Twintig jaar Raamtheater. Een zoektocht naar de geschiedenis van een theater (1978-1998). (Gertie Brouwers)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL III: HET REPERTOIRE VAN HET RAAMTHEATER EN DE RECEPTIE IN DE VLAAMSE KRANTEN

 

I. De receptie in de Vlaamse kranten

 

Wat geschreven wordt in de pers komt niet steeds overeen met de ‘werkelijkheid’, of met wat het publiek, of de spelers zelf ervaren. Dit geldt des te meer voor de toneelrecensies, die maar al te vaak een zeer persoonlijke visie op de (al dan niet) geziene voorstellingen weergeven. Een stuk dat een unaniem lovende kritiek krijgt in de pers, hoeft daarom geen publiekstrekker te zijn, en omgekeerd geldt net hetzelfde.

Walter Tillemans zelf zei in 1998 over dit onderwerp in een interview in De Morgen het volgende: “Het publiek dat naar theater gaat, vindt zich niet terug in de brouwsels van de hooggeleerde recensenten van de zogenaamde kwaliteitskranten. Die houden enkel een onderlinge competitie in woordneukerij. Het probleem is dat die amateurs – die eigenlijk allemaal zelf kunstenaar hadden willen worden – door de overheid onmiddellijk als ‘kenners’ worden beschouwd. Je moet in dit land opletten of je wordt na je derde recensie al opgenomen in de Raad voor Advies. Ik trek me al jarenlang niets aan van de kritiek. Neem nu zo een Wim Van Gansbeke. Die verliet na vijf minuten de zaal bij Spel van Liefde en Toeval. Dat stuk hebben we twee jaar voor volle zalen gespeeld, maar meneer vond het maar niets en hij wilde dat ook zeer luidruchtig aan het publiek vertellen.”[144]

Door hier scherp uit te halen naar de “onkunde” van enkele recensenten maakte Tillemans zich bij deze groep zeker niet populair.

 

Zeker kan de vraag gesteld worden in hoeverre de perskritieken representatief zijn voor de beoordeling van een stuk. Dat het om de persoonlijke mening gaat van één toeschouwer, die de stukken ook anders (kritischer) bekijkt dan de doorsnee toeschouwer is reeds vermeld. Het is vanzelfsprekend dat elke persoon een toneelvoorstelling op een andere manier beleeft, omdat de perceptie bij elke mens anders is en erg persoonlijk.

 

Aan theater in het algemeen wordt in de Vlaamse kranten te weinig aandacht besteed. Anton Segers deed in dit verband een kleine steekproef in De Scène in 1992. Het ging om een zeer beperkt onderzoek, maar het resultaat sprak voor zich. De Gazet van Antwerpen en Het Laatste Nieuws besteden elk één duizendste van hun ruimte aan theater, Het Nieuwsblad zelfs maar een half duizendste. De Standaard doet al iets beter met drie duizendste, Het Volk reeds een half honderdste, en De Morgen scoort het meest, met net iets meer dan één honderdste.[145] Bijster veel is dit zeker niet te noemen.

 

Toch wordt er aan de pers een belangrijke rol toegeschreven, hoewel niet iedereen daaraan wil toegeven, zoals Walter Tillemans bijvoorbeeld. Pers is voor theater een belangrijk gegeven. Het gaat daarbij wellicht niet in de eerste plaats om de recensies, maar om de aandacht die wordt besteed aan het theater in de media. Zelfs met een negatieve publicatie wint een theater aan aandacht, daar is de controverse rond het Toneelhuis een mooi voorbeeld van. Al wordt er ‘schandaal’ geroepen, des te beter, dan komen de mensen net kijken om er over te kunnen meespreken. Hoe meer controverse hoe beter. Zolang de zalen vollopen, is er geen probleem.

Wanneer dit echter niet het geval is, wordt er vaak met een verwijtende vinger naar de pers gewezen. Dan wordt het tekort aan succes vaak toegeschreven aan slechte recensies, of de afwezigheid ervan.[146]

 

 

II. Enkele vergelijkingen

 

Reeds vanaf het begin van zijn carrière opteerde Walter Tillemans bewust voor een theatervorm die een zo breed mogelijk publiek kon aanspreken. Elitair theater is aan hem niet besteed, het was het ‘grote’ publiek dat Tillemans wou aanspreken.[147]

Het Raamtheater haalde recordcijfers met voorstellingen als Arme Cyrano!, dat ongeveer 144 keer werd gespeeld, De Tuinman van de Koning dat ongeveer 350 keer werd opgevoerd, en Pak ‘em Stanzi dat rond de 370 voorstellingen haalde.

Om de receptie in de Vlaamse kranten te vergelijken met de publiekcijfers zijn enkele voorstellingen gekozen bij wijze van steekproef, omdat een volledig onderzoek ons hier te ver zou leiden: het Raamtheater produceerde in zijn twintigjarig bestaan namelijk ca. 100 voorstellingen.[148]

Voor de keuze van deze vergelijking, hebben we ons gebaseerd op de stukken die de bevoorrechte getuigen zich als ‘meest memorabele’ herinnerden, stukken die opvallende perskritieken kregen, en stukken die volgens de publiekcijfers zeer succesvol bestempeld kunnen worden.

Aan enkele bevoorrechtte getuigen werd gevraagd de voor hen meest memorabele stukken op te schrijven, dit zowel in de positieve als negatieve zin. Wat opviel was dat ook bij de medewerkers van het RaamTeater de meningen omtrent de voorstellingen wel eens kunnen verschillen.

 

 

 

“Beste” voorstellingen volgens de

bevoorrechte getuigen en het aantal stemmen

“Minder goede” voorstellingen volgens

de bevoorrechte getuigen en het aantal stemmen

De Canadese Muur (Brusselmans en Lanoye) (1988-89)

 3

De Grieken (Kotler/ Aeschylos/ Euripides/Sophocles) (1994-95)

 3

De Kontrabas (Süskind) (1982-83)

 2

Het Archimedes-principe (Van Laerhoven) (1996-97)

 3

De Schommel (Mazya) (1994-95)

 

 2

La Locandiera (Goldoni) (1995-96)

 3

Kunst (Reza) (1995-96)

 2

Reis om de wereld in 80 dagen (Verne/Kohout) (1988-89)

 2

Nen Belgische Leeuw (Mamet) (1978-79)

 2

De Goede Moeder (Goldoni) (1991-92)

 1

Pak ‘em Stanzi (Luckham) (1983-84)

 2

De Spaanse Brabander (Bredero) (1985-86)

 1

Arme Cyrano! (Rostand/Kohout) (1982-83)

 1

De Piano (Van Pellecom) (1997-98)

 1

De Lintjes van Mijnheer Schutz (Fenwick) (1994-95)

 1

Gilgamesj (Van de Velde) (1992-93)

 1

De Stoel van Stanislawski (Van Meir) (1986-87)

 1

Goya, of de Slaap van de Rede (Vallejo) (1991-92)

 1

Droom van een Zomernacht (Shakespeare) (1984-85)

 1

Het Einde van de Wereld (Fo) (1979-80)

 1

Geschiedenis van een Paard (Tolstoj) (1987-88)

 1

Scapino! (Molière/Dunlop) (1987-88)

 1

Gilgamesj (Van de Velde)

(1992-93)

 1

Siberië (Mitterer) (1992-93)

 1

Hamlet (Shakespeare) (1986-87)

 

 1

_

 

Jeugdziekte (Bruckner) (1992-93)

 

 1

_

 

Mevr. Klein (Wricht) (1989-90)

 

 1

_

 

Om nooit te vergeten (Ayckbourn) (1995-96)

 1

_

 

Play Macbeth (Shakespeare/ Kohout) (1980-81)

 1

_

 

Spoken (Ibsen) (1988-89)

 

 1

_

 

Teibele en haar duivel (Singer) (1987-88)

 1

_

 

Valentin’s Onzin (Valentin/ Vingerhoets) (1989-90)

 1

_

 

 

Wat voor ogen moet gehouden worden bij deze lijst, is dat niet elke bevoorrechte getuige die reageerde op de vragenlijst de hele evolutie van het Raamtheater heeft meegemaakt. Bij vier was dit wel het geval. (Marc Cnops, Frank Aendenboom, Toon Brouwers en John Willaert). Eén werkte mee vanaf 1982 (An Nelissen) één vanaf 1984 (Guy Voets jr.) één vanaf 1993 (Rob Karreman).

 

Wat hierbij opvalt, is dat er meer eensgezindheid bestaat over de minder goede voorstellingen dan over de goede voorstellingen. Het is natuurlijk zo dat de herinnering aan een voorstelling vaak samenhangt met het “succes” van de acteur/trice of de regisseur die ze hebben gekoppeld aan een bepaalde opvoering van een stuk. Zo komt De tuinman van de Koning niet voor, terwijl deze productie toch ongeveer 250 keer opgevoerd werd, en daardoor succesvol kan genoemd worden. Deze voorstelling was echter een monoloog, gebracht door Luc Philips en geregisseerd door Walter Tillemans. Er waren niet veel andere medewerkers bij betrokken en wellicht zijn er dan minder snel goede of slechte herinneringen mee verbonden.

Bovendien is het niet makkelijk om uit ongeveer 100 producties zes stukken uit te pikken die als ‘goed’ of ‘minder goed’ moeten beoordeeld worden. Dat impliceert namelijk dat er een selectie moet gemaakt worden, maar op basis van welke criteria? Geen enscenering is met een andere te vergelijken, en bij elk stuk zijn er andere factoren die de voorstelling memorabel kunnen maken.

Soms werd de lijst (bewust?) niet ingevuld. Dit kan zijn om zeer uiteenlopende en verschillende redenen. Bijvoorbeeld om geen mensen op de tenen te trappen, of omdat er geen enkele voorstelling beter of minder goed bevonden werd. Een van de medewerkers (Frank Aendenboom) zegt dan weer dat wanneer er met zekerheid zou geweten zijn hoe er een op alle vlakken geslaagde productie moest gemaakt worden, er geen subsidies meer zouden nodig zijn. Maar dat is inderdaad niet het geval, en aan elke voorstelling word gewerkt en gesleuteld, en tracht men er het beste van te maken.

 

Niet iedereen heeft gereageerd op de vragenlijst, maar het is dan ook slechts een middel geweest om een beeld te krijgen van de meningen van de medewerkers, en het had niet de intentie om een exhaustief onderzoek te zijn.

Bij de minder goede voorstellingen zijn er drie die driemaal voorkomen. Dit zijn De Grieken (Kotler), La Locandiera (Goldoni) en Het Archimedesprincipe (Van Laerhoven). De Reis om de wereld in 80 dagen wordt tweemaal vernoemd.

Gilgamesj (Van de Velde) komt dan weer voor in de beide categorieën.

Bij de beste voorstellingen werden er meer stukken opgegeven. De Canadese Muur (Brusselmans/Lanoye) werd drie maal opgegeven in deze categorie. Dan zijn er zes voorstellingen die tweemaal worden vernoemd. Dit zijn De Kontrabas (Süsskind), De Schommel (Mazya), Hedda Gabler (Ibsen), Kunst (Reza), Nen Belgische Leeuw (Mamet) en Pak ‘em Stanzi (Luckham).

 

Wat nu volgt is een kleine bespreking van tien stukken met de perskritieken. De keuze van de stukken had kunnen gebeuren bij wijze van steekproef, maar er werd geopteerd om de stukken uit de terugbezorgde vragenlijsten te nemen. Er werd gekozen voor vijf stukken uit de lijst van de beste voorstellingen. Dit zijn Nen Belgische Leeuw, Pak ‘em stanzi, De stoel van Stanislawski, De Canadese Muur en De Schommel. Vier voorstellingen die werden gekozen uit de ‘minder goede’categorie zijn: Het einde van de wereld, De reis om de wereld in 80 dagen, Goya, of De slaap van de rede en De Grieken. Gilgamesj kwam voor in de beide categorieën.

 

 

III. Nen Belgische Leeuw van David Mamet (Seizoen 1978-79)

 

Dit stuk betekende op 15 februari 1979 de definitieve start van het Raamtheater in de Hoogstraat. De cast bestond uit Frank Aendenboom als de Meester, Roger van Kerpel als Don, en John Willaert als de jonge ‘junk’ Bobby. De regie was in handen van Walter Tillemans, Marc Cnops ontwierp en bouwde het decor.[149] Acht jaar later zou het stuk nog eens opgevoerd worden met dezelfde cast. [150]

 

American Buffalo is de bijnaam van één der eerste munten van de Verenigde Staten, eenvoudig omdat er een buffel op afgebeeld stond. De Amerikaanse auteur David Mamet koos deze benaming als titel voor zijn stuk dat zich afspeelt in een goor winkeltje in tweedehandse spullen. Door middel van drie mannen, die in dit triest milieu leven, toont hij ons de zelfkant van een steedse maatschappij.

De situaties zijn zó herkenbaar dat de actie zich gemakkelijk had kunnen afspelen in Antwerpen. Walter van den Broeck, die de Nederlandse vertaling maakte, heeft het stuk dan ook naar het Antwerpse milieu omgewerkt. De titel lag voor de hand: het eerste Belgische muntstukje was versierd met een leeuw. Vandaar: Nen Belgische Leeuw.[151]

 

Het publiek leek deze start van het Raamtheater wel te appreciëren. Er werden 26 voorstellingen gespeeld, en er kwamen 1.709 toeschouwers opdagen. Het seizoen daarop werd Nen Belgische Leeuw opnieuw op de affiche gezet met nog eens 18 voorstellingen waar 1.038 mensen op af kwamen.[152] Het stuk kreeg een vrijwel unaniem lovende pers. Zowel het stuk, de acteurs, de regie als het decor werden rijkelijk geprezen. Hoewel het stuk van David Mamet niet als wezenlijk ‘vernieuwend’ theater werd aanzien kon het op positieve reacties rekenen. Het was immers een stuk dat beter gespeeld kon worden op een klein plateau, net geschikt voor de zaal van het Raamtheater in de Hoogstraat.

Herman Van Dijck schreef in de Gazet Van Antwerpen dat dit stuk een schitterende start van het Antwerps Raamtheater betekende. “Het is een groot artistiek succes over de hele lijn (…) het Raamtheater heeft van dit stuk een indrukwekkende voorstelling gegeven in een schitterende regie van Walter Tillemans. Frank Aendenboom, Roger Van Kerpel en John Willaert mogen zonder uitzondering op een sublieme prestatie terugblikken.”[153]

Ook in De Standaard werd er gezegd dat het Raamtheater niet slecht begonnen was. “De acteurs, geregisseerd door Walter Tillemans, brachten in een raak typerend decor van Marc Cnops een sterke voorstelling.”[154] In De Morgen schreef Koen Calliauw dat de voorstelling vooral door de acteursprestaties een gelukte start voor het nieuw theatertje betekende.[155] Ingrid van der Veken had het in de Nieuwe Gazet over het beloftevol debuut van John Willaert. Ze was echter van mening dat het geen wezenlijk nieuw theater was, maar een stuk dat een ruim publiek kan aanspreken, en dat toch een heel eigen waarde ontleent aan zijn verwoording en de uitstekende wijze waarop het verdedigd wordt.[156]

Ook bij de wederopvoering tijdens het volgende seizoen was de pers nog steeds enthousiast. Bij de wederopvoering in 1986 werd Nen Belgische Leeuw nog steeds de succesproductie genoemd van enkele jaren terug. F.V.A. waarschuwde er in Het Volk echter voor dat er vooral geen steriel of intellectualistisch theater moest verwacht worden.[157]

 

Zo te zien was dit een uitstekende start voor het Raamtheater. Er was met weinig middelen, maar een groep enthousiaste theatermensen een succesvolle productie tot stand gekomen. Meteen twee vliegen in één klap, want niet alleen werd er met deze productie een nieuw theater geopend in Antwerpen, het introduceerde ook de nog redelijk onbekende David Mamet in Vlaanderen. Het Raamtheater zou na Nen Belgische Leeuw nog vijf stukken van Mamet opvoeren. Een Lang Leven theater in het seizoen 1979-80, wat nog teerde op het succes van Nen Belgische Leeuw. Met Oude banden, Lege handen en Zwarte pony, twee eenakters, werd de zaal aan den Drink in het seizoen 1984-85 ingespeeld door het Raamtheater. De zaal werd tijdelijk gehuurd, in afwachting van een eigen huis. Oleanna werd gespeeld in het seizoen 1992-93, en werd heropgevoerd in het daaropvolgende seizoen. Het Kryptogram stond op het programma in 1995-96 en Speed the Plow in 1997-98.

 

 

IV. Het einde van de wereld van Dario Fo (Seizoen 1979-80)

 

Het einde van de wereld was een wereldcreatie van het stuk van Dario Fo. Het ging in première op 10 mei 1980. De zeer jonge cast bestond uit John Willaert, Eric Kerremans, Anneleen Cooreman en Moniek de Beun. De Italiaan Arturo Corso stond in voor de regie. Er zouden 22 voorstellingen gespeeld worden voor 1.276 toeschouwers.[158]

 

Na een enorme natuurramp is de mensheid op de aarde totaal uitgeroeid. Op enkele exemplaren na, die zich toevallig ergens diep in een riool hadden opgehouden. Aanvankelijk blijken het maar twee exemplaren te zijn, een man en een vrouw. De grote moeilijkheden beginnen echter wanneer blijkt dat er nog een tweede man de ramp overleefde. Bovendien blijken er op aarde allerlei geheimzinnige dingen te gebeuren. Zo zijn de katten bezig zich in een sneltempo te beschaven. Ook de dag en de nacht gaan elkaar steeds sneller opvolgen.[159]

 

Herman Van Dijck schreef in de Gazet Van Antwerpen dat er gefluisterd werd dat Dario Fo zijn stuk zelf te slecht vond om het met zijn eigen groep te monteren. Toch had hij de vertolking aanstekelijk gevonden.[160]

Over de jonge cast waren trouwens de meeste recensenten wel te spreken. Gerd de Ley had het in Het Nieuwsblad over een enthousiaste ploeg jongeren waarvan de acteerprestaties er mochten wezen, met dynamiek, beweeglijkheid en vaart die je slechts uitzonderlijk in het Vlaamse theater tegenkomt. Over de regie van Corso was er niets dan lof te bespeuren in het Nieuwsblad: “schitterende vondsten perfecte timing”. Maar het overbodige gemoraliseer, het bladvulsel en de te lang uitgesponnen ideeën verzwakken de komedie.[161]

Monique La Roche had het een lollig einde van de wereld gevonden een, vermakelijke voorstelling. Het resultaat vond ze levendig, lollig en opbeurend.[162]

In De Standaard was de auteur er vanovertuigd dat de regisseur en acteurs duidelijk hun best deden om er een spetterende vertoning van te maken. Maar dat lukte niet helemaal. Het eerste deel van de voorstelling werd zelfs vervelend bevonden.[163]

Ingrid Vander Veken vond Het einde van de wereld ondanks de zwakke kanten toch heerlijk theater.[164]

 

Na deze wereldcreatie zoud het Raamtheater nog enkele keren met een wereldprimeur naar voor treden van buitenlands werk, waaronder Realpolitiek (Simonetta) op 27 september 1980 en Arme Cyrano (Rostand/Kohout) op 18 december 1982.

 

 

V. Pak ‘em Stanzi van Claire Luckham (Seizoen 1983-84)

 

Pak ‘em Stanzi van Claire Luckham werd door het Nieuw Ensemble RaamTeater voor het eerst opgevoerd op 4 mei 1984. Het was het laatste stuk dat het RaamTeater zou spelen op het adres in de Hoogstraat. Nadien speelde het stuk nog enkele seizoenen door in de verschillende zalen die het Raamtheater-gezelschap zou bespelen. Pak ‘em Stanzi ging onder meer op tournee in Vlaanderen, Nederland en Duitsland, en het Raamtheater werd met de ploeg van Pak ‘em Stanzi uitgenodigd op het theaterfestival van Edinburgh in 1988.

Drie seizoenen lang bleef het volk toestromen om dit catch-spektakel te kunnen meemaken. In het seizoen 1988-89 stonden er weer enkele voorstellingen op het programma ter gelegenheid van het jubileum van het RaamTeater.

De eerste Raamtheater-versie haalde meer dan 250 voorstellingen. Op 17 september 1985 werd reeds de 100.000ste bezoeker verwelkomd.[165]

Walter Tillemans regisseerde het stuk, Marc Cnops ontwierp het decor, Jan Leyers zorgde voor de muzikale begeleiding. De acteurs en actrices kregen als voorbereiding op het stuk een zes maanden lange training van de catch-kampioen Al Bastian. De choreografie werd verzorgd door Rit Verelst en Bob Verhelst stond in voor de kostuums.

Anneleen Cooreman en An Nelissen vertolkten om de beurt Pak ‘em Stanzi en Platina Fluffy om de zware fysieke last van de rol van Stanzi te verdelen. Eric Kerremans speelde Toni Macho, de echtgenoot van Stanzi. Katrien Devos was Happy Mama, Roger Van Kerpel vertolkte de rol van Lieve Paps, John Willaert speelde zowel Scheidsrechter als Dr. Psycho Taster.[166]

In het seizoen ‘86-’87 speelde Anneleen Cooreman de rol van Stanzi en Katelijne Verbeke Happy Mama.[167]

Ook onder het Ensemble KNS-RaamTeater zou Pak ‘em Stanzi weer op het programma staan. Er zouden nogmaals ongeveer 50 voorstellingen gespeeld worden. De cast werd bijna volledig vervangen: Lieve Cornelis speelde Stanzi, Veerle Dobbelaere en Pascale Michiels Platina Fluffy, Anne-Mie Gils was Happy Mama, en Bernard Verheyden vertolkte de rol van Lieve Paps. Van de originele cast bleven enkel Eric Kerremans en John Willaert over.[168]

 

In Pak ‘em Stanzi wordt de worsteling van een jonge vrouw om haar zelfstandigheid - eerste levensjaren, schooljaren, eerste werkkring, verliefdheid, huwelijk en teleurstellingen, successen en nederlagen - getoond als een waarachtige worstelwedstrijd in een catchring te midden van het publiek. Een “struggle for life” in de ring. Telkens wordt Stanzi gedwongen te vechten. Tegen haar ouders, haar vriendin, haar echtgenoot Toni Macho. Stanzi kent nederlaag op nederlaag, tot zij haar eigen catchgreep ontwikkelt: de “venus-grijptang”.

Stanzi wordt beroepsworstelaar, en maakt carrière. Maar haar man Toni Macho stelt haar voor de keuze: zijn huisvrouw blijven of uit elkaar gaan. Stanzi lost dit probleem op haar eigen manier op: zij zal er met Toni om vechten. Dit wordt het hoogtepunt van de catchavond: de strijd tussen man en vrouw, de strijd tussen de seksen.

De pers was zeer verdeeld in het oordeel van de voorstelling van Pak ‘em Stanzi. Sommige recensenten hadden kritiek op de commerciële aanpak van het Raamtheater, en vonden het ‘volksstuk’ puur entertainment, spektakel zonder meer.

Klaas Tindemans kreeg in De Standaard de indruk dat er wel uiterst nauwkeurig gewerkt was aan de catch zelf, maar niet aan de show er rond.[169] Monique la Roche noemde Pak ‘em Stanzi niettemin onweerstaanbaar entertainment.[170]

Ingrid Vander Veken zegt in De Nieuwe Gazet / Het Laatste Nieuws: “Als catch spektakel is en theater spektakel is (of kan zijn), dan is Pak ‘m Stanzi spektakel in het Kwadraat.”

De pers stak het niet onder stoelen of banken dat het bij deze voorstelling om spektakel ging. Spektakel, maar dan van een hoog niveau. In Het Volk werd Pak ‘em Stanzi zelfs spektakel van de bovenste plank bevonden.[171]

Ook in de Gazet van Antwerpen werd er geschreven: “Voor wie houd van spektakel en show, het stuk vooral niet te ernstig neemt, en er niet tegen opziet mee lawaai te maken, biedt het RaamTeater een garantie op een ontspannend avondje uit, op de grens tussen theater, sport, musical en circus.”[172]

 

Pak ‘em Stanzi werd meer dan 300 maal opgevoerd, zowel in binnen- als in buitenland.

Bij de wederopvoering van Pak ‘em Stanzi tijdens de samenwerking Ensemble-KNS-RaamTeater (1991-1994) schreef de pers al iets minder enthousiast over het catch-spektakel, maar Linda Berghmans was van mening dat het stuk weinig van zijn pit verloren had.[173]

In De Nieuwe Gazet werd er geschreven dat je niet vaak meemaakt dat Rock ’n Roll muziek, songs van Jan ‘Soulsister’ Leyers, en joelende toeschouwers in het theater voorkomen. Toch wil men zich hier niet echt negatief uitspreken, want even verder staat: “Genuanceerd of geraffineerd theater kan je dit bezwaarlijk noemen, maar je zal zelden zo een geamuseerd en enthousiast publiek op de tribunes zien”. Ook Erik Kerremans wordt even geprezen, die als Toni Macho meer dan ooit in vorm bleek te zijn.[174]

Ook Het Nieuwsblad bestempelde Pak ‘em Stanzi nog steeds als een adembenemend spektakel. “De acteurs spelen en zingen de pannen van het dak en leveren een atletische prestatie om u tegen te zeggen, waardoor de naïeve zwart-wit intrige naar de achtergrond verdwijnt.”[175]

 

Als leerling van Herman Teirlinck heeft Walter Tillemans ook steeds diens ideaal willen helpen realiseren: het streven naar een theater voor een breed publiek, het werken aan een eigen spelcultuur met een groot gezelschap waarin de beste krachten in een hecht ensemble met elkaar samenwerken.[176] Ook met het Raamtheater heeft hij getracht om de erfenis gestalte te geven. Voor dat ‘gestalte geven’ heeft Walter Tillemans onder meer geput uit de opvattingen en technieken van een ‘volkstheater’.[177] Pak ‘em Stanzi noemde hij echt volkstheater. Walter Tillemans had geen boodschap aan theater dat het ‘hogere’ zocht, hij wou theater maken dat iets aansprak wat wij als mensen gemeenschappelijk hebben.[178]

Bij het ‘oude volkstheater’ zijn de voornaamste aantrekkelijkheden het gebruik van het dialect en een zekere streekgebondenheid die daaruit voortvloeit, de absoluut traditionele inlevingspatronen, het bewust hanteren van de voorspelbaarheid (happy-end) en de moraalles. Bij het ‘nieuwe volkstheater’ houdt het repertoire het midden tussen boulevard- en gemoderniseerd en geëngageerd populair theater, dat zeer commercieel is van instelling.

Volgens Marianne Van Kerkhoven kan Pak ‘em Stanzi van het Raamtheater in deze categorie van het ‘nieuwe volkstheater’ ondergebracht worden. In hun poging om populariteit en kritiek met elkaar te verzoenen, worden de oorspronkelijke elementen van het vormingstheater binnen een zo commercieel mogelijk gedachte theaterorganisatie gebracht, dat zij al hun maatschappelijke kracht verliezen. In dit nieuw soort volkstheater primeert uiteindelijk het kritiekloze amusement. Ondanks de beste bedoelingen verdringt volgens Van Kerkhoven de catch-entourage en de fysieke prestatie van de acteurs in Pak ‘em Stanzi de perceptie van de politieke inhoud van het stuk. In het nieuwe volkstheater is geen gevecht meer aanwezig noch met de politieke, noch met de artistieke opvatting van het publiek.[179]

Walter Tillemans dacht het zijne van de ‘geleerde woorden’ van Etcetera “dat toch enkel vol staat met onleesbare artikels”, want de zalen zaten vol mensen, die blijkbaar genoten van dit onderhoudende volkstheater.[180]

 

 

VI. De Stoel van Stanislawski van Guido Van Meir (Seizoen 1986-87)

 

De Stoel van Stanislawski was een creatie van het Nieuw Ensemble RaamTeater van het stuk geschreven door Guido van Meir in een regie van Walter Tillemans. Het decor werd gemaakt door Marc Cnops, de jonge cast bestond uit An Nelissen, Luc Wijns, Mark Peeters, John Willaert, Riet van Gool, Katelijne Verbeke, Manuela Van Werde en Ann Pira. Het stuk ging in première op 23 januari 1987 als tweede stuk dat gespeeld werd in het RaamTeater op ’t Zuid. Het werd nog eens opgevoerd in het seizoen 1987-88.

Het stuk was een satire op een aantal aspecten van de theaterwereld, maar ook over het machtsmisbruik in de maatschappij. Guido van Meir zelf noemde het een metafoor over de jeugdwerkloosheid, maar ook een satire op een bepaald soort modistisch regisseurstheater.

 

Een groep werkloze jonge acteurs en actrices gaan op een auditie bij een arrogante, gevierde avant-garde regisseur die de jonge kandidaten op een ongenadige manier manipuleert, hun wanhoop uitbuit en vanuit zijn superieure positie deze jongeren, die stuk voor stuk bereid zijn om tot het uiterste te gaan om die ene prestigieuze rol te bemachtigen, op een weinig scrupuleuze wijze tegen elkaar uitspeelt in een gevecht waarbij iedereen het tegen iedereen opneemt.

De eerste test die de kandidaat acteurs moeten ondergaan is de stoel van Stanislawski, een bekende improvisatieoefening van de Russische regisseur en theaterpedagoog Constantin Stanislawski (1863-1938). Een speler gaat zitten op een stoel en de tegenspeler heeft als opdracht hem door zijn argumenten, spel en geloofwaardigheid van de stoel te doen opstaan.[181]

De Stoel van Stanislawski kreeg een goede pers, die varieerde van wild enthousiasme tot gewoon een leuke, gezellige avond zonder meer. Toch waren er ook negatieve reacties op de voorstelling, vooral over de kritiek die het stuk zou geven op bepaalde regisseurs. De toneelcriticus Wim van Gansbeke, meende zelfs dat de voornaam van het personage in het stuk, Jari, een expliciete verwijzing was naar de regisseur Jan Fabre. Het zou een samentrekking zijn van diens voornamen, namelijk Jan en Henri.[182]

 

In Het Nieuwsblad wordt De Stoel van Stanislawski boeiend hedendaags theater genoemd, met een spannende intrige, een dosis humor, en een cast met niet minder dan acht talentrijke spelers die gedurende twee uur de aandacht van het publiek weet gaande te houden, waar de regie van Walter Tillemans niet vreemd aan is.[183]

Ingrid Vander Veken vond het in de eerste plaats gewoon grappig en spannend theater.[184]

In Het Volk werd er geschreven dat De Stoel van Stanislawski in de eerste plaats sterk theater is, waaruit de liefhebber raak geformuleerde en goed uitgebeelde kritiek op bepaalde modeverschijnselen binnen het theater kan destilleren.[185]

In De Standaard was men er echter niet van overtuigd dat wie minder bekend is met de tirannie van het regisseurstheater de ‘inside-jokes’ zal snappen, maar dat dat toch gecompenseerd wordt door het spannend handelingsverloop.[186]

In De Morgen noemt Monique La Roche De stoel van Stanislawski meeslepend, een onderhoudend stukje toneel, met geestige dialogen en verrassende situaties. De acteurs weten het volgens haar bovendien op meeslepende manier te brengen, zodat in het Raamtheater weer een opwekkend avondje theater te beleven valt.[187]

Ook de Gazet van Antwerpen heeft het over ‘comfortabel theatergenot’ en ‘onderhoudend en vlot theater’. “De Stoel van Tillemans zit vol verrassingen, biedt ruimte voor uitbundige acteerprestaties, zonder dat daarbij de tragische inhoud wordt verloochend.”[188]

 

Op 3 maart 1987 verscheen er in De Morgen een dossier van drie bladzijden gewijd aan de controverse rond De Stoel van Stanislawski, met als titel: “Wie krijgt Van Meir uit de stoel van Stanislawski?” Als inleiding op dit dossier schrijft Jack van Gils: “Het is vreemd dat er in de media niet méér te doen is rond dit toneelstuk. Niet omdat er een echte polemiek uitblijft tussen voor- en tegenstanders van een soort vernieuwend theater, waar dit stuk óók een beetje over gaat, maar waar alleen een handvol ‘freaks’ wat aan zou hebben. Vreemd echter, omdat een groot publiek duidelijk laat blijken een nieuw stuk van een Vlaamse auteur amusant en boeiend te vinden. Hadden we daar dan geen gebrek aan? Zaten we niet te wachten op talentvolle Vlaamse toneelschrijvers? ‘Het publiek moet maar oordelen’, zeggen theatercritici die we over De Stoel om hun mening vroegen. ‘Dik in orde’, zegt het publiek al meer dan een maand in de zaal van het Raamtheater.”[189]

De ‘gevreesde’ toneelrecensent Wim van Gansbeke liet er geen twijfel over bestaan dat hij het stuk niet kon appreciëren. Het stuk zou volgens hem ook té expliciet uithalen naar het moderne project-theater, het regisseurstoneel van mensen zoals Jan Fabre en Jan Decorte.

Martin Desloovere zegt in een nabeschouwing in Documenta dat er onnodig veel heisa rond dit stuk is gemaakt. “Van Meir heeft gewoon een vrij origineel stuk gebracht dat nu eens niet vervalt in oubolligheid.”[190]

Door de heisa of niet, het publiek vond de voorstelling oké. Het stuk werd dan ook heropgevoerd in het seizoen 1987-88.

 

Met De Stoel van Stanislawski werd niet voor de eerste maal een stuk van eigen bodem gespeeld. De Tuinman van de Koning ging 31 maart 1986 in première. Het was een monoloog geschreven door Walter van den Broeck met Luc Philips in de hoofdrol In september 1987 kreeg Walter Tillemans de Thaliaprijs, onder meer voor de bijdrage die hij had geleverd tot de Vlaamse dramaturgie (o.a. de creatie van De stoel van Stanislawski).[191]

Na dit stuk werden er nog elf Vlaamse stukken opgevoerd in het RaamTeater. Houten Clara (Christiaens & Tillemans) werd geschreven in opdracht van het Centrum Elzeveld naar aanleiding van het 750 jarige bestaan van het St. Elizabethgasthuis te Antwerpen in 1988. De Canadese Muur werd door Herman Brusselmans en Tom Lanoye geschreven in opdracht van het RaamTeater in 1989.

Tijdens de samenwerking tussen de KNS en het RaamTeater van 1991 tot 1994 werden er zes Vlaamse stukken gespeeld: Falerin, of hoe het lot weer tot leven kwam (Van Meir), Gilgamesj (Van de Velde), Leven en dood van het water (Christiaens), De Spaanse hoer (Claus), De Braderij (Christiaens & Fabri) en De Getuige (Van Pellecom).

Ook na de periode van het Ensemble KNS-RaamTeater werd er doorgegaan met het creëren van Vlaamse auteurs. Amanda en de Widowmaker was alweer een adaptatie naar toneel van een novelle van Walter Van den Broeck in 1994, ditmaal met Nora Tilley in de solorol. Van Het Archimedesprincipe van Bob Van Laerhoven werd een dramatische lezing gehouden in 1997. De Piano was in 1998 het tweede werk van Knarf Van Pellecom dat geprogrammeerd werd in het RaamTeater.

Zo werd er in het totaal reeds dertien maal Vlaams werk gebracht in het RaamTeater. Van deze dertien stukken werden er acht geregisseerd door Walter Tillemans.

 

 

VII. De reis rond de wereld in 80 dagen van Rostand/Kohout (Seizoen 1988-89)

 

De auteur Pavel Kohout maakte van dit verhaal van Jules Verne een toneelbewerking. Speciaal voor het jubileum van het Raamtheater herschreef Kohout deze bewerking in 1988. Bij gelegenheid van de première van De Reis rond de wereld in 80 dagen op 11 november 1988 vierde het gezelschap tien jaar Raamtheater, vijf jaar Nieuw Ensemble RaamTeater en tien jaar samenwerking met Pavel Kohout.[192] Walter Tillemans regisseerde, tien acteurs speelden 75 rollen, Marc Cnops maakte het decor en Bob Verhelst ontwierp de kostuums. Er werden 39 voorstellingen gespeeld.[193]

 

In de recensies die in de Vlaamse kranten verschenen waren de meningen over deze jubileumvoorstelling verdeeld. Ingrid van der Veken pleitte ervoor dat de productie van De reis om de wereld een visitekaartje zou krijgen van waar het RaamTeater voor staat: auteurstheater voor een breed publiek waarin het spel centraal staat.[194] Ook in De Morgen werd het stuk als jubileumvoorstelling erg geslaagd bevonden. “Ze roept niet alleen reminiscenties op aan de ‘goede oude tijd’ van August en Cyrano, ook de ‘jongste traditie’ van erg stereotiep theater wordt gerespecteerd.”[195]

De Gazet van Antwerpen vond De reis om de wereld in de eerste plaats een wonderbaarlijke ontdekkingstocht, waarbij 10 acteurs het klaarspelen om in meer dan 70 rollen alle doorkruiste gebieden te bevolken.[196]

De Nieuwe Gazet vond het eveneens een geslaagde reis rond de wereld. Zelfs na een nachtje slapen bleef de overtuiging dat de bewerking van Jules Vernes roman door Pavel Kohout een schot in de roos was, met de bedenking dat de 10 acteurs - goed voor ruim 70 rollen - over een onblusbaar uithoudingsvermogen beschikten. Toch moest er enigszins gerelativeerd worden: “Er draven zoveel episodes voorbij dat je ook wel eens naar rustpunten snakt, zodat je meer houvast krijgt aan het verhaal.”[197]

Hoewel de pers niet echt negatief uithaalde naar de voorstelling, bleef de belangstelling van het publiek matig. Dit kan wellicht alles te maken hebben met het feit dat de voorstelling drie uur duurde. Net zoals in De Nieuwe Gazet werd er door Mark van Steenkiste in De Standaard de opmerking gemaakt dat het een “lange reis” was: “Tegen een ijzig tempo wordt de fantasie van de toeschouwer geprikkeld. Speelse vondsten wisselen elkaar af: ongecompliceerd, grappig, soms naïef. Het aanvankelijk boeiende schouwspel stuikt echter ineen door te veel herhalingen en langdradigheid.”[198]

Hoewel deze bewerking van Jules Vernes De Reis om de wereld in 80 dagen bij de “minder goede” stukken op de lijst voorkomt, zijn de bewerkingen van Pavel Kohout de eerste tien jaar van het bestaan van het Raamtheater zeer belangrijk en succesvol geweest. Op de lijst van de “beste” voorstellingen staan vier stukken vernoemd waarvoor Pavel Kohout een bewerkingen maakte: Play Macbeth, Arme Cyrano, Droom van een zomernacht en Hamlet.

 

In het seizoen 1980-81 stond Play Macbeth, een bewerking van Macbeth van Shakespeare, op het programma, dat op 27 maart 1981 in première ging.

In 1978 werd Play Macbeth reeds in Praag opgevoerd in talrijke huiskamers, omdat Kohout wegens zijn regime-onvriendelijke houding niet meer bedrijvig mocht zijn in het theater. Zo was hij genoodzaakt om de originele Macbeth aan te passen aan vijf acteurs die ter beschikking stonden om deze ‘huiskamerversie’ te spelen.[199]

Deze klassieker was echter ook perfect op maat van het Raamtheater geschreven. De drieentwintig rollen werden door Kohout voor het ensemble verdeeld over acht acteurs. Hugo Claus zorgde voor de vertaling, Walter Tillemans regisseerde het geheel. Julienne De Bruyn speelde Lady Macbeth, Frank Aendenboom Macbeth, de rest van de rollen werd verdeeld over Roger Van Kerpel, John Willaert en Anke Helsen. De productie had succes, er werden 23 voorstellingen gespeeld in de Hoogstraat, waar ruim 1.600 toeschouwers naartoe kwamen. Het volgende seizoen stond het stuk weer op de affiche met 15 voorstellingen waar nog eens 1.127 toeschouwers op afkwamen.[200]

De meeste recensenten waren enthousiast over deze ‘huiskamerversie’ van Macbeth. Herman Van Dijck vond dat ook buiten de Praagse omstandigheden deze Play Macbeth zinvol én ijzersterk bleek. De prestaties hadden hem recht naar de keel gegrepen, zowel die van de acteurs, als van de regisseur Walter Tillemans, die de kleine ruimte uitstekend benut had.[201]

De Nieuwe Gazet sprak van een springlevende Macbeth en een absolute toneeltopper, en ook De Standaard vond het een echt goede voorstelling, een schot in de roos.[202]

Toch was niet iedereen het eens met de ‘ingekorte’ versie van Macbeth. Guy Van Bruyssel had het een vermoeiend stuk gevonden. Volgens hem was hier van theater als ontspanning geen sprake. Hij stelde zich tevens vragen bij deze ‘aangepaste’ Macbeth. Een goed woordje had hij wel over voor Walter Tillemans, die toch met een inventieve regie wist te redden wat er te redden viel. [203]

 

De bewerking Arme Cyrano (Rostand) ging in wereldpremière op 18 december 1982. De eerste 27 voorstellingen waren meteen goed voor 3.432 toeschouwers.[204] Het volgende seizoen ging deze productie op tournee. De voorstelling werd uiteindelijk ongeveer 140 maal opgevoerd.

Deze bewerking van Rostand’s Cyrano de Bergerac werd door Pavel Kohout speciaal voor het Raamtheater gemaakt voor een kleine cast. Karel Vingerhoets speelde de rol van Cyrano, Els Olaerts was Roxane, tijdens het seizoen 1982-83 werd zij vervangen door An Nelissen. Walter Tillemans deed de regie, en vertaalde het stuk met de hulp van Karel Vingerhoets.

In 1984 regisseerde Walter Tillemans dit stuk eveneens in het Burgtheater te Wenen, waar hij als gast was aangetrokken. Karel Vingerhoets, die een jaarcontract kreeg aangeboden bij het Burgtheater, speelde toen de rol van Ragueneau.[205]

Voor zijn vertolking in Arme Cyrano, kreeg de acteur Karel Vingerhoets de Thaliaprijs in 1983 en de Dr. Oscar de Gruyterprijs in 1985 voor ‘beste acteur’.[206]

In de pers werd het stuk over het algemeen zeer gunstig onthaald. Superlatieven werden niet gemeden. L.R. sprak in De Morgen over een “virtuoze Cyrano in het Raamtheater” en “een onbetwistbaar hoogtepunt in het toneelgebeuren”.[207] Ingrid van der Veken had het in De Nieuwe Gazet over een “briljante Cyrano”, en de Gazet van Antwerpen sprak van “een meesterlijke vertolking van een meesterlijk stuk”.[208] In Het Nieuwsblad werd het stuk echter gekraakt door Guy van Bruyssel. Hij had “met stijgende verveling en ergernis” de voorstelling bijgewoond.[209] Bij de wederopvoering in 1983 waren de meeste recensenten nog steeds enthousiast.