| Alternatieve Olympiades in het interbellum. Een onderzoek naar de receptie in de Belgische dagbladpers (1919-1937). (Joep Vanderbeke) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Deel 1: De Alternatieve Olympiades in het Interbellum (1919-1937)
Hoofdstuk 1: De Intergeallieerde Spelen (Parijs 1919)
1 Inleiding
Na de Eerste Wereldoorlog was de eerst grote internationale sportontmoeting niet de Olympiade van Antwerpen in 1920. Het sportevenement dat de atleten letterlijk “van de loopgracht naar de looppiste”[32] brachten, vonden tussen 22 juni en 6 juli 1919 plaats in Parijs. Zoals zijn naam al laat vermoeden werden de Intergeallieerde Spelen enkel opengesteld voor de overwinnaars van de oorlog. De circa 1500 deelnemende atleten afkomstig uit 19 landen hadden allen tijdens de oorlog als militair gediend. Dat een dergelijke organisatie slechts zeven maanden na het einde van de oorlog op poten kon gezet worden had een aantal redenen die het puur sportieve overstegen.
2 De voorbereidingen
2.1 De idee krijgt vorm
Het initiatief voor de eerste naoorlogse Olympiade kwam van Elwood S. Brown. Brown was het hoofd van het departement atletiek van de Youth Military Christians Association (YMCA) van de V.S. Hij had jaren het leger gediend als sportinstructeur voor de Amerikaanse troepen op de Filippijnen. Kort voor het einde van de oorlog, in april 1918, kwam hij naar Europa. Al gauw rijpte het plan om atletiekprogramma tijdens de demobilisatieperiode te organiseren. In Zuid-Oost-Azië had de YMCA onder leiding van Brown reeds ervaring opgedaan door de eerste “Far Eastern Games” te organiseren. In het officiële gedenkboek van de Intergeallieerde Spelen staat nogal romantisch voorgesteld hoe, tijdens de ‘Far Eastern Games’, Chinezen, Japanners en Filippino’s hun raciale vooroordelen overboord gooiden wanneer ze elkaar ontmoetten op de atletiekpiste.[33]
In dezelfde geest moeten ook de Intergeallieerde Spelen gezien worden. Bij zijn aankomst in Europa zag Brown “massa’s mannen, verbonden door hun geloof in de gemeenschappelijke idealen waarvoor zij aan het vechten waren, zelfs al kenden ze elkaar nauwelijks”[34].
Brown geloofde in het project omdat het een dubbel voordeel zou opleveren: de geallieerde soldaten zouden elkaar kunnen leren kennen en ze duurzame vriendschappen opbouwen. Deze vriendschappen zouden, nog volgens Brown, van fundamenteel belang zijn voor het toekomstige welzijn van de wereld. Bovendien zouden de Intergeallieerde Spelen een gezond tijdverdrijf zijn voor de militairen die hun terugkeer naar het thuisland moesten afwachten.
Op 15 oktober 1918, nog voor de wapenstilstand van 11 november, ontvouwde Brown, in een brief geadresseerd aan Kolonel Bruce Palmer, zijn plannen. Hij suggereerde vier mogelijke scenario’s voor een atletiekprogramma gedurende de demobilisatieperiode:
“1. Massaspelen en spelen voor elke burger; “Atletiek voor allen”.
2. Officiële kampioenschappen van de American Expeditionary Forces (AEF) met een grote variëteit aan sport, met inbegrip van militaire activiteiten. Te beginnen met eliminatieproeven binnen het regiment, vervolgens binnen de divisies en eindigend in een grote finale in Parijs.
3. Spectaculaire fysieke activiteiten en demonstraties te organiseren in verschillende centra om aan de geallieerde vrienden het beste van Amerika’s sporten, haar spelgeest en ten slotte haar fysieke capaciteiten te tonen.
4. Intergeallieerde atletiekcompetities - enkel open voor geallieerde soldaten – ja zelfs echte Militaire Olympische Spelen.”[35]
Brown herhaalde zijn vraag na de Wapenstilstand van 11 november en op 27 november stuurde zijn directe overste, E.C. Carter de grote baas van de YMCA, een brief naar Generaal Pershing met de suggestie om Intergeallieerde spelen te organiseren. Hoewel Brown het eerste scenario het meeste sympathie toedroeg, gaven de diplomatieke mogelijkheden van “Militaire Olympische Spelen de doorslag.[36]
Carter zag in dat de tijd drong en deed meteen enkele praktische voorstellen in zijn brief. Zo konden de Spelen in april 1919 in het Colombes stadion gehouden worden, daar waar ook de Olympische Spelen van 1900 hadden plaatsgevonden. Er moest bovendien snel gehandeld worden, want “er zou een gelijkaardig voorstel kunnen komen, op gronden die minder voldoening zouden schenken en vanuit een andere bron!”[37]
Kolonel Wait C. Johnson, de recent benoemde ‘Chief Athletic Officer’ van de AEF, werd bij het project betrokken. Deze was meteen enthousiast over de idee om Intergeallieerde Spelen te organiseren. De YMCA en de AEF sloegen de handen in elkaar. Johnson was er net als Elwood Brown van overtuigd dat er iets nodig was om het vechten te vervangen, iets dat bovendien het collectieve bewustzijn van de geallieerde troepen stimuleerde. Het enthousiasme van de soldaten zou niet hoog kunnen gehouden door enkel militaire oefeningen uit te voeren. Terwijl de soldaten wachtten om naar huis terug te keren, moest er een waardig alternatief gevonden worden voor het bevechten van de vijandige centrale machten. Intergeallieerde Spelen pasten perfect in kolonel Johnsons plaatje. Aan de manschappen kon goed werk gegeven worden, de spelen boden een ideale uitlaatklep en ze waren een manier om burgersoldaten terug voor te bereiden op het maatschappelijk leven.[38]
2.2 De bouw van het stadion
Het Colombes-stadion voldeed niet aan de noden en daarom werd beslist een nieuw stadion te bouwen. De bouw ervan was een ware krachttoer. In slechts enkele maanden tijd werd, ten oosten van h et bos van Vincennes, een gloednieuw stadion gebouwd dat 25000 toeschouwers kon herbergen en een eretribune voor 2500 personen bezat. Het plan werd uitgetekend door twee Parijse architecten Buisson en Guiffard en het bouwen zelf werd uitbesteed aan een Franse openbare onderneming. De werken gingen effectief van start op 11 april en vorderden snel, tot begin mei in Frankrijk een staking uitbrak waardoor het werk nooit klaar zou raken. Daarop namen de Amerikanen het initiatief over. Honderd officieren en 3300 soldaten werkten dag en nacht en op 6 juni was het werk klaar.[39]
Op 22 juni werd het stadion tijdens een plechtige openingsceremonie ingewijd. Bij de toespraken op de openingsceremonie bood Carter, secretaris-generaal van de YMCA, het stadion aan aan generaal Pershing, die het op zijn beurt schonk aan de Franse minister Georges Leygues. De Franse overheid noemde als dank het stadion naar Generaal Pershing.[40]
3 De tijdsomstandigheden
3.1 De officiële olympiade: Antwerpen 1920
Antwerpen had zich reeds in maart 1912, tijdens de dertiende zitting van het IOC te Bazel, kandidaat gesteld als organisator van de VIIe Olympische Spelen. Tegenkandidaten waren Budapest, Amsterdam en Rome. Een onderzoekscommissie zou de kandidaturen van de verschillende steden naar waarde te schatten. De Eerste Wereldoorlog doorkruiste echter de definitieve toewijzing.
Uiteindelijk zou de oorlog de beste reclame blijken voor het ‘dappere’ België, dat 4 jaar lang het strijdtoneel van deze vreselijke oorlog was geweest. Naast Budapest, Rome en Amsterdam, bood na het uitbreken van de oorlog, ook Lyon aan de Spelen te organiseren. Meteen sloot Graaf Edouard d’Assche, de voorzitter van het comité dat in 1914 op het Olympisch Congres in Parijs de Belgische kandidatuur had verdedigd, een akkoord met de burgemeester van Lyon, Edouard Herriot. Herriot trok zijn kandidatuur voor 1920 niet in, maar stelde dat Lyon de kandidatuur van een “bevrijd Antwerpen” zou steunen en dat Lyon zich in dat geval opnieuw kandidaat zou stellen voor de Spelen van 1924. Door dit akkoord verwaterden de kansen van het ‘neutrale’ Amsterdam en het ‘vijandelijke’ Budapest. Van de Romeinse kandidatuur was geen sprake meer. Atlanta, Cleveland, Philadelphia en Havana hadden ook hun kandidatuur gesteld, maar het was de Coubertin zelf die zijn voorkeur voor Antwerpen liet blijken. De keuze voor België was duidelijk politiek. Het was een niet mis te verstane vingerwijzing naar Duitsland, de agressor, dat het neutrale België was binnengevallen. Uiteindelijk werden de Spelen pas op 5 april 1919, slechts 16 maanden voor de openingsceremonie, definitief aan Antwerpen toegewezen[41].
Niet alleen was de emotionele keuze voor Antwerpen goed om de Spelen nieuw leven in te blazen, dit had ook gevolgen voor de deelnemende landen.[42] De Coubertin verwoordde het als volgt: “Er stelde zich een moeilijk probleem – de deelname van de Centrale Machten, zoals deze nu gekend waren. Er zijn slechts enkele maanden voorbij sinds de laatste Duitse soldaten het Belgische grondgebied hebben verlaten en de laatste schoten zijn afgevuurd. Goed fatsoen zei dat de Duitse atleten niet konden deelnemen…de oplossing was simpel; deze was dat elk organiserend comité, volgens de formule, uitgedacht en toegepast sinds 1896, de uitnodigingen verstuurt.” [43] Noch Duitsland, noch Hongarije, noch Oostenrijk, noch Bulgarije werden uitgenodigd. Ook Rusland kreeg geen uitnodiging. De Sovjet-Unie zou trouwens pas door het IOC erkend worden na Wereldoorlog II, terwijl de meeste staten dat al in 1933 hadden gedaan. Moskou tilde hier niet zwaar aan. De Russen wilden immers niets te maken hebben met de een of andere vorm van burgerlijke sport.[44]
De Coubertin was de organisatoren erg dankbaar dat ze erin waren geslaagd om de Olympische Spelen terug op de kaart te plaatsen. Hijzelf was vastberaden om zijn ‘droom’ te institutionaliseren. Het was zijn bedoeling om van de Spelen een ‘religieuze viering’ te maken, die van karakter neutraal genoeg zou zijn om boven alle verschillen in doctrine te staan.[45] De Olympische vlag en de Olympische eed illustreerden dit.
De vlag stond symbool voor het Internationalisme dat in die tijd, grote opgang maakte. Getuige daarvan ook de Esperantobeweging (1894) en de Scoutsbeweging, gesticht door Lord Baden Powell (1907).[46] De vlag bestaat uit vijf in elkaar gehaakte ringen met elk een verschillende kleur: blauw, geel, rood, groen en zwart. Elk van de nationale vlaggen van de ‘Olympische landen’ bevat minstens één van die kleuren.
De Olympische eed, uitgesproken door Victor Boin, ging als volgt: “In de naam van alle atleten zweer ik dat wij ons tijdens deze olympische Spelen zullen gedragen als loyale atleten, met respect voor de reglementen en verlangend om eraan deel te nemen in een edelmoedige sfeer voor de eer van ons land en de glorie van de sport.”[47] Ondanks het credo van internationalisme, versterkte deze eed het nationale bewustzijn. In 1961 werd deze eed trouwens veranderd. ‘Zweren’ werd ‘beloven’ en ‘de eer van ons land’ werd ‘de eer van onze ploeg’.
3.2 Het politieke klimaat
In januari 1919 startten de gesprekken van de vredesconferentie van Parijs. De overwonnen landen werden niet uitgenodigd. Ook Rusland was afwezig omwille van de communistische Revolutie. Alles samen zaten er 27 “Geallieerden en Geassocieerden” aan de onderhandelingstafel. De besprekingen werden geleid door een kleine kern waarvan President Wilson (USA), Lloyd George (Groot-Brittannië) en Clemenceau (Frankrijk) de grote mannen waren. Er werd een regeling met Duitsland afgesproken die op 28 juni 1919 (tijdens de Intergeallieerde Spelen) in Versailles werd ondertekend. De verdragen die aan de andere verliezers van de oorlog werden opgelegd werden later getekend: Op 10 september 1919 het verdrag van Saint-Germain met Oostenrijk en op 4 juni 1920 het verdrag van Trianon met Hongarije.[48]
Wilson wilde op de vredesonderhandelingen zijn 14-puntenprogramma doordrukken. In theorie zijn de besprekingen op zijn ideeën geschoeid (bijvoorbeeld de wil tot oprichting van een Volkerenbond), maar een internationale consensus werd nooit bereikt. Belangrijk voor de Amerikanen was om een machtsevenwicht in Europa te vinden. Wilson wilde Duitsland als macht behouden. Dit was ten zeerste tegen de zin van Clemenceau, die vreesde voor een Duitse revanche. Hij drong er ook op aan om de Duitse herstelbetalingen zo zwaar mogelijk te laten zijn. De Engelsen onder leiding van Lloyd George, daarentegen stonden eerder aan de kant van de Amerikanen. Ook zij wensten Duitsland als een macht te handhaven om het Franse overwicht in Europa in te perken. Ook de financiële tegemoetkoming voor de geleden oorlogsschade hoefde niet hoger te liggen dan wat de Engelse schuld aan de Amerikanen was.
Het eindresultaat van de onderhandelingen was dat de Volkerenbond werd opgericht, dat Duitsland zware herstelbetalingen moest betalen en dat de politieke kaart van Europa volledig werd hertekend. Er kwamen nieuwe staten tot stand en de internationale verhoudingen werden grondig gewijzigd. Duitsland bleef de mogelijkheid behouden om een grootmacht te blijven.[49] Minstens even belangrijk was dat de Eerste Wereldoorlog het mondiaal machtsevenwicht veranderde. Europa, het oude continent, verloor zijn positie als wereldleider ten nadele van de USA. Amerika zou een imperialistische koers gaan varen.
4 De ideologische achtergrond: De imperialistische politiek van de USA
4.1 De Intergeallieerde Spelen, het verdrag van Versailles en het politiek imperialisme van de USA
Het verdrag van Versailles werd op 28 juni 1919 ondertekend. De Intergeallieerde Spelen vonden plaats van 22 juni tot 6 juli 1919 in Parijs. Dit samenvallen deed het vermoeden rijzen dat de Intergeallieerde Spelen een rol hebben gespeeld in het diplomatieke spel van de grootmachten. De Intergeallieerde Spelen pasten in elk geval in het politieke plaatje doordat ze zich profileerden als “een uniek feest van een grotere en hoopvollere vrede dat door verschillende rassen en nationaliteiten samen werd gevierd.”[50] Een retoriek die lijkt op de oproep van Wilson tot het oprichten van de volkenbond.
Thierry Terret was van oordeel dat de VS de Intergeallieerde Spelen als middel aangewend heeft om de nieuwe positie van de Verenigde Staten als wereldleider te versterken.[51] Terret was nog specifieker. Hij meende dat de Spelen één van de middelen van de Amerikanen waren om Franse invloed op het wereldtoneel te beperken en de Amerikaanse impact te vergroten. Personderzoek leerde immers dat de Amerikanen niet nalieten om, wanneer zij de Fransen versloegen, dit extra in de verf te zetten. Frankrijk was het machtigste land op het oude continent en stond symbool voor de vroegere Europese dominantie, terwijl de VS de opkomende wereldleider was. De achterliggende reden voor de Amerikaanse deelname aan de Eerste Wereldoorlog was politiek imperialisme. Waar de USA in Versailles hun deelname aan de oorlog politiek verzilverde, zag men de Intergeallieerde Spelen als een hefboom om de Amerikaanse cultuur te verspreiden.
4.2 Het cultureel imperialisme van de Amerikaanse YMCA
Het initiatief voor de Intergeallieerde Spelen kwam vanuit de hoek van de Amerikaanse afdeling van de Young Men’s Christian Association (kortweg YMCA). Het was ook de YMCA die zorgde voor de financiering en de materiële ondersteuning van de organisatie. Ook in de technische commissies zaten hun trainers en officials. Een hele investering die meer bleek te zijn dan enkel liefdadigheid. Ging de Amerikaanse overheid politiek de imperialistische toer op, dan haakte de YMCA daar zijn wagonnetje aan vast door cultureel imperialisme na te streven. Dit imperialisme steunde op twee pijlers: Naast hun religieuze bekeringsijver streefden ze het ideaal van de atletische, viriele man na[52].
De YMCA werd opgericht in 1844 in Londen. Binnen een tijdsspanne van enkele jaren verspreidde de beweging zich in Zwitserland, De USA, Frankrijk, Canada, Duitsland en Nederland. In 1855 was de beweging al zo groot dat een eerste wereldconferentie in Parijs werd georganiseerd. Hier werd de wereldalliantie der YMCA’s gesticht[53].
In de volgende jaren evolueerde de visie van de Amerikaanse YMCA, onder impuls van Dr. L. Gulick naar een levensbeschouwing met eenheid van lichaam en geest. Proselitisme en viriliteit werden de sleutelbegrippen binnen de YMCA.[54] Dit moet begrepen worden vanuit haar geschiedenis: Het internationaal college van Springfield (Massachusetts), opgericht in 1887, leidde jaarlijks 300 specialisten in de opvoeding op. Men deed dit vanuit de optiek dat het gebruik van sport een goed middel was om zieltjes te winnen voor de christelijke zaak. De tweede motivering, de idee van de atletische viriele man, maakte opgang na het einde van de burgeroorlog in 1865. De angst voor een vervrouwelijking van de samenleving door de afwezigheid van strijd op het slagveld zette opvoeders ertoe aan om te zoeken naar educatieve confrontaties[55]. Het is daarom geen toeval dat de binnen de YMCA het basketbal en het volleybal werden uitgevonden.
De omvang en de doelgroep van de acties van de Amerikaanse YMCA hebben zich stelselmatig uitgebouwd in drie etappes. In een eerste fase, voor 1914 werden talrijke programma’s opgericht die gericht waren op Amerikaanse burgers van wie economische, sociale en religieuze acties verwacht werden. In een tweede fase werd de bekeringsijver radicaler en was deze assimilationistisch van aard wanneer nieuwe immigratiestromen het land bereiken. Vanaf het begin van de twintigste eeuw verspreidde de YMCA zijn methodes en doelstellingen over de nog onontgonnen werelddelen Azië en Zuid-Amerika. De nadruk lag hierbij meer op het sportieve dan op het religieuze. De Regionale spelen, in 1913 in Manilla door de YMCA georganiseerd waren hiervan een culminatiepunt.[56]
4.2.1 De pijlers van de YMCA
4.2.1.1 De nieuwe mannelijkheid: de atletische, viriele man
De visie op sport was meteen een ambassadeur voor de visie van de YMCA op mannelijkheid. In het begin van de 20e eeuw en tijdens de oorlog onderging de beleving van de mannelijkheid een identiteitscrisis.[57] Men ging op zoek naar een herdefiniëring van een legitiem model. De Intergeallieerde Spelen van 1919 hebben een conflict uitgelokt tussen twee verschillende vormen van invulling van de mannelijkheid (De Franse stijl tegen de Amerikaanse). In de Amerikaanse pers werd de meeste aandacht besteed aan de wedstrijden waarin de symboliek van de strijd het sterkst naar voren kwam: schieten, rugby en boksen. Het was geen toeval dat de Amerikanen in het schieten een algemene dominantie tentoon spreidden. Net zoals het evenmin toeval was dat de YMCA gymnastiek niet op het programma zette, officieel omdat turnen moeilijk te jureren viel, officieus omdat turnen niet als een viriele sport werd aanzien. Ook omtrent de regels van het boksen kwamen beide visies op viriliteit in conflict. De Amerikanen vonden dat de Engelse regels van het boksen een ‘ladies affair’ maakten. Zij stonden erop dat de Amerikaanse regels zouden toegepast worden[58]. Algemeen gezien kon de Amerikaanse visie samengevat worden als een beheerste viriliteit, maar individualistisch en ondernemend, terwijl de Franse visie op mannelijkheid ook omschreven werd als een beheerste viriliteit, maar dan collectief en ondergeschikt[59].
De vraag of de YMCA erin geslaagd is om haar visie op mannelijkheid via de Intergeallieerde Spelen op te dringen gelukt is, is niet gemakkelijk te beantwoorden. La Vie au Grand air schrijft op 15 maart 1919 over de Amerikaanse atleten: “Niet zomaar deze of deze man, maar wat een schitterende mannen qua lichaamsbouw, morfologie, en kracht.” Ook de almanak van de AEF is optimistisch: “Het verblijf van de Amerikaanse soldaat in heeft in ruime mate bijgedragen tot de Europese houding ten opzicht van de mannelijkheid.”[60]
Een kanttekening die hierbij moet geplaatst worden is dat een belangrijk percentage van de Amerikaanse delegatie uit zwarte atleten bestond. Het aandeel van het belang van een ras werd onderschat ten opzichte van het belang van het educatief systeem.[61] Niettemin was Frankrijk ervan overtuigd dat hun opvoedkundig model in het turnen voorbijgestreefd was door het Amerikaanse systeem.[62]
4.2.1.2 Proselitisme
De YMCA had zich sinds de eeuwwisseling als de morele autoriteit van het Amerikaanse volk gemanifesteerd. Hoewel de YMCA meer de klemtoon legde op het atletische sportideaal, waardoor de evangelisering naar het tweede plan verdreven werd, bleven de christelijke waarden in hun bezigheden aanwezig. Zo beschuldigde Japan sinds de ‘Far Eastern Games’ van 1915 de Amerikanen ervan sport systematisch te misbruiken als propaganda voor het Christendom.[63]
In hoeverre de Intergeallieerde Spelen bijdroegen tot deze doelstelling van het YMCA is opnieuw een moeilijke vraag. In elk geval gebeurde het proselitisme niet op een uitgesproken manier (West-Europa was al grotendeels christelijk).
4.2.1.3 Cultureel imperialisme
Voor de YMCA was de toetreding van de USA tot de oorlog een geschenk uit de hemel. De YMCA kreeg de verantwoordelijkheid over het sportprogramma voor de soldaten. Dit moest het leven in de loopgraven iets aangenamer maken. Hier zag de YMCA haar kans schoon om haar educatieve visie via sport door te geven. De rol van behoeder van de morele autoriteit van Amerika die de YMCA zich aanmat, werd geaccepteerd door de militaire autoriteiten en de Amerikaanse politiek.[64] Volgens Elwood Brown volgde Europa met plezier de weg van de YMCA: “zowel de Franse soldaten, alsook de burgerbevolking, zijn erg geïnteresseerd in de Amerikaanse sporten en de goede spirit waarin deze gespeeld worden. […] De Europeanen hebben gekeken, zij waren onder de indruk en vaak kopieerden ze ons.”[65] Nog volgens Brown moest het Amerikaanse systeem, gebaseerd op het spel en het spelplezier, uiteindelijk zijn stempel op de wereld drukken voor het fysieke, morele en mentale welzijn van de hele menselijkheid: “Het Amerikaanse leger heeft aan de wereld getoond dat “all work and no play” niet goed is voor het algemeen welzijn van een soldaat.. Het Amerikaanse systeem van spel heeft zijn stempel gedrukt op de hele wereld, en nu hebben andere naties dat idee overgenomen en vanaf dit moment, en vanaf nu zal spel, zoals dit gekend is in het Amerikaans leger, een belangrijkere factor zijn voor het fysieke, mentale en morele welzijn van de wereld.”[66]
Een revolutionaire cultuurverandering werd door de Spelen niet bereikt. Op lange termijn zou het engagement van de YMCA wel zijn vruchten afwerpen. We moeten eerder spreken van een evolutie dan van een revolutie. Na de Intergeallieerde Spelen kwamen vanuit verschillende landen (o.a. Italië, België, Polen, Tsjecho-Slowakije en Roemenië) aanvragen om gebruik te maken van de educatieve expertise van de YMCA.[67] In België en in de rest van de wereld was men geïnteresseerd in de ideeën en de nieuwe sporten van de YMCA.
In België was Sportwereld onder de indruk van de Amerikanen. De Amerikanen kwamen de Europeanen “een les geven”[68]. Een sportieve les welteverstaan, over educatieve methodes werd niet gesproken. Ook in andere kranten vonden wij regelmatig verwijzingen terug naar sportfeesten die door de YMCA georganiseerd werden in België. In Antwerpen, Brussel en Beverloo werden kort na de bevrijding dergelijke evenementen opgezet.“Voorloopig zouden alleen militairen aan de meetings deelnemen, maar langzamerhand zou’t burgerlijk element uitgenoodigd worden ten einde alzoo eene doelmatige propaganda voor de sport in België te maken.”[69] Op die feesten werden ook nieuwe sporten geïntroduceerd. “Buiten de verschillende sporten die hier beoefend worden is Colonel Robinson zinnens verschillende nieuwe spelen te voeren.”[70] België stond in elk geval open voor de initiatieven van de Amerikanen. De Schelde spoorde zelfs de Antwerpse clubs aan om enthousiast aan de sportfeesten ingericht door de YMCA deel te nemen. “Nota ter redactie – wij hopen dat onze lokale clubs er aan houden zullen hunnen beste elementen te doen medewerken.”[71] Deze nieuwe sporten verdrongen de in België populaire sporten voetbal of wielrennen niet, maar vonden toch hun plaatsje in het Belgische sportveld. Zo werd reeds in januari 1927 de Belgische basketbalbond opgericht.[72]
Een belangrijke schakel voor de culturele invloed van de YMCA op wereldvlak was de samenwerking tussen Elwood S. Brown en Pierre de Coubertin. De Intergeallieerde Spelen waren de oorzaak van contact geweest tussen het IOC en de YMCA. De Coubertin stond erg wantrouwig tegenover de Intergeallieerde Spelen, want hij zag in de YMCA een bedreiging voor de status van het IOC.[73] Gelukkig voor de Coubertin had deze organisatie absoluut niet de bedoeling om een rivaal van het IOC te worden. De YMCA wilde enkel sport, en in het verlengde daarvan haar visie op mannelijkheid en evangelisatie, over de hele wereld promoten. Toen de Coubertin het enorme potentieel van de YMCA inzag, lag de weg tot samenwerking open. Door vriendschap te sluiten met Elwood Brown en een officiële samenwerking met YMCA aan te gaan, kon de Coubertin profiteren van de structuren die de YMCA op sportgebied reeds had opgezet. Vooral in minder ontwikkelde regio’s was de rol van de YMCA doorslaggevend. Geschoeid op de waarden van de Amerikaanse YMCA werden Regionale Spelen georganiseerd die sport verspreidden in kansarme landen en er zo op lange termijn voor zorgden dat de Olympische Spelen nieuwe deelnemende landen en atleten kreeg.
Een sporttak als basketbal, uitgevonden door de YMCA,[74] werd een stille herinnering aan de invloed van de YMCA op de Olympische beweging. Basketbal heeft zijn ingang gevonden op het Europese vasteland dankzij de Intergeallieerde Spelen en het werk van Elwood Brown. Dat de sport in 1919 nog niet bekend was bewijzen de uitslagen op de Intergeallieerde Spelen: Amerika verpletterde de enige twee tegenstanders Frankrijk en Italië met respectievelijk 93-8 en 55-17. In hun onderling duel versloeg Italië Frankrijk met 15-11.[75] In 1936 was Basketbal reeds een Olympische sport geworden. Amerika won de gouden medaille, Canada werd tweede, Mexico pakte het brons.[76]
5 De extrasportieve activiteiten
Eén van de doelstellingen van de Intergeallieerde Spelen bestond erin dat de deelnemers elkaar zouden leren kennen. De organisatoren deden er in elk geval alles aan om de band tussen de militairen van de verschillende landen te verstevigen. De extrasportieve voorzieningen overstegen veruit de standaard van andere grote sportmanifestaties.
Het sociale leven en het clubleven van de militairen werd aangemoedigd door het optrekken van verschillende hutten. Het centrum van de belangrijkste activiteiten was de ‘intergeallieerde hut van de YMCA’. Hier werden ’s avonds cinemavoorstellingen gehouden, er kwamen gastsprekers en er werd vaak gedanst. Eenentwintig YMCA secretaresses en negenenvijftig Amerikaanse meisjes werkten in shifts om de gasten te voorzien van drank en om te fungeren als danspartner.[77]
De gasten van Generaal Pershing werden ontvangen in de ‘Pershing hut’, die speciaal voor de gelegenheid was opgetrokken. Deze hut was luxueus ingericht en was erop voorzien dat de generaal en zijn gasten zich via een private gang rechtstreeks naar het stadion konden verplaatsen.[78]
Andere voorzieningen waren: een postkantoor van waar de deelnemers hun brieven konden posten en auto’s en gidsen voor de atleten die wensten Versailles en Parijs te bezichtigen. Bovendien deed iedereen zich tegoed aan consumptiegoederen als ijscrème en limonade, die tijdens de oorlog zo goed als niet te krijgen waren.[79]
6 De Sportieve impact
6.1 De deelnemende landen
Generaal Pershing verstuurde op 10 januari 1919 uitnodigingen naar negenentwintig landen. Zeventien landen gingen officieel op de uitnodiging in. Twee landen hadden atleten in Parijs, maar deze vertegenwoordigden hun natie niet officieel. Toch is niet geheel duidelijk of elk land deelnemers aan de start had staan. Wellicht moest de toezegging van China en Brazilië tot deelname eerder symbolisch opgevat worden. Zij liepen mee in de openingsstoet, maar geen enkele atleet met de Chinese of de Braziliaanse nationaliteit kwam in de deelnemerslijsten voor. De deelname van Britse en Poolse atleten was een ander verhaal. Hoewel deze landen als natie niet officieel vertegenwoordigd waren, kampten enkele atleten van Britse en Poolse origine mee. De Britten weigerden deel te nemen uit ongenoegen over hun verloren machtspositie. De problemen in de kolonies en in de binnenlandse politiek slorpten te veel energie op om zich volop op de wereldpolitiek te kunnen storten. In totaal namen bijna 1500 atleten deel aan deze alternatieve Olympiade. Sommige delegaties waren uitgebreider dan onderstaande tabel[80] aangeeft, omdat een aantal onder hun vertegenwoordigers enkel meededen aan de demonstraties.
|
Officiële delegatie |
Aantal deelnemers |
Eindklassement en aantal punten |
|
Australië |
62 |
4e – 41 punten |
|
België |
157 |
5e – 27 punten |
|
Brazilië |
0? |
|
|
Canada |
113 |
6e – 18 punten |
|
China |
0? |
|
|
Frankrijk |
253 |
2e – 104 punten |
|
Groot-Brittannië |
5 + 27 |
12e – 2 punten |
|
Griekenland |
86 |
13e – 1 punt |
|
Guatemala |
1 |
|
|
Hedjaz[81] |
3 |
|
|
Italië |
132 |
3e – 45 punten |
|
Newfoundland |
1 |
|
|
Nieuw-Zeeland |
17 |
10e – 6 punten |
|
Polen |
1 |
|
|
Portugal |
51 |
8e – 12 punten |
|
Roemenië |
110 |
9e – 6 punten |
|
Servië |
67 |
11e – 3 punten |
|
Tsjecho-Slowakije |
47 |
7e – 16,5 punten |
|
Verenigde Staten |
282 |
1e – 220 punten[82] |
|
Totaal |
1415 |
|
Uit de tabel van de deelnemende landen bleek nogmaals dat enkel de naties die aan de zijde van de overwinnaars in de grote oorlog hadden gevochten, mochten deelnemen. De spelen moesten immers de superioriteit van de Geallieerden tegenover de centrale machten onderstrepen. De Griekse reactie op de uitnodiging voor de Spelen illustreerde het overheersende gevoel: “Net zoals in de antieke tijd, worden de barbaren van de Spelen uitgesloten. Hetzelfde is vandaag het geval. Aan de Spelen zullen enkel de soldaten van de naties die vechten voor gerechtigheid en de vrijheid van de wereld, deelnemen.”[83]
Daarnaast was de bedoeling van deze spelen het bevorderen van de band die tussen de geallieerde troepen was ontstaan tijdens het vechten aan het front. De organisatoren deden er, zoals verder te lezen valt, in elk geval alles aan om die band te versterken.
De oorlog en het verdrag van Versailles hadden heel wat veranderd. Niet alleen groeide er een kloof tussen de verliezers en de winnaars van de oorlog, er waren ook nieuwe landen bijgekomen en de verhouding tussen landen onderling was veranderd. Dit had ook zijn weerslag op de Intergeallieerde spelen.[84]
Zo verwierp Groot-Brittannië de Amerikaanse dominantie in de voorbereiding en de organisatie van de Spelen. De pré-oorlogse rivaliteit tussen beide landen werd doorgetrokken. De Britten hadden echter zo geleden onder de oorlog dat ze in de strijd om de werelddominantie definitief de VS moesten laten voorgaan. De trotse Britten stuurden bijgevolg geen officieel team naar Parijs, enkel individuen die mochten deelnemen als zij dit wensten[85].
Voor de Tsjechen (en de Slovaken) betekenden de Intergeallieerde Spelen de eerste internationale manifestatie waarin het Oostenrijks-Hongaars juk werd afgegooid. Van nu af aan presenteerde Tsjecho-Slowakije zich als autonome politieke staat.
De Serviërs werden, samen met de Belgen, gezien als de grootste slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Ook al was de officiële naam van het nieuwe land “Joegoslavië” of ‘Koninkrijk der Serven, Kroaten en Slovenen’, toch werden de atleten van de Joegoslavische delegatie doorgaans als ‘Serviërs’ aangesproken. In de perceptie van de internationale gemeenschap stond Servië immers synoniem voor Joegoslavië. De eigenheid van de andere volken werd genegeerd. Koning Nikita van Montenegro, een rabiaat tegenstander van de Joegoslavische unie, streed voor de autonomie van zijn koninkrijk. Hij erkende als geen ander de politieke kracht die sport in zich heeft. Op de Intergeallieerde Spelen overhandigde de koning van Montenegro het kruis van eerste klas der Orde van Danilo aan de Amerikaanse winnaars en aan de bekende franse loper Jean Vermeulen.[86] Zijn inspanningen mochten niet baten. Zijn claim op onafhankelijkheid werd door de internationale gemeenschap genegeerd.
6.2 De Amerikaanse dominantie
Zoals tabel 2 toonde, waren de Amerikaanse atleten superieur. Hoewel het in principe niet de bedoeling was om een natie als winnaar aan te duiden, werkte het puntensysteem dit toch in de hand. Van de 26 afzonderlijke evenementen op het programma, behaalden de Amerikanen 12 eerste plaatsen en 19 tweede plaatsen.
De superioriteit was te verklaren door een aantal factoren. Ten eerste telden de American Expeditionary Forces het grootste aantal atleten dat zich had ingeschreven. Verder had het Amerikaanse leger een intensief atletiekprogramma uitgewerkt waaraan alle Amerikaanse soldaten na de oorlog participeerden. Ook waren de meeste van de sporttakken die op het programma stonden, populair bij de Amerikaanse atleten. Bovendien schrok de Amerikaanse militaire staf er niet voor terug om professionele atleten toe te laten tot de competitie en andere sterke atleten die reeds voor het einde van de oorlog afgezwaaid waren, terug naar Parijs te roepen zodat zij de kleuren van hun land met verve zouden kunnen verdedigen. Ten slotte was ook het late toetreden van de Amerikanen tot de oorlog onmiskenbaar een voordeel.[87]
Een aantal atleten die in de jaren twintig de sportwereld zouden domineren, staken voor de eerste keer hun neus aan het venster tijdens de Intergeallieerde Spelen. Zo bijvoorbeeld Luitenant Charles Paddock. Paddock, amper 18 jaar, won zowel de 100 als de 200 meter spurt en de 4 x 200 meter estafette. Na de Intergeallieerde Spelen nam de sportieve carrière van Paddock een hoge vlucht. Hij brak of evenaarde maar liefst 49 wereldrecords, won de Olympische titel op de 100 en de 4x100 meter in Antwerpen 1920 en haalde zilver op de 200 meter in Antwerpen 1920 en Parijs 1924.[88]
Een andere grote atleet was Edward Eagan. Eagan, die in 1919 het boksen won in de middelgewichtcategorie, is de enige atleet ter wereld die een medaille won op zowel de zomer- als de winterspelen. In 1920 pakte hij het goud in het boksen, in 1932 in Lake Placid was Eagan de beste in het bobsleeën met vier.[89]
De atleet die het meeste bewondering opwekte was Luitenant Norman Ross. Ross won 4 individuele titels in het zwemmen, nam deel aan 1 estafette en maakte ook deel uit van het waterpolo-team. Ook op de Olympische Spelen van 1920 zou Ross succesvol blijken. Hij pakte drie gouden medailles: op de 1500m vrije slag, de 400m vrije slag en de 4 x 200m estafette vrije slag.[90]
Een laatste opvallende atleet was Fred Thompson. Niet zozeer het feit dat hij een nieuw record vestigde in het handgranaatgooien maakte zoveel ophef, indrukwekkender was dat Thompson aalmoezenier was.[91]
6.3 De Belgen
6.3.1 De selectie van de deelnemers
De Belgische deelnemers werden op een eenvoudige manier geselecteerd. Er werd een selectiecomité samengesteld dat bestond uit majoor Demarneffe en majoor Daufresne de la Chevalerie, luitenant Chome, luitenant Boin en auditeur Anspach. Elk lid van dit ‘Comité Sportive de l’Armée’ had de bevoegdheid over een welbepaalde sporttak.[92]
Het atletiekteam werd geselecteerd op een voorrondemeeting die gehouden werd op 11, 12 en 13 juni in het Beerschotstadion waar het volgende jaar de Olympische Spelen zouden doorgaan. Ook de leden van de boks- en worstelploeg werden in een tornooi gekozen dat op hetzelfde moment in hetzelfde stadion plaatsvond. De Belgische voetbalploeg was deze die reeds op ‘het militair tornooi der verbondenen’ Engeland verslagen had en tegen Frankrijk gelijkspeelde. Op 15 juni zouden de Belgen zelfs de latere winnaar op de Intergeallieerde Spelen, Tsjecho-Slowakije, verslaan in Rome. Het zwemteam werd gekozen op een tornooi in Antwerpen, terwijl het waterpoloteam op enkele posities na, gebaseerd was op het team dat op de vorige Olympische Spelen in Stockholm zilver had gehaald. Militairen uit bijna elk regiment van het Belgisch leger dongen mee naar een plaatsje voor het schiettornooi. De geselecteerden trainden nog 10 dagen in Beveloo alvorens naar Parijs af te zakken. De leden van het schermteam werden gekozen op basis van resultaten van tornooien voor en tijdens de oorlog. De schermers trainden gedurende de maanden mei en juni in de ‘Ecole d’escrime et de Gymnastique’ in Brussel. De ruiters ten slotte werden geselecteerd na een competitie die duurde van 10 tot 15 juni.[93]
6.3.2 De Sportieve prestaties
De Belgische delegatie was vrij succesvol in Parijs. Enkel de Franse en de Amerikaanse delegatie vaardigden meer deelnemers af. In de medaillestand legden de Belgen beslag op een verdienstelijke vijfde plaats[94]. Sportwereld was echter niet zo tevreden over het bilan dat de Belgische ploeg kon neerleggen na de Spelen: “Hadden onze vertegenwoordigers aangeduid geweest zooals ’t behoorde en hadde men hen met wat zorg voorbereid wij hadden gemakkelijk de 3de plaats kunnen bekomen. Het is te hopen dat dit alles een les weze voor de ware Olympische Spelen van 1920, welke bij ons te Antwerpen plaats grijpen.”[95] Diezelfde krant zou de kansen van de Belgen op voorhand wel niet al te goed inschatten. In atletiek werd niet verwacht een medaille te behalen, tenzij met veel geluk. Het granaatwerpen daarentegen bood perspectieven op een overwinning. In voetbal en zwemmen hadden de Belgen het meeste kans. In het worstelen, boksen, touwtrekken, schermen, roeien en schieten zou het moeilijker worden.[96] Het volgende overzicht toont aan dat Sportwereld de bal wel eens missloeg.
Het onderdeel schieten bestond uit twee disciplines: Het karabijnschieten en het pistoolschieten. Aan het karabijnschieten namen 22 Belgen op een totaal van 176 schutters uit 8 landen deel. De Belgische ploeg zou beslag leggen op een zesde plaats in de landenklassering. De Verenigde Staten maakten indruk door de 19 eerste plaatsen te bezetten. Van de 22 deelnemers aan de Militaire Olympiade zouden twee atleten ook aan de officiële Olympische Spelen deelnemen: Eerste Sergeant Adriaenssens in 1920 en 1924 en soldaat De Brucq in 1924 en 1928. Geen van beide haalde een medaille.
Ook in het pistoolschieten werden geen potten gebroken. De 12 Belgen die deelnamen eindigden per ploeg vijfde op een totaal van 6. Opnieuw lieten de Amerikanen de andere naties ver achter zich. De beste acht schutters kwamen uit de USA. Bij de eerste 21 zaten verder slechts twee niet-Amerikanen. Eerste sergeant Adriaenssens was de enige Belgische schutter die ook aan de Olympische Spelen deelgenomen heeft.[97]
Ook in het schermtornooi braken de Belgen geen potten. Zowel in het floretschermen, het degenschermen als het sabelschermen vlogen de Belgen er als ploeg in de eerste ronde uit. Niet-benoemd officier Emile Destrooper haalde als enige Belg de finale in het floretschermen waarin hij als zesde eindigde. In het degenschermen werden twee finaleplaatsen gehaald. Auditeur Paul Anspach eindigde als achtste en luitenant Robert Feyerick als vijfde. In het schermen met de sabel werd wel gescoord. Niet-benoemd officier Vincent Gillens kaapte de eerste plaats weg. Niet-benoemd officier Emile Destrooper eindigde knap vijfde.
Deze resultaten zijn relatief zwak voor de Belgische schermgeneratie van het begin van de twintigste eeuw. In 1908 won het degenteam met daarin onder andere Paul Anspach en Robert Feyerick brons per team, in 1912 werd zelfs goud behaald. In die ploeg zaten naast Anspach, die in 1912 ook individueel goud behaalde, ook luitenant Jacques Ochs en niet-benoemd officier Leon Tom (Feyerick was niet in de selectie opgenomen). Na de oorlog zou de Belgische schermsport goed blijven scoren. In 1920 haalde België zilver met opnieuw auditeur Anspach en niet-benoemd officier Leon Tom evenals Luitenant Ernest Gevers als deelnemers van de Intergeallieerde Olympiade. Ook luitenant Victor Boin maakte deel uit van deze ploeg en ook hij had deelgenomen in het Pershing stadion, zij het toen wel als lid van de waterpolo-ploeg. In 1924 behaalde België opnieuw zilver per ploeg in het schermen met de degen. Opnieuw maakten Anspach, Tom en Gevers deel uit van deze ploeg. De floretploeg haalde eveneens zilver in 1924.[98]
De belangstelling van pers en publiek voor een bepaald evenement illustreerde dat er een verschil in populariteit was tussen de ene sport en de andere. De Amerikanen en de Europeanen hadden een voorkeur voor ‘hun’ eigen sporten. “Geen enkele sport lokte meer toeschouwers dan het voetbaltornooi. De Fransen – en in feite de hele Europese bevolking – kende voetbal zoals de Amerikanen baseball kennen en de eigen aspecten van het spel appreciëren. Hoewel verschillende matchen duurden tot het bijna donker werd bleven de tribunes bij elke partij zo goed als gevuld tot aan het laatste fluitsignaal.”[99] In het voetbaltornooi eindigde België tweede in zijn poule. Het verloor tegen de Tsjechoslowaken, de latere winnaar (1-4) en vernederde Canada (5-2) en de USA (7-0). Op het Olympische tornooi in Antwerpen in 1920 zouden de Belgen zich revancheren door in de finale de Tsjechoslowaken te verslaan. Niet benoemd officier Emile Hanse, niet-benoemd officier Oscar Verbeeck en ‘Zwartebroeck’[100] maakten deel uit van de ploeg die in Parijs van de Tsjechoslowaken verloor, maar in Antwerpen revanche kon nemen. Zij waren er ook bij op het Olympisch tornooi in 1924.[101]
De roeiwedstrijden werden op 17 en 18 juli afgewerkt na de eigenlijke Intergeallieerde Spelen, dit omdat de historische Henley regatta zoals elk jaar in de eerste week van juli gepland stond. De Belgen gingen al vroeg in juli aan het trainen, maar raakten niet door de eerste ronde, noch in de skiff, noch in de 4 of de 8 met stuurman. Korporaal Nuytens nam deel aan de Spelen van 1912 in Stockholm. Jacques Haller (skiff), Sergeant Demulder, soldaat Lalemand en Sergeant Taymans (acht met stuurman) waren er ook bij in 1920. Geen van hen behaalde een medaille.
Engeland nam zoals gezegd niet deel als natie aan de Intergeallieerde Olympiade. Individueel mocht wel ingeschreven worden. ‘The British army of the Rine’ zou deelnemen, maar haakte in extremis af in de 4 met stuurman. In de acht met stuurman nam een team uit Cambridge deel dat Engeland vertegenwoordigde. Zij wonnen hun race overtuigend. [102]
De atletiekwedstrijden werden compleet gedomineerd door de Amerikanen. Zij behaalden maar liefst 92 medailles, als tweede door Frankrijk gevolgd met 12 medailles. Nieuw-Zeeland (6), Australië (5), Canada (4) en Griekenland (1) pikten ook hun graantje mee. De Belgen behaalden enkele finaleplaatsen, maar kwamen nooit in het stuk voor. Korporaal Auguste Broos (1920 & 1924) en soldaat Henri Godding (1920) zijn de enige van de 25-koppige Belgische atletiekdelegatie die tijdens latere Olympiades een stekje in de delegatie konden veroveren. Korporaal Broos haalde weliswaar een tweede plaats in het veldlopen, maar dit was een discipline dit niet meetelde voor punten. Ook in het handgranaatgooien, een wat aparte discipline binnen de atletiek, boekten de Belgen middelmatige resultaten.[103]
In het touwtrekken stootte België in de finale op de Amerikaanse ploeg. In de eerste sessie moest België zich na 14 seconden gewonnen geven, in de tweede sessie ging het na 58 seconden voor de bijl. Ondanks deze knappe prestatie nam geen enkel lid van de Belgische touwtrekploeg deel aan deze discipline op de spelen van Antwerpen.[104]
Het zwemmen dat doorging in het meer van Saint-Jean bij het Bois de Boulogne werd net zoals bij de atletiekwedstrijden volledig gedomineerd door de Amerikaanse delegatie. De Amerikanen haalden 21 medailles, de Australiërs 14, de Fransen 5 en de Italianen 2. De Belgen haalden enkele finaleplaatsen. Soldaat Julien Wuyts was de enige die in 1912 in Stockholm al deelgenomen had aan Olympische Spelen. Soldaat Neeckx haalde de finale in de 200m schoolslag en waagde opnieuw zijn kans op de Olympische Spelen in Antwerpen.
Een groot deel van de zwemdelegatie maakte ook deel uit van de waterpoloploeg. Korporaal Pierre Dewin nam deel aan de 100m vrije slag en de 100m ruslag. In 1920 en 1924 behaalde hij twee maal zilver in het waterpolo. Soldaat Georges Fleurix, die deelnam aan de 800 en de 1500m vrije slag won eveneens zilver in 1924 bij het waterpolo. Sergeant Joseph Cludts nam nog als zwemmer deel aan de Spelen van 1920, maar won zilver met de waterpoloploeg van 1924.
België was altijd al een sterk waterpololand geweest. In 1900 en 1908 won het zilver en in 1912 had de medaille de zilveren kleur. Op de Intergeallieerde Spelen kaapten de Belgen zelfs de eerste plaats weg door na het forfait van Portugal in de finale Frankrijk te verslaan met 3-0. Nadien trok België deze sterke lijn door. In 1920 en 1924 werd zilver gehaald. Luitenant Victor Boin won zilver op de Spelen in 1908 en brons in 1912. In Antwerpen was Boin erbij als degenschermer waar hij met de ploeg zilver behaalde. Albert Durand won brons in 1912 en zilver in 1920 en 1924. Maar liefst vijf van de zeven spelers op de Intergeallieerde Spelen haalde een medaille op officiële Olympische Spelen.[105]
Italië, Frankrijk en de Verenigde Staten verdeelden de meeste medailles in de paardensport onder hun drieën. België pikte ook zijn graantje mee. Kapitein Morel de Westgaver eindigde ex aequo tweede in de military samen met Chamberlain uit de USA. Er werd afgesproken dat over de tweede en de derde plaats zou beslist worden door hun respectievelijke klassement in het jumping-concours. Geen van beide ruiters haalde een hoge score, maar het was toch de Amerikaan die met de tweede plaats in de military ging lopen. In het jumpingconcours was een verdienstelijke zevende plaats op vijfenvijftig deelnemers weggelegd voor luitenant Henri Laame. Een aantal militairen die deelnamen aan de Intergeallieerde Spelen, was er ook bij op officiële Olympische Spelen. Zo behaalden luitenant Herman de Graffier d’Hestroy en luitenant Henri Laame zelfs zilver met het jumpingteam in 1920. Luitenant Ferdinand Cerna en Majoor Herman d’Oultremont namen deel aan de Spelen van 1920, Luitenant De Brabandere aan die van 1924 en 1928. Kapitein Nicolas Leroy verdedigde de Belgische kleuren in 1924. Luitenant Laame zou na zijn succes van Antwerpen in 1928 opnieuw deel uitmaken van de Olympische selectie.[106]
Het worsteltornooi werd opgesplitst in twee stijlen: het Grieks-Romeins worstelen en ‘catch’. Het Grieks-Romeins worstelen was de Amerikanen onbekend, terwijl catch hetzelfde probleem stelde voor de Europese landen. Bijgevolg wonnen de Amerikanen vlot de catch, terwijl het Grieks-Romeins worstelen een spannende Europese competitie werd. De Belgen blonken hier zelfs in uit door op een gedeelde eerste plaats met Tsjecho-Slowakije te eindigen. Ondanks de knappe prestatie van de Belgische ploeg werd geen enkele atleet van de Intergeallieerde Spelen voor de Olympische selectie weerhouden.
Een aantal atleten die ingeschreven stonden als bokser zouden uiteindelijk in het worsteltornooi hun mannetje staan. In het bokstornooi werd per ploeg een vijfde plaats op acht deelnemers behaald. Opnieuw werd geen enkele bokser op een Olympisch tornooi teruggezien.[107]
In het tennis blonken de Belgen evenmin uit. Sergeant Albert Lammens en Luitenant Jean Washer gingen eruit als team in de voorronde. Beiden haalden wel de Belgische Olympische selectie van 1920 en 1924.
Aan het baseball, het basketbal en het golfen nam geen enkele Belg deel. Baseball en Basketbal waren sporten die op het Europese continent zo goed als onbekend waren. Aan het Baseball namen enkel de USA en Canada deel, in het basketbal vernederde de USA zijn enige twee concurrenten Frankrijk en Italië. De golfsport, ontstaan in Schotland, bracht voor het eerst spelers uit verschillende continenten bij elkaar. Niettemin schreven enkel deelnemers uit Frankrijk, Amerika en Groot-Brittannië zich in.[108]
6.4 Massaspelen
Een van de doelen van de Intergeallieerde Spelen was om sport met al haar nuttige aspecten te doen herleven in alle geallieerde landen. Daarom werd een reeks demonstraties georganiseerd onder leiding van Dr. Kullenberg van de YMCA, ze werden uitgevoerd door twee compagnieën van het Amerikaanse leger. De spelen die gedemonstreerd werden, werden allemaal in het Amerikaanse leger bij training gebruikt. Het voordeel van deze massaspelen was dat men geen materiaal nodig had en dat ze voor niet-getrainde atleten gemakkelijk te spelen zijn.
Het cultureel imperialisme van de Amerikanen wordt duidelijk geïllustreerd door wat in het gedenkboek van de Intergeallieerde Spelen over het organiseren van massaspelen werd geschreven. Er werd geargumenteerd dat hun systeem het beste was omdat het leidde tot de beste resultaten (met de Intergeallieerde Spelen als duidelijk bewijs). Andere landen zaten bovendien te wachten om dit systeem over te nemen en bij hun bevolking te verspreiden. De reden waarvoor het Amerikaans systeem beter was, was volgens de opstellers van het boek dat het systeem spelplezier gaf en makkelijk uit te voeren was.
Op zondag 29 juni 1919 gaven de Amerikanen hun eerste demonstratie. “Het was wellicht de eerste keer dat de Fransen een inzicht kregen in het geheim van Amerika’s breed spectrum aan sporten. Zij zagen grote groepen mannen spelletjes spelen die niet gespecialiseerd waren, maar waar alertheid, energie en coördinatie voor nodig was. Ook andere landen hadden vertegenwoordigers in het stadion die deze methode bestudeerden met als bedoeling om lichamelijke recreatie naar alle mensen te brengen eerder dan naar enkel specialisten.”[109] Het doel van deze massaspelen was om deze vorm van recreatieve opvoeding over te brengen in de rest van de wereld waar het via de vertegenwoordigers die nu in het stadion zaten te verspreiden “bij werknemers van industriële ondernemingen, op jongenskampen, op de scholen en in landelijke streken.”[110] De reden waarom de YMCA deze vormen van lichamelijke activiteit beter achtte dan andere was de volgende: “In alle vormen van massaspelen overheerst het spelplezier. Daarom zijn massaspelen waardevoller dan andere vormen van fysieke training, zoals bijvoorbeeld set-ups die zo vervelend zijn voor de gewone man.” Het uitvoeren van deze spelletjes was bovendien niet zo moeilijk want “De soldaten waren niet speciaal getraind, maar in de grote arena speelden zij hun spelperiodes met de soepelheid van een goedgeorganiseerde gymnasiumklas.”
6.5 Algemeen sportief niveau
Onderstaande tabel vergeleek de prestaties van de atleten aanwezig op de Intergeallieerde Spelen met de tijden en afstanden die op de officiële Olympische Spelen in Stockholm en Antwerpen behaald werden.
|
Discipline |
Stockholm 1912 |