| Alternatieve Olympiades in het interbellum. Een onderzoek naar de receptie in de Belgische dagbladpers (1919-1937). (Joep Vanderbeke) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Deel 2: Een onderzoek naar de receptie van de Alternatieve Olympiades
in de Belgische dagbladpers (1919-1937)
1 Sportjournalistiek in het interbellum
Na de Eerste Wereldoorlog ontwikkelde de sport zich in versneld tempo. De sportjournalistiek was genoodzaakt te volgen en deed dit ook. Tabel 8 illustreerde het aandeel dat sport in de kranten Vooruit en Het Laatste Nieuws procentueel innam in verhouding tot de algemene inhoud.
|
Jaar |
Vooruit |
Het Laatste Nieuws |
|
1894 |
3 |
4 |
|
1899 |
1 |
1,3 |
|
1904 |
- |
6,3 |
|
1909 |
5 |
2,2 |
|
1914 |
1,5 |
7,5 |
|
1919 |
1,1 |
6,3 |
|
1924 |
5,0 |
8,6 |
|
1929 |
5,2 |
12,5 |
|
1934 |
12,8 |
21,8 |
|
1939 |
14,4 |
21,5 |
|
1946 |
17,3 |
21,2 |
|
1951 |
26,1 |
25,8 |
|
1956 |
23,9 |
21,2 |
|
1961 |
26,2 |
24,8 |
|
1966 |
26,9 |
24,9 |
Tabel
8: aantal sportbladzijden in Vooruit en Het Laatste Nieuws ten opzichte
van de
algemene inhoud in de periode 1894 - 1966 (in procent).[451]
Er was duidelijk een evolutie in de omvang van sportrubrieken ten opzichte van de totale inhoud. Globaal genomen konden drie grote blokken afgescheiden worden, met de twee oorlogen als cesuur. In het interbellum, de periode van ons onderzoek, kende de sportjournalistiek een steile opgang. Het verschil tussen de jaargangen 1919 en 1939 was enorm. Onmiddellijk na de oorlog onderging de sportjournalistiek kwantitatief weinig veranderingen ten opzichte van de vooroorlogse periode. Ook inhoudelijk veranderde er weinig. De redacteurs beperkten zich nog steeds tot een technisch verslag waarbij de wedstrijdfeiten chronologisch opgesomd werden.[452] Wielrennen was de uitzondering die de regel bevestigde. De koers werd op een meer beschouwende manier gevolgd omdat eindredacteuren meenden dat het voor het publiek moeilijker was om de evoluties in een wielerwedstrijd te volgen. Een voetbalwedstrijd kon men bijvoorbeeld wel volledig bijwonen.
In de jaren twintig zou als gevolg van het democratiseringsproces sport een belangrijkere plaats gaan innemen in het alledaagse leven van elke mens. Dit werd logischerwijs vertaald naar een groter aandeel van sport in de krantenkolommen. Sport werd populair en allerlei sportactiviteiten kwamen ongeacht hun waarde in de krant te staan.[453] Sportjournalisten bleven zich beperken tot een zo volledig mogelijke inlichting en vak-technische behandeling van de verschillende sporttakken.[454] De grootste ommekeer was dat Sportwereld vanaf 1926 dagelijks begon te verschijnen en ook algemene informatie begon te geven. Die ontwikkeling zette niet-sportkranten ertoe aan meer kolommen voor te behouden voor sportnieuws. Vooral Het Laatste Nieuws zag haar sportrubriek uitbreiden.
De jaren dertig luidden een verandering in de geschreven sportjournalistiek in. De sportkaternen kregen een diepere en meer levendige inhoud. De journalist probeerde een atmosfeer te scheppen, de menselijke kant van de atleten beter weer te geven, de reacties van de massa te beschrijven en een beschouwend oordeel over de wedstrijd te vellen.[455] Journalisten werden zelfs op buitenlandse reportage gestuurd, hoewel niet in overdreven mate. Op het wereldkampioenschap in 1930 te Montevideo (Uruguay) waren geen Belgische sportjournalisten aanwezig, behalve dan John Langenus, de scheidsrechter die de WK-finale floot en in zijn vrije tijd voor sportkranten schreef.[456] Dit zou langzaam beteren. Zo mocht Paul Jacquemyns, journalist bij Sportwereld, van zijn hoofdredacteur Karel van Wynendaele, naar het Wereldkampioenschap voetbal in 1934 te Italië. Hij kreeg hiervoor echter slechts een forfaitair bedrag waarmee hij zich de hele reis uit de slag zou moeten trekken.[457]
In het interbellum werd de sportrubriek niet alleen uitgebreid in de breedte, maar ook in de diepte. Sportredacties gingen zich steeds meer specialiseren of deden een beroep op deskundigen. Daarenboven kregen sportrubrieken steeds meer aandacht voor de psychologische en de sociologische facetten van de sport. Sporters werden niet langer als atleet an sich beschouwd.[458]
2 Het beroep van sportjournalist in het interbellum
In de 19e eeuw onstonden de eerste sportperiodieken. De Duivenliefhebber, opgericht in 1866, werd (indien de duivensport als een sport wordt gezien) algemeen aanvaard als het eerste sporttijdschrift. Le Vélocipède Belge met in zijn zog een hele reeks andere wielerbladen stonden eveneens aan de wieg van de sportpers. In de algemene dagbladen was het vaak met een vergrootglas zoeken naar sportnieuws. Francis Lauters was de eerste die een eigen sportrubriek van zijn hoofdredacteur kon afdingen. Vanaf juni 1891 verscheen een vaste wielerrubriek in het Brusselse dagblad La Chronique.[459] De eerste generatie Sportjournalisten waren vrijwilligers. Zij waren sporters of beleidsmensen die welstellend genoeg waren om hun hobby te beoefenen zonder er geld aan te moeten verdienen. Zij schreven vaak voor verschillende bladen. Bekende voorbeelden zijn de eerder genoemde scheidsrechter John Langenus en de waterpolospeler en schermer Victor Boin.[460]
De oprichting van Sportwereld op 13 september 1912 betekende in België de doorbraak van de professionele sportjournalistiek. Op de zesdaagse van Brussel in 1912 beslisten enkele sportjournalisten om zich te verenigen in een professionele nationale associatie. De bedoeling was hierbij om hun morele en materiële belangen te verdedigen. Op 16 juni 1913 werd in Brussel de ‘Association Professionelle Belge des Journalistes Sportifs’ gesticht. Fernand Francqué, journalist bij L’Indépendance Belge en algemeen correspondent voor België voor het Franse sportblad L’Auto, werd de eerste voorzitter. Kort na de Eerste Wereldoorlog werd zijn taak overgenomen door Victor Boin.[461] Deze laatste behoorde eigenlijk nog tot de eerste generatie journalisten: een succesvolle atleet die bijdrages leverde voor verschillende sportperiodieken.
2.1 Vier groepen sportjournalisten
De sportjournalisten uit het interbellum konden, naar intensiteit en manier van werken, in vier verschillende groepen worden opgedeeld: de medewerkers, de aangesloten leden, de effectieve leden en de beroepsjournalisten.
De grootste groep vormden de medewerkers. Over de omvang van deze groep was het speculeren. In 1933 zou hun aantal 175 bedragen hebben. Zij beschikten wel over de faciliteiten om hun job uit te oefenen, maar “sans aucun droit d’ordre professionelle.”[462] Binnen deze categorie sportjournalisten kon nog eens een onderverdeling worden gemaakt. Er waren de vaste medewerkers die samenwerkten met een krant of een redacteur. Elke krant had minstens één vaste correspondent in de grote steden. Op de diensten van losse medewerkers werd minder frequent een beroep gedaan, maar ook zij vormden een eigen categorie. Vaak beperkten losse medewerkers zich tot één sport waarin zij zich specialiseerden. Een laatste groep medewerkers waren de toevallige journalisten. Zij stuurden ongevraagd een stuk in, om hun krant te helpen of om een honorarium op te strijken.[463]
Een tweede groep sportjournalisten waren de aangesloten leden. In de statuten van het jaarboek van de sportpers lezen we op welke criteria bepaald werd wie tot de aangesloten leden behoorde: “Les membres adhérents sont ceux qui, tout en ne faisant pas du journalisme sportif leur profession principale, en retirent une ressource importante, soit un minimum de 400 francs par mois”.[464] In 1926 waren er vierentwintig aangesloten leden bij de Belgische persbond. In 1929 was hun aantal reeds opgelopen tot veertig. Vanaf 1933 bestond deze categorie nog steeds volgens de statuten, maar de namen van de aangesloten werden niet meer in de lijst opgenomen. Naar hun aantal was het vanaf toen raden.
De derde groep, de effectieve leden, bekleedden tot op het eind van de jaren 1930 de hoogste trap van de hiërarchie. Sportjournalisten waren effectief lid van de ‘Association Professionelle Belge des Journalistes Sportifs’ indien zij twee jaar voor de redactie van een dagblad schreven. Ook sportperslui die de sportjournalistiek als tweede beroep hadden, konden als effectief lid gecatalogeerd worden indien hun vergoeding als sportjournalist boven de duizend frank per maand lag.[465] Hun aantal steeg doorheen de jaren twintig en dertig. In 1926 waren ze met 95, in 1929 was het aantal effectieve leden opgelopen tot 136 en in 1933 waren er 239 effectieve leden. In 1937 was hun hoeveelheid sterk verminderd. Dit had alles te maken met een nieuwe categorie journalisten die zich afsplitste van de effectieve leden.
Die nieuwe categorie waren de beroepsjournalisten Dit zijn journalisten die twee jaar aan een dagblad verbonden waren en een vaste verdienste hadden. Sportredacteuren met een minimum honorarium van duizend frank per maand bleven in de groep van de effectieve leden. In 1937-38 hadden reeds 85 beroepsjournalisten sport als hun vakgebied. Pol Jacquemyns telde in 1938 ongeveer 500 aangesloten leden.[466] De ontwikkeling van de sportjournalistiek in het interbellum was nu voltooid. Van reporters die welgesteld genoeg waren om in hun vrije tijd sportbijdrages te schrijven evolueerde de sportjournalist via een groep waarbij de verdienste als belangrijkste criterium gold, naar beroepsjournalisten. Tabel 9 illustreerde die ontwikkeling.
|
jaar |
Effectieve leden |
Aangesloten leden |
beroepsjournalisten |
totaal |
|
1926 |
95 |
24 |
/ |
119 |
|
1929-1930 |
136 |
40 |
/ |
176 |
|
1933 |
185 Franstalig + 54 Nederlandstalig |
Aantal onbekend |
/ |
239 |
|
1937-1938 |
53 Franstalig +16 Nederlandstalig = 69 |
Ca. 500 |
61 Franstalig + 24 Nederlandstalig= 85 |
154 |
Tabel 9: aantal aangesloten leden bij de ‘Association Professionelle Belge des Journalistes Sportifs’ in het interbellum.[467]
Uit deze tabel viel af te leiden dat de meerderheid van de sportjournalisten Franstalig was. Dit ondanks het feit dat sport in België vooral in Vlaanderen werd beoefend. In 1933 bedroeg het aantal Nederlandstaligen procentueel 23%, in 1937 was hun aantal vrij stabiel gebleven op 26%.
In het volgende hoofdstuk werd Olympiade per Olympiade onderzocht in hoeverre een krant aandacht besteedde aan dit sportevenement. Daarnaast werd ook gekeken op welke manier de journalisten over de alternatieve Olympiade berichtten, met andere woorden, er werd onderzocht welke soort artikels er werden geschreven. We onderscheidden daarin tien categorieën.
3.1 Aard van de verslaggeving
In dit hoofdstuk onderzochten we het journalistieke aspect van de Belgische dagbladpers. In plaats van te onderzoeken wat er in de artikels stond, gingen we na hoe deze geschreven werden. We onderscheidden tien categorieën. Hierbij moest worden opgemerkt dat niet elk artikel perfect in een categorie paste. Vaak werd in 1 artikel aan twee soorten berichtgeving gedaan. Toch werden deze in één categorie opgenomen. We kozen dan steeds voor de categorie waar de berichtgeving het best in paste.
3.1.1 Begripsverklaring
De eerste groep artikels waren deze waarin door de krant de uitslagen van de voorbije wedstrijden werden neergeschreven. Die uitslagen gaven enkel een overzicht van de behaalde resultaten zonder verslag van de evolutie in de wedstrijd. Daarnaast klasseerden we ook klassementen onder de noemer ‘uitslagen’.
Een tweede soort artikels werd geplaatst onder de rubriek ‘aankondigingen’. Deze konden zowel het programma van een wedstrijd zijn, als het meedelen van de namen van de deelnemers als de vertrekuren van een trein.
Met ‘nieuwtjes’, de derde rubriek werden stukjes bedoeld die noch als artikel noch als verslag konden gecatalogeerd worden. Meestal ging het om mededelingen of allerlei weetjes. Vaak werden de nieuwtjes gebundeld in één rubriek, zoals bijvoorbeeld ‘Olympiadenieuws’ of ‘allerlei nieuwsjes’.
De vierde groep waren artikels over onderwerpen in de rand van de sport. In ons overzicht werden deze onder de noemer ‘randinfo’ gecatalogeerd. Met randinfo bedoelden we die artikels waarlangs de lezer onrechtstreeks in kennis werd gesteld van een alternatieve Olympiade. Bijvoorbeeld via een boekenrubriek of via politiek nieuws.
‘Beschouwende artikels’ gingen dan weer wel over sportonderwerpen. Meer nog, in deze stukjes viel geen enkel politiek woord. In beschouwende artikels wierp de sportjournalist een blik vooruit naar de komende wedstrijden, waarbij hij de kansen van het team of van de sporter afwoog. Omgekeerd deed hij dit ook na een wedstrijd.
In ‘opinieartikels’ werd ook beschouwend geschreven, zij het dan dat er deze keer over het evenement in zijn geheel geschreven werd. Opinieartikels hadden vaak een politiek randje. De journalist overschouwde het gebeuren en gaf hierbij zijn persoonlijke mening op het evenement. Deze kon zowel positief als negatief zijn.
De volgende categorie artikels waren de wedstrijdverslagen. Hierin maakten we een onderscheid tussen de technische verslagen en de beschouwende verslagen. Bij ‘technische verslagen’ vertelde de reporter hoe de wedstrijd minuut per minuut verlopen is, zonder verder commentaar te geven. Een voorbeeld had kunnen zijn: “Twaalfde minuut. Kompany trapt de bal op doel. De keeper pakt. Vijftiende minuut. Aanval over links. De verdediger blokkeert.”
Bij een ‘beschouwend verslag’ werden meer dan enkel de feiten van de wedstrijd neergeschreven. De journalist interpreteerde de wedstrijd terwijl hij relaas deed van het verloop ervan. In een beschouwend wedstrijdverslag werden de gevoerde tactiek en de bepalende beslissingen ontleed.
Een voorlaatste soort artikels waren de ‘reisverslagen’. Hiermee werden die artikels bedoeld waarin de journalist verslag deed over wat hij die dag gezien en meegemaakt had. In deze impressies konden sportieve verhalen zitten, maar veelal vertelde de reporter verhalen over extrasportieve gebeurtenissen.
De laatste categorie waren ten slotte geen echte artikels. Het betrof zaken als foto’s of reclame die eerder onder de noemer ‘lay-out’ konden worden samengevat.
Het omzetten van woorden in cijfers was natuurlijk niet zonder gevaar. Het risico om citroenen en appelsienen onder dezelfde noemer te plaatsen omdat het beiden citrusvruchten waren, was reëel. De sportjournalistiek evolueerde doorheen de tijd en de manier waarop ‘nieuwtjes’ in het begin van het interbellum neergeschreven werden verschilde van hoe deze op het einde van het interbellum meegedeeld werden. Toch leek het ons dat cijfers woorden meer kracht konden bijzetten. We zetten de absolute cijfers in relatieve cijfers om zo het aandeel van elke rubriek ten opzicht van de gehele berichtgeving te kunnen meten.
3.2 De receptie van de Intergeallieerde Olympiade in 1919 te Parijs in de Belgische dagbladpers
|
|
Vooruit |
Le Peuple |
Het Laatste Nieuws |
La Libre Belgique |
Le Soir |
De Schelde |
Sportwereld |
TOTAAL |
|
Uitslagen |
11 |
- |
5 |
12 |
3 |
11 |
6 |
48 (74%) |
|
Aankondigingen |
- |
1 |
2 |
1 |
1 |
- |
- |
5 (7,5%) |
|
Nieuwtjes |
- |
- |
4 |
- |
2 |
1 |
- |
7 (11%) |
|
Randinfo |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
|
Beschouwende artikels |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
2 |
2 (3%) |
|
Opinieartikels |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
|
|
Technische verslagen |
1 |
|
1 |
- |
- |
- |
- |
2 (3%) |
|
Beschouwende verslagen |
1 |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
1 (1,5 %) |
|
Lay-out/Reclame |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
|
Reisverslagen |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
|
Totaal |
13 (20%) |
1 (1,5%) |
12 (18,5%) |
13 (20%) |
6 (9%) |
12 (18,5%) |
8 (12,5%) |
65 (100%) |
Tabel 10: De receptie van de Intergeallieerde Spelen in 1919 te Parijs in de Belgische dagbladpers
Uit deze tabel viel meteen af te leiden dat elke krant verslaggeving over de Intergeallieerde Spelen in zijn kolommen opnam. Gemiddeld kregen de Belgische dagbladlezers (65 artikels : 7 kranten =) 9,3 artikels over de gebeurtenissen in Parijs te lezen. Ondanks deze goede verspreiding moet echter voorbehoud gemaakt worden bij de kwaliteit van de berichtgeving.
De overgrote meerderheid van de artikels (74%) waren berichten die niets meer meegaven dan de ‘uitslagen’ die door de atleten werden gehaald. Daarbovenop kregen de lezers ook nog eens aankondigingen (7,5%) met het programma van de volgende dagen. Kranten namen daarnaast vrij veel nieuwtjes in hun kolommen op (11%). Vooruit en Het Laatste Nieuws lieten zich verleiden om een technisch verslag (3%) te schrijven. De eerste krant maakte van de wedstrijd van de Belgen tegen de Tsjecho-Slowaken zelfs een beschouwend verslag (1,5%). Sportwereld ten slotte ging het diepste in op de wedstrijden in Parijs. Zij maakten een voor- en een nabeschouwing bij de behaalde resultaten van de Belgen.
Samenvattend konden we stellen dat de verslaggeving van de spelen in Parijs door het hele maatschappelijke spectrum van de Belgische bevolking kon gelezen worden. De berichtgeving was echter niet erg diepgaand. Er moest wel in rekening worden gebracht dat kort na de Eerste Wereldoorlog inhoudelijk weinig was veranderd ten opzichte van de periode ervoor. De redacteurs beperkten zich voornamelijk tot een technisch verslag waarbij de wedstrijdfeiten chronologisch opgesomd werden.[468]
3.3 De receptie van de Arbeidersolympiades in de Belgische dagbladpers
Bij de bespreking van de receptie van de arbeidersolympiades hebben we ervoor gekozen om haar drie edities te onderzoeken. Daarnaast analyseerden we ook de voorloper van de Arbeidersolympiades, het Arbeiderssportfeest te Praag in 1921 en de Spartakiade van Moskou in 1928, de communistische tegenhanger van de Arbeidersolympiade.
3.3.1 De receptie van het Arbeiderssportfeest in 1921 te Praag in de Belgische dagbladpers
|
|
Vooruit |
Le Peuple |
Het Laatste Nieuws |
La Libre Belgique |
Le Soir |
De Schelde |
Sportwereld |
TOTAAL |
|
Uitslagen |
- |
- |
- |
- |
- |
|