De domaniale organisatie van het Onze-Lieve-Vrouwehospitaal van Oudenaarde (1573-1700) (Frederik Van Crombrugge)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL II. DE PACHTPOLITIEK VAN HET HOSPITAAL (1573-1700)

 

HOOFDSTUK I. de financieel-economische politiek van het hospitaal tussen de eerste helft van de 15de eeuw tot het einde van de 17de eeuw

 

I.2 De Financieel-economische politiek in de periode 1573-1698/1700

 

I.2.1 INKOMSTEN

 

In de voorgaande paragraaf gaven we reeds aan dat voor het bestuderen van de economische positie van het hospitaal drie zaken van fundamenteel belang zijn: de werkelijke inkomsten, de werkelijke uitgaven en tenslotte de saldi, berekend aan de hand van de vorige twee factoren. Wij stipten toen ook aan dat geen enkele van deze drie zaken een volledig en coherent beeld van de economische positie van het hospitaal geeft en wezen erop dat iedere factor in correlatie dient te worden gezien met de heersende economische conjunctuur en de andere twee factoren. Hoewel de uitgaven en de saldi goede indicatoren zijn voor de economische politiek van het hospitaal, geven de werkelijke inkomsten toch het best de reële waarde van het domein weer.

 

De inkomsten van het hospitaal kunnen voor de periode 1573-1698/1700 in vier grote groepen worden onderverdeeld: (1) inkomsten uit pacht, (2) inkomsten uit cijnzen en renten, (3) diverse inkomstenbronnen en (4) losrenten. In tabel 4 een overzicht gegeven van het relatieve belang van de verschillende inkomstenbronnen van het hospitaal tussen 1573 en 1700.[57] Groepen drie en vier worden binnen deze paragraaf verder verduidelijkt in tabel 4 op volgende bladzijde.[58]

 

De eerste groep bevat inkomsten uit hofpachten, perceelspachten, pachten van tienden, pachten van heerlijke renten, halfpachten, … . De tweede groep met cijnzen en renten bestond aanvankelijk uitsluitend uit inkomsten in natura. In de loop van de 16de en voornamelijk 17de eeuw zullen deze betalingen in natura steeds meer worden vervangen door betalingen in munten. De inkomsten uit groep twee vormden slechts een miniem aandeel in de totaalinkomsten van het hospitaal. De betalingen in natura bestonden jaarlijks uit een 20-tal ‘cappoenen’, 25 tot 30 ‘hoenderen’ en een zekere hoeveelheid mout, rogge, tarwe en haver, die binnen het hospitaal zelf werden verbruikt. Uitzonderlijk hoorde daar ook wel eens het volgende bij: haring uit Biervliet, enkele ponden kaas, boter of andere zuivelproducten.[59]

De derde groep bestond uit een amalgaam van inkomsten uit diverse bronnen, waaronder agrarische producten (aansluitend bij de lijst inkomsten in natura van groep 2), textiel (‘wit’ en ‘root’ laken), schenkingen bij testament, inkomsten uit wandelkopen, … .[60] In het rekenjaar 1573 bijvoorbeeld ontving het hospitaal 25 lb. parisis en 11 schellingen van Willem Vande Hautte uit Aughem voor een wandelkoop.[61] De vierde en laatste groep ten slotte bestond uit losrenten. Hier waren zowel erfelijke als lijfelijke losrenten bij. Het onderscheid werd in de hospitaalrekeningen niet altijd gemaakt. Meestal vermeldde men niet over welke vorm van losrente het ging, lijfelijk of erfelijk.[62]

 

Tabel 4: Overzicht van het relatieve belang van de verschillende inkomstenbronnen van het hospitaal voor de periode 1573-1700[63]

Rekenjaren

totaal(lb.)

pacht (lb.)

%

cijns/rente (lb.)

%

diversen (lb.)

%

losrenten (lb.)

%

1573-74

11361

8295

73

264

2

2376

21

426

4

1579-80

14605

3400

23

139

1

10604

73

462

3

1585-86

4247

2919

69

139

3

643

15

546

13

1591-92

10193

8272

81

278

3

1163

11

480

5

1600-01

8758

7561

86

366

4

639

7

192

3

1609-10

11675

9092

78

273

2

1963

17

347

3

1618-19

14635

12688

87

260

2

712

5

975

6

1627-28

22661

19986

88

256

1

360

2

2059

9

1636-37

25582

21926

86

256

1

392

1

3008

12

1645-46

11894

8575

72

74

1

755

6

2490

21

1654-55

19206

15806

82

424

2

1044

6

1932

10

1663-64

34543

26427

77

512

1

4846

14

2758

8

1670-71

57454

31648

55

442

1

19185

34

5179

10

1680-81

30522

12760

42

737

2

11796

39

5229

17

1689-90

16744

6006

36

113

1

9041

54

1584

9

1698-1700

33452

8521

26

782

2

23146

69

1003

3

gemiddelde

20471

12743

62

332

2

5542

27

1792

9

 

In de bovenstaande tabel worden naast de reële inkomstencijfers in lb. parisis, ook de procentuele verhouding van de vier inkomstenbronnen ten opzichte van de totaalinkomsten gegeven. Bovendien werd ook een gemiddelde genomen van het aandeel van de verschillende inkomstenbronnen tussen 1573 en 1700. Zoals uit tabel 4 blijkt, kwam het overgrote deel van de inkomsten voort uit het verpachten van de bezittingen van het hospitaal. Toch dient hier te worden opgemerkt dat de pachtinkomsten ten opzichte van de periode 1435-1572 zo’n 18 % daalden. De pachtinkomsten bedroegen gemiddeld 80 % van de totaalinkomsten in de periode 1415-1572 en gemiddeld 62 % in de periode 1573-1700.[64]

De inkomsten uit diverse bronnen zijn daarentegen met 11 % gestegen. Deze bedroegen gemiddeld 12 % tussen 1415 en 1572 en 27 % tussen 1573 en 1700). De losrenten (9%) en gewone cijnzen en renten (2%) bleven een klein aandeel vormen van de totaalinkomsten van het hospitaal.

Uit tabel 4 blijkt dat er vrij sterke schommelingen waren in de verwerving van inkomsten voor het hospitaal. Als we enkel uitgaan van de cijfergegevens kunnen we stellen dat het hospitaal in de crisisjaren tussen 1566 en 1580 geen verlies aan inkomsten leed. De inkomsten bleven integendeel stijgen van 9529 lb. parisis in 1571-72 over 11361 lb. parisis in 1573-74 en 14605 lb. parisis in 1579-80. Ondanks de invallen der Bosgeuzen onder leiding van Jan Blommaert te Oudenaarde in 1572 en hun plundering van de Sint-Walburgakerk, de Pamelekerk én het hospitaal bleven de inkomsten gevrijwaard.[65] Toch dient deze zogenaamde welvaart in die periode enigszins te worden gerelativeerd. Uit tabel 4 blijkt immers niet enkel de stijging van de totaalinkomsten bijzonder opmerkelijk, maar ook de stijging van de inkomsten uit diverse bronnen (‘diversen’ in tabel 4) van het hospitaal en het dalen van de pachtinkomsten. Het hospitaal slaagde er blijkbaar in het verlies aan inkomsten uit pacht op te vangen door het te compenseren door inkomsten uit diverse andere zaken. De jaren ‘70 en ‘80 van de 16de eeuw werden gekenmerkt door de opstand van het Calvinistische deel van de Zuid-Nederlandse en Noord-Nederlandse bevolking tegen de Spaanse overheid.[66] Oudenaarde werd ingelijfd bij de Calvinistische Stadsrepubliek Gent en het hospitaal moest een groot deel van haar pachtinkomsten afstaan aan de opstandelingen. In de rekeningen staat dit ook letterlijk geciteerd als: ‘ontfanghen ter cause van de rebellen’ of ‘ter behoeve van de rebellen’.[67] Daarenboven sloeg een groot deel van de plattelandsbevolking op de vlucht voor de plunderende opstandelingen en zochten zij beschutting binnen de veilige stadsmuren van Oudenaarde. Het gevolg hiervan was een leegloop van het platteland, waardoor veel akkers onbebouwd werden achtergelaten. Maximum 25 % van het bouwland tussen Kortrijk en Oudenaarde werd in deze periode bewerkt.[68]

De jaren na 1580 vormden het hoogtepunt van de crisis. Alexander Farnese startte de Spaanse Reconquista in de Zuidelijke Nederlanden. De troepenbewegingen en de jarenlange strijd die volgden, verwoestten grote delen van het platteland. Mensen sloegen op de vlucht voor de plunderende en muitende soldaten.[69] Door de leegloop van het platteland ontstond er trouwens een ware wolvenplaag in de streek van Oudenaarde en omgeving.[70] De afwezigheid van de mens zorgde op het platteland voor een spectaculaire groei van het aantal in het wild levende dieren. Tot 1600 werden er zelfs jachten georganiseerd om de hordes wolven in te dijken.[71]

Na het heroveren van de Spaanse bezittingen in de Zuidelijke Nederlanden door Alexander Farnese (1582-1585), brak er een periode van relatieve rust aan. De plattelandsbevolking keerde terug naar haar akkers en weiden. Er werden bovendien grote schulden gemaakt bij het hernieuwen van de landbouwcontracten. Dat zal ook het geval geweest zijn voor een groot deel van de pachters van het hospitaal. Die gingen vaker dan voorheen leningen aan bij de grootgrondbezitters, die hiervoor in de plaats een afbetaling in rente eisten, de zogenaamde losrenten.[72] Toch kunnen deze renten ook worden gezien als een vorm van investering door de pachters zelf. Mogelijk gingen de middelgrote boeren van het hospitaal geld lenen om het grotere areaal landbouwgrond dat hen werd toebedeeld beter te kunnen bewerken. In dat opzicht kunnen de losrenten worden gezien als een bewuste pachtpolitiek van het hospitaal. Door het verlenen van krediet aan haar pachters in tijden van crisis, zorgde ze ervoor dat het rendement uit de pachtgronden in de schaarse bloeiperiodes die de 17de eeuw telde, maximaal was. Op lange termijn zou een dergelijke pachtpolitiek vanwege het hospitaal tot een stijging van haar eigen inkomsten moeten leiden. Als we tabel 4 goed bekijken zien we dat in de schaarse periodes het klimaat gunstig was voor de landbouw in de Zuidelijke Nederlanden en dat het hospitaal daar maximaal van wist te profiteren. Zo bijvoorbeeld in de periode 1619-1646 en 1655-71. De stijging van de inkomsten uit losrenten net voor en tijdens de crisismomenten zou dus kunnen kaderen binnen een bewuste pachtpolitiek zoals die door het hospitaal werd gevoerd. Deze losrenten kunnen zowel erfelijk als lijfelijk zijn.[73] In tabel 4  zien we ook een duidelijke groei van het aandeel losrenten in de totaalinkomsten voor het jaar 1585-86 (+10 % t.o.v. het voorgaande rekenjaar).

 

Ondanks de terugkeer van de vrede in de Zuidelijke Nederlanden zou het nog duren tot 1619-20 vooraleer het inkomstenniveau van de periode 1579-80 opnieuw werd bereikt. Ook R. Duplessis verwees reeds naar een periode van sterke economische terugval in NW-Europa in de tweede helft van de 16de eeuw. Er was gedurende die periode ook een ware prijzenrevolutie, zevenmaal in nominale termen, merkbaar ten opzichte van het begin van de 16de eeuw.[74]

De periode van herstel na de Godsdienstoorlogen en de Opstand van de Nederlandse Republiek was die onder het bestuur van de aartshertogen Albrecht en Isabella (1598-1621). In de eerste helft van de 17de eeuw herstelde het bevolkingsaantal zich en bleven de graanprijzen lichtjes stijgen.[75] Ondanks deze periode van relatieve rust bleef de oorlogsdreiging aanwezig in de Zuidelijke Nederlanden. Er dienden boerenwachten te worden georganiseerd langs de loop van de rivieren en de Spaanse overheid eiste wapens, proviand en pioniers op om de Zuidelijke Nederlanden te vrijwaren van de invallen van de Hollandse Geuzen en de muitende Spaanse soldaten.[76] De plundertochten bleven met andere woorden nog een tijdje aanslepen, wat het herstel van de inkomsten voor het hospitaal wat langer deed aanslepen. De Schelde bleef echter gesloten voor de Zuidelijke Nederlanden. Toen in 1616 de pestepidemie in de streek tussen Oudenaarde en Kortrijk opnieuw de kop opstak, betekende dat een nieuwe zware slag voor zowel stedelingen als boeren.[77]

Ondanks deze moeilijke overgangsperiode stegen de inkomsten van het hospitaal na 1619-20 naar voorheen ongekende hoogten, tot 25582 lb. parisis in 1636-37. De daaropvolgende jaren kondigde zich echter een nieuwe oorlogsdreiging aan, vanuit Frankrijk deze keer. In de jaren ‘40 van de 17de eeuw vielen de Franse soldaten af en toe onze streek binnen en brandschatten zij het platteland.[78] De plattelandsbevolking betaalde na verloop van tijd zowel belastingen aan de Spaanse als aan de Franse overheid, ondanks het verbod aan de bevolking vanwege de Spaanse overheid om enige financiële toegevingen te doen ten aanzien van Frankrijk. Het duurde dan ook niet lang of er ontstond oorlog tussen Frankrijk en Spanje met als inzet de Zuidelijke Nederlanden. In 1659 werd deze strijd beëindigd door de Vrede van de Pyreneeën, die slechts korte tijd zou standhouden.[79] Het conflict tussen Frankrijk en Spanje had ervoor gezorgd dat de graanprijzen in de Zuidelijke Nederlanden in de tweede helft van de 17de eeuw fors de hoogte ingingen.[80] Daarenboven bleven de Schelde- en de Sontvaart (Westerschelde) gesloten, waardoor de graanimport uit de Baltische landen op een gebrekkige wijze verliep.[81] Als reactie op de voedselschaarste die zich aankondigde, ontstonden er enkele vernieuwingen in de landbouw. In de hoop de hoge graanprijzen te kunnen drukken, poogden de boeren de eigen graanproductie zo te verhogen.[82] De gestegen belastingsdruk zorgde ervoor dat het overgrote deel van de bevolking naar een bijkomende activiteit als dagloner zocht. Anderen zochten hun heil in de textielproductie.[83] Daarbij vormde de linnenproductie één van de nieuw opkomende (proto-)industriële sectoren.[84]

De tendens tot het vergroten van de landbouwproductie was echter al langer aanwezig onder de boerenbevolking in de Zuidelijke Nederlanden, en dit voornamelijk in Binnen-Vlaanderen, waar de bevolkingsdruk heel groot was.[85] Zo breidde men in de 17de eeuw nog het landbouwareaal uit, ten koste van bossen, meersen en braakliggende gronden.[86] Ook teelde men meer en meer voedergewassen zoals haver, ‘vitsen’ en klaver en legde men weiden aan rondom de hoevegebouwen.[87] In de rekeningen van het hospitaal staan deze weiden bekend als ‘mestweeden’.[88] De aanwezigheid van voedergewassen zorgde ervoor dat men het vee langer kon stallen in de winterperiodes. Op die manier overleefden meer dieren de strenge winters en werd er bovendien meer mest geproduceerd, wat dan weer positief was voor het vruchtbaar houden en maken van de akkers. Ook de braakperiodes verminderden opmerkelijk gedurende de 17de eeuw.[89] Toch mogen we de vooruitgang op het gebied van de landbouw niet zien als een agrarische revolutie. Om de gehele bevolking van voldoende graan te kunnen voorzien bleef men voor 10 tot 20 % afhankelijk van de graanimport uit het buitenland.[90] Het waren voornamelijk de oorlogsomstandigheden, het uitblijven van een goed gestructureerd wegennet en de vrije vaart op de Schelde die een zekere rem zetten op de doorbraak van de Zuidelijke Nederlanden en dit zowel op het vlak van de landbouw als op economisch vlak.[91] De landbouwproductie steeg wel, maar was nog net niet voldoende om op eigen benen te kunnen staan, onafhankelijk van de graanimport.

De gestegen inkomsten van het hospitaal tussen 1655 en 1670-71 moeten dus in het licht van de gestegen levensduurte in de tweede helft van de 17de eeuw worden gezien.[92]

Daar het hospitaal meer dan andere instellingen moest inspelen op de stijging van de prijzen der consumptiegoederen, verhoogde het in deze periode ook stelselmatig het niveau van haar pachtprijzen.[93]

Na 1671-72, aan de vooravond van nieuwe vijandigheden tussen Frankrijk en Spanje, gaan de inkomsten van het hospitaal weer spectaculair dalen, tot 16744 lb. par. in 1690-91. Opmerkelijk is ook de daling van het aandeel van de pachtinkomsten van 77 % naar 55 % tussen 1664-65 en 1671-72. Het zou tussen 1681-82 en 1698-1700 bovendien nog verder wegzakken tot nauwelijks 26 %! Het gedaalde aandeel van de pachtinkomsten is zowat de enige indicator voor een minder gunstige periode voor het hospitaal. Dit was voornamelijk te wijten aan de voortdurende oorlogsomstandigheden op het einde van de 17de eeuw. Het niveau van de pachtprijzen was daarentegen meegestegen met de prijsstijging van de levensmiddelen, waardoor de inkomsten van het hospitaal tussen 1664-65 en 1670-71 hoog lijken te zijn, maar dat in de realiteit niet steeds waren.[94] Daartegenover staat echter een bijzonder sterke stijging van het aandeel van de inkomsten uit diverse bronnen (‘diversen’), tussen 1670-71 en 1698-1700 van 34 % naar 69 %, waarover meer in de laatste alinea’s van deze paragraaf. De stijging van deze ‘diverse inkomsten’ hielp het hospitaal haar inkomsten op een redelijk hoog niveau te houden.

Net als driekwart eeuw geleden werden ook nu veel gronden verlaten door de kleinere pachters, waarna die werden verpacht aan de meer welvarende middelgrote en grote pachters van het hospitaal.[95] Het hospitaal deed dit wellicht in de hoop gedurende de crisisperiodes haar eigen pachtinkomsten veilig te stellen. Meer vermogende pachters waren immers beter bestand tegen de steeds weerkerende crisismomenten in de 17de eeuw. Dat blijkt duidelijk uit de rekeningen van het hospitaal. Het aandeel van de losrenten in de totaalinkomsten van het hospitaal steeg steeds net na, voor of tijdens de crisismomenten. Deze losrenten kunnen dus worden gezien als een vorm van kredietverlening van het hospitaal aan haar pachters. Hieruit moet blijken dat het hospitaal koortsachtig zocht naar een manier om de verminderde pachtinkomsten tijdens minder gunstige periodes zo goed mogelijk op te vangen. Een bijkomend bewijs voor het overgaan naar het verpachten van grote percelen grond kan worden geleverd aan de hand van de gestegen gemiddelde oppervlakte pachtgrond per pachter in de 17de eeuw, waarover later meer in deel 2, Hoofdstuk II.[96] Voornamelijk in de rekenjaren 1637 (12 %), 1646 (21 %), 1655 (10 %), 1670-71 (10 %) en 1680-81 (17 %) viel er een opmerkelijke stijging van het aandeel van de losrenten in de totaalinkomsten vast te stellen. In het jaar 1662 werd zelfs een hele reeks nieuwe losrenten aangelegd door het hospitaal, waarvan het bewijs in de hospitaalrekeningen is weer te vinden.[97]

De aanhoudende oorlog tussen Frankrijk en Spanje kwam echter niet alleen. Het klimaat koelde tussen 1675 en 1704 af, wat het aantal misoogsten deed toenemen.[98] Een logisch gevolg van de verminderde landbouwopbrengst was een grotere gevoeligheid van de bevolking voor ziektes. Het resultaat was voorspelbaar. De plattelandsbevolking en het Vlaamse volk in haar geheel kwam zwaar gehavend uit deze troebele periodes. Het aantal huwelijken liep sterk terug en de mortaliteitcijfers namen toe, wat voor grote gevolgen zorgde op demografisch vlak.[99] De inkomsten van het hospitaal stegen rond 1698-1700 weer uit boven het niveau van voor de oorlog, maar bereikten niet meer het hoge niveau zoals dat werd bereikt in het jaar 1670-71. De periode waarbinnen dit alles zich afspeelde, stond met andere woorden niet voor niets bekend als de ‘17de-eeuwse crisis’ of de ‘IJzeren Eeuw’.[100]

In de beginjaren van de 18de eeuw zou deze situatie nauwelijks verbeteren want in 1702 verklaarden Spanje en Frankrijk de oorlog aan de geallieerde troepen, waaronder Engeland, Holland en Oostenrijk, met als inzet opnieuw de Zuidelijke Nederlanden (de Successie-oorlog).[101] De massale doortocht van de duizenden soldaten gedurende de Successie-oorlog zouden het platteland opnieuw uitputten tot 1714, het jaar waarin de zuidelijke Nederlanden werden toegewezen aan Oostenrijk. Bovendien werd men in 1709 geconfronteerd met een bijzonder koude winter, die voor een rampzalige landbouwopbrengst zorgde in de daaropvolgende maanden.[102]

Vanaf 1720 trad een algemeen herstel in op het Europese platteland. Zowel de agrarische productie als de industriële productie herstelden zich. Er trad een demografische groei op die ervoor zorgde dat er een grotere markt van (potentiële) consumenten ontstond.[103] De 17de eeuw was een eeuw die als overgangsfase kan worden beschouwd op weg naar een nieuwe groeiversnelling op economisch vlak, waarin weliswaar zowel goede als minder goede momenten elkaar voortdurend afwisselden. Onder druk van de gestegen overheidsbelastingen en de stijging der graanprijzen werd in de tweede helft van de 17de eeuw de basis gelegd van de arbeidsdiscipline die zo kenmerkend zou zijn voor het Vlaamse volk in de 18de eeuw.

Het overgrote deel van de bevolking zocht zijn toevlucht in een bijkomende job naast het bewerken van de landbouwgronden. Niet zelden ging men hierbij over tot de productie van linnen.[104] In het kader van de opsplitsing van de pachtgronden, onder meer een gevolg van de ware bevolkingsexplosie die zich in de 18de eeuw voordeed in de Zuidelijke Nederlanden, was het de moeite waard geweest hierover via de rekeningen meer te weten te komen.

Jammer genoeg gaven de rekeningen van het hospitaal ons niet de kans dieper in te gaan op de overgang tussen de 17de en de 18de eeuw. Voor de periode 1700-1742 ontbreken immers de hospitaalrekeningen. Omdat het interval tussen beide rekenjaren te groot is om een duidelijke evolutie in het verloop van de financieel-economische positie van het hospitaal te kunnen zien, hebben we besloten het onderzoek voor de periode na 1742 niet in mijn thesiswerk op te nemen.

 

I.2.2 DE INKOMSTEN UIT DIVERSE BRONNEN

 

Zoals in de vorige paragraaf werd vermeld, vraagt het grote aandeel van de inkomsten uit diverse bronnen van het hospitaal naar een afdoende verklaring. Daarvoor is een studie nodig van de diverse inkomstenbronnen van het hospitaal. In mijn onderzoek heb ik hiervoor een viertal steekproeven genomen voor de jaren 1573, 1579-1580-1581-1582, 1586 en 1698-1700. De rekenjaren 1579-1580-1581-1582 en 1698-1700 vormden de topjaren voor wat betreft de inkomsten uit diverse bronnen van het hospitaal in respectievelijk de 16de en de 17de eeuw. In dit opzicht vormden die jaren een interessant uitgangspunt voor een onderzoek naar de inkomsten uit diverse bronnen.

 

De verschillende soorten inkomsten uit diverse bronnen heb ik in tabel 5 ondergebracht. Ze zijn verdeeld in zeven groepen: (1) afbetaling van schulden, (2) verkoop van consumptiegoederen, (3) schenkingen, (4) verkoop van dieren, (5) verkoop van grond, (6) verkoop van onroerende goederen en (7) erfenissen/nalatenschappen.