| De commercialisering van microkrediet: de contradictie tussen winst en armoedebestrijding. Een case-studie. (Bram Riems) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Tussen 1976, het jaar dat de Bengali Muhammad Yunus 25 dollar uitleende aan 42 mannen en vrouwen, en 2005, het jaar dat door de Verenigde Naties uitgeroepen werd als ‘The International Year of Microcredit’ nam microfinanciering, tegenwoordig vaker microkrediet geheten, een hoge vlucht. NGO’s, banken en staatsinstellingen allerhande waren er als de kippen bij om goedkope leningen toe te kennen aan individuen of kleine ondernemingen. Vandaag zijn er duizenden organisaties actief in zich ontwikkelende gebieden in Azië, Afrika, Latijns- en Zuid-Amerika, of in post-conflict gebieden zoals in Bosnië-Herzegovina. Er is een enorme, chaotische diversiteit aan organisaties gegroeid – publieke en private, non-profit en winstgerichte, inheemse en internationale, urbane en rurale, formele en informele – die qua opzet en aanbod de branche intern verdelen. De verschillen situeren zich op het vlak van de donoren, de doelstellingen, de strategieën, de expertise, de soorten diensten, de cliënten etc.
Ondanks deze diversiteit zijn de objectieven niet min sinds microfinanciering door de grote financiële instituties (zoals de ‘Wereldbank’ en het ‘IMF’) wordt gepropageerd als een belangrijk instrument voor armoedebestrijding: wereldwijd wou men dit jaar 100 miljoen armen bereiken. Daartoe creëerden verschillende donoren in 1995 de ‘CGAP’, de ‘Consultatieve Groep om de Armsten te Assisteren’, dat op een triomfantelijke toon de humane missie met betrekking tot microfinanciering verwoordt: ‘Micro-finance is an effective weapon in the fight against poverty. Providing financial services, savings and credit to the very poor households creates opportunities for the economically active poor to create, own, and accumulate assets. Developing country practitioners working at the grassroots level have demonstrated this fact beyond doubt.’[1] De internationalisering van het concept verloopt daarnaast via de ‘Microcredit Summit Campaigns’, opgericht in 1997 met ca. 1700 leden; vijf jaar later telde het orgaan al meer dan 4500 participanten van instellingen over de hele wereld. Beide organismen belichamen de meer algemene trend van de jaren ‘90: de institutionalisering. NGO’s werden immers in steeds grotere mate geconfronteerd met financiële problemen als gevolg van zwakke controlemechanismen en de vlotte toekenning van krediet aan cliënten. Terugbetalingen leden in grote mate onder ‘delinquentie’; donoren trokken zich terug of verstrekten onvoldoende middelen. Bolivia illustreert het gevaar: in 1999 was de markt er zo verzadigd dat de schulden niet meer konden worden terugbetaald. In 2001 werden de gebouwen van de Boliviaanse ‘Superintendentie van Banken’ bezet door arme fruitverkopers en boeren, die een algehele kwijtschelding eisten. Daarom ging men aan zogenaamde ‘upscaling’ doen: NGO’s dienden zich meer in de publieke sfeer te begeven, transformeerden zich in MFI’s of microfinancieringsinstellingen en vielen in onder het toeziend oog van de staat en de internationale financiële organen.
Maar dit is niet het hele verhaal. Sinds eind jaren ‘90 tekent zich een volledig nieuwe trend af in de wereld van microkrediet: commercialisering. Microkrediet trekt nu de aandacht van private ondernemingen, die zowel lokaal als internationaal opereren. In het Westen is ‘Dexia’ slechts één recent voorbeeld van een privé-bank die interesse toonde. Ook ‘Citigroup’, ‘Deutsche Bank’, ‘ABN Amro’, ‘ING’, ‘HSBC’, om nog maar te zwijgen van de vele stichtingen (de ‘Omidyar-Tufts’-, de ‘Ford’-, ‘Shell’-, ‘Bill Gates’-, ‘Rockefeller-Foundations’ en dergelijke meer) volgen het voorbeeld van vele lokale commerciële banken in het aanbieden van financiële diensten aan de armen. Microkrediet is ‘big business’ geworden, of zoals ‘The Economist’ het verwoordde: ‘Een stijgend aantal microfinancieringsintellingen, geïnspireerd door het succes van banken in ontwikkelde landen, zijn tot de conclusie gekomen dat de beste manier om het grote aantal armen in de wereld te bereiken, is om winstgevend te worden en te opereren als conventionele rijke wereldbedrijven. Dit argument begint een stijgend aantal beleidsmakers die geïnteresseerd zijn in ontwikkeling en armoedebestrijding te overtuigen…’[2] Het lijkt erop dat micro-financiering definitief uit de sfeer van de ontwikkelingssamenwerking is getreden, en meer en meer wordt gedomineerd door een neo-liberale, financiële vrije markt.
Is het bereiken van de armen en armsten met financiële diensten een doel op zich geworden? En heiligt het doel de middelen? Te oordelen naar de crisis in Bolivia in 1999-2001, waar schuldenaars met dynamietstaven de MFI’s die hen een betere toekomst voor ogen hielden, binnentraden, heeft deze financiële branche aan neutraliteit ingeboet. Financiële efficiëntie en rendabiliteit zijn ondeelbaar één geworden, en om die doelstelling te bereiken wordt gekeken naar privé-kapitaal, risicobeheer, innoverende financiële producten, en hanteert men de ‘beste praktijken’.
Deze paradigma’s vormen de aanleiding voor de scriptie. De casus is het Zuid-Amerikaanse Ecuador, waar in de periode maart-mei 2006 ter plaatse onderzoek is verricht naar de nationale microfinancieringsindustrie. Ecuador leent zich uitstekend voor een onderzoek naar de commercialisering van deze sector. Ten eerste omdat het land in 1999 een grote economische en financiële crisis doormaakte: meer dan 40 financiële instellingen gingen failliet. Het hervond pas een zekere mate van stabiliteit door de dollarisering van de economie in 2000. Daarna moest een groot deel van het financieel systeem heropgebouwd worden, waarvoor het land kon rekenen op de steun van internationale ontwikkelingsorganisaties. Of en op welke manier deze actoren en de nationale MFI’s de nieuwe paradigma’s hebben toegepast komt in deze scriptie dan ook uitgebreid aan bod, net als de oorzaken en het verloop van de crisis zelf. Ten tweede is Ecuador een geschikte casus omwille van de kleine omvang van het land, zowel qua oppervlakte als qua bevolking. Er werd, door de grote diversiteit aan programma’s en instellingen, niet gestreefd naar absolute volledigheid, maar dankzij de omvang en de toegankelijkheid van het land, is deze scriptie toch representatief voor gans Ecuador.
In de Ecuadoriaanse steden is krediet allomtegenwoordig. Niet alleen de televisie verspreid dagelijks reclamespotjes van de grote banken en coöperatieven, ook alle andere media, zoals kranten en reclameborden, promoten financiële diensten. In ongeveer elk warenhuis kunnen producten gekocht worden op krediet, en recenter ontwikkelen alle MFI’s nieuwe producten, waaronder voornamelijk overschrijvingen uit het buitenland en verzekeringen. Spaarrekeningen worden veel minder expliciet aangeprezen. Op het platteland daarentegen ligt de situatie anders. Daar hebben de gemeenschappen vooral zichzelf georganiseerd in communale banken en kleine coöperatieven, ook al zal uit het onderzoek blijken dat hier een verandering op til is. Deze tegenstelling wordt gesymboliseerd door de omslagfoto: een reclamebord van de rurale coöperatief ‘Salitre Ltda.’. ‘Krediet helpt om uw dromen te realizeren’, zo luidt de slogan. In deze verhandeling peilen we naar de werkelijkheid achter deze droom.
De scriptie is opgebouwd als volgt: hoofdstuk 2 bevat de probleemstelling en de methodologie, hoofdstuk 3 adresseert de paradigma’s en de globalisering van microfinanciering in de internationale context, en in hoofdstuk 4 wordt de Ecuado-riaanse microfinancieringsindustrie in al haar aspecten geanalyseerd. De conclusies worden geformuleerd in het vijfde en laatste hoofdstuk.
Commercieel bankieren voor de armen: het lijkt minstens een contradictie. Uit de vele documenten die de ‘CGAP’ ter beschikking stelt, blijkt dat deze trend eveneens gepaard gaat met een nieuw discours: ‘performantie’, ‘kwaliteit van de portfolio’, ‘duurzaamheid’ en ‘transparantie’ zijn slechts enkele criteria. Microfinanciële instellingen moeten zelfvoorzienend en financieel duurzaam zijn, en tegelijk de armsten bereiken. Leningen verlengen als de betaling uitblijft, of erger, leningen verstrekken aan intresten die de kosten niet dekken, zijn net als subsidies uit den boze. In plaats daarvan worden controlemechanismen uitgebreid en nieuwe beheerstechnieken ontworpen, want microfinanciering wordt nu geacht zichzelf te financieren. Kortom, deze manier van armoedebestrijding is niet gebaseerd op een altruïstische bekom-mernis maar gaat uit van een win-win scenario.
Bovendien ziet men de armsten als de belangrijkste doelgroep voor de komende jaren, zoals M. Yunus van de ‘Grameen Bank’ (cfr. supra) het recent verwoordde: ‘Mijn tweede voorstel is dat van dit bedrag (nl. 5 % van alle buitenlandse hulp), 70 % van de fondsen in een eerste ronde naar de armsten gaan (…). Wanneer dit geld door de armen is terugbetaald, zou de meerderheid van het binnenkomende geld naar een tweede ronde leningen moeten gaan…’[3] Maar om de armsten te bereiken en tegelijk ‘financieel duurzaam’ te blijven stelt Yunus dat ‘in het geval van een lening de regering de verantwoordelijkheid voor de terugbetaling moet nemen. Dit omdat microkredietprogramma’s gewoonlijk niet in staat zijn om het risico van de muntfluctuatie te dragen.’[4] De staat moet dus de risicovolle kosten dragen van de commercialiserende hand die de armen wordt toegestoken.
In een rapport van ‘Acción International’, de belangrijkste koepelvereniging van microfinancieringsorganisaties in de ‘Amerika’s’ zijn het niet zozeer de regeringen, maar de NGO’s die de taak hebben om de armsten te bereiken: ‘Going forward, the most important role for NGOs is to continue innovating in the field to support the development of systems and procedures to extend credit to population sectors as yet not adequately served, including those in the poorest levels of society…’[5] NGO’s worden geacht de tot nu toe moeilijk bereikbare armste segmenten van de bevolking op te zoeken, aangezien alle andere marktsegmenten kunnen worden overgelaten aan de commerciële sector. Het centrale thema van de thesis is dus de commercialisering van microkrediet, zowel vanuit de optiek van de NGO’s als vanuit de commerciële financiële wereld.
Niet iedereen is even enthousiast over deze evolutie, of sterker nog over ‘microkrediet’ in het algemeen. In een artikel dat het ontstaan van microkrediet situeert in het kader van de ‘Structural Adjustment Programs’ bekritiseert Weber deze neoliberale techniek waarbij armen worden geresponsabiliseerd en sociaal gedisciplineerd: ‘Key to these findings is evidence that microcredit is not primarily used for purposes of investment but is, more often than not, used for ‘consumption smoothing purposes’. This means that the credit is used mostly for payment of health care, repairs to buildings, basic educational fees, and generally to bridge the gap between income insecurity and meeting basic daily needs, such as food. Repayments are often sustained through a downward spiral of vulnerable livelihoods…’[6] De crisis in Bolivia legde het belang van het consumptiekrediet bloot: dit type krediet was de belangrijkste factor in de oververzadiging van de markt. Toch zou de vraag het aanbod vele malen blijven overstijgen, hetgeen impliceert dat commercialisering de enige valabele oplossing is.
Tussen de optimistische voorspellingen, de analyses en het herhalen van de paradigma’s, klinkt Weber’s eenzame stem. Het is dus tijd dat er meer kritische vragen worden gesteld bij de huidige evolutie, meerbepaald met betrekking tot vraag en aanbod, de winstnotie, de ontwikkeling van nieuwe financiële diensten, de focus op de armen en armsten, consumentenleningen, en de toenemende institutionalisering met een zogenaamde ‘upscaling’ van NGO’s en een ‘downscaling’ van commerciële banken.
Om een gerechtvaardigd oordeel over de commercialisering te kunnen vellen moeten we de huidige tendens uiteraard toetsen aan een concrete casus: Ecuador. De keuze voor dit land argumenteerden we in de inleiding; we zetten ze nog even op een rij. Ten eerste is het land klein en dus ‘handelbaar’. Om een representatief beeld te schetsen van de nationale microfinancieringsindustrie is dit een noodzakelijke voorwaarde. Ten tweede opereren in het land zowel verschillende formele als informele MFI’s, zodat we aan de hand van een vergelijkende studie de impact van de institutionalisering kunnen nagaan, en de verschillende rollen die de MFI’s krijgen toebedeeld. Ten derde noopte de crisis in 1998-2000 de financiële sector tot aanpassingen, zodat met behulp van internationale actoren het financiële systeem werd hertekend. Deze jaren vormen dus een sleutelmoment, wat leidt naar de eerste onderzoeksvraag: werd er geopteerd voor de nieuwe paradigma’s rond winst, financiële efficiëntie enz. in de heropbouw en herstructurering van het financiële systeem? Of anders: kunnen we in Ecuador gewag maken van een commercialisering van de financiële diensten?
De volgende stap is na te gaan op welke manieren deze trend zich concreet manifesteert. Deze vraag veronderstelt dus een onderzoek naar de verschillende aspecten van de commercialisering van microfinanciering, zoals de introductie van privé-banken in deze sector, de rendabiliteit van de instellingen, de financiële zelfstandigheid, de klantenwerving, de door de MFI’s gebruikte methodologieën en technieken enz. Aan de aanbodzijde dienen we verder ook nog aandacht te besteden aan het aandeel van buitenlandse donoren en privé-kapitaal in de MFI’s, het operatieterrein van de MFI’s (zowel geografisch als sectoraal), en de soorten financiële diensten. Aan de vraagzijde dringt zich een typologie op van het cliënteel naar grootte, inkomen, spaarvermogen, en de bestemming van het krediet, gerelateerd aan het type MFI. Verder vormt ook de mate van ‘delinquentie’ in de afbetalingen een belangrijke component, en hoe het cliënteel de MFI beoordeelt. De verzamelde informatie heeft dus als doel de verschillen tussen de soorten instituties bloot te leggen met betrekking tot de commercialisering.
Tot slot moeten al deze bevindingen gekoppeld worden aan de relatie tussen microfinanciering en armoedebestrijding. De slotvraag formuleren we dus als volgt: wat is de bijdrage van microfinanciering aan armoedebestrijding in Ecuador?
Om op deze drie vragen (een vraag naar de commercialisering, een vraag naar de specifieke kenmerken van de commercialisering, en een vraag naar de relatie tussen microfinanciering en armoedebestrijding) een antwoord te kunnen bieden, wordt gebruik gemaakt van drie methodes: een literatuurstudie, een statistische analyse, en interviews. De drie methodes vinden hun toepassing overeenkomstig de verschillende objectieven van de thesis. Zo is de literatuurstudie geschikt om de commercialisering van microfinanciering, zowel in Ecuador als in internationale fora, te beschrijven. Een belangrijke bron is een nationale enquête van de micro-economische sector, uitgevoerd door ‘USAID’ in 2003-2004. De interpretaties van de resultaten van de enquête maken we echter zelf, en kunnen zodoende verschillen met die van ‘USAID’.
Om de specifieke componenten van de commercialisering te onderzoeken wordt een beroep gedaan op statistieken van de formele MFI’s. Deze statistieken, die aan de basis liggen van alle grafieken, worden ter beschikking gesteld door de ‘Superintendentie van Banken en Verzekeringen’ op hun website (cfr. bibliografie). Een trend (zoals de commercialisering) valt natuurlijk niet goed in te schatten op enkele maanden tijd. Daarom behandelen we de typologie en de evolutie van de verschillende MFI’s op middellange termijn. Concreet werden de beschikbare statistieken en data geanalyseerd vanaf de crisis (1999), met een klemtoon op de laatste twee jaar, tot en met maart 2006.
Ten derde bestond het onderzoek uit interviews, zowel met directeurs en/of het personeel van microfinancieringsinstellingen als met het cliënteel. Concreet werden drie NGO’s, drie coöperatieven en drie privé-banken bezocht, het personeel werd geïnterviewd en hun financiële data werden geanalyseerd. Van elk type werden twee instellingen overgehouden, deze worden besproken in het laatste hoofdstuk. Daarnaast werden ook de cliënten geïnterviewd van een NGO, ‘Hogar de Cristo’, en van een coöperatief, ‘Salitre Ltda.’
3. De globalisering van microfinanciering
In de inleiding en in het hoofdstuk met de probleemstelling schonken we al aandacht aan de rol van de internationale fora en van organismen die microfinanciering promoten. In dit hoofdstuk gaan we bondig iets verder in op zogenaamde nieuwe paradigma’s. Omdat de internationale instellingen hier een sleutelrol spelen kunnen we dan ook gewag maken van een ‘globalisering’ van microfinanciering als een instrument voor armoedebestrijding. Zo is microfinanciering volgens de administrator van de ‘UNDP’ (‘United Nations Development Programme’) één van de belangrijkste mechanismen in de Milleniumdoelstellingen, die extreme armoede en honger willen halveren tegen 2015.[7] Bij dezelfde VN zegt K. Annan hierover: ‘Duurzame toegang tot microfinanciering helpt armoede weg te nemen door inkomsten te genereren, werk te creëren, onderwijs te betalen, gezondheidszorg te bekomen, en om mensen in staat te stellen om de keuzes te maken die het beste hun noden dienen. (…) Onze grote uitdaging is om de belemmeringen te adresseren die mensen uitsluiten van een volledige participatie in de financiële sector.’ In Ecuador noemt ‘USAID’ zelfs de enquête die deze organisatie uitvoerde in 2003-2004 armoedebestrijdend: ‘In de toekomst zal de mogelijkheid om gelijkaardige enquêtes uit te voeren, moeten overwogen worden opdat de veranderingen in de armoedeindicatoren zouden kunnen toegeschreven worden aan een betere toegang tot microfinanciering en diensten van bedrijfsontwikkeling.’[8]
Maar wat is microfinanciering eigenlijk? En wat is het verschil met microkrediet? We gebruiken de definitie van R. Cornford: ‘'Microfinanciering’ is het aanbod van een breed scala aan financiële diensten aan micro-ondernemingen en huishoudens, met lage inkomsten. Deze financiële diensten bevatten gewoonlijk spaargeld en leningen. Desalniettemin kan het ook andere producten bevatten zoals verzekeringen, ‘leasing’, en overschrijvingen. In een engere betekenis beklemtoont ‘microkrediet’ de ter beschikkingstelling van kredietdiensten aan cliënten met lage inkomens, gewoonlijk in de vorm van kleine leningen voor micro-ondernemingen en inkomsten genererende activiteiten.’[9] Het belangrijkste verschil is dus dat microkre-diet als noemer de spaardiensten buiten beschouwing laat, een gebrek waar sinds de jaren 1980 op gewezen wordt door R. Vogel.[10] Voor een definitie van de micro-onderneming volgen we ‘USAID’: ‘Een ‘micro-onderneming’ is een persoonlijke of familiale zaak in de commerciële, productieve, of dienstensector, die minder dan 10 personen tewerkstelt, eigendom is van en geadministreerd wordt door een individu, een familie, of een groep individuen. De micro-onderneming heeft betrekkelijk lage inkomsten, en de eigendom impliceert een onafhankelijk criterium over de producten, de markten en de prijzen en vormt een belangrijke (of de belangrijkste) bron van inkomsten.’[11] De laatste karakterisering sluit bijvoordeeld producenten uit die uitsluitend en zonder autonomie produceren in opdracht van anderen.
Een tweede distinctie betreft de instelling die microfinancieringsdiensten aanbieden (MFI’s): die kunnen, afhankelijk van de wettelijke regulering, formeel, semi-formeel en informeel zijn.[12] De formele sector wordt gekenmerkt door een hoog niveau van regulering en supervisie, zoals banken, coöperatieven, financiële vennootschappen, mutualiteiten, verzekeringsbedrijven, pensioenfondsen en dergelijke meer. Semi-formele instellingen zijn niet formeel gereguleerd, maar hebben vaak een licentie of ontvangen enige vorm van staatssupervisie. NGO’s, coöperatieven, gemeenschapsbanken, kredietunies etc. vallen vaak onder deze categorie. In de informele sector tenslotte is er geen regulering noch supervisie. Hieronder rekent Cornford NGO’s, vrienden en familie, kredietassociaties, commerciële leners en handelaars.[13] Regelgeving is volgens het ‘IFPRI’ (‘International Food Policy Research Institute’) zo belangrijk om de volgende redenen: (1) om intern een veilig en duurzaam financieel beleid mogelijk te maken, (2) om transacties tussen financiële agenten en instellingen te controleren, (3) en om competitieve condities te garanderen.[14]
Microfinanciering is als instrument voor armoedebestrijding nu al enkele tientallen jaren oud. De meningen over de thematiek van financiële diensten voor de armsten zijn grofweg verdeeld in drie kampen[15]: (1) een eerste kamp wijst de hypothese dat de armsten moeten bereikt worden af, omdat er weinig vraag naar is bij deze groepen, omdat de operatieve kosten voor de MFI’s te hoog zijn, of omdat de armsten de financiële diensten niet kunnen betalen. Robinson bv. stelt: ‘the poorest of the poor should not be the responsibility of the financial sector. The food, employment, and other basic requirements needed to overcome desperate poverty are appropriately financed by government and donor subsidies and grants.’[16] Een tweede groep (2) claimt dat er wel degelijk een grote vraag bestaat bij de armsten, zoals blijkt uit de grootte van de informele sector, en dat MFI’s deze groep kunnen en moeten bereiken. De derde groep (3) tenslotte bekleedt een middenpositie. Volgens dit kamp is het potentieel van de armsten om terug te kunnen betalen, net als de vraag, beperkt. Toch wijst deze strekking het aanbod van financiële diensten zeker niet af. De absolute meerderheid van de huidige literatuur rond microfinanciering hangt de tweede of de derde strekking aan.
Al deze groepen hebben met elkaar gemeen dat ze verwijzen naar de financiële duurzaamheid. Om M. Zeller te citeren: ‘There are some success stories, but numerous failures have not made the headlines.’[17] In 1998 schatte de ‘CGAP’ dat slechts 3 à 5% van alle MFI’s wereldwijd financieel duurzaam waren, wat betekent dat ze niet afhankelijk waren van fondsen. Een andere 7 à 10% van de instellingen werden verondersteld performant te worden binnen de 10 jaar, en 90% zou blijvend subsidies nodig hebben.[18] Omtrent het aspect van de financiële duurzaamheid, en meerbepaald het verschil tussen zelfbedruipendie en subsidies, bestaan er ook twee scholen. De eerste school kan geassocieerd worden met de geest van de ‘Microcredit Summit’ in 1997. Het aantal huishoudens met toegang tot microkrediet moest tegen 2005 stijgen tot 100 miljoen, of tien keer zoveel als in 1997. Omdat microkrediet volgens de aanhangers van deze school armoede wegneemt, zijn subsidies voor institutionele innovatie en expansie gerechtvaardigd. De tweede school focust op duurzame financiële diensten aan lage inkomens. Net omwille van die duurzaamheid zijn subsidies uit den boze, aangezien de groei van de instelling afhankelijk is van haar eigen financiële efficiëntie.[19] Volgens C. Prahalad (2005) hebben minder dan 100 MFI’s van de 7000 instellingen wereldwijd een goede financiële duurzaamheid bereikt.[20]
Een tweede kenmerk, dat een gevolg is van de klemtoon op financiële duurzaamheid en efficiëntie, betreft de introductie van de privé-sector in microfina-nciering. Zoals het ‘IFPRI’ het stelt: ‘In spite of their growing importance in the field of microfinance, NGOs alone cannot create an impact on poverty—they need to work in tandem with the larger commercial banks that have wide networks of branches. The state needs to initiate innovative pro-poor reforms in the wider banking sector or support partnerships between state banks, commercial banks, and microfinance institutions that make it less costly to deliver services to the poor.’[21] Eén van de belangrijkste centra van de globale informatievergaring over microkrediet, en een heftige promotor van de commercialisering is het ‘Rural Finance Learning Center’. Deze deelorganisatie van de ‘FAO’ biedt bovendien opleidingen via films, verslagen, en interactieve fictieve voorbeelden. Het is interessant om in dit opzicht even hun standpunt rond de samenwerking van privé-banken met NGO’s onder de loep te nemen. In een fictief voorbeeld met de bank ‘TBC’ zijn de voordelen volgens het leercentrum: ‘(1) It would enable TBC to gain a share of the large market for financial services in rural areas without having to deal with thousands of tiny loans and savings accounts. (2) It is cheaper to deal with a small number of formally registered NGOs and the extensive network of rural branches will make it easy to service them and monitor their performance. (3) The high rates of interest charged by the NGOs allow them to pay a higher rate for bulk loans that TCB can get on treasury bills; it is a profitable use of surplus funds. (4) NGOs may not have much collateral as security but foreign donors and the government may be willing to guarantee loans from TCB to them as part of a process of withdrawing their direct support. (5) Some poor rural clients will, in time, graduate to mainstream banking and if the NGO is using TCB, their clients are likely to come to TCB for their direct banking needs.’[22] De privé-banken hebben voordeel bij een samenwerking omdat de donoren van de NGO’s of de staat de kosten voor de banken helpen reduceren (1, 2 en 4), of omdat het winstgevend is en er een marktsegment bijkomt (1,3 en 5).
Deze twee punten vormen de basis van wat ook ‘het nieuwe paradigma’ wordt genoemd. De belangrijkste kenmerken daarvan kunnen we samenvatten als volgt: subsidies zijn best een tijdelijke maatregel, intresten moeten hoog genoeg zijn om de amortisaties te verzekeren, vrouwen zijn vaker betere klanten dan mannen, korte- termijnleningen vallen te verkiezen boven langetermijnleningen, de armsten hebben aanvullende hulp nodig maar de armen niet, regeringen zouden geen krediet-programma’s mogen ontwikkelen, er moet continu innovatie zijn in de financiële producten, en spaarrekeningen zijn belangrijk voor de cliënt; voor de bank zijn ze vooral belangrijk omdat het een afbetaling van de leningen garandeert. Om de financiële zelfbedruipendie mogelijk te maken, wordt gegrepen naar zogenaamde ‘beste praktijken’.
De beste samenvatting van dit ‘nieuwe paradigma’ wordt gegeven door M. Nazirwan: ‘In the past, we witnessed microfinance has been successful as anti-poverty and development tools. Now we are witnessing microfinance has moving forward as an industry, which benefit million poor people, poor women, microentrepreneurs, peasant farmers, and the society. In the future, we will witness microfinance as a lucrative business through providing financial services for the poor.’[23]
4. Microfinanciering in Ecuador
In dit hoofdstuk analyseren we de microfinancieringssector in Ecuador. We gaan na of de commercialiseringsprocessen plaatsvinden, en op welke manier ze zich voltrekken. Daarnaast is het belangrijk om de noden van de micro-ondernemingen zelf vast te stellen, en hoe formele MFI’s en de informele sector op die noden inspelen. Een belangrijke bron voor dit aspect is, zoals gezegd, de enquête van ‘USAID’. Die enquête uit 2003-2004 ontkrachtte meteen twee paradigma’s: de economische microsector in Ecuador heeft zeer weinig groeimarge, en deze micro-sector percipieert een gebrek aan financiële diensten helemaal niet als een groot probleem. Onderlinge competitie en een lage vraag naar de producten zijn veel bepalender in de lage inkomsten.[24]
Vooraleer we ons wenden tot de micro-economische sector spenderen we een kort hoofdstuk (4.1.) aan de algemene Ecuadoriaanse economie en aan de financiële crisis. De huidige trends in de microfinancieringssector kunnen immers niet begrepen worden zonder die crisis. Een tweede hoofdstuk (4.2.) stelt de microsector zelf centraal, en worden alle kenmerken van deze economische sector toegelicht. Ook de vraag naar en het aanbod van financiële diensten komt ter sprake. Het derde hoofdstuk (4.3.) is gewijd aan de rol van de staat. Er wordt eerst een bondige geschiedenis van de staatsprogramma’s beschreven, en vervolgens nemen we de recente regulering onder de loep. In hoofdstuk 4.4. worden de verschillende type MFI’s geanalyseerd met een klemtoon op de banken en de coöperatieven. De financiële netwerken en tweedegraadsinstellingen worden in een apart hoofdstuk geadresseerd (4.5.), net als de buitenlandse ontwikkelingssamenwerking in Ecuador (4.6.). Het laatste hoofdstuk tenslotte (4.7.) maakt een diepgaandere analyse van een zestal microfinancieringsinstellingen.
4.1.1. Algemene kenmerken van de Ecuadoriaanse economie
Omdat we ons in deze scriptie willen toespitsen op microfinanciering zullen we niet lang stilstaan bij de economische, politieke, demografische en andere nationale aspecten, maar ons beperken tot wat basiskenmerken en -indicatoren.
Ecuador is een olie-exporterend land: de olie-uitvoer beslaat ongeveer 10% van het BBP, maar wel 40 à 50% van de export. Olie genereert 40% van de staatsinkomsten. Recenter worden overschrijvingen uit het buitenland belangrijker, die nu al rond de 7 à 8 procent uitmaken van het BBP, ofwel 1,5 miljard US$. Andere exportproducten zijn bananen, garnalen, bloemen, cacao en koffie. De groei van het BBP lag in 2005 op 3,9%. Sinds het midden van de jaren 1980 torste het land een schuldenberg mee van ongeveer 100% van het BBP (een gevolg van de neoliberale politiek in het ‘verloren decennium’)[25], met een lichte daling tot aan het eind van de jaren 1990, vervolgens een sterke stijging, en opnieuw een daling sinds 2000 (tot 60% vandaag). Het land maakte in 1998-2000 een grote economische en financiële crisis door, ten gevolge waarvan de economie werd gedollariseerd en waaraan we een apart hoofdstukje wijden (cfr. infra). De inflatie bedroeg sinds de jaren 1980 tot en met 2001 jaarlijks meer dan 30%. De laatste jaren is er echter sprake van een grotere algemene financiële stabiliteit, en een inflatie van nog amper 2 à 4 procent.
Politiek is het land bijzonder instabiel. Sinds 1996 bekleedden al 7 personen het ambt van president. In april 2005 werd Lucio Gutièrrez nog uit het ambt ontzet wegens een corruptieschandaal. De corruptie vormt in Ecuador trouwens één van de grootste en meest persistente problemen. De ‘Human Development Index’ van de VN ligt betrekkelijk hoog: Ecuador staat op de 82ste plaats tussen Libanon en Armenië, maar onder de buurlanden Peru en Colombia. De laatste ‘Gini’-coëfficiënt, een indicator van de sociale ongelijkheid, stamt uit 1998 (0,44) en is daarom geen betrouwbare indicator (opnieuw omwille van de crisis). Ecuador heeft een bevolking van iets meer dan 13,5 miljoen, en ze groeit aan met naar schatting 1,5% op jaarbasis. Er is een officiële werkloosheid van 10,7%, maar de verborgen werkloosheid wordt geschat op 47% van de totale actieve bevolking.
Ecuador wordt traditioneel ingedeeld in drie grote geografische gebieden: de kuststreek in het Westen, de Andes of Sierra, en het Amazonegebied in het Oosten. Die indeling is zeker nuttig voor deze scriptie en zal dan ook als dusdanig gehanteerd worden. In een laatste lijstje staat Ecuador aan de absolute top inzake biodiversiteit, maar of er zorgvuldig met deze rijkdom wordt omgesprongen is een andere kwestie. De massale mangrovekap in de kuststreek en de woudkap in het Amazonegebied, grootschalige olierampen[26], landbouwerosie en watervervuiling vormen de grootste problemen voor het Ecuadoriaanse milieu.
Tot slot willen we nog even stilstaan bij de etniciteit in Ecuador. De meerderheid van de Ecuadorianen zijn mestiezen (65%), ongeveer 30% zijn indianen (voornamelijk in de Sierra), en een kleine 3% is zwart (voornamelijk te situeren in de noordelijke kustprovincie Esmeraldas). De ongelijkheid manifesteert zich namelijk in de eerste plaats langs etnische lijnen. Bekijken we bijvoorbeeld de grondverdeling volgens etniciteit, dan is het opvallend hoe alle bevolkingsgroepen, uitgezonderd de indianen, procentueel gezien een groter grondaandeel hebben dan hun respectievelijke bevolkingsaandeel (cfr. Tabel I, zie ook Annex 1).
Tabel I: Grondbezit volgens etniciteit.
Berekeningen a.d.h.v. Annex 1. Bron: www.inec.ec
|
|
Indianen |
Zwart |
Mesties |
Blank |
|
Bevolkingsaandeel landbouw (%) |
20,9 |
1,5 |
71,7 |
5,5 |
|
Grondbezit (%) |
15,2 |
2,2 |
73,4 |
8,6 |
|
Gemiddeld aantal ha./persoon |
10,1 |
20,7 |
14,1 |
21,6 |
|
Aan. Landbouwers met < 5 Ha. Grond (%) |
75 |
41 |
61 |
57 |
De indianen moeten het doen met 15% van de grond, hoewel bijna 21% van alle landbouwers indianen zijn. Vooral de mestiezen en de blanken bezitten verhoudingsgewijs meer grond. Ook de grondoppervlakte maakt een behoorlijk verschil: 75% van de indianen bezit minder dan 5 ha. grond, in vergelijking met 61% van de mestiezen en 57% van de blanken. Maar de grondverdeling per etnie uit zich het duidelijkst in gemiddelden: een blanke bezit gemiddeld dubbel zoveel ha. dan een indiaan (21.6 ha. tegenover 10 ha.), en meer dan een kwart meer dan de mestiezen (14 ha.). Tijdens de financiële crisis liep de armoede volgens de ‘IADB’[27] in de rurale sector in de Sierra op tot 79%. Bovendien heeft 85% in deze streken nog steeds geen toegang tot drinkbaar water. Dat ook microfinanciering in Ecuador in de eerste plaats bestemd is voor de rijkere, urbane mestiezen, blijkt uit het feit dat 97,7% van de urbane (in steden vanaf 2000 inwoners) micro-ondernemers ééntalig Spaans is, en amper 0,5% Indiaanstalig. Uiteraard zijn er veel meer indiaanstalige landbouwers in rurale gebieden, maar de vraag is of deze onder de brede noemer ‘micro-ondernemers’ vallen. In deze scriptie zullen we geen onderscheid maken omdat MFI’s ook aan hen financiële diensten aanbieden, maar we willen erop wijzen dat er geen specifieke informatie rond microfinanciering beschikbaar is voor exclusief Indiaans-talige ondernemers.
4.1.2. Een financieel braakland: 1998-2000
Een exorbitante buitenlandse schuld van 16,4 miljard dollar (een record) viel in 1998 samen met een significante daling van de olieprijzen op de internationale markt (op het laagste peil eind 1998 met slechts 6,95 US$ per vat, de laagste prijs in de jaren 1990). Bovendien werd Ecuador, samen met Peru, in 1997-1998 uitzonderlijk hard getroffen door El Niño. Overstromingen, slechte oogsten en grote economische schade waren de gevolgen. Met dat laatste land kwam Ecuador overigens in een grensconflict terecht in 1999. De grote aanleiding was de plotse stop in kapitaalsinvloei en investeringen in 1998, die omdraaide in een kapitaalvlucht van 3,5 miljard US$ in 1999 of maar liefst 20% van het BBP.[28] Deze factoren vormden samen het scenario voor de grootste crisis die Ecuador ooit heeft gekend, en waarvan het de gevolgen tot vandaag meedraagt. In 1999 kende het BBP een negatieve groei met 7% (cfr. tabel II).
Tabel II: Groei van het BBP (1990-2005).
Bron: IADB. ‘Fiscal sustainability in emerging market countries with an application to Ecuador.’

De inflatie liep in datzelfde jaar op tot maar liefst 70%, en 15 van ‘s lands 40 banken gingen vóór eind 1999 failiet. De Centrale Bank bevroor daarop alle rekeningen en operaties van de banken (overigens op vraag van die laatste), zodat niemand nog geld kon opnemen. In de plaats daarvan werden gecertificeerde deposito’s uitgeschreven. Deze maatregel bracht de ‘CFN’ (cfr. infra), een staatsinstelling die dit papieren geld als enige in ontvangst nam, op de rand van het bankroet, verergerde de kapitaalsvlucht nog meer, en bracht alle financiële instellingen publiek in discrediet. Enkele maanden later besloot de regering-Mahuad naar het enige overblijvende reddingsmiddel te grijpen en de economie te dollariseren. De dollarisering heeft grote prijsstijgingen tot gevolg gehad, én een verlies aan competitiviteit met buitenlandse producten (bv. uit China) op de binnenlandse markt. Zeker aan de grenzen hebben vele kleine onderne-mers door een competitiviteitsverlies de deuren moeten sluiten.
Een duidelijke indicatie van de gevolgen van de financiële crisis in Ecuador zijn de armoedecijfers (tabel III). Tussen 1998 en 1999 stegen de armoedecijfers, door het Nationaal Instituut van de Statistiek vastgelegd op minder dan 2,8 US$ per persoon per dag, zeer bruut: van 29,5% naar 42,1% van de totale bevolking, en dit op een half jaar tijd. Sinds 1995 is het aantal armen meer dan verdubbeld, van 19% tot 41,4%. Er leven naar schatting maar liefst 3 miljoen Ecuadorianen in het buitenland, voornamelijk in Spanje, Italië en de VS. Vele emigranten proberen te ontsnappen aan eerder gemaakte schulden. De crisis leidde eveneens tot grootschalige werkloosheid. Wellicht mede daardoor nam de microsector vanaf 2000-2001 een hoge vlucht.
Tabel III: Armoede en de financiële crisis (1995-2004)
Bron: Fundación Avanzar en Ayuda en Acción.

In 2006 is de armoede opnieuw gestegen. Het ‘Nationaal Instituut voor de Statistiek’ maakte in mei 2006 bekend dat 79% van de rurale bevolking in armoede leeft (en dus met minder dan 2,8 US$ per dag), tegenover 39% in de steden. Gemiddeld maken de armen 52% uit van de totale bevolking.[29] De exuberante inflatiecijfers en de ineenstorting van de hele economie reduceerden de koopkracht van de bevolking, de spaarcapaciteit, de investeringen en de terugbetalingscapaciteit. Vermits vele banken bankroet gingen ten gevolge van de crisis, is het interessant even de basisindicatoren van de coöperatieven uit deze periode te bekijken:
Grafiek I: Basisindicatoren van de coöperatieven tijdens de crisis (milj.US$).
Bron: ‘Ayuda en Acción’. Verwerking door auteur.

De kredietportfolio bijvoorbeeld zakte met maar liefst 63,81% van 107,4 miljoen US$ in 1997 naar 38,9 miljoen in 1999, de spaarportfolio daalde met bijna 60% tot 28,9 miljoen US$ in dezelfde periode. Desalniettemin is de recuperatie van de sector minstens even spectaculair, en werd op twee jaar tijd hetzelfde niveau gehaald als in 1997. In het eerste semester van 2000 stegen de spaarkredieten met 49%, of 40,5 miljoen US$, en de kredieten groeiden met 29% aan. Het aantal spaarders steeg in totaal van 900.000 naar 1.500.000 miljoen. De recuperatie was dus in de eerste plaats te danken aan het vertrouwen dat de leden stelden in de coöperatieven. Geen enkele andere MFI -sector herstelde zo vlug van de crisis.
4.2. De markt van de microfinanciering
4.2.1. Kenmerken van de micro-onderneming
Om een algemeen beeld te schetsen van de microkredietsector in Ecuador is het aangewezen om eerst en vooral enkele naakte cijfers mee te geven, hoewel we duidelijk willen stellen dat het gaat om ruwe schattingen. Laten we eerst even kijken naar de markt: alle Ecuadoriaanse bronnen gaan om te beginnen uit van microbedrijf-eenheden met minder dan 10 arbeiders.[30] De microhandel zelf karakteriseert zich door een intensieve handenarbeid, lage technologische input, weinig arbeidsverdeling, een lage productiviteit en inkomsten, weinig spaarcapaciteit – maar ze is er wel – en in het algemeen een beperkte toegang tot financiële diensten. Kleine bedrijven daarentegen – in tegenstelling tot microbedrijfjes – stijgen uit boven de familiale context en stellen meer dan 10 personen tewerk, maken gebruik van modernere technologieën en opgeleid personeel, genereren middelen die terug kunnen geïnvesteerd worden en opereren veel frequenter in de legale sfeer.
Nationaal zouden micro-ondernemingen meer dan 30% innemen van de totale actieve bevolking. Vanuit dat perspectief bestaan er meer dan 1.500.000 microbedrijfjes in heel het land, waarvan er volgens de ‘Superintendentie van Banken en Verzekeringen’ (SBS) 643.000 hun activiteiten ontplooien in urbane regio’s.[31] De cijfers verschillen echter: in 2003 schatte de ‘IADB’ het aantal Ecuadoriaanse micro-ondernemingen op 1.700.000; een bevolkingscensus uit 2001 pinde het aantal vast op 1.457.877, waarvan 452.658 in de landbouw. Eén miljoen mensen zouden actief zijn in de steden, maar dagloners, intellectuelen en wetenschappers moeten hier worden uitgefilterd.[32] Zij kwalificeren immers niet als micro-ondernemers (cfr. supra). Een laatste enquête uit 1999 schatte het aantal urbane bedrijfjes eveneens rond de 700.000.[33] Volgen we dus de Superintendentie, de ‘IADB’ en ‘USAID’, dan opereert een meerderheid van de micro-ondernemingen dus in stedelijke gebieden: de Sierra van Quito tot Cuenca en de zuidelijke kuststreek (Guayaquil).[34] Ook ‘Ayuda en Acción’ geeft mee dat 40-50% van deze microbedrijfjes gesitueerd zijn in rurale gebieden.[35] Hoe groot het verschil ook is, het staat vast dat het zwaargewicht van de sector aan het verschuiven is naar de steden (vooral Guayaquil met 67% van alle urbane bedrijfjes, ook Quito, Santo Domingo, Cuenca, Loja…), omdat daar de beste infrastructuur gesitueerd is, en omdat de steden voor de plattelandsbevolking fungeren als aantrekpolen. Bijgevolg kan het belang van de stedelijke centra in de toekomst alleen maar toenemen. Kaart 1 illustreert de geografische spreiding van de Ecuadoriaanse micro-onderneming.
Kaart 1: geografische spreiding van de micro-bedrijfjes per kanton (2004)
Bron: USAID.

De urbane microbedrijfjes beslaan samen ongeveer 25% van de actieve stedelijke bevolking, en één op drie families uit de gemiddelde of lage inkomensstrata haalt een inkomen uit een microbedrijfje. Ongeveer 80% van deze urbane zaakjes zijn éénpersoonsbedrijfjes (65% heeft zelfs nog nooit een andere arbeider tewerkgesteld); gemiddeld tellen ze 1,7 arbeiders, in de meeste gevallen zijn dat gewone familieleden.[36] We willen nu al benadrukken dat er in deze economische niche weinig groeimarge is. De microsector wordt vaak gekarakteriseerd als een jobgenererende sector, maar slechts 10% van de ondernemingen in Ecuador slaagt erin om in de loop van hun bestaan extra werkgelegenheid te scheppen na hun oprichting.[37] Meer dan 40% zou zelfs licht verlieslatend zijn, en amper 15% zou een positieve groei kennen. ‘USAID’ stelde vast dat 50% van de urbane bedrijfjes opgestart werden sinds 1999.[38] Dit impliceert dat velen een klein handeltje opstartten uit noodzaak, met name door de financiële crisis. Ten tweede betekent dit dat de sector zeer onstabiel is, want vele ondernemingen gaan tijdens het eerste jaar al failliet. Ook niet onbelangrijk is dat 46,7% van de urbane micro-ondernemers vrouwen zijn, terwijl ze maar 30,7% uitmaken van de actieve bevolking. Dat betekent dat 56,4% van de economische actieve vrouwen een inkomen halen uit de microsector.
De meerderheid van deze micro-ondernemingen ontplooien hun activiteiten ook in de informele sector. Amper een kwart van de urbane bedrijfjes is officieel geregistreerd en heeft een gemeentelicentie. In Ecuador heeft iedereen die commerciële activiteiten wil verrichten immers een RUC-code nodig (‘Registro Único de Contribuyentes’ of ‘Uniek Register van Belastingsplichten’), die de onderneming registreert en op welke basis belastingen kunnen geheven worden. In de grootschalige enquête gehouden door ‘USAID’ in 2003-2004 bleek amper 25% van de ondervraagden geregistreerd te zijn, en 20% bleek te beschikken over een formele boekhouding. Slechts 15% had recht op sociale zekerheid.[39] De gemiddelde urbane micro-onderneming genereert maandelijks een netto familiaal inkomen van 308 US$, jaarlijks is dat 3696 US$. Dat is niet veel, vooral omdat het de belangrijkste bron van inkomsten is. Bovendien is het veel lager dan in andere economische sectoren, vermits de microbedrijfjes voor 10% bijdragen aan het Netto Binnenlands Product, maar wel 25% van de actieve bevolking tewerkstellen.
De meerderheid van de stedelijke microbedrijfjes is actief in de handel (verkopers, kleine winkeltjes, etc.) en diensten (loodgieters, mecaniciens, etc.). Handel prevaleert met 55%, diensten nemen 26% in van het totaal en minder dan 20% wordt tot de productieve sector gerekend. Maar deze indeling is nogal kunstmatig, want eigenlijk bestaat de microsector slechts uit een handvol activiteiten. Zo verkoopt 60% uit de commerciële sector eten, drank en kledij. Vier subsectoren zijn samen goed voor 65% van de diensten: restaurants en cafés, taxi’s, mecaniciens en schoonheidssalons (cfr. tabel IV). De productieve activiteiten oriënteren zich op de lokale markt (kruideniers, schoenmakers, wevers, etc.).
Tabel IV: Verspreiding van de microsector over de subsectoren, per geslacht en per regio (in %)
Bron: USAID.
|
Economische sector |
Mannen |
Vrouwen |
Regio |
Totaal |
||
|
Kust |
Sierra |
Oosten |
||||
|
Diensten |
|
|
|
|
|
|
|
Persoonlijke diensten |
3,2 |
4,8 |
4,2 |
3,5 |
4,2 |
3,9 |
|
Horeca |
6,3 |
13,6 |
9,3 |
10,1 |
14,4 |
9,6 |
|
Reparatie van voertuigen |
8,9 |
0,4 |
4,6 |
5,9 |
5,2 |
5,0 |
|
Bouw |
2,3 |
0,1 |
1,2 |
1,4 |
0,8 |
1,3 |
|
Transport |
12,7 |
0,6 |
6,6 |
8,1 |
6,9 |
7,1 |
|
Productie |
|
|
|
|
|
|
|
Kledij |
3,5 |
9,2 |
5,8 |
6,9 |
3,4 |
6,1 |
|
Houtproducten |
5,9 |
0,4 |
2,3 |
5,4 |
4,2 |
3,4 |
|
Papierproducten |
0,7 |
0,2 |
0,5 |
0,5 |
0,7 |
0,5 |
|
Metaalproducten |
4,2 |
0,1 |
1,9 |
3,2 |
| |