| Joseph Mobutu: sterke man of bloeddictator? Een analyse van de berichtgeving in de binnen- en buitenlandse pers over de opkomst van het Mobuturegime. (Filiep Stellamans) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
1. Onderwerp
Net na de tweede en definitieve staatsgreep van Mobutu omschrijft De Volksgazet de man als volgt: “Joseph-Désiré Moboetoe, het nieuwe Congolese staatshoofd, is een rustige familievader, hoofd van een gezin met vijf kinderen. Hij is een autodidact, een verwoed lezer, liefhebber van klassieke muziek en van sport, voornamelijk voetbal. Hij is, zo zegt men, bijzonder intelligent en gevat, en hij voelt zich thuis in elk midden.” [1]. Tegenwoordig staat de naam Mobutu heel anders synoniem voor het prototype van een meedogenloze, militaire dictator. Aanvankelijk werd de komst van Mobutu toegejuicht als een alternatief voor de volledig uit de gratie gevallen Lumumba. Ook vijf jaar later bij zijn tweede en definitieve staatsgreep werd hij opgehemeld, toegejuicht en gezien als een redder in nood van de twistzieke en onbekwame Congolese politiek. Geleidelijk aan zou de teneur van de berichtgeving over Mobutu veranderen naarmate de ware aard van de generaal steeds duidelijker werd.
Ik heb met deze verhandeling gepoogd te achterhalen welk beeld in de Westerse dagbladpers werd opgehangen van de persoon Joseph Désiré Mobutu. Dit beeld is onderhevig geweest aan een sterke evolutie, van gematigd positief naar uiterst negatief op het einde van zijn regime. Daarnaast bleek ook dat de nationaliteit en signatuur van de verschillende dagbladen een sterke invloed hebben gehad op de verslaggeving en op het beeld dat van Mobutu naar voren kwam. Het opzet van deze verhandeling bestond er voornamelijk in een overzicht en een specifieke datering te geven van de verschillende beelden en opvattingen die over Mobutu heersten in de dagbladpers, gedurende de jaren 1960. Dit decennium kan beschouwd worden als de periode waarin Mobutu zijn machtsstrijd aanvangt en geleidelijk aan alle gezag rond zijn persoon weet te centraliseren.
2. Afbakening van het onderzoek
In het verleden is reeds meermaals onderzoek gevoerd naar beeldvorming in de dagbladpers over zowel het koloniale als het onafhankelijke Congo. Eerder had Zana Etambala het al een aantal keer in zijn monografieën over de beeldvorming over Congo in de pers [2]. Daarnaast werden ook al een aantal licentiaatsverhandelingen aan het thema gewijd [3]. Ook verslaggevers van verschillende kranten en andere media [4] hebben reeds hun persoonlijk gekleurde bedenkingen neergeschreven over diverse thema’s uit de Congolese geschiedenis. Voor zover ik kan opmaken is er echter nog geen systematisch onderzoek gevoerd naar de beeldvorming in de dagbladpers over de opkomst van het Mobuturegime. Zoals op te merken valt, gaan de meeste van deze verhandelingen over de koloniale periode of over de onafhankelijkheidsperikelen (1960 – 1965). Ik heb met deze verhandeling gepoogd een volgende periode in de Congolese geschiedenis te bestuderen. Met de totstandkoming van het Mobuturegime ontvoogdt Congo zich immers definitief van het moederland, en wordt de basis gelegd van een regime dat 32 jaar Congo in zijn greep zou houden. De komst en machtsgreep van Mobutu leiden ontegensprekelijk een nieuwe periode in de Congolese geschiedenis in. Daarom heb ik onderzocht welk opvattingen er over deze persoon heersten in de binnen- en buitenlandse pers, in welke mate de verschillende dagbladen en verslaggevers vertrouwen of wantrouwen koesterden tegenover de latere dictator, en hoe dit beeld onderhevig werd aan verandering naarmate ‘de luipaard’ steeds meer en meer zijn ware gelaat toonde.
3. Verantwoording en methode
3.1. Verantwoording
Het onderzoek werd opgebouwd rond de vraag: welk beeld van Joseph Désiré Mobutu komt naar voren in de dagbladpers tussen 1960 en 1967 ? Aan welke evolutie is dit beeld onderhevig ? En in welke mate verschilt dit beeld in de Belgische, Amerikaanse en Franse dagbladpers ?
Mijn licentiaatsverhandeling is in de eerste plaats een studie van de berichtgeving over de persoon Mobutu. Vertrekkende vanuit de kennis die we hebben opgebouwd over de persoon Mobutu en zijn regime hebben we onderzocht in welke mate deze berichtgeving positief dan negatief geladen is. Daarnaast heeft de studie ook een duidelijke politieke inslag. Het Mobutu-regime is namelijk onlosmakelijk verbonden met de Franse, Belgische en Amerikaanse buitenlandse politiek. Niet alleen hebben België, de VS en Frankrijk Mobutu toegestaan (en in bepaalde mate aangemoedigd) om over te gaan tot een staatsgreep, ze hebben zijn regime ook jarenlang mee in stand gehouden. Hoewel de relatie tussen het Congo van Mobutu en deze drie landen hoogtes en laagtes kende, kunnen we toch stellen dat België, Frankrijk en de VS gedurende de eerste jaren van zijn regime de voornaamste bondgenoten en partners van Mobutu zijn geweest. Niet alleen was men verbonden via economische relaties, (vaak door privé-maatschappijen) er werden ook nauwe diplomatieke contacten onderhouden tussen deze drie landen enerzijds en Congo anderzijds. Toch kunnen we stellen dat de relaties tussen België en Mobutu tussen 1960 en 1968 een vrij wisselend patroon hebben gekend. Als kolonel en later als generaal liet Mobutu zich graag omringen en adviseren door Belgische technici. Er zijn (voorlopig) geen bewijzen gevonden die aantonen dat Belgische inlichtingendiensten Mobutu gesteund hebben bij zijn tweede staatsgreep. Desalniettemin wordt zijn staatsgreep in België toegejuicht [5]. Toch zal de relatie met België al snel verzuren. In eerste instantie werden de relaties op economisch vlak grondig verstoord. In 1966 vaardigde Mobutu immers de zogenaamde Bakajika-wet uit waardoor de Congolese staat opnieuw grond-, bos- en mijnrechten overnam. Enkele maanden later, in januari 1967, nationaliseerde Mobutu de Union Minière du Haut Katanga. Daarnaast werden de Belgische privé-maatschappijen meer en meer verdrongen door Amerikaanse, Franse, Italiaanse, Japanse, … ondernemingen die eveneens probeerden munt te slaan uit Congo. België verloor met andere woorden zijn economische greep op zijn vroegere kolonie. In tweede instantie ontwikkelde zich in de Congolese media steeds meer en meer een anti-Belgische teneur, waarbij ‘de Belgen’ als zondebok werden aangehaald voor alles wat mis liep in de Congolese samenleving [6].
De relaties tussen Mobutu en Washington tussen 1960 en 1968 kunnen als zeer warm tot intiem bestempeld worden. Na zijn staatsgreep in 1960 verdrongen de Amerikaanse adviseurs steeds meer de Belgische in de entourage van Mobutu. Het is aangetoond dat Mobutu bij zijn eerste en tweede staatsgreep in 1965 sterk gesteund werd door Amerikaanse inlichtingendiensten [7]. Vanuit de Koude Oorlog-optiek wilden de VS dan ook kost wat kost vermijden dat Congo in handen viel van de communisten. De installatie van het Mobuturegime, dat zich immers van meet af aan zeer anticommunistisch opstelde, leek dan ook de garantie dat Congo in het ‘Westerse kamp’ zou blijven. De relatie tussen de VS en Congo bleef de volgende jaren dan ook uitstekend. Bovendien pikten Amerikaanse multinationals op economisch vlak meer dan een graantje mee [8].
Parijs had de Belgische aanwezigheid in Congo steeds als een foutje in de geschiedenis beschouwd. De eerste jaren na de onafhankelijkheid hield Frankrijk dan ook een oogje in het zeil in de Congolese politiek. Anders dan de VS heeft Frankrijk echter nooit actief ingegrepen. Vóór 1965 onderhield Mobutu nauwelijks contact met Parijs. Na 1965 kon men de diplomatieke contacten als vrij positief omschrijven, zonder dat ze echt intiem worden. Franse multinationals vonden wel de weg naar Congo. Toch is het wachten op de ambtstermijn van president Giscard d’Estaing (vanaf 1975) vooraleer de relaties hoogst vriendschappelijk werden [9].
3.2. Methode
In deze verhandeling wensen we ons specifiek toe te leggen op de opkomst en machtsstrijd van Mobutu. Een specifieke datering hiervan is uiteraard een punt dat voor discussie vatbaar is. Het is immers moeilijk, indien niet onmogelijk, om precies te stellen wanneer Mobutu zijn machtspositie effectief stevig had geconsolideerd. Te meer omdat de verschillende auteurs een eigen periodisering en afbakening hanteren bij de bespreking van de dictatuur van Mobutu. Uiteindelijk hebben we ervoor geopteerd om de periode tussen 1960 en 1968 te beschouwen als het tijdperk waarin Mobutu zijn macht uitbouwt. In 1960 zal Mobutu immers via zijn staatsgreep voor het eerst op het voorplan treden. Vervolgens zal hij er achter de schermen in slagen om via het leger zijn positie verder te verstevigen. In 1965 verschijnt hij opnieuw op het politiek toneel om de macht opnieuw over te nemen. Drie jaar later kan men stellen dat Mobutu vrij stevig in het zadel zit en dat hij de voornaamste binnenlandse vormen van oppositie heeft uitgeschakeld. Bovendien zijn tegen 1968 de eerste vormen van zijn economische, institutionele, sociale en culturele politiek zichtbaar.
De periode die wie hier bespreken omvat dus ongeveer acht jaar. Binnen het tijdsbestek van een licentiaatsverhandeling is het onmogelijk om alle geselecteerde kranten over deze gehele periode te analyseren. Daarom hebben we ervoor geopteerd om ons onderzoek te concentreren rond vijf ‘sleutelgebeurtenissen’ of ‘sleutelmomenten’. In eerste instantie hebben we vijf gebeurtenissen geselecteerd die uitvoerig worden beschreven in de geschreven media. In tweede instantie was het ook een vereiste dat het ging om ‘sleutelmomenten’ die ons inzicht konden verschaffen omtrent de beeldvorming in de media over enerzijds de opkomst van Mobutu en anderzijds de structuur van zijn economische, sociale en institutionele politiek zoals die zich aftekent in de eerste jaren van zijn regime. In derde instantie was het eveneens de bedoeling dat we via de analyse van deze sleutelmomenten inzicht kregen in de onderlinge relaties tussen Mobutu en zijn drie Westerse bondgenoten. Uiteindelijk viel de keuze op de volgende vijf sleutelmomenten: de eerste staatsgreep van Mobutu (september en oktober 1960), de tweede staatsgreep van Mobutu (november 1965), de pinksterophangingen (eind mei en juni 1966), de Zaïrisatie van de UMHK (januari 1967), de aanhouding van Moïse Tshombe en de opstand van de Katangese gendarmes en huurlingen (juli tot november 1960).
In september 1960 trad Mobutu voor het eerst op de voorgrond. Hij kon toen echter nog niet beschouwd worden als ‘de sterke man in Congo’. Zijn machtsinstrument, het leger, was slecht georganiseerd en verdeeld. In het Westen heerste vooral ongerustheid over zijn opvattingen en plannen. Vijf jaar later stond het gezag van Mobutu echter op een veel hoger peil. Bovendien werd zijn staatsgreep gesteund en toegejuicht door de Westerse regeringen. Mobutu leek de geknipte persoon om opnieuw orde te brengen in de Congolese maatschappij. Bovendien kon hij, in volle Koude Oorlog, tot het ‘kapitalistische kamp’ gerekend worden. Een dik jaar later bleek reeds dat de generaal de repressieve middelen niet schuwde. Mobutu schrok de wereld op door vier politici in het openbaar op te hangen. De Westerse regeringen keken echter de andere kant op. In januari 1967 werden de relaties tussen België en Congo wel grondig verstoord, wanneer Mobutu de Union Minière nationaliseerde. Privé-maatschappijen in de VS en Frankrijk reageerden minder negatief, dit gebeuren kon immers openingen bieden voor hen. In juli 1967 tot slot werd Moïse Tshombe aangehouden in Algiers. Tshombe, die eerder ook op de gratie van het Westen kon rekenen, was reeds veroordeeld in Congo. Na zijn aanhouding kwamen enkele huurlingenlegers onder leiding van de Belg Jean Schramme en de Fransman Bob Denard in opstand. Zij kregen de steun van enkele departementen van de Katangese gendarmerie. Er kan niet veel twijfel over bestaan dat het hier gaat om vijf ‘sleutelmomenten’ in het verloop van de diplomatieke contacten tussen Mobutu enerzijds en Frankrijk, de VS en België anderzijds tussen 1960 en 1967.
4. Omschrijving van het bronnenmateriaal
4.1. De kranten
Deze licenciaatsverhandeling is het resultaat van een krantenonderzoek. Bij de selectie van deze kranten was het de bedoeling om een beeld te verkrijgen dat representatief was voor de Belgische, Franse en Amerikaanse dagbladpers. Voor de Belgische pers werd, rekening houdend met de sterk verzuilde maatschappij, geopteerd voor drie kranten van elk een andere ideologische snit. Uiteindelijk viel de keuze op De Standaard, Het Laatste Nieuws en De Volksgazet. Daarbij worden zowel de katholieke, de liberale en de socialistische zuil vertegenwoordigd. We hebben er dus voor geopteerd om drie Vlaamse kranten en geen Waalse te analyseren. We gaan er namelijk min of meer van uit dat het onderscheid tussen de Vlaamse en Waalse media inzake verslaggeving over buitenlands (en Congolees) nieuws vrij klein is. Daarom leek het ons een stuk interessanter om het onderzoek te verbreden naar de buitenlandse media toe. Bij de keuze van de drie dagbladen werd ook rekening gehouden met de oplage, de spreiding, de doelgroep, het kwalitatieve niveau en de mate waarin de redactie aandacht besteedt aan buitenlands nieuws. Zo omvat het Vlaamse perslandschap in de jaren 1960 bijvoorbeeld wel meer belangrijke katholieke dagbladen zoals Het Volk. Maar uiteindelijk viel de keuze toch op De Standaard omwille van de aandacht die in deze krant werd besteed aan de Congolese kwestie. Wat de keuze van de buitenlandse dagbladen betreft, viel de keuze op Le Monde en Le Figaro voor de Franse pers en The New York Times en The Washington Post voor de Amerikaanse pers. Het gaat hier dus om kranten die in het buitenland bekend zijn en die de reputatie hebben een hoge graad van onafhankelijkheid, objectiviteit, correctheid en kwaliteit te bezitten. Het zijn stuk voor stuk dagbladen met een hoge gezagswaarde, die bovendien één voor één ruim aandacht besteden aan buitenlands nieuws. Verder gaat het ook om kranten die hoofdzakelijk gelezen worden door de sociaal meer elitaire groepen. In tegenstelling tot bepaalde meer ‘populaire kranten’ kunnen we er dus van uitgaan dat deze vier dagbladen door hun reputatie en lezerspubliek een zekere invloed kunnen hebben op de institutionele besluitvorming en de publieke opinie van het desbetreffende land.
Gaston Durnez wees er al op dat tijdens de jaren 1960 de dagbladpers de concurrentie ondervond van een nieuw fenomeen: de televisie. Veel meer dan vroeger moest een schrijvende verslaggever dus op zoek gaan naar ‘een andere invalshoek’, naar couleur locale die de televisie niet kon geven. De lezer had meer dan ooit nood aan ‘achtergrondbijdragen en dossiers’. Het spreekt voor zich dat deze tendens ten goede komt aan de kwaliteit van het bronnenmateriaal dat we in deze verhandeling wensen te analyseren [10].
4.2. De Belgische dagbladen
In 1914 werd binnen de kringen van de Vlaamse Beweging de nv De Standaard opgericht. Daarbij werd als opzet vooropgesteld om een “katholiek Vlaams dagblad te Brussel uit te geven”. Kort na de oorlog kende het blad enkele moeilijkheden. De Standaard werd onder meer een verschijningsverbod opgelegd omdat de krant actief was geweest tijdens de oorlog. Daarnaast trad er een ideologisch dispuut op tussen de hoofdaandeelhouder (de familie Sap) en de raad van beheer. Vanaf de jaren 1940 – 1950 werd De Standaard opnieuw de gezaghebbende stem die ze voor de oorlog was geweest en had opnieuw invloed op de opinievorming over grote thema’s. De krant was nog steeds Vlaamsgezind, maar wilde de band met België toch niet doorbreken. Verder slaagde men erin om een aantal dagbladen zoals Het Nieuwsblad en De Gentenaar op te kopen. Het bedrijf ontwikkelde zich tijdens de jaren 1960 tot een reus op de kranten- tijdschriften-, drukkerij- en boekenmarkt [11]. In de persgids van het interdiocesaan perscentrum uit 1971 omschreef Win Van der Biesen (toenmalig assistent aan de KULeuven) De Standaard als een gematigd Vlaams-vooruitstrevend katholiek dagblad. Op binnenlands vlak was het blad naar zijn mening eerder rechts (waarbij vaak de CVP wordt gesteund) Op buitenlands vlak was De Standaard volgens Van der Biesen veel kritischer en minder pro-Amerikaans dan de meeste Belgische kranten [12]. Daarnaast heeft ‘rubriekleider buitenland’ (en later ‘directeur van de redactie’) E. Troch (Luc Vandeweghe) een bepalende rol gespeeld in de houding inzake buitenlandse politiek doorheen de jaren 1960. Troch wenste als historicus ‘de feiten voor zich te laten spreken’. Hij zette bij voorkeur alles uiteen aan de hand van citaten en een nauwkeurig relaas van de feiten. Eigen mening en voorkeur bleek vooral uit de keuze van de feiten en hun voorstelling. Troch was een voorstander van vreedzame coëxistentie tussen de communistische en Westerse machtsblokken, wat in volle Koude Oorlog niet overal in goede aarde viel [13].
De Volksgazet ontstond uit een fusie tussen de uitgesproken socialistische dagbladen De Werker en De Volkstribuun. Het eerste nummer verscheen in 1914. De Volksgazet zou uitgroeien tot het blad van de socialistische beweging te Antwerpen. Vanaf 1953 begon het langzaam bergafwaarts te gaan met De Volksgazet. De krant werd immers gekenmerkt door een gebrek aan vernieuwing. Langzamerhand kreeg De Volksgazet een ouderwets imago en ontbrak het aan adverteerders. Bovendien was het blad doctrinair links en ze had te weinig lezers. Dit in combinatie met totaal wanbeheer leidde in 1978 tot het faillissement van de De Volksgazet [14].Ondanks een achteruitgang bleef De Volksgazet gedurende de jaren 1960 het belangrijkste dagblad van socialistische signatuur. Luc Boone (docent aan de KULeuven) omschreef de krant in 1970 als een sterk partijgebonden dagblad. De officiële standpunten van de Socialistische Partij werden nagevolgd en verdedigd. Boone zag daarin een mogelijke reden voor haar achteruitgang. Verder zou haar traditionele antiklerikale inslag toch al wat getemperd zijn [15].
In 1888 werd het dagblad Het Laatste Nieuws opgericht. De krant moest dicht bij het volk staan en bovenal Vlaams, liberaal en vrijzinnig zijn. Na de Tweede Wereldoorlog zou de publicatie van de krant snel weer hervat worden, al zou het uitgesproken Vlaamse karakter van het blad toch afnemen. In 1957 werd een meerderheidsaandeel in de Antwerpse liberale krant De Nieuwe Gazet verworven. Vanaf 1963 waren alle aandelen zelfs in handen van Het Laatste Nieuws [16]. Hoewel het blad bij haar oprichting de opdracht had om ‘de Vlaamse humanistische liberale opvatting te steunen, te verdedigen en te verspreiden’, wijst Wim Van der Biesen er in de persgids van het Interdiocesaan Perscentrum uit 1971 op dat de liberale strekking van Het Laatste Nieuws minder uitgesproken was dan voorheen. De Krant steunt weliswaar het Vlaams Liberaal Verbond, maar neemt soms afstand van de officiële PVV-standpunten. Verder omschrijft Van der Biesen het dagblad als een typische volkskrant met een overwegend informatief karakter. Daarnaast heeft de krant doorgaans kwalitatief de beste foto’s van de Belgische kranten [17].
4.3. De Franse dagbladen
Hoewel het prestige en de gezagswaarde van Le Monde vrij groot is, is het een relatief jonge krant. Het blad werd opgericht na de nazibezetting van Frankrijk in 1944. Generaal De Gaulle oordeelde dat Frankrijk nood had aan een dagblad dat zowel in binnen- en buitenland respect genoot. Op de voorpagina van deze eerste editie werden de voornaamste streefdoelen van de krant als volgt beschreven: “de lezers op een snelle en volledige manier duidelijke en correcte informatie te verschaffen en het herstellen van de Franse ‘grandeur’ en vrijheid”. Hubert Beuve-méry werd hoofdredacteur van de nieuwe krant. Het blad verwierf tussen 1945 en 1952 al snel een reputatie van onafhankelijkheid en betrouwbaarheid [18]. Onder impuls van Beuve-méry veroverde Le Monde in de loop van de jaren 1950 zijn onbetwistbare plaats tussen de Europese elite dagbladen. Beuve-méry bleef 25 jaar aan het hoofd van de redactie en bleef vechten voor politieke, financiële en morele onafhankelijkheid. Hij werd opgevolgd door Jacques Fauvet die de lijn van Beuve-méry voortzette [19].
In de persgids van het Interdiocesaan Perscentrum van 1971 wordt Le Monde omschreven als onafhankelijk avondblad dat bekend staat om haar uitgebreide en juiste informatie over buitenlandse en Franse binnenlandse politiek. Er wordt zelfs gesteld dat haar ideologische onafhankelijkheid haar de neiging verschaft zich op te werpen als rechter in alle domeinen van de actualiteit [20].
Le Figaro ontstond al in januari 1826 als een licht satirisch weekblad dat vooral over het artistieke leven in Parijs (zoals mode, theater en sensatie) schreef. Doorheen de jaren is Le Figaro echter geëvolueerd naar een kwaliteitskrant die ver af stond van het weekblad dat in 1826 voor het eerst was verschenen. Tijdens de jaren 1950 begon het blad een campagne tegen het groeiende communisme. Vanaf dit ogenblik kreeg de krant ook meer de reputatie van een gematigd conservatief blad te zijn. Wat het internationale nieuws betreft, werd de krant als vrij pro-Amerikaans beschouwd, behalve dan wanneer het standpunt van de Franse regering sterk afweek van het Amerikaanse. Doorheen de jaren 1950 en 1960 bleef het prestige en de verspreiding van Le Figaro verder stijgen. In 1968 kon het blad al beschouwd worden als één van de beste dagbladen wereldwijd [21]. De hoofdredacteur van Presse-Actualité te Parijs Yves L’Her stelt in 1970 dat Le Figaro kan beschouwd worden als een gematigd conservatief dagblad. Verder zou het blad een afkeer vertonen van extremisme (zoals bijvoorbeeld het communisme) en rondt het liever de scherpe kantjes wat af teneinde botsingen te voorkomen[22].
4.4. De Amerikaanse dagbladen
The New York Times werd op 18 september 1851 opgericht als een nieuw goedkoop dagblad voor de bevolking van de stad. Vanaf de eerste hoofdredacteur, Albany Raymond, werd The New York Times een dagblad voor een hoog intellectueel publiek [23]. Ondanks de morele en ietwat conservatieve toon bleef The New York Times zijn hele geschiedenis lang toch vooral een krant die de lezer een goed uitgebalanceerd en zwaar dieet van nieuws (vooral buitenlands nieuws) voorschotelde. Tot op vandaag heeft The New York Times zijn prestige weten te bewaren. Het blad heeft lezers over de gehele wereld en ontbreekt in bijna geen enkele academische bibliotheek. Veel van zijn prestige haalt het blad uit zijn accurate verslaggeving, en zijn ruime aandacht voor internationaal nieuws gebaseerd op het verslag van reporters ter plaatse [24]. Ook doorheen het Koude Oorlog – klimaat van de jaren 1960 streefde The New York Times een neutrale positie na in haar verslaggeving over het internationale nieuws. Zo werd het blad doorheen de jaren 1960 geloofd voor zijn verslaggeving over de Berlijn crisis [25] en China [26]. De Persgids van het Interdiocesaan perscentrum prees The New York Times eveneens voor zijn objectiviteit. Journalist Guide Van Hoof omschreef The New York Times als een krant waarbij ‘reporting’ en ‘interpretatieve analyses’ voorrang krijgen op het opiniëren [27].
The Washington Post heeft niet steeds het prestige en de gezagswaarde genoten die het vandaag kent. De krant zou pas uitgroeien tot het kwaliteitsblad dat het vandaag is na de overname door Eugene Meyer in de jaren 1930. Onder leiding van Meyer en nadien diens dochter en schoonzoon Philip en Katherine Graham zou The Washington Post uitgroeien tot een krachtig, onafhankelijk en ernstig dagblad [28]. De rubriek over buitenlands nieuws was lange tijd ietwat magertjes geweest. Vanaf het eind van de jaren 1950 kwam daar echter verandering in toen Phil Graham twee overzeese bureaus installeerde. Pas vanaf de jaren 1960 slaagde The Post erin zich te onderscheiden op het vlak van buitenlands nieuws, dankzij reportages over de Varkensbaai, Vietnam en het Midden-Oosten [29]. Doorheen de jaren 1960 heeft The Washington Post definitief zijn positie verworven naast aartsrivaal The New York Times als één van de twee topkwaliteitskranten in de Verenigde Staten. Dit statuut verkreeg The Washington Post voor een stuk uit zijn lezerscliënteel. Het blad wordt dagelijks gelezen door Amerikaanse congresleden, senatoren en een meerderheid van de besluitnemers in de bedrijfswereld en lagere politieke kringen [30].
5. Biografie van Joseph-Désiré Mobutu
5.1. De Opgang van ‘Jef’ Mobutu (1930 – 1960)
5.1.1. Soldaat en journalist
Joseph-Désiré Mobutu werd geboren in Lisala op 14 oktober 1930. Zijn vader Albéric Bemany was als cuisinier een knecht van de blanken. Als kind liep Mobutu school bij de paters kapucijnen. De kleine Mobutu groeide dus op in een uitgesproken koloniale context. Volgens zijn latere hofbiograaf Francis Monheim zou hij slechte herinneringen hebben overgehouden aan deze periode. Monheim stelde meerbepaald dat Mobutu zou gerebelleerd hebben tegen het feit dat de missionarissen weigerden in het Frans les te geven terwijl hij net die taal goed meester was. Vervolgens liep Mobutu middelbare school bij de Broeders van de Christelijke Scholen in Coquilhatstad. Daar werd hij echter weggestuurd. Volgens Monheim omdat hij zonder toelating enkele dagen extra verlof had genomen [31].
In november 1950 schreef Mobutu zich in de Ecole Centrale des Sous-Officiers te Luluaberg. Daar volgde hij gedurende twee jaar een cursus secretariaat en boekhouding. Hij behaalde de graad van sergeant. Na drie jaar Luluaberg werd hij overgeplaatst naar het hoofdkwartier van de Congolese Weermacht te Leopoldstad. Ondertussen werd hij ook journalist bij de Congolese krant Actualités Africaines. Daar hij militair was, moest Mobutu schrijven onder de schuilnaam J. Debanzy. Peetvader van Actualités Africaines Pierre Davister nam hem er onder zijn vleugels. In 1958 bezocht Mobutu voor het eerste België. Naar aanleiding van de wereldtentoonstelling in Brussel werden een grote groep Congolezen de toelating gegeven om naar Brussel te komen, waar een reusachtig Congopaleis werd opgetrokken. Terug in Congo woont Mobutu één van de toespraken van Lumumba bij. Hij werd na afloop meteen lid van de MNC, en een fervent Lumumbist. Vijf weken na de opstand van januari 1959 kreeg Mobutu opnieuw de kans om naar België af te reizen. Sabena had namelijk enkele Congolese journalisten als vertegenwoordigers van de Congolese pers uitgenodigd. Mobutu hoopte (zoals vele Congolezen) om zijn studies verder te zetten in België. Met behulp van William Ugeux (directeur van Inforcongo) verkreeg hij een voorlopige verblijfsvergunning voor zichzelf en zijn gezin en een stagebeurs aan Inforcongo. Mobutu verbleef meer dan een jaar in Brussel en volgde tijdens zijn stageperiode cursussen in de Sociale School van Brussel. Zijn periode in België gaf Mobutu inzicht in de staatsstructuur van het land. Daarnaast legde hij er ook bepaalde contacten. Zijn verblijf in Brussel stelde hem in staat om van heel nabij de twee rondetafelconferenties ter voorbereiding van de Congolese onafhankelijkheid te volgen. Hoewel Mobutu niet effectief deelnam aan de rondetafel verrichte hij, als secretaris van Lumumba, toch veel werk achter de schermen. Hij verwierf er een gedreven obsessie om naam te verwerven in de Congolese geschiedenis.
Na de rondetafel werden de voorbereidingen getroffen voor de onafhankelijkheid. Meteen ontstonden er verhitte debatten tussen Kasavubu en Lumumba. Mobutu bleef tegelijk journalist en particulier secretaris van Lumumba. Toch deed hij diverse pogingen om de vetes tussen de kandidaten te sussen. Op 24 juni was de kogel door de kerk. De regering Lumumba en het parlement werden gevormd. Enkele dagen later op 30 juni reisde koning Boudewijn en zijn ministers naar Leopoldstad voor de officiële onafhankelijkheidsviering van Congo. In de regering Lumumba werd Mobutu belast met defensieaangelegenheden. Zo begon er stilaan een militaristisch zaadje in hem te ontkiemen[32].
5.1.2. Kolonel tijdens de onafhankelijkheidsperikelen
De feestelijke en licht euforische sfeer van de onafhankelijkheid zou echter niet lang duren. Op 5 juli, na het weinig tactische optreden van generaal Janssens [33], ging het leger in het LeopoldII-kamp aan het muiten. De muiterij sloeg op 7 juli over naar het belangrijkste garnizoen van Thijsstad, Kamp Hardy. Mobutu werd naar Thijsstad gestuurd, maar kon de gemoederen niet bedaren. Kasavubu en Lumumba beslisten om over te gaan tot drie topbenoemingen in het leger. Kolonel Henniquiau werd kabinetschef op het ministerie van Landsverdediging, Victor Lundula werd opperbevelhebber van het leger en Joseph Mobutu ‘chef d’état-major’ met de graad van kolonel van de Armée Nationale Congolaise. [34]
Tot overmaat van ramp scheurde de rijke provincie Katanga zich op 11 juli onder het leiderschap van Moïse Tshombe af. De afscheiding werd niet afgekeurd door België. Integendeel, België begon een pro-Katangese politiek te voeren. Lumumba en Kasavubu riepen daarop prompt de hulp in van de UNO. Lumumba dreigde er zelfs mee aan te kloppen bij de Sovjet-Unie indien de VN zijn vraag zou negeren. De VN-troepen kwamen uiteindelijk tussenbeide. Mobutu wou kost wat kost zijn gezag over het leger behouden en nam deel aan de strijd tegen de opstandelingen [35]. Op 9 augustus volgde Albert Kalonji, de traditionele chef van de Balubas het voorbeeld van de Katangezen: hij riep de autonome staat Zuid-Kasaï uit. Lumumba beval een militair offensief tegen Bakwanga, de hoofstad van de provincie. Op 27 augustus namen troepen die onder het bevel stonden van stafchef Mobutu Bakwanga in. De rebellen beschikten niet over een leger en de inname van de hoofstad werd een echt bloedbad. De soldaten moordden hele dorpen uit, de VN sprak van volkerenmoord. De misdaden van de ANC-soldaten leidde tot verontwaardiging in de internationale pers. Het was echter Lumumba die als grote schuldige werd aangewezen. Hoewel Mobutu de moordpartijen niet onmiddellijk had bevolen, ging hij er wel prat op dat hijzelf de hele operatie had geleid zonder hulp uit het buitenland [36]. Zijn Belgische raadsman Pierre Davister adviseerde hem in deze context: ‘Joseph, laat je daar nooit op voorstaan’ [37].
De conflictueuze relatie tussen Lumumba en het Westen leidde ondertussen steeds meer en meer naar een open breuk. In Washington en Brussel werd Lumumba gezien als gevaarlijk en onvoorspelbaar. Bovendien raakte de Congolese premier het ook niet eens met VN secretaris-generaal Dag Hammarskjöld. Terwijl Lumumba de VN-troepen zag als een instrument in handen van de Congolese regering waarmee het de integriteit van zijn grondgebied kon beschermen, hoopte Hammerskjöld met de interventie vooral de orde te herstellen. Daarbij wilde hij de VN-troepen niet inzetten om een probleem van intern politieke aard op te lossen. Het conflict met Katanga moest volgens hem via onderhandelingen worden opgelost onder de paraplu van de VN. De kloof tussen beiden werd langzamerhand groter, en werd op 15 augustus zelfs een breuk [38]. Op 5 september zwichtte president Kasavubu voor de druk uit Brussel en ontsloeg hij Lumumba als premier. Hij zou worden opgevolgd door Jozef Ileo. Lumumba liet zich echter niet zomaar opzij zetten. Hij reageerde door op zijn beurt Kasavubu te ontslaan. Twee dagen later op 7 september ging Lumumba naar het parlement en de senaat om zijn beslissing te verdedigen. Daar kreeg hij het voor elkaar dat beide kamers hem een volmacht schonken waarmee hij de president uit zijn ambt kon ontzetten. Even leek het er op dat Lumumba de machtsstrijd zou winnen [39].
5.2. De Aanloop naar de macht (1960 – 1965)
5.2.1. De eerste staatsgreep
Nadat de president en de premier elkaar om beurten hadden afgezet was Congo in een diepe constitutionele crisis gedompeld. Bovendien had de nieuwe premier Jozef Ileo moeite om zijn positie te consolideren. Op dit moment liet kolonel Mobutu voor het eerst politiek van zich spreken. Hij kondigde op 14 september via de radio aan dat hij beslist had om de twee kamers, de president en de premier te ‘neutraliseren’ tot 31 december 1960. Mobutu kon in dit stadium nog niet beschouwd worden als ‘de sterke man’ van Congo. Zijn machtsinstrument, het leger, was gedesorganiseerd, slecht bewapend, ongedisciplineerd en verdeeld volgens etnische lijnen. In Brussel heerste er aanvankelijk vooral ongerustheid. Ook in Washington wist men amper wie Mobutu juist was. Op 20 september ging Mobutu over tot de aanstelling van het college van commissarissen-generaal. Omdat deze ploeg vooral bestond uit jonge universitairen en technici werd ze in de volksmond wel eens ‘het college van studenten’ genoemd [40].
In Brussel beschouwde de nieuwe minister voor Congolese zaken d’Aspremont Lynden de commissarissen in de gegeven omstandigheden als de waarborg voor een daadwerkelijke opposite tegen Lumumba. De Belgische regering nam dan ook van meet af aan een positieve houding aan tegenover het college. Dat bleek bijvoorbeeld uit de verhoging van de kredietlijnen voor Congo in de Centrale Bank. Aangezien de diplomatieke betrekkingen officieel nog steeds verbroken waren situeerde de steun van de Belgische regering zich vooral achter de schermen. De Belgische regering streefde vooral een anti-Lumumba coalitie na door zo veel mogelijk de relaties tussen Kasavubu, Mobutu en de commissarissen te bevorderen [41]. Daarnaast hadden Washington, Parijs, Brussel en de VN-leiding al laten verstaan dat Kasavubu president moest blijven. Bovendien bleek ook al heel vlug dat een hele resem commissarissen hun sympathie voor Kasavubu niet verborgen. Deze had de boodschap duidelijk begrepen. Door op 29 september, in aanwezigheid van het diplomatieke corps in Leopoldstad, zelf de commissarissen te installeren en te beëdigen nam hij het initiatief opnieuw over [42].
Vanaf deze periode begon Mobutu overigens goede contacten te onderhouden met de Amerikanen. Het was voor de VS, in volle Koude Oorlog, van vitaal belang dat dit enorme land in het hart van het Afrikaanse continent in handen bleef van het kapitalistische Westen. Congo was immers zeer rijk aan strategische grondstoffen zoals uranium (de eerste Amerikaanse atoomwapens werden immers in 1942 geproduceerd met uranium uit Katanga), kobalt, vanadium en colombium-tantalium. Het is dan ook geen toeval dat de perikelen na de onafhankelijkheid de VS in de ban hielden.
Ook Frankrijk volgde de Congocrisis met argusogen op. Tijdens de jaren 1960 was Frankrijk vooral latent aanwezig gebleven. De Franse regering beschikte over een voortreffelijke equipe van Afrika- deskundigen (onder leiding van Jacques Foccart). Men was sterk vertrouwd met het Congodossier, maar verleende er geen voorrang aan. Parijs had in deze periode namelijk andere Afrikaanse zorgen. In Ivoorkust, Gabon en Niger en andere kolonies werd in 1960 een onafhankelijkheidsstrijd gevoerd, terwijl er in Algerije een bloedige burgeroorlog was uitgebroken. Daarnaast zag De Gaulle in Lumumba niet meteen een pion van het Oostblok maar eerder een francofone regeringsleider, die geen directe bedreiging leek te vormen voor de Franse Afrika-politiek. Frankrijk nam een min of meer neutrale en afwachtende houding aan [43].
Desondanks bleef men in het Westen Lumumba als een bedreiging zien. De arrestatie van de voormalige premier was dan ook voor het college van commissarissen vrij snel een doel op zich. Op 10 oktober kwam Mobutu in actie. Vanuit het onderzochte telexverkeer bleek overigens dat vanuit Brussel pogingen werden ondernomen om Mobutu te overtuigen om zijn oude vriend te arresteren. In ruil voor de arrestatie van Lumumba kreeg hij de belofte van technisch-militaire steun aan het ANC. Mobutu zou echter niet slagen in zijn operatie om Lumumba te arresteren. Hij stootte namelijk bij de residentie van Lumumba op VN-troepen. Vanaf dat ogenblik bevond Lumumba zich in toestand van feitelijk huisarrest. Hij verbleef na de mislukte arrestatiepoging in zijn residentie, waar de VN-troepen hem beschermden tegen ongewenste indringers, maar de ANC-soldaten van Mobutu stonden paraat om hem te arresteren indien hij zijn residentie zou verlaten [44].
In december zou Antoine Gizenga echter op het toneel verschijnen. Gizenga was de hoofdstad ontvlucht en had zich in de Oost-provincie gevestigd (de grote Lumumba-basis). Op 2 december zou hij de Congolese Volksrepubliek in het leven roepen met Stanleystad als hoofdstad. Van daaruit hoopte hij het land te heroveren en het wettelijk gezag over heel Congo te herstellen [45]. Na een kleine twee maand huisarrest in Leopoldstad voelde Lumumba zich absoluut niet meer veilig in zijn versterkte residentie. Er werd een plan gesmeed om Lumumba uit zijn residentie te loodsen en naar Stanleystad te brengen. Daar zou hij aan de zijde van Gizenga zijn machtspositie opnieuw kunnen uitbreiden. Op 27 november slaagde Lumumba er in om uit zijn residentie te ontsnappen. Het is duidelijk dat de aankomst van Lumumba in Stanleystad de politieke en militaire kaarten in Congo gevoelig kon dooreenschudden. Meteen werd een hardnekkige zoektocht georganiseerd naar de oud-premier, waar ook Belgische raadgevers en de CIA een actieve rol in hebben gespeeld [46]. Onderweg genoot Lumumba kennelijk van zijn populariteit. Hij begon steeds meer en meer meetings te houden, waarmee hij kostbare tijd verloor. Op 1 december werd de voormalige premier opgepakt door de soldaten van Mobutu die de achtervolging hadden ingezet. Alvorens Lumumba werd overgebracht naar de gevangenis werd hij eerst nog even tot bij de residentie van Mobutu gebracht. Die keek koel en minachtend toe hoe zijn soldaten zijn voormalige leermeester mishandelden [47]. Zelfs in gevangenschap bleef Lumumba een bedreiging, daar hij onder de militairen in de gevangenissen nog steeds veel aanhangers had. Regelmatig werden door groepen ANC-soldaten pogingen ondernomen om Lumumba te bevrijden uit de gevangenissen waar hij verbleef. Steeds vaker ging men zowel in Brussel als in Leopoldstad met het plan spelen om hem uit te leveren aan de Katangese regering. Het leidde immers weinig twijfel dat hij door zijn aartsvijanden, de groep rond Tshombe, geliquideerd zou worden. De druk op Tshombe om Lumumba te laten overvliegen naar Elisabethstad verhoogde. Op 17 januari 1961 landde Lumumba samen met Maurice Mpolo en Joseph Okito in Elisabethstad. Tijdens hun gevangenschap waren deze drie meermaals in elkaar getimmerd door militairen, en ook tijdens de vlucht werden ze zwaar toegetakeld. Enkele uren na hun landing werden ze vermoord [48].
5.2.2. Carrière in het leger tegen de achtergrond van rebellie
In januari 1961, nadat zijn voornaamste tegenstander was uitgeschakeld, trok Mobutu zich uit het politieke leven terug en liet hij de burgers weer aan de macht. Hij zou echter de komende maanden en jaren op militair gebied de handen meer dan vol hebben. Op verschillende plaatsen braken opstanden en revolutionaire bewegingen uit. In oktober 1962 startte Mobutu, ondertussen gepromoveerd tot generaal, met een offensief tegen het nog steeds onafhankelijke Katanga. De jonge ANC-troepen waren echter onvoldoende uitgerust en werden door de Katangese vechtersbazen in de pan gehakt. Een nieuw offensief met behulp van de VN-troepen kreeg de Katangese soldaten echter wel klein. In januari 1963 werd Katanga opnieuw volledig geannexeerd.
Kort nadien zou opnieuw een opstand uitbreken. Na een kort verblijf in China keerde Lumumbist Pierre Mulele terug naar de provincie Kwilu. Hij ontketende er een boerenopstand die Congo maandenlang in haar greep zou houden. Vanaf januari 1964 ging het aantal aanslagen crescendo en nam ook de repressie tegen de bevolking die niet meewerkte toe. Tegelijkertijd beraamde Christophe Gbeneye (eveneens een prominent Lumumbist) vanuit Brazzaville een offensief. Hoewel Gbeneye de leiding nam, was het Gaston Soumialot die met de organisatie van de rebellie op het terrein werd belast. In februari 1964 landde hij in het oosten van Congo, meer bepaald in Bujumbura. In het oosten hadden de Lumumbisten zich immers weer weten te organiseren en deze streek was dan ook de geschikte plaats om een offensief tegen de regering in Leopoldstad te organiseren. Tegen augustus 1964 bezetten deze rebellen, die zichzelf ‘Simba’s’ noemden, de helft tot twee derde van Congo. De lokale bevolking en de blanke kolonisten werden daarbij massaal geterroriseerd. Openbare liquidaties, plunderingen, verkrachtingen, folteringen en mensonterende vernederingen waren daarbij nooit veraf. Mobutu spande zich in om het grondgebied te heroveren en het centraal gezag te herstellen. Maar dat was een bijna onmogelijke taak. Zijn nationale leger was ongedisciplineerd, onderbemand, de soldaten waren slecht betaald en muiterij was nooit veraf. Bovendien waren de ANC-soldaten doodsbang van de Simba’s en de magische krachten die aan hen werden toegeschreven. De Simba’s waren er immers van overtuigd dat rituele wassingen en zuiveringsrituelen vóór de strijd hen immuun maakte voor kogels.
De druk op het ANC werd bijna ondraaglijk. Daarom besloot de regering in Leopoldstad om er een oude bekende bij te halen: Moïse Tshombe. Begin juli 1964 werd Tshombe onthaald door president Kasavubu in Leopoldstad, en meteen na zijn aankomst werd hij al benoemd tot de nieuwe premier in opvolging van Adula. In Leopoldstad veronderstelde men dat Tshombe de enige man was die het hoofd zou kunnen bieden aan de rebellen. Om de strijd tegen de Simba’s aan te gaan trommelde Tshombe zijn trouw gebleven Katangese soldaten op maar ook Europese huurlingen (zoals de huurlingenlegers van Bob Denard, Jean Schramme en Mike Hoare). Ze hadden de steun van Tshombe maar het was Mobutu die de contracten tekende en hen op het terrein de bevelen gaf. Met de hulp van deze ervaren vechtmachines heroverde Mobutu de controle over het land. Het was in deze context dat de generaal heldendaden zou verricht hebben op de brug nabij Kamanyola [49]. Aangemoedigd door de huurlingen gingen de ANC-soldaten echter opnieuw hun boekje te buiten aan terreur ten opzichte van de Congolese plattelandsbevolking. Openbare liquidaties, mishandeling van verdachten en algemene repressie waren schering en inslag [50]. Desalniettemin was Mobutu nu de verpersoonlijking van de nationale eenheid. Zijn leger was weliswaar onbekwaam gebleken om op eigen kracht de strijd tegen de rebellen te winnen, maar hij had de Republiek voor de chaos behoed. Hij was er zich evenwel van bewust dat zijn leger een allegaartje bleef van onbetrouwbaren en een zuiveringsoperatie drong zich op. Daarom stemde Mobutu in met een zuiveringsoperatie door de burgerlijke autoriteiten. Tientallen officieren en onderofficieren die bij het debacle in het oosten betrokken waren, moesten voor een militaire rechtbank verschijnen en werden geëxecuteerd. Wat overbleef van het ANC vertoonde meer eenheid dan ooit te voren [51].
5.2.3. De Tweede Staatsgreep
Ondertussen kreeg Tshombe moeilijkheden om zijn positie als premier te consolideren. Zijn politieke rivaal Victor Nendaka, riep eind augustus een congres bijeen in Bukavu. Daarbij kon hij een groot aantal verkozenen van Tshombes Conaca overhalen om de partij te verlaten. Op deze manier ontstond een sterk offensief tegen Tshombe met als voornaamste spilfiguur Victor Nendaka. Daarnaast groeide ook het wantrouwen van president Kasa-Vuba tegenover Tshombe. Begin oktober was de groep rond Tshombe en de oppositie ongeveer even groot. Uiteindelijk besliste Kasavubu op 13 oktober om via een presidentiële ordonnantie Tshombe en zijn regering te ontslaan. Hij stelde daarbij ook meteen een nieuwe formateur aan: Evariste Kimba. De regering Kimba werd echter niet goedgekeurd door het parlement. De Congolese politiek zat dus opnieuw in een impasse. Op dit moment achtte Mobutu het moment gekomen om definitief de macht in handen te nemen. Nadat hij zich van de steun had verzekerd van zijn Amerikaanse vrienden [52] pleegde hij opnieuw een staatsgreep. Op 25 november verspreidde de radio Leopoldville om 5u30 ’s ochtends een officieel communiqué van het ANC. Het bericht kondigde aan dat de top van het ANC beslist had om een einde te maken ‘aan de machtsstrijd van de politici’, en daarbij Kasavubu en Kimba had afgezet. Daarnaast zou een regering gevormd worden door kolonel Mulamba en zou generaal Mobutu de presidentiële taken op zich nemen. Later verklaarde Mobutu dat hij voor de volgende vijf jaar president zou blijven. Kasavubu aanvaardde zijn ontslag en trok zich terug in zijn geboortestreek. Voor zijn oude vriend Moïse Tshombe was geen plaats meer in de regering [53].
5.3. Het eerste decennium (1965 – 1974)
5.3.1. Consolidatie van de macht
Al vlug bleek dat Mobutu een vrij persoonlijke invulling gaf aan het woord ‘democratie’. Op 7 maart 1966 kondigde hij aan dat het parlement geen controle meer mocht uitoefenen op zijn presidentiële besluiten. Enkele dagen later eigende hij zich de wetgevende macht toe. Het parlement zou enkel nog ‘geïnformeerd’ worden en niet meer geraadpleegd. Alle wetgevende, rechterlijke en uitvoerende macht lag voortaan in handen van de president. Daarnaast reduceerde hij in april 1966 het aantal provincies van 21 tot 12, en later zelfs nog tot 8. Op 20 mei 1967 werd de Mouvement Populaire de la Révolution (MPR) opgericht nadat eerder het meerpartijenstelsel was opgedoekt. De MPR werd de enige, bij grondwet toegelaten partij. In 1974 ging men zelfs nog een stap verder, en werd het ‘Mobutisme’ als officiële nationale ideologie ingesteld.
Daarnaast bleek ook al vrij snel dat Mobutu er niet voor terugdeinsde zijn tegenstanders fysiek uit te schakelen. Tijdens de nacht van 29 op 30 mei 1966 werden vier politici opgepakt omdat ze een complot tegen de leider zouden beraamd hebben. Het ging om Emmanuele Bamba, Alexander Mahamba, Evariste Kimba en Anay. Een dag later werd er een uitzonderingsrechtbank samengesteld, die de vier beschuldigden zonder enig gerechterlijk onderzoek, preciese beschuldiging, rekwisitoor of verdediging en na 5 minuten beraadslaging ter dood veroordeelde. Een dag later werden de vier ‘samenzweerders’ opgehangen voor een menigte van 200.000 personen. Andere mogelijke concurrenten zoals Pierre Mulele en Moïse Tshombe werden in ballingschap gestuurd. Tshombe zou in 1967 bij verstek veroordeeld worden voor hoogverraad. Op 30 juni 1967 werd zijn privé-vliegtuig gekaapt en werd Tshombe naar Algiers gebracht. Daar werd hij gevangen gezet tot en met zijn dood in 1969. Pierre Mulele zou in 1968 gebruik maken van een amnestiemaatregel om terug te keren naar Kinshasa. Hij zou echter kort na zijn terugkeer als oorlogsmisdadiger terechtgesteld worden.
In 1966 sloegen een aantal Katangese gendarmes in Kisangani aan het muiten. De soldaten waren namelijk ontevreden over hun betaling. De opstand werd neergeslagen door het ANC en de huurlingen van Jean Schramme en Bob Denard. Deze twee mannen werden hiervoor overigens gedecoreerd door Mobutu. Aan de gendarmes werd later amnestie beloofd als ze zich zelf kwamen aangeven. Diegenen die daar op ingingen, werden gedood. Zelf Schramme was hierover geschokt, en keerde zich af van zijn vriend Mobutu. Wanneer Mobutu in 1967 volledige zekerheid had over de Amerikaanse steun besloot hij dat zijn vroegere wapenbroeders te lastig waren geworden en wou hij zich van hen ontdoen. Daarom bedankte Mobutu zijn huurlingen voor de gewezen diensten en ontwapende hen of integreerde ze in het nationale leger. Schramme en Denard riepen ‘verraad’ en samen met andere huurlingentroepen en Katangese gendarmes kwamen ze vanaf juni 1967 in opstand. De hele zaak werd voorgesteld als een samenzwering met Westerse (en dan vooral Belgische steun). De Belgisch-Congolese betrekkingen koelden opnieuw af. In november 1967 zou het ANC Bukavu ontruimen. Met veel moeite werd de opstand bedwongen. Onder druk van de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid werden de Katangese gendarme amnestie verleend. Enkele duizenden die naar Angola gevlucht waren, waagden het terug te keren. Kort na hun terugkeer werden ze echter systematisch geliquideerd [54].
Vanaf eind 1971 maakte Mobutu en het MPR van de culturele bevrijding van de koloniale ergernis een belangrijk agendapunt. Op 27 oktober 1971 veranderde de naam van het land in de republiek Zaïre. Twee maanden later werd voor het eerst de nieuwe nationale hymne ‘La Zaïroise’ officieel ingehuldigd en werd een nieuwe nationale vlag onthuld. Vanaf 1972 werd het tempo van de authenticiteitpolitiek zelfs nog opgedreven. De aanspreektitels ‘monsieur en ‘madame’ werden vervangen door ‘citoyen’ en ‘citoyenne’, de ‘abacost’ werd als nationale klederdracht opgelegd, pasgeboren kinderen moesten verplicht een Bantoenaam dragen, de Franstalige namen van de Congolese kranten moesten vervangen worden door titels in Bantoenamen en de haartooi in Europese stijl werd verboden.
Daarnaast werden ook de universiteiten het slachtoffer van het Mobutisme. In 1968 braken er voor het eerst onrusten uit toen de studenten de liberalisering van het regime eisten. Dit zette kwaad bloed, en de Union Générale des Etudiants Congolais (UGEC) werd opgedoekt. Een jaar later op 4 januari 1969 werd opnieuw een studentenmanifestatie georganiseerd. Deze eindigde op een treffen tussen de UGEC en ordestrijdkrachten die vuurwapens gebruikten. De tientallen doden werden in een massagraf geworpen en enkele dagen later werden alle studentenverenigingen verboden. Twee jaar later kwam het opnieuw tot een zwaar treffen. Op 2 juni 1971 herdachten de studenten van Lovanium hun overleden kameraden binnen de omheining van de campus. Het leger probeerde de manifestatie uiteen te slaan en het kwam opnieuw tot zware rellen. De universiteit werd gesloten, en de meeste ingeschreven studenten werden in het leger ingelijfd. Kort daarna werd het hoger en universitair onderwijs hervormd en kreeg het een eenheidsstructuur. De Université nationale du Congo (UNC) werd opgericht. Voortaan was er nog slechts één universiteit, met één rector en drie campussen.
5.3.2. De nationalisering van de economie en de ‘Witte Olifanten’
Sinds de onafhankelijkheid waren de meeste bedrijven ‘staten in de staat’ geworden. Vooral de Union Minière du Haut Katanga (UMHK) was voor Mobutu een doorn in het oog. Op 9 juli werd de Bakjikawet goedgekeurd. Deze bepaalde dat de staat opnieuw volledige beschikking had over alle grond-, bos- en mijnrechten die vóór 30 juni 1960 waren afgestaan. Alle bedrijven van Congolees recht werden dan ook verplicht om hun sociale en administratieve zetel naar Congo over te hevelen vóór 1 januari 1967. De Union Minière weigerde haar zetel naar Kinshasa over te brengen, waarop de Congolese regering de uitvoer van koper opschortte, de rekeningen van de Union Minière blokkeerde, en een voorlopig beheers- en bestuurscomité benoemde. Op 31 december 1966 werd de Générale Congolaise des Minerais (Gécomin) opgericht. De volgende dag op 1 januari 1967 onttrok de regering aan de Union Minière de toelating tot ontginning, verwerking en verkoop van ertsen. De Union Minière werd met ander woorden genationaliseerd, wat voor de Belgen een slag in het aangezicht was. De Congolisatie was een feit en Mobutu had het pleit gewonnen [55].
Na de testcase van de UMHK achtte Mobutu in 1973 de tijd rijp om zijn greep op de Congolese economie te versterken. Op 30 november kondigde hij de Zaïrisering van de economie aan. Alle buitenlandse productie-eenheden en ondernemingen die eigendom waren van buitenlanders moesten in handen komen van Congolesen. Mobutu creëerde zo rondom zich een toplaag van rijke ondernemers die de grote bedrijven in handen kregen. Deze rijke toplaag werd ook wel ‘de baronnen van het regime’ genoemd. Deze maatregel bleek al vlug een fiasco. De Congolese staat bleek geen goede beheerder te zijn. Op 17 september 1976 werd beslist dat de gezaïriseerde bedrijven weer konden overgenomen worden door hun vroegere eigenaars. Velen bedankten echter, het gouden kalf was al verdronken. Op de koop toe heerste er ook nog een conjuncturele crisis omwille van de oliecrisis en de internationale daling van de koperprijs en de prijs van andere grondstoffen [56].
Het regime heeft in de loop der tijden een hele reeks grote en prestigieuze projecten opgezet (later ‘Witte Olifanten’ genoemd). Het ging stuk voor stuk om projecten die geenszins de Congolese bevolking ten goede kwamen maar des te meer de buitenlandse ondernemingen die enorme winsten boekten met de bouw. Bovendien werd door de enorme propaganda de eigen bevolking en de wereldopinie zand in de ogen gestrooid. Bekendste voorbeelden zijn het Ingahoogspanninsproject (een prestigieuze stuwdam en de langste elektriciteitslijn ter wereld), het Centre de Commerce International du Zaïre (een handelscentrum gehuisvest in een modern torencomplex) en La Cité de la Voix du Zaïre (een complex dat bestemd was om het telecommunicatienet van de nationale televisie en radio te verwezenlijken) en het staalbedrijf in Maluka. Geen van deze ondernemingen heeft ooit degelijk gefunctioneerd, niettemin hebben enkele Franse, Italiaanse en Amerikaanse bedrijven met de bouw van deze projecten een gouden zaak gedaan [57]. Congo bleef voor het buitenland naast een belangrijk klant voor grote contracten, een betrouwbaar leverancier van grondstoffen. Industrialisering kwam er niet, zodat de buitenlandse multinationals de winsten op de verwerking van grondstoffen bleven opstrijken [58].
5.4. Het Tweede decennium (1975 – 1985)
5.4.1. Shaba I en Shaba II
Tien jaar na zijn staatsgreep zat Mobutu dus stevig in het zadel. In mei 1975 besloot hij in Angola te interveniëren. In Angola was er immers een burgeroorlog aan de gang. Roberto Holden bekampte er met zijn nationaal bevrijdingsfront (FNLA) het MPLA van president Augustino Neto. Bij zijn bestrijding van het FNLA maakte Neto overigens gebruik van Katangese gendarmes die eerder al gevlucht waren naar Angola en jonge Lunda’s die de repressie in hun provincie ontvlucht waren. Ze vormden een ervaren legertje dat men ‘de Zwarte Pijlen’ noemde. Met meer dan tienduizend Congolese soldaten werd Angola langs twee kanten binnengevallen. De operatie draaide echter uit op een fiasco en de Congolese troepen werden in de pan gehakt.
Nadien zou Neto met behulp van de ‘Zwarte Pijlen’ het FNLA verslaan. De Angolese president had dus een morele schuld tegenover de Katangezen. Daarom stond hij toe dat de Katangees Nathanaël Mbumba zich ontpopte tot de militaire heerser van het noorden van Angola. Mbumba beschikte over kisten vol buitgemaakte diamanten en een gehard legertje. Hij richtte prompt het Nationaal Bevrijdingsfront voor Congo op (FNLC). In maart 1977 staken deze Katangezen de grens over naar Congo. De Congolese garnizoenen van Kapanga, Dilolo en Mutshasha sloegen zonder vechten op de vlucht. Bovendien werden de gendarmes van het FNLC door de lokale bevolking met enige sympathie ontvangen. Met behulp van Belgische, Franse, Marrokkaanse en Senegalese troepen (vervoerd met Franse militaire transporttoestellen) werden de Katangezen echter teruggedrongen. Een jaar later waagde het FNLC opnieuw zijn kans. Op 13 mei 1978 plaatste men een verrassingsaanval en drong men door tot Kolwezi. Opnieuw snelden Westerse troepen Mobutu ter hulp om ‘Congo tegen het communistische gevaar te beschermen en om het leven van de bedreigde Europeanen in Congo te redden’. Achteraf zou blijken dat Mobutu zelf enkele Belgen had laten ombrengen om Brussel over de brug te krijgen. Zijn regime was gered, maar zijn prestige had een flinke deuk gekregen [59].
5.4.2. De gevolgen van de Shaba-oorlogen
Na de Shaba-oorlogen drong het besef door dat het Congo van Mobutu dringend aan een economische herstelkuur toe was. Op internationale conferenties werd beslist dat men Congo er weer bovenop wilde helpen met vers buitenlands kapitaal door het land onder curatele te stellen. Een aantal instellingen kwamen onder de leiding van buitenlandse experts, zo stelde het Internationaal Muntfonds de gepensioneerde Duitse bankier Blumenthal aan tot directeur-generaal van de Nationale Bank [60]. Een tweede gevolg van de Shaba-oorlogen was het feit dat de oppositie weer van zich liet horen. Zo wordt in december 1983 de Union pour la Démocratie et le Progrès Social (UDPS), onder leiding van Etienne Tshisekedi opgericht. Ze vormde lange tijd de belangrijkste bedreiging voor Mobutu. Bepaalde opposanten bevonden zich in het buitenland waar ze fel uithaalden naar Mobutu [61].
5.5. Het Derde decennium (1986 – 1995)
5.5.1. Een nieuw tijdperk
Tegen het eind van de jaren 1980 waaide er een nieuwe wind door de internationale politiek. De Muur van Berlijn viel, de communistische regimes in Oost-Europa stuikten in elkaar en de regimes die zich in Afrika ooit beroept hadden op één of andere vorm van communisme of socialisme waren op sterven na dood. De Koude Oorlog was met ander woorden voorbij en er brak een nieuw tijdperk aan. De VS had nood aan andere bondgenoten dan het soort dictators dat ze vanaf de jaren ‘60 gedoogd hadden. De dictators moesten nu vervangen worden door democratie. Ook de economische waarborgen die Mobutu in het verleden nog kon bieden volstonden niet meer. Hij en zijn ‘baronnen’ waren corrupt en zijn bestuur vergleed naar anarchie. Bovendien had de voogdij van het IMF, rechtstreeks en met behulp van herstelplannen, geen indrukwekkende resultaten afgeworpen. Mobutu had de les begrepen. Zijn regime was aan een nieuwe fase toe [62].
Op 24 april 1990 kondigde Mobutu aan dat hij een streep trok onder de eenheidspartij. Vanaf dat ogenblik werd het meerpartijenstelsel, het multisyndicalisme en de persvrijheid weer ingevoerd. Al gauw schoten de nieuwe politieke formaties als paddestoelen uit de grond. Er ontwikkelde zich een geharrewar van voortdurend wisselende coalities, allianties en verbonden. Deze enorme versnippering kwam Mobutu goed uit, aangezien hij zo een ‘verdeel en heers’ politiek kon voeren.
Zoals in andere Afrikaanse landen, als Liberia, Sierra Leone en Somalië verschrompelde in de jaren ‘90 de staat in Congo. Wat overbleef van de overheid diende enkel nog om machthebbers en krijgsheren te verrijken. De staat bleek niet meer in staat om minimale diensten als onderwijs, gezondheidszorg, regelgeving, onderhoud van de wegen, veiligheid, … te voorzien. Bij de Congolese bevolking ontstond er een mentaliteit van ‘débrouillez-vous’ of ‘neem je lot in eigen handen’. Daarnaast was de Congolees ook mondiger geworden. Dat ondervond Mobutu aan den lijve wanneer hij in de zomer van 1991 een nationale conferentie organiseerde. Op de conferentie waren allerhande kleine organisaties vertegenwoordigd die op het terrein invulling gaven aan het begrip democratie. De conferentie zette zijn tanden in twee lijvige dossiers. Enerzijds was de Commission des Biens Mal Acquis in het leven geroepen, die moest onderzoeken wie er door corrupte praktijken onrechtmatig fortuin had verkregen. Anderzijds werd de Commision des Assassinats in het leven geroepen, die onderzoek voerde naar alle onopgehelderde moordzaken en verdwijningen. Dan vond Mobutu het welletjes en kondigde aan dat de slotzitting ten laatste op 5 december 1992 moest worden gehouden. Er was geen tijd meer om de rapporten door de voltallige vergadering te laten goedkeuren. Ook al nekte Mobutu de conferentie, de oppositie kreeg hij niet meer stuk [63].
Doorheen de jaren 1990 wisselde Mobutu manipulaties verder af met repressie van de ergste soort. Zo richtten Mobutu’s elitetroepen (de Division Spéciale Présidentielle) onder andere een bloedbad aan op de campus van de universiteit van Lumumbashi. Daarnaast greep hij ook terug op middelen die vroeger niet tot zijn arsenaal behoorden, zoals plunderingen. In september 1991 kwam een eerste golf van plunderingen door het leger in Kinshasa tot stand. In januari 1993 deed men dat nog eens dunnetjes over. De eerste golf van plunderingen kwam tot stand net na de start van de nationale conferentie, de tweede golf net nadat Mobutu oppositieleider Tshisekedi, onder druk van de Nationale Confentie [64] had aangesteld als premier. Als Mobutu de rooftochten niet had aangestoken, kwamen ze hem wel goed van pas om aan te tonen dat de nationale conferentie of de regering Tshisekedi alvast niet de lakens uitdeelden in Congo. Bovendien betaalden de troepen op deze manier zichzelf, en moest de uitgeputte staatskas niet aangesproken worden [65].
5.5.2. De val van het regime
Eind 1994 had Mobutu alle krediet van het Westen verloren. Het IMF stuurde aan op een schrapping, buitenlandse groepen investeerden niet meer in Congo, en België, Frankrijk en de Verenigde Staten hadden hem afgeschreven en legden de ontwikkelingssamenwerking stop. Verder bleek het leger (op zijn persoonlijke garde, de DSP, na) een ordeloze bende te zijn geworden die zich vooral bekwaamde in struikroverij en brandschattingen. Bovendien dreigde Mobutu in geldnood te verkeren. Jaren voorheen was Mobutu dankzij het afromen van staatsinkomsten (de zogenaamde presidentiële dotatie, in 1974 geraamd op 1/5 van het Congolese overheidsbudget), onrechtstreekse belangen in grote buitenlandse maatschappijen en zijn 60% aandelen in de Banque De Kinshasa uitgegroeid tot één van de rijkste mensen ter wereld. Anno 1994 viel de koperproductie door verwaarlozing echter bijna zo goed als stil. De belastingen op de koperuitvoer vormden de belangrijkste inkomst van de Congolese politiek. Bijgevolg kwam Mobutu’s belangrijkste geldschieter (de Congolese staat) in het gedrang.
In 1996 raakte bekend dat Mobutu naar Zwitserland was getrokken om er zich van prostaatkanker te laten opereren. Na zijn terugkomst rukten de legers van Laurant Kabila onverbiddelijk op van Katanga naar de zee. Negen maanden na zijn operatie ontvluchtte Mobutu als een dief in de nacht zijn luxueuze residentie in Gbadolite. De prostaatkanker werd hem op 7 september 1997 fataal en hij stierf in Rabat [66].
II. De eerste STAATSGREEP VAN MOBUTU SEPTEMBER 1960
1. Het leger ‘neutraliseert’ de politici
1.1. Historiek en situering
De Congolese machtsstrijd was in september 1960 voorpaginanieuws in de verscheidene kranten. Overal werd argwanend toegekeken op het verloop van het politieke steekspel tussen Kasavubu en Lumumba. Op 13 september was Lumumba er immers in geslaagd de kamers te overtuigen om hem een volmacht te verlenen. Kasavaubu en Ileo betwistten de toekenning van deze volmacht, aangezien er volgens hen te weinig parlementairen aanwezig waren bij de stemming. Een dag later maakte Mobutu via de radio bekend dat hij de twee kamers, de president en de premier ‘neutraliseert’. Lumumba zou daarop naar het Leopoldkamp getrokken zijn om er de soldaten achter zich te scharen. Aanvankelijk leek dit te lukken want een aantal zwaarbewapende Lumumba-gezinde militairen slaagden er in om Mobutu te arresteren en hem daarna naar het kamp Leopold te brengen. Daar bleven de soldaten Mobutu trouw en bevrijdden hem opnieuw. Mobutu zou voor de rest van de dag in het kamp gebleven zijn en er de militairen rond zich geschaard hebben. Lumumba werd in het legerkamp belaagd door woedende Baluba soldaten. Hij slaagde er op het nippertje in om te vluchten in een officierenmess, waar hij beschermd werd door Ghanese UNO-troepen. Tot twee keer toe zouden een groep uitzinnige Congolese soldaten geprobeerd hebben de mess te bestormen, maar twee keer werd de aanval door de blauwhelmen afgeslagen.
1.2. Analyse
1.2.1. De Belgische dagbladpers
De eerste berichtgevingen over de radiotoespraak en de rellen in het Leopoldkamp sijpelen door in de kranten van 15 september. Het is vrij duidelijk dat Mobutu in dit stadium nog een nobele onbekende is en allerminst wordt gezien als een voorname protagonist in de machtsstrijd. Zowel De Standaard als Het Laatste Nieuws vermelden wel de radiotoespraak en mededeling van de kolonel, maar hechten er voorts weinig belang aan. Het grootste deel van de artikelen wordt aan de machtsstrijd tussen Lumumba en Kasavubu gewijd. De berichtgevingen zijn aanvankelijk nog grotendeels gebaseerd op melding van persagentschappen als Reuters, AFP, … en zijn bijgevolg vrij gelijklopend. Meestal wordt er vermeld wat Mobutu had aangekondigd in zijn officiële radiotoespraak. Daarin had hij laten weten dat het leger het bewind in handen neemt tot de crisis is opgelost. In afwachting worden de kamers, de president en de regering geneutraliseerd. Het bestuur zal in handen komen van een groep jonge Congolese universitairen die een ploeg van technici zullen vormen. Deze technici zullen het land regeren tot de politici het onder elkaar eens worden [67].
Many Ruys oordeelt de volgende dagen in De Standaard dat de situatie met de dag chaotischer wordt: Te Leopoldstad volgen de gebeurtenissen mekaar zo snel op dat de toestand met de dag verwarder wordt … Voorlopig weet men niet met zekerheid door wie het land eigenlijk bestuurd wordt [68]. Mobutu wordt dus nog niet gezien als de man die orde kan brengen, wel integendeel. Ruys omschrijft de situatie als totale chaos en de strijd om de macht verwordt volgens hem tot een groteske karikatuur. Volgens de verslaggever van De Standaard heeft de actie van de kolonel alleen maar meer chaos en verwarring tot gevolg: Loemoemba zaait terreur met zijn Patriciaanse garde en wordt dan almeteens afgezet door “kolonel” Moboetoe die beroep doet op een regering van studenten en in afwachting alles en iedereen “neutraliseert” zonder te weten wat dat juist betekent. Even later gaat hij zelfs nog iets dieper in op het optreden van Mobutu: Het toppunt is trouwens dat Moboetoe in zijn proklamatie tot de natie verklaart dat het leger – eerste oorzaak van de ineenstorting – thans de rol van wijze scheidsrechter zal vervullen ! Men zou er nog kunnen om glimlachen, maar achter die vaudevilleske chaos verbergt zich een werkelijkheid van dertien miljoen Kongolezen voor wie de toekomst somber is. Een toekomst van werkloosheid, hongersnood en tribale uitmoording. Voor deze sukkelaars is het geen klucht [69].
In Het Laatste Nieuws daarentegen lijkt men iets meer geloof te hebben in de mogelijkheid dat Mobutu een einde kan maken aan de verwarring en crisis. Zo kopt dit blad op 16 september: “Kolonel Mobutu blijft meester van de toestand”. De gebeurtenissen in het Leopoldkamp ziet men als een voorzichtige overwinning voor Mobutu: Hoewel de toestand zeker verward blijft, schijnt alles er op te wijzen dat het Congolese leger langzaam de macht in handen begint te krijgen en kolonel Mobutu steunt, doch niemand durft dat zeker te bevestigen [70]. Daarnaast stelt Het Laatste Nieuws dat de eerste poging van Lumumba om Mobutu uit te schakelen op een duidelijke mislukking is uitgelopen. Lumumba had echter geprobeerd om Mobutu te laten arresteren, maar volgens Het Laatste Nieuws kon deze ‘zonder veel problemen’ de situatie herstellen. Verder zou het leger zich in steeds grotere mate achter zijn persoon scharen, zonder hun trouw aan het staatshoofd prijs te geven [71]. Het Laatste Nieuws beschouwt Mobutu dus duidelijk van meet af aan als een vrij sterk en machtig figuur.
De Volksgazet lijkt aanvankelijk voorbij te gaan aan de staatsgreep van Mobutu. Op 16 september wordt de kolonel heel kort vermeld in het dagblad. De Volksgazet focust vooral op Lumumba. Zo wordt uitgebreid omschreven hoe Lumumba via de radio de bevolking had toegesproken. Daarnaast gaat men ook uitgebreid in op de volmachten die hem verleend werden door het parlement [72]. De gebeurtenissen in het Leopoldkamp of het optreden van Mobutu worden amper vermeld. De Volksgazet hecht dus weinig belang aan de staatsgreep van Mobutu. Mogelijk is de kolonel nog een nobele onbekende op de redactie van het dagblad, of verwacht men dat Lumumba eerstdaags de situatie weer in handen zal nemen.
1.2.2. De Amerikaanse dagbladpers
De Amerikaanse dagbladpers reageert minder wantrouwig. Van meet af aan wordt er in The New York Times en The Washington Post een positief beeld opgehangen van de jonge generaal. Op 15 september schrijft verslaggever ter plaatse Henry Tanner dat de situatie door de staatsgreep van het leger voorlopig nog onduidelijk blijft, en dat het moeilijk uit te maken viel welke zijde het meest aansprak kon maken op de macht [73]. Een dag later lijkt Mobutu helemaal het vertrouwen van Tanner gewonnen te hebben. Mobutu wordt omschreven als a moderate voice in military and political circles [74]. Daarnaast zou hij ook meermaals tussengekomen zijn in de conflicten tussen de Congolese soldaten en de VN-troepen, en zou hij zo de orde hersteld hebben. Maar bovenal wordt de nederlaag van Lumumba en het Sovjet-blok in Congo omschreven. Veelzeggend is de onderstaande foto die op de voorpagina van het blad wordt gepubliceerd.