Politionele slachtofferbejegening in het kader van de nieuwe politiestructuur. (Barbara Van Der Dussen De Kestergat)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

INLEIDING

 

Aangezien politieambtenaren bijna dagelijks in contact komen met slachtoffers van misdrijven, kan gesteld worden dat zij een sleutelpositie innemen in de materie van de slachtofferbejegening. Dit kadert zich dan in de zorg die maatschappelijk moet worden besteed aan slachtoffers van misdrijven of bijvoorbeeld ook aan getuigen van misdrijven.

 

De verhoogde belangstelling voor slachtoffers werd bevestigd in zowel internationale als nationale regelgeving. De Wet op het Politieambt van 1992[1] was in België uiteraard cruciaal, al is het maar omdat in art. 46 van deze wet voor het eerst de politionele slachtofferbejegening, met name de bijstands- en hulpverleningstaak van de politiediensten naar slachtoffers toe, wettelijk werd vastgelegd ten aanzien van alle politieambtenaren.

 

Ook de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, heeft de bevoorrechte rol die de politieambtenaren geacht worden te spelen tegenover de burgers en dus tegenover slachtoffers opnieuw benadrukt in art 123: “De politieambtenaren dragen ten allen tijde en in alle omstandigheden bij tot de bescherming van de medeburgers en tot de bijstand die deze laatste mogen verwachten, alsook, wanneer de omstandigheden het vereisen tot het doen naleven van de wet en tot het behoud van de openbare orde. Zij nemen de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in acht en verbinden zich ertoe die te doen naleven”.

 

In deze bijdrage wordt getracht de ontwikkelingen met betrekking tot de slachtofferbejegening door de politie te analyseren in functie van de nieuwe politiestructuur die inmiddels van kracht is geworden sinds 2000-2001. De eerste onderzoeksvraag luidt dus als volgt:

“Wat zijn de gevolgen, negatief of positief, van de nieuwe politiestructuur sinds 1998 op de politionele slachtofferbejegening en hoe worden ze in de praktijk toegepast en ervaren?”

 

Een andere probleemstelling die in deze eindverhandeling wordt aangehaald, gaat over het feit dat in de praktijk de politionele slachtofferbejegening goed begrepen lijkt en toegepast wordt op het lokale niveau. Toch worden de diensten van de federale politie ook geacht om aan politionele slachtofferbejegening te doen maar zij hebben geen wetgeving zoals de ministeriële omzendbrief PLP 10 met een functionaliteit zoals de politionele slachtofferbejegening en dus geen gespecialiseerde medewerker waar ze op kunnen terugvallen. Daaruit kan een tweede onderzoeksvraag afgeleid worden:

“Is er op federaal niveau behoefte aan politionele slachtofferbejegening?” en “Hoe kan de politionele slachtofferbejegening op federaal niveau geïntegreerd worden?”

 

Een derde probleem is dat er sinds de hervorming niet veel meer ondernomen werd omtrent de problematiek rond politionele slachtofferbejegening. Naar mijn aanvoelen is het zelfs op nationaal niveau stilgevallen waardoor de arrondissementen niet meer bezig zijn met politionele slachtofferbejegening wat op zijn beurt leidt tot het verliezen van de positieve effecten van de inspanning die geleverd werd voor de hervorming. Er is een gebrek aan één coherent, uniform beleid inzake politionele slachtofferbejegening. Dit kan als gevolg hebben dat in elke politiedienst, lokaal, arrondissementeel of federaal, de taak van politionele slachtofferbejegening anders gaat ingevuld worden. Er is nood aan een coherent beleid en de initiatieven die werden genomen voor de hervorming, moeten terug opgerakeld worden om opnieuw leven in te blazen. Hieruit leid ik mijn derde onderzoeksvraag af:

“Is er nood aan één coherent en uniform beleid in de geïntegreerde politie dat start van op nationaal niveau en op arrondissementeel niveau gecoördineerd en gesteund wordt en op zijn beurt doorsijpelt naar de lokale zones? Zoja, hoe kan dit beleid dan gecoördineerd en gesteund worden?”

 

In het eerste deel wordt een evolutie beschreven over de manier waarop de aandacht voor het slachtoffer door verscheidene initiatieven op internationaal en nationaal vlak gegroeid is.

De internationale initiatieven betreffen een verklaring van de Verenigde Naties omtrent de basisrechten van slachtoffers van misbruik en machtsmisbruik. Daarop volgen twee aanbevelingen van de Raad van Europa. De eerste gaat over de positie van het slachtoffer in het strafrechtsysteem, de tweede handelt over de hulpverlening aan slachtoffers en de preventie van slachtofferschap. Ook wordt de eerste Europese ministerconferentie omtrent een slachtoffergerelateerde thematiek vermeld omdat deze conferentie tot een plechtige eindverklaring gekomen is waarin vooral een geïntegreerde aanpak van wetgever, politie, justitie, hulpverlening, preventieverantwoordelijken en het wetenschappelijk onderzoek een rol speelt.

Vervolgens wordt het Europese Forum voor Slachtofferbeleid aangehaald omdat dit Forum in een verklaring de eerste basisrechten voor slachtoffers vastlegt . Deze zijn uiteraard belangrijk in het domein van de politionele slachtofferbejegening. Tenslotte wordt er nog kort melding gemaakt van een Kaderbesluit van de Europese Unie die over de status van het slachtoffer gaat in de strafprocedure.

Deze internationale initiatieven werden overlopen om aan te tonen hoe ze geleid hebben tot nationale regelgeving en andere initiatieven. Het is vanzelfsprekend dat het overzicht van de nationale initiatieven omtrent slachtofferbejegening begint met het bespreken van Wet op het Politieambt van 1992 en de Wet op de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus van 1998. In deze twee wetten wordt de basis gelegd van de verantwoordelijkheid die de politieambtenaren hebben ten opzichte van slachtoffers omdat politieambtenaren meestal als eerste in contact komen met het slachtoffer. Daarna wordt de geschiedenis van de Omzendbrief OOP 15ter betreffende politionele slachtofferbejegening geschetst. Deze omzendbrief wordt grondiger bekeken in het tweede deel van deze eindverhandeling. Voortbouwend op het Europees Forum voor slachtofferbeleid, heeft België ook een Nationaal Forum voor Slachtofferbeleid. Als laatste punt in deel één wordt dit Nationaal Forum dan ook even toegelicht.

 

Het tweede grote deel in deze eindverhandeling gaat over de politionele slachtofferbejegening na de hervorming. Het is natuurlijk niet de bedoeling om de hele hervorming van de politie te beschrijven, maar het is wel gepast om even de krachtlijnen van de hervorming in het eerste stuk te schetsen. De taken van de lokale en de federale politie, alsook de taken van de diensten op gedeconcentreerd niveau, worden kort besproken. Vervolgens wordt er specifiek overgegaan naar de politionele slachtofferbejegening in de nieuwe politiestructuur waarbij de sleutelpositie van de politie wordt besproken. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen politionele slachtofferbejegening bij de lokale politie en de federale politie met de gedeconcentreerde diensten.

Hierna worden de nieuwe initiatieven, structuren en regelgevingen besproken die tot stand zijn gekomen door de politiehervorming in België. Dit zijn dus allemaal gevolgen van de nieuwe politiestructuur. Eerst wordt de Omzendbrief OOP 15ter betreffende politionele slachtofferbejegening uitgebreid besproken. Deze Omzendbrief specificeert de opdrachten voor de korpsleiding, de politieambtenaren en de dienst voor slachtofferbejegening. Daarna wordt een tweede maar niet minder belangrijke Omzendbrief behandeld. Het gaat over de Omzendbrief PLP 10 inzake de organisatie- en werkingsnormen van de lokale politie met het oog op het waarborgen van een minimale gelijkwaardige dienstverlening aan de bevolking. Één van de zes basisfunctionaliteiten die deze Omzendbrief opsomt, is de functionaliteit “politionele slachtofferbejegening” die in dit stuk uitgediept wordt. Ook wordt er even stilgestaan bij de bedenkingen over de Omzendbrief PLP 10. Deze bedenkingen gaan over eventuele tegenstrijdigheden met de Omzendbrief OOP 15ter en over het feit dat de Omzendbrief PLP 10 enkel voor de lokale politie geldt.

Vervolgens wordt een bondig overzicht gegeven van het Decreet houdende de goedkeuring van het Samenwerkingsakkoord van 7 april 1998 tussen de Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake slachtofferzorg. Een ander gevolg van de hervorming dat in dit deel aangehaald wordt, is de implementatie van de gerechtelijke arrondissementen en wat er zich op dat niveau afspeelt. De Arrondissementele Raad voor Slachtofferbeleid en de welzijnsteams voor slachtofferzorg op arrondissementeel niveau worden hier kort toegelicht.

Een belangrijk gevolg van de nieuwe politiestructuur is het ontstaan en kunnen creëren van interzonale samenwerking. Eerst wordt de Omzendbrief betreffende interzonale samenwerking besproken, namelijk de Omzendbrief PLP 27 van 4 november 2002 en vervolgens wordt de praktische kant van samenwerkingsverbanden bekeken, omdat de Omzendbrief niet bedoeld is om concreet vast te leggen hoe samenwerkingsverbanden moeten opgesteld worden.

Vervolgens worden enkele spilfiguren besproken. Denk hierbij aan de bestuurlijke directeur-coördinator, de maatschappelijke assistenten op federaal niveau en de functie van politieassistent.

Daarna worden twee randvoorwaarden opgesomd die belangrijk zijn voor een goede politionele slachtofferbejegening. Het gaat hier over de opleiding van aspiranten en bijkomende vormingen en de infrastructuur die in elk korps dient aangepast te worden om een slachtoffer degelijk te kunnen opvangen.

Tenslotte wordt een voorstel beschreven dat een coherent en uniform beleid rond politionele slachtofferbejegening voor ogen heeft. Er wordt aandacht gegeven aan elk niveau van de geïntegreerde politie en bij wie deze coördinerende en ondersteunende rol eventueel kan ondergebracht worden.

 

Het derde deel is het onderzoekend luik met de resultaten. Er wordt een kwalitatief beschrijvend onderzoek verricht naar de concrete praktijk omtrent de aangehaalde punten in deel twee. Er wordt onderzocht of deze initiatieven operationeel zijn en hoe ze werken. Ook wordt er gekeken naar hoe de politiemensen deze nieuwigheden ervaren en of er daadwerkelijk behoefte is aan een coherent beleid rond slachtofferbejegening en waar en bij wie dit beleid kan ondergebracht worden.

De eindverhandeling eindigt met een algemeen besluit waar de onderzoeksvragen beantwoord worden en waar een terugkoppeling gemaakt wordt met de theoretische delen.

 

 

DEEL 1 : HET SLACHTOFFER IN DE WETGEVING: DE EVOLUTIE

 

Zowel in het buitenland als bij ons, kwam er onder invloed van een brede maatschappelijke beweging geleidelijk aan meer aandacht voor het slachtoffer. De belangrijkste stimulansen werden gegeven vanuit de vrouwenbeweging, de wetenschappelijke wereld, sommige zelfhulpgroepen (bv. Ouders van vermoord kind, vzw), de ontwikkeling van de Centra voor Slachtofferhulp en uiteindelijk volgde ook het beleid.[2]

 

In principe lag voor 1998 het begrip “slachtoffer” niet in één of andere wettekst vast. De wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus van 7 december 1998 bepaalt wat een politieambtenaar onder het begrip slachtoffer en slachtofferbejegening dient te begrijpen. Pas in 1999 werd in de omzendbrief OOP15ter een duidelijke omschrijving gegeven aan het begrip slachtoffer.

In de verklarende begrippenlijst wordt het slachtoffer omschreven als de persoon, evenals zijn verwanten, aan wie materiële, fysische en/of morele schade is toegebracht als gevolg van een handeling of een verzuim dat strafbaar is gesteld door het Strafwetboek of door bijzondere strafwetten.

 

De verhoogde feitelijke aandacht voor het domein van de slachtoffers heeft, internationaal en nationaal, ook geleid tot nieuwe regelgeving die deze ontwikkelingen ondersteunde en stimuleerde. Een kort overzicht over de evolutie van de aandacht voor slachtoffers is hieronder te vinden in het deel over de internationale en nationale regelgeving.

 

 

1 Internationale initiatieven

 

Reeds begin jaren tachtig begon er op internationaal niveau wat beweging te komen in het landschap van de zorg voor slachtoffers en de nadruk op het verhogen van de aandacht op het fenomeen slachtofferschap samen met het informeren van het slachtoffer.

 

1.1 Verenigde Naties: Verklaring over de basisrechten van slachtoffers van misdrijven en van machtsmisbruik

 

Op 11 november 1985 aanvaardde de Algemene Vergadering van de VN (Verenigde Naties) de “Declaration of basic principles of justice for victims of crime and abuse of power”. Dit gebeurde in de vorm van een resolutie (nr 40/43) wat evenveel wil zeggen dat deze akte niet direct kracht van wet heeft in de interne rechtsorde van de verschillende landen, maar enkel als richtlijn kan beschouwd worden.

 

Zoals de titel het aangeeft, gaat het hier om een principeverklaring wat tot gevolg heeft dat de richtlijnen die erin omschreven worden geen afdwingbare regels zijn. Het betreft aanbevelingen gericht aan de nationale regeringen op het vlak van de wettelijke positie van het slachtoffer, de schadevergoeding en de slachtofferzorg in het algemeen.

Toch gaf deze resolutie een belangrijke aanzet en stimulans voor een bijna wereldwijde reflectie over de verantwoordelijkheden van de beleidsmakers ten aanzien van de slachtoffers omdat in de resolutie een aantal basisrechten voor de slachtoffers van misdrijven en van machtsmisbruik worden vastgelegd.[3]

In deze verklaring wordt er gewezen op het belang van een betere tegemoetkoming aan slachtoffers op het vlak van verschillende elementen. Denk hierbij aan het belang van de houding van de politieambtenaar, het begrip en het respect dat de politieambtenaar naar het slachtoffer toe toont, enzovoort.

 

Ook wordt in deze VN verklaring de klemtoon gelegd op het geven van informatie aan het slachtoffer met betrekking tot het bekomen van schadevergoeding en ook het geven van informatie over de rol van het slachtoffer in het gerechtelijk circuit. Verder komen de door de overheid en de hulpverleningssector te nemen maatregelen ook aan bod. Het gaat hier over het verlenen van bijstand aan het slachtoffer op materieel, medisch, psychologisch en sociaal vlak.[4]

 

De verklaring bevat een aantal algemene bepalingen, zoals bijvoorbeeld de noodzaak om de victimisering te beperken door de implementatie van een algemeen, geïntegreerd beleid, het stimuleren van de participatie van de burgers en de instantie aan preventieprogramma’s, het voortdurend aanpassen van de wetgeving, het verstevigen van het opsporings-, vervolgings- en bestraffingsbeleid, enz.

Ook wordt gesteld dat de slachtofferaandacht niet ten koste mag gaan van de rechten van de verdachten of daders. De verklaring heeft het over twee doelgroepen: de slachtoffers van criminaliteit en, meer beperkt, de slachtoffers van machtsmisbruik. Deze eindverhandeling beperkt zich tot de eerste groep.[5]

 

Onder slachtoffers worden die personen verstaan die schade hebben geleden op fysiek, psychisch of materieel vlak ten gevolge van daden of verzuimen die door de wet strafbaar zijn gesteld. Ook de nabestaanden van de benadeelde kunnen in bepaalde gevallen als slachtoffer beschouwd worden, alsook degenen die tussengekomen zijn om bijstand te verlenen of om verdere victimisering te voorkomen. Er mag geen onderscheid gemaakt worden naar ras, taal, nationaliteit, geslacht, politieke gezindheid, religie en culturele gewoonten.

 

Deze VN verklaring bepaalt ook enkele procedures. Slachtoffers moeten met begrip en respect behandeld worden. Ze hebben recht op rechtsbedeling en op schadeherstel. Modaliteiten van schadeherstel moeten bevorderd worden, door zowel formele als informele regelingen, op administratief en gerechtelijk vlak. Het slachtoffer moet over zijn rechten geïnformeerd worden. Gerechtelijke en administratieve procedures moeten beter afgestemd worden op de behoeften van slachtoffers, door het geven van informatie over die procedure, door de menging en bekommernissen van het slachtoffer aan bod te laten komen tijdens de verdere afhandeling, door bijstand te verlenen doorheen de procedure, door maatregelen te nemen die de situatie van het slachtoffer kunnen verlichten en zijn privé-leven en veiligheid bevorderen, alsook dat van zijn omgeving en eventuele getuigen en door gerechtelijke en procedurele achterstand te vermijden. Informele conflictregeling, zoals bijvoorbeeld bemiddeling, moet aangewend worden om herstel en verzoening mogelijk te maken.

 

Slachtoffers moeten kunnen rekenen op de nodige bijstand op verschillende vlakken, vanwege overheidsdiensten en private organisaties. Slachtoffers dienen geïnformeerd te worden over het aanbod van de hulpverlening en de toegang ertoe moet bevorderd worden. Ook politie, justitie, gezondheids-, sociale en andere diensten moet voorzien worden in vorming en sensibilisering en in concrete richtlijnen. Bepaalde slachtoffergroepen zullen bijzondere aandacht nodig hebben, afhankelijk van de aard van de schade of de specifieke situatie.

 

Zoals reeds eerder werd aangehaald, wordt er uitdrukkelijk in gesteld dat de slachtofferaandacht niet ten koste mag gaan van de rechten van verdachten of daders, maar wel dat de slachtoffers alleszins met begrip en respect behandeld moeten worden en dat ze recht hebben op schadeherstel. Het slachtoffer moet geïnformeerd worden over zijn rechten en over de gerechtelijke en administratieve procedures.

 

Wat wel opvalt in deze verklaring, is dat er geen concrete richtlijnen zijn voor het werk van de politie en dus hoe politieambtenaren een slachtoffer dienen te bejegenen. Ze biedt wel een algemeen kader waaruit impliciet belangrijke taakvelden voor de politie kunnen afgeleid worden.

 

Zoals steeds zal voorkomen in andere regelgeving rond dit onderwerp, wordt ook hier het belang van het geven van juiste informatie onderstreept, het meewerken aan het systeem van schadeherstel door het slachtoffer hierover in te lichten, het nemen van onmiddellijke maatregelen, al dan niet beschermingsmaatregelen, de bijstand en het doorverwijzen van het slachtoffer naar de hulpverlening.

 

1.2 Raad van Europa: Aanbeveling nr. R(85)11 inzake de positie van het slachtoffer binnen het strafrecht en de strafprocedure.

 

Ook de Raad van Europa vaardigde in de jaren ‘80 enkele aanbevelingen uit. Op 28 juni 1985 nam de Raad van ministers aanbeveling nr. R(85)II aan inzake de positie van het slachtoffer binnen het strafrecht en de strafprocedure.[6] Deze aanbeveling behoort ook tot de “soft law” en is dus juridisch niet afdwingbaar.

In deze aanbeveling zitten concrete voorstellen vervat om de positie van het slachtoffer te verbeteren in de verschillende fasen van de strafrechtsgang. In tegenstelling tot de verklaring van de VN worden hier wel,voor het eerst, concrete aanbevelingen voor de leden van de politie geformuleerd en dit zowel op wettelijk vlak als in de praktijk. Ten aanzien van de politie zijn er vier aanbevelingen opgenomen[7]:

- Politieambtenaren dienen getraind te worden om met slachtoffers te kunnen omgaan op een begripvolle, constructieve en geruststellende manier;

- Politieambtenaren moeten het slachtoffer informeren betreffende de mogelijkheden om hulp, praktisch advies en juridische raad te krijgen, alsook betreffende mogelijkheden van schadeherstel door de dader en schadevergoeding door de Staat;

- Het slachtoffer moet informatie kunnen verkrijgen over het resultaat van het politieonderzoek;

- De politieambtenaren dienen in hun rapportage aan de vervolgende instanties zo volledig en duidelijk mogelijke informatie op te nemen over de schade van het slachtoffer.

 

1.3 Raad van Europa: Aanbeveling nr. R (87)21 inzake de hulpverlening aan slachtoffers en de preventie van victimisering.

 

Enkele jaren later komt er een andere aanbeveling van de Raad van Europa inzake hulpverlening aan slachtoffers en de preventie van victimisering.[8] Hierin wordt het belang van de doorverwijzing van de politie naar de hulpverlening benadrukt.

De Raad van Europa stelde in 1987 een aanbeveling op betreffende de hulp aan slachtoffers en de preventie die door alle lidstaten ondertekend diende te worden. In deze aanbeveling wordt het belang van de doorverwijzing door de politie naar de hulpverlening beklemtoond. Deze mogelijkheid moet bevorderd worden. Hulpverleningsdiensten dienen eveneens de slachtoffers rechtstreeks te contacteren. Hierbij moet wel rekening gehouden worden met het feit dat het privé-leven van het slachtoffer voldoende beschermd wordt. Ook hulpverlening door vrijwilligers, eventueel professioneel begeleid, wordt in deze aanbeveling aangemoedigd.[9]

 

Verder wordt bepaald dat slachtoffers moeten kunnen rekenen op onmiddellijke hulp, met inbegrip van bescherming tegenover eventuele wraak van de dader. Ze moeten preventief advies en informatie over hun rechten ontvangen. Meer algemeen worden de overheden er toe aangezet om inspanningen te doen op het gebied van de criminaliteitspreventie, zowel door een maatschappelijke aanpak als door maatregelen van situationele preventie.[10]

 

Ook wordt in deze aanbeveling aan elk lidstaat gevraagd om een inventaris te maken van alle openbare en private diensten die hulp aan slachtoffers bieden. Dit is een merkwaardige oproep aangezien deze bewijst dat er reeds eind jaren ’80 ook al nood aan betere slachtofferbejegening was.[11]

 

1.4 Europese Ministerconferentie over fysiek en seksueel geweld tegen vrouwen

 

Deze ministerconferentie wordt opgenomen in deze eindverhandeling omdat dit de eerste maal is dat een conferentie gehouden wordt in het licht van slachtofferzorg. In maart 1991 werd op Belgisch initiatief deze Europese conferentie in Brussel georganiseerd waaraan 16 ministers uit 16 verschillende Europese landen deelnamen. Elke minister was op zijn beurt bevoegd voor de problematiek van geweld op vrouwen.

Ze kwamen tot een plechtige eindverklaring waarin vooral een geïntegreerde aanpak van wetgever, politie, justitie, hulpverlening, preventieverantwoordelijken en het wetenschappelijk onderzoek een rol speelt. Uit deze eindverklaring kunnen een aantal elementen gehaald worden die relevant zijn voor het politiewerk dat verband houdt met het thema slachtofferbejegening:

- Vrouwen dienen aangespoord te worden om het misdrijf bij de politie te melden en hun medewerking aan het onderzoek te verlenen, zonder daarbij aan hun recht op aangepaste steun en bijstand voorbij te gaan;

- Politiediensten hebben een centrale en dubbele opdracht. Ze moeten de dader opsporen en vervolgen en ze moeten crisisinterventie verzekeren aan het slachtoffer en het slachtoffer doorverwijzen naar de hulpverlening;

- De problematiek van geweld op vrouwen dient geïntegreerd te worden in de basisopleiding en de bijscholing van de politie. Het lessenpakket dient te voorzien in juiste informatie over de problematiek van het fysiek en seksueel geweld en over de hulpverleningsdiensten. Verder moet binnen deze opleiding gewerkt worden rond de attitudevorming en moeten praktische vaardigheden aangeleerd worden om tussen te komen bij geweld in gezinsverband en om een correcte en humane behandeling van het slachtoffer te waarborgen;

- Inzake de bejegening van het slachtoffer dienen in elke lidstaat richtlijnen en aanbevelingen uitgevaardigd te worden ten behoeve van de politiediensten. Hierin dient opgenomen te worden:

o Informatie aan het slachtoffer over zijn wettelijke rechten en mogelijkheden op bijstand;

o Een beschrijving van het medisch onderzoek dat het kan laten verrichten om bewijsmateriaal over de gewelddaden te verzamelen;

o Informatie over en doorverwijzing naar de hulpverlening.

- Alle meldingen van partnergeweld en verkrachting dienen door de politiediensten te worden geregistreerd.

 

Verder wordt ook hier betoogd dat de positie van het slachtoffer tijdens de strafrechtelijke procedure moet versterkt worden en dat dit ondermeer kan gebeuren door het verstrekken van informatie over de stand van zaken van de procedure en door de bescherming van de identiteit en de waardigheid van het slachtoffer in de media, en door de bescherming van het privé-leven van het slachtoffer. Ook dient een gecoördineerde en gestructureerde samenwerking gestimuleerd te worden tussen de verschillende hulpverlenende instanties, de politie en justitie.[12]

 

1.5 Verklaring van de Rechten van Slachtoffers in de strafrechtelijke procedure

 

Door het Europees Forum voor Diensten aan Slachtoffers (European Forum for Victim Services) werd in de jaren ‘90 de basisrechten voor slachtoffers van criminaliteit gelanceerd. Deze verklaring werd in 1993 opgesteld en op 22 februari 1993 goedgekeurd door de leden van het “European Forum for Victim Services”. Sindsdien is er elk jaar op 22 februari de symbolische “Europese Dag van het Slachtoffer”.

Het Europees Forum, dat sinds 1990 bestaat, brengt erkende slachtofferhulpdiensten uit verschillende Europese landen samen. Zij trachten op Europees niveau invloed te hebben op het slachtofferbeleid en ijveren samen voor de rechten van slachtoffers.

 

De basisrechten voor het slachtoffer in deze verklaring hebben uiteraard ook betrekking op de politionele slachtofferbejegening. Er wordt onder meer in gesteld dat elk verhoor dient te gebeuren met respect voor de individuele waardigheid van het individu, dat elk slachtoffer recht heeft op informatie over de ontwikkelingen van het onderzoek, dat slachtoffers zelf het recht hebben om informatie in het dossier aan te brengen, … Ook hier wordt opnieuw het belang van opleiding en training voor de politieambtenaren benadrukt.

 

Het Europees Forum formuleerde destijds zes basisrechten in zijn verklaring. Het Nationaal Forum voor Slachtofferbeleid in België, voegde hier een zevende recht, het recht op hulp, aan toe.[13]

 

Deze rechten hebben zonder meer betrekking op de politionele slachtofferbejegening. In juni 1992 werd door de minister van Binnenlandse Zaken een beleidsnota uitgevaardigd. De rechten van het slachtoffer werden erin geconcretiseerd. In hoofdstuk één van deze nota worden de taken van de politie in het kader van de slachtofferbejegening omschreven.[14]

 

De rechten van het slachtoffer zijn de volgende[15]:

 

Recht op respect en erkenning:

- Dit betekent een respectvolle behandeling door alle politionele, justitiële en dienstverlenende diensten na de feiten, tijdens de verdere gerechtelijke afhandeling ervan en daarna.

- Het slachtoffer heeft belangen waarmee rekening dient te worden gehouden in elk stadium van de strafrechtelijke procedure;

- Het verhoor van het slachtoffer dient in elk stadium van de strafrechtelijke procedure te gebeuren met respect voor de individuele waardigheid van het individu. Hierbij gaat bijzondere zorg naar kinderen of personen die niet over volledige mentale vermogens beschikken. Deze personen kunnen maar ondervraagd worden in de aanwezigheid van een ouder, een opvoeder of een ander begeleidend persoon.

 

Recht op het krijgen van informatie:

- Slachtoffers hebben vaak weinig inzicht in het verloop van gerechtelijke procedures, de mogelijkheden tot schadevergoeding of hulp. Slachtoffers hebben eveneens recht op informatie omtrent de beslissingen van het gerechtelijk apparaat, zoals in verband met de strafuitvoering, de schaderegeling, ….;

- Alle slachtoffers die een misdrijf melden, dienen indien zij het wensen, te worden geïnformeerd over elke ontwikkeling van hun zaak;

- De betreffende informatie dient zo spoedig mogelijk na elke beslissing te worden verstrekt en dient klaar en duidelijk te zijn. Zonodig moet het slachtoffer een beroep kunnen doen op de verantwoordelijke beslissingsnemers voor verduidelijking of toelichting bij de genomen beslissing.

 

Recht op geven van informatie:

- Slachtoffers hebben het recht om informatie te geven (bv. justitie, verzekering, …), zodat rekening kan worden gehouden met hun schade, hun beleving en hun situatie;

- Slachtoffers dienen in de mogelijkheid te worden gesteld om informatie te verstrekken aan de politie of aan de gerechtelijke instanties over elk aspect van de zaak zoals over de dader of de verdere gevolgen van de zaak.

 

Recht op juridische bijstand en advies:

- Elk slachtoffer heeft recht op bijstand van een raadsman. De financiële inspanningen voor juridische bijstand zijn soms erg zwaar en weerhouden slachtoffers ervan gerechtvaardigde schade-eisen in te dienen;

- Wanneer slachtoffers of hun nabestaanden een actieve rol spelen in de strafrechtelijke afhandeling dient zowel advies, bijstand als vertegenwoordiging te worden voorzien gedurende de gehele strafrechtelijke procedure.

 

Recht op bescherming en privacy:

- De privacy van het slachtoffer dient te worden beschermd. Denk hierbij aan de naam van het slachtoffer en andere details die het mogelijk maken om het slachtoffer te herkennen. Deze mogen niet gepubliceerd worden of in de media terecht komen;

- De politie dient tijdens de onderzoeksfase bijzondere aandacht te besteden aan de bescherming van het slachtoffer, bijvoorbeeld bij daderherkenning zodat de dader niet in staat is om vast te stellen wie als getuige optreedt.

 

Recht op compensatie of op herstel van de veroorzaakte schade:

- Een meer herstelgerichte aanpak is noodzakelijk. De aangerichte schade kan materieel, lichamelijk, moreel, psychisch of sociaal zijn;

- Een essentieel punt in dit verband met betrekking tot de politie is dat alle instanties die om de één of andere reden in contact komen met slachtoffers zich dienen bewust te zijn van de diversiteit van de gevolgen van misdrijven voor een slachtoffer en van de risico’s op secundaire victimisatie in geval van ongepaste behandeling. Opleiding, training en permanente vorming zijn hier essentieel.

 

Recht op hulp:

- Het recht op hulp maakt integraal deel uit van het recht op herstel. Politiediensten spelen een belangrijke rol onmiddellijk na de feiten, net als de medische en paramedische hulpverleners in geval van lichamelijk letsel. Slachtofferhulp werkt met beroepskrachten en vrijwillige medewerkers. Deze vrijwillige medewerkers, als vertegenwoordigers van een zorgzame samenleving, kunnen ondersteuning bieden in functie van een vlotte verwerking. Voor sommige slachtoffers kan professionele hulp aangewezen zijn.

 

1.6 Kaderbesluit van de Europese Unie van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure

 

Tenslotte dient er nog een Kaderbesluit van de Europese Unie van 15 maart 2001 vermeld te worden. Het Kaderbesluit gaat over de status van het slachtoffer in de strafprocedure en in tegenstelling tot de hierboven vermelde aanbevelingen en verklaringen, is dit Kaderbesluit wél bindend voor de lidstaten.[16] Dit wil zeggen dat elke lidstaat gevolg moet geven aan de bepalingen die erin werden vastgelegd.

 

Het doel van het kaderbesluit is, in de gehele Europese Unie een vergelijkbaar, hoog beschermingsniveau voor slachtoffers te creëren en te waarborgen. Er dient bijzondere aandacht te worden besteed aan het recht van het slachtoffer met respect te worden bejegend, te spreken en geïnformeerd te worden, te begrijpen en begrepen te worden en beschermd te worden in de verschillende fasen van de procedure. De bepalingen in het besluit zijn niet beperkt tot de behartiging van de belangen van de slachtoffers in het kader van strafprocedure alleen. Ze behelzen ook een aantal maatregelen voor bijstand aan slachtoffers vóór, tijdens en na de strafprocedure.

 

Veel van de verplichtingen die in het kaderbesluit werden opgenomen hebben ook betrekking op de rol van de politiediensten inzake slachtofferbejegening. Zo worden in dit besluit een aantal rechten en waarborgen voor slachtoffers bepaald die onder meer betrekking hebben op de noodzakelijke erkenning en respect, het verkrijgen van informatie, de hulpverlening, enz.

 

 

2 Nationale wetgeving en initiatieven

 

Politionele slachtofferbejegening is sinds het begin van de jaren negentig steeds meer en meer op de voorgrond getreden. Mede door de internationale stimulansen, kreeg ook België stilaan regelgeving omtrent het thema slachtoffers.

Intussen is de politionele slachtofferbejegening niet zomaar een impliciete taak van elke politieambtenaar maar het is een duidelijk geformuleerde opdracht die regelmatig omschreven wordt in tal van wetten, omzendbrieven, richtlijnen en soms ook in dienstnota’s van de politie.

 

In de eerste plaats is het de Wet op het Politieambt van 1992 (WPA) die een wettelijke basis vastlegt over de term van wat politionele slachtofferbejegening inhoudt.[17]

 

Ten tweede is er de Wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (WPA). In deze wet staat het begrip basispolitiezorg centraal.[18]

 

Vervolgens werd, om meer vorm en inhoud te geven aan de term basispolitiezorg, een Koninklijk Besluit[19] en een Omzendbrief PLP 10 met dezelfde titel opgesteld met betrekking tot de organisatie- en werkingsnormen van de lokale politie. Deze twee laatste hebben als doel het waarborgen van een minimale maar vooral gelijkwaardige dienstverlening aan de bevolking. De omzendbrief PLP 10 krijgt meer aandacht in deel 2 van deze eindverhandeling.

 

Een vierde initiatief dat vermeld dient te worden is de omzendbrief OOP 15ter van 1999 die de opdrachten van de politiemensen en burgerpersoneel duidelijk omschrijft. De politionele slachtofferbejegening op zich wordt in deze omzendbrief verder uitgewerkt. Deze omzendbrief wordt grondig besproken in deel 2 bij de initiatieven in de nieuwe politiestructuur.

 

2.1 De wet op het politieambt van 5 augustus 1992

 

Met de Wet op het Politieambt (WPA) van 5 augustus 1992 kreeg de politietaak inzake slachtofferbejegening voor het eerst een formele, wettelijke basis. Deze wet is cruciaal omdat er een aantal artikelen voor het eerst bepaalde termen vorm geven.[20]

 

Om te beginnen zegt art. 14 dat de politieambtenaren bijstand dienen te verlenen aan éénieder die in gevaar verkeert. De term éénieder bedekt hier impliciet slachtoffers of potentiële slachtoffers.

 

Vervolgens wordt er in art. 46 van de WPA even ingegaan op de bijstandsfunctie en de hulpverleningstaak van de politie naar de slachtoffers toe. Zo is dit artikel ook een uiterst belangrijk artikel aangezien hier voor het eerst de bijstands- en hulpverleningstaak van de politie ten aanzien van slachtoffers wettelijk werd vastgelegd:

 

De politiediensten brengen de personen die hulp en bijstand vragen in contact met gespecialiseerde diensten. Zij verlenen bijstand aan slachtoffers van misdrijven door hen de nodige informatie te verschaffen.

 

Dit artikel is de basis voor de wettelijke plicht van de politiediensten inzake het bejegenen van slachtoffers maar legt ook de fundering van het doorverwijzen van slachtoffers naar gespecialiseerde hulpverleningsdiensten. Dus wanneer het slachtoffer naar hulp en/of bijstand vraagt, dient de politieambtenaar te weten naar waar hij het slachtoffer moet doorverwijzen en eventueel contact te leggen met de hulpverlening.

 

Er wordt dus duidelijk gezegd dat de politieambtenaar de taak heeft slachtoffers door te verwijzen en hen op de hoogte te stellen van het bestaan van bepaalde hulpverleningscentra. Dit artikel bepaalt dus dat elke politieambtenaar een doorverwijsfunctie heeft ten aanzien van gewone hulpbehoevenden. De politie moet zélf aan het slachtoffer de eerste bijstand verlenen vermits zij in vele gevallen de eerste en soms de enige instantie zijn waarop burgers dag en nacht beroep kunnen doen. Hierbij wordt het belang van het geven van informatie beklemtoond. Deze opdracht geldt voor alle politiediensten en dus ook voor de federale politie en de gedeconcentreerde diensten.

Deze afleiding is een uiterst belangrijke deductie aangezien er op het vlak van de gedeconcentreerde diensten niet echt actief wordt omgegaan met het verlenen van een eerste onthaal of bijstand aan slachtoffers. Elk politiekorps wordt eigenlijk geacht dit in de praktijk ook effectief te doen.

 

Hoe deze bijstandsfunctie precies moet worden ingevuld, wordt niet in de wet omschreven. Dit had dan logischer wijze tot gevolg dat er veel onduidelijkheid ontstond omtrent de lading van de term “bijstand”. Om deze onduidelijkheid weg te werken werden daarvoor verscheidene ministeriële onderrichtingen uitgewerkt.

 

Opvallend is dat er een basisonderscheid gemaakt wordt tussen hulpbehoevenden in het algemeen, waarvoor de politie een doorverwijsfunctie heeft, en slachtoffers van misdrijven in het bijzonder aan wie de politie zelf bijstand moet verlenen. Bij deze laatste wordt het belang van het geven van informatie benadrukt. Alhoewel in de wet niet wordt aangegeven op welke wijze deze bijstandsfunctie geïnterpreteerd dient te worden, kon elke politieambtenaar en elke politiedienst vanaf dat ogenblik geacht worden een aantal dingen in de praktijk te implementeren. In functie daarvan werden een aantal ministeriële omzendbrieven uitgewerkt om meer vorm te geven aan art. 46 WPA.

 

In de WPA van 1992 staat dus duidelijk dat slachtofferzorg een taak voor de politie is. De belangrijkste doelstelling van deze wet was om enerzijds een wettelijk kader te scheppen voor de overlegstructuren tussen verschillende overheden en politiediensten, en anderzijds de bevoegdheden en plichten van de politiediensten op een duidelijke en eenvormige wijze in één wet vast te leggen.

 

2.2 De wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus van 7 december 1998

 

In de wet van 7 december 1998 tot de organisatie van een geïntegreerde politiedienst (WGP), wil de wetgever opnieuw, in het kader van het beleid van de politiehervorming, wijzen op de bevoorrechte rol die de politieambtenaren geacht wordt te spelen tegenover de burgers en dus ook tegenover de slachtoffers. De bijstandsfunctie voor alle politieambtenaren wordt in de WGP nogmaals omschreven.

 

Zo luidt art.123 “De politieambtenaren dragen ten allen tijde en in alle omstandigheden bij tot de bescherming van de medeburgers en tot de bijstand die deze laatste mogen verwachten, alsook wanneer de omstandigheden het vereisen, tot het doen naleven van de wet en tot het behoud van de openbare orde. Zij nemen de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in acht en verbinden zich ertoe die te doen naleven.”

 

Dit is een andere formulering dan wat er in art. 46 WPA wordt bepaald, maar ze is even relevant inzake de taken van de politieambtenaren rond politionele slachtofferbejegening.

 

In deel 2 van deze eindverhandeling wordt meer aandacht gegeven aan de WGP, in het bijzonder aan art. 3 WGP waarin staat dat de lokale politie instaat voor de basispolitiezorg. Dit wordt dan verder uitgewerkt in het Koninklijk Besluit van 17 september 2001 en de Omzendbrief PLP 10 inzake de organisatie- en werkingsnormen van de lokale politie teneinde een gelijkwaardige minimale dienstverlening aan de bevolking te verzekeren.

 

Het is uiteraard niet de bedoeling dat de politie de hulpverleningsdienst op zich neemt en zich met het psychosociale bezig houdt, maar ze moeten wel het slachtoffer naar de gepaste dienst doorverwijzen. In deze wet wordt spijtig genoeg geen aandacht geschonken aan de concrete invulling van deze verplichtingen. Deze leemtes worden door verscheidene omzendbrieven opgevangen.

 

2.3 De ministeriële omzendbrieven OOP 15, OOP 15bis en OOP 15ter

 

Nog voor de totstandkoming van de Wet op het Politieambt, verscheen er een eerste Omzendbrief OOP 15 van 26 augustus 1991. De OOP 15 had tot doel de dienstverlening aan en de doorverwijzing van slachtoffers van misdrijven te verbeteren. Hierin wordt de eerste keer gesproken over de sleutelpositie van de politieambtenaar bij het eerste contact, de opvang en de bejegening van een slachtoffer van een misdrijf. Eerst werd in de omzendbrief het hulpverleningsaanbod in de Vlaamse en Franse Gemeenschap besproken. Vervolgens werd ingegaan op de rol van de politie bij de bejegening van slachtoffers. De nadruk ligt vooral op de rol van de politie in de slachtofferbejegening en vormt een aanzet tot een geïntegreerde actie om de slachtofferbejegening en de doorverwijzing van slachtoffers van misdrijven te verbeteren.[21]

 

Omwille van deze onduidelijkheden rond de taken van de politie werd de OOP15 van 26 augustus 1991 geëvalueerd en werden de politietaken verfijnd. De OOP15bis bevat een definitie van het begrip “slachtoffer”. De rol van de politie inzake slachtofferbejegening wordt erin beschreven. Er worden ook richtlijnen voor de politiediensten bepaald op het niveau van de leiding van de politiediensten en op het niveau van de politieambtenaar zelf.[22]

 

Ook werd in omzendbrief OOP 15bis van 29 maart 1994 de wettelijke taak van de politiediensten inzake de slachtofferbejegening uitgewerkt. Het was de bedoeling de politionele taak beter af te lijnen en de samenwerking met de hulpverlening te bevorderen. Samen met deze omzendbrief werd de beknopte informatiegids “U, het slachtoffer” en een geactualiseerde lijst van de erkende Centra voor Slachtofferhulp en van de diensten voor slachtofferonthaal bij de parketten verspreid.

 

In 1999 wordt er een geheel gemaakt van de omzendbrief OOP15 en de OOP15bis. Ze worden nogmaals bekeken en geëvalueerd en resulteren in een nieuwe omzendbrief OOP15ter inzake politionele slachtofferbejegening van 9 juli 1999. Gezien het belang van deze omzendbrief, die de basisdienstverlening van de politie aan de slachtoffers vorm en inhoud geeft, wordt er in deel 2 bij de nieuwe regelgeving en initiatieven wat nader op ingegaan.[23]

 

2.4 Nationaal Forum voor Slachtofferbeleid

 

In mei 1993 stemde de Kamer van Volksvertegenwoordigers ermee in een Nationaal Forum voor Slachtofferbeleid op te richten. Dit werd uiteindelijk geïnstalleerd door de minister van Justitie in 1994. Het Forum is een overlegorgaan en de opdrachten betreffen de formulering van adviezen over probleemstellingen en (voor-)ontwerpen van regelgeving inzake slachtofferbeleid, de uitwerking van voorstellen tot verbetering van de positie van het slachtoffer en van de slachtofferzorg, van de samenwerking op het terrein en van de afstemming tussen het nationaal en supranationaal slachtofferbeleid, de evaluatie van slachtoffergerichte initiatieven en van protocol- of samenwerkingsakkoorden inzake slachtofferzorg en de sensibilisering van het publiek en de politieke overheden.[24]

 

Het Nationaal Forum voor Slachtofferbeleid vervult dus een belangrijke opdracht. Het Forum slaagt er in een noodzakelijke en belangrijke dialoog op gang te brengen tussen de leden (vertegenwoordigers van de administraties en kabinetten van de bij het slachtofferbeleid betrokken federale partners en partners van de gemeenschappen, evenals vertegenwoordigers van de parketten, politiediensten en verenigingen voor slachtofferhulp), op accurate wijze knelpunten te signaleren, adviezen te formuleren en standpunten te communiceren. Ze brengt de verschillende partners samen, vanuit hun verschillende bevoegdheden, en streeft van daaruit naar afstemming en uniformiteit.

 

De zes basisrechten van het slachtoffer die geformuleerd werden door het Europese Forum voor Slachtofferbeleid, werden door ons Nationaal Forum aangevuld met een zevende recht, namelijk het recht op hulp (zie boven).

 

Binnen het Nationaal Forum voor Slachtofferbeleid wordt minimaal tweemaal per jaar overleg gepleegd tussen de vertegenwoordigers van de Staat en de Vlaamse Gemeenschap en alle relevante maatschappelijke voorzieningen en instanties op het vlak van de slachtofferzorg.

 

De werking van het Forum wordt gehinderd door een tekort aan interesse vanuit de politiek, de betrokkenheid van de beleidsmakers en het gebrek aan middelen. Het Nationaal Forum wordt met andere woorden nog onvoldoende als noodzakelijke partner beschouwd en slaagt er dus minder in te wegen op de politieke besluitvorming omtrent het slachtofferbeleid. Van de deskundigheid inzake slachtofferzorg die het Forum sinds tien jaar heeft weten op te bouwen, zou dankbaar gebruik gemaakt moeten worden.[25]

 

 

3 Besluit deel 1

 

Er werden verschillende internationale en nationale initiatieven genomen om de aandacht voor het slachtoffer te vergroten. Dit betekent dus dat er stilgestaan werd bij bepaalde noden van slachtoffers wanneer zij in contact komen met de politie. Het besef dat de politie een cruciale rol te vervullen heeft bij de bejegening van slachtoffers, is doorheen de jaren gegroeid.

 

Een dergelijk formeel kader op zich staat echter nog niet garant voor een substantiële verbetering van de bejegening van slachtoffers op het terrein. Vandaar dat de minister van Justitie een globale evaluatie laat verrichten van de implementatie van het slachtofferbeleid en haar impact op het terrein.[26] België is reeds sterk geëvolueerd in de richting van een kwaliteitsvol slachtofferbeleid. Er wordt immers grotendeels voldaan aan de internationale stimulansen die in het kader van de Europese regelgeving en verklaringen van de VN kregen concreet vorm. Uit het onderzoek van Brienen en Hoegen[27] blijkt bijvoorbeeld dat België een prominente positie inneemt inzake de implementatie van de betreffende Europese regelgeving.

 

Een recent evaluatierapport van 2004 van de Europese Commissie bevoegd voor de evaluatie van de implementatie van het kaderbesluit van 15 maart 2001 is daarentegen sceptischer ten aanzien van het Belgische wettelijke kader. De Belgische wetgeving zou volgens de Europese Onderzoekscommissie niet of onvoldoende tegemoetkomen aan enkele aanbevelingen in het kaderbesluit van 2001. Het gaat hier bijvoorbeeld over het opstellen van een definitie van wat een slachtoffer nu precies is, het beantwoorden aan het recht niet geïnformeerd te worden over bepaalde stappen in het dossier, het voorzien in een aparte wachtruimte in de rechtbank, enzovoort.[28]

 

Alles bijeen dient toch vastgesteld te worden dat de Belgische politiewereld bijzonder goed scoorde, ook in internationale vergelijkingen, wanneer de implementatie van de internationale aanbevelingen geëvalueerd werden.[29]

 

 

DEEL 2 : POLITIONELE SLACHTOFFERBEJEGENING NA DE HERVORMING

 

1 De hervorming

 

Aangezien het in deze eindverhandeling gaat over de politionele slachtofferbejegening in de nieuwe politiestructuur, dus na de hervorming, en over wat de gevolgen van de hervorming op de slachtofferbejegening zijn, is het natuurlijk niet de bedoeling om de hele hervorming van de politie hier opnieuw te beschrijven. Het is wel gepast om even de krachtlijnen van de hervorming van de politie te schetsen.[30]

 

Met de Wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna verkort aangeduid als WGP), wordt het Belgische politiewezen grondig herschikt. De implementatie van de WGP, te beschouwen als het organisatorische complement van de Wet van 5 augustus 1992 op het politieambt (hierna verkort als WPA), die eerder functioneel van aard is, leidt namelijk tot de opdoeking van de klassieke driedeling van het algemeen politiewezen. Deze driedeling bestond uit de gemeentepolitie, de rijkswacht en de gerechtelijke politie. Na de opdoeking van deze driedeling, wordt er plaatsgemaakt voor de instelling van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, namelijk het lokale en het federale niveau die samen de geïntegreerde politie verzekeren. De twee niveaus zijn autonoom ten opzichte van mekaar en hangen af van verschillende overheden. De WGP voorziet echter wel in een functionele band tussen beiden maar geen hiërarchische band. Met deze structuur wordt getracht een minimale gelijkwaardige dienstverlening te waarborgen aan de overheden en de burgers over het hele grondgebied van het Rijk. Het federale luik van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, is operationeel sedert 1 januari 2001, het lokale niveau sedert 1 januari 2002.[31]

 

Kort samengevat bestaat het politiewezen sinds de hervorming uit enerzijds een lokaal niveau met dus de lokale politie die opgedeeld is in 196 zones, waarvan 50 ééngemeentezones en 146 meergemeentezones, en anderzijds de federale politie met daartussenin een tussenniveau op het deel van de gerechtelijke arrondissementen. Op dit tussenniveau functioneren de gedeconcentreerde diensten van de federale politie als een soort van draaischijf tussen het federale korps en de verschillende lokale korpsen. Het bestaat enerzijds uit de gedeconcentreerde coördinatie- en steundienst (CSD) wat de administratieve politie betreft, onder leiding van een bestuurlijke directeur-coördinator (DirCo) en anderzijds de gedeconcentreerde gerechtelijke diensten wat de gerechtelijke politie betreft, de zogenaamde GDA’s. Een GDA staat onder leiding van een gerechtelijk directeur (DirJud). Het komt er nu op aan vast te leggen wat de taken zijn inzake de politionele slachtofferbejegening waarbij het zinvol is een onderscheid te maken tussen het niveau van de lokale politie en dat van de federale politie en rekening te houden met het bestaande en het nieuwe wettelijk kader. Het is noodzakelijk een onderscheid te maken tussen de taken en de verantwoordelijkheden van de lokale en de federale politie.

 

Het Koninklijk Besluit van 17 september 2001[32] stelt de organisatie- en werkingsnormen van de lokale politie vast met als streefdoel een gelijkwaardige minimale dienstverlening aan de bevolking te verzekeren. Deze dienstverlening concentreert zich rond zes hoofdpijlers: wijkwerking, onthaal, interventie, slachtofferbejegening, lokale opsporing en lokaal onderzoek en handhaving van de openbare orde. Wat deze zes functies inhouden, wordt enerzijds verduidelijkt in het genoemde K.B. en anderzijds in de Ministeriële Omzendbrief PLP 10 van 9 oktober 2001.[33]

 

1.1 De taken van de lokale politie

 

Sedert 1 januari 2002 zijn alle lokale politiekorpsen in plaats gesteld. Voortbouwend op deze snelle en daadwerkelijke inplaatsstelling van de lokale politiediensten, dient er verder werk gemaakt te worden van een gemeenschapsgerichte politiezorg. De hervorming van de politiediensten heeft immers tot doel de dienstverlening naar de bevolking te verbeteren met als uiteindelijke finaliteit een veilige en leefbare samenleving waar de burger meer vertrouwen heeft in de politionele diensten.

 

De lokale politie heeft na de hervorming een dubbele taak gekregen. Enerzijds moeten politieambtenaren van een lokaal politiekorps lokale opdrachten uitvoeren, maar anderzijds moeten zij ook bepaalde opdrachten van federale aard op zich nemen.

 

In artikel 3 van de WGP staat te lezen dat de lokale politie gelast is met alle opdrachten van de bestuurlijke en gerechtelijke politie die nodig zijn voor het beheren van lokale gebeurtenissen en fenomenen die zich voordoen op het grondgebied van de politiezone.

Op de tweede plaats moet de lokale politie ook sommige politietaken van het federale niveau verzekeren waarbij in artikelen 61 en 64 van de Wet wordt aangegeven wat daarmee bedoeld wordt. Het zijn de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie die zullen bepalen welke opdrachten van federale aard zullen moeten uitgevoerd worden door de lokale politie.

 

Naar inhoud betreft het hier opdrachten die weliswaar verbonden zijn met de uitoefening van federale bevoegdheden of verantwoordelijkheden, maar waarbij het aangewezen is ze te laten uitvoeren door de politiedienst die belast is met de basispolitiezorg. Dit omdat zij functioneel passen in het gewone politiewerk. Wat het gerechtelijke werk betreft, heeft de minister van Justitie de bevoegdheid om de opdrachten van gerechtelijke politie te bepalen die prioritair worden uitgevoerd ofwel door de lokale ofwel door de federale politie.

 

De taken zijn inmiddels vastgelegd. Eerst door de ministeriële richtlijn van 16 maart 1999 en de Omzendbrief 6/99 van 19 april 1999 van het College van procureurs-generaal. Deze omzendbrief werd inmiddels vervangen door de Richtlijn van 20 februari 2002 tot regeling van de taakverdeling, de samenwerking, de coördinatie en de integratie tussen de lokale en de federale politie inzake de opdrachten van gerechtelijke politie.[34]

 

1.2 De taken van de federale politie

 

Net zoals de lokale politie, heeft ook de federale politie in eerste orde een dubbele opdracht. Enerzijds moet zij, met inachtneming van de principes van specialiteit en subsidiariteit, de gespecialiseerde en supralokale opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke aard en ondersteunende opdrachten voor de lokale politie verzekeren. Anderzijds voorziet artikel 115 van de WGP nog in een bijzondere categorie van opdrachten die kan worden uitgevoerd door de federale politie, maar die van geen enkel belang zijn in het kader van de politionele slachtofferbejegening.

 

Het komt er dus eigenlijk op neer dat de opdrachten van de federale politie beheerst worden door het principe van subsidiariteit en het principe van specialiteit. Volgens de memorie van toelichting van de WGP komt het erop neer dat:

in de mate dat de opdrachten die aan hem zijn voorbehouden gespecialiseerde opdrachten zijn, het deze bij voorrang op de lokale politie vervullen die bovenal instaat voor de basispolitiezorg. Indien de opdrachten van de federale politie niet het gespecialiseerd karakter vertonen, zullen ze subsidiair worden vervuld, het is te zeggen in de mate waarin de lokale politie tekort komt.”[35]

Het betekent onder meer dat alle bestuurlijke en gerechtelijke opdrachten die geen tussenkomst nodig hebben van een gespecialiseerde politiedienst, zullen worden toevertrouwd aan een lokale politiedienst. Toch valt in dit verband op te merken dat de Wet niet echt verduidelijkt wat onder “ondersteunende opdrachten” dient verstaan te worden. Er wordt enkel gestipuleerd dat de ondersteunende taken kunnen worden uitgeoefend ten voordele van zowel de federale als de lokale politieoverheden.

 

1.3 De taken van de gedeconcentreerde diensten

 

Het is belangrijk om toch even aandacht te besteden aan het tussenniveau van de federale politie. Zoals reeds gezegd bestaan er op het niveau van de gerechtelijke arrondissementen een gedeconcentreerde coördinatie- en steundienst (CSD) onder de leiding van een bestuurlijke directeur-coördinator (DirCo) en een gedeconcentreerde gerechtelijke dienst onder de leiding van een gerechtelijke directeur (DirJud). Terwijl de bestuurlijke directeur-coördinator voornamelijk een coördinerende functie heeft, beschikt de gerechtelijke directeur, die zelf onder het directe gezag van de directeur-generaal van de algemene directie van de gerechtelijke politie staat, over eigen mensen en middelen. Ook is de DirJud verantwoordelijk voor het gerechtelijke werk op arrondissementeel niveau. Het belang hiervan is, uiteraard ook in functie van adequate politionele slachtofferbejegening, dat een belangrijk deel van het gerechtelijk werk, en met name de meer ernstige misdrijven (zie verder), op dit niveau zullen worden afgehandeld.

 

 

2 Slachtofferbejegening door de politiediensten in de nieuwe politiestructuur

 

Een belangrijke en nog te beantwoorden vraag is welke de gevolgen zijn van de hervorming van de politie op de politionele slachtofferbejegening.

 

Sinds de hervorming wordt er niet meer gesproken van de rijkswacht en de gemeentepolitie. Er is één geïntegreerde politie gestructureerd op twee niveaus. Slachtofferbejegening is een taak van en voor elke politieambtenaar in uitvoering van art. 46 van de WPA waarin de wettelijke grondslag voor de politionele slachtofferbejegening wordt gevormd.

De politieambtenaar is vaak de eerste persoon die in contact treedt met het slachtoffer. Hij heeft bijgevolg de plicht in te staan voor een adequate opvang en onthaal en voor een emotionele steun.

 

De politionele slachtofferbejegening wordt beschouwd als een onderdeel van de basispolitiezorg, die uitsluitend wordt toegeschreven aan de lokale politie en politionele slachtofferbejegening maakt ook integraal deel uit van de politionele opdrachten zoals vastgelegd in de PLP 10. Bepaalde gedeconcentreerde diensten op het niveau van de federale politie zijn echter medeverantwoordelijk voor opdrachten binnen het pakket van de basispolitiezorg en hebben derhalve ook een taak binnen de politionele slachtofferbejegening. Zo wordt op het niveau van de federale politie onder de algemene directie bestuurlijke politie voorzien in een maatschappelijk assistent per arrondissement, die een ondersteunende en dus structurele taak vervult ten aanzien van de slachtofferbejegenaars bij de lokale politie.[36]

 

De dienst slachtofferbejegening bij de lokale politie neemt enerzijds individuele dossiers en begeleiding van slachtoffers op zich. Anderzijds staat zij in voor de sensibilisering en vorming van de politieambtenaren, voor de verspreiding van informatie en voor de contacten en het overleg met andere slachtoffervoorzieningen. Slachtofferbejegening is immers geen exclusieve opdracht van de dienst slachtofferbejegening. Slachtofferbejegening moet net doordringen in het ganse korps en in de dagelijkse werking van de politieagenten. Een goede slachtofferbejegening veronderstelt het zich eigen maken van een welbepaald gedrag, een bekwaamheid en kennis.

 

De nieuwe politiestructuur brengt ook een probleem van coördinatie met zich mee. Ook hier dient aandacht aan gegeven te worden. Alhoewel een goede politionele slachtofferbejegening immers tot de taken en de verantwoordelijkheid van elke politieambtenaar behoort, hangt een gunstige ontwikkeling met betrekking tot de slachtofferbejegening mede af van de creatie van ondersteunende diensten. Ook heeft de ingesteldheid en de mentaliteit van de korpschef in een zone invloed op het al dan niet ontwikkelen van een gunstig beleid op het vlak van slachtofferbejegening bij alle leden van zijn of haar korps. Hierover werden reeds een aantal dingen besproken in de OOP 15ter die het één en het ander reeds operationaliseerde in zijn regelgeving.

 

Politionele slachtofferbejegening valt zonder twijfel onder de term basispolitiezorg zoals omschreven in de WGP en valt dus onmiskenbaar in het takenpakket van de lokale politie. Er kan eigenlijk wel gezegd worden dat de situatie nog vrij duidelijk is wat de lokale politie betreft. De OOP 15ter is nog steeds, na de hervorming van de politie, in zijn volle omvang van kracht.

 

In de ministeriële omzendbrief PLP 10 van 9 oktober 2001 inzake de organisatie- en werkingsnormen van de lokale politie met het oog op het waarborgen van minimale gelijkwaardige dienstverlening aan de bevolking wordt dit trouwens expliciet erkend.[37]

Deze omzendbrief betreft een operationalisering van het K.B. van 17 september 2001[38] met, uiteraard, dezelfde titel als de PLP 10.

 

2.1 De sleutelpositie van de politie

 

Omdat de politie door haar grote bereikbaarheid vaak de eerste instantie is waarmee de burger in probleemsituaties in contact komt, bestaat er weinig twijfel over het feit dat de politie een cruciale rol te vervullen heeft in de correcte bejegening van de slachtoffers van misdrijven. Een slachtoffer heeft bij dat eerste contact grote verwachtingen ten aanzien van de politie. De burger in het algemeen en het slachtoffer in het bijzonder verwachten van de politie een korte responstijd, een eerste opvang waarbij er naar hen geluisterd wordt maar vooral dat ze ernstig worden genomen. Nog andere elementen die bij de verwachtingen van het slachtoffer horen zijn: een sfeer van rust en veiligheid, een correcte en voorkomende houding van de verhoorders, informatie en praktische hulpverlening, verdere informatie over het onderzoek en het gevolg dat eraan gegeven kan worden, eventuele doorverwijzing naar de hulpverlening, enzovoort.[39]

 

In principe is het niet zo belangrijk een onderscheid te maken tussen bestuurlijke en gerechtelijke opdrachten. In beide gevallen geeft een goede politionele slachtofferbejegening gunstige effecten zoals bijvoorbeeld een verhoging van de meldingsbereidheid, een groter vertrouwen van de burger in de werking van het politieapparaat.

 

De vraag of slachtofferbejegening vanzelfsprekend een taak voor de politie is, kan gesteld worden. Op het eerste zicht lijkt de verantwoordelijkheid van de politie bij de slachtofferzorg vanzelfsprekend, maar gedurende lange tijd was het niet zo vanzelfsprekend om deze taak effectief als een politietaak te laten gelden. De oorzaak hiervan ligt in hoe het strafrechtsysteem van enkele jaren geleden in elkaar stak. De aandacht van het vroegere strafrechtsysteem was overwegend dadergericht. Voor de politie, die een onderdeel vormt in dit systeem, maakte dit het zeker niet vanzelfsprekend om ook aan het slachtoffer volwaardige aandacht te schenken. Zoals HUTSEBAUT het in 1985 formuleerde, weerspiegelde de marginale positie van het slachtoffer in de strafrechtsbedeling zich in de marginale aandacht voor het slachtoffer in de politionele taken.[40]

 

De sociale rol van de lokale politie situeert zich op het vlak van de gemeenschapsgerichte politiezorg. Er is nergens sprake van een sociale rol die toekomt aan de federale politie.

Gemeenschapsgerichte politiezorg omhelst een paar sleutelwoorden zoals preventie, hulp en bijstand aan de bevolking. De eigenlijke realisatie ervan gebeurt door het naleven van de minimale organisatie- en werkingsnormen waaronder de zes functionaliteiten: wijkwerking, onthaal, politionele slachtofferbejegening, interventie, openbare orde en lokaal onderzoek en lokale recherche.

 

2.2 Slachtofferbejegening bij de lokale politie

 

De lokale politie verzekert het geheel van de basispolitiezorg op lokaal niveau. De slachtofferbejegening is één van de basistaken die door de lokale politie waargenomen wordt.

 

De diensten voor politionele slachtofferbejegening staan in voor voortdurende sensibilisering, vorming op het terrein en begeleiding van de leden van het politiekorps. Daarnaast is er hun taak van eerste opvang, binnen de limieten van de omzendbrief OOP 15ter. Elk lokaal politiekorps moet beschikken over minstens één permanent beschikbaar persoon die instaat voor de taken van een dienst voor politionele slachtofferbejegening. (zie verder bij OOP 15ter en PLP 10)

 

De lokale politie kan steun krijgen van de maatschappelijk assistent die op arrondissementeel niveau werkzaam is, zolang deze steun subsidiair is en voor zover de werklast van de maatschappelijk assistent het toelaat. Subsidiair wil hier zeggen dat de lokale politie in het raam van de basisfunctionaliteiten eveneens de opdracht heeft om aan politionele slachtofferbejegening te doen. Ofwel door het aanwerven van een gespecialiseerde medewerker of door het oprichten van een dienst slachtofferbejegening binnen de zone. Het behoort dus in principe eerst tot de verantwoordelijkheid van de zone zelf om deze dienstverlening aan de bevolking te bieden.[41]

 

2.3 Slachtofferbejegening bij de federale politie

 

De federale politie verzekert over het hele grondgebied, met inachtneming van de principes van subsidiariteit en specialiteit, de gespecialiseerde opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijk politie, evenals ondersteunende opdrachten voor de lokale diensten. Een aantal diensten van de federale politie zijn ook verantwoordelijk voor de basispolitietaken in een afgebakend geografisch gebied (provinciale verkeerseenheden, spoorwegpolitie, scheepvaartpolitie, luchtvaartpolitie)

 

De diensten van de federale politie kunnen rekenen op de steun van de maatschappelijk assistenten van de coördinatie- en steundienst (CSD). De activiteiten van deze maatschappelijk assistenten dienen prioritair en hoofdzakelijk gericht te worden naar de behoeften en vragen van de directies en diensten van de federale politie in het arrondissement. Deze taken zullen uitgevoerd worden in overleg tussen de DirCo, de DirJud en de diensten die steun vragen.[42]

 

De basispolitiezorg waar de politionele slachtofferbejegening deel van uitmaakt, geldt enkel voor de lokale politie. Er wordt geen woord gerept over basispolitiezorg bij de federale politie en het gevaar bestaat dat de federale politie politionele slachtofferbejegening als taak van de lokale politie zal beschouwen.

 

 

3 Nieuwe initiatieven, regelgeving en structuren sinds 1998

 

Er wordt bewust een lijn getrokken voor de initiatieven die werden genomen voor1998 en die van na 1998 dateren omdat de eerste stappen die genomen werden voor het hervormen van de politie zich reeds in 1998 hebben voorgedaan. In realiteit is de hervorming officieel in werking gesteld sinds 2000 en 2001.

 

3.1 Omzendbrief OOP 15ter betreffende de politionele slachtofferbejegening

 

Op 9 juli 1999 verscheen er de omzendbrief OOP 15ter die de twee voorgaande omzendbrieven vervangt. De OOP 15ter is nog steeds van kracht. Meerdere ontwikkelingen maakten deze derde omzendbrief noodzakelijk. Zo waren er diverse wettelijke en administratieve initiatieven sinds 1994 die de positie van het slachtoffer moesten verbeteren, de totstandkoming van de samenwerkingsakkoorden van de Staat met de verschillende Gemeenschappen inzake slachtofferzorg en een aantal wettelijke wijzigingen betreffende de positie van het slachtoffer tijdens het vooronderzoek ten gevolge van de zogenaamde Wet Franchimont.

 

Het is een noodzakelijke actualisering en verfijning van de twee voorgaande omzendbrieven OOP 15 en OOP 15bis. De OOP15ter vervangt dus deze twee anderen. De OOP15ter stelt dat de politie als eerstelijnsdienst voor een goede eerste opvang dient te zorgen, doch benadrukt dat psychosociale en therapeutische begeleiding niet tot de taken van de politie behoort.[43]

 

Op de eerste plaats staan er in de omzendbrief een aantal definities over cruciale begrippen opdat ieder zijn taak goed zou kennen en weten waarover het precies gaat. Het begrip slachtofferonthaal verwijst naar de diensten bij het parket van de rechtbanken van eerste aanleg.

 

Teneinde een onderscheid te maken tussen de taken van de individuele politieambtenaar en deze van de meer gespecialiseerde diensten binnen de politiekorpsen, werden de taken van deze diensten specifiek omschreven. De omzendbrief stelt dat een dienst politionele slachtofferbejegening een dienst is binnen een gemeentelijke politiekorps, rijkswachtbrigade of rijkswachtdistrict die enerzijds instaat voor de sensibilisering en permanente vorming van de politieambtenaren inzake politionele slachtofferbejegening, en anderzijds voor het bieden van deze slachtofferbejegening zonder evenwel afbreuk te doen aan de wettelijke verplichtingen inzake de bejegening van een slachtoffer van elke individuele politieambtenaar.

De politionele slachtofferbejegening wordt in de omzendbrief goed onderscheiden van de slachtofferhulp, meer bepaald door de inhoud, intensiteit en frequentie van de contacten met het slachtoffer. Aangezien de psychosociale of therapeutische hulpverlening niet bij de politietaken hoort, wordt gesteld dat de politieambtenaar het slachtoffer doorverwijst naar de bevoegde centra voor slachtofferhulp, die erkend zijn door de Gemeenschappen.[44]

 

Ook worden duidelijk de taken van de politiedienst inzake slachtofferbejegening besproken. Dit zowel op het niveau van de korpschef en de korpsleiding, als op het niveau van de individuele politieambtenaar en het niveau van de dienst politionele slachtofferbejegening.

 

Onder het derde punt van deze circulaire vallen de grootste veranderingen. Het gaat hier namelijk over de wijze van verwijzing naar de hulpverleningssector. Door de nieuwe initiatieven zijn er enkele nieuwe formaliteiten en gebruiken gecreëerd, zoals onder meer het gebruik van een doorverwijsformulier en het systematisch bieden van bepaalde informatie betreffende de hulpverleningssector. Vervolgens wordt er in de omzendbrief nog even verwezen naar de overlegstructuren en tenslotte eindigt het met een besluit.[45]

 

Deze omzendbrief heeft tot doel de politietaken inzake slachtofferbejegening nader te bepalen en af te bakenen teneinde overlappingen te vermijden en de samenwerking met andere diensten te bevorderen. Er wordt verwezen naar de centra voor slachtofferhulp en de maatschappelijk assistenten en verbindingsmagistraten bij de parketten. Op deze wijze wordt benadrukt dat psychologische en therapeutische begeleiding, en dus de psychosociale kant op langere termijn, niet tot de taken van de politie behoren. De omzendbrief wijst de politiediensten ook op haar verantwoordelijkheden. Ze moeten ervoor zorgen dat het personeel gesensibiliseerd wordt en de nodige opleiding krijgt. Ook moeten ze zorgen voor de reeds besproken aangepaste lokalen voor onthaal en opvang.

 

3.1.1 Slachtofferzorg, slachtofferhulp en slachtofferbejegening

 

Het begrip slachtoffer wordt gedefinieerd zodat dit duidelijkheid zou verschaffen over de doelgroep. Ook wordt het begrip slachtofferzorg in zijn brede betekenis beschreven samen met het begrip slachtofferbejegening en met wat de dienstverlening aan slachtoffers door politionele en justitiële diensten inhoudt waarbij de eerste opvang en het onthaal van het slachtoffer evenals het verstrekken van een goede basisinformatie aan het slachtoffer centraal staan. Slachtofferzorg, slachtofferhulp en slachtofferbejegening zijn drie verschillende begrippen die drie verschillende ladingen dekken. Vaak worden ze toch onterecht door elkaar gebruikt.[46]

 

Slachtofferzorg

Slachtofferzorg[47] is de hulp- en dienstverlening in de breedste betekenis, die vanuit de verschillende maatschappelijke sectoren (politionele en justitiële diensten, sociale en medische sector) aan slachtoffers wordt geboden. Slachtofferzorg slaat met andere woorden op het volledige proces van bijstand aan het slachtoffer. Opvang, onthaal en ook de eventuele hulpverlening worden hieronder gerekend.[48]

 

Slachtofferhulp

Bij slachtofferhulp wordt gedacht aan instanties die instaan voor specifieke begeleiding van slachtoffers. Vaak zijn deze voorzieningen een tweede stap in de slachtofferzorg, zoals een doorverwijzing van de politie naar de hulpverlening.

 

Slachtofferbejegening

Slachtofferbejegening[49] is de dienstverlening aan slachtoffers door politionele en justitiële diensten waarbij zowel de eerste opvang en het onthaal van het slachtoffer als het verstrekken van een goede basisinformatie aan het slachtoffer centraal staan.

 

3.1.2 Opdrachten van de politiediensten en op het niveau van de politieambtenaar

 

Na te hebben gewezen op het wettelijk kader (art. 46 WPA 1992 en de wet van 7 december tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus) somt de omzendbrief een aantal redenen op die wijzen op de noodzaak van een adequate politionele slachtofferbejegening.[50] De opvang van een slachtoffer wordt gekenmerkt door een actief luisteren en een begrijpende en geduldige houding van de politieambtenaar. Een andere opdracht is dat er praktische bijstand moet verleend worden in bijzondere omstandigheden zoals de aankondiging van een overlijden of een onrustwekkende verdwijning. Ook dient elke politieambtenaar behoorlijke informatie te geven, een goed proces-verbaal op te stellen waarin ook de schade van het slachtoffer in brede zin wordt opgeschreven en met elk slachtoffer dient later een hercontactname te gebeuren.[51] Waarom de politieambtenaar aan deze zaken aandacht moet geven, heeft de volgende redenen:

 

- De politieambtenaar is vaak de eerste persoon met wie het slachtoffer contact heeft en hij is bijgevolg verplicht in te staan voor een degelijk ontvangst en onthaal, evenals voor een emotionele ondersteuning. Elk slachtoffer heeft recht op aandacht.

- Het is een vereiste dat elke politieambtenaar, die beroepsmatig ten dienste staat van de burger, in staat is aan de behoeften van het slachtoffer te beantwoorden. Meer bepaald door met aandacht naar het slachtoffer te luisteren en hem in elk geval correct en met respect te behandelen.

- Slachtofferbejegening mag niet als een bijkomende taak en zeker niet als een werklast beschouwd worden. Het is een vereiste dat elke politieambtenaar de nodige vaardigheden en kennis verwerft.

- Een goed onthaal van het slachtoffer verbetert de kwaliteit van zijn verklaring en vergemakkelijkt de kans op medewerking tijdens de voortgang van het onderzoek.

- Op termijn draagt een correcte politionele slachtofferbejegening bij tot het positieve imago van de politie en versterkt dat het vertrouwen van de burger in de maatschappelijke orde, de maatschappij en in het gerechtssysteem.[52]

 

3.1.3 Opdrachten op het niveau van de korpschef en de korpsleiding

 

De omzendbrief beschrijft uitgebreid wat de taken zijn van alle politieofficieren. Deze moeten vooral hun politiepersoneel voortdurend sensibiliseren. De omzendbrief voorziet in dit opzicht verscheidene opdrachten.[53]

- De aanstelling van een verantwoordelijke officier die instaat voor de follow-up van het slachtofferbeleid binnen het korps. Hij oefent controle uit op de uitvoering van het beleid, evalueert het en formuleert voorstellen aan de korpschef;

- Het personeel, vooral de eerstelijnsagenten, in de slachtofferbejegening moet gesensibiliseerd en gevormd worden;

- Het personeel dient te kunnen beschikken over alle nodige technische en organisatorische middelen;

- Er dient een lijst opgesteld te worden van de justitieassistenten bij de rechtbanken van eerste aanleg, evenals een lijst van de hulpverleningsdiensten die vermeld worden in de verwijsprocedure;

- Deze lijst dient voortdurend geactualiseerd te worden met de gegevens van de diensten en moet permanent ter beschikking zijn van het politiepersoneel. Het is hier belangrijk dat de politieambtenaar het bestaan van de diensten kent;

- Er dient met deze diensten een actieve samenwerking opgebouwd te worden en de contacten dienen onderhouden te worden;

- Er moeten debriefings georganiseerd worden wanneer politieambtenaren van het korps geconfronteerd werden met ernstige misdaden en deze moeten ook psychologisch ondersteund worden.[54]

 

3.1.4 Opdrachten op het niveau van de dienst politionele slachtofferbejegening

 

Het bestaan van een dienst politionele slachtofferbejegening binnen een politiekorps ontslaat geen enkele politieambtenaar van zijn wettelijke plicht om aan slachtofferbejegening te doen. Deze dienst ondersteunt met andere woorden het politiekorps, maar neemt de taak van de politieambtenaar niet over. Elke politieambtenaar moet in staat zijn een correcte en efficiënte ondersteuning te bieden aan slachtoffers. Een dienst politionele slachtofferbejegening in een korps of zone heeft een ondersteunende rol die de leden van de zone sensibiliseert, informeert en bijstaat.[55]

 

De dienst politionele slachtofferbejegening moet het beleid dat uitgewerkt is binnen het korps toepassen, met naleving van de principes van het slachtofferbeleid. Een dienst politionele slachtofferbejegening heeft volgende taken:[56]

- Sensibilisering en verdere opleiding van de leden van het politiekorps inzake politionele slachtofferbejegening door projecten op te stellen;

- Aan de leidinggevende officieren en aan de leden van het korps informatie verstrekken aangaande slachtofferbejegening;

- Eventueel rechtstreeks tussenkomen bij slachtofferbejegening wanneer een politieambtenaar het slachtoffer niet alleen of niet op een optimale wijze kan bijstaan. De dienst slachtofferbejegening moet op dat ogenblik de slachtoffers die nood hebben aan psychosociale hulp doorverwijzen naar de centra voor slachtofferhulp;

- Aangezien deze dienst gespecialiseerd is in slachtofferbejegening kan hij belast worden met het hercontacteren van het slachtoffer;

- Om de politiedienst te informeren, zal de dienst slachtofferbejegening contacten leggen en een actieve samenwerking opbouwen met de hulpverlenende instanties die vermeld worden in de Omzendbrief OOP15ter. De dienst verzamelt de noodzakelijke informatie en gegevens zoals adressen, telefoonnummers, contactpersonen en openingsuren. Het is nodig dat deze gegevens geregeld geïnventariseerd worden in een sociale kaart en dat deze gegevens en lijsten aan elke politieambtenaar doorgegeven worden.

 

3.1.5 Conclusie Omzendbrief OOP15ter

 

Om een behoorlijke bejegening van slachtoffers te kunnen realiseren door het basiskader, is het belangrijk dat ook de korpsleiding ten volle achter de slachtofferbejegening staat. Om die reden gaat de laatste Omzendbrief OOP 15ter, in tegenstelling tot de twee vorige, ook nader in op de taken van alle politieofficieren voor een voortdurende sensibilisering van het politiepersoneel inzake slachtofferbejegening.

Ook voorziet de omzendbrief in dit opzicht verschillende opdrachten voor het korps. Er dient een verantwoordelijke officier aangesteld te worden die moet instaan voor de follow-up van het slachtofferbeleid binnen het korps. Er moet continu gezorgd worden voor sensibilisering en vorming van het personeel en meer bepaald van de eerstelijnsagenten in de slachtofferbejegening. Ook dienen alle nodige technische en organisatorische middelen ter beschikking gesteld te worden en dient er een lijst aanwezig te zijn binnen het korps van alle hulpverleningsdiensten die vermeld worden in het doorverwijsmodel zodat elke politieambtenaar weet waarnaar de slachtoffers kunnen doorverwezen worden en ze hierover ook te informeren.

 

In de omzendbrief worden ook specifieke opdrachten van de diensten politionele slachtofferbejegening besproken en nader gedefinieerd. Het gaat hier dan over de specifieke opdrachten met betrekking tot elke eenheid van het politiekorps, elke persoon die bijzondere beroepsbekwaamheden bezit of uitbouwt, de dienst of het bureau die een specifieke opdracht vervult inzake de sensibilisering of de voortgezette opleiding inzake het domein van de politionele slachtofferbejegening. Het zijn in feite de ondersteunende diensten binnen het korps die deze specifieke opdrachten hebben. Tenslotte is het ook deze dienst die deelneemt aan het “welzijnsteam slachtofferzorg” of aan de “arrondissementele raad voor het slachtofferbeleid” (zie verder).[57]

 

Door deze omzendbrief werd alleszins een regelgevend kader gecreëerd dat het aan de politiediensten op het terrein moet mogelijk maken een coherent en gestructureerd beleid inzake slachtofferbejegening met de nadruk op een degelijke politionele basisdienstverlening aan slachtoffers uit te bouwen. Eens het beleid opgesteld is, dient het continu opgevolgd en eventueel bijgestuurd te worden. Het kwam er nu dus eigenlijk op aan om deze omzendbrief in de praktijk te implementeren. Sommige initiatieven werden ondersteund door de minister van Binnenlandse Zaken onder meer door de introductie van opleidingsonderdelen politionele slachtofferbejegening in de basisopleidingen en voortgezette opleidingen inzake slachtofferbejegening in de politiescholen door te voorzien in didactisch en ondersteunend materiaal voor de lesgevers.[58]

 

3.2 Omzendbrief PLP 10 van 9 oktober 2001 inzake de organisatie- en werkingsnormen van de lokale politie met het oog op het waarborgen van een minimale gelijkwaardige dienstverlening aan de bevolking

 

Het Koninklijk Besluit van 17 september 2001 tot vaststelling van de organisatie- en werkingsnormen van de lokale politie teneinde een gelijkwaardige minimale dienstverlening aan de bevolking te garanderen, bepaalt dat de politionele slachtofferbejegening één van de zes functionaliteiten is om deze minimale dienstverlening te verzekeren. De functie politionele slachtofferbejegening bestaat volgens het artikel 5 van het K.B. in het verschaffen van een adequate opvang, informatie en bijstand aan het slachtoffer:

 

De functie politionele slachtofferbejegening bestaat in het verschaffen van een adequate opvang, informatie en bijstand aan het slachtoffer. De lokale politie organiseert zich derwijze dat elke politieambtenaar en elke hulpagent van de politie in staat is deze taak te vervullen. In geval de lokale politie geconfronteerd wordt met zeer ernstig slachtofferschap, mag ze een beroep kunnen doen op een gespecialiseerde medewerker, die een personeelslid van de politiediensten is, inzake slachtofferbejegening. Als minimale werkingsnorm en organisatienorm geldt hier het principe van één gespecialiseerde medewerker per zone. Bovendien wordt de permanente bereikbaarheid en terugroepbaarheid van dergelijke medewerkers verzekerd, eventueel in samenwerking met andere zones via interzonale samenwerking.”

 

Alhoewel elke politieambtenaar in staat moet zijn deze te vervullen geldt als minimale norm de aanduiding van één gespecialiseerde medewerker per zone voor deze functie zoals het K.B. reeds vermeldt.

 

De omzendbrief PLP 10 van 9 oktober 2001[59] met dezelfde titel als het K.B. bepaalt verder de mogelijke opdrachten die deze gespecialiseerde medewerker kan vervullen. Volgens deze omzendbrief kan de taak toevertrouwd worden aan een politieassistent of aan een lid van het burgerpersoneel met een relevant diploma.

 

3.2.1 De functionaliteit politionele slachtofferbejegening

 

De omzendbrief PLP 10 vertaalt deze gelijkwaardige dienstverlening inzake slachtofferbejegening verder naar de praktijk van de lokale politie. Het is nuttig, in het kader van deze eindverhandeling, de exacte omschrijving van deze functionaliteit te bekijken:[60]

 

4° De functie politionele slachtofferbejegening. Het artikel 46 van de WPA ligt aan de grondslag van elke actie van de politie ten opzichte van het slachtoffer. Zo zullen zij die personen die om hulp of bijstand verzoeken in contact brengen met de gespecialiseerde diensten. Zij verlenen onder andere bijstand aan de slachtoffers van misdrijven, inzonderheid door hen de nodige informatie te verschaffen. De politieambtenaar is vaak de eerste persoon die in contact treedt met het slachtoffer. Hij heeft bijgevolg de verplichting in te staan voor een adequate opvang en onthaal, en voor een emotionele steun. De slachtofferbejegening maakt dus integraal deel uit van de politionele taken en opdrachten. Wel impliceert een goede slachtofferbejegening het zich eigen maken van een welbepaald gedrag, een welbepaalde bekwaamheid en kennis. Naast deze wettelijke verplichting in hoofde van iedere politieambtenaar, moet elk lokaal politiekorps beschikken over een gespecialiseerde medewerker, met als doel de politieambtenaren raad te geven en bij te staan bij het vervullen van hun opdrachten. Deze medewerker kan, onder andere, worden belast met verscheidene soorten taken. De medewerker zorgt voor de bewustmaking en de voortgezette vorming van de korpsleden. Hij dient ook alle informatie die te maken heeft met slachtofferbejegening in te zamelen en ter beschikking te stellen van het korps. De gespecialiseerde medewerker kan slachtoffers bijstaan in sommige gevallen, bijvoorbeeld in crisissituaties of zwaar slachtofferschap. De slachtoffers die psychosociale hulp nodig hebben moeten doorverwezen worden naar de bevoegde diensten. De medewerker zorgt voor het onderhouden van de contacten en het samenwerken met deze hulpverleningsinstanties. Verder wordt er ook verwacht dat er wordt deelgenomen aan de overlegstructuren die hierboven reeds vermeld werden. Deze taak kan integraal aan een politieassistent of aan burgerpersoneel met een relevant diploma worden toevertrouwd. De permanente oproepbaarheid van een dergelijk persoon moet ten voordele van elke zone worden verzekerd. Daarin kan in voorkomend geval worden voorzien in samenwerking met andere zones.

 

Naast de wettelijke verplichting in hoofde van iedere politieambtenaar om elk slachtoffer op te vangen, zoals omschreven in de WPA, moet elk lokaal politiekorps beschikken over één gespecialiseerde medewerker, met als doel de politieambtenaren raad te geven en bij te staan bij het vervullen van hun opdrachten.

Deze medewerker kan, onder andere, belast worden met : [61]

- de bewustmaking en voortgezette vorming van de korpsleden;

- alle informatie die verband houdt met slachtofferbejegening in te zamelen en ter beschikking te stellen van het korps;

- de slachtoffers bij te staan in sommige gevallen, bijvoorbeeld in emotionele crisissituaties of zwaar slachtofferschap (inzonderheid in geval van zware ongevallen met of zonder vluchtmisdrijf, ...);

- de slachtoffers die psychosociale hulp behoeven door te verwijzen naar de bevoegde diensten;

- het onderhouden van contacten en samenwerken met de hulpinstanties;

- deelnemen aan overlegstructuren.

 

Deze taak van gespecialiseerde medewerker kan integraal aan een politieassistent (zie verder) of aan burgerpersoneel met een relevant diploma worden toevertrouwd. De permanente oproepbaarheid van dergelijk persoon moet ten voordele van elke zone worden verzekerd. Daarin kan in voorkomend geval worden voorzien in samenwerking met andere zones (zie verder).

 

3.2.2 Bedenkingen bij de PLP 10

 

Dreigende tegenstellingen met de OOP15ter

 

Uit de tekst kan worden afgeleid dat er voor de lokale politie niet veel verandert. Uiteraard kan niet ontkend worden dat politionele slachtofferbejegening op het lokale niveau behoort tot de basispolitiezorg. In die zin is het dan ook meer dan logisch dat dit in de omzendbrief PLP 10 beschreven wordt als één van de zes functionaliteiten van de lokale politie. De omschrijving van de functionaliteit politionele slachtofferbejegening komt in grote lijnen overeen met de richtlijnen die gegeven werden in de omzendbrief OOP 15ter.

 

Toch moet er worden opgelet, zoals HUTSEBAUT terecht opmerkt, dat er geen tegenstellingen dreigen te ontstaan tussen de omzendbrief OOP 15ter en de andere omzendbrief PLP 10. [62]

 

In de OOP 15ter worden ook verschillende dwingende richtlijnen omschreven voor de korpschef, onder meer wat betreft de aanstelling van een verantwoordelijke officier die moet instaan, naast andere taken inzake politionele slachtofferbejegening, voor de follow-up van het slachtofferbeleid binnen het korps. Dit mag zeker niet vergeten worden wanneer de richtlijnen in de PLP 10 worden opgevolgd. Er is uiteraard niets tegen dat de korpsleiding zich laat bijstaan door een politieassistent of door burgerpersoneel maar dit doet niets af aan de eigen verantwoordelijkheid van elke korpsleiding en de aan te stellen officieren.[63]

 

Er zou dus beter explicieter dienen gesteld te worden dat ook na de omzendbrief PLP 10 alle bepalingen, verplichtingen en verantwoordelijkheden die in de omzendbrief OOP 15ter zijn uitgewerkt, geldig blijven. Ook dient er aandacht gegeven te worden aan de interzonale samenwerking. Deze interzonale samenwerking moet voornamelijk gestimuleerd worden in functie van de permanente oproepbaarheid (zie verder).

 

Geen aandacht voor slachtofferbejegening bij de federale politie in de M.O. PLP 10

 

De situatie op federaal niveau is door de creatie van de federale politie zeer onduidelijk geworden. Gezien de taakverdeling op gerechtelijk vlak tussen de lokale en de federale politie, is het duidelijk dat ook op federaal vlak belangrijke gerechtelijke taken zullen uitgevoerd worden, meer in het bijzonder door de gedeconcentreerde gerechtelijke diensten op het arrondissementeel niveau waar die politieambtenaren ook geconfronteerd zullen worden met slachtoffers.

 

Uit de Richtlijn van 20 februari 2002 tot regeling van de taakverdeling, de samenwerking, de coördinatie en de integratie tussen de lokale en de federale politie inzake de opdrachten van de gerechtelijke politie, blijkt ondermeer dat de federale politie, in het bijzonder de gedeconcentreerde gerechtelijke diensten, zullen belast worden met het onderzoek naar een gepleegd of nog te plegen feit of feiten in het kader van een criminele organisatie. Ook worden ze belast met het onderzoek naar bepaalde in de omzendbrief aangeduide misdrijven waaronder ontvoering, afpersing, gijzeling, car- en homejacking, hold-up, moord, brandstichting, mensenhandel, enz… Uiteraard betreft het hier feiten waarbij zich ernstige vormen van slachtofferschap kunnen voordoen, die zowel crisisopvang als verdere opvolging of doorverwijzing vereisen.[64]

 

Het valt te betreuren dat de PLP 10 enkel betrekking heeft op de organisatie- en werkingsnormen van de lokale politie. Voor de lokale politie is politionele slachtofferbejegening één van de zes basisfunctionaliteiten maar deze gelden niet voor de federale politie. Toch dient elke politieambtenaar in staat te zijn het eerste onthaal van een slachtoffer te garanderen. Met “elke politieambtenaar” wordt hier dan verwezen naar zowel de leden van de lokale politie als de leden van de federale politie, zowel op federaal als op gedeconcentreerd niveau. Het verschil is dat in een lokaal korps een gespecialiseerde medewerker aangesteld is waarop een politieambtenaar beroep kan doen wanneer hij hulp nodig heeft bij het bejegenen van een slachtoffer. Deze gespecialiseerde medewerker is niet terug te vinden op federaal niveau aangezien geen enkele richtlijn dit oplegt.

 

Om die reden is het dan ook absoluut noodzakelijk om erop te wijzen dat ook op het niveau van de gedeconcentreerde gerechtelijke diensten gezorgd moet worden voor de nodige voorzieningen inzake politionele slachtofferbejegening. Dit moet gebeuren op de verschillende niveaus en voornamelijk op het niveau van de individuele politieambtenaar en op het niveau van de leiding, met name de DirJud of de DirCo die een coördinerende en ondersteunende rol heeft ten aanzien van de lokale politiezones in zijn of haar arrondissement.[65]

 

3.2.3 Conclusie Omzendbrief PLP 10

 

Op de eerste plaats dient er explicieter gesteld te worden dat ook elke individuele politieambtenaar die werkzaam is in het kader van de gedeconcentreerde diensten (waaronder onder meer de GDA’s, de zeevaart-, luchtvaart- en spoorwegpolitie ondergebracht zijn) maar ook elke verantwoordelijke van de gedeconcentreerde diensten, bijvoorbeeld de DirJud, gehouden is de richtlijn OOP 15ter na te leven, ieder wat betreft de eigen verantwoordelijkheden die hen door de omzendbrief werden opgelegd.[66]

 

Dit vereist, op de tweede plaats, dat ook op het niveau van de gedeconcentreerde gerechtelijke diensten, zoals bij de lokale politie, structurele maatregelen moeten genomen worden teneinde te evolueren naar een adequate politionele slachtofferbejegening binnen deze diensten. Conform aan de Omzendbrief OOP 15ter houdt dit onder meer de aanstelling in van een verantwoordelijke officier met dezelfde taken als bij de lokale politie en de aanstelling van een gespecialiseerd medewerker zoals voorzien is in de Omzendbrief PLP 10 voor de lokale politie. Deze medewerker kan instaan voor bijzondere taken zoals de voortgezette opleidingen, informatieverstrekking, tussenkomst bij emotionele crisissituaties of zeer ernstig slachtofferschap, hercontactname van de slachtoffers, contacten met de hulpverlenende diensten, deelname aan de welzijnsteams slachtofferzorg of aan de arrondissementele raad slachtofferbeleid. Een andere mogelijke optie volgens HUTSEBAUT is deze gespecialiseerde medewerker te alloceren aan de bestuurlijke directeur-coördinator (zie verder).[67]

 

3.3 Decreet houdende de goedkeuring van het Samenwerkingsakkoord van 7 april 1998 tussen de Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake slachtofferzorg

 

Dit samenwerkingsakkoord beoogt een structurele samenwerking inzake slachtofferzorg tussen diensten van het ministerie van Justitie, van het ministerie van Binnenlandse Zaken en de door de Vlaamse Gemeenschap erkende en gesubsidieerde hulpverleningsdiensten. Deze structurele samenwerking is noodzakelijk in functie van een kwaliteitsvolle zorg- en dienstverlening ten voordele van slachtoffers. Een optimale slachtofferbejegening door politiële en justitiële diensten en een daarop aansluitende goed uitgebouwde slachtofferhulp moet alle gevolgen van slachtofferschap in de mate van het mogelijke beperken en herstellen.[68]

 

In dit samenwerkingsakkoord worden nogmaals bepaalde slachtoffergerelateerde termen zoals “slachtoffer”, “slachtofferbeleid”, “slachtofferbejegening”, enzovoort uitgewerkt.[69]

 

In art.3 wordt bepaald waarvoor de Staat bevoegd is:

- het niet-justitiële beleid inzake politie en veiligheid en in het bijzonder de politionele slachtofferbejegening;

- het strafrechtelijk beleid en in het bijzonder het gerechtelijk slachtofferbeleid. In dat kader waarborgt de Staat de rechten van het slachtoffer binnen de gerechtelijke procedure waaronder de justitiële slachtofferbejegening.

 

In het kader van deze bevoegdheid verbindt de Staat zich ertoe in uitvoering van art. 46 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt en de daaraan gekoppelde onderrichtingen :

- de maatregelen te nemen opdat het slachtoffer van een misdrijf erkend wordt in zijn belangen door :

o de politiediensten te voorzien van de geschikte materiële omstandigheden voor de opvang, het onthaal en verhoor van slachtoffers;

o aan slachtoffers de nodige informatie te geven over hun rechten binnen de gerechtelijke procedure, over het verloop van de strafrechtspleging, over het bekomen van schadevergoeding en over de mogelijkheden tot doorverwijzing;

o ervoor te zorgen dat slachtoffers de nodige informatie kunnen laten opnemen in het proces-verbaal over de geleden materiële en immateriële schade en over het verzoek om op de hoogte te worden gehouden over het onderzoek en de mogelijke strafuitvoering;

o de politieambtenaren kunnen hierin worden bijgestaan door een dienst slachtofferbejegening;

- een goede opleiding en permanente vorming te voorzien inzake slachtofferbejegening voor alle politiefunctionarissen o.a. door de dienst slachtofferbejegening van het korps de interne vorming te laten verzekeren;

- een aanspreekpunt te voorzien op het niveau van het ministerie van Binnenlandse Zaken, binnen de Algemene Rijkspolitie, om een permanente dialoog tussen en samenwerking met andere instanties inzake slachtofferzorg, zowel op federaal als op gemeenschaps- en gewestniveau, structureel te bevorderen.

 

Art.4 van dit akkoord maakt de Vlaamse Gemeenschap bevoegd voor bijstand aan personen, onder meer voor hulp- en dienstverlening aan slachtoffers. In dat kader dient de Vlaamse Gemeenschap voorzieningen te erkennen en te subsidiëren om vanuit een welzijnsgerichte benadering een degelijke en kwaliteitsvolle hulp- en dienstverlening aan slachtoffers te bieden. Deze hulp- en dienstverlening vertrekt vanuit respect voor de persoonlijke levenssfeer van elke persoon en eenieder die in contact komt met personen die om hulp vragen.[70]

 

Nogmaals worden er verder in art. 9 van het samenwerkingsakkoord bevoegdheden voor de Staat vastgelegd. Er wordt bepaald dat de Staat ervoor zal zorgen dat de politiediensten slachtoffers systematisch doorverwijzen naar de centra op de hierna vermelde wijze[71] :

- Minimaal alle slachtoffers die een dader zagen of waarbij in hun verblijfplaats werd ingebroken worden rechtstreeks en zonder voorafgaande selectie verwezen, mits het slachtoffer daarmee instemt.

- Andere slachtoffers worden evenwel niet uitgesloten van verwijzing wanneer de politiebeambte dit nodig acht. In elk geval worden andere slachtoffers geïnformeerd over het hulpaanbod van de bestaande en erkende centra.

De verwijzing gebeurt door de bevoegde politiedienst die, bij vaststelling van de feiten of neerlegging van de klacht, een daartoe bestemd formulier invult en het uiterlijk de tweede werkdag na de invulling doorstuurt aan het centrum van het gerechtelijk arrondissement. In geval van hoogdringendheid neemt de politiedienst dadelijk contact op met het centrum.

Indien het slachtoffer niet instemt met een rechtstreekse verwijzing, bezorgt de politiedienst aan het slachtoffer het adres en telefoonnummer van het dichtstbijzijnde centrum.

Van het aanbod van verwijzing van het slachtoffer naar het erkende centrum wordt melding gemaakt in het proces-verbaal dat wordt opgesteld bij de vaststelling of neerlegging.

De bevoegde politiedienst brengt slachtoffers die een onmiddellijke residentiële opvang behoeven, rechtstreeks in contact met een geschikt opvangcentrum.[72]

 

Naar aanleiding van dit samenwerkingsakkoord inzake slachtofferzorg werd de rol bepaald van de federale Staat en meer bepaald van de politiekorpsen, van de Vlaamse Gemeenschap, van de Franse Gemeenschap en van het Waals Gewest. Gezien de bevoegdheidsverdeling was het noodzakelijk om een algemeen kader van verwijzing van de slachtoffers te voorzien. Ook was het nodig omdat slachtoffers zelden spontaan of onmiddellijk na de feiten zelf hulp zoeken en de politie daarin dan ook een eerste belangrijke rol moet spelen. Het systeem komt erop neer dat de politieambtenaar elke slachtoffer moet inlichten over het bestaan van de centra voor slachtofferhulp die erkend zijn door de Gemeenschappen. Ook dient meteen aan het slachtoffer een informatiefolder gegeven worden over deze hulpverlening. Voor bepaalde categorieën van slachtoffers is het verplicht dat er doorverwezen wordt naar de hulpverlening aan de hand van het doorverwijsformulier.[73]

 

3.4 Het gerechtelijk arrondissement

 

Binnen elk arrondissement dient een arrondissementele raad voor het slachtofferbeleid opgericht te worden met als doel het slachtofferbeleid te ondersteunen. Er worden eveneens welzijnsteams slachtofferzorg binnen elk gerechtelijk arrondissement voorzien. Van de politiediensten wordt verwacht dat zij, zoals reeds eerder vermeld werd, deelnemen aan de werking van deze overlegstructuren en hun medewerking verlenen.[74]

 

3.4.1 De Arrondissementele Raad voor het Slachtofferbeleid

 

Het samenwerkingsakkoord bepaalt ook dat in elk gerechtelijk arrondissement een arrondissementele raad voor het slachtofferbeleid opgericht wordt die minstens tweemaal per jaar bijeenkomt.[75]

 

De raad heeft als opdracht ten eerste de in het samenwerkingsakkoord gemaakte afspraken te concretiseren en te implementeren in functie van een integrale slachtofferzorg, rekening houdend met de specifieke situatie van de regio en de noden van de slachtoffers. Een tweede opdracht is de samenwerking tussen de bevoegde diensten van de Staat en de erkende initiatieven van de Vlaamse Gemeenschap te ondersteunen en op te volgen, onder meer door de nodige beleidsmaatregelen voor te stellen en uit te werken. De derde en laatste opdracht bestaat erin moeilijkheden die zich voordoen inzake het slachtofferbeleid te rapporteren aan de bevoegde overheden en mogelijke verbeteringen voor te stellen.[76]

 

Het samenwerkingsakkoord bepaalt ook welke leden in deze arrondissementele raad zetelen: de procureur des Konings, de vertegenwoordigers van de door de Gemeenschap erkende centra binnen het arrondissement, de bestuurlijke directeur-coördinator met zijn maatschappelijk assistent, de gerechtelijk directeur, de korpschefs en hun slachtoffercoördinator of verantwoordelijke van hun slachtofferdienst en een justitieassistent van slachtofferonthaal.

 

3.4.2 Het welzijnsteam voor slachtofferzorg

 

Een ander initiatief dat in het samenwerkingsakkoord wordt gestipuleerd, is het oprichten van welzijnsteams. Er worden binnen elk gerechtelijk arrondissement één of meerdere welzijnsteams slachtofferzorg opgericht. De leden van het welzijnsteam bepalen in onderlinge afspraak de frequentie van hun bijeenkomsten.[77]

 

Het team heeft als opdracht, binnen de lijnen van dit akkoord, de samenwerking en taakverdeling te regelen in het welzijnsteam en met andere diensten en personen die een bijdrage leveren aan de individuele slachtofferzorg binnen het werkingsgebied van het welzijnsteam. Een andere opdracht is de arrondissementele raad voor het slachtofferbeleid te informeren en te adviseren over de opdracht van de raad.

Het team is minimaal samengesteld uit een justitieassistent slachtofferonthaal en een personeelslid van een dienst voor slachtofferbejegening bij de politiediensten binnen het werkingsgebied van het welzijnsteam en een hulpverlener van een door de gemeenschap erkend centrum.[78]

 

3.5 De Interzonale Samenwerking

 

3.5.1 De Omzendbrief PLP 27 van 4 november 2002

 

De omzendbrief PLP 27 van 4 november 2002 inzake de intensifiëring en bevordering van interzonale samenwerking, stimuleert de samenwerking tussen verschillende zones.[79]

De Minister van Binnenlandse Zaken heeft een duidelijk signaal gegeven. De omzendbrief moedigt de zones aan om samenwerkingsakkoorden af te sluiten, zowel in domeinen van operationele aard als in domeinen van niet-operationele aard.

 

Nu elk lokaal politiekorps zich intern heeft georganiseerd is de tijd gekomen om ook op interzonaal niveau een zekere dynamiek op gang te brengen. België beschikt over één geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus en dit betekent dat samenwerking en overleg meer dan vroeger een noodzakelijk gegeven is. [80]

 

Een volgende logische stap is dus het zoeken naar bovenlokale verbanden, naar diensten en desgevallend zelfs structuren, die interzonaal kunnen worden uitgevoerd of geïnstalleerd.

Afgezien de schaalgrootte van de zone heeft iedere goed draaiende organisatie nood aan het optimaal aanwenden van het personeel en de middelen die haar ter beschikking werden gesteld. Dit kan enkel leiden tot (nog) meer rentabiliteit van de politie. Het afsluiten van interzonale samenwerkingsverbanden lijkt in het licht en het concept van een geïntegreerde politie dan ook een must en een doel op zich.[81]

 

Het lokale niveau waar soms kleine zones zijn, is in vele gevallen echter vaak te beperkt in capaciteiten om voldoende personeel en middelen in te zetten om een volwaardige politiefunctie te garanderen en dus om te voldoen aan al de zes basisfunctionaliteiten, waaronder de politionele slachtofferbejegening. Dit betekent dat personeel en middelen noodzakelijk gemeenschappelijk gebruikt zullen moeten worden om te beantwoorden aan de vereisten van een basispolitiezorg ten dienste van de burger.

 

Het is dan ook niet meer dan logisch dat het inhoudelijke aspect van de akkoorden wordt voorbereid door de betrokken korpschefs en in bepaalde gevallen wordt goedgekeurd door de betrokken burgemeester(s) of politiecollege(s).[82]

 

Volgens deze omzendbrief kunnen tussen verschillende zones akkoorden worden opgesteld en afgesloten teneinde op permanente wijze adequate bijstand en onthaal te bieden. Het organiseren van bijvoorbeeld één permanent onthaal per zone is wellicht in bepaalde regio’s niet haalbaar of efficiënt. De minimale werkingsnorm die door de Koning is bepaald, ligt dan weer te laag voor andere regio’s. Ook hier kan het optrekken van de organisatie naar een grotere schaal veel voordelen opleveren. Het laat toe een evenwicht te vinden tussen het naleven van de minimale norm en een gewenste na te streven norm. Ook het principe van permanente bereikbaarheid en terugroepbaarheid van een officier van bestuurlijke politie kan interzonaal geregeld worden.[83]

 

Het hele idee dat in deze omzendbrief wordt uitgewerkt, is gebaseerd op de noodzaak van een efficiëntere inzetting van de politie zodat een maximum aantal politieagenten weer op het terrein werken. De oplossing schuilt echter niet alleen in de rekrutering van extra politieagenten, maar bestaat er vooral in om de beschikbare politiekrachten rationeel en adequaat in te zetten zonder enige vorm van verspilling. In het licht van het concept van een geïntegreerde politie is het onontbeerlijk om interzonale samenwerkingsverbanden te ontwikkelen.[84]

 

3.5.2 De praktische kant van de interzonale samenwerking[85]

 

De omzendbrief PLP 27 is niet bedoeld om de manier waarop een samenwerking concreet in de praktijk moet worden omgezet, op te leggen en evenmin om het domein (of meerdere domeinen) op te leggen waarin de samenwerking absoluut moet worden ontwikkeld. Er staat hooguit een opsomming in van de domeinen waarin een dergelijke samenwerking op operationeel of niet-operationeel vlak mogelijk is. De omzendbrief is vooral bedoeld als denkpiste.

Maar om bij een dergelijke samenwerking echt de voornoemde doelstelling te kunnen bereiken en een meerwaarde aan de betrokken partners te kunnen aanbieden, is het belangrijk dat de akkoorden afgesloten worden overeenkomstig een welbepaalde filosofie die gekenmerkt wordt door:

 

Een indeling van items die in aanmerking komen voor interzonale samenwerking kan verschillende domeinen ( middelen, interventie, know-how,...) bevatten. Gemakshalve wordt een onderscheid gemaakt tussen de domeinen van niet-operationele aard en deze van operationele aard.[86]

 

Volledigheidshalve dient toegevoegd te worden dat deze omzendbrief niet de ambitie heeft op te leggen hoe de concrete invulling van samenwerking in één of ander domein moet gebeuren, maar de domeinen wil opsommen waar samenwerking mogelijk is. In feite worden er enkele denkpistes aangereikt.

 

Er kunnen op verscheidene domeinen van niet-operationele aard samenwerkingsakkoorden afgesloten worden waarbij personeel en middelen kunnen bespaard worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de logistiek, personeel, preventiecampagnes, het gebruik van infrastructuur en middelen zoals garages, vergaderlokalen of snelheidsmeters.[87]

 

Wat de domeinen betreft die betrekking hebben op de organisatie- en werkingsnormen (K.B. van 17 september 2001 en de bijhorende omzendbrief PLP 10 van 10 oktober 2001) is er eveneens een interzonale samenwerking mogelijk. Hierbij kan gedacht worden aan de interventie en verlenen van bijstand waarbij elke politiezone beschikt over een permanente interventieploeg en één of meerdere bijkomende ploegen. In de voornoemde omzendbrief PLP 10 werd reeds een aanzet gegeven tot het interzonaal organiseren van deze bijkomende ploeg. De zone beslist autonoom wanneer ze die bijkomende ploeg inzet.

 

De functie politionele slachtofferbejegening is in deze eindverhandeling het belangrijkste. Zoals reeds vermeld, dient elk lokaal politiekorps te beschikken over een gespecialiseerde medewerker die permanent beschikbaar moet zijn. Dit laatste gegeven noopt ook tot enige afstemming op interzonaal niveau. Reeds verscheidene zones hebben de handen in elkaar geslagen om deze permanentie te verzekeren. In deel 3 wordt onderzocht of deze samenwerkingsakkoorden of protocollen ook echt praktisch werkbaar zijn.[88]

 

De rol van de bestuurlijke directeur-coördinator (DirCo) is cruciaal. Hij dient zich op de eerste plaats op de hoogte te houden van alle initiatieven die verband houden met de interzonale samenwerking. Hij bevordert deze en garandeert de samenhang met de werking van de federale politie. In het volgende punt wordt zijn functie kort toegelicht.[89]

 

3.6 De directeur-coördinator

 

Nergens komt het geïntegreerd karakter van de nieuwe politiestructuur beter tot uiting dan op het tussenniveau, meer bepaald het gerechtelijk arrondissementeel niveau. De wetgever heeft daar in een belangrijke scharnierfunctie tussen de lokale zones en de federale politie voorzien: de coördinatie- en steundienst (CSD), die geleid wordt door een bestuurlijke directeur-coördinator (DirCo).

 

Zoals reeds werd aangegeven, voorziet de WGP op het niveau van de gerechtelijke arrondissementen in functionele banden tussen de lokale en de federale politie. Dit gedeconcentreerd niveau moet fungeren als coördinerende en ondersteunende draaischijf tussen het federale niveau en de lokale korpsen.

 

De DirCo dient volgens art. 104 WGP de volgende taak op zich te nemen: hij dient te beantwoorden op aanvragen van de lokale politie omtrent technische, administratieve en operationele ondersteuning en coördinatie.

 

Hij heeft een coördinerende, stimulerende en faciliterende rol inzake interzonale samenwerkingsakkoorden, hij staat in voor de coördinatie van bestuurlijke overlegplatforms in zijn arrondissement maar altijd met de voorwaarde dat de DirCo een meerwaarde oplevert.

 

Er wordt zelfs gedacht aan het uitbouwen van een interarrondissementele samenwerking tussen de DirCo’s en het organiseren van bepaalde taken op supra-arrondissementeel niveau.[90]

Dit voorstel kan belangrijk zijn wanneer gedacht wordt aan het coördineren en ondersteunen van één coherent, uniform beleid inzake politionele slachtofferbejegening.

 

In het licht van het concept van de geïntegreerde politie, is de ontwikkeling van sterkere banden tussen de politiezones en het opstellen van de interzonale samenwerking noodzakelijk. De DirCo vervult een primordiale rol in dit proces. Die bestaat erin de gehele dynamiek verder te stimuleren, te coördineren en te faciliteren. Hij vervult in deze context ook een soort van notarisrol met betrekking tot de protocolakkoorden en de samenwerkingsverbanden tussen de politiezones. Dit betekent onder meer dat van hem verwacht wordt dat hij de zones stimuleert en aanmoedigt elke vorm van interzonale samenwerking uit te werken. Dit geldt dus ook zeker voor het luik politionele slachtofferbejegening. [91]

 

Het dagelijks beheer van de capaciteit inzake slachtofferbejegenaars die beschikbaar is op het gedeconcentreerde niveau van de federale politie, is toegewezen aan de DirCo. Hij doet dit in overleg met de verschillende zones van het arrondissement. In theorie zit er bij elke DirCo minstens één maatschappelijk assistent die het personeel van de gedeconcentreerde diensten dient te ondersteunen inzake politionele slachtofferbejegening. Ook moet ze met die diensten specifieke projecten uitwerken en ondersteunen. Als de lokale politie het vraagt, dient ze hen ook in het domein van de slachtofferbejegening te ondersteunen.[92]

 

3.7 De maatschappelijk assistent bij de federale politie

 

In het kader van de politiehervorming heeft de minister van Binnenlandse Zaken beslist dat de maatschappelijk assistenten van de federale politie, die zich vroeger op het districtsniveau van de rijkswacht bevonden, zich op het niveau van de coördinatie- en steundiensten situeren. Organisatorisch hangen ze dus af van de diensten van de DirCo en functioneel vallen ze onder verantwoordelijkheid en het gezag van de Algemene Directie Bestuurlijke Politie, Directie Beheer, beleid en ontwikkeling.[93]

 

Er bestaat een dienstnota die de opdrachten en werkwijzen van de maatschappelijk assistenten op het niveau van coördinatie- en steundienst (CSD) regelt.[94]

Maatschappelijk assistenten spelen een cruciale rol in het slachtofferbeleid in de verschillende coördinatie- en steundiensten op arrondissementeel niveau.

Ze hebben voornamelijk een structurele taak. Het structureel werk beoogt het veranderen en verbeteren van de kwaliteit van de binnen de federale politie uitgevoerde taken van politionele slachtofferbejegening. Daarbij wordt getracht een globaal antwoord aan te reiken op bepaalde probleemstellingen. Deze aanpak kenmerkt zich door sensibilisering, vorming, bijkomende opleidingen, en het opstarten van projecten gericht op het wijzigen en verbeteren van de kwaliteit van de opdrachten inzake politionele slachtofferbejegening. De doelgroep die prioritair beoogd wordt zijn de politieambtenaren zelf.

 

De maatschappelijk assistenten nemen ook deel aan de ontwikkeling van structurele netwerken van slachtofferbejegening tussen het federaal en het lokaal niveau. Het doel van deze netwerken is bij te dragen aan de uitwisseling van informatie en ervaringen inzake slachtofferbejegening.

 

Het individueel werk bestaat hoofdzakelijk uit het nemen van maatregelen die zich richten op de opvang en het onthaal, de bijstand en de begeleiding van individuele slachtoffers.

 

Een andere hoofdtaak van de maatschappelijk assistenten van de CSD is het personeel van de GDA en van de gedeconcentreerde diensten binnen de omschrijving van het gerechtelijk arrondissement te ondersteunen. Ook dienen ze op hun vraag, de lokale politie te ondersteunen en te coördineren in het domein van de politionele slachtofferbejegening.

 

Wat het thema netwerking betreft, dragen de maatschappelijk assistenten ook bij tot het organiseren van structurele netwerken inzake slachtofferbejegening bij de politie en dit dan tussen het federale en het lokale niveau. Denk hierbij aan een arrondissementeel netwerk zoals de arrondissementele raad met de lokale politiezones.

 

3.8 De politieassistent

 

Het is vanzelfsprekend dat de functie van een politieassistent in deze eindverhandeling aan bod komt. Naar aanleiding van de politiehervorming enerzijds en de verzuchtingen van de politieassistenten anderzijds werd een omzendbrief opgesteld, namelijk de Ministeriële Omzendbrief GPI 19 van 6 mei 2002 betreffende de functie, bevoegdheden en opdrachten van de politieassistenten.[95] De functie, bevoegdheden en de opdrachten van de politieassistenten binnen de nieuwe politiestructuur worden hierin toegelicht.

 

De politiehervorming heeft uiteraard een weerslag op de categorie van de politieassistenten. Uit het K.B. van 30 maart 2001 tot regeling van rechtspositie van het personeel en de politiediensten kan afgeleid worden dat de politieassistenten geen bijzonder statuut meer hebben zoals dat tot voor 1 april 2001 wel het geval was. De politieassistent is een volwaardig politieambtenaar, de uitoefening van de functie van politieassistent vereist daarenboven bijzondere kennis en kwaliteiten. De politieassistent moet houder zijn van diploma of studiegetuigschrift in het domein van de sociale wetenschappen, psychologie of criminologie.

 

3.8.1 De doelstellingen van de GPI 19

 

De M.O GPI 19 richt zich voornamelijk tot de lokale politieautoriteiten en streeft drie doelstellingen na: [96]

- de sociale rol van de lokale politie in herinnering brengen;

- de functie van de politieassistenten in dit sociaal kader toelichten;

- de opdrachten en de bevoegdheden van de politieassistenten nader bepalen.

 

Deze doelstellingen rechtvaardigen zich in het kader van de nieuwe politiestructuur. Op lokaal niveau heeft de structuur immers een grondige verandering ondergaan. De functie, de opdrachten en de bevoegdheden van de politieassistenten geven in principe geen aanleiding tot grondige wijzingen. De context waarin die zal plaatsvinden daarentegen, is totaal veranderd. Denk maar aan de fundamentele rol die de lokale politie wordt opgelegd, de naleving van de organisatie- en werkingsnormen, de uitvoering van de veiligheidsplannen, etc.[97]

 

3.8.2 De functie en de rol van de politieassistent

 

De functie van de politieassistent is wettelijk vastgelegd. Uit het algemene en wettelijk kader blijkt duidelijk dat de rol van de politie verder reikt dan het zuiver politionele. De hulp aan de bevolking in de brede zin is een zeer belangrijke opdracht van de politie en meer in het bijzonder van de lokale politie. Er kan echter vastgesteld worden dat deze opdrachten in zijn globaliteit toegekend zijn, maar dat de praktische aanpak ervan overgelaten wordt aan het initiatief van de lokale politieautoriteiten. Er kan niet worden ontkend dat deze taken, alhoewel van elke politieambtenaar vereist, een bijzondere kennis vereisen. De vraag stelt zich derhalve of de politieassistent hier een rol kan spelen. Om die vraag te beantwoorden is het noodzakelijk even stil te staan bij de al dan niet gespecialiseerde elementen die de politieassistent kenmerken. De politieassistent kan een bijzondere en nuttige bijdrage leveren aan de lokale politie op het vlak van de bevolkingsgerichte rol en sociale rol van de lokale politie.[98]

- Zoals eerder reeds werd aangehaald, moet de politieassistent houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift in het domein van de sociale wetenschappen, psychologie of criminologie.

- Een politieassistent is bijgevolg een politieambtenaar met specifieke competenties in sociale materies. Het is de politieassistent die verscheidene sociale problemen, die een niet-justitiële afhandeling vragen, oriënteert naar het welzijnswerk. Deze problematiek kan vreemd zijn aan het initiële takenpakket van de politie en de aanmelding is in dergelijke gevallen veelal gewoon te wijten aan enerzijds de laagdrempeligheid van de lokale politie en anderzijds aan hun permanente beschikbaarheid.

- De politieassistent kan de geschikte persoon zijn die een diagnose stelt over een achterliggende sociale problematiek, die een eerste bemiddeling kan voeren, die personen kan oriënteren en op de juiste weg zetten. Hij neemt contact op met de diverse sociale hulpverleningsdiensten die een antwoord kunnen bieden op de gestelde problemen. De politieassistent heeft bijgevolg een belangrijke filter- en doorverwijsfunctie.

- Door de specifieke opleiding die de politieassistent heeft, zal hij feiten op een andere wijze dan de doorsnee politieambtenaar benaderen. De benadering van de politieassistent is in de eerste plaats een psychosociale benadering. Deze kan preventief zijn, maar bij het falen van de preventieve aanpak, is het de taak van de politieassistent om de gevolgen van een repressieve aanpak draaglijk te maken.

 

In het verleden werd de functie van politieassistent niet in alle gemeentelijke korpsen ingevuld. Vooral de kleinere korpsen waren niet steeds in de materiële of financiële mogelijkheid om een politieassistent aan te werven. Anderzijds waren er geen dwingende maatregelen en was de korpsleiding vrij in het al dan niet aannemen van een politieassistent. Nu rijst dan ook de vraag of de hierboven vermelde taken die van de lokale politie verwacht worden ook de effectieve aanwezigheid of rekrutering van een politieassistent binnen een korps noodzakelijk is.

 

De vraag dient positief beantwoord te worden. Rekening houdend met de missie van de politie kan het niet anders dan dat elk lokaal politiekorps alles in het werk moet stellen om over minstens één politieassistent te beschikken of te vermeerderen in functie van de lokale situatie zoals bijvoorbeeld het bevolkingsaantal of de aard van de bevolking. Voor de kleinere zones moet indien nodig een oplossing gevonden worden via interzonale samenwerkingsakkoorden.[99]

 

3.8.3 De opdrachten van de politieassistent

 

Een politieassistent werkt altijd onder de hiërarchische leiding van de korpschef. De opdrachten van de politieassistent zijn in de eerste plaats extern de organisatie gericht. De interne welzijnsproblemen zijn onder andere een bevoegdheid van de interne en/of externe preventiediensten. De opdrachten zelf situeren zich in de familiale en/of sociale sfeer. De politieassistent, net zoals elke politieambtenaar, moet de wettelijke bepalingen naleven en hij dient een proces verbaal op te stellen bij het vaststellen van strafbare feiten.[100]

 

De specifieke opdrachten en bevoegdheden kunnen worden ondergebracht in drie soorten taken: taken van bestuurlijke politie, taken van gerechtelijke politie en bijzondere bijstand.

 

De taken van bestuurlijke politie vinden uiteraard steeds plaats in het kader van preventieve opdrachten. De politieassistent kan belast worden met individuele preventie zoals het behandelen van problemen aangaande het gedrag van minderjarigen bij bijvoorbeeld schoolverzuim of drugsproblemen. Ook gezinsconflicten zoals echtelijke en relatieproblemen tussen samenwonenden of problemen tussen ouders en adolescenten, kunnen door de politieassistent behandeld worden.

 

Bij het gerechtelijk onderzoek kan de politieassistent ook optreden in het raam van slachtofferbegeleiding en slachtofferbijstand. Op het vlak van de collectieve preventie kan de politieassistent preventieprojecten met een sociaal karakter organiseren, een sociale kaart ontwerpen of vervolledigen, contacten en de samenwerking met sociale diensten van de federale politie, diverse welzijnsdiensten en hulpverleningscentra onderhouden. De taken van de gerechtelijke politie in het raam van repressieve opdrachten houden in dat de politieassistent een informatieve functie heeft in het gerechtelijk onderzoek. De politieassistent kan onder meer belast worden met het maken van sociale, familiale of persoonlijkheidsenquêtes.[101]

 

De bijzondere bijstand als specifieke opdracht van de politieassistent kadert vooral in het beheer van crisissituaties. Crisissituaties kunnen een zeer grote impact hebben op alle personen die bij de feiten, het incident, de rampsituaties, … zijn betrokken. Dit kan gaan om zowel directe als indirecte slachtoffers. Denk maar aan getuigen alsook het politiepersoneel. Wegens het indringende en plotse karakter van een crisissituatie kan, in afwachting van de tussenkomst van de externe of gespecialiseerde hulpverlening, de politieassistent een meerwaarde betekenen zowel naar interne zorg van het politiepersoneel zelf als bij slachtofferbejegening en slachtofferzorg. Ook dit laatste kan belangrijk zijn omdat de centra voor slachtofferzorg op dergelijke momenten niet steeds onmiddellijk kunnen tussenkomen. De politieassistent kan tussenkomen in behandeling van de individuele hulpvrager en in de organisatie van het beheer van crisissituaties zoals bijvoorbeeld de organisatie van de psychosociale opvang bij rampen.[102]

 

3.8.4 Organisatie en dienstvoering

 

Binnen de nieuwe politiestructuur is de politieassistent bekleed met de graad van hoofdinspecteur van de politie en heeft hij de hoedanigheid van officier van de gerechtelijke politie. Hij maakt dus integraal deel uit van de hiërarchie binnen de politiedienst. Bij sommige korpschefs zal ongetwijfeld de neiging bestaan om bij de politieassistent eerder het accent te leggen op de bevoegdheden van hoofdinspecteur dan op deze van politieassistent. Nochtans zou het vanwege de korpsleiding een totale miskenning zijn van de fundamentele opdrachten van de lokale politie namelijk de gemeenschapsgerichte politiezorg met de daarbij behorende politionele slachtofferbejegening.[103]

 

Om het maximum aan rendement uit de activiteiten van de politieassistent te halen, moet er op toegezien worden dat de politieassistent niet belast wordt met politietaken die onverenigbaar zijn met de specifieke aard van zijn functie zoals opdrachten op het vlak van de ordehandhaving, het verkeer, … Anderzijds is de politieassistent niet bevoegd om bijvoorbeeld therapeutische bijstand te verlenen. Op dit vlak moet hij zich beperken tot het uitvoeren van de doorverwijsfunctie naar de gepaste hulpverleningscentra zoals vermeld in art 46 WPA.

 

3.8.5 De meerwaarde van een politieassistent

 

De politieassistent houdt zich in essentie bezig met het sociale werk binnen de lokale politiekorpsen, dit behelst veelal het vervullen van informatieve opdrachten ten aanzien van gerechtelijke en administratieve overheden.

 

Doordat hij enerzijds een gespecificeerde externe (sociale) vooropleiding genoten heeft en anderzijds ook een politionele opleiding (versnelde basisopleiding , middenkaderopleiding én de functionele gespecialiseerde opleiding van politieassistent), heeft hij geleerd de menselijke realiteit en sociale problematiek waarmee de politie wordt geconfronteerd te bevatten en er mee om te gaan op een specifieke manier die aanleiding kan geven tot een hulpverleningsaanbod.

 

De politieassistent zal, ondanks het feit dat hij actief deelneemt aan informatieopdrachten van het Parket, toch aan zijn tussenkomsten een andere zin geven dan vaststelling en opsporing (met het oog op vervolging) van strafrechtelijke inbreuken. Zijn hoofdtaak is te helpen, zodat een gerechtelijke vervolging draaglijk of ten minste aanvaardbaar kan zijn voor de belanghebbenden.

 

 

4 Randvoorwaarden

 

4.2 De opleiding van aspiranten

 

Een behoorlijke politionele slachtofferbejegening vereist ook dat er een aantal randvoorwaarden worden vervuld. In het verleden is gebleken dat een degelijke basis- en voortgezette opleiding in dat verband cruciaal is.

 

De vorming van aspiranten wordt in een Ministerieel Besluit van 2002 vastgelegd.[104] Het ministerieel besluit bepaalt de basisopleidingen van de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten. In de tekst wordt de notie “hulp aan slachtoffers” en “bejegening van slachtoffers” verduidelijkt. Zo zijn er opleidingsuren voorzien om de aspirant politie inspecteurs te leren hoe ze een slachtoffer kunnen onthalen, opvangen en hoe ze kunnen antwoorden op vragen om bijstand.

Hieronder vallen uiteraard ook de behoeften van slachtoffers, wat ze verwachten in verband met de informatie, het onthaal en de crisisopvang, de doorverwijzing en hoe slecht nieuws dient gemeld te worden. Jammer genoeg werden er hiervoor slechts een beperkt aantal uren uitgetrokken.[105]

 

Over de opleidingen in het middenkader en de opleidingen van de officieren van gerechtelijke politie bestaat nog veel onduidelijkheid. Er dient op dit vlak dringend onderzocht te worden op welke wijze politionele slachtofferbejegening opnieuw op een substantiële wijze kan ingebouwd worden in de drie kaders van de politieopleiding.[106]

 

4.2 Materiële infrastructuur

 

Een andere randvoorwaarde is dat er in de politiezones een adequate materiële infrastructuur dient voorzien te worden om slachtoffers in een serene sfeer te kunnen opvangen. De actuele praktijk toont nog steeds aan dat er zich op dat vlak grote verschillen voordoen tussen de korpsen onderling. De herallocatie van ruimtes van de lokale en federale politie dient er aanleiding toe te geven om ook op dit vlak verbetering van de voorzieningen te onderzoeken. Bovendien dienen door de korpsleiding ook de nodige communicatie- en transportmiddelen ter beschikking gesteld te worden aan het personeel in functie van slachtofferbejegening.[107]

 

 

5 Voorstel voor meer coördinatie en structuur in de politionele slachtofferbejegening

 

Om deze initiatieven te behouden en uit te breiden is coördinatie en structuur nodig. Het spreekt voor zich dat een goed uitgewerkte politionele slachtofferbejegening ondersteuning en coördinatie vraagt, zowel wat betreft het lokale niveau als het federale niveau.

 

Zo werd, vooraleer de hervorming tot stand kwam, bijvoorbeeld bij de rijkswacht het initiatief genomen om op het districtsniveau maatschappelijke werkers aan te stellen die onder meer instonden voor het sensibiliseren en het geven van permanente vorming aan de politiefunctionarissen actief in het domein van de politionele slachtofferbejegening. Deze maatschappelijke werkers stonden ook in voor het verstrekken van informatie en het becommentariëren van nationale richtlijnen en aanbevelingen inzake slachtofferzorg. Ook waren zij de contactpersonen van het echelon met de externe partners zoals bijvoorbeeld de diensten van slachtofferbejegening of de maatschappelijke werkers bij de gemeentepolitie, de externe hulpverleningssector, justitieassistenten, slachtofferonthaal, enzovoort.[108]

 

Een andere taak waarvoor deze maatschappelijke werkers instonden was het opstellen en bijwerken van de sociale kaart, het uitwerken van procedures voor doorverwijzingen en eventuele crisisopvang. Ze fungeerden ook als technisch raadgever in het domein van de slachtofferzorg en andere sociale aspecten inzake politiewerking. In delicate gevallen stonden ze zelf in voor het onthaal en de opvang van slachtoffers zoals bijvoorbeeld kinderen die slachtoffer waren van seksuele delicten of het opvangen van ouders van vermiste kinderen. Hierbij stonden ze deze mensen ook bij tijdens het verhoor, confrontaties, herkenningen en dergelijke meer. Één van de belangrijkste functies was de coördinatie van de netwerkvorming tussen alle slachtofferbejegenaars.[109]

 

Terwijl de gerechtelijke politie op dit domein achterbleef, werden ook bij de gemeentepolitie dergelijke vergelijkbare structuren opgericht en werden ook grote inspanningen geleverd voor de ontwikkeling van een coherent beleid en organisatiemodel met betrekking tot de politionele slachtofferbejegening. Er dient vastgesteld te worden dat deze coördinatiestructuren, die een mogelijkheid inhouden voor netwerkvorming, door de politiehervorming dreigen verloren te gaan. Daarom wordt in deze eindverhandeling het volgende plan dat HUTSEBAUT[110] in zijn artikel bespreekt, betrokken.

 

Het komt er nu op aan om ook na de politiehervorming een globaal en coherent organisatiemodel inzake politionele slachtofferbejegening te ontwikkelen waarbij er rekening gehouden wordt met de organisatie van de lokale en de federale politie enerzijds en met de specifieke taken van elk korps anderzijds. Wat belangrijk is hierbij, is de vaststelling dat de federale politie onder meer als wettelijke taak heeft te zorgen voor de ondersteuning van de lokale politie. Rekening houdend met dit uitgangspunt is het aangeraden om in het nieuwe politiebestel op alle echelons te voorzien in een coördinatie- en ondersteuningsstructuur inzake de politionele slachtofferbejegening. Deze structuur kan best verschillende elementen bevatten die hierna kort omschreven worden.[111]

 

Op het niveau van de federale politie dient voorzien te worden in een dienst die kan instaan voor de ondersteuning en de coördinatie van de diensten die verantwoordelijk zijn voor de politionele slachtofferbejegening door de federale politie. Ook dient deze dienst dan voor ondersteuning te zorgen voor de lokale politie. Aangezien deze dienst op het niveau van de federale politie zou gecreëerd worden, kan deze best gesitueerd worden binnen één van de algemene directies van de federale politie. Zoals HUTSEBAUT[112] dit reeds beschrijft in zijn artikel, kan dit wellicht best gebeuren in de Directie Beleid, beheer en ontwikkeling van de Algemene Directie Operationele Ondersteuning.[113]

 

Aan deze dienst zouden verscheidene taken kunnen opgedragen worden: de ondersteuning van de diensten slachtofferbejegening op het federaal niveau en met name binnen de gedeconcentreerde diensten van de federale politie ( opleiding, training on the job, sensibilisering, informatieverschaffing), ondersteuning van de diensten slachtofferbejegening op het lokale niveau in samenwerking met de Dienst relaties van de lokale politie op het niveau van het commissariaat generaal, het opvolgen van structurele ontwikkelingen in functie van de totstandkoming van de tweejaarlijkse veiligheidsplannen, advisering van de federale politieraad en de minister van Binnenlandse Zaken in functie van verdere initiatieven rond politionele slachtofferbejegening, deelname aan het Nationaal Forum voor slachtofferbeleid, enzovoort.

 

Ook op het tussenniveau, en met name op het niveau van de gedeconcentreerde diensten, dient een coördinatiestructuur voorzien te worden die kan fungeren als een tussenschakel tussen de hiervoor genoemde centrale dienst enerzijds en zowel de diensten slachtofferbejegening op arrondissementeel niveau als de diensten slachtofferbejegening op het lokale niveau. Gezien de coördinerende functie van de bestuurlijke directeur-coördinator kan deze coördinatiestructuur slachtofferbejegening best onder zijn diensten geplaatst worden. Naar verluidt werden de maatschappelijke assistenten die vroeger functioneerden op het districtsniveau bij de rijkswacht, voorlopig onder de diensten van de DirCo ondergebracht. Het lijkt aangewezen aan deze personen de hier voorziene coördinatiefunctie officieel toe te wijzen. Ze kunnen daardoor meteen ook een brugfunctie vervullen tussen het lokale en het federale niveau. Hun taak kan onder meer bestaan uit de ondersteuning van de lokale niveaus, de ontwikkeling van samenwerkingsverbanden inzake politionele slachtofferbejegening tussen verschillende politiezones, de ontwikkeling van de slachtofferbejegening op arrondissementeel niveau, de participatie aan de overlegorganen op arrondissementeel niveau, de ontwikkeling van een coherent beleid rond slachtofferbejegening, enzovoort.[114]

 

 

6 Besluit deel 2

 

Zoals uit het voorgaande blijkt, heeft elk lokaal politiekorps, zowel intern als extern aan de organisatie, een zeer belangrijke sociale functie te vervullen. Het is dan ook sterk aanbevolen één of meerdere politieassistenten te voorzien.

 

Structureel is de geïntegreerde politie tot stand gebracht en is zij operationeel. De federale politie werd dat op 01 januari 2001 en de lokale politie op 01 januari 2002. Het beschikken over goede structuren is één zaak, het geven van voldoende inhoud en leidraad als houvast om die structuren vlot en coherent te laten samenwerken, is een andere zaak.

 

Met het Koninklijk Besluit van 17 september 2001 tot vaststelling van de organisatie- en werkingsnormen van de lokale politie teneinde een gelijkwaardige minimale dienstverlening aan de bevolking te verzekeren werden zes basisfunctionaliteiten vastgelegd waardoor de bevolking de garantie heeft dat zij in elke zone van ons land op die diensten, geboden door de politiediensten, een beroep kan doen en dat deze diensten gelijkwaardig worden uitgeoefend.

 

Met de Omzendbrief GPI 19 van 6 mei 2002 over de politieassistenten werd een tweede aanzet gegeven nopens het inhoudelijke werk. Zowel de notie als het concept, maar ook het inhoudelijk werk van de politieassistenten werden vernieuwd en aangepast.

 

Wat de interzonale samenwerking betreft, is het leren van elkaar en het doorgeven van goede initiatieven belangrijk. Het laten doorvloeien van informatie dienaangaande kan een meerwaarde betekenen. Hier wordt dan gesproken over het olievlekeffect. Dit principe kan natuurlijk reeds worden toegepast gelet op het feit dat er in bepaalde zones reeds tal van initiatieven werden uitgewerkt. De rol van de DirCo is in deze materie ook zeer belangrijk. Hij dient zich in de eerste plaats op de hoogte te houden van alle initiatieven op het vlak van interzonale samenwerking. Zijn rol is hier bevorderend op te treden en de samenhang met de werking van de federale politie te garanderen.[115]

 

 

DEEL 3 : DE GEVOLGEN VAN DE NIEUWE POLITIESTRUCTUUR IN DE PRAKTIJK

 

1 Onderzoeksdesign

 

In dit derde deel wordt nagegaan hoe de gevolgen van de hervorming op de politionele slachtofferbejegening in de praktijk ervaren worden bij politiemensen en burgerpersoneel bij de politie. Per onderdeel dat in deel twee werd besproken, werden mensen naar hun mening gevraagd. Op die manier kan de theorie getoetst worden aan de praktijk en kunnen knelpunten van bepaalde systemen aan het licht komen.

 

In dit punt wordt verduidelijkt op welke manier ik te werk ben gegaan om mijn empirisch onderzoek te voeren. Zoals eerder al vermeld, gaat het hier over een kwalitatief beschrijvend onderzoek.

 

1.1 Probleemstelling en onderzoeksvragen

 

In de probleemstelling wordt het stuk uit de inleiding hernomen waar de onderzoeksvragen reeds aan bod kwamen.

 

Aangezien in deze bijdrage getracht wordt de gevolgen van de nieuwe politiestructuur met betrekking tot de slachtofferbejegening door de politie te analyseren, luidt de eerste onderzoeksvraag dus als volgt:

“Wat zijn de gevolgen, negatief of positief, van de nieuwe politiestructuur sinds 1998 op de politionele slachtofferbejegening en hoe worden ze in de praktijk toegepast en ervaren?”

In deel twee werden deze gevolgen in theorie bekeken. Hier vormen ze elk op hun beurt een topic waarover ik de respondenten zal bevragen. Een gevolg is bijvoorbeeld de interzonale samenwerking. Hierover wil ik dan weten hoe het in de praktijk werkt en of het positief of negatief ervaren wordt.

 

Een andere probleemstelling die in deze eindverhandeling naar boven is gekomen, gaat over het feit dat de politionele slachtofferbejegening goed begrepen lijkt en toegepast wordt op het lokale niveau. Maar de diensten van de federale politie worden ook geacht om aan politionele slachtofferbejegening te doen maar zij hebben geen wetgeving zoals de Omzendbrief PLP 10 met een functionaliteit als de “politionele slachtofferbejegening” en dus geen gespecialiseerde medewerker waar ze op kunnen terugvallen. Daaruit kan een tweede onderzoeksvraag afgeleid worden:

“Is er op federaal niveau behoefte aan politionele slachtofferbejegening?” en “Hoe kan de politionele slachtofferbejegening op federaal niveau geïntegreerd worden?”

 

Een derde probleem is dat er sinds de hervorming niet veel meer ondernomen werd omtrent de problematiek rond politionele slachtofferbejegening. Naar mijn aanvoelen is het zelfs op nationaal niveau en arrondissementeel niveau stilgevallen. Dit kan leiden tot het verliezen van de positieve effecten van de inspanningen die geleverd werden voor de hervorming. Er is een gebrek aan één coherent, uniform beleid inzake politionele slachtofferbejegening. Dit kan als gevolg hebben dat in elke politiedienst, lokaal, arrondissementeel of federaal, de taak van de politionele slachtofferbejegening anders gaat ingevuld worden. Hieruit leid ik mijn derde algemene onderzoeksvraag af:

“Is er nood aan één coherent en uniform beleid in de geïntegreerde politie dat start van op nationaal niveau en op arrondissementeel niveau gecoördineerd en gesteund wordt en op zijn beurt doorsijpelt naar de lokale zones. Zoja, hoe kan dit beleid dan gecoördineerd en gesteund worden?”

 

1.2 Doelstellingen

 

Een algemene doelstelling die ik via dit onderzoek tracht te bereiken is een duidelijk beeld te krijgen van de gevolgen van de nieuwe politiestructuur op de politionele slachtofferbejegening en er een evaluatie van te maken. In het tweede deel werden de gevolgen in theorie besproken en in dit derde deel wil ik de gevolgen zoals ze ervaren worden in de praktijk onderzoeken en hiervan de resultaten geven.

De andere doelstellingen zijn natuurlijk het beantwoorden van mijn onderzoeksvragen zodat mijn bevindingen die ik reeds in de theorie heb gemaakt, ook getoetst worden aan de realiteit en niet enkel steunen op stellingen uit theoriebevindingen.

 

1.3 Dragers van informatie

 

Dragers van informatie zijn vindplaatsen van informatie die een antwoord kunnen bieden op de onderzoeksvragen.[116] Er zijn drie soorten dragers van informatie: documenten, personen en artefacten. Voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen in deze eindverhandeling zal er gewerkt worden met personen. Om geschikte respondenten te selecteren, is het belangrijk dat de gekozen personen deel uitmaken van de politiewereld, politieambtenaar of burgerpersoneel, en uiteraard die mensen die zich bezig houden met het thema politionele slachtofferbejegening.

Een tweede voorwaarde bij de selectie is dat er gewerkt wordt met respondenten uit verschillende segmenten van de geïntegreerde politie. De eerste groep respondenten zijn personen van de federale politie, meer specifiek van het gedeconcentreerd niveau van de DirCo. Hierbij denk ik aan de DirCo zelf en de maatschappelijk assistenten die op dat niveau werken. Een tweede groep respondenten, zijn mensen van de lokale politie. Hier kan het gaan over de korpschef of een politieambtenaar. Ook moet er gedacht worden aan het burgerpersoneel dat eventueel is aangenomen als gespecialiseerde medewerker. Het kan ook een politieambtenaar zijn die aangeduid werd om zich te specialiseren in de politionele slachtofferbejegening of iemand die op een dienst slachtofferbejegening werkt. Nog een andere mogelijkheid is de politieassistent.

 

Omdat er in mijn topiclijst een luik is over de opleiding van aspiranten, heb ik me ook gericht tot een aantal respondenten, namelijk tot één aspirant-inspecteur, twee pas afgestudeerde inspecteurs en één aspirant-officier. Dus vier mensen die me iets over de opleiding wisten te vertellen.

 

Mijn promotor heeft me aangeraden om mijn onderzoek enkel tot Vlaanderen te beperken, dus heb ik me ook beperkt tot de arrondissementen rond mijn omgeving, namelijk rond Boortmeerbeek. Het aantal dragers van informatie waarop beroep werd gedaan, was afhankelijk van de tijd en de beschikbare middelen. Ik had wel een auto ter beschikking maar ik was verplicht het kort bij huis te houden.

 

 

Bij de federale politie op gedeconcentreerd niveau, heb ik vier mensen gesproken. Ik heb drie DirCo’s (Brussel, Asse, Leuven,) gesproken en één maatschappelijk assistent die bij de DirCo van Brussel zit.

 

Arrondissement Asse DirCo Jean-pierre Bergmans

Arrondissement Leuven DirCo Rudy Hemmeryckx

Arrondissement Brussel-Hoofdstad DirCo Jacques Deveaux

Arrondissement Brussel-Hoofdstad Maatschappelijk assistent Hilde Brichaut

 

Op het lokale niveau heb ik eveneens met vier mensen gesproken. Ik heb met één slachtoffercoördinator gesproken van de lokale politie Antwerpen. Ook heb ik een hoofdcommissaris (Jan Vanhauwere) uit de lokale politiezone Herent-Kortenberg naar zijn mening gevraagd. Vervolgens heb ik met twee burgerpersoneelsleden, gediplomeerde maatschappelijk assistenten, een interview gehad. De eerste is Carla Cobbaut, de gespecialiseerd medewerker in zone Pajottenland en de andere werkt als slachtoffercoördinator in de slachtofferbejegeningsdienst van een zone van Brussel Hoofdstad.

 

In totaal heb ik dus 12 respondenten gesproken. De gesprekken vonden allen plaats op het bureau van de respondenten zodat zij zich niet hoefden te verplaatsen. Elk gesprek begon met het vragen om toestemming over het gebruik van mijn dictafoon. Geen enkele respondent heeft dit geweigerd. Vervolgens werd een korte toelichting van mijn eindverhandeling gegeven en werd de topiclijst die ik heb opgesteld overlopen. Elk interview nam tussen één uur tot maximum twee uren in beslag.

Bij de bevraging van de aspiranten of de pas afgestudeerden politieambtenaren ging het interview anders te werk. Er werd enkel aandacht geschonken aan de modules die rechtstreeks te maken hebben met politionele slachtofferbejegening tijdens de opleiding.

 

1.4 Dataverzamelingsmethode

 

Om mijn onderzoeksvragen te beantwoorden en dus mijn doelstellingen te halen, heb ik gekozen voor face to face, of anders gezegd, persoonlijke interviews met de respondenten. Dit maakt dit onderzoek beschrijvend en kwalitatief.

Aan de hand van deel twee van deze eindverhandeling, waarin de gevolgen van de politiehervorming besproken worden, heb ik een topiclijst opgesteld die als praktijktoetsing diende en als leidraad van de interviews. Er werd een topiclijst opgesteld voor de DirCo’s en de maatschappelijk assistent op gedeconcentreerd niveau. Vervolgens werd deze topiclijst een beetje aangepast om de respondenten op lokaal niveau te kunnen bevragen. Deze topiclijsten kunnen in bijlage teruggevonden worden.

 

Bij elke topic heb ik telkens een korte uitleg geschreven, maar ik heb het bewust heel ruim gehouden en open vragen gesteld zodat op sommige items uitgebreider kon worden ingaan. Het voordeel van niet-gesloten vragen is dat de kans op suggestieve vragen verkleint en alle mogelijke antwoorden aan bod kunnen komen. Het nadeel van open vragen is dat het meer tijd vraagt om het semi-gestructureerd interview af te nemen en te verwerken en dat er soms te veel wordt afgeweken van het onderwerp. Wat ook kan, is dat niet alle respondenten op alle vragen en topics een antwoord hebben en dan kan er snel overgegaan worden naar het volgende te bevragen item.

 

Zoals ik reeds vermeld heb, werd elk interview op digitale dictafoon opgenomen en vervolgens volledig uitgetypt. Dit heeft veel tijd in beslag genomen maar het voordeel hiervan is dat geen enkel detail van informatie verloren gaat. Ik kon me niet inbeelden dat ik enkel nota zou nemen tijdens de interviews zelf en op dat moment nog eens actief zou proberen te luisteren en daarna die nota’s nog eens te gaan verwerken. Het risico dat ik teveel informatie of details zou vergeten was te groot en de kans zou bestaan dat ik achteraf misschien mijn nota’s niet meer kon begrijpen.

 

Voor de derde categorie van respondenten, namelijk de aspiranten en de pas afgestudeerde politieambtenaren, werd enkel de vraag gesteld hoeveel uren ze hebben gekregen betreffende het thema politionele slachtofferbejegening en op welke manier die gegeven werd en welke items er aan bod kwamen tijdens deze lesmodules. Hier werd geen dictafoon gebruikt omdat de duur hiervan veel korter was.

 

1.5 Data-analysemethode

 

Eens alle interviews uitgetypt waren, had ik veel hoeveelheden tekst die verwerkt moest worden. Het was wel makkelijk om per topic of item een samenvatting te maken over de resultaten omdat elk interview ongeveer dezelfde structuur heeft en elk ondervraagd deel snel teruggevonden kon worden bij het analyseren.

 

Alle antwoorden van de respondenten werden dan per topic gegroepeerd om enerzijds vaak voorkomende knelpunten snel te detecteren en anderzijds verschillende meningen uit elkaar te houden en daar toch tegelijkertijd een overzicht van te hebben. De resultaten zullen dus bestaan uit samenvattingen van antwoorden van de respondenten per item om zo de link te maken naar mijn onderzoeksvragen. Het laatste stuk rapporteert heel kort de conclusie over de opleidingsmodule politionele slachtofferbejegening bij de aspiranten en de pas afgestudeerden.

 

Vervolgens zal een besluit gemaakt worden met aanbevelingen op basis van de bevindingen. In essentie komt de data-analyse erop neer om de bevindingen terug te koppelen aan de onderzoeksvragen.

 

 

2 Resultaten

 

2.1 De gevolgen van de politiehervorming in de praktijk

 

Bij elk gesprek ben ik het interview gestart door te vragen of de respondent zelf al gevolgen van de nieuwe politiestructuur op de politionele slachtofferbejegening kon opnoemen. Dit heb ik bewust gedaan omdat ik enkel de gevolgen vanuit theoretische hoek heb besproken in mijn tweede deel en ik wilde weten of we op dezelfde lijn zaten.

 

Bijna allemaal bevestigen ze het feit dat de hervorming er juist gekomen is omwille van slachtoffergerelateerde zaken in de jaren ’90 maar dat die aandacht van toen, na de hervorming heel sterk is afgenomen. Een positief gevolg van de hervorming dat elke respondent ziet, is dat politionele slachtofferbejegening nu een onderdeel is van de basispolitiezorg bij de lokale politie. Politionele slachtofferbejegening is een basisfunctionaliteit geworden. Dus met andere woorden, geen enkele eenheid op lokaal niveau kan losgekoppeld worden van slachtofferbejegening. Terwijl dat in het verleden anders was. Er was geen specifieke regel die het oplegde.

 

2.2 De functionaliteit politionele slachtofferbejegening

 

De Omzendbrief PLP 10 geeft heel duidelijk weer wat deze functionaliteit inhoudt. Toch kan naar mijn aanvoelen deze functionaliteit anders toegepast worden. De verplichting om een gespecialiseerde medewerker aan te stellen kan verschillend geïnterpreteerd worden. Aangezien er in de Omzendbrief OOP 15ter over de aanstelling van een verantwoordelijke officier voor politionele slachtofferbejegening gesproken wordt, kan dit tegenstrijdigheden opleveren. Ik wilde weten hoe een zone die functionaliteit invult.

 

Het antwoord dat ik kreeg van alle 4 zones waar ik ben langsgegaan, was dat inderdaad de functionaliteit in de wet staat vastgelegd, maar ze zien het zowel positief als negatief. Doordat het als aparte functionaliteit wordt omschreven, wordt het veel minder bekeken als rode draad door de basispolitiezorg. Slachtofferbejegening is geen afzonderlijke dienst, er kan een dienst voor nodig zijn, maar het mag niet beperkt blijven tot dat.

Alle functionaliteiten moeten overal terug te vinden zijn. Zelfs in de zones waar een dienst voor slachtofferbejegening is opgericht. De fout die vaak gemaakt wordt, is dat van elke functionaliteit een dienst gemaakt wordt in verscheidene zones. Mijn respondenten vinden dit niet kloppen omdat iedereen in een politiekorps polyvalent moet zijn en die basispolitiezorg moet kunnen verlenen.

 

De functionaliteit politionele slachtofferbejegening bepaalt dus ook dat elke zone een verplichte gespecialiseerde medewerker dient aan te stellen met het gevolg dat het overal anders kan ingevuld worden. Mijn gesprekspartners op lokaal niveau beamen dit. Ze zeggen dat er drie systemen zijn in de interpretatie van de inzet van deze gespecialiseerde medewerker.

Een eerste systeem is een burgerpersoneelslid (maatschappelijk assistent, psycholoog of criminoloog) die dan instaat voor het sensibiliseren van het korps, het beleid uit te tekenen in het korps omtrent slachtofferbejegening en individuele dossiers waar slachtoffers bij betrokken zijn, over te nemen wanneer een politieambtenaar dat om één of andere redenen niet kan. Dat kan zijn omdat hij de kennis ervan niet bezit of het niet aankan. Maar het risico bestaat ook dat de politieambtenaar het vanzelfsprekend gaat vinden dat die medewerker die dossiers overneemt.

Een tweede systeem is dat een korps een politieassistent inzet als gespecialiseerde medewerker. Meestal gebeurt dit in grote zones waar sociale diensten zijn opgericht en waar de politieassistent politionele slachtofferbejegening als extra, bijkomende taak krijgt. Die politieassistent kan onmogelijk alle sociale dossiers behandelen en het korps gaan sensibiliseren of bijstaan indien nodig.

Een derde systeem is een voortvloeisel van voor de hervorming en dat is wanneer een zone aan één van zijn politieambtenaren een bijkomende opleiding van vijf dagen geeft en zo zijn verplichte gespecialiseerde medewerker heeft. Op dat moment schuilt het gevaar dat niemand anders in het korps zich bezig houdt met slachtofferbejegening en dat enkel die medewerker ervoor instaat. De rode draad die daarnet al ter sprake kwam, gaat hierdoor verloren want die medewerker heeft geen tijd om zijn korps te sensibiliseren of te vormen.

 

2.3 Sensibilisatie en vorming van de politieambtenaren in de lokale zones

 

Wat ik me afvroeg is of in de praktijk de politieambtenaren in de lokale zones voldoende kennis hebben over politionele slachtofferbejegening. De WPA en WGP leggen de bijstandsfunctie op aan elke politieambtenaar, maar is dat ook merkbaar in de praktijk?

 

Over dit onderwerp bestaan grote verschillen tussen de zones. In de ene zone zijn de politieambtenaren voldoende op de hoogte van de basispolitiezorg en in de andere zone wordt bevestigd dat de leden van het korps niet genoeg gevormd of gesensibiliseerd zijn, ondanks het feit dat er een gespecialiseerde medewerker, een “slachtoffercoördinator” zoals ze dat nu noemen, is aangesteld. Er wordt wel van de politieambtenaren in de zone verwacht dat ze de basis slachtofferbejegening hebben, maar ze zijn niet genoeg gevormd. In deze laatste zone kan het te wijten zijn aan de capaciteiten van de slachtoffercoördinator, maar het kan ook aan feit liggen dat het moeilijk is om heel het korps op één moment samen te brengen. In een kleine zone is dat inderdaad niet werkbaar. Ik maak hier dan de bedenking dat de slachtoffercoördinator het in groepjes kan doen en niet moet verwachten dat het hele korps samen op hetzelfde tijdstip naar een vormings- of sensibiliseringsnamiddag komt.

 

In de andere zones weten de politieambtenaren hoe het allemaal ongeveer werkt, van het eerste onthaal tot en met de hercontactname en de doorverwijzing en als ze het niet weten, kunnen ze altijd terecht bij de gespecialiseerde medewerker die hen altijd zal kunnen helpen.

 

Volgens de DirCo van het arrondissement Brussel zijn in vier van de zes zones van dat arrondissement, de meeste politieambtenaren niet bezig met politionele slachtofferbejegening. De gespecialiseerde medewerkers zijn niet voldoende gevormd en er is ook geen opleiding voor de wijkinspecteurs, zij zijn enkel bezig met de feiten in een dossier en helemaal niet slachtoffergericht. In de twee andere zones van het Brusselse werkt de politionele slachtofferbejegening wel goed en is één zone zelfs bijna een modelzone volgens de DirCo.

 

Een goede mentaliteit die één van mijn respondenten beschrijft is dat elke persoon die het politiecommissariaat binnenkomt, op één of andere manier een slachtoffer kan zijn. Als die persoon dan ook weer buitengaat met het gevoel dat hij geholpen is en de informatie gekregen die hij of zij zocht, dan vindt de korpschef dat ze heel goed bezig zijn. Ik deel deze mening ook. Dat is tenslotte die basispolitiezorg met minimale gelijkwaardige behandeling voor iedereen.

 

2.4 Het risico om van slachtofferbejegening in slachtofferhulp te vallen als politieambtenaar

 

Nu dat elke politieambtenaar na de hervorming expliciet aan slachtofferbejegening moet kunnen doen, rees de volgende vraag bij me op. Ik vroeg me af of politieambtenaren die in aanraking komen met slachtoffers, of zij voldoende weet hebben over wat nu precies slachtofferbejegening inhoudt en wanneer er moet worden doorverwezen naar slachtofferhulp. Ik kan me voorstellen dat die grens voor velen niet duidelijk is aangezien het ook een moeilijke te leggen grens is.

 

Deze stelling werd in alle vier zones bevestigd. Het is moeilijk om die grens duidelijk te trekken en dus ook over te brengen naar de politieambtenaren. In één van de vier zones kwam het af en toe voor dat een politieambtenaar zonder het te beseffen al aan slachtofferhulp (en zelf bijna therapie) deed omdat hij vrij vaak bij de slachtoffers langsging en zich dus ook meer persoonlijk betrokken voelde met het emotionele leed van de slachtoffers.

Dat is een groot gevaar, wanneer de slachtofferbejegening overgaat in slachtofferhulp. De zones beseffen maar al te goed dat ze de nadruk moeten blijven leggen bij hun politieambtenaren dat ze aan politiewerk doen en dat het niet de taak is van een politieambtenaar of een gespecialiseerde medewerker om effectief psycholoog te gaan spelen. Het sociale en emotionele hoort er wel bij en kan niet van slachtofferbejegening losgekoppeld worden, maar mensen werkzaam bij de politie zijn geen getrainde psychologen.

 

2.5 De vroegere maatschappelijke werkers bij het vroegere rijkswachtdistrict

 

Een gevolg voor de politionele slachtofferbejegening door de hervorming is dat het districtsniveau, waar destijds reeds verscheidene projecten inzake politionele slachtofferbejegening werden uitgewerkt, verdwenen is. De districten zijn verdwenen en de gerechtelijke arrondissementen kwamen in de plaats. Maar ik vroeg me af wat er met de maatschappelijke werkers gebeurd is die deze projecten opstartten en stuurden. Één van de belangrijkste functies was de coördinatie van de netwerkvorming tussen alle slachtofferbejegenaars. Er werden ook grote inspanningen geleverd voor de ontwikkeling van een coherent beleid en organisatiemodel met betrekking tot de politionele slachtofferbejegening. Er dient vastgesteld te worden dat deze coördinatiestructuren, die een mogelijkheid inhouden voor netwerkvorming, door de politiehervorming dreigen verloren te gaan.

 

Naar verluidt werden de maatschappelijk assistenten die vroeger functioneerden op het districtsniveau bij de rijkswacht, voorlopig onder de diensten van de DirCo ondergebracht. Ik stel me de vraag of dit echt zo is.

 

Mijn respondenten, zowel op lokaal als op gedeconcentreerd niveau, vertellen me dat de hervorming heel wat twijfel gebracht heeft over de maatschappelijk assistenten. Ze wisten niet of ze ze gingen bijhouden of in Brussel centraliseren. Het gevolg hiervan was dat deze maatschappelijk assistenten in onzekerheid leefden en naar het lokale niveau gingen. Daar zitten de meeste van hen nog steeds.

Het is een schrijnende vaststelling die ik gemaakt hebt omtrent deze materie dat maar slechts in 3 arrondissementen in Vlaanderen, er een maatschappelijk assistent zit op het gedeconcentreerde niveau bij de DirCo. Eigenlijk zouden het 16 maatschappelijk assistenten moeten zijn voor Vlaanderen!

 

In het gerechtelijk arrondissement van Leuven is sinds de hervorming geen maatschappelijk assistent gekomen. De DirCo heeft dit wel gevraagd, maar niet uitdrukkelijk omdat hij liever een operationeel lid aanwerft waar hij opdrachten aan kan geven, dan iemand die volgens hem van Brussel afhangt waaraan hij niets te zeggen heeft. Ik kan zijn redenering hier wel begrijpen.

In het arrondissement Asse heeft de DirCo al verscheidene maatschappelijk assistenten gehad, maar zij zijn, door het gemis aan individuele dossiers en de té structurele en organisatorische taken, ook naar het lokale niveau overgestapt. Nu staat de plaats open en wacht de DirCo van het arrondissement Asse op een burgerpersoneelslid dat zich kandidaat stelt.

 

Het arrondissement Brussel-Hoofdstad overtreft mijn verwachtingen. Hier zitten onder de DirCo twee maatschappelijk assistenten (één Nederlandstalige en één Franstalige, beide wel tweetalig) en er komt een derde bij om de twee andere tijd en ruimte te geven om aan een coherent en uniform beleid rond politionele slachtofferbejegening te werken dat kan doorsijpelen naar de lokale zones. De DirCo in dit arrondissement is helemaal te vinden voor één uniform beleid en één en dezelfde procedure inzake politionele slachtofferbejegening voor alle zones in zijn arrondissement.

 

2.6 Een coherent en uniform beleid rond politionele slachtofferbejegening

 

Aangezien ik in mijn tweede deel duidelijk vaststel dat er nog geen coördinatiestructuren bestaan, noch op nationaal niveau, noch op arrondissementeel niveau om één beleid rond politionele slachtofferbejegening te hebben, vroeg ik mijn respondenten of zij de behoefte hebben om één beleid te hebben omtrent deze materie en aan de DirCo’s vroeg ik of zij die coördinatiestructuur op zich wilden nemen.

 

In het arrondissement Asse liggen verscheidene projecten om één beleid te hebben, maar omdat er geen maatschappelijk assistent meer is, kunnen ze het niet verder uitbouwen. De DirCo van het arrondissement Asse ziet het wel zitten om dat terug op te rakelen, maar dan met een medewerker die zich daarmee kan bezig houden op zijn niveau.

 

Wat het arrondissement Leuven betreft, heeft de DirCo nog geen enkele vraag uit zijn zones gekregen om één beleid te hebben rond politionele slachtofferbejegening. Hij wil wel meewerken aan dat beleid, ook op voorwaarde dat hij iemand heeft aan wie hij opdrachten mag geven.

 

De opvallendste bevinding die ik maakte, was in het arrondissement Brussel-Hoofdstad. De DirCo is helemaal te vinden voor dat beleid en heeft om die reden zelfs een derde maatschappelijk assistent aangeworven. “Mijn visie is anders, ik wil een dienst verlenen aan mijn arrondissement op het vlak van slachtofferbejegening, ik heb een coördinatierol om dat op het vlak van de lokale zones te doen. Ik wil alle maatschappelijk assistenten bij mij.” Hij voelt de behoefte aan om een uniform beleid op te zetten en zal dus proberen om dat in de zones van het arrondissement te laten doorsijpelen. Het probleem is dat niets van dit allemaal officieel op papier staat. Het zijn initiatieven die binnen het arrondissement worden genomen. De maatschappelijk assistent van de DirCo voelt ook de nood aan één uniform en coherent beleid rond politionele slachtofferbejegening. Zij kan dat helpen opstarten op het niveau van het arrondissement.

Een groot hiaat hier is dat de nationale coördinatrice die van bovenuit een beleid mee zou moeten coördineren, niet meewerkt aan de ideeën van de arrondissementen. Dit hiaat werd me ook door andere respondenten meegedeeld.

 

Voor de hervorming bestonden die structuren wel. Op nationaal niveau was er het Nationaal Forum voor Slachtofferbeleid waar de maatschappelijke werkers van de rijkswachtdistricten aan meewerkten en vervolgens konden deze maatschappelijke werkers het beleid laten doorsijpelen naar de brigades en de gemeentepolitie. Door de hervorming is deze structuur helemaal verloren gegaan en sijpelt er niets meer door van nationaal niveau tot bij de lokale zones.

 

2.7 Interzonale samenwerkingsverbanden

 

Ik vroeg me af of er reeds goede samenwerkingsverbanden zijn en of deze ook daadwerkelijk functioneren. Bij het luik politionele slachtofferbejegening kan een samenwerkingsverband gaan over het verzekeren van een 24 uur permanentie en oproepbaarheid van een slachtofferbejegenaar tussen verschillende zones. In dit stuk vroeg ik me af hoe deze samenwerkingsakkoorden bij de DirCo bekeken worden, aangezien hij in theorie deze moet stimuleren. En ook vroeg ik me af hoe de samenwerkingsakkoorden in de zones zelf ervaren worden.

 

Mijn vier respondenten van het lokale niveau en mijn vier andere van het gedeconcentreerde niveau zijn allemaal op de hoogte van interzonale samenwerkingsverbanden tussen de zones.

In het arrondissement Brussel wist de DirCo mij te vertellen dat er tussen de zones onderling geen enkel samenwerkingsverband bestaat op het vlak van slachtofferbejegening. In het arrondissement Brussel zijn 6 grote zones en ze hebben elk hun eigen systeem en willen ook hun eigen autonomie behouden. Veel hangt af van de korpschefs, ze zijn die onafhankelijkheid gewend en blijven graag autonoom werken. Toch wil de DirCo proberen om deze zones te laten samenwerken. Hij gaat verschillende elementen uit alle zones verzamelen en proberen één systeem uit te bouwen. Het nadeel is natuurlijk dat de DirCo geen gezag heeft en enkel kan coördineren en ondersteunen.

 

In het arrondissement Leuven bestaat één samenwerkingsakkoord rond de permanentie van een slachtoffercoördinator. Dit samenwerkingsverband geldt voor alle zones in het arrondissement. Dus wanneer een slachtoffercoördinator in een bepaalde zone niet bereikbaar is, dan wordt er gebeld naar een andere nabijgelegen zone. Er is geen beurtrol georganiseerd, er bestaat enkel een lijst met alle namen en coördinaten van elke gespecialiseerde medewerker van elke zone in het arrondissement Leuven. De DirCo vindt dit een goed systeem, maar op terrein wordt dit anders ervaren. Een slachtoffercoördinator uit zone A wordt gebeld om te gaan bejegenen in zone B die aan de andere kant van het arrondissement ligt, dat is niet werkbaar want de coördinator kent de zone B niet helemaal, hij kent de ziekenhuizen er misschien niet of weet niet bij welke centra voor slachtofferhulp hij terecht kan.

 

In het arrondissement Asse zijn er enkele samenwerkingsakkoorden tussen enkele zones. Het is niet zo dat er één samenwerkingsakkoord bestaat dat geldt voor alle zones. Zone Pajottenland heeft samen met twee andere naburige zones een jaar gewerkt aan het opstellen van een samenwerkingsverband inzake politionele slachtofferbejegening. Het principe van deze overeenkomst steunt op afspraken en een gezamenlijke visie. Er is een beurtrol vastgelegd en die wordt verdeeld over een twintigtal mensen. Wanneer iemand van wacht is, krijgt hij een koffertje ter beschikking waarin alle informatie zit over elke zone omtrent bijvoorbeeld begrafenisondernemers, huisartsen, ziekenhuizen, stratenplannen, enzovoort. Op die manier loopt de slachtofferbejegenaar niet verloren wanneer hij in een andere zone wordt opgeroepen. In de andere zones van het arrondissement wordt er gewerkt aan eventuele samenwerkingsverbanden, maar ook hier speelt de korpschef een belangrijke rol. Als hij zijn autonomie wil behouden, zal hij niet makkelijk overgaan tot samenwerking met andere zones.

 

2.8 Arrondissementele Raad, Welzijnsteams binnen het arrondissement en overlegplatforms

 

In dit deel wilde ik weten of er in elk arrondissement een Raad voor Slachtofferbeleid operationeel is. Hetzelfde geldt voor het bestaan van de welzijnsteam in het arrondissement. Het Samenwerkingsakkoord legt dit op, maar ik wilde weten of het in de praktijk ook zo is. Wat ik ook mis in de wetgeving is een regel die zegt dat de DirCo met zijn korpsen moet overleggen. Ik heb dus ook aan mijn respondenten gevraagd of ze zelf overlegplatforms gecreëerd hebben.

 

In het arrondissement Asse is deze arrondissementele raad een beetje stilgevallen sinds de hervorming. Dat is te wijten aan het feit dat de mensen die er zaten naar de lokale politie zijn gegaan en dus niet meer die opdracht hebben. Ook wat betreft de welzijnsteams is er veel stilgevallen en wordt er niet meer actief gewerkt.

 

In het arrondissement Brussel is deze raad ook bestaande, maar de maatschappelijk assistent van de DirCo neemt hier niet aan deel. Ze vindt dat er weinig wordt ondernomen in die raad. Wat de welzijnsteams betreft, waar alle slachtoffercoördinatoren van de zones samenkomen, neemt ze wel deel. Maar ze vindt opnieuw dat daar niet veel ondernomen wordt.

 

Wat het arrondissement Leuven betreft, is deze raad wel actief en die komt tweemaal per jaar samen. De DirCo van Leuven heeft hiervoor een medewerker die in deze raad zetelt. Ze bespreken er de stand van zaken met betrekking tot de verschillende diensten die actief zijn in de slachtofferhulp. Als het over bejegening gaat, wordt dat georganiseerd op het vlak van de korpsen, en dat is dan het welzijnsteam. Alle slachtoffercoördinatoren van elke zone komen daar samen en wisselen vooral ervaringen uit. De mensen van het welzijnsteam komen vier keer per jaar samen met dus die ervaringsuitwisseling en in de namiddag komt er meestal een spreker. Er zitten ook mensen van het Centrum Algemeen Welzijn maar het is hoofdzakelijk politioneel gericht.

 

In elk arrondissement waar ik ben geweest, hebben ze op eigen initiatief overlegplatforms gecreëerd. Op arrondissementeel niveau heeft elke DirCo een overlegplatform met de korpschefs van dat arrondissement waar getracht wordt om toch 8 keer per jaar samen te komen. Ooit werd er daar gesproken over politionele slachtofferbejegening maar nu niet meer.

Ook in de zones zijn er enkele platforms, maar die komen dan overeen met de welzijnsteams die ik hoger reeds besproken heb.

 

2.9 Politionele slachtofferbejegening bij de federale politie

 

Zoals ik heb beschreven in mijn tweede deel, geldt de Omzendbrief PLP 10 enkel voor de lokale politie. De functionaliteit politionele slachtofferbejegening geldt niet voor de federale politie. Toch lijkt het me nodig dat op bepaalde eenheden van de GDA ook gespecialiseerde medewerkers zouden moeten komen die zich met slachtofferbejegening kunnen bezig houden. Ik vroeg mijn respondenten dan ook wat zij hiervan vonden.

 

Ze bevestigen allemaal dat politionele slachtofferbejegening voor elke politieambtenaar geldt, federaal en lokaal. Maar het is inderdaad enkel specifiek als functionaliteit vastgelegd voor de lokale politie. Er zijn politieambtenaren van het federale niveau die denken dat politionele slachtofferbejegening eigenlijk iets is dat enkel voor de lokale zones geldt.

 

In het arrondissement Brussel houdt de maatschappelijk assistent zich bezig met dossiers van de GDA waarbij slachtofferbejegening nodig is. De afdelingen binnen de GDA Brussel kennen deze maatschappelijk assistent en weten dat ze bij haar terecht kunnen voor de materie rond slachtofferbejegening. Hiervoor heeft ze zelf gezorgd, ze is haar diensten gaan voorstellen bij elke eenheid en gaan uitleggen wat zij kon doen voor hen. Dit systeem is niet in het arrondissement Asse of Leuven terug te vinden. In het arrondissement Asse willen ze het wel, maar er komt maar geen medewerker opdagen en in het arrondissement Leuven doen ze beroep op het stressteam als er gevallen van slachtofferschap zich zouden voordoen.

 

Bijna al mijn respondenten bevestigen dat dit een groot hiaat is binnen de federale politie, alle diensten van de federale politie komen effectief in contact met slachtoffers, weliswaar niet altijd in de eerste fase omdat dat meestal in een zone voorvalt. Mijn respondenten hebben allemaal het gevoel dat federale politieambtenaren denken dat slachtofferbejegening enkel voor de lokale politie is en dat heeft als gevolg dat ze zich er dus niet mee bezig houden.

 

2.10 Infrastructuur om een slachtoffer degelijk op te vangen

 

In dit deel wilde ik weten of er in de zones of op arrondissementeel niveau speciale ruimtes voorzien werden om slachtoffers op een degelijke manier op te vangen.

 

In elk bureau dat ik geweest ben, is de infrastructuur niet aangepast. Slachtoffers worden meestal ter plaatse opgevangen. Dat kan bijvoorbeeld bij het melden van slechtnieuws bij de slachtoffers thuis gebeuren. Wanneer een slachtoffer naar het gebouw zelf komt, zal deze gewoon in een bureau van de politieambtenaar of in de verhoorkamer opgevangen worden. Al mijn respondenten benadrukten dat infrastructuur op zich wel belangrijk is, maar dat het belangrijker is om aandacht te geven aan kleine dingen. De persoon die het slachtoffer opvangt, kan een kopje koffie aanbieden, of vragen of het slachtoffer iets anders wil of nodig heeft, of hij kan vragen iemand van de familie van het slachtoffer op te bellen, enzovoort. Ook de houding van politieambtenaar speelt hier een rol. Hij dient ernstig en actief te luisteren.

In het arrondissement Leuven is wel een ruimte voor het verhoor van minderjarigen ondergebracht. Elke zone van het arrondissement Leuven dient dus naar dat gebouw te komen om daar met gespecialiseerde kinderverhoorders een verklaring af te nemen.

 

2.11 Opleiding aspiranten

 

Uit mijn literatuur kon ik niet genoeg afleiden hoeveel uren politionele slachtofferbejegening nu juist aan aspirant-inspecteurs werd gegeven. Ik heb daarom met vier mensen gepraat, waarvan één aspirant-inspecteur, één aspirant-officier en twee net afgestudeerde inspecteurs. Ook heb ik wat uitleg gekregen van Commissaris M. Dillen, opleidingsdirecteur van de politieschool PIVO te Asse.

 

Alle vier vertelden ze me hetzelfde. De aspirant-inspecteur en de pas afgestudeerde inspecteurs hebben in hun basisopleiding in totaal 10 lesuren gekregen rond politionele slachtofferbejegening. Ze hebben eerst een stuk theorie gezien over nulde-, eerste-, tweede- en derdelijnshulp en dan een stuk over slechtnieuwsmelding. En de praktijk (vier lesuren) bestond eigenlijk alleen maar uit slechtnieuwsmelding via rollenspellen.

De aspirant-officier heeft in haar verkorte basisopleiding ook 10 lesuren gehad over slachtofferbejegening. Het ging daar vooral over de Omzendbrief OOP 15ter, dat iedere politieman slachtoffers correct moet bejegenen en er werd hen een overzicht van gespecialiseerde diensten gegeven. 4 van de 10 lesuren waren voor rollenspellen die volgens de respondent goed gegeven waren met de nadruk op actief luisteren, empathie, slechtnieuwsmeldingenzovoort. Tijdens de officierenopleiding zelf heeft ze nog eens vier lesuren gehad, maar daar werd meer gepraat over bepaalde situaties en hoe ze die zouden oplossen.

 

 

3 Besluit en aanbevelingen

 

In dit besluit worden de onderzoeksvragen beantwoord en aangevuld met bedenkingen.

Met de eerste onderzoeksvraag wilde ik weten wat de gevolgen van de politiehervorming zijn op de politionele slachtofferbejegening in theorie om dan vervolgens een duidelijk antwoord te vinden op deze onderzoeksvraag in de praktijk. Er kan duidelijk gesteld worden dat de politiehervorming, zowel negatieve als positieve gevolgen heeft gehad op de politionele slachtofferbejegening. Het is niet de bedoeling om in dit besluit elk gevolg te gaan bespreken. Er zal wel aandacht gegeven worden aan de opvallendste gevolgen.

 

Een eerste positief gevolg is dat politionele slachtofferbejegening één van de zes functionaliteiten is voor de lokale politie. Deze functionaliteiten worden in de Omzendbrief PLP 10 omschreven. Een heel groot hiaat in de geïntegreerde politie is dat de federale politie niet aan basispolitiezorg hoeft te doen. Dat is dus eigenlijk het negatieve ervan. Slachtofferbejegening staat enkel wettelijk vastgelegd exclusief bij de lokale politie, terwijl de federale politie ook met slachtoffers geconfronteerd wordt. Vooral op het niveau van de GDA’s komen politieambtenaren daar ook dagelijks in contact met slachtoffers. Voorlopig kunnen ze enkel in het arrondissement Brussel beroep doen op de maatschappelijk assistent van de DirCo. Hier zou dus een Omzendbrief PLP 10 kunnen komen die bij de federale politie ook enkele functionaliteiten oplegt, meer specifiek de functionaliteit politionele slachtofferbejegening. Een andere mogelijkheid is op het niveau van alle arrondissementen een structuur te creëren die elke federale politieambtenaar kan sensibiliseren voor slachtofferbejegening.

Via dit eerste gevolg is mijn tweede onderzoeksvraag ook beantwoord. Er is nood aan basispolitiezorg en politionele slachtofferbejegening op het niveau van de federale politie en deze zou eventueel via een omzendbrief kunnen vastgelegd worden.

 

Een tweede gevolg dat ook in de functionaliteit politionele slachtofferbejegening van de Omzendbrief PLP 10 staat, is dat elke zone een gespecialiseerde medewerker in dienst moet nemen die zich bezig houdt met het sensibiliseren, vormen en opleiden van de mensen binnen het korps. Wat het luik sensibilisatie, vorming en opleiding betreft op lokaal niveau, stel ik vast dat het in de praktijk niet vlot verloopt. De gespecialiseerde medewerkers in de lokale zones komen er blijkbaar niet aan toe, wegens tijdsgebrek of gebrek aan middelen, om het korps voortdurend te sensibiliseren, te vormen en op te leiden. Een éénmalige sensibilisatie of vorming heeft geen of weinig effect. Er moet op regelmatige basis tijd gemaakt worden om het korps voortdurend te sensibiliseren en kennis en vaardigheden door te geven. Moet er dan een tweede gespecialiseerde medewerker opgelegd worden om dit op zich te nemen? Of kunnen er structuren gecreëerd worden op nationaal, arrondissementeel en lokaal niveau die deze taak op zich nemen? Heel veel hangt hier af van de goede wil van personen. En als het vanboven uit niet gestimuleerd wordt, is de kans klein dat er op lagere echelons iets aan gedaan wordt.

 

Ook de invulling van de gespecialiseerde medewerker, leidt tot verwarring in de zones. Het wordt in elke zone anders geïnterpreteerd en ingevuld. Hier is dan ook echt nood aan éénvormigheid en een coherent beleid en dient de Omzendbrief PLP 10 wat meer duidelijkheid te geven. Anderzijds is het natuurlijk niet de bedoeling om alles wettelijk te gaan vastleggen maar als vastgesteld wordt dat de interpretatie te ruim is, dan moet het kader fijner geformuleerd worden.

 

Waar ook blijkbaar een goede afbakening en een grens nodig is, is bij de invulling van de politionele slachtofferbejegening en de grens met de slachtofferhulp. De respondenten voelen dat er een gebrek is aan afbakening wat tot gevolg heeft dat bejegening vaak doorloopt naar slachtofferhulp en het is verkeerd om als slachtofferbejegenaar bezig te zijn met het bieden van emotionele hulp. Het is natuurlijk heel moeilijk om een grens te trekken want als de doorverwijzing goed gedaan wordt, wordt er spontaan overgegaan naar slachtofferhulp en hoeft de politieambtenaar zich hier niet meer mee bezig te houden.

 

De positieve houding en de positieve mentaliteit omtrent politionele slachtofferbejegening bestaat in de zones. Ze beseffen allemaal dat een goed onthaal van het slachtoffer de kwaliteit van de verklaring verbetert en dat een goed onthaal ook de medewerking van het slachtoffer tijdens de verdere procedure vergemakkelijkt. Met deze gedachte kan op termijn een correcte bejegening van de slachtoffers bij de politie bijdragen tot het positieve imago van de politie en het vertrouwen van de burger in de maatschappelijke orde en in de maatschappij terug te winnen of versterken.

 

Ook merken mijn respondenten van de lokale zones en de arrondissementele niveaus een mentaliteitsverandering op bij de nieuwe rekruten. Ze weten allemaal wat de omzendbrief OOP 15ter en de omzendbrief PLP 10 inhoudt. Dit is een positief gevolg van de hervorming, maar er moet op worden toegezien dat deze inspanningen onderhouden blijven.

Om uniformiteit te bereiken inzake een beleid rond slachtofferbejegening is het belangrijk dat mensen hun capaciteiten samen leggen, afspraken maken, gezamenlijke visies vormen en naar elkaar luisteren. Dan pas kan iets gecreëerd worden en werkbaar zijn. Wanneer iedereen volgens eenzelfde methode en dezelfde principes werkt, kan er meer bereikt worden.

 

Een ander gevolg van de politiehervorming is dat de zones niet altijd voldoende personeel hebben om aan de functionaliteit politionele slachtofferbejegening te voldoen via het permanent ter beschikking te stellen van een gespecialiseerde medewerker. Daarom worden interzonale samenwerkingsverbanden aangemoedigd opdat zones die permanentie en oproepbaarheid 24 uur op 24 kunnen verzekeren. Omtrent deze materie stelde ik verdeelde meningen vast. Er zijn zones en arrondissementen die het nut inzien om de handen in elkaar te slagen maar toch hoorde ik ook vaak dat in de praktijk niet veel korpschefs hiervoor te vinden zijn omdat ze gehecht zijn aan hun autonomie.

 

Om een antwoord te vinden op mijn derde onderzoeksvraag, ben ik nagegaan of er nood is aan één coherent en uniform beleid in de geïntegreerde politie rond politionele slachtofferbejegening dat start van op nationaal niveau en op arrondissementeel niveau gecoördineerd en gesteund wordt en op zijn beurt doorsijpelt naar de lokale zones. Ik heb ook onderzocht hoe dit kan gestructureerd worden.

De behoefte en de nood om één coherent en uniform beleid rond politionele slachtofferbejegening te hebben, is er omdat het voor de hervorming bestond en werkte. Het is jammer dat ik moet vaststellen dat deze initiatieven en structuren bestonden en dat ze door de hervorming niet meer werken of verloren zijn gegaan. Dat is dan weer een negatief gevolg op het beleid rond de politionele slachtofferbejegening. Voor de hervorming stroomde alles netjes door van uit het nationaal niveau, naar de districten en naar de eenheden. De hervorming heeft geen aandacht gegeven aan het behouden van deze coördinerende structuren op nationaal niveau en arrondissementeel niveau.

 

Het is dus dringend nodig om hier weer beweging in te brengen. De DirCo’s die ik gesproken heb, zagen het allemaal wel zitten om een coördinerende structuur op het arrondissementeel niveau in te voeren en dan samen te werken met een coördinerende structuur op nationaal niveau in Brussel. Hier knelt het schoentje al. De nationale coördinatrice bezit niet de vaardigheden om op haar niveau een structuur uit te bouwen die één beleid rond politionele slachtofferbejegening coördineert en samen te werken met de arrondissementen. Ze heeft wel capaciteiten maar ze moet de DirCo’s weten te sensibiliseren en zij moeten hun korpschefs sensibiliseren en ondersteunen.

Nu vraag ik me af of dit niet eerder te wijten kan zijn aan een communicatieprobleem tussen de arrondissementen en de nationale coördinatrice. Als er hier een overleg tot stand komt waarbij er daadwerkelijk naar elkaar geluisterd wordt, dan zou de eerste stap gezet kunnen zijn. Het kan magnifiek werken maar het hangt af van veel voorwaarden en blijkbaar van de wil van personen zelf.

 

Op arrondissementeel en lokaal niveau is het niet de bedoeling dat de zones van de DirCo afhangen, maar wel dat hij gezamenlijke initiatieven kan steunen en coördineren en wat ideaal zou zijn, is dat hij het beleid dat op nationaal niveau wordt gemaakt, laat doorstromen naar de zones in zijn arrondissement. Coördineren wil zeggen dat zaken en informatie verzameld worden en in functie daarvan dingen ondersteund worden om een doelstelling te bereiken maar dat houdt geen verantwoordelijkheid in of geen enkele bevoegdheid. Toch kan de DirCo een brugfunctie verzekeren tussen het lokale en het federale niveau via zijn maatschappelijk assistent. Maar zoals reeds werd vastgesteld, is er niet in elk arrondissement een maatschappelijk assistent bij de DirCo aanwezig. Het is naar mijn aanvoelen nodig om deze toewijzing officieel te maken of aan te moedigen zodat via de maatschappelijk assistent van de DirCo die brugfunctie kan komen tussen lokaal en federaal niveau op het vlak van slachtofferbejegening.

 

Een ander knelpunt waar de DirCo’s mee te maken krijgen als het gaat over één beleid rond slachtofferbejegening is dat verscheidene korpsen hun autonomie willen behouden. De DirCo kan de visies van de korpschefs samenbrengen maar moet dan nog de grootste gemene deler kunnen vinden wat vaak heel moeilijk is.

 

 

ALGEMEEN BESLUIT

 

In deze bijdrage werd getracht de ontwikkelingen met betrekking tot de slachtofferbejegening door de politie te analyseren in functie van de nieuwe politiestructuur die inmiddels van kracht is geworden sinds 2000-2001. Kortom, er werd onderzocht wat de gevolgen waren van de politiehervorming op de politionele slachtofferbejegening. Dat was ook de eerste onderzoeksvraag in deze eindverhandeling. Er kan duidelijk gesteld worden dat de politiehervorming, zowel negatieve als positieve gevolgen heeft gehad op de politionele slachtofferbejegening. Het is niet de bedoeling om in dit algemeen besluit elk gevolg te gaan bespreken.

 

Deze eindverhandeling is begonnen met een evolutie te geven van de internationale en nationale initiatieven in een eerste deel. Dit om aan te tonen hoe de aandacht voor het slachtoffer ontstaan is. Uit verschillende hoeken kwamen impulsen en zo groeide de aandacht voor de politionele slachtofferbejegening. Aangezien politieambtenaren bijna dagelijks in contact komen met slachtoffers van misdrijven, kan gesteld worden dat zij een sleutelpositie innemen in de materie van de slachtofferbejegening.

 

Het tweede grote deel in deze eindverhandeling gaat over de politionele slachtofferbejegening na de hervorming. De initiatieven met betrekking tot politionele slachtofferbejegening die na de hervorming gecreëerd werden, werden in dit deel besproken. Er werd duidelijk gemaakt waarom politieambtenaren een sleutelpositie hebben in een goede eerste opvang van het slachtoffer. Ook werden een aantal omzendbrieven wat uitgebreider besproken, samen met bedenkingen en knelpunten. Een aantal functies van personen werden ook toegelicht. Tenslotte werd in het tweede deel een voorstel beschreven dat een coherent en uniform beleid rond politionele slachtofferbejegening voor ogen heeft. Er werd aandacht gegeven aan elk niveau van de geïntegreerde politie en bij wie deze coördinerende en ondersteunende rol eventueel kan ondergebracht worden.

 

In het derde en laatste deel werd een onderzoek beschreven samen met de bevindingen en de antwoorden op de onderzoeksvragen die bij de aanvang van deze eindverhandeling duidelijk geformuleerd werden. Het is hier niet de plaats om de antwoorden opnieuw te beschrijven aangezien ze net in de laatste conclusie grondig besproken werden met de aandacht voor de terugkoppeling van de praktijk naar de theorie.

 

Veel politieambtenaren hebben inmiddels ingezien dat politionele slachtofferbejegening tot hun kerntaak behoort en dat het een uitstekend middel is om in het kader van de basispolitiezorg opnieuw het vertrouwen van de burger te verkrijgen. Ze hebben in dat verband ook grote vaardigheden ontwikkeld. Het zou zonde zijn om het hier nu bij te laten met het risico op het verliezen van alle resultaten.

 

Politionele slachtofferbejegening is een materie waarover voortdurend gesensibiliseerd, gevormd en bijgeschoold moet worden. Bepaalde misdrijven vergen een andere aanpak en elk korps dient die zich dan ook eigen te maken. Denk hier bijvoorbeeld aan intrafamiliaal geweld. De aandacht rond deze problematiek is op dit moment vrij groot en politieambtenaren moeten daar dan ook over geïnformeerd en opgeleid worden. Een ander voorbeeld kan oudermishandeling zijn. Daar was tot enkele jaren geleden ook niets over te vinden maar het komt nu meer en meer onder de aandacht.

 

Om uniformiteit te bereiken inzake een beleid rond slachtofferbejegening is het belangrijk dat mensen hun capaciteiten samen leggen, afspraken maken, gezamenlijke visies vormen en naar elkaar luisteren. Dan pas kan iets gecreëerd worden en werkbaar zijn. Wanneer iedereen volgens eenzelfde methode en dezelfde principes werkt, kan er meer bereikt worden.

Het zou uitermate te betreuren zijn dat de gunstige ontwikkelingen die zich voorgedaan hebben in België de laatste decennia inzake politionele slachtofferbejegening ten gevolge van de hervorming van de politie op de helling gezet zouden worden. Deze eindverhandeling wijst op het risico ervan. Er dreigen veel initiatieven verloren te gaan, maar het is nu nog mogelijk om deze terug op te rakelen en verder te werken met waar ze voor de hervorming mee bezig waren.

 

 

BIBLIOGRAFIE

 

Regelgeving

 

Internationale regelgeving

 

Boeken en tijdschriften

Andere bronnen: brochures, rapporten, verslagen

 

Internetbronnen

 

LIJST VAN AFKORTINGEN

 

CSD: Coördinatie- en steundienst

DirCo: Bestuurlijke directeur-coördinator

DirJud: Gerechtelijke directeur

GDA: Gerechtelijke dienst per arrondissement

K.B.: Koninklijk Besluit

M.O.: Ministeriële Omzendbrief

VN: Verenigde Naties

WPA: Wet van 5 augustus 1992 op het Politieambt

WGP: Wet van 7 december 1998 tot organisatie van geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.

 

 

 

BIJLAGEN

Bijlage 1 Topiclijst DirCo en maatschappelijk assistent

 

Topiclijst DirCo / Maatschappelijk Assistent

 

(gedeconcentreerde coördinatie- en steundienst onder de leiding van een bestuurlijke directeur-coördinator)

 

In deze bijdrage wordt getracht de ontwikkelingen met betrekking tot de slachtofferbejegening door de politie te analyseren in functie van de nieuwe politiestructuur die inmiddels van kracht is geworden sinds 2000-2001.

 

Kortom, wat zijn de gevolgen van de hervorming op de politionele slachtofferbejegening?

 

Functie van de directeur-coördinator in de politionele slachtofferbejegening

 

Politiehervorming

 

 

Maatschappelijke werkers bij de rijkswacht op districtsniveau

Één van de belangrijkste functies was de coördinatie van de netwerkvorming tussen alle slachtofferbejegenaars. Terwijl de gerechtelijke politie op dit domein achterbleef, werden ook bij de gemeentepolitie dergelijke vergelijkbare structuren opgericht en werden ook grote inspanningen geleverd voor de ontwikkeling van een coherent beleid en organisatiemodel met betrekking tot de politionele slachtofferbejegening. Er dient vastgesteld te worden dat deze coördinatiestructuren, die een mogelijkheid inhouden voor netwerkvorming, door de politiehervorming dreigen verloren te gaan.

 

 

Politieambtenaren

 

 

 

 

 

 

PLP10 werkings- en organisatienormen: 4° functionaliteit: politionele slachtofferbejegenging.

 

De functie politionele slachtofferbejegening. Het artikel 46 van de WPA ligt aan de grondslag van elke actie van de politie ten opzichte van het slachtoffer. Zo zullen zij die personen die om hulp of bijstand verzoeken in contact brengen met de gespecialiseerde diensten. Zij verlenen onder andere bijstand aan de slachtoffers van misdrijven, inzonderheid door hen de nodige informatie te verschaffen.

 

De politieambtenaar is vaak de eerste persoon die in contact treedt met het slachtoffer. Hij heeft bijgevolg de verplichting in te staan voor een adequate opvang en onthaal, en voor een emotionele steun. De slachtofferbejegening maakt dus integraal deel uit van de politionele taken en opdrachten. Wel impliceert een goede slachtofferbejegening het zich eigen maken van een welbepaald gedrag, een welbepaalde bekwaamheid en kennis.

 

Naast deze wettelijke verplichting in hoofde van iedere politieambtenaar, moet elke lokaal politiekorps beschikken over een gespecialiseerde medewerker, met als doel de politieambtenaren raad te geven en bij te staan bij het vervullen van hun opdrachten. Deze medewerker kan, onder andere, worden belast met verscheidene soorten taken. De medewerker zorgt voor de bewustmaking en de voortgezette vorming van de korpsleden. Hij dient ook alle informatie gelinkt aan slachtofferbejegening in te zamelen en ter beschikking te stellen van het korps. De gespecialiseerde medewerker kan slachtoffers bijstaan in sommige gevallen, bijvoorbeeld in crisissituaties of zwaar slachtofferschap. De slachtoffers die psychosociale hulp nodig hebben moeten doorverwezen worden naar de bevoegde diensten. De medewerker zorgt voor het onderhouden van de contacten en het samenwerken met deze hulpverleningsinstanties. Verder wordt er ook verwacht dat er wordt deelgenomen aan de overlegstructuren die hierboven reeds vermeld werden. Deze taak kan integraal aan een politieassistent of aan burgerpersoneel met een relevant diploma worden toevertrouwd. De permanente oproepbaarheid van een dergelijk persoon moet ten voordele van elke zone worden verzekerd. Daarin kan in voorkomend geval worden voorzien in samenwerking met andere zones.”

 

Als minimale werkingsnorm en organisatienorm geldt het principe van één gespecialiseerde medewerker per zone.

 

 

Interzonale samenwerking en protocollen

 

Politieassistenten

 

Opleiding politieschool module “politionele slachtofferbejegening”:

basiskader, middenkader, hoger kader

 

 

Arrondissementele raad voor het slachtofferbeleid

 

 

Rol van de DirCo:

 

 

Bijlage 2 Topiclijst lokale politie

 

Topiclijst Lokale Politie

 

 

In deze bijdrage wordt getracht de ontwikkelingen met betrekking tot de slachtofferbejegening door de politie te analyseren in functie van de nieuwe politiestructuur die inmiddels van kracht is geworden sinds 2000-2001.

 

Kortom, wat zijn de gevolgen van de hervorming op de politionele slachtofferbejegening?

 

 

Politiehervorming

 

 

Maatschappelijke werkers bij de rijkswacht op districtsniveau

Één van de belangrijkste functies was de coördinatie van de netwerkvorming tussen alle slachtofferbejegenaars. Terwijl de gerechtelijke politie op dit domein achterbleef, werden ook bij de gemeentepolitie dergelijke vergelijkbare structuren opgericht en werden ook grote inspanningen geleverd voor de ontwikkeling van een coherent beleid en organisatiemodel met betrekking tot de politionele slachtofferbejegening. Er dient vastgesteld te worden dat deze coördinatiestructuren, die een mogelijkheid inhouden voor netwerkvorming, door de politiehervorming dreigen verloren te gaan.

 

 

Politieambtenaren

 

 

 

 

 

PLP10 werkings- en organisatienormen: 4° functionaliteit: politionele slachtofferbejegenging.

 

De functie politionele slachtofferbejegening. Het artikel 46 van de WPA ligt aan de grondslag van elke actie van de politie ten opzichte van het slachtoffer. Zo zullen zij die personen die om hulp of bijstand verzoeken in contact brengen met de gespecialiseerde diensten. Zij verlenen onder andere bijstand aan de slachtoffers van misdrijven, inzonderheid door hen de nodige informatie te verschaffen.

 

De politieambtenaar is vaak de eerste persoon die in contact treedt met het slachtoffer. Hij heeft bijgevolg de verplichting in te staan voor een adequate opvang en onthaal, en voor een emotionele steun. De slachtofferbejegening maakt dus integraal deel uit van de politionele taken en opdrachten. Wel impliceert een goede slachtofferbejegening het zich eigen maken van een welbepaald gedrag, een welbepaalde bekwaamheid en kennis.

 

Naast deze wettelijke verplichting in hoofde van iedere politieambtenaar, moet elke lokaal politiekorps beschikken over een gespecialiseerde medewerker, met als doel de politieambtenaren raad te geven en bij te staan bij het vervullen van hun opdrachten. Deze medewerker kan, onder andere, worden belast met verscheidene soorten taken. De medewerker zorgt voor de bewustmaking en de voortgezette vorming van de korpsleden. Hij dient ook alle informatie gelinkt aan slachtofferbejegening in te zamelen en ter beschikking te stellen van het korps. De gespecialiseerde medewerker kan slachtoffers bijstaan in sommige gevallen, bijvoorbeeld in crisissituaties of zwaar slachtofferschap. De slachtoffers die psychosociale hulp nodig hebben moeten doorverwezen worden naar de bevoegde diensten. De medewerker zorgt voor het onderhouden van de contacten en het samenwerken met deze hulpverleningsinstanties. Verder wordt er ook verwacht dat er wordt deelgenomen aan de overlegstructuren die hierboven reeds vermeld werden. Deze taak kan integraal aan een politieassistent of aan burgerpersoneel met een relevant diploma worden toevertrouwd. De permanente oproepbaarheid van een dergelijk persoon moet ten voordele van elke zone worden verzekerd. Daarin kan in voorkomend geval worden voorzien in samenwerking met andere zones.”

 

Als minimale werkingsnorm en organisatienorm geldt het principe van één gespecialiseerde medewerker per zone.

 

Interzonale samenwerking en protocollen

 

Politieassistenten

 

Opleiding politieschool module “politionele slachtofferbejegening”:

basiskader, middenkader, hoger kader

 

Arrondissementele raad voor het slachtofferbeleid

 

Rol van de DirCo:

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[1] Wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, B.S. 22 december 1992.

[2] HUTSEBAUT, F. “Politionele slachtofferbejegening in het kader van de nieuwe politiestructuur” in “Voor verder onderzoek…” G., Duhaut, P., Ponsaers, G., Pyl en R., Van de Sompel (eds), Brussel, Politeia, 2002, 375-396

[3] AERTSEN, I., e.a., Vademecum Politiële Slachtofferbejegening, Gent, Academia Press, 2002, 416 blz.

[4] CRETEN, N., Politionele Slachtofferbejegening, Politie Praktijk Boeken, Antwerpen/Appeldoorn, Maklu, 2004, 84blz

[5] AERTSEN, I., e.a., Vademecum Politiële Slachtofferbejegening, Gent, Academia Press, 2002, 416blz

[6] Recommandation Nr. R(85) of the Committee of ministers to member states on the position of the victim in the framework of criminal law and procedure, Council of Europe, 28 june 1985.

[7] Recommandation Nr. R(85) of the Committee of ministers to member states on the position of the victim in the framework of criminal law and procedure, Council of Europe, 28 June 1985.

[8] Recommandation Nr. R(87) of the Committee of ministeres to member states on assistance to victims and the prevention of victimisation, Council of Europe, 17 September 1987.

[9] Recommandation Nr. R(87) of the Committee of ministeres to member states on assistance to victims and the prevention of victimisation, Council of Europe, 17 September 1987.

[10] Recommandation Nr. R(87) of the Committee of ministeres to member states on assistance to victims and the prevention of victimisation, Council of Europe, 17 September 1987.

[11] Recommandation Nr. R(87) of the Committee of ministeres to member states on assistance to victims and the prevention of victimisation, Council of Europe, 17 September 1987.

[12] AERTSEN, I., e.a., Vademecum Politiële Slachtofferbejegening, Gent, Academia Press, 2002, 416blz

[13] Steunpunt Algemeen Welzijnswerk, Welzijn en Justitie, Hulp aan Slachtoffers, De 7 Rechten van het Slachtoffer, www.steunpunt.be

[14] MEYVIS, W., “Slachtofferhulp in beweging”, in PETERS, T. en GOETHALS, J., De achterkant van de criminaliteit, Leuven, Universitaire Pers, 264 - 265

[15] Steunpunt Algemeen Welzijnswerk, Welzijn en Justitie, Hulp aan Slachtoffers, De 7 Rechten van het Slachtoffer, www.steunpunt.be

[16] Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure.

[17] Wet van 5 augustus 1992 op het Politieambt, B.S. 22 december 1992.

[18] Wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, B.S. 5 januari 1999.

[19] Koninklijk Besluit van 17 september 2001 tot vaststelling van de organisatie- en werkingsnormen van de lokale politie met het oog op het waarborgen van een minimale gelijkwaardige dienstverlening aan de bevolking. B.S. 12 oktober 2001.

[20] Wet van 5 augustus 1992 op het Politieambt, B.S. 22 december 1992.

[21] MEYVIS, W., “Slachtofferhulp in beweging”, in PETERS, T. en GOETHALS, J., De achterkant van de criminaliteit, Leuven, Universitaire Pers, 264 - 265

[22] HUTSEBAUT, F. “Politionele slachtofferbejegening in het kader van de nieuwe politiestructuur” in “Voor verder onderzoek…” G., Duhaut, P., Ponsaers, G., Pyl en R., Van de Sompel (eds), Brussel, Politeia, 2002, 375-396

[23] HUTSEBAUT, F. “Politionele slachtofferbejegening in het kader van de nieuwe politiestructuur” in “Voor verder onderzoek…” G., Duhaut, P., Ponsaers, G., Pyl en R., Van de Sompel (eds), Brussel, Politeia, 2002, 375-396

[24] Nota aan de leden van de Vlaamse regering van 29 oktober 2004, Institutionalisering van het Nationaal Forum voor Slachtofferbeleid, http://www.wvc.vlaanderen.be/juriwel/welzijnenjustitie

[25] Nota aan de leden van de Vlaamse regering van 29 oktober 2004, Institutionalisering van het Nationaal Forum voor Slachtofferbeleid, http://www.wvc.vlaanderen.be/juriwel/welzijnenjustitie

[26] VAN CAMP, T. en RUBBENS, A., “Tien jaar slachtofferbeleid in België: stand van zaken en kritische reflectie”, Panopticon, 2005, Kluwer Rechtswetenschappen, p.78-84.

[27] BRIENEN, M.E.I. en HOEGEN, E.H., Victims of crime in 22 European Criminal Justice Systems. The implementation of recommendation (85)11 of the Council of Europe on the position of the victim in the framework of criminal law and procedures, Nijmegen, WLP, 2000, 1156-1159

[28] Commission of The European Communities, Report from the commission on the basis of Art. 18 of the Council Framework Decision of 15 March 2001 on the standing of victims in criminal proceedings, Brussel, 2004

[29] HUTSEBAUT, F. “Politionele slachtofferbejegening in het kader van de nieuwe politiestructuur” in “Voor verder onderzoek…” G., Duhaut, P., Ponsaers, G., Pyl en R., Van de Sompel (eds), Brussel, Politeia, 2002, 375-396

[30] HUSEBAUT, F., “De politiehervorming: een overzicht”. In Casselman, J., Goethals, J., Hutsebaut, F., Vervaeke, G. en Walgrave L. (ed.) Veiligheid, een illusie. Theorie, onderzoek en praktijk, Brussel, Politeia 2001, 67-101

[31] DE HERT, P., “De politiehervorming en de heilzaamheid van het publieke”, Panopticon, 1998, Kluwer Rechtswetenschappen, p.199-206.

[32] K.B. van 17 september 2001 tot vaststelling van de organisatie- en werkingsnormen van de lokale politie teneinde een gelijkwaardige minimale dienstverlening aan de bevolking te verzekeren, B.S. 12 oktober 2001.

[33] M.O. PLP 10 van 9 oktober 2001 inzake de organisatie- en werkingsnormen van de lokale politie teneinde een gelijkwaardige minimale dienstverlening aan de bevolking te verzekeren, B.S. 16 oktober 2001.

[34]Ministeriële Richtlijn van 20 februari 2002 tot regeling van de taakverdeling, de samenwerking, de coördinatie en de integratie tussen de lokale en de federale politie inzake de opdrachten van gerechtelijke politie, B.S. 1 maart 2002

[35] Wetsontwerp tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, Memorie van Toelichting, Parl.St., Kamer, 1997-1998, nr. 1676/1, 11-12

[36] VAN CAMP, T. en RUBBENS A., “Tien jaar slachtofferbeleid in België: stand van zaken en kritische reflectie”, Panopticon, 2005, Kluwer Rechtswetenschappen, p.78-84.

[37] Ministeriële Omzendbrief PLP 10 van 9 oktober 2001 inzake de organisatie- en werkingsnormen van de lokale politie met het oog op het waarborgen van minimale gelijkwaardige dienstverlening aan de bevolking, B.S. 16 oktober 2001.

[38] Koninklijk Besluit van 17 september 2001 tot vaststelling van de organisatie- en werkingsnormen van de lokale politie teneinde een gelijkwaardige minimale dienstverlening aan de bevolking te verzekeren, B.S. 12 oktober 2001.

[39] PETERS, T. en GOETHALS, J. (ed.) De achterkant van de criminaliteit. Over victimologie, slachtofferhulp en strafrechtsbedeling, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1993.

AERTSEN, I., e.a., Vademecum Politiële slachtofferbejegening, Gent Academia Press, 2002.

[40] HUTSEBAUT, F., De positie van de benadeelde in het Belgisch Strafproces, Panopticon, 1985, 410-433.

[41] Dienstnota nr. DOA/DAG-2003-NR-4206/2003 van 30 december 2003 omtrent de taken en de werkingsmodaliteiten voor de maatschappelijke assistenten op het niveau van de coördinatie- en steundienst.

[42] Dienstnota nr. DOA/DAG-2003-NR-4206/2003 van 30 december 2003 omtrent de taken en de werkingsmodaliteiten voor de maatschappelijke assistenten op het niveau van de coördinatie- en steundienst, onuitg., 12blz

[43] Omzendbrief OOP 15ter betreffende politiële slachtofferbejegening van 9 JULI 1999, B.S. 21 augustus 1999

[44] Omzendbrief OOP 15ter betreffende politiële slachtofferbejegening van 9 juli 1999, B.S. 21 augustus 1999

[45] Omzendbrief OOP 15ter van 9 juli 1999 betreffende de politiële slachtofferbejegening, B.S. 21 augustus 1999

[46] AERTSEN, I., e.a., Vademecum Politiële slachtofferbejegening, Gent Academia Press, 2002.

[47] Omzendbrief OOP 15ter 9 juli 1999 betreffende de politiële slachtofferbejegening, B.S. 21 augustus 1999, 31.269

[48] AERTSEN, I., e.a., Vademecum Politiële slachtofferbejegening, Gent Academia Press, 2002.

[49] Omzendbrief OOP 15ter 9 juli 1999 betreffende de politiële slachtofferbejegening, B.S. 21 augustus 1999, 31.269

[50] Omzendbrief OOP 15ter van 9 juli 1999 betreffende de politiële slachtofferbejegening, B.S. 21 augustus 1999

[51] HUTSEBAUT, F. “Politionele slachtofferbejegening in het kader van de nieuwe politiestructuur” in “Voor verder onderzoek…” G., Duhaut, P., Ponsaers, G., Pyl en R., Van de Sompel (eds), Brussel, Politeia, 2002, 375-396

[52] AERTSEN, I., e.a., Vademecum Politiële slachtofferbejegening, Gent Academia Press, 2002.

[53] Omzendbrief OOP 15ter betreffende politiële slachtofferbejegening van 9 JULI 1999, B.S. 21 augustus 1999

[54] AERTSEN, I., e.a., Vademecum Politiële slachtofferbejegening, Gent Academia Press, 2002.

[55] HUTSEBAUT, F. “Politionele slachtofferbejegening in het kader van de nieuwe politiestructuur” in “Voor verder onderzoek…” G., Duhaut, P., Ponsaers, G., Pyl en R., Van de Sompel (eds), Brussel, Politeia, 2002, 375-396

[56] Omzendbrief OOP 15ter betreffende politiële slachtofferbejegening van 9 JULI 1999, B.S. 21 augustus 1999

[57] HUTSEBAUT, F. “Politionele slachtofferbejegening in het kader van de nieuwe politiestructuur” in “Voor verder onderzoek…” G., Duhaut, P., Ponsaers, G., Pyl en R., Van de Sompel (eds), Brussel, Politeia, 2002, 375-396

[58] BAS, R. en LAUWAERT, K., Knelpuntennota m.b.t. het gebruik van politiële ondersteuninginstrumenten inzake slachtofferbejegening en de toepassing van de ministeriële omzendbrief OOP 15bis, onuitg. Leuven, KULeuven, Faculteit Rechtsgeleerdheid, 1997.

[59] Ministeriële Omzendbrief PLP 10 inzake de organisatie- en werkingsnormen van de lokale politie met het oog op het waarborgen van een minimale gelijkwaardige dienstverlening aan de bevolking van 9 oktober 2001

[60] Ministeriële Omzendbrief PLP 10 inzake de organisatie- en werkingsnormen van de lokale politie met het oog op het waarborgen van een minimale gelijkwaardige dienstverlening aan de bevolking van 9 oktober 2001

[61] Ministeriële omzendbrief PLP10 inzake de organisatie- en werkingsnormen van de lokale politie met het oog op het waarborgen van een minimale gelijkwaardige dienstverlening aan de bevolking van 9 oktober 2001

[62] HUTSEBAUT, F. “Politionele slachtofferbejegening in het kader van de nieuwe politiestructuur” in “Voor verder onderzoek…” G., Duhaut, P., Ponsaers, G., Pyl en R., Van de Sompel (eds), Brussel, Politeia, 2002, 375-396

[63] HUTSEBAUT, F. “Politionele slachtofferbejegening in het kader van de nieuwe politiestructuur” in “Voor verder onderzoek…” G., Duhaut, P., Ponsaers, G., Pyl en R., Van de Sompel (eds), Brussel, Politeia, 2002, 375-396

[64] HUTSEBAUT, F. “Politionele slachtofferbejegening in het kader van de nieuwe politiestructuur” in “Voor verder onderzoek…” G., Duhaut, P., Ponsaers, G., Pyl en R., Van de Sompel (eds), Brussel, Politeia, 2002, 375-396

[65] HUTSEBAUT, F. “Politionele slachtofferbejegening in het kader van de nieuwe politiestructuur” in “Voor verder onderzoek…” G., Duhaut, P., Ponsaers, G., Pyl en R., Van de Sompel (eds), Brussel, Politeia, 2002, 375-396

[66] HUTSEBAUT, F. “Politionele slachtofferbejegening in het kader van de nieuwe politiestructuur” in “Voor verder onderzoek…” G., Duhaut, P., Ponsaers, G., Pyl en R., Van de Sompel (eds), Brussel, Politeia, 2002, 375-396

[67] HUTSEBAUT, F. “Politionele slachtofferbejegening in het kader van de nieuwe politiestructuur” in “Voor verder onderzoek…” G., Duhaut, P., Ponsaers, G., Pyl en R., Van de Sompel (eds), Brussel, Politeia, 2002, 375-396

[68] Decreet 15 december 1998 houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord van 7 april 1998 tussen de Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake slachtofferzorg, B.S. 15 december 1998

[69] Decreet 15 december 1998 houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord van 7 april 1998 tussen de Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake slachtofferzorg, B.S. 15 december 1998

[70] Decreet 15 december 1998 houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord van 7 april 1998 tussen de Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake slachtofferzorg, B.S. 15 december 1998

[71] Decreet 15 december 1998 houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord van 7 april 1998 tussen de Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake slachtofferzorg, B.S. 15 december 1998

[72] Decreet 15 december 1998 houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord van 7 april 1998 tussen de Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake slachtofferzorg, B.S. 15 december 1998

[73] HUTSEBAUT, F. “Politionele slachtofferbejegening in het kader van de nieuwe politiestructuur” in “Voor verder onderzoek…” G., Duhaut, P., Ponsaers, G., Pyl en R., Van de Sompel (eds), Brussel, Politeia, 2002, 375-396

[74] HUTSEBAUT, F. “Politionele slachtofferbejegening in het kader van de nieuwe politiestructuur” in “Voor verder onderzoek…” G., Duhaut, P., Ponsaers, G., Pyl en R., Van de Sompel (eds), Brussel, Politeia, 2002, 375-396

[75] Decreet 15 december 1998 houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord van 7 april 1998 tussen de Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake slachtofferzorg, B.S. 15 december 1998

[76] Decreet 15 december 1998 houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord van 7 april 1998 tussen de Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake slachtofferzorg, B.S. 15 december 1998

[77] Decreet 15 december 1998 houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord van 7 april 1998 tussen de Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake slachtofferzorg, B.S. 15 december 1998

[78] Decreet 15 december 1998 houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord van 7 april 1998 tussen de Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake slachtofferzorg, B.S. 15 december 1998

[79] Omzendbrief PLP 27 van 4 november 2002 inzake de intensifiëring en bevordering van de interzonale samenwerking, B.S. 12 april 2002

[80]Infodoc, Samenwerking tussen de Lokale Politiezones. Intensivering en stimulatie, de kernideeën voor 2003, Dagblad van het kaderpersoneel Nr. 84, december 2002

[81]Omzendbrief PLP 27 van 4 november 2002 inzake de intensifiëring en bevordering van de interzonale samenwerking, B.S. 12 april 2002

[82]Omzendbrief PLP 27 van 4 november 2002 inzake de intensifiëring en bevordering van de interzonale samenwerking, B.S. 12 april 2002

[83]Infodoc, Samenwerking tussen de Lokale Politiezones. Intensivering en stimulatie, de kernideeën voor 2003, Dagblad van het kaderpersoneel Nr. 84, december 2002

[84]Infodoc, Samenwerking tussen de Lokale Politiezones. Intensivering en stimulatie, de kernideeën voor 2003, Dagblad van het kaderpersoneel Nr. 84, december 2002

[85]Omzendbrief PLP 27 van 4 november 2002 inzake de intensifiëring en bevordering van de interzonale samenwerking, B.S. 12 april 2002

[86]Infodoc, Samenwerking tussen de Lokale Politiezones. Intensivering en stimulatie, de kernideeën voor 2003, Dagblad van het kaderpersoneel Nr. 84, december 2002

[87]Omzendbrief PLP 27 van 4 november 2002 inzake de intensifiëring en bevordering van de interzonale samenwerking, B.S. 12 april 2002

[88]Infodoc, Samenwerking tussen de Lokale Politiezones. Intensivering en stimulatie, de kernideeën voor 2003, Dagblad van het kaderpersoneel Nr. 84, december 2002

[89]Omzendbrief PLP 27 van 4 november 2002 inzake de intensifiëring en bevordering van de interzonale samenwerking, B.S. 12 april 2002

[90] Coördinatie- en Steundienst: functionaliteiten, opdrachten en taken (versie 3bis), 14 november 2005, intern document.

[91] Coördinatie- en Steundienst: functionaliteiten, opdrachten en taken (versie 3bis), 14 november 2005, intern document.

[92] Coördinatie- en Steundienst: functionaliteiten, opdrachten en taken (versie 3bis), 14 november 2005, intern document.

[93]Ministerieel Besluit van 29 september 2000 van de Minister van Binnenlandse Zaken tot bepaling van de administratieve behandelingsprocedure van de aangelegenheden bedoeld in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus.

[94]Dienstnota nr. DOA/DAG-2003-NR-4206/2003 van 30 december 2003 omtrent de taken en de werkingsmodaliteiten voor de maatschappelijke assistenten op het niveau van de coördinatie- en steundienst.

[95] Ministeriële Omzendbrief GPI 19 van 6 mei 2002 betreffende de functie, bevoegdheden en opdrachten van de politieassistenten, B.S. 192 11 juni 2002

[96] Ministeriële Omzendbrief GPI 19 van 6 mei 2002 betreffende de functie, bevoegdheden en opdrachten van de politieassistenten, B.S. 192 11 juni 2002

[97] Ministeriële Omzendbrief GPI 19 van 6 mei 2002 betreffende de functie, bevoegdheden en opdrachten van de politieassistenten, B.S. 192 11 juni 2002

[98] Ministeriële Omzendbrief GPI 19 van 6 mei 2002 betreffende de functie, bevoegdheden en opdrachten van de politieassistenten, B.S. 192 11 juni 2002

[99] Ministeriële Omzendbrief GPI 19 van 6 mei 2002 betreffende de functie, bevoegdheden en opdrachten van de politieassistenten, B.S. 192 11 juni 2002

[100] Ministeriële Omzendbrief GPI 19 van 6 mei 2002 betreffende de functie, bevoegdheden en opdrachten van de politieassistenten, B.S. 192 11 juni 2002

[101] Ministeriële Omzendbrief GPI 19 van 6 mei 2002 betreffende de functie, bevoegdheden en opdrachten van de politieassistenten, B.S. 192 11 juni 2002

[102] Ministeriële Omzendbrief GPI 19 van 6 mei 2002 betreffende de functie, bevoegdheden en opdrachten van de politieassistenten, B.S. 192 11 juni 2002

[103] Ministeriële Omzendbrief GPI 19 van 6 mei 2002 betreffende de functie, bevoegdheden en opdrachten van de politieassistenten, B.S. 192 11 juni 2002

[104] Ministerieel besluit van 24 oktober 2002 houdende het algemeen studiereglement betreffende de basisopleidingen van de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten.

[105] HUTSEBAUT, F. “Politionele slachtofferbejegening in het kader van de nieuwe politiestructuur” in “Voor verder onderzoek…” G., Duhaut, P., Ponsaers, G., Pyl en R., Van de Sompel (eds), Brussel, Politeia, 2002, 375-396

[106] HUTSEBAUT, F. “Politionele slachtofferbejegening in het kader van de nieuwe politiestructuur” in “Voor verder onderzoek…” G., Duhaut, P., Ponsaers, G., Pyl en R., Van de Sompel (eds), Brussel, Politeia, 2002, 375-396

[107] HUTSEBAUT, F. “Politionele slachtofferbejegening in het kader van de nieuwe politiestructuur” in “Voor verder onderzoek…” G., Duhaut, P., Ponsaers, G., Pyl en R., Van de Sompel (eds), Brussel, Politeia, 2002, 375-396

[108] HUTSEBAUT, F. “Politionele slachtofferbejegening in het kader van de nieuwe politiestructuur” in “Voor verder onderzoek…” G., Duhaut, P., Ponsaers, G., Pyl en R., Van de Sompel (eds), Brussel, Politeia, 2002, 375-396

[109] HUTSEBAUT, F. “Politionele slachtofferbejegening in het kader van de nieuwe politiestructuur” in “Voor verder onderzoek…” G., Duhaut, P., Ponsaers, G., Pyl en R., Van de Sompel (eds), Brussel, Politeia, 2002, 375-396

[110] HUTSEBAUT, F. “Politionele slachtofferbejegening in het kader van de nieuwe politiestructuur” in “Voor verder onderzoek…” G., Duhaut, P., Ponsaers, G., Pyl en R., Van de Sompel (eds), Brussel, Politeia, 2002, 375-396

[111] HUTSEBAUT, F. “Politionele slachtofferbejegening in het kader van de nieuwe politiestructuur” in “Voor verder onderzoek…” G., Duhaut, P., Ponsaers, G., Pyl en R., Van de Sompel (eds), Brussel, Politeia, 2002, 375-396

[112] HUTSEBAUT, F. “Politionele slachtofferbejegening in het kader van de nieuwe politiestructuur” in “Voor verder onderzoek…” G., Duhaut, P., Ponsaers, G., Pyl en R., Van de Sompel (eds), Brussel, Politeia, 2002, 375-396

[113] Richtlijn van 9 november 2000 van de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie met betrekking tot de organisatie van de federale politie. Vaststelling van de directies en uitvoerende diensten binnen de diensten van de commissaris-generaal en de algemene directies van de federale politie, B.S. 9 december 2000.

[114] HUTSEBAUT, F. “Politionele slachtofferbejegening in het kader van de nieuwe politiestructuur” in “Voor verder onderzoek…” G., Duhaut, P., Ponsaers, G., Pyl en R., Van de Sompel (eds), Brussel, Politeia, 2002, 375-396

[115] Infodoc, Samenwerking tussen de Lokale Politiezones. Intensivering en stimulatie, de kernideeën voor 2003, Dagblad van het kaderpersoneel Nr. 84, december 2002

[116] VERVAEKE, G., e.a. “Het ontwerp van een gevalstudie”, in BEYENS, K., GOETHALS, J, PONSAERS, P en VERVAEKE, G.(Eds), Criminologie in Actie, Brussel, Polieia, 2002, 418-443.