirsch, 1981; Hobfoll, Cameron, Chapman & Gallagher, 1996; McLanahan, Wedemeyer & Adelberg, 1981; Wan, e.a., 1996; Wilcox, 1981). Er bestaat echter heel wat onenigheid over het proces waarlangs social support een positief effect heeft op de gezondheid en het welbevinden van de mensen. Men kan twee onderzoekslijnen onderscheiden. De eerste onderzoekslijn stelt dat support gerelateerd is aan welbevinden, maar dit alleen voor mensen die onder stress staan. Dit wordt ook wel het buffermodel genoemd, omdat er verondersteld wordt dat support mensen beschermt tegen de mogelijke negatieve gevolgen van stressvolle gebeurtenissen. Support werkt hier dus als een buffer. De tweede onderzoekslijn daarentegen stelt dat social support altijd een positief effect heeft, zonder rekening te houden met het feit of mensen onder stress staan of niet. Men spreekt in dit geval van het direct-effect model omdat er een rechtstreeks effect van support wordt aangetoond, zonder een interactie tussen stress en support (Cohen & Wills, 1985, p. 310).
Ook Pierce, Sarason, Sarason, Joseph & Henderson (1996) maken een onderscheid tussen twee grote visies op social support. De eerste visie is een situatiespecifieke benadering, waarin social support gebonden is aan het omgaan met een stressvolle gebeurtenis (cfr. buffermodel). De tweede visie is een ontwikkelingsbenadering, waarin social support gezien wordt als iets dat bijdraagt tot de persoonlijkheid en sociale ontwikkeling van mensen. De eerste visie wordt vooral gehanteerd door de onderzoekers in het veld van social support, de tweede visie door onderzoekers in het veld van familierelaties (Pierce, e.a., 1996, pp. 4-5).
Dit onderzoek zal het effect van social support op het psychologische welbevinden van ouders met tieners bekijken. Meer specifiek wil ik nagaan of ouders met veel social support zich beter voelen in de relatie met hun partner en of ze zich beter voelen in het uitoefenen van de opvoedingstaken. Er wordt hierbij verondersteld dat er geen verschillende invloed is voor personen met stress en personen zonder stress. We onderzoeken dus een rechtstreeks effect waardoor het onderzoek zich situeert binnen de tweede stroming.
Het onderzoek handelt dus over social support en het gezinssysteem. Social support – en gezinsonderzoekers hebben veel werk verricht in het aantonen van de verbanden tussen social support binnen het gezin en belangrijke persoonlijke uitkomsten (Pierce, e.a., 1996, p. 3). Een mooie illustratie is het Handbook of Social Support and the Family (1996). Bijna alle studies die hierin verzameld zijn, handelen over de invloed van social support binnen het gezin. Meestal komt men tot de conclusie dat social support van gezinsleden er voor zorgt dat de gezinsleden zich beter voelen en beter overweg kunnen met veranderingen. Ook ander onderzoek (Barber & Buehler, 1996; Burke & Weir, 1982; Caplan, 1982; Lyons, e.a., 1988; McAdoo, 1982; Pittman & Lloyd, 1988; Suárez & Baker, 1997) bevestigt deze conclusies. Zo vonden Burke en Weir (1982) dat personen die social support van hun partner ontvangen, meer tevreden zijn met hun job, hun leven en hun huwelijk (Burke & Weir, 1982, p. 223). Dit onderzoek is een aanvulling op deze studies, en wil nagaan of ook social support van buiten het gezin, bijvoorbeeld van vrienden of buren, een positieve invloed heeft op het welbevinden van ouders met tieners.
Het eerste deel van het onderzoek situeert zich dus binnen het ruime onderzoeksveld van social support. Het tweede deel van dit onderzoek handelt over het verband tussen cohesie van het gezin en social support. Caplan (1982) beschrijft de vele functies die het gezin heeft als support systeem. Zo spreekt hij van het gezin als verzamelaar en verspreider van informatie, feedbacksysteem, een bron van ideologieën, gids en helper in probleemoplossing en vele andere. Hij benadrukt echter dat de meeste van deze functies enkel werken in gezinnen waar een zekere mate van cohesie en integratie aanwezig is (Caplan, 1982, pp. 203-214). Uit ander onderzoek blijkt dan weer dat de cohesie in gezinnen met adolescenten het laagst is (Olson, Mc Cubbin, Barnes, Larsen, Muxen & Wilson, 1983, p. 219). We kunnen dus verwachten dat gezinnen met adolescenten de social support voornamelijk buiten het gezin zullen moeten zoeken. Dit onderzoek wil meer licht werpen op deze situatie. Meer specifiek zal in dit onderzoek nagegaan worden of gezinnen met een grote mate van cohesie en gezinnen met een kleine mate van cohesie verschillen in de social support die ze van buiten het gezin ontvangen.
Zoals hierboven aangegeven werd, zal dit onderzoek twee grote delen omvatten. Het eerste deel handelt over de invloed van social support op het welbevinden van ouders met tieners, het tweede deel gaat over het verband tussen de cohesie van het gezinssysteem en social support. Hieronder worden de specifieke onderzoeksvragen met betrekking tot deze twee onderzoeksdelen achtereenvolgens weergegeven.
De algemene onderzoeksvraag van het eerste deel van het onderzoek luidt:
“Wat is de invloed van social support op de huwelijkssatisfactie, opvoedingssatisfactie, ouderlijke depressie, ouderlijke rolrestrictie en opvoedingsbelasting van ouders met tieners?”
Met het oog op een genuanceerd antwoord, wordt deze eerder vage en omvattende vraagstelling opgesplitst in een aantal deelvragen:
Hebben ouders met tieners met veel social support een hogere graad van huwelijkssatisfactie dan ouders met tieners met weinig social support?
Hebben ouders met tieners met veel social support een hogere graad van opvoedingssatisfactie dan ouders met tieners met weinig social support?
Ervaren ouders met tieners met veel social support minder ouderlijke depressie dan ouders met tieners met weinig social support?
Ervaren ouders met tieners met veel social support minder ouderlijke rolrestrictie dan ouders met tieners met weinig social support?
Ervaren ouders met tieners met veel social support minder opvoedingsbelasting dan ouders met tieners met weinig social support?
Uit deze vraagstellingen zou men kunnen afleiden dat social support dezelfde effecten heeft op alle ouders met tieners. Echter niet alle ouders zijn of denken hetzelfde. Om een meer genuanceerd beeld te geven van de effecten van social support op ouders met tieners zullen in een tweede fase van dit onderzoek nog enkele andere kenmerken van de ouders worden opgenomen. Meer concreet wil ik in deze tweede fase onderzoeken of er een verschillend effect is op huwelijkssatisfactie, opvoedingssatisfactie, ouderlijke depressie, ouderlijke rolrestrictie en opvoedingsbelasting naargelang de ouder andere waarden hanteert. De specifieke onderzoeksvragen luiden dan:
Hebben de ouders met tieners die veel social support ontvangen en autonomie hoog in het vaandel dragen een hogere graad van huwelijkssatisfactie en opvoedingssatisfactie en ervaren ze minder ouderlijke depressie, ouderlijke rolrestrictie en opvoedingsbelasting dan de ouders met tieners die veel social support ontvangen en autonomie niet zo belangrijk vinden?
Hebben de ouders met tieners die veel social support ontvangen en de traditionele gezinswaarden belangrijk vinden een hogere graad van huwelijkssatisfactie en opvoedingssatisfactie en ervaren ze minder ouderlijke depressie, ouderlijke rolrestrictie en opvoedingsbelasting dan de ouders met tieners die veel social support ontvangen en de traditionele gezinswaarden niet zo belangrijk vinden?
Hebben de ouders met tieners die veel social support ontvangen en hedonistisch ingesteld zijn een hogere graad van huwelijkssatisfactie en opvoedingssatisfactie en ervaren ze minder ouderlijke depressie, ouderlijke rolrestrictie en opvoedingsbelasting dan de ouders met tieners die veel social support ontvangen en niet hedonistisch ingesteld zijn?
Het tweede onderzoeksgedeelte wil nagaan wat het verband is tussen cohesie en social support van buiten het gezin. De algemene onderzoeksvraag luidt hier:
“ Welke mate van cohesie zorgt ervoor dat ouders veel social support buiten het gezin gaan zoeken?”
Met het oog op een genuanceerd antwoord, wordt deze eerder vage en omvattende vraagstelling opgesplitst in een aantal deelvragen:
Hebben ouders met tieners die leven in een gezin met een kleine mate van cohesie meer social support van buiten het gezin dan ouders met tieners die leven in een gezin met een grote mate van cohesie?
Hebben ouders met tieners, in gezinnen met een grote mate van cohesie, die autonomie belangrijk vinden meer social support buiten het gezin dan ouders met tieners die autonomie niet zo belangrijk vinden?
Hebben ouders met tieners, in gezinnen met een kleine mate van cohesie, die de traditionele gezinswaarden belangrijk achten minder social support buiten het gezin dan ouders met tieners die de traditionele gezinswaarden niet zo belangrijk vinden?
Hebben ouders met tieners, in gezinnen met een grote mate van cohesie, die hedonistisch ingesteld zijn meer social support buiten het gezin dan ouders met tieners die minder hedonistisch ingesteld zijn?
1.3.1. Social support
1.3.1.1. Social support als verschillende soorten steun
In 1974 introduceert Caplan het begrip social support, en omschrijft dit als “(…) continuing social aggregates (namely, continuing interactions with another individual, a network, a group, or an organisation) that provide individuals with opportunities for feedback about themselves and for validation of their expectations about others, which may offset deficiences in these communications within the larger community context (…).” In de verdere uitwerking van zijn definitie geeft Caplan ook aan dat ondersteuning zich niet alleen richt op psychologische behoeften onder normale omstandigheden, maar ook op dezelfde behoeften onder meer extreme omstandigheden, die hogere eisen stellen aan de individuele weerbaarheid (Busschots & Lauwers, 1994, p. 23). In zijn eerste definiëring ziet Caplan social support dus enkel en alleen als een mentale steun. Hij geeft echter wel aan dat deze ondersteuning zowel geldt voor mensen met stress, als voor mensen zonder stress. Men kan hieruit afleiden dat Caplan een rechtstreeks effect én een bufferings-effect van social support voor ogen heeft (cfr. supra). Enkele jaren later toont Caplan aan dat social support zich ook richt op meer materiële ondersteuning en niet alleen op emotionele ondersteuning. Zo schrijft hij “(…) the significant others help the individual mobilize his psychological resources and master his emotional burdens; they share his tasks; and they provide him with extra supplies of money, materials, tools, skills, and cognitive guidance to improve his handling of his situation (…).”. Volgens Klein Beernink (in Busschots & Lauwers, 1994, p. 23) zijn deze twee citaten van Caplan zeer belangrijk. Caplan heeft namelijk als grondlegger van het begrip social support een zodanige basis gelegd, dat anderen na hem, wat definiëring betreft, hier alleen maar op hebben voortgeborduurd, of een of meer aspecten ervan gespecificeerd hebben, zonder hier iets wezenlijk nieuws aan toe te voegen.
Deze visie van Klein Beernink wordt bevestigd als we kijken naar enkele andere auteurs die na Caplan het begrip social support hebben gedefinieerd. Zo omschrijft Cobb (1982) social support als “communicated caring” en zegt hij voorts “It is purely informational and it has three components: (1) Emotional support leading the recipient to believe that she is cared for and loved. (2) Esteem support leading the recipient to believe that she is esteemed and valued. (3) Network support leading the recipient to believe that she has a defined position in a network of communication and mutual obligation.” (Cobb, 1982, p. 189). Daarnaast spreekt hij over drie andere vormen van support, namelijk instrumental support or counseling, active support or mothering en material support. Deze drie vormen zijn meer instrumenteel gericht, maar brengen volgens hem meestal social support met zich mee. Hierdoor besluit Cobb dat social support in onderzoek veel belangrijker is dan de drie andere vormen samen (Cobb, 1982, pp. 189-190). Als we deze definities van Cobb vergelijken met die van Caplan, dan zien we inderdaad dat hier niet veel nieuws is toegevoegd. Cobb spreekt net zoals Caplan van emotionele ondersteuning (social support) en meer materiële ondersteuning (instrumental support, active support en material support).
We vinden dit onderscheid ook terug bij House (in Busschots & Lauwers, 1994, p. 24). Hij definieert social support als een verzamelterm van verschillende ondersteuningsaspecten: “(…) Social support, then is a flow of emotional concern, instrumental aid, information, and/or appraisal (information relevant to self-evaluation) between people (…).”. Emotional en appraisal support kunnen we beschouwen als emotionele ondersteuning en information en instrumental support als materiële ondersteuning. Appraisal support hoort bij emotionele ondersteuning omdat het op de gevoelswereld van de persoon gericht is en niet zozeer op het helpen oplossen van problemen.
Cohen en Wills (1985) hebben vier vormen van social support aangeduid die sterk aansluiten bij de opdelingen die Cobb en House maken, en die we eveneens kunnen onderbrengen in onze tweedeling. Zo spreken ze van esteem support dat ook omschreven kan worden als emotional support en van informational support hetgeen mensen cognitieve steun moet geven bij het oplossen van problemen. De derde vorm van social support geeft mensen het gevoel ergens bij te horen en wordt social companionship genoemd. De vierde vorm van social support is financiële en materiële hulp en wordt door Cohen en Wills aangeduid met de term instrumental support (Cohen & Wills, 1985, p. 313). Esteem support kunnen we duidelijk onderbrengen bij emotionele ondersteuning en instrumental support bij materiële ondersteuning. Informational support en social companionship sluiten allebei het nauwste aan bij emotionele ondersteuning. Informational support omdat het de eigenwaarde van de individuen versterkt en social companionship omdat het de individuen het gevoel geeft opgenomen te zijn in een netwerk en dus zo bijdraagt tot hun emotionele welbevinden. Kort samengevat kunnen we esteem support, informational support en social companionship dus zien als emotionele ondersteuning en instrumental support als materiële ondersteuning.
Bij Orford, Natera, Davies, Nava, Mora, Rigby, Bradbury, Copello & Velleman (1998, p. 396) treffen we ongeveer dezelfde soorten social support aan als bij Cohen en Wills (1985). Beide groepen auteurs spreken namelijk over material or instrumental support, informational support, companionship en esteem support. In tegenstelling tot Cohen en Wills, noemen Orford, e.a. nog een vijfde soort, namelijk emotional support. Orford e.a., maken een onderscheid tussen emotional support en esteem support terwijl Cohen en Wills dit beschouwen als slechts één vorm van support. Deze vijfde vorm van support, namelijk emotional support, behoort ook tot de emotionele ondersteuning.
Ook Pierce, e.a. (1996) zien dat er twee grote groepen van social support bestaan. Zij wijzen er echter wel op dat deze indeling in categorieën niet zonder problemen is. Het is volgens hen mogelijk dat een gedrag dat gericht is op het helpen van mensen met hun taken (instrumental support), ertoe leidt dat mensen besluiten dat ze gewaardeerd zijn door de hulp-bieder en dus op die manier ook emotional support bieden. Bepaald gedrag kan dus meerdere functies hebben (Pierce, e.a., 1996, p. 10).
Ross en Mirowsky (2002, p. 471) erkennen eveneens dat er twee soorten van social support bestaan, namelijk emotional sympathy en practical assistance. Naast deze twee soorten van social support spreken zij echter ook nog over sociale intergratie: “(…), social integration may be viewed as question of identity in addition to supportives and help. (…) give people a sense of “existential security”. (…)” (Ross & Mirowsky, 2002, p. 471).
De driedeling die Ross en Mirowsky (2002) hier maken vinden we ook terug bij McLanahan, e.a. (1981, p. 602). Beide groepen auteurs spreken over social integration. McLanahan, e.a. gebruiken echter de termen direct services en emotional support in plaats van practical assistance en emotional sympathy. Emotional support en social integration behoren tot de emotionele ondersteuning en direct services tot de materiële ondersteuning.
1.3.1.2. Social support als structureel en functioneel facet
Al de bovenstaande auteurs spreken over social support als iets dat uit verschillende soorten steun bestaat. Er zijn echter enkele auteurs (Wan, e.a., 1996; Lin, Ye & Ensel, 1999) die social support breder zien. Zo zeggen Wan, e.a. (1996): “(…) the process of social support consists of two facets: a functional facet, such as the four different kinds of support, and a structural facet, representing the specific referents in the support network. (…)” (Wan, e.a., 1996, p. 503). Zij vinden dus dat social support een proces is dat uit twee facetten bestaat en niet uit één facet. Het eerste facet is een functioneel facet dat de soorten social support omvat. Dit is het facet dat al de bovenstaande auteurs aanduidden. Er is volgens deze auteurs echter ook een tweede facet aan social support, namelijk het structurele. Dit structurele facet kan ook wel omschreven worden als het sociale netwerk dat personen hebben. De social support die men ontvangt wordt volgens Wan e.a. (1996) dus niet alleen bepaald door de soort support maar ook door de persoon in het netwerk van wie de support afkomstig is. Zo stellen Wan, e.a. (1996) dat emotionele ondersteuning van je ouders een heel andere mening en vorm kan hebben dan de emotionele ondersteuning van je vrienden. Wie de social support biedt is dus zeer belangrijk en kan variëren naargelang de soort social support (Wan, e.a., 1996, p. 503).
Lin, e.a. (1999) zijn het niet alleen eens met Wan, e.a. (1996), maar gaan zelfs verder. Zij zeggen namelijk dat het structurele facet van de social support bepaald welke functionele elementen men ter beschikking heeft. Welke support men zal ontvangen is volgens deze auteurs dus volledig bepaald door de gemeenschap waartoe men behoort. De functionele elementen die mensen kunnen ontvangen, kunnen opgedeeld worden in drie dimensies: “(…) (1) percieved versus actual support, (2) instrumental versus emotional support, and (3) routine versus crisis (or non-routine) support.(…)” (Lin, e.a., 1999, p. 346). Deze functionele indeling is dus iets ruimer dan de functionele indeling van Wan, e.a. (1996). Bij Wan e.a., omvat deze namelijk alleen de soorten social support (emotionele en instrumentele) die men kan ontvangen. Lin, e.a. maken echter ook nog eens een onderscheid naar het gevoel van ondersteund te worden of echt ondersteund worden en tussen alledaagse support en crisis support.
Er zijn nog enkele andere auteurs (Olson, e.a., 1983; Pearlin & Schooler, 1982) die net als Lin, e.a. (1999) het structurele facet beschouwen als de basis van social support. Zij duiden dit structurele facet echter aan met de term “resources”. De eerste groep auteurs die deze term gebruikte zijn Pearlin & Schooler (1982): “(...) Resources refer not to what people do, but to what is available to them in developing their coping repertoires. Social resources (...) and which are a potential source of crucial supports (...)” (Pearlin & Schooler, 1982, p. 113). Ook Olson, e.a. (1983, p. 145) gebruiken de term “resources” om het social support netwerk mee aan te duiden.
Pearlin & Schooler (1982) en Olson, e.a. (1983) linken social support aan een ander belangrijk begrip, namelijk sociaal netwerk. Deze auteurs veronderstellen dat mensen in een sociaal netwerk ingebed zijn, van waaruit ze social support kunnen ontvangen.
1.3.1.3. Social support als sociaal netwerk
Bax (in Busschots & Lauwers, 1994, p. 17) spreekt van een sociaal netwerk als “ (...) een in principe onbegrensde verzameling interagerende mensen, die gedurig veranderen. (...) Mueller hanteert het begrip primair sociaal netwerk voor dat deel van het netwerk van de eerste orde dat bestaat uit diegenen met wie ego een persoonlijke relatie heeft.” Terwijl Bax en Mueller (in Busschots & Lauwers, 1994, p. 17) het sociaal netwerk omschrijven in functie van de relaties die iemand heeft, omschrijft Specht (in Busschots & Lauwers, 1994, p. 18) een sociaal netwerk in functie van de interacties die er in een netwerk gebeuren: “(...). A network emerges when actors exchange resources with one another. Resources may be concrete or symbolic and include such items as money, love, and goods.”. In deze definitie vinden we de twee soorten van social support terug in de soorten resources die mensen uitwisselen. De concrete resources die uitgewisseld worden, kunnen we zien als materiële support en de symbolische resources als emotionele support.
Ook Albrecht en Adelman (in Leatham & Duck, 1990, p. 18) spreken over de interacties van een sociaal netwerk die social support bieden. Zij noemen deze interacties “exchange relationships” en ze geven vier functies op die deze relaties hebben: “(1) extending acces to information, goods, and services, (2) promoting social comparison with dissimilar others, (3) facilitating low-risk discussion of high-risk topics, and (4) fostering a sense of community.”. Als we deze functies onderbrengen in de twee categorieën, dan behoort (1) bij materiële steun en (2), (3) en (4) bij emotionele steun.
Janssens (in Busschots & Lauwers, 1994, p. 18) geeft eveneens enkele functies op van een sociaal netwerk: “een integratieve functie (...) een ondersteuningsfunctie (…) een interpretatieve functie.“. De functies van sociale netwerken, die hier omschreven worden, bieden mensen de soorten social support die we eerder vermeld hebben. De eerste en derde functie brengen emotionele steun en de tweede functie brengt materiële steun. De derde functie geeft emotionele steun omdat deze gemeenschappelijke interpretatiekaders geven aan de individuen en de communicatie vergemakkelijken, waardoor mensen zich nog beter ingebed voelen in een netwerk.
Ook Wellman (1981) ziet een sociaal netwerk als een support systeem en zegt hierover: “(…) Yet a support system is an analytically constricted social network which only takes into account supportive ties (…)” (Wellman, 1981, p. 173). Deze definitie van sociaal netwerk heeft Wellman geformuleerd, vooraleer hij zijn onderzoek naar het gebruik van netwerkanalyse bij onderzoek naar social supportsystemen gevoerd had. In deze definitie zegt hij dat een support systeem alleen bestaat uit ondersteunende relaties, die samen een geïntegreerd geheel vormen. Aan het einde van zijn onderzoek komt hij echter tot de conclusie dat deze visie op social support systeem niet klopt: “(...) supportive ties do not come in separate packages but as parts of networks that also contain non-supportive ties.(…)”(Wellman, 1981, p. 181). Hier geeft Wellman dus aan dat sociale netwerken ruimer zijn dan alleen maar de ondersteunende relaties. Een sociaal netwerk omvat volgens hem dus zowel ondersteunende als niet-ondersteunende relaties.
Er zijn echter auteurs die beweren dat alle relaties van een sociaal netwerk ondersteunend zijn. Zo stellen Leatham en Duck (1990) bijvoorbeeld dat “(…). Friends gain support from each other through the mere existence of their relationship, (...) the normal conduct of personal relationships is often supportive, even in the absence of a specific stressor, request for support, or the intention to provide support. Such routine transactions, we argue, are the source of feelings of ‘perceived support’, while the dramatic cases may provide both this and ‘actual support’. (...)” (Leatham & Duck, 1990, pp. 1-2). Volgens deze definitie zijn alle relaties dus ondersteunend, gewoon door het bestaan van de relatie op zich. Dit blijkt ook uit de visie van Leatham en Duck (1990) over conversaties uit het alledaagse leven. Zij zeggen namelijk dat conversaties op het eerste zicht banaal lijken, maar dat ze een belangrijke psychologische en emotionele bijdrage leveren waardoor we ons gesteund voelen (Leatham & Duck, 1990, pp. 1-2).
Ook Lakey & Lutz (1996, pp. 436-437) en Cohen & Wills (1985, p. 351) zijn het erover eens dat relaties op zich al ondersteunend zijn. Volgens Leatham & Duck (1990), Lakey & Lutz (1996) en Cohen & Wills (1985) is “percieved support” dus veel belangrijker dan “enacted support”. Het is volgens hen dus voldoende dat individuen zich gesteund voelen, zonder dat ze effectief steun ontvangen.
Het voorgaande wijst erop dat wanneer mensen zich in een netwerk ingebed weten, ze het gevoel hebben ondersteund te worden. Dit gevoel van ondersteuning (perceived support) is belangrijker dan het daadwerkelijk ontvangen van support (Lakely & Lutz, 1996; Leatham & Duck, 1990; Lin, e.a., 1999). Het heeft ook meer effect op het welbevinden van de mensen. Cohen & Wills (1985) concluderen uit hun onderzoek ook dat voor het meten van een rechtstreeks effect van social support op de gezondheid en het psychologisch welbevinden, je best een globale maat van sociaal netwerk kan gebruiken. Wanneer men daarentegen een intermediair effect van social support wil nagaan, kan men beter de specifieke functies van social support meten (Cohen & Wills, 1985, p. 315). Omdat ik in dit onderzoek een rechtstreeks effect wil onderzoeken, zal ik hier dus werken met een globale maat van sociaal netwerk. Meer specifiek zal er gekeken worden naar de grootte van het sociaal netwerk dat mensen hebben. Er zijn echter enkele auteurs (Lyons, e.a., 1988; Wan, e.a., 1996) die hebben aangeven dat de invloed van social support kan verschillen naargelang van wie hij afkomstig is. Daarom zal er in dit onderzoek een onderscheid gemaakt worden tussen social support die van de familie komt en social support die van vrienden en kennissen komt. Er zal ook onderzocht worden of er een verschillende invloed is van social support naargelang welke maat, één globale maat of twee afzonderlijke maten, er gebruikt wordt.
1.3.2. Cohesie
1.3.2.1. Definitie gezinscohesie
Het tweede begrip uit onze onderzoeksvragen dat verduidelijkt moet worden, is cohesie. Omdat ik in dit onderzoek de cohesie in gezinnen ga onderzoeken, zal ik eerst een korte definitie geven van wat een gezin is. Rodgers (in Burr, 1982, p.6) omschrijft het gezin als: “(...) semiclosed system ... which is composed of interrelated positions and roles defined by the society of which it is a part as unique to that system (...)”. Deze definitie zegt dat het gezin een halfgesloten systeem is, waarin tussen de delen van dit systeem banden zijn. Het zijn nu net die banden of het gebrek hieraan dat ik zou willen onderzoeken. De hechtheid van de banden die er in een gezinssysteem bestaan, worden ook wel eens gezien als de mate van cohesie dat het gezin heeft.
Olson en McCubbin (1982) definiëren cohesie als volgt: “Family cohesion is defined as the emotional bonding that family members have toward one another and the degree of individual autonomy they experience.” (Olson & McCubbin, 1982, p. 49). Dit wijst er dus op dat in een familiesysteem de individuen zich ingebed moeten voelen in het netwerk, zonder daarbij hun autonomie te verliezen. Terwijl Olson hier nog expliciet spreekt over een zekere mate van autonomie, doet hij dit later niet meer. Olson, e.a. (1983) beschouwen cohesie nu alleen nog maar als het gevoel van nabijheid tot andere familieleden dat men ervaart. De mate van autonomie die de gezinsleden ervaren is echter niet onbelangrijk.
Er zijn enkele andere auteurs die dit belangrijk aspect wel opnemen in hun definitie van cohesie. Zo zien we bij Smets (1985): “ (...) cohesion, i.e., the separateness versus connectedness of families, or the extent to which family members are “bonded” to one another; (...)” (Smets, 1985, p. 2). Deze definitie geeft aan dat er dus wel veel of weinig autonomie kan ervaren worden door gezinsleden. Het bonded zijn duidt op de mate waarin mensen aan elkaar vasthangen en de mate waarin ze nog autonoom zijn. Het wijst er ook op dat mensen bepaalde verplichting hebben naar hun gezinsleden toe.
Deze verplichtingen naar gezinsleden toe, vinden we ook terug bij een omschrijving van familierelaties door Mulder en De Bruin (in Busschots & Lauwers, 1994, p. 19): “ (...). De morele verplichtingen en verantwoordelijkheid die familieleden ten opzichte van elkaar hebben, variëren in functie van de verwantschapsgraad. Relaties tussen familieleden in de eerste graad worden volgens Mulder en De Bruin (1983) gekenmerkt door een betrekkelijk actieve toewijding. Dit heeft voor gevolg dat deze relaties ook blijven bestaan als er in iemands omstandigheden iets verandert. Zij lopen door, ook los van de feitelijke sociale contacten, die er in een bepaalde periode bestaan. Bovendien is het in deze relaties niet noodzakelijk dat er iets wordt terug gedaan.” Deze definitie geeft duidelijk aan dat het gezinssysteem halfgesloten is (cfr. supra), want de contacten met familieleden blijven bestaan, ook al verandert de omgeving. Deze definitie wijst ook op een zekere mate van stabiliteit in de familierelaties en dus een stabiliteit in de cohesie die er binnen het gezinssysteem bestaat.
1.3.2.2. Mate van gezinscohesie
Er is misschien wel stabiliteit in de mate van cohesie binnen het gezin, maar gezinnen verschillen in hun mate van cohesie die ze hebben. Zo schrijven Olson, e.a. (1983): “ (...). There are four levels of cohesion (...), ranging from disengaged (very low) to separated (low to moderate) to connected (moderate to high) to enmeshed (very high).”. Ze vertellen er ook bij dat de extremen meestal als problematisch gezien worden. Zo gaat een hoge mate van cohesie (enmeshed) ervoor zorgen dat er een over-identificatie met het gezin is. De loyaliteit naar en consensus met het gezin is dan te groot en belemmert de individuele ontplooiing van de gezinsleden. Aan het andere uiteinde hebben we een te lage mate van cohesie (disengaged), waardoor er zeer veel autonomie aan het individu gegeven wordt. Hierdoor doet iedereen zijn eigen ding en is er een zeer beperkte mate van engagement naar de andere familieleden toe. Het zijn dus de twee middencategorieën van cohesie die een goede mate van verbondenheid met het gezin geven, zonder daarbij de autonomie van het individu te beperken (Olson, e.a., 1983, p.48). Ook andere auteurs (Carisse in Olson, e.a., 1983, p. 57; Rosenblatt in Olson, e.a., 1983, p. 58; Stierlin in Olson, e.a., 1983, p. 55) zijn het eens dat de extreme maten van cohesie zorgen voor een slecht functioneren van het individu en het gezinssysteem.
Dat een te grote mate van cohesie ertoe zou leiden dat het gezin niet meer goed functioneert, wordt door Barber en Buehler (1996) tegengesproken. De auteurs beweren namelijk dat cohesie een lineair effect heeft op het familiaal functioneren en geen curvilineair effect. Volgens hen vinden de bovenstaande auteurs een curvilineair effect van cohesie omdat ze enmeshment beschouwen als een extreem op de cohesieschaal. Volgens Barber en Buehler (1996) moeten cohesie en enmeshment gezien worden als twee aparte constructen: “(…) Family cohesion is defined as shared affection, support, helpfulness, and caring among family members. Enmeshment is defined as family patterns that facilitate psychological and emotional fusion among family members, potentionally inhibiting the individuation process and the development and maintenance of psychological maturity. (…) ” (Barber & Buehler, 1996, pp. 433-434). Cohesie en enmeshment zijn volgens deze auteurs niet alleen twee verschillende constructen, maar zouden ook een heel andere invloed hebben op het individu. Zo zou cohesie een positief aspect zijn in de familierelatie dat steun biedt en enmeshment een negatief aspect dat het individu beperkt (Barber & Buehler, 1996, p. 434). Cohesie bleek, zoals ze voorspeld hadden, een lineair effect te hebben op het welbevinden van de individuen in het gezin (Barber & Buehler, 1996, p. 438). Hieruit blijkt dus dat een grotere mate van cohesie in het gezin niet negatief is zoals de vorige auteurs beweerden.
Uit de definities en bevindingen die deze auteurs over cohesie hebben, moeten we besluiten dat er niet noodzakelijk een evenwicht moet zijn in de mate van cohesie, opdat het gezinssysteem goed zou kunnen werken. Er is namelijk onderzoek (Barber & Buehler, 1996) dat bewezen heeft dat cohesie een lineair effect heeft op het functioneren van het individu. In dit onderzoek wil ik te weten komen of de mate van cohesie een invloed heeft op de social support die personen nog buiten het gezin gaan zoeken. Er wordt op basis van bovenstaande bevindingen veronderstelt dat gezinnen met een grote mate van cohesie minder social support buiten het gezin gaan zoeken omdat ze binnen het gezin genoeg social support ervaren.
1.3.3. Huwelijkssatisfactie, opvoedingssatisfactie, ouderlijke depressie, ouderlijke rolrestrictie, opvoedingsbelasting
Zoals in de inleiding reeds vermeld werd, zal in dit onderzoek gewerkt worden met de gegevens van het Nederlandse onderzoek “Parents, adolescents and young adults in Dutch families” dat gevoerd werd door Gerris, e.a. (1998). Hierdoor zullen de omschrijvingen van de begrippen huwelijkssatisfactie, opvoedingssatisfactie, ouderlijke depressie, ouderlijke rolrestrictie en opvoedingsbelasting uit dit onderzoek gehaald worden.
1.3.3.1. Huwelijkssatisfactie
Huwelijkssatisfactie is een woord dat uit twee delen bestaat, namelijk huwelijk en satisfactie. Perrewé en Carlson (2002, p. 102) definiëren satisfactie als een emotionele reactie. Meer bepaald geven personen in deze reactie weer in welke mate ze vinden dat aan hun verwachtingen voldaan wordt. Ook Hawkins (in Olson, 1983, pp. 171-173) definieert huwelijkssatisfactie als een reactie van de partners in een huwelijk. Meer specifiek definieert hij huwelijkssatisfactie als: “ the subjective feelings of happiness, satisfaction and pleasure experienced by a spouse when considering all current aspects of his marriage. This variable is concieved of as a continuum running from much satisfaction to much dissatisfaction. Marital satisfaction is clearly an attitudinal variable and thus, is a property of individual spouses.” In dit onderzoek volgen we beide auteurs en definiëren we huwelijkssatisfactie als de subjectieve evaluatie van de kwaliteit van de (huwelijks)relatie als bevredigend. Meer specifiek geeft het de mate weer waarin de ouder aangeeft de (huwelijks)relatie met de partner als bevredigend en positief te ervaren (Gerris, e.a., 1998, p. 258).
1.3.3.2. Opvoedingsbelasting
Op basis van bovenstaande omschrijving van satisfactie, zouden we kunnen besluiten dat opvoedingssatisfactie een emotionele reactie is die weergeeft in welke mate ouders vinden dat de opvoeding aan hun verwachtingen voldoet. In dit onderzoek bedoelen we met opvoedingssatisfactie echter iets anders. Het geeft namelijk weer of de ouder de opvoeding beschouwt als een persoonlijke voldoening. Meer specifiek geeft opvoedingssatisfactie hier de mate weer waarin de ouder aangeeft de opvoeding van zijn kind(eren) te ervaren als een taak die hem voldoening en bevrediging geeft in zijn persoonlijke leven (Gerris, e.a., 1998, p. 169).
1.3.3.3. Ouderlijke depressie
Wanneer we hier spreken over ouderlijke depressie dan peilen we naar de mate waarin de ouder aangeeft persoonlijk in de knoop te zitten, zich ongelukkig voelt met zijn persoonlijk functioneren, en aangeeft onderhevig te zijn aan gevoelens van neerslachtigheid. Meer algemeen willen we te weten komen of de ouder persoonlijke ervaringen van inadequatie en gevoelens van neerslachtigheid heeft (Gerris, e.a., 1998, p. 170).
1.3.3.4. Ouderlijke rolrestrictie
Onder ouderlijke rolrestrictie verstaan we de persoonlijke beperkingen die de ouder ervaart vanuit de ouderrol. Meer specifiek bedoelen we hiermee de mate waarin de ouder aangeeft zich door de rol als ouder en opvoeder beperkt te voelen in de inrichting van zijn persoonlijke leven en zijn persoonlijke ontwikkeling (Gerris, e.a., 1998, p. 171).
1.3.3.5. Opvoedingsbelasting
In dit onderzoek bedoelen we met opvoedingsbelasting of de ouder de opvoeding als belastend ervaart. Meer specifiek wordt er gekeken naar de mate waarin de ouder aangeeft de opvoeding als moeilijk, lastig en problematisch te ervaren (Gerris, e.a., p. 172).
1.3.4. Autonomie, traditionele gezinswaarden, hedonisme
1.3.4.1. Autonomie
Het woord autonomie is afgeleid van het Griekse autos (zelf) en nomos (regel of wet) (Metaal, 1992, p. 13). Hieruit kunnen we concluderen dat autonomie duidt op het opstellen van je eigen regels en normen. De idee van autonomie te zien als het zelf opstellen van regels en normen vinden we terug in verschillende definities van autonomie. Zo stelt Lindley (in Metaal, 1992, p. 15): “The underlying idea of the concept of autonomy is self-mastery. This means both mastery over one’s self, and one’s self not being subservient to others.”. Deze visie van autonomie als zelfregulering, vinden we ook bij andere auteurs terug, waaronder Dworkin (in Metaal, 1992, p. 14): “ (...) It is used sometimes as an equivalent of liberty, sometimes as equivalent to self-rule or sovereignity, sometimes as identical with freedom of the will. (...)”. Wanneer men dus over autonomie spreekt, wordt vaak de nadruk gelegd op vrijheid van ideeën en handelingen. Dworkin (in Metaal, 1992, p. 14) zegt hier echter dat de meeste auteurs die over autonomie spreken het slechts eens zijn over een ding, namelijk dat autonomie een nastrevenswaardig goed is. Dat autonomie een nastrevenswaardig goed is, vinden we ook terug bij Hare-Mustin & Marecek (in Metaal, 1992, p. 24): “It is widely believed that people need to feel and be regarded as autonomous and in control of their lives in order to be mentally healthy”. Hieruit blijkt dat mensen zich dus beter voelen als ze een bepaalde mate van autonomie hebben. In mijn onderzoek ga ik niet kijken of er een invloed is van de mate van autonomie die iemand heeft op zijn welbevinden, maar wel of er een invloed is van het belang dat iemand hecht aan het autonoom zijn op zijn welbevinden. Hiermee bedoel ik de mate waarin de respondent aangeeft dat hij belang hecht aan onafhankelijk zijn en zelf zijn gedrag bepalen. Met autonomie bedoel ik hier: je niet hoeven te storen aan de mening van je omgeving, zelf uitmaken wat mag en niet mag, niet aan regels gebonden zijn, kunnen doen en laten wat je wilt en van niemand afhankelijk zijn (Gerris, e.a., 1998, p. 319).
1.3.4.2. Traditionele gezinswaarden
Het belangrijk vinden van de traditionele gezinswaarden wordt ook wel eens familisme genoemd. Een definitie van familisme vinden we bij Bean, Curtis en Marcum (1977). Deze auteurs schrijven: “ (…). Familism refers to a constellation of values which give overriding importance to the family and the needs of the collective as opposed to individual and personal needs. (…) emphasize the extended family, the family as the single most important social unit in life, and a child-centered home during the early childrearing stages (…)” (Bean, e.a., 1977, p. 760). Volgens deze auteurs verwijst familisme er dus naar dat men de familie zeer belangrijk vindt in het ruimere sociale leven. Ook in dit onderzoek verwijzen we met traditionele gezinswaarden naar de mate waarin de respondent aangeeft dat hij belang hecht aan het gezin en dan meer specifiek aan de traditionele kenmerken van het gezin als samenlevingsvorm. Onder traditionele gezinskenmerken wordt in dit onderzoek verstaan: getrouwd zijn, kinderen hebben en opvoeden, leven voor je gezin en een gelukkig gezinsleven (Gerris, e.a., 1998, p. 320). Ik ga onderzoeken of er een verschil is in het psychologisch welbevinden en het zoeken naar social support van personen, naargelang ze meer of minder belang hechten aan deze traditionele gezinskenmerken.
1.3.4.3. Hedonisme
Hedonisme is afgeleid van het Griekse Hèdonè, wat genot betekent (Decorte, Braeckman, Raymaekers & Steegen, 2001, p. 351). Een definitie van hedonisme vinden we bij Decorte, e.a. (2001): “ (...) Volgens het hedonisme (Gr. Hèdonè: genot) is het enige intrinsieke goede gelegen in het genot of het genoegen. Al wat de mens nastreeft (bezit, macht, roem, kennis, deugd, schoonheid, vroomheid enzovoort), streeft hij na omwille van het genoegen dat hij eraan beleeft. Alle ‘objecten’ van het verlangen zijn middelen om het hoogste doel te bereiken: het beleven van genot en het vermijden van pijn. Ons meest fundamentele streven is erop gericht zoveel mogelijk lust te ervaren en onlust zoveel mogelijk te vermijden. (...)” (Decorte, e.a., 2001, pp. 384-385). Deze definitie wijst erop dat mensen die hedonistisch ingesteld zijn, ook individualistisch zijn, want het hoogste goed dat nagestreefd wordt, is het eigen genot. Personen die hedonistisch ingesteld zijn zullen waarschijnlijk ook meer gesteld zijn op autonomie omdat hun eigen genot anders misschien in het gedrang komt. In dit onderzoek wordt er gekeken naar de mate waarin de respondent aangeeft gericht te zijn op de realisering van hedonistische waarden. Hieronder versta ik: van het leven genieten, plezier maken, nieuwe dingen beleven, lekker eten en drinken (Gerris, e.a., 1998, p. 322). Er zal onderzocht worden of er een verschil is in het psychologisch welbevinden en het zoeken naar social support van personen, naargelang de mate waarin ze op de hedonistische waarden gericht zijn.
In de literatuur is er heel wat onderzoek te vinden dat handelt over social support of cohesie. Het ligt echter niet binnen het bereik van dit onderzoek om een volledig overzicht van alle voorgaande studies te geven. Wel is het nuttig om de belangrijkste onderzoeksresultaten weer te geven. Hieronder zullen deze onderzoeksresultaten beschreven worden in twee delen. In het eerste deel bespreek ik de onderzoeken die over social support handelen en in het tweede deel ga ik dieper in op de onderzoeken in verband met gezinscohesie.
1.4.1. Onderzoeksresultaten social support
1.4.1.1. Social support en fysische gezondheid
Asher (1984) gebruikte voor zijn onderzoek de gegevens van het grootschalige “Retirement History Survey” (RHS), dat door the Office of Research and Statistics of the Social Security Administration in Washington D.C. werd uitgevoerd. Het RHS verzamelde aan de hand van een gestandaardiseerde vragenlijst de gegevens van 11.153 blanke mannen die tussen 58 en 63 jaar waren. Asher (1984) gebruikte de gegevens van de onderzoeksgolven van 1969 en 1971 om de invloed na te gaan van het social support netwerk op de gezondheid. Bij de analyse gebruikte hij enkel de gegevens van de respondenten die tussen 1969 en 1971 op pensioen gingen en zo kwam hij bij een steekproef van 4.890 blanke mannen. Met het social support netwerk doelt Asher (1984) op het aantal interpersoonlijke relaties dat de respondent heeft met groepen van mensen waarvan men steun kan ontvangen. Uit het onderzoek blijkt dat de grootte van het social support netwerk een significante en directe invloed heeft op het gezondheidsniveau maar ook op de veranderingen in de gezondheid doorheen de tijd. De aanwezigheid van een groot social support netwerk zou voor een betere gezondheid zorgen, zelfs wanneer gecontroleerd wordt voor stressvolle gebeurtenissen, medische uitgaven, burgerlijke status, opleiding en inkomen. Hieruit blijkt dus dat social support een belangrijke invloed heeft op de gezondheid.
Ook Cobb (1982) komt tot dezelfde conclusie. Hij voegde voorgaand onderzoek over de invloed van social support op verschillende gezondheidsvariabelen samen om tot een meer algemene conclusie te kunnen komen. Zo bestudeerde hij onderzoeken over de invloed van social support op de zwangerschap, de ontwikkeling bij kinderen, de ontwikkeling bij adolescenten, specifieke ziekten, de behandelingen na ziekten en het omgaan met de dood. Op basis van zijn literatuurstudie concludeerde Cobb (1982) dat social support een belangrijke positieve invloed heeft op tal van gezondheidsvariabelen doorheen het ganse leven.
1.4.1.2. Social support en psychische gezondheid
Lin, Simeone, Ensel en Kuo (1979) onderzochten aan de hand van interviews bij 170 Amerikanen van Chinese oorsprong (121 mannen, 49 vrouwen) de invloed van social support op ziekte. Met ziekte bedoeld men hier of de respondent de afgelopen zes maanden symptomen van psychiatrische ziekten vertoond heeft. De resultaten van het onderzoek geven aan dat de respondenten die veel social support hebben minder psychiatrische symptomen vertonen dan de respondenten die weinig social support hebben. Social support blijkt dus een positieve bijdrage te leveren aan de psychische gezondheid.
Ook Lin, e.a. (1999) vinden in hun onderzoek een bevestiging voor de positieve invloed van social support op de psychische gezondheid. De auteurs gingen in hun onderzoek aan de hand van persoonlijke interviews bij 1.261 inwoners van New York de invloed na van social support op depressie. Social support werd in dit onderzoek opgevat als het zich ingebed voelen in een netwerk en werd gemeten als het regelmatig hebben van contact met vrienden en familieleden. Het onderzoek toonde aan dat personen die zich ingebed voelden in een netwerk minder depressief waren. Hieruit blijkt dus nogmaals dat social support een positieve invloed heeft op de psychische gezondheid.
Terwijl Lin, e.a. (1999) alleen geïnteresseerd waren in de invloed van social support op depressie, bestudeerde Eaton (1978) de invloed van social support op mentale stoornissen in het algemeen. Eaton (1978) gebruikte voor zijn onderzoek de “New Haven Data”. Deze dataset bestaat uit gegevens over levensgebeurtenissen en psychiatrische symptomen van 720 inwoners van New Haven die in 1967 en 1969 geïnterviewd werden. Eaton (1978) wilde aan de hand van deze gegevens de invloed nagaan van social support op mentale stoornissen. Uit het onderzoek bleek dat de groep personen die veel social support hadden, minder mentale stoornissen vertoonden dan de groep personen die weinig social support hadden. Hieruit blijkt dus dat social support helpt om mentale stoornissen te voorkomen.
Social support helpt echter niet alleen bij het voorkomen van psychische ziekten, maar heeft ook meer algemeen een invloed op de dagelijkse psychologische aanpassing. Zo onderzochten Holahan en Moos (1981) aan de hand van een longitudinaal onderzoek met gestandaardiseerde vragenlijsten bij 267 families (man en vrouw) of een verandering in de mate van social support een invloed heeft op de dagelijkse psychologische aanpassing. De verandering waarover hier sprake is, bestaat uit een verandering na één jaar. Een slechte psychologische aanpassing werd in dit onderzoek omschreven als het vertonen van depressie en psychosomatische klachten (bijvoorbeeld hoofdpijn, maagpijn en slapeloosheid). De resultaten van het onderzoek gaven aan dat de personen die een vermindering in hun mate van social support hadden ondervonden, meer depressie en psychosomatische klachten vertoonden. Hieruit blijkt dus dat een daling in de mate van social support samengaat met een slechtere psychologische aanpassing.
1.4.1.3. Social support en welbevinden
Om de invloed van social support op het welbevinden na te gaan, analyseerde Turner (1981) de gegevens van vier verschillende onderzoeken die elk een heel andere onderzoekspopulatie hebben bevraagd. De eerst dataset komt van de “Family Volunteer Study” waarin 293 nieuwe moeders ondervraagd werden. Het tweede onderzoek dat Turner (1981) gebruikte, is de “Maladaptive Parenting” studie waarbij de gegevens bekomen werden van 65 moeders die problemen hadden met hun ouderlijke rol. De “Adult-Onset Hearing Loss” studie waarin gegevens van 420 volwassenen die recent de diagnose van gehoorverlies kregen, werden verzameld, vormt de derde dataset. De vierde en laatset dataset wordt gevormd door de gegevens van “The Mentally Ill in the Community” studie, waarbij de gegevens van 100 personen werd verzameld die in een psychiatrisch ziekenhuis waren opgenomen. Turner wilde in deze vier datasets nagaan of social support een invloed heeft op het welbevinden. Hij wilde ook nagaan of social support een rechtstreekse invloed heeft op het welbevinden of dat social support eerder fungeert als een buffer in tijden van moeilijkheden. Uit het onderzoek bleek dat er in alle vier de datasets een invloed was van social support op het welbevinden. De belangrijkste invloed van social support op het welbevinden zou ook rechtstreeks verlopen.
Deze conclusies worden empirisch ondersteund door het onderzoek van Williams, e.a. (1981). Zij onderzochten aan de hand van een longitudinaal onderzoek, dat gebruik maakte van gestandaardiseerde vragenlijsten, bij 2.234 volwassenen de invloed van levensgebeurtenissen op het welbevinden en de rol van social support hierbij. De resultaten van het onderzoek gaven aan dat het gemiddelde welbevinden van de personen met veel social support hoger lag dan het gemiddelde welbevinden van de personen met weinig social support. Hieruit blijkt opnieuw dat social support een rechtstreeks effect heeft op het welbevinden en dat het niet fungeert als een buffer in moeilijke tijden.
Ook het onderzoek van Cohen en Wills (1985) vindt een positief effect van social support op het welbevinden. De auteurs wilden onderzoeken of er een effect is van social support op het welbevinden en of dit effect rechtstreeks verloopt of dat social support als buffer fungeert tussen stress en welbevinden. Cohen en Wills (1985) bekeken hiervoor de methodologische kwaliteit van de studies die tot en met 1983 gevoerd werden en die social support onderzocht hadden. De resultaten van deze onderzoeken werden met elkaar vergeleken. Uit het onderzoek bleek dat er voldoende empirische ondersteuning te vinden was om te besluiten dat social support een positief effect heeft op het welbevinden.
1.4.1.4. Social support en levenssatisfactie / huwelijkssatisfactie
Adams, King en King (1996) onderzochten de invloed van social support, afkomstig van de gezinsleden, op levenssatisfactie en namen hiervoor vragenlijsten af van 163 voltijds tewerkgestelde werknemers, die ingeschreven waren in een avond- of weekendcursus en die zo een bijkomend diploma probeerden te verwerven. Het onderzoek vond een sterke positieve relatie tussen familiale social support en levenssatisfactie. Hieruit blijkt dus dat social support, die men van gezinsleden ontvangt, een positieve invloed heeft op levenssatisfactie.
Social support heeft echter niet alleen een positief effect op levenssatisfactie, maar ook op huwelijkssatisfactie. Zo onderzochten Burke en Weir (1982) aan de hand van een vragenlijst bij 189 getrouwde koppels of social support van de partner een invloed heeft op de tevredenheid met het leven, de job en het huwelijk. Uit het onderzoek bleek dat mannen en vrouwen die vonden dat ze voldoende steun van hun partner kregen meer tevreden waren met hun leven, hun job en hun huwelijk. Hieruit blijkt dus dat social support van de partner een positieve invloed heeft op huwelijkssatisfactie.
Het is echter niet alleen social support van de partner die een invloed heeft op huwelijkssatisfactie, maar ook social support van andere personen. Zo heeft het onderzoek van Bryant en Conger (1999) de invloed van een meer algemene maat van social support op huwelijkssatisfactie bestudeerd. Social support wordt door de auteurs opgevat als de steun die men krijgt van vrienden, familie en schoonfamilie. In hun onderzoek gingen Bryant en Conger (1999) aan de hand van gestandaardiseerde vragenlijsten bij 451 families (man en vrouw) na of social support een invloed had op huwelijkssucces. Met huwelijkssucces bedoelen de auteurs huwelijkssatisfactie, stabiliteit in het huwelijk en verbondenheid. Uit hun onderzoek bleek dat social support een positieve invloed had op huwelijkssucces. Hieruit volgt dus dat zowel social support van de partner als social support van familie en vrienden een positieve invloed heeft op huwelijkssatisfactie.
1.4.1.5. Social support en opvoedingssatisfactie
Pittman en Lloyd (1988) onderzochten aan de hand van telefooninterviews bij 810 willekeurig gekozen volwassenen de invloed van social support op huwelijkssatisfactie, opvoedingssatisfactie en levenssatisfactie. Uit hun onderzoek bleek dat personen die veel support hadden meer tevreden waren met hun huwelijk, de opvoeding en hun leven. Hieruit blijkt dus dat social support een positieve invloed heeft op huwelijkssatisfactie en opvoedingssatisfactie.
Ook Goetting (1986) ondervindt in haar onderzoek een positieve invloed van social support op opvoedingssatisfactie. Ze bestudeerde de resultaten van voorgaande onderzoeken die de invloed van meerdere onafhankelijke variabelen (bijvoorbeeld geslacht, opleiding, burgerlijke status, social support) op opvoedingssatisfactie nagingen. Op basis van het literatuuroverzicht concludeerde Goetting (1986) dat social support een positieve invloed had op opvoedingssatisfactie.
Suárez en Baker (1997) onderzochten aan de hand van gestandaardiseerde vragenlijsten bij 75 families (man en vrouw) of social support een invloed heeft op de ervaring van de ouders met de opvoeding. Uit het onderzoek bleek dat de ouders die veel social support hadden de opvoeding positiever ervoeren dan de ouders die weinig social support hadden. Dit onderzoek toont dus nogmaals aan dat social support een positieve invloed heeft op opvoedingssatisfactie.
1.4.1.6. Social support en ouderlijke depressie
Social support heeft een invloed op de gevoelens van competentie die ouders ervaren. Een onderzoek dat hierop dieper inging, is dat van Abernethy (1973). Zij probeerde aan de hand van diepte-interviews bij 41 midden- en hogere klasse moeders na te gaan of de aanwezigheid van een dicht en vast of open en los sociaal netwerk een invloed heeft op hoe moeders omgaan met de ouderlijke rol. Meer specifiek wilde ze nagaan welke effecten er uitgaan van sociale netwerken naar gevoelens van competentie bij moeders. Uit het onderzoek kwam naar boven dat moeders die een dicht sociaal netwerk hadden, vertrouwen hadden in hun competentie als moeder. De moeders die daarentegen een open en los sociaal netwerk hadden, waren meer gefrustreerd over het moederschap en twijfelden meer aan hun competentie als moeder. De resultaten van haar onderzoek geven dus aan dat het hebben van een dicht sociaal netwerk positief gerelateerd is aan gevoelens van competentie en negatief gerelateerd aan gevoelens van frustratie in verband met de opvoeding. In dit onderzoek werd ouderlijke depressie ondermeer omschreven als het ervaren van inadequatie (cfr. supra). Hieruit kunnen we vervolgens afleiden dat moeders met veel social support minder ouderlijke depressie zullen vertonen dan moeders met weinig social support omdat zij meer gevoelens van competentie ervaren.
De bevinding van Abernethy (1973), dat ouders met veel social support een gevoel van competentie in verband met de opvoeding verwerven, vinden we ook terug bij Belsky (1984). Zo maakte Belsky (1984) op basis van bestaande onderzoeken een model dat de determinanten van opvoeden weergeeft. De literatuur wees volgens hem uit dat social support een positief effect heeft op het psychologische welbevinden in het algemeen en op de mentale gezondheid van ouders in het bijzonder. Nog belangrijker is volgens hem dat onderzoek aangaf dat social support een positieve invloed heeft op het ouderlijk functioneren. Uit zijn literatuuroverzicht bleek ook dat de ouders die zich ingebed voelden in een dicht sociaal netwerk, een gevoel van competentie verwierven in verband met de opvoedingsrol. Kortom blijkt uit de besluiten van Belsky (1984) dat ouders met veel social support zich beter en bekwamer voelen in de ouderlijke rol dan ouders met weinig social support. Hieruit kunnen we dus zoals hierboven opmaken dat ouders met veel social support minder ouderlijke depressie zullen vertonen dan ouders met weinig social support.
1.4.1.7. Social support en ouderlijke rolrestrictie
Van den Troost (2005) gebruikte de gegevens van het Nederlandse longitudinale onderzoek “Child-rearing and Family in the Netherlands” dat in 1990 gestart is. In het Nederlandse onderzoek werden 1.829 families (man, vrouw en adolescent) geïnterviewd en moesten ze eveneens enkele vragenlijsten invullen. Van den Troost (2005) onderzocht aan de hand van de gegevens van 646 koppels (man en vrouw) van de oorspronkelijke steekproef in 1990 of social support een invloed heeft op huwelijkssatisfactie, opvoedingssatisfactie, ouderlijke rolrestrictie en opvoedingsbelasting. Uit het onderzoek bleek dat personen die veel social support hebben meer tevreden zijn met hun huwelijk en de opvoeding. Eveneens bleek dat deze personen de ouderrol minder restrictief beschouwden en de opvoeding als minder belastend ervoeren. Social support blijkt dus een positieve invloed te hebben op huwelijkssatisfactie, opvoedingssatisfactie, ouderlijke rolrestrictie en opvoedingsbelasting.
1.4.1.8. Social support en opvoedingsbelasting
Tak en McCubbin (2002) gebruikten voor hun onderzoek een deel van de dataset van de longitudinale “Children’s chronic illness: parent and family adaptation” panelstudie uit 1990. De onderzoekspopulatie van Tak en McCubbin (2002) bestond uit 92 families die een kind onder de 12 jaar hadden waarbij in de afgelopen 3 of 4 maanden de diagnose van een hartziekte werd vastgesteld. Aan de hand van vragenlijsten bij beide partners wilden ze onderzoeken wat de relatie was tussen familiale stress, perceived social support en coping. Uit het onderzoek bleek dat zowel voor vaders als moeders social support een positieve én rechtstreekse invloed heeft op coping. Het onderzoek wijst er dus op dat ouders met veel social support, ongeacht of ze veel of weinig stress ervaren, beter overweg kunnen met de opvoeding dan ouders met weinig social support. Hieruit kunnen we afleiden dat ouders met veel social support de opvoeding waarschijnlijk als minder belastend zullen ervaren dan ouders met weinig social support omdat ze minder problemen ervaren met het opvoeden.
Social support heeft ook een invloed op de stress die men kan ervaren ten gevolge van de opvoedingstaken. Een van de eerste studies die deze link onderzocht heeft, is die van Quittner, Glueckauf en Jackson (1990). De gegevens voor het onderzoek werden verkregen door gestructureerde en gesloten interviews af te nemen van 96 moeders met een kind tussen 2 en 5 jaar dat aan gehoorverlies lijdt en 118 moeders met kinderen zonder gehoorverlies. Met het onderzoek wilden ze nagaan of social support een rechtstreeks -, een intermediair - of een buffereffect heeft op chronische ouderlijke stress. De resultaten geven aan dat social support een rechtstreeks en onafhankelijk effect heeft op ouderlijke stress. Ouders met veel social support blijken dus minder ouderlijke stress te ervaren dan ouders met weinig social support. Stress kan evenals frustratie erop wijzen dat ouders de opvoeding als belastend ervaren. Hieruit volgt dan dat ouders met veel social support de opvoeding als minder belastend zullen ervaren dan ouders met weinig social support.
Ook Östberg en Hagekull (2000) komen tot de conclusie dat ouders met veel social support minder ouderlijke stress ervaren dan ouders met weinig social support. Zij onderzochten aan de hand van gestandaardiseerde vragenlijsten bij 1.081 Zweedse moeders met kinderen tussen 6 maanden en 3 jaar welke relatie er bestaat tussen social support en ouderlijke stress. Uit het onderzoek bleek dat moeders met weinig social support meer ouderlijke stress ervoeren dan moeders met veel social support. De data ondersteunden ook alleen een rechtstreeks effect van social support op ouderlijke stress en geen buffereffect. Zoals hierboven reeds werd aangehaald kan ouderlijke stress erop wijzen dat men de opvoeding als belastend ervaart en dus kunnen we ook hier besluiten dat ouders met veel social support de opvoeding waarschijnlijk minder belastend vinden dan ouders met weinig social support.
1.4.1.9. Social support en autonomie / traditionele gezinswaarden/ hedonisme
Mensen die andere waarden belangrijk vinden kunnen een andere invloed ondervinden van social support. Een eerste waarde die een invloed kan hebben is autonomie. Onderzoek van Sagiv en Schwartz (2000) bestudeerde aan de hand van een gestandaardiseerde vragenlijst bij 1.261 studenten en volwassenen in Israël en Duitsland of het belang dat men hecht aan de waarde autonomie een invloed heeft op het subjectief welbevinden. Uit het onderzoek bleek dat de personen die autonomie zeer belangrijk vonden een hogere graad van subjectief welbevinden hadden dan de personen die autonomie minder belangrijk vonden. Wanneer we deze conclusie samenbrengen met de resultaten van het onderzoek van Lin, e.a. (1999) en Cohen en Wills (1985) dan kunnen we besluiten dat mensen die veel social support ontvangen en autonomie belangrijk vinden een hogere graad van huwelijkssatisfactie en opvoedingssatisfactie zullen hebben en minder ouderlijke depressie, ouderlijke rolrestrictie en opvoedingsbelasting zullen ervaren. Deze mensen zullen namelijk een dubbel positief effect ondervinden. Het eerste positieve effect blijkt te komen uit het feit dat ze autonomie belangrijk vinden en het tweede positieve effect is afkomstig uit de social support die ze ontvangen.
Een tweede waarde die een invloed kan hebben is familisme. In het onderzoek van Knight, Robinson, Flynn Longmire, Chun, Nakao en Kim (2002) werd aan de hand van gestandaardiseerde vragenlijsten bij 239 zorgverleners uit Amerika, Japan en Korea nagegaan of familisme een invloed had op depressie en zorgbelasting. Uit het onderzoek bleek dat de zorgverleners die familisme belangrijk vonden minder depressief waren en minder zorgbelasting ondervonden dan de zorgverleners die familisme minder belangrijk vonden. Wanneer we ook hier deze conclusie samenbrengen met de resultaten van het onderzoek van Lin, e.a. (1999) en Cohen en Wills (1985) dan kunnen we besluiten dat mensen die veel social support ontvangen en traditionele gezinswaarden belangrijk vinden een hogere graad van huwelijkssatisfactie en opvoedingssatisfactie zullen hebben en minder ouderlijke depressie, ouderlijke rolrestrictie en opvoedingsbelasting zullen ervaren. Deze mensen zullen namelijk een dubbel positief effect ondervinden. Het eerste positieve effect blijkt te komen uit het feit dat ze traditionele gezinswaarden belangrijk vinden en het tweede positieve effect is afkomstig uit de social support die ze ontvangen.
De derde waarde die een invloed kan hebben is hedonisme. In het onderzoek van Veenhoven (2003) werd nagegaan of hedonisme een invloed heeft op gelukkig zijn. Hiervoor analyseerde de auteur alle resultaten uit onderzoeken die de relatie tussen hedonisme en gelukkig zijn bestudeerd hadden. Hieruit bleek dat meer hedonistisch ingesteld zijn samenhangt met gelukkiger zijn. Wanneer we hier opnieuw deze conclusie samenbrengen met de resultaten van het onderzoek van Lin, e.a. (1999) en Cohen en Wills (1985) dan kunnen we besluiten dat mensen die veel social support ontvangen en hedonistisch ingesteld zijn een hogere graad van huwelijkssatisfactie en opvoedingssatisfactie zullen hebben en minder ouderlijke depressie, ouderlijke rolrestrictie en opvoedingsbelasting zullen ervaren. Deze mensen zullen namelijk een dubbel positief effect ondervinden. Het eerste positieve effect blijkt te komen uit het feit dat ze hedonistisch ingesteld zijn en het tweede positieve effect is afkomstig uit de social support die ze ontvangen.
1.4.2. Onderzoeksresultaten gezinscohesie
1.4.2.1.