| Aanzet tot reconstructie van het grondbezit te Oplinter tijdens het Ancien Regime. (Johan De Rocker) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Deel I. De heerlijkheid Oplinter: situering in tijd en ruimte
Dit historisch kader is uitsluitend bedoeld als achtergrond, m.a.w. het dient om ons onderwerp te situeren in tijd en ruimte. Daartoe hebben we het dit hoofdstuk onderverdeeld in drie delen. Een eerste artikel behandelt de eigenlijke dorpsgeschiedenis: de informatie hierover ontleent zich -spijtig genoeg- hoofdzakelijk uit de reeds vermelde werken van P.V. Bets en A. Wauters.
Het deel over de heren van Oplinter plaatste ons aanvankelijk voor een probleem: de (soms ingewikkelde) ontwikkelingen en opvolgingsperikelen van de twee Oplinterse heerlijkheden schetsen zou deze licentiaatsverhandeling onnodig verzwaren. Om dit hoofdstuk niet te uitgebreid te maken, hebben we ons beperkt tot een eerder opsommende lijst der opeenvolgende heren. Daarvoor baseerden we ons grotendeels op de uitgebreide studie van H. Douxchamps over de familie de Wouters d’Oplinter-Bouchout, aangevuld met de bijdragen van E. Van Ermen over de Wezemaals en de verschillende stukjes van M. de Troostembergh.[9] Om tenslotte het derde en tevens laatste deel over het Maagdendaalklooster eveneens bondig te kunnen houden, ontleenden we de meest recente informatie uit de twee aangehaalde licentiaatsverhandelingen. Aangezien het historisch kader eigenlijk niet tot ons echte ‘corpus’ behoort, hebben we dit zeer beknopt gehouden: uitsluitend de meest relevante elementen komen aan bod m.b.t. de dorpsgeschiedenis en het Maagdendaalklooster, ingebed in de Algemene Geschiedenis der Nederlanden.
A. Beknopte geschiedenis
Van het bestaan van het Brabantse Oplinter werd in de bronnen voor het eerst melding gemaakt in 1139, onder de vorm Lintere.[10] Het dorp werd omringd door Tienen, Sint-Margriete-Houtem, Neerlinter, Wommersom en Hakendover. Administratief behoorde de heerlijkheid Oplinter vroeger tot het kwartier van Tienen, en de ondermeierij Kumtich.
Oplinter bestond vroeger (zeker sinds begin 13e eeuw) uit twee heerlijkheden (zonder halsrecht), beide in leen gehouden van de hertog van Brabant.[11] De verdeling van de heerlijkheid Oplinter in twee delen, wees volgens Van Ermen op oorspronkelijk bezit in één enkele hand. Waarschijnlijk was dit die van de familie van Bierbeek: door overerving zou Oplinter later verdeeld zijn geworden. Gezien de door hem aangehaalde argumenten leek deze stelling ons niet onwaarschijnlijk: van de acht heerlijkheden in de ondermeierij Kumtich zouden er aanvankelijk drie (Budingen, Hoeleden en Oplinter) hebben samengehoord. Reeds in de 12e eeuw bezaten leden van de Bierbeeks eigendommen te Budingen, evenals Hoeleden aan het begin der 13e eeuw. Halfweg diezelfde eeuw kwam Hoeleden in bezit van de Wezemaals, terwijl Budingen geërfd werd door de familie van Kraainem, vermoedelijk eveneens via de familie van Bierbeek, die er zeker tot 1214 allodia bezat.[12]
De geschetste situatie was te vergelijken met Oplinter: beide families komen voor in de allereerste bronnen m.b.t. deze heerlijkheid. In de dertiende eeuw behoorde namelijk één deel van de Oplinter toe aan de heren van Wezemaal, en het andere aan de familie van Kraainem.[13] De bisschoppen van Luik bleken er suzereiniteitsrechten te hebben: zo hield Arnold I van Kraainem de molen van Nederhem in leen van Hendrik van Gelder, de toenmalige Luikse bisschop. Beide heren van Oplinter droegen bij tot de stichting en groei van de abdij Maagdendaal, aldaar gesticht vóór 1219.
Hoewel de hertog van Brabant in vele dorpen zowel de hoge, middelbare en lage justitie in handen had, kwam hem in Oplinter enkel de hoge justitie (zaken m.b.t. lijf en let) toe. De twee Oplinterse heren stelden de schepenbank -die te hoofde ging in Leuven- samen: elke heer stelde een meier aan, bevoegd om de zeven schepenen op te roepen. Van de zeven leden der schepenbank mocht de familie van Kraainem -en hun opvolgers- er vier aanstellen, de heren van Wezemaal de drie overige. De denombrementen uit 1440 van onze dubbele heerlijkheid Oplinter lieten toe nader in te gaan op de uitoefening van de hoge justitie.
Beide heren verdeelden het dorp onderling op basis van het aantal huizen en hofsteden. Indien een misdadiger gevangen werd genomen in een deel van de heerlijkheid dat toebehoorde aan één der heren, leverden diens ambtenaren hem uit. Alle goederen van de veroordeelde kwamen later toe aan de heren van Oplinter, voor zover deze in hun deel der heerlijkheid gelegen waren. Er bestond echter ook een gemeyn of gemeenschappelijk deel in de heerlijkheid. Indien in dat gedeelte van de heerlijkheid iemand werd aangehouden en verdacht van een zogenaamde ‘halsmisdaad’ (lijf en let), diende hij te worden uitgeleverd aan de Brabantse hertog, vertegenwoordigd door diens ambtenaar, de meier van Tienen. Doch eerst werd er te Oplinter een vooronderzoek gehouden, in aanwezigheid van die Tiense meier. Indien hij schuldig werd bevonden, vond de uitlevering plaats op de grens tussen Tienen en de heerlijkheid, nabij het Alboemken, een zilverpopulier (‘populus alba’), begeleid door beide Oplinterse meiers en gekleed in een par lynen klederen. De verdere afhandeling van de zaak werd enkel uitgevoerd door de Tiense meier en de meier van het deel Oplinter-Wezemaal.[14]
Aangezien Oplinter onder het territoriale gezag van twee heren lag, deelden beiden de heerlijke rechten (jacht- en visrechten, brouwerijen, ,…). Aanvankelijk behoorden de grote en kleine tienden toe aan de heren van Wezemaal, tot in 1229, wanneer deze rechten in handen kwamen van de Maagdendaalabdij (definitief bekrachtigd in 1232). De heren van Wezemaal bezaten ook het patronaatsrecht van Oplinter, waarvan nooit afstand werd gedaan, en dat nog in 1360 en 1628 aan hun opvolgers als heren van Oplinter erkend werd.
Tot omstreeks de veertiende eeuw kende het eenvoudige dorp een vrij rustige periode, met landbouw als voornaamste lokale bedrijvigheid. De bronnen maakten eveneens melding van schapenteelt en enkele wijngaarden (ondermeer nog te vinden in het toponiem de wijngaerdekens). Daarmee is Oplinter ook in te schakelen in het algemene beeld. Hoewel de wijnbouw in de Nederlanden niet echt belangrijk was gezien het minder gunstige klimaat, was er toch wijnteelt in zuid-Limburg en Brabant (rond Aarschot, Diest, Hoegaarden, Leuven en Tienen).[15] De bronnen maakten te Oplinter eveneens melding van twee watermolens (Broekem en Nederhem) en een windmolen (nabij Houtem).
In deze periode werd het platteland economisch gekenmerkt door een vergroting van de beschikbare landbouwoppervlakte, ondermeer door ontbossing en drooglegging. Dit veroorzaakte een stijging van de voedselproduktie, waardoor de overschotten verhandeld konden worden en er eveneens een toename van het geldverkeer plaastgreep. Onder druk hiervan evolueerde het klassieke domaniale hofstelsel naar een pachtstelsel, waarbij de gronden van de heer in gebruik werden genomen door derden, mits betaling van een jaarlijkse vergoeding (in geld en/of natura).
De bevolkingsexplosie kende een einde rond het begin der vijftiende eeuw. De steden kenden toen een periode van groei, waardoor ze een aantrekkingskracht uitoefenden op de plattelandsbevolking. Hierdoor raakten dorpen ontvolkt, waardoor vele gronden onbebouwd bleven, met een toenemend tekort aan voedsel ten gevolge. Deze agrarische depressie maakte dat veel akkerland werd omgezet in graslanden voor de veeteelt, daar deze weiden veel minder arbeidsintensief waren. Rond 1450 trad er een kortstondige periode van herstel in, waarbij opnieuw de voorkeur uitging naar akkerbouw i.p.v. veeteelt. Aangezien Oplinter in de vruchtbare Getevallei gelegen is, met een natuurlijk weidegebied, kan verondersteld worden dat er lokaal weinig noemenswaardige veranderingen in het bodemgebruik zullen plaastgevonden hebben.
Oplinter werd echter, net als zovele andere dorpen, getroffen door de gevolgen van de verschillende onrustige periodes die onze streken doorheen de geschiedenis kenmerkten. Het dorp was een veelvuldig slachtoffer van plunderingen en verwoestingen, vaak in navolging van of als weerslag op de gebeurtenissen die de naburige stad Tienen troffen. Zo werd de stad in juli 1489 ingenomen door Albert van Saksen, naar aanleiding van de opstand van een aantal Brabantse steden tegen hun vorst Maximiliaan van Oostenrijk. Hierbij werden de omliggende dorpen geplunderd, en in 1507 onderging Oplinter hetzelfde lot bij de inval in Brabant van Karel van Egmont, hertog van Gelder. In 1591 werd melding gemaakt van vreemde troepen die te Oplinter waren gelegerd.
Doch de ergste gebeurtenissen overvielen het dorp tijdens de zeventiende eeuw. De inwoners verborgen er in 1622 hun voornaamste kostbaarheden in de parochiekerk, en in 1625 vluchtte bijna het ganse dorp om soldaten en hun baldadigheden te ontwijken. Tien jaar later was het opnieuw raak.
In 1635 werd Tienen gans verwoest; Oplinter diende als slagveld tijdens één der zwaarste gevechten aan de Grote Gete tussen het Spaanse leger en Frans-Hollandse troepen, waarbij deze laatsten Oplinter volledig plunderen. Het dorp geraakte hierdoor zeer verarmd: vele boeren waren gevlucht, de gronden bleven onbewerkt, de inkomsten verdwenen,… Ook de kerk werd verscheidene malen geplunderd, en rond 1700 zelfs tweemaal geteisterd door een brand. In 1705 was het zelfs zo erg dat naast grote vernielingen binnenin de kerk, ook de pastorij verwoest werd en de toenmalige priester mishandeld door plunderende soldaten. In 1747 vertoefden Franse soldaten in de streek van Tienen, waarvoor het dorp o.a. voedsel en stro diende af te staan.
Deze rampzalige gebeurtenissen zorgden voor een sterke terugval van de bevolking, dat hieronder sterk te lijden had blijkens de tellingen der huizen. Werden er in 1435 nog 208 haardsteden geteld -waarvan 85 bewoond door arme dorpelingen-, in 1526 waren er nog slechts 119 bewoonde huizen en in 1686 telde men amper 68 woonsteden, waarvan drie leegstaande. Talrijke huizen waar immers afgebrand of vernietigd, zoals blijkt uit vermeldingen in de door ons gebruikte bronnen als waer een huys placht op te staen.
Naast oorlogen had het dorp ook te lijden onder zware weersomstandigheden en verscheidene besmettelijke ziekten. De rooden loop maakte tussen 25 september en 31 december 1741 zo’n 48 slachtoffers, en in 1746 trof een nieuwe besmetting het vee. Op het einde der achttiende eeuw verkeerde het dorp opnieuw in moeilijkheden: in 1794 werd de kerk door Franse soldaten geplunderd, en op 10 december 1796 werden de kloosterlingen uit de abdij van Maagdendaal definitief verdreven.
Tot in 1559, met de oprichting van nieuwe bisdommen in onze gewesten, ressorteerde Oplinter onder het bisdom Luik en de dekenij Zoutleeuw. Sedert datzelfde jaar behoorde de parochie tot het aartsbisdom Mechelen en de dekenij Tienen. De parochie was bekend als bedevaartsoord: de Sint-Genovevakerk diende als heiligdom waar vele gelovigen hun toevlucht zochten om te genezen van het sacer ignis (het ‘heilig vuur’ of ‘Sint-Antoniusvuur’), ziektes waarvoor de toenmalige parochieheilige aanbeden werd. Om hun toevloed enigszins op te vangen werd er een Sint Genoveva-gasthuys opgericht, waar de zieken verzorgd werden. Verder vermelden we nog het bestaan van verscheidene zogenaamde kapelaansschappen(Onze Lieve Vrouw, Sint-Pieter, de Heilige Johannes, Sint-Rombout, het Heilig Kruis, Sint-Barbara, Sint-Catharina en Sint-Nicolaas) in de kerk.
A. Wauters heeft het nog over een Broederschap van de Rozenkrans, opgericht op 21 maart 1694, en een Broederschap van Sint-Hubertus, vermeld sinds 1703.[16] Volgens diezelfde Wauters bestond er in het dorp slechts één gilde, nl. de handbooggilde, die kennelijk hun chartes en reglementen verkregen van de Leuvense handbooggilde (2 oktober 1687), en die een scuttershuys vanden hantboghe bezaten, waarvoor zij een jaarlijkse cijns van een halve kapoen betaalden, telkens aan beide heren.[17] Rond 1715 werd er voor hen een nieuw huis gebouwd tegen de kerkhofmuur, wat voor de kerk een mogelijk groot brandgevaar opleverde, daar het dak slechts bestond uit gedroogd stro.[18] Uit de resultaten van ons onderzoek leidden we af dat er vermoedelijk niet één maar wel drie gilden bestaan hebben in Oplinter: we vonden namelijk naast een handbooggilde, ook een voetbooggilde én zelfs een kruisbooggilde.
Oplinter volgens de Ferrariskaart[19]
B. De Heren van Oplinter[20]
* Deel I: Kraainem-Coudenborgh-Coorenhuysen-Heynsdael-Wezeren-(de) Wouters
De allereerste heer van Oplinter die in de bronnen voorkwam was Gerard I van Kraainem. Het is Gerardus, miles, dictus de Crayenhem, die in 1227 zo’n 58 bunder land, bos en weide te Oplinter aan Maagdendaal gaf, voor een cijns van één denier per bunder.[21] Zijn opvolger werd één zijner zonen, Arnold I van Kraainem, vermeld in februari 1249, wanneer hij zijn rechten op de molen van Nederhem en op de molenplaats van Broekem aan zijn zoon Gerard II overdroeg, waarop deze zijn nieuwe rechten aan Maagdendaal verkocht.
Gerard II van Kraainem, omschreven als miles de Broekem, bevestigde op 14 april 1272 als heer van Oplinter de abdij Maagdendaal in het bezit van alle goederen die zij door aankoop of schenking van zijn vader Arnold en grootvader Gerard verworven had. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Arnold II van Kraainem, eveneens naar zijn grootvader genoemd, en die zich onderscheidde op het slagveld van Woeringen (1288). Deze Arnold II van Kraainem had op zijn beurt een aantal zonen, en werd opgevolgd door één van hen, Jehan of Jan van Kraainem (vermeld in 1298 en 1307). De eerstvolgende heer van Oplinter werd diens zoon Arnold III van Kraainem, vermeld als dominus de Linter in 1312.
Arnold III was met zekerheid reeds in 1340 gestorven, daar de bronnen vanaf dan enkel nog melding maken van de erfgenamen van ridder Arnold van Kraainem. Hij was de laatste mannelijke heer van Oplinter uit het geslacht van Kraainem. De heerlijkheid Oplinter ging via zijn dochter Ida, vrouwe van Oplinter, over op de familie Van der Couderborgh, daar zij achtereenvolgens getrouwd was met Simon I Van der Coudenborgh en Iwain van Leeuwergem. Na de dood van Ida werd haar zoon Simon II Van der Coudenborch de nieuwe heer van Oplinter (verhef 1403-1404); nog in 1422 werd vermeld dat hij als leen slechts de helft van Oplinter bezat.
Hij stierf in 1441 en werd als heer van Oplinter opgevolgd door zijn zoon, Simon III van der Coudenborch (verhef van 19 oktober 1441). Bij de dood van deze laatste ging Oplinter via diens dochter Barbara Van der Coudenborch over op haar neef Rifflart Van der Coudenborch, als zoon van de broer van Simon III (verhef van 9 maart 1486). De eerstvolgende heer van deze halve Oplinterse heerlijkheid was Joos Van der Coudenborch, zoon van Rifflart (verhef van 30 mei 1495). Na diens dood in 1507, werd hij als heer van Oplinter opgevolgd door zijn zoon Jan I Van der Coudenborch (verhef van 10 juli 1507). Daar Jan I geen kinderen achterliet, werd zijn neef en naamgenoot Jan II Van der Coudenborch de nieuwe heer van Oplinter (verhef van 25 augustus 1523).
Hij stierf echter vrij snel, en zijn nog minderjarige zoon Geert Van der Coudenborch volgde hem op (verhef van 20 november 1529). Omdat Geert in 1551 eveneens zonder rechtstreekse opvolgers stierf, werd diens neef Peter van der Coudenborch aangesteld als heer van Oplinter (verhef van 8 augustus 1551).[22] Peter stierf in 1566,[23] waardoor de heerlijkheid overging op zijn nog minderjarige zoon Francis Van der Coudenborch, met zijn moeder Liévine Mesdach als voogd, samen met Jan Damman (heer van Oomberghen) en Lodewijk Mesdach (verhef van 28 februari 1566). Toen Francis een twintigtal jaren later overleed, werd zijn zuster Adrienne van der Coudenborch aangewezen als opvolgster (verhef van 26 november 1587), waarna dit deel van de heerlijkheid Oplinter voor de derde maal in handen kwam van een andere familie, nl. Van Coorenhuyse.[24]
Adrienne was immers getrouwd met Willem I van Coorenhuyse, lid van de Raad van Vlaanderen (voorzitter in 1605), en later van de Raad van Brabant. Volgens het leenverhef van 26 juni 1638 werd hun zoon Karel van Coorenhuyse de volgende heer van Oplinter.[25] Na Karels overlijden in 1664 kwam de heerlijkheid in handen van zijn dochter Adrienne-Françoise van Coorenhuyse, getrouwd met Karel Le Poivre (verhef van 31 oktober 1664).
Diezelfde dag nog werd het leen overgekocht door Jan van Heynsdael of Hinnisdael (verhef van 31 oktober 1664)[26]. Hij werd eind 1665 vermoord, maar uit zijn huwelijk met Christina-Maria van Wezeren waren reeds twee kinderen geboren, waaronder de zoon Jan-Gisbert Van Heynsdael, die zijn moeder in 1683 opvolgde.[27] Zonder nakomelingen en gezien het bijna gelijktijdige overlijden van zijn moeder in 1693, ging de heerlijkheid via Jans zuster Lucie-Theresia Van Heynsdael over naar de familie Van Wezeren (verhef van 29 mei 1693). Lucie was immers ook getrouwd met een lid van de familie van haar moeder, nl. Jacobus-Andreas Van Wezeren. Volgens het leenverhef van 14 januari 1728 werd hun zoon Jan-Antoon Van Wezeren de nieuwe heer van Oplinter. Via Rene-Jozef-Maximiliaan van Wezerenwerd de heerlijkheid van Oplinter door diens weduwe Jeanne-Louise van Gutshoven, verkocht aan Gérard-Francis-Willem Van Buel de Marchin, Thomas-Hyancinthe Van Buel en Louis-Lambert van Liverlo (verhef van 14 maart 1741).
Van zodra dezen de heerlijkheid verwierven, verkochten ze Oplinter aan Guillaume III Wouters (verhef van 20 april 1741), zoon van Germain Wouters en Anna-Maria Alard. Bij deze gelegenheid werd de heerlijkheid van Oplinter nog omschreven als “la terre et seigneurie de Haut-Lintre ou d’Oplinter, avec toutes ses dépandances, prérogatives et appendances, droits de chasse et d’oiselerie, droit de pêche dans les deux Gette, droit de succéder aux biens des bâtards, livres censaux et féodaux, terres et prairies”. Deze heer van Oplinter liet zijn eigendommen na aan de kinderen die hij had van Jeanne-Barbara Putteau. Zo werd Pierre-Guilluame-Joseph Wouters de volgende heer van Oplinter (verhef van 7 januari 1743). De heerlijkheid ging na diens dood over in handen van zijn broer Jean-Francois Wouters (verhef 10 juni 1778). Hij was getrouwd met Maria-Gertrude Pitteurs: uit dit huwelijk kwamen geen kinderen voort. Jean-Francois stierf in 1785, en liet Oplinter aan zijn neef Jean-Lambert Wouters, terwijl zijn weduwe het vruchtgebruik kreeg tot aan haar dood (verhef van 7 juli 1785). Hij werd de allereerste ridder de Wouters op 26 augustus 1792 en tevens de allerlaatste heer van Oplinter, samen met Norbert de Crabbé, voor de andere helft. Hiermee komen we in aanraking met de andere heerlijke opvolging.
* Deel II: Wezemaal-Heverlee-Redingen-Wilre-van der Tommen-Absolons-Crabbé
De vroegst vermelde heer van dit deel van Oplinter was Arnold II van Wezemaal, wanneer hij in februari 1246 verklaarde de schenker te zijn van de gronden waarop het Maagdendaalklooster te Oplinter gegrond was.[28] Aangezien dit klooster alleszins gesticht werd vóór 25 maart 1219, liet deze vroege datum volgens Van Ermen vermoeden dat hun goederen reeds in het bezit waren van de familie onder Arnold I van Wezemaal, de vader van Arnold II (en wellicht ook onder de verder onbekende vader van Arnold I).[29]
Na het overlijden van Arnold II op 4 mei 1264 werd het familiebezit van de Wezemaals verdeeld, waarbij Oplinter toekwam aan zijn oudste zoon Arnold III van Wezemaal. Deze Arnold III trad op het einde van zijn leven in bij de orde der Tempeliers (1269-1270), en daar hij bij zijn dood geen nakomelingen had, erfde zijn broer Godfried van Wezemaal, die ondermeer reeds heer van Perk[30] was, dit deel der heerlijkheid Oplinter. De bezittingen van de Wezemaals te Oplinter verdwenen na de dood van Godfried uit de familie, doordat ze als erfenis (of bruidschat) aan diens dochter Margareta van Wezemaal werden gegeven, samen met de heerlijkheid Perk. Margaretha huwde tweemaal: een eerste keer met de heer van Heverlee, Jan II van Heverlee, waarvan zij een zoon verkreeg, die zijn vader als Jan III te Heverlee opvolgde. Uit haar tweede huwelijk, ditmaal met Hendrik IV van Boutersem, kreeg ze drie kinderen: Leon, Hendrik en Gerard. Haar eerste zoon stierf in 1285, en Margaretha zelf overleed alleszins na 1301. Haar tweede zoon, Hendrik V van Boutersem, sneuvelde in 1302 tijdens de Guldensporenslag te Kortrijk, op het slagveld aan de Groeningebeek.
Hendrik V had meerdere kinderen, waaronder een zekere Hendrik VI van Boutersem, genoemd van Linter. Hij werd als heer van Heverlee in 1288 te Woeringen ridder geslagen, en stond in 1312 nog vermeld als leenman van de hertog van Brabant, waarbij zijn leen uit de helft van Oplinter bestond en de helft van de heerlijkheid Perk. Getrouwd met Catherine Gronsveld, is hij zeker vóór 1333 gestorven.
Het is zijn dochter Margaretha van Heverlee die we ontmoetten als opvolgster, aangezien het leen in haar naam verheven werd door Gerard van Coeckelbergh, echtgenoot van haar zus Elisabeth van Heverlee. Zij was weduwe van Olivier van Binkom, van wie ze twee zonen had, Hendrik en Gerard. Uit een tweede huwelijk, ditmaal met Jan II Berthout van Berlaar, werden twee dochtersgeboren: Maria en Elisabeth.
Na de dood van Margaretha (vóór 1372) kwam het leen in handen van haar oudste dochter Maria Berthout van Berlaar, vrouwe van Oplinter. Zij was eveneens tweemaal gehuwd: een eerste maal met Gerard Berthout van Duffel (gestorven 1349), en vervolgens met Wauter de Ponte of Van den Bruggen (gestorven 1370). In 1355 was ze in het bezit gekomen van de goederen van haar zuster, aangezien Elisabeth, vrouwe van Heverlee, zonder erfgenamen gestorven was. Hierdoor werden beide heerlijkheden Oplinter en Heverlee verenigd; later viel ook de heerlijkheid Bertem haar ten deel. Uit haar tweede huwelijk waren twee zonen voortgekomen, Jan en Hendrik. Hendrik I van der Bruggen deed in 1383 het verhef van Oplinter en Heverlee; hij was de laatste heer van Heverlee te Oplinter, en stierf in 1430. Zijn vrouw, Jacobina of Jacqueline Rym, alias van Baasrode, had hem geen nakomelingen geschonken. In 1397 verkocht deze dame haar heerlijkheid Kraainem; ook van de heerlijkheid Gooik deed ze afstand, in 1430. Oplinter kwam uiteindelijk terecht in handen van een andere familie, maar Jacobina behield wel nog het vruchtgebruik ervan, tot aan haar dood in 1440.
Volgens Leuvense schepenbrieven werd het verhef van de heerlijkheid Oplinter op 9 juli 1427 gedaan door Hendrik I van Redingen, zoon van Walter van Redingen en getrouwd met een zuster van een zekere Hendrik van Heverlee. Hoe en waarom is (nog) niet geweten, doch in 1439 bezat een Wouter Pipenpoy uit Brussel gedurende enige tijd de heerlijkheid (verhef van 23 mei 1439); om onduidelijke redenen werd in het daaropvolgende jaar het verhef van Oplinter gedaan door Hendrik II van Redingen, zoon van Hendrik I. Zijn broers Jan en Walter van Redingen deden op 9 november 1447 gezamenlijk het verhef van hun rechten die ze te Oplinter meenden te bezitten. Amper tien maanden later deed Lambert van Winge het verhef van de heerlijkheid, op 17 september 1448. Zijn dochter Aleydis was getrouwd met Hendrik II van Redingen.
Lambert deed er -volgens het verhef van 15 juli 1463- opnieuw afstand van ten voordele van laatstgenoemde. Daar waren wel twee voorwaarden aan verbonden: in de eerste plaats mocht Hendrik II van Redingen de heerlijkheid niet verkopen of er een hypotheek op leggen. De tweede voorwaarde hield in dat Hendrik beloofde Oplinter na te laten aan Antoon van Redingen, de zoon die hij bij Aleydis verwekt had. En zo geschiede: Antoon van Redingen erfde inderdaad de heerlijkheid Oplinter (verhef 22 maart 1480), om het echter enkele jaren later zelf te verkopen aan ridder Maarten I van Wilre (verhef van 18 mei 1487).
Maarten I van Wilre, heer van Champles (11/12/1460) deed het verhef van Oplinter op 18 mei 1487. Hij was ondermeer schepen van Tienen (1461) en trad verscheidene malen op als meier der stad Tienen (1466-1468; 1474-1488). In 1488 werd hij door aartshertog Maximiliaan -nota bene peter één zijner kinderen- uit zijn functies ontzet, omdat deze nieuwe heer van Oplinter de Tienenaars had aangevoerd ten voordele van Filip van Kleef, tijdens diens opstand.[31] Desondanks bleef hij de Tiense milities aanvoeren tot de stad op 30 juni 1489 door Albert van Saxen werd ingenomen, en door de soldaten geplunderd. Maarten van Wilre overleed op 22 februari 1490 en werd begraven in de Tiense Sint-Germanuskerk. Deze heer van Oplinter trouwde drie keer en verwekte vier kinderen. Uit zijn eerste huwelijk met Catherine T’Serraerts ontsproot zijn opvolger Gaspard. Na het overlijden van zijn vrouw trouwde hij met Jeanne van Hauthem, die kinderloos stierf. Wederom weduwnaar, huwde hij -alleszins vóór 22/11/1483- Margaretha Boot, welk huwelijk gezegend werd met drie kinderen, Maarten, Cornelia en Margaretha. Na zijn dood, werden de rechten te Oplinter van zijn weduwe Margaretha op 29 maart 1489 door Jehan de Gruytere verheven.
Op 9 maart 1497 (n.s.) deed zijn oudste zoon Gaspard van Wilre het verhef van de heerlijkheid Champles voor zichzelf, en op 17 maart dat van Oplinter voor zijn nog minderjarige broer Maarten. Volgens de Troostembergh echter hadden diens voogden in 1496 hun deel der heerlijkheid Oplinter reeds aan de abdij Maagdendaal verkocht.[32] Hierdoor ontstond een conflict tussen beide partijen, dat beslecht werd door de Raad van Brabant. Op 12 februari 1504 (n.s.) velden zij een vonnis ten nadele van het klooster, waarbij de verkoopstransactie herroepen werd.
Gaspard overleed relatief jong, en zonder nageslacht, waardoor Champles aan zijn broer Maarten toekwam. Deze Maarten II van Wilre, is de (Zoutleeuwse) geschiedenis ingegaan als één der grootste weldoeners van de collegiale kerk van Zoutleeuw.[33] Hij liet op 10 mei 1517 de abdis van Maagdendaal voor de Raad van Brabant roepen, om opnieuw een samenvatting van het vonnis ter zijner voordeel te laten horen, waarna hij zich op 2 september 1517 in het bezit van beide lenen (Oplinter en Champles) liet bekrachtigen.[34]
Hoewel getrouwd met Marie Pylepert (overleden op 23 december 1554), bleef zijn huwelijk eveneens zonder nakomelingen. Hiermee was Maarten II van Wilre de laatste mannelijke afstammeling van zijn familietak, en tevens laatste telg in het bezit waren van de heerlijkheid Oplinter; hij leefde als heer van Oplinter tot 13 december 1558. Volgens het testament van Maarten, opgesteld op 10 december 1545, kwamen zijn voornaamste bezittingen (waaronder de heerlijkheden Champles en Oplinter[35]) toe aan zijn neven Van der Tommen, de kinderen van zijn zuster Cornelia. Deze familie bracht de nieuwe heren van Oplinter voort.
Cornelia van Wilre was -zeker vóór 10 december 1545- getrouwd met Lodewijk I van der Tommen, heer van Linden, Wilsele en Put. Haar echtgenoot was eveneens -via een andere tak- verwant met zijn schoonfamilie. Lodewijk stierf op 6 oktober 1556, en zijzelf op 12 november 1559.[36] Lodewijk en zijn echtgenote kregen twee kinderen: Lodewijk (Louis, genoemd naar zijn vader), en Peter (Pierre). Onder hen beiden werden de bezittingen verdeeld; naast de heerlijkheden Linden, Wilsele en Put behoorden daartoe ook Oplinter en Champles, welke zij als bevoorrechte neven van hun oom Maarten II van Wilre verworven hadden.
Lodewijk II van der Tommen werd na zijn vader de nieuwe heer van Wilsele en Put (verhef 18 september 1560) en erfde ook de heerlijkheid Oplinter (verhef 9 februari 1559). Na de dood van zijn jongere broer Peter I van der Tommen -in 1563- keerden de heerlijkheden Linden en Champles terug in één hand (verhef 6 maart 1564), nl. de zijne. Lodewijk stierf op 3 november 1578. Uit zijn huwelijk met Marie van den Dijcke kwamen ten minste elf kinderen voort, waaronder Peter II (4e), Octaviaan I (5e) en Anna I (8e kind). Peter II van der Tommen deed het verhef der heerlijkheden Linden, Wilsele en Put op 30 mei 1587: op dezelfde dag deed zijn broer Octaviaan I van der Tommen dit voor de heerlijkheid Oplinter. Peter was getrouwd met een zekere Elisabeth van der Hert, bij wie hij drie kinderen verwekte: Alexander, Octaviaan II en Anna II. Deze Octaviaan II van der Tommen volgde zijn vader op als heer van Linden, Wilsele en Put (verhef 18 december 1604).
Peters broer, Octaviaan I van der Tommen, sinds 30 mei 1587 de nieuwe heer van Oplinter, trouwde tweemaal: zijn eerste vrouw was Anna van Grevenbroeck, die kinderloos stierf. Uit zijn tweede huwelijk met Adrienne Absolons volgden vier kinderen; Jan, Filip-Francois, Anna III en Louise van der Tommen. Octaviaan I stierf in 1623, doch niet meer als heer van Oplinter. Octaviaan I had immers op 22 juni 1611 de heerlijkheid Oplinter verkocht aan een zekere Bernard Cornelio, baljuw te Ieper. Echter, op 14 januari 1612, had Anna II van der Tommen, dochter van Peter II van der Tommen, deze verkoop door haar echtgenoot Jan van der Beken-Pasteels, in haar voordeel laten herroepen.
Enkele jaren later volgde zij als vrouwe van Oplinter ook haar broer Octaviaan II op te Linden, Wilsele en Put (verhef 15 december 1618), samen met haar man Jan van der Beken-Pasteel. Deze Anna van der Tommen is met zekerheid gestorven tussen 24 november 1619 en 27 april 1623, en haar man stierf volgens de leenboeken op 26 februari 1633.[37] Haar oudste zoon, Claude van der Beken-Pasteels deed namelijk in naam van zijn vader het verhef op 27 april 1623. Van hem is volgens Bets enkel bekend dat hij begraven werd in 1635. Bij de bestudering van de leenboeken ontdekten we dat hij op 7 februari 1635 gestorven is.[38] Hij werd opgevolgd (verhef 26 juni 1638) door zijn broer Antoon, die reeds heer van Linden was. Deze Antoon van der Beken-Pasteels was ‘simpel van geest’, en stierf in alle eenvoud in 1653.
Gezien zijn gezondheidstoestand, waren er curators aangesteld om over zijn bezittingen te waken: zijn broer Jan-Melchior Pasteels en diens schoonbroer Jan van der Moeren (getrouwd met Lutgard van der Beken-Pasteels, zuster van Claude, Antoon en Jan-Melchior). Samen verkochten beiden op 17 juni 1650 de heerlijkheid Oplinter aan hun neef Jan van der Tommen (verhef 8 april 1653) na de dood van Antoon. Deze Jan van der Tommen werd tevoren reeds vermeld als eerste zoon van Octaviaan I van der Tommen en Adrienne d’Absolons. Het geld voor de aankoop van Oplinter, 8.500 florijnen, zat vervat in zijn huwelijkscontract met Adrienne Laurinen was hem afgestaan door zijn moeder Adrienne d’Absolons.[39] Ook hij verloor zijn geestelijke vermogens, en werd in 1661 onder de hoede geplaatst van zijn vrouw, en in 1671 onder de voogdij van zijn zussen Anna en Louise. Hij stierf in 1676, als laatste mannelijke telg van zijn familietak, zonder nakomelingen. Volgens het verhef der heerlijkheid op 23 maart 1676 werd hij opgevolgd door Louise van der Tommen, die zelf twee jaar later overleed.
Haar neef Filip-Francis-Jozef d’Absolons werd de nieuwe heer van Oplinter (verhef 25 augustus 1678). Geboren op 18 maart 1657, was hij de zoon van Anna van der Tommen en Gaspard-Roger d’Absolons.[40] In 1688 trouwde deze nieuwe heer te Tienen met Isabella van Ranst-Berthout; hijzelf overleed op 4 oktober 1703, als laatste mannelijke telg van zijn geslacht. Zijn weduwe verhief haar rechten te Oplinter op 23 augustus 1704, en stierf op 26 oktober 1736. Isabella van Ranst-Berthout werd opgevolgd door haar derde dochter Anna-Maria-Catherine d’Absolons, die de daaropvolgende dag, op 27 oktober, de heerlijkheid Oplinter verhief. Als vrouwe van Oplinter deed zij op 28 november 1758, afstand van al haar leen- en cijnsboeken te Oplinter, Kerkhoven en Wulmersum, ten voordele van haar neef Norbert de Crabbé. Anna behield wel haar titel, en het gebruik van een rente tot aan haar dood, op 23 november 1761. Norbert-Joseph-Benoît de Crabbé was de zoon van Henri-Joseph de Crabbé en Marie-Therèse d’Absolons, zuster van Anna. Hij deed het verhef van Oplinter op 10 december 1761, en was getrouwd met Françoise-Claire de la Hamayde. Norbert-Joseph-Benoît de Crabbé stierf op 17 februari 1803, als allerlaatste heer van Oplinter.
C. De abdij Maagdendaal
De traditie schreef de stichting van Maagdendaal in 1215 toe aan een Tiense burger, Bartholomeus de Lanio, vader van Beatrijs van Tienen. Beatrijs staat bekend als de auteur van de allervroegst bewaarde Middelnederlandse proza (‘Seven manieren van minne’): zij verbleef verscheidene jaren in het Maagdendaalklooster (1221-1236) alwaar zij ondermeer haar wijding ontving. Volgens haar vita richtte haar vader Maagdendaal op, net als de kloosters van Bloemendaal (Florival, bij Archennes) en van Nazareth (bij Lier). Doch pas in 1219 werd er in de bronnen een eerste keer over de abdij gesproken, wanneer paus Honorius III op 27 maart Maagdendaal onder de bescherming van de Heilige Stoel plaatste en de abdij bevestigde in het bezit van haar goederen. De stichting ervan werd mogelijk gemaakt door de hertog van Brabant en de heren van Oplinter. In een akte van februari 1246 verklaarde Arnold II van Wezemaal dat de grond waarop het klooster verrees eertijds zijn eigen bezit was. Eén deel daarvan bevond zich op de linkeroever van de Grote Gete, en was een allodium van Arnold. Een ander deel, gelegen op de rechteroever van diezelfde Gete, werd in leen gehouden van de Brabantse hertog. Arnold deed afstand van zijn gronden in handen van zijn leenheer, waarop de hertog het -samen met zijn eigen deel- aan Maagdendaal als eigengoed afstond. De fundatieschenking van Arnold II van Wezemaal moet dus voor 27 maart 1219 hebben plaatsgehad.
Hoeveel tijd er verstreek tussen de schenking van Arnold II, de oprichting van de eerste gebouwen en het eigenlijke begin van het monastieke leven, bleef ondanks veelvuldig onderzoek, onbekend. Sommigen verschoven de fundatieschenking zelfs naar 1215, hoewel hier geen sluitende argumenten voor zijn. Alleszins in 1219 bestond er een zekere vorm van georganiseerd kloosterleven, wat nog bevestigd werd door een brief van Hugo de Pierrepont, bisschop van Luik, waarin deze toestond om in loco qui dicitur Vallis Virginum erediensten te houden, en de monialen en kloostergoederen onder zijn bescherming nam. De abdij werd immers pas in 1237 opgenomen in de orde van Cîteaux, op voorspraak en verzoek van de bisschop van Luik. Repriels maakte duidelijk dat kloosterlingen reeds voor de aansluiting volgens de cisterciënserregels leefden, met de maagd Maria als hun patroonheilige. Dit wees op een bewuste strategie ter incorporatie, daar Cîteaux de Heilige Maagd als titelheilige voor de kloosterkerken van hun orde verplichtend stelde.[41]
Blijkens de veelvuldig bewaarde bronnen, waren de pausen te Rome de abdij zeer genegen, voornamelijk Gregorius IX en Innocentius IV. Zij schonken het klooster vele voorrechten, en bekrachtigden meermaals hun bescherming, evenals de Brabantse hertogen zoals Jan I, die zich als haar voogd-beschermer opstelde.
De bezittingen der abdij groeiden vrij snel dankzij de schenkingen der heren van Oplinter. Naast de eerste schenking van de heren van Wezemaal (vóór 27 maart 1219), bleven de andere heren van Oplinter niet achter. Gerard I van Kraainem stond op 30 december 1227, aan Maagdendaal 58 bunder land, weide en bos te Oplinter af, tegen een jaarlijkse cijns van een denier per bunder. Twee jaren later werd de abdij opnieuw begunstigd, wanneer de heren van Wezemaal op 6 februari 1229 de grote en kleine tienden afstonden tegen de som van 550 Leuvense ponden. Arnold II behield zich het recht deze tienden terug te kopen, wat hij echter ten vroegste zes jaren later in 1235, zou kunnen doen. Bovendien werd overeengekomen dat zijn naaste erfgenamen de tienden niet mochten terugkopen, indien hij geen wettige kinderen naliet, waardoor ze voor eeuwig aan Maagdendaal zouden toebehoren. Nauwelijks drie jaar later liet de Brabantse hertog weten dat Arnold zijn rechten op de tienden aan hem overdroeg, en er volledig afstand van deed. Daarop schonk de hertog de tienden -als zijn allodiaal bezit- aan de abdij, in april bekrachtigd door de Luikse prinsbisschop Jan van Eppes. In 1246 verkochten Arnold II van Wezemaal aan de abdij zijn rechten op de molen van Nederhem met de molenplaats bij de Gete, samen met 28 bunder akkerland; deze overeenkomst werd bekrachtigd door de hertog, en opnieuw in 1258 door diens broers Godfried en Gerard, in het bijzijn van ondermeer de hertog. Dat deze bekrachtigingen niet overbodig waren, bleek toen Arnold III in 1268 poogde de verkoop ter herroepen, maar op 14 juli erkende hij zijn ‘vergissing’ en bevestigde nogmaals de abdij in het bezit van de afgestane goederen. Op 20 februari 1249 gaf Arnold I van Kraainem, de andere heer van Oplinter, zijn rechten op de molen van Nederhem en op de molenplaats van Broekem, aan de abdij tegen een jaarlijkse cijns van twee mudden.
De cisterciënzers streefden in principe op elk vlak naar een zo groot mogelijke zelfstandigheid, in afzondering van de wereld. Dit streven naar autonomie en zelfbehoud uitte zich ook op economisch gebied: de meeste kloosters en hun grondbezit waren immers niet vlakbij een nederzetting gelegen. De meest voorkomende uitbatingsvorm van hun kloorstergronden werd gekenmerkt door de zogenaamde grangiae (‘schuren’).
Deze grangiae omvatten een samenhangend complex van gebouwen en gronden, bewerkt door loonarbeiders of lekenbroeders: hun arbeid was gericht op de directe uitbating ten gunste van de kloostergemeenschap. Inkomsten voor de kloostergemeenschap afkomstig van derden was immers verboden, evenals het bezit van tienden, kerken, cijnzen,… en dergelijke, iets waar Maagdendaal zich niet aan stoorde, zoals verderop aan bod komt.[42]
Aanvankelijk was er aan de abdij zelf ook een boerderij verbonden, met het oog op de uitbating van hun nabijgelegen gronden. Daarnaast bezat de abdij een tweede uitbatingscentrum, de grangia de mere of het Hof Ter Meeren, een allereerste keer vermeld in een bulle van paus Gregorius IX uit 1231. Dit hof was in de loop van 1228 gebouwd voor de bewerking van de 53 bunders land die Gerard van Kraainem hen in 1227 in cijns gegeven had. De rol van Maagdendaal bij deze ontginningen werd reeds behandeld door Repriels en Destrain. Daarnaast bezat de abdij volgens de bulle nog twee andere hoven te Meerhout en Melkwezer, en eigendommen te Hoeleden, Jandrain, Bossut, Nethen en Archennes.[43] Naast de onroerende goederen was Maagdendaal ook in het bezit gekomen van enkele patronaatsrechten (Neerlinter, Meerhout en Opvelp) en tienden (Bossut, Meerhout, Miskom, Neerlinter, Oplinter, Opvelp en Waanrode).
Het patronaatsrecht of collatierecht hield het recht in om personen voor een benoeming voor te dragen, in dit geval dus de plaatselijke dorpspastoor. Oorspronkelijk bestonden de tienden uit letterlijk één tiende -tot 1/15e- van de opbrengst der gronden. Ze werden aan de kerk afgedragen voor het onderhoud der clerus, en ook benut voor verdeling onder de armen. Daarbij werd een onderscheid gemaakt tussen de ‘grote tienden’ (geheven op koren,…), de ‘kleine tienden’ (geheven op tuinvruchten,..) en de novaaltienden (geheven op nieuw ontgonnen land), om de belangrijkste te noemen. Hoewel ze werden afgedragen aan de parochiegeestelijken, waren de tienden meestal niet in bezit van de parochiekerken gebleven. Dit was het gevolg van het ontstaan van zogenaamde ‘eigenkerken’, opgericht op het domein van een heer, aan wie het patronaatsrecht en de tiendenrechten haast uitsluitend toekwamen. Op deze wijze werden de tienden aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken en in het middeleeuwse feodaliseringsproces opgenomen (verkoop, overerving, belening, verpachting).
De nieuwe kerkelijke wetgeving eind 12e eeuw bracht daar verandering in: sinds het Concilie van Lateranen (1179) was het leken verboden tienden te bezitten, op straffe van excommunicatie. Onder druk hiervan deden vele heren afstand van hun tiendenrechten, waardoor Maagdendaal -door schenking of overdracht- in het bezit kwam van verscheidene tiendenrechten.
Zoals Repriels aantoonde, nam de omvang der schenkingen aan Maagdendaal na 1231 af. Het waren immers voornamelijk vermogende poorters en boeren die vanaf de tweede helft der 13e eeuw onroerende goederen afstonden, en niet meer de rijkere adel. Zo kwam de abdij in het bezit van enkele hoeven met bijhorende gronden en vier stedelijke huizen, maar het overgrote deel bestond uit afzonderlijke percelen, zelden groter dan een bunder.[44] Ook cijnzen, renten en geld werd aan de abdij geschonken; om dit stijgende aantal goed te beheren, werd in 1383 de pitantiedienst opgericht. Een pitantie bestond uit een extra portie voedsel dat op speciaal voorziene dagen aan de kloosterlingen werd toegestaan. Deze pitanties werden betaald met (leke)renten, of met de opbrengst van gronden. Indien het aantal van deze ‘pitantiegoederen’ omvangrijker werd, was het gebruikelijk daarvoor een register aan te leggen, om de inkomsten, bestemd voor de pitanties, te noteren. Onder impuls van deze dienst groeide het (grond)bezit van Maagdendaal stelselmatig aan.
De abdij en haar patrimonium werd echter vele malen -net zoals het dorp- het slachtoffer van de wereldlijke gebeurtenissen die onze streken bedreigden. Zo werd de abdij in 1489 verwoest door de soldaten van Albert van Saksen, en in 1507 opnieuw door Karel van Egmont. Het klooster werd zelfs enkele keren gebruikt ter inkwartiering der troepen, onder meer in 1578. Het was de toenmalige landvoogd Don Juan van Oostenrijk die te Maagdendaal op 19 juli van datzelfde jaar het belangrijke koninklijk besluit uitvaardigde dat de Raad van Brabant voortaan niet meer te Leuven maar wel te Brussel zou vergaderen. De vele inkwartieringen, lasten en andere kwalijke gebeurtenissen deden het klooster geen goed. De opgelopen schade diende telkens te worden hersteld, en waarvoor de abdij telkens delen van haar goed moesten verkopen op deze te kunnen betalen. Het bezit der tienden, dat de abdij voorheen hielp in haar onderhoud, vormde in de 17e eeuw een probleem. Deze tienden brachten immers ook verplichtingen met zich mee, zoals het onderhoud der (verwoeste) kerken. Hierdoor raakte de abdij in grote financiële problemen, zodat bijvoorbeeld de kloosterlingen zich in 1627 moesten laten kleden door ouders en verwanten.
Nauwelijks bekomen van de verwoestingen eind 15e eeuw, werd de abdij in 1635 -net als de stad Tienen- volledig verwoest door een Frans-Hollands leger, en in 1675 opnieuw door Franse troepen. De abdis en haar kloosterlingen zochten verschillende malen hun toevlucht in hun huizen binnen de beschermende muren der omliggende steden (Sint-Truiden, 1635; Tienen, 1675). De situatie verbeterde enigszins, blijkens de verklaringen van twee benedictijnermonniken die de abdij in 1717 bezochten en haar ‘belle et fort régulière’ bevonden. Desondanks waren de inkomsten maar middelmatig, zoals bleek uit het feit dat de bouw van een nieuw vreemdelingenkwartier, aangevangen in 1740, reeds in 1746 werd gestaakt wegens gebrek aan financiële middelen. In 1763 bevonden de vertrekken van de abdis en de biechtvader zich weliswaar in goede staat, evenals de kerk en de twee refters, doch een nieuwe slaapzaal was dringend nodig, daar de oude dreigde in te storten.
Het spijtige einde van hun problemen kwam er met de opheffing van het Maagdendaalklooster. Op 6 december 1796, verplichtten de Fransen de religieuzen de abdij te verlaten. De abdis vond met haar zusters onderdak op het kasteel van Neerlinter, nog steeds hopend ooit terug te keren, zoals dit verscheidene malen in hun geschiedenis toch kon gebeuren. Maar begin 1798 werd begonnen met de verkoop van het klooster en hun bezittingen, waarmee een definitief einde kwam aan bijna 600 jaar kloosterleven te Oplinter (1215/1219-1798).
Het klooster van Maagdendaal[45]
Een van de belangrijkste bijdragen die de toponymie of plaatsnaamkunde aan de geschiedenis -als wetenschap- kan leveren is de lokalisering en verklaring van plaatsnamen. Uit de bestudering van de etymologiekan bv. de oorspronkelijke betekenis van een plaatsnaam worden gevonden, van waaruit het mogelijk wordt historische conclusies te trekken. Bijvoorbeeld m.b.t. de landschapsgeschiedenis kunnen plaatsnamen op -lo, -hout en -bos verwijzen naar vroegere bebossing. De geografische ruimte van een nederzetting zoals Oplinter werd eveneens gevat in benamingen van (verdwenen) waterlopen (vliet, gracht,…), het wegennet (baan, straatje,…), belangrijke gronden (dries, beempd,…) en bewoningsnamen (huis, heem,…). Andere belangrijke elementen zoals grenzen vonden eveneens hun weerslag in de toponymie.
D. P. Blok deelde deze mening, doch plaatste bij zijn optimistische visie op de bruikbaarheid van toponymische gegevens wel enkele kritische bemerkingen[47]: een naam was immers afhankelijk van de naamgevers, m.a.w. de lokale bewoners van een nederzetting of streek. Het gaf hun interpretatie van het waargenomene weer, en die woordbetekenis kon in de loop der geschiedenis veranderen, een wijziging die vaak van streek tot streek verschilde. Toponiemen zijn echter aan een bepaalde tijd en/of een zekere ontginningsperiode gebonden: bepaalde naamtypes ontstonden vroeger dan andere. Op basis van ouderdomkunnen dan verscheidene ‘lagen’ gedistilleerd worden, van waaruit eventuele conclusies m.b.t. de geschiedenis kunnen gemaakt worden. Bijvoorbeeld kan worden nagegaan of er bewoningscontinuïteit binnen een nederzetting bestond: de continuïteit van een plaatsnaam kon daarop wijzen, daar de bewoners niet enkel een naam gaven aan het eigen dorp, doch ook voor de omliggende velden, wegen en bossen. Dit hoefde echter niet noodzakelijk steeds zo te zijn: in bepaalde omstandigheden kon bewoning toch tijdelijk onderbroken zijn geweest, zonder dit daarom in de bronnen weer te vinden.
Een tweede mogelijke beperkingdie door Blok werd aangehaald was de grote afstand die kon bestaan tussen het woordgebruik in de geschreven teksten en dat van de lokale naamgevers zelf. Een plaatsnaam kon pas veel later opgetekend geweest zijn in de bronnen, waarbij de etymologie of de oorspronkelijke woordbetekenis van het woord ons ontsnapte. We vermeldden tevoren dat er zich anderzijds doorheen de tijd ook een betekenisverschuiving kon voordoen, waardoor we eveneens niet altijd ingelicht zijn over de oorspronkelijke betekenis, of waarvan het woord werd afgeleid. Hiermee komen we aan een derde beperking, die niet voortvloeide uit de betekenis, maar uit de naamkeuze van een woord: waarom kwam dat toponiem voor, waarnaar is die plaatsnaam genoemd? Dit was niet altijd even duidelijk, en wordt door de plaatsnaamkunde niet altijd verklaard. Maar net op dit punt kan de geschiedenis en/of de historische geografie de toponymie een helpende hand bieden, om een historisch correcte verklaring te geven.
Voor dit hoofdstuk hebben we -behalve de bronnen- bijna uitsluitend gebruik gemaakt van P. Kempeneers, Oostbrabantse Plaatsnamen. VII, Oplinter. Leuven, 1995. Daarnaast werd zijdelings gebruik gemaakt van de toponymische vermeldingen bij P.V. Bets en A. Wauters. Al deze gegevens hebben we getoetst -en waar nodig gecorrigeerd, zoals zal blijken- aan de toponymische elementen in de cijns- en leenboeken van beide heren, meer in het bijzonder bij de archiefstukken de Wouters 80b (een oudt project gedient hebbende tot het formeren van eenen nieuwen heerelijcken chijnsboeck van Oplinter omtrent den jaere 1740), en uit een bijlage in het cijnsboek de Wouters 78e, uit 1716. In deze bronnen worden percelen opgesomd per blok, zoals bijvoorbeeld gelegen achter de pastorij, tusschens die putstraet ende het cleyn straetken, in het linterhoudt,… met een beschrijving waar deze plaatsen te vinden waren en waardoor ze begrensd werden.
Kempeneers heeft een onwaarschijnlijk waardevolle bijdrage geleverd voor het historisch onderzoek met zijn onderzoek naar de Oplinterse plaastnamen. Zijn indeling is veruit de best mogelijk structuur om dit op een heldere wijze weer te geven en op kaart aan te duiden: na een algemene situering behandelde hij de nederzettingsnamen en waternamen (vloeiend en stilstaand water). Vervolgens kwamen de namen afkomstig van hoog- en laagstamming hout aan bod, gevolgd door de veldnamen. Nadien werden de verschillende wegen en voetpaden behandeld, met in een afsluitend hoofdstuk de belangrijkste bouwwerken.
Aanvankelijk verkozen we ook deze indeling te volgen. Maar om in dit hoofdstuk toch vernieuwing en enige persoonlijke toets aan te brengen, opteerden we voor een andere structuur, aangepast aan de gegevens uit de twee vermelde cijnsboeken. De totstandkoming van het ‘project-cijnsboek’ de Wouters 80b gebeurde namelijk via een te reconstrueren patroon, waarbij men de percelen toebehorend aan deze heer volgens een spiraalvormige wijze naging en beschreef. Bij vergelijking met de andere bronnen bleek het aantal percelen weliswaar niet volledig te zijn.
Het ‘cijnsboek’ DW 80b, opgemaakt omstreeks 1740, diende ter voorbereiding van een nieuw cijnsboek voor mevrouw Joanna Barbara Putteau, weduwe van Guillielmus Josephus Wouters en vrouwe van Oplinter.[48] Deze intentie zat ook vervat in de inleidende zin Ouden chynsboeck der heerlijckheyd oplinter, verdeylt in verschyde cantons, dienstigh om de limiten ende straeten der parochie nae te sien.[49] Hierna werden de verschillende percelen met de cijnshouders en hun cijnzen opgesomd. Daarbij werd een onderscheid gemaakt tussen de cijnzen gehouden door de grote instellingen enerzijds en particulieren anderzijds.[50] Op de eerste vijfentwintig folio’s werden achtereenvolgens de cijnzen opgesomd die betaald werden door respectievelijk de kercke van oplinter (1r°-5r°)[51], de taeffel van oplinter (5v°-9v°)[52], het clooster van oplinter (10v°-19v°)[53], de commanderij van chantrain (20r°)[54], het clooster van cabbeeck (20r°-20v°)[55], het clooster vande wittevrouwen tot thienen (20v°)[56], de taeffel van thienen (21r-21v°)[57], het clooster van heilissem (22r°)[58], het clooster van barberendael tot thienen (22r°-22v°)[59], het begijnhof van loven (23r°), de gemeyn prebende van thienen (23r°-23°), en het Sint Jans-gasthuys thienen (23v°-25v°). Hierna volgden die goederen der particulieren gelegen inde naervolgende limiten (26r°-114v°), allen gelegen te Oplinter.
De volgorde die daarbij werd aangehouden zal -na de algemene situering- het geraamte uitmaken van de verdere structuur van dit hoofdstuk, vertrekkend vanuit de bronnen. Helemaal achteraan in het cijnsboek de Wouters 80b kwamen nog de gronden aan bod die zich buiten Oplinter bevonden, zoals die goederen ende erffven gelegen onder die Kuype der Stadt Thienen (117r°-117v°)[60], onder Hauthem ende Stock (118r°-117v°)[61], onder Haeckendover (119r°-120v°)[62], onder Neerwinghe (121v°-122v°)[63], onder Waesmont (123r°-123v°)[64] en tenslotte te Bossche bij die stadt Sautleeuw (124r°-125v°)[65]. Alle informatie, opgemaakt volgens het hiernavolgende stratenpatroon, werd getoest aan de gelijkaardige bijlage van de Wouters 78e opgesteld in 1716, waerinne men betalinghe aangeteeckent vint tot den jaere 1730, en dat een gelijkaardig patroon aanhield. Per straat of blok worden de belangrijkste toponiemen behandeld, zoals die voorkwamen bij Kempeneers, aangevuld met aanvullende en nieuwe gegevens uit de cijns- en leenboeken.
A. Algemene situering
Het landelijke dorp Oplinter, gelegen in de Getevallei, behoort sinds 1 januari 1995 tot de Provincie Vlaams-Brabant, arrondissement Leuven, kanton Tienen. Voorheen was de gemeente Oplinter, sinds 1 januari 1977, reeds volledig opgegaan in de nieuwe gemeente Tienen. Het dorp wordt in het zuiden begrensd door de stad Tienen, Hakendover en Wommersom. Ten oosten bevindt zich de gemeente Neerlinter en in het noorden wordt even een grens gevormd met Hoeleden, doch Sint-Margiete-Houtem neemt het overgrote deel van die noordzijde voor haar rekening, net als de westzijde. Een groot deel wordt uitgemaakt door natuurlijke grenzen zoals de oude Gete (zuiden), de Braambeek (noordoosten) en in het westen door enkele zogenaamde vloedgrachten. De overige grenzen worden grotendeels gevormd door wegen. De definitieve grenzen van het dorp Oplinter -en die dus nu nog gelden- werden vastgelegd tussen 9 april en 25 mei 1816, en goedgekeurd door de overheid op 27 augustus 1817.[66] Enige jaren voordien (1815-1816) werd het dorp officieel verdeeld in vier delen of secties.[67]
Waterlopen te Oplinter (1884) [68]
De eerste en tevens kleinste sectie Dorp, aangeduid met de letter A, bevindt zich boven de huidige Oplintersesteenweg (vroeger de Hoelstraat). Ze grenst aan Sint-Margriete-Houtem (west), en wordt verder begrensd door de Uilstraat (noord) en Sectie B (oost).
De vrij willekeurige grens tussen sectie A en B wordt deels gevormd door de Asbeek, en sluit aan bij de Dalweg en Herestraat. Sectie B of Wijnmeer is de noordoostelijke sectie, en grenst aan het gehucht Stok (noord) en Neerlinter (oost).[69] Enkele percelen gelegen ten zuidwesten van de kerk behoren eveneens tot sectie B. Sectie C of Gansendries ligt onder sectie B, en waartussen de huidige Neerlintersesteenweg de grens vormt.[70] Net als sectie B grenst Gansendries aan Neerlinter (west) en Wommersom (zuid). De westgrens van sectie C is niet de huidige Gansendriesstraat: de percelen ten westen ervan maken ook nog deel uit van de sectie C. Tot slot vormt sectie D of Utsenaken de grootste van alle vier; ze wordt begrensd door Sint-Margriete-Houtem (noord), de stad Tienen (west), sectie D (oost), en de Gete tegen Hakendover en Wommersom (zuid).
Behalve in de eigenlijke dorpskern van Oplinter, woonden de dorpelingen er verspreid over verscheidene gehuchten. Zo was er vroeger een gehucht genaamd Broekem (‘woning in het moeras’) gelegen aan de Gete in de huidige sectie C; de naam verdween in de loop der tijden en werd vervangen door Gansendries. Twee ‘tegenovergestelde’ gehuchten waren Nederhem en Oppenhem. Het laatste situeerde zich -zoals de naam laat vermoeden- in het ‘opperste’ gedeelte van het dorp, nl. op de hoogte ten westen van de kerk (in de huidige sectie A). Daartegenover werd Nederhem (of Neerhem) gevormd door de hellingen langs de Gete in sectie D ten oosten van Utsenaken, eveneens een gehucht in sectie D, maar meer in de richting van Tienen. Taalkundig onderzocht, liet Kempeneers de oorsprong van Utsenaken teruggaan tot de Germanen. Aan de andere kant van het dorp bevond zich (Wijn)meer, gelegen ten noorden van de kerk, op de zuidelijke helling van de Thuisberg in de sectie B. De naam verwees naar de voormalige wijngaarden aldaar. Tot slot vermelden we nog Stok, in het noorden van Oplinter, heden ten dage behorende tot Sint-Margriete-Houtem.
Van het bestaan van Oplinter werd in de bronnen voor het eerst melding gemaakt in 1139, als Lintere.[71] Deze oudste vorm werd neergeschreven in het cartularium van Sint-Trudo (Rijksarchief Hasselt). De betekenis ervan werd doorgaans verklaard als ‘lindeboom’ (Bets, Wauters), net zoals in Neerlinter en Boeslinter (onder het nabijgelegen Bunsbeek).
Kempeneers vond dit echter moeilijk aanvaardbaar: volgens hem ontstond de nederzettingsnaam Lintere uit de waternaam Lintara.[72] Deze waternaam (lint met suffiks -ar-) zou vroeger ‘de buigzame, de kronkelende’ betekend hebben, en moet verwijzen naar de Genovevabeek, die zowel door Oplinter als Neerlinter stroomt, en waaraan beide dorpen hun naam ontleenden.
Oplinter na de fusies van 1 januari 1977[73]
B. Plaatsnamen
Zoals aangegeven volgen we hier een eigen originele indeling, gebaseerd op de volgorde uit het cijnsboek, door ons aangeduid als DW 80b, uit 1743. De gegevens worden vergeleken met de bijlage achteraan in DW 78e, opgemaakt in 1716 en waarop de titel en de beschrijvingen van DW 80b duidelijk teruggaan, gezien de overeenkomstige bewoordingen. Elke beschrijving wordt aangevuld met de toponiemen uit de andere leen- en cijnsboeken, samen met plaatsnamen uit de lijst der goederen van Maagdendaal van 1786. Al deze gegevens, afkomstig uit ons onderzoek, worden getoetst aan de informatie uit de bijdrage van Kempeneers, en waar nodig wordt deze laatste gecorrigeerd. Het heeft weinig zin dit deel te lezen zonder de kaart van Oplinter bij de hand. Zoniet kan de lezer zich geen voorstelling maken van waarover het hier gaat. Elke straat of weg kent volgens de Atlas der Buurtwegen een eigen nummer, net als bij de Atlas der Waterlopen; in navolging van de officiële aanduidingen hebben we net als Kempeneers deze nummering overgenomen. Om steeds eenvoudig te kunnen volgen, raden we aan elke paragraaf te vergelijken met het kaartje ‘Veldnamen te Oplinter’ en de verkleinde Poppkaart met onze aanduidingen.[74]
1. …van op de pleyne tegens het kerckhoff tot opde bornestraat, tot onder opden hoeck van sinte genoveva borne tegens die beecke oft straate gaende naer neerlinter, tot achter tegens het straetken loopende van de beecke tot opde pleyne…[75] (B 220-229, 255)
Met de pleyne (of die plaetse) wordt de dorpskern bedoeld, met de Sint-Genovevakerk (B 217) en het kerkhof (B 216). Ze wordt doorkruist door de huidige Oplintersesteenweg (weg nr. 1), die Tienen met Oplinter verbindt. In de dorpskom tot op het plein was Dorpsstraat gebruikelijk (1977, Genovevaplein), en vanaf het dorpsplein tot aan de Sint- Genovevabron werd de weg Bornstraat genoemd (1977, Sint-Hubertusstraat). Die beecke sloeg op de aldaar stromende Genovevabeek (nr. 3) richting Neerlinter, evenwijdig aan de Processenweg (weg nr. 12, 1846). Voetpad nr. 46, in 1846 aangeduid als Papensteeg (1977, Papenweg), komt overeen met het straetken loopende vande beecke tot opde pleyne. Al de percelen uit dit blok waren gelegen achter de pastorij. Hier stond ook het schuttershuis van die handtbooghgulde van oplinter, die aen iederen heere een halve kapoen cijns verschuldigd was.
2. …van tegens het straetken naer neerlinter tot tegens een ander straetken loopende vande putstraat naer die beke, ende alsoo van tuschens die putstraete ende die voorscreven beke oft straete naer neerlinter, ende tusschens die voorscreven twee cleyn straetkens… [76]
(B 230a-241, 248c-254)
Dit blok lag net naast het vorige, eveneens in het dorpscentrum. Het eerste straetken is nog steeds de Papensteeg; het ander straetken heeft geen naam bij DW 80b, maar wordt bij DW 78e omschreen als het auden straetken loopende van de putstraete naer die beke. De putstraat van onder is de voortzetting van de Oplintersesteenweg, vanaf de plein aangeduid als weg nr. 2, in de richting van Neerlinter en die beke (Genovevabeek). In open veld werd ze vroeger ook wel Neerlintersestraat genoemd, en vanaf 1977 vervangen door Neerlintersesteenweg.
3. … van tegens het cleyn straetken loopende vande putstraete naer de beke, ende alsoo van tusschens de beecke ende de selve putstraete omdrayende, tot tegens het aertgat vande cummen, tot onder aende steene brugge op de beke…[77] (B 242-247a)
Het derde blok, naast de vorige twee (richting Neerlinter) werd begrensd door de Putstraat (onderaan) en de Genovevabeek (bovenaan), tot aan het kruispunt met de Processenweg (1977, Beekstraat) alwaar er een steene brugge gebouwd was, waaronder de Genovevabeek richting Neerlinter verder vloeide. Met het aertgat vande cummen werd de Melkweg of Kummenbaan (weg nr. 18) bedoeld; een kleine toegangsweg (‘gat’) dat in de Kummen doodliep. Een aardgat betekent letterlijk een toegangsweg tot een aard of vochtige weide van slechte kwaliteit.[78]
Blok 1, 2 en 3: de percelen tussen de Bornstraat, de Processenweg en de Putstraat[79]
4. … op het velt genoempt de cummen, beginnende van opden hoeck vande pleyne tegens die broeckstraete by den poel, ende soo voorts lancx die putstraete, drayende tot opde beke by die steene brugge, ende alsoo tusschens de selve beeke ende die broeckstraete tot tegens die bempden van het peyleyser ende tot op of tegens den gansendries …[80] (C 37-163)
Sedert de late Middeleeuwen betekende veld een ‘complex akkerland dat bij een dorp behoorde’, of werd er een ‘groot stuk bouwland’ of ‘complex van percelen’ mee bedoeld. De naam cummen of Kummen (< ‘communia’ of gemeentegrond) werd meestal zonder het toevoegsel ‘veld’ aangeduid. Het betrof aanvankelijk een grote, gemeenschappelijk weide, gelegen bezuiden of onder de Genovevabeek, en net als vorige drie blokken in de sectie C. Ze werd westelijk begrensd door de Broek(hem)straat (weg nr. 3; Nederhemsestraat, 1864; Gansendries, 1977), genoemd naar het verdwenen gehucht Broeck(he)em, en leidende via de Gansendries naar Wommersom. Aan de oostkant stroomde de Genovevabeek, en onderaan lag het Pijlijzer. De cummen werd behalve het vorige aardgat (weg nr. 18) ook doorsneden door het aertgat comende van de broekstraat naar de cummen, waarmee de Kleine Kummenweg (weg nr. 50) bedoeld werd, die de Gansendries met de vorige Melkweg of Kummenbaan verbond. Bij DW 80b werden nog andere perceelsnamen vermeld zoals de dierencoop, de langebempden beneden die cummen, met vlakbij de minckbempt en de quaden plas, eigenlijk reeds gelegen in het hiernavolgende Pijlijzer.[81]
5. … in het peyleyser, beginnende van tegens het velt genoempt die cummen, tusschen die beecke ende van opden gansendries lancxt die groote gethe tot achter opde broeckstraete, scheydende die paele van oplinter en neerlinter…[82] (C 164-211, 247-275)
De plaatsnaam het peyleyser of Pijlijzer (sectie C) was volgens Kempeneers gelegen tussen de Genovevabeek en de Winterbeek (nr. 23).[83] Hier vatte men dit echter ruimer op, en werden alle percelen -toebehorend aan de Wouters- beschreven, gelegen vanaf de cummen, tussen de Genovevabeek en de Grote Gete (nr. 1), tot achter opde broeckstraete.
Het was voor ons aanvankelijk onduidelijk waarop Broeckstraet sloeg. Kempeneers vermeldde immers drie verschillende ‘Broekstraten’: de reeds vernoemde Broek(hem)straat (weg nr. 3), de Broekstraat (verkeerd[84]) als oude benaming voor de Begijnensteeg of Elsestraat (weg nr. 17), en opnieuw een Broekstraat als oude benaming voor weg nr. 22, naast de abdij en gaande naar het (Groot) Overbroek. Maar de omschrijving scheydende die paele van Oplinter ende Neerlinter, gaf aan dat deze Broeckstraet de grens moest vormen van deze twee dorpen. Op de Poppkaart werden Oplinter en Neerlinter van elkaar gescheiden -van noord naar zuid- door de Braambeek -tot waar deze in de Genovevabeek vloeit-, en verder (duidelijk zichtbaar) door een kleine weg, echter zonder naam. We vermoeden daarom dat die kleine weg bedoeld werd met Broeckstraet.
Deze veronderstelling werd verder ondersteund door nog vijf andere aanwijzingen. Vier daarvan ontleenden we aan omschrijvingen afkomstig van hetzelfde cijnsboek. Op de folio’s 31v°, 109v°, 110r° en 114r° staan er telkens beschrijvingen die betrekking hebben op de grens tussen Oplinter en Neerlinter. Deze gegevens op de folio’s 109v° en 110r° bevestigen beide dat de Braambeek (nr. 4) een deel van de grens vormde tussen de twee dorpen: tot opde Braembeecke, scheydende die paele van Oplinter ende Neerlinter. Deze grens liep verder door naar beneden (zuidwaarts) tot op de plaats waar de Braambeek in de Genovevabeek stroomde. Vanaf die plaats liep er volgens de folio’s 31 v° en 114r° een ‘Broeckstraat’: die broeckstraet of dreft scheydende die paele van oplinter ende neerlinter (31v°) en tot tegens die Braembeecke ende die Broeckstraete, daer die jurisdictie van Oplinter ende Neerlinter syn scheydende ende separerende (114r°). Deze straat of dreef vormde vanaf de samenvloeiing van de Braambeek en de Genovevabeek de verdere grens met Neerlinter tot aan de plaats waar de Grote Gete Oplinter verliet en Neerlinter binnenvloeide. Een vijfde en laatste bevestiging werd gevonden in het eerste element: ‘broek’ was de gewone benaming voor ‘uitgestrekt grasland langs een belangrijke waterloop’.[85] Onze nieuwe gelokaliseerde Broekstraat bevond zich tussen de twee belangrijkste Oplinterse waterlopen, nl. de Genovevabeek en de Grote Gete, en werd bovendien doorsneden door een leygracht. Deze werd geïdentificeerd als de belangrijke Winterbeek, nabij de Late(r)broeken (op het einde van het Pijlijzer en naast de Broeckstraat te situeren). Het tweede element van dit laatstgenoemde toponiem verwijst eveneens naar deze Broeckstraet.
Binnen dit blok kwamen naast de Laterbroeken nog andere plaatsnamen voor. Vaak voorkomend was de vermelding van percelen gelegen inde nieuwebempden in het peyleyser, duidend op recenter in gebruik genomen (gras)land of beemden. Er situeerde zich ook een beemd, drie sillen groot, de soerenpant, gelegen beneden de cummen int beginsel van het peyleyser. Een ‘pand’ duidde op een streep grond tussen twee greppels; Kempeneers situeerde de Zurenpand in de Nieuwe Beemden aan de Matte- en Genovevabeek, in de sectie A. Aangezien zijn verwijzing eveneens spreekt over den surenpant gelegen in die nieuwe bempden, kunnen we met zekerheid zeggen dat hier opnieuw sprake is van een verkeerde situering.[86] Onder het Pijlijzer lagen ook nog ongeveer 25 bunderen toebehorend aan het klooster van Maagdendaal, aangeduid met de Koyeweyden of de grote Koyweyde, gelegen tegen de Grote Gete. Tenslotte vermelden we nog een perceel, groot één bunder en de deeckens genoemd, geleghen op het eynde van het peyleyser.[87]
Het Pijlijzer werd -naast de Winterbeek- door weinig andere waterlopen of wegen doorsneden. We vermeldden reeds de Kummenbaan (weg nr. 18