Vrouwenkloosters in Puebla in de zeventiende en achttiende eeuw. (Nicole Tak)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

In 1690 schreef de toenmalige bisschop van Puebla, Manuel Fernández de Santa Cruz Zahagún, onder het pseudoniem van Zuster Filotea de la Cruz, de volgende brief aan Zuster Juana Inés de la Cruz van het klooster van San Jerónimo te Puebla.

 

Brief van Zuster Filotea de la Cruz aan Zuster Juana Inés de la Cruz[1]

 

Geachte Mevrouw:

Ik heb de brief gelezen, waarin u Eerwaarde Moeder de voortreffelijkheden van Christus weerlegt, die Eerwaarde Vader Antonio de Vieira in zijn ‘Preek van het Mandaat’ overdacht met een dergelijke fijnzinnigheid, dat aan de meest erudiete heren het heeft geleken dat [….] dit uitzonderlijke talent boven zichzelf is uitgestegen [….] Maar volgens mij, die zich over uw verweerschrift boog, zal men niet kunnen ontkennen, dat uw schrijfveer fijner is gesneden en dat zij [deze heren] zich erop zouden mogen beroemen zich weerlegd te zien door een vrouw, die eer doet aan haar sekse.

Op zijn minst heb ik de scherpzinnigheid van uw ideeën, de discretie van uw bewijzen en de krachtige helderheid bewonderd, waarmee u overtuiging aan het onderwerp leent; een kwaliteit onscheidbaar van wijsheid;[….]

Als, zoals u Eerwaarde Moeder zegt in uw brief, diegene die meer van God heeft ontvangen verplicht is meer te reciproceren, dan ben ik bang dat u Eerwaarde Moeder zelf tekort schiet in uw verantwoordelijkheid; want weinig van Gods creaturen danken meer ingeboren talenten aan Zijne Hoogheid, waarvoor men dankbaarheid [aan Hem] is verschuldigd, dus als u tot nog toe goed gebruik ervan hebt gemaakt (en ik moet wel denken dat dat het geval is bij iemand die een dergelijke religie belijdt zoals u dat doet) dan maakt u hiervan voortaan nog een beter gebruik. [….]

Ik onderschrijf niet de volksheid van hen die het gebruik van de letteren bij vrouwen veroordelen, sinds zo velen zichzelf hebben toegelegd op de literaire studie, niet zonder de loftuiting van Sint Hiëronymus. Het is waar dat Sint Petrus zegt dat vrouwen niet zullen onderrichten; maar hij verkondigt niet dat vrouwen niet mogen studeren om te kennen; want hij wilde enkel het gevaar van aanmatigend gedrag in onze sexe voorkomen, eeuwig geneigd tot ijdelheid. [….]

Brieven die arrogantie voortbrengen wil God niet in vrouwen; maar de Apostel [Petrus] veroordeelt dezen niet zolang ze de vrouw niet uit haar gehoorzame positie halen. Overduidelijk is voor allen dat de studie en de kennis uw onderdanige status behouden hebben, en dat zij u gediend hebben in het perfectioneren van de vaardigheden van gehoorzaamheid; want zoals de andere religieuzen hun wil offeren omwille van de gehoorzaamheid, zo houdt u Eerwaarde Moeder uw verstand in bedwang, wat het meest inspannende en het meest welkome offer is, dat iemand kan aanbieden op de altaren van de Religie.

Zoals deze beoordeling laat zien, is het niet mijn bedoeling, dat Eerwaarde Moeder haar begaafdheid verandert, maar dat u haar zou moeten verbeteren, door soms het Boek van Jezus Christus te lezen. […] U heeft veel tijd gespendeerd Eerwaarde Moeder aan de studie van filosofen en poëten; nu zou het juist zijn om uw bezigheden te perfectioneren en uw boeken op te waarderen. […]

De humane letteren zijn sleutels en bevorderen gewoonlijk de goddelijke letteren; maar ze moeten afgekeurd worden wanneer ze het bezit van de menselijke kennis van Goddelijke Wijsheid stelen, verandering aanbrengend in de vrouwen die bestemd zijn voor de dienstbaarheid. [….]

Het is niet gering, de tijd die Eerwaarde Moeder besteedde aan deze curieuze wetenschappen; gaat nu verder, […]; in de aanvulling van de verfijningen van de natuurlijke filosofie met de nuttigheid van de morele filosofie. Het is zo jammer dat een dergelijk groot verstand, zich op een dergelijke wijze verlaagt tot de tijdelijke aardse informatie, en niet verlangt door te dringen tot wat plaatsheeft in de hemel; sinds dat het is neergedaald tot de bodem, moge het niet nog verder afzakken en overpeinzen wat er plaats heeft in de hel. [….]

Ik ben er volledig van overtuigd dat, als u Eerwaarde Moeder, met de levendige verhandelingen van uw geest, u zich een idee vormt en schildert van goddelijke perfectie […] dan zou u op hetzelfde moment uw ziel zien baden in licht en uw wil ontvlamd en zoet gewond door de liefde Gods, opdat deze Heer, die u Eerwaarde Moeder zo overvloedig heeft begiftigd met positieve gunsten in het natuurlijke, zich niet verplicht moge zien om u enkel nog negatieve gunsten te verlenen in het bovennatuurlijke [hemel]; […]

Dit is aan u Eerwaarde Moeder gewenst, door iemand die, sinds uw hand gekust te hebben vele jaren geleden, verliefd is gebleven op uw ziel [….]. Moge Zijne Goddelijke Majesteit mijn smeekbeden verhoren en u Eerwaarde Moeder zeer heilig maken en u voor mij behouden in alle voorspoed.

 

Vanuit dit klooster van de Meest Heilige Drie-eenheid in Puebla de los Angeles,

November 25, 1690

 

Kussende de hand van U Eerwaarde Moeder, uw toegenegen dienares,

 

Filotea de la Cruz

 

We maken hier kennis met een brief uit 1690, geschreven door bisschop Manuel Fernández de Santa Cruz Zahagún van Puebla, onder het pseudoniem van Zuster Filotea de la Cruz.

De bisschop, een invloedrijke persoon in Puebla de los Angeles eind 17e en begin 18e eeuw,

is al enige tijd op de hoogte van de tijdsbestedingen van Zuster Juana Inés de la Cruz in het klooster van San Jerónimo (Sint Hiëronymus) te Puebla. Deze zuster hield zich in haar tijd bezig met de wetenschap en de kunsten en trad hiermee ook naar buiten toe, zodat de samenleving van haar bezigheden op de hoogte was. Josefina Muriel, een wetenschappelijk onderzoekster te Mexico, die zich vooral op de rol van vrouwen in de Mexicaanse maatschappij heeft gericht, beschrijft in haar werk Conventos de Monjas en la Nueva España (1946), Zuster Juana Inés de la Cruz als een non, die ondanks haar gelofte van afzondering, toch door haar intellectuele kwaliteiten intensief bij de maatschappij was betrokken.[2] Zij wordt overal beschreven als een zeer erudiete vrouw, begiftigd met vele talenten op vele vlakken. Muriel vertelt dat deze diversiteit en overvloedigheid van kennis niet publiekelijk geheim waren, ondanks dat ze als non was gebonden aan haar kloosteropsluiting (encierro monástico).[3] Zo was aldus de bisschop, als ook de hele geestelijkheid van Mexico, van haar werk op de hoogte en hier allerminst over verheugd. De problemen van de Rooms-Katholieke kerk in Mexico, problemen op het gebied van de beoogde evangelisatie van het volk, gingen immers niet onopgemerkt voorbij aan Zuster Juana. Menig toneelstuk, poëzie of proza van haar pen drijven enigszins de spot hiermee, bekritiseren de geestelijkheid,[4] terwijl de non zelf een zeer religieuze vrouw was en zij tegelijkertijd de Kerk en haar evangelisatiewerk heel hoog achtte.

Deze tweestrijd in Zuster Juana, tussen haar intellect en zelfeducatie enerzijds en haar verplichtingen als kloosterling anderzijds, speelden haar gehele leven een belangrijke rol. Zo ook in 1690, toen zij werd gevraagd door de Portugese pater en befaamd preker Antonio de Vieira om haar oordeel in een brief uiteen te zetten over een thema, waarover zij beiden van mening verschilden. Muriel zegt in haar studie, dat de non in eerste instantie het verzoek weigerde, maar uiteindelijk uit gehoorzaamheid aan een religieus superieur toch deze taak op zich nam.[5] Dit resulteerde in haar beroemde werk Carta Athenagórica, of de ‘Crisis over een Preek’, een titel, die later door de bisschop van Puebla aan de brief werd gegeven.[6] Zoals we in de brief hierboven van de bisschop van Puebla lezen, heeft ook deze de kritische uiteenzetting door Zuster Juana onder ogen gekregen. We zien in zijn brief dat hij de non enerzijds vleit met complimentjes over haar intelligentie en kwaliteiten en dat hij zijn bewondering uit voor de wijze waarop ze met de beroemde preker in discussie gaat. Anderzijds geeft hij haar een berisping vanwege de aard van zaken waar zij haar tijd mee vult. De bisschop maant haar in de brief, in plaats van zich te richten op de aardse filosofen, poëten en wetenschappers, haar talenten, door God geschonken, juist voor de Heer, voor religieuze praktijken aan te wenden. Hij beroept zich er op zich niet te scharen achter de volkse mening dat zij zich als vrouw niet met de letteren zou moeten bezig houden, wat we nu een antifeministische instelling zouden kunnen noemen, en zegt haar niet haar boeken te willen verbieden. Tegelijkertijd lezen we dat haar positie van vrouw een onderdanige en gehoorzame zou moeten zijn en de bisschop laat zeer goed doorschemeren dat zijn verzoek, zich enkel met Bijbelse studie bezig te houden, ingewilligd dient te worden.

Zuster Juana, in haar tijd en tot op heden bij velen bekend en vermaard vanwege haar uitzonderlijke wetenschappelijke inzichten en poëtische kwaliteiten, werd tegelijkertijd ook door tegenstanders in de samenleving aangevallen en dwars gezeten in het uitoefenen van haar talenten. Zoals Muriel het weergeeft in haar onderzoek naar vrouwenkloosters in koloniaal Mexico: “[….] toen in de brief [Carta Athenagórica] een motief werd gevonden om haar aan te vallen, grepen haar vijanden, welke geen anderen waren dan haar onbegripvolle vrienden, de gelegenheid aan om haar onder druk te zetten, zich voordoende of [haar] overtuigende van de goede wil om haar te helpen. De aanval van hen, haar vrienden, was datgene dat het hart van de religieuze het meest raakte, omdat zij een campagne opzetten, met het doel haar te verbannen uit ‘de wereld en haar ijdelheden’, waaronder zij haar studies en haar verzen beschouwden.” [7]

Dit citaat van Josefina Muriel is interessant voor dit onderzoek. De tegenstanders van Zuster Juana, die zich voordeden als haar vrienden (zoals de bisschop van Puebla) zetten haar onder druk om haar wereldse studie op te geven en zich met religieuze zaken bezig te houden. Dit thema, van de druk vanuit de koloniale maatschappij op een non in een vrouwenklooster in koloniaal Puebla, komt in meer algemene zin terug in dit onderzoek. Zoals we later in dit verslag zullen lezen over Zuster Juana Inés de la Cruz, was de positie die zij in haar tijd als non innam, zeer uitzonderlijk. Voor zover bekend uit de spaarzame kronieken en geschriften die er uit die tijd vanuit de kloosters in Mexico bewaard zijn gebleven, is zij de enige non geweest, die zich op een dergelijk intellectueel niveau heeft bewogen en naast poëzie ook kritieken heeft geschreven over maatschappelijke kwesties.[8] De vraag die rijst, waarom er niet meer nonnen zichzelf zo ontplooid hebben, lijkt enigszins beantwoord te worden door de brief van bisschop Fernández de Santa Cruz, die we hierboven uiteenzetten. De Kerk, hier in de persoon van de bisschop van Puebla, waarschuwt ervoor als non af te wijken van de voorgeschreven religieuze paden en als vrouw van de voorgeschreven gedragsnormen. Dat een dergelijke waarschuwing of berisping een grote betekenis had voor nonnen, blijkt wel uit het feit dat Zuster Juana, niet lang nadat deze brief haar bereikte, besloot haar studie op te geven om zich geheel aan het religieuze leven te wijden: “Door deze brief […] liet de eerwaarde non haar onsterfelijke schrijfveer schimmelen, die zoveel glorie had gebracht aan het Mexicaans grondgebied.” [9]

De invloed van de kerkelijke en ook de wereldlijke autoriteiten, in die eerste eeuwen na de komst van de Spanjaarden in Mexico onlosmakelijk met elkaar verbonden, op de nonnen in de vrouwenkloosters was groot. Ook de wijze waarop de samenleving van Puebla dacht over de invulling van de kloosterlevens van de nonnen, had een redelijke invloed op de nonnen in de kloosters van Puebla. Een non werd in die eeuwen gezien als het voorbeeld van hoe de ideale vrouw zou moeten zijn, volgens welke (Christelijke) voorwaarden zij haar leven hoorde in te richten, als de perfectie van alle vrouwelijke en Christelijke idealen. Wat deze partijen (Kerk, staat, volk) dachten over en verwachtten van de nonnen, was uiteraard zeer bepalend voor de inrichting van het kloosterleven door de nonnen, maar ook voor de perceptie die de nonnen zelf hadden over de invulling van hun rol als non binnen de kloostermuren te Puebla.

Bovengenoemde thema’s (zelfontplooiing, maatschappelijke en autoritaire druk, invloeden, verwachtingen en zelfperceptie) zullen aan de orde zijn in deze studie naar het kloosterleven van de nonnen in Puebla, Mexico, in de 17e en de 18e eeuw. Door ons in dit verslag te richten op vragen die uit deze thema’s voortkomen, zullen we trachten een antwoord te bieden op de centrale onderzoeksvraag of de centrale probleemstelling:

 

Hoe hebben de nonnen in Puebla de los Angeles in de 17e en de 18e eeuw invulling gegeven aan hun kloosterleven?

 

De thema’s van onderzoek zijn uitgewerkt tot de volgende deelvragen, die als een rode draad door het verhaal zullen lopen: Welke eisen en verwachtingen waren er vanuit de maatschappij met betrekking tot de vrouwenkloosters? Welke verschillen in de striktheid van de vrouwenkloosters bestonden er? Welke mogelijkheden tot zelfontplooiing boden de vrouwenkloosters? Welke vrijheden hadden de nonnen? Welke invloeden werder er op de vrouwenkloosters uitgeoefend? Hoe keken de nonnen zelf aan tegen de verschillende aspecten van hun kloosterleven? Kunnen we net als bij Zuster Juana bij andere nonnen vormen van actief of passief verzet terugvinden? De antwoorden hierop zullen hulp bieden bij het beantwoorden

In dit onderzoek is er studie verricht naar het kloosterleven van nonnen in Puebla, Mexico, in de 17e en de 18e eeuw aan de hand van primair en secundair onderzoek. Voor de eerste hoofdstukken van dit onderzoeksverslag, die zich op de algemene invulling van het kloosterleven richten, is er voornamelijk studie verricht aan de hand van de interpretaties van wetenschappers, die zich eerder al bezig hielden met het thema van vrouwenkloosters in Puebla en in Mexico. De vragen echter, zoals die gesteld worden in dit verslag rondom de centrale probleemstelling, zijn nog niet eerder in die vorm gesteld en onderzocht en kunnen een waardevolle aanvulling betekenen op eerder gepresenteerd materiaal door deze onderzoekers. Voor met name het laatste hoofdstuk van dit onderzoeksverslag, dat zich richt op de zelfpercepie van de nonnen, is de informatie gebaseerd op primair materiaal, (autobiografische) geschriften uit vrouwenkloosters uit die periode. Voor deze informatie geldt: voor zover te achterhalen viel uit de schaarse primaire geschriften die voor ons bewaard zijn gebleven uit die tijd. Zoals we verderop in dit onderzoeksverslag zullen lezen, zijn in de 19e eeuw, toen de nonnen hun kloosters uit werden gezet volgens autoritaire verordeningen in Mexico, veel primaire geschriften uit de kloosterarchieven verbrand of verloren gegaan.

Een van de thema’s die aan de orde zijn in deze studie bij het beantwoorden van de centrale onderzoeksvraag, kwam eerder ruimschoots aan bod kwam bij de historici, die zich bezighielden met het thema van vrouwenkloosters in Mexico. Het betreft studies die zich richtten op de vraag naar de mate van mogelijkheden en vrijheden in de vrouwenkloosters van Mexico.We vinden in de verscheidene studies naar vrouwenkloosters in Mexico een tweetal standpunten terug als antwoorden op deze vraag. María Cristina Manzano Munguía buigt zich over deze twee standpunten in haar studie naar het kloosterleven van vrouwen in Mexico.[10] Ze beschrijft dat we enerzijds die wetenschappers vinden, die van mening zijn dat nonnen in het koloniale Mexico vanuit een onderdrukkende samenleving van mannelijke dominantie, na toetreding tot het klooster in een minstens net zo onderdrukkend religieus systeem binnen de kloostermuren belandden. Zo spreekt Marcela Lagarde in haar studie naar vrouwenkloosters van cautiverios, gevangenschappen van de nonnen.[11] Een klooster zou een gevangenis zijn, waar de vrouwen leefden voor anderen en niet voor zichzelf; onder de patriarchale macht van de Katholieke Kerk verloren de nonnen hun vrijheid, zelfbestuur en de capaciteit om beslissingen te nemen.[12] Anderzijds vinden we een groep van wetenschappers, die van mening zijn, dat de nonnen binnen de kloosters juist leefden voor zichzelf, dat zij bewust kozen voor een positie op het religieuze vlak. Van deze groep schetst Manzano Munguía het beeld van een groep feministische onderzoekers die het standpunt aanhangt van de voluntad de ser mujer, de wilskracht om vrouw te zijn.[13] In hun optiek zou deze wijze van religieus leven de nonnen juist bevrijd hebben van de confrontatie met situaties in het alledaagse vrouwenleven, die hen in hun ontwikkeling zou beperken, zoals het huwelijk, moeder zijn, de onderdanige positie aan de man, gebrek aan onderwijs, het familieleven en de huiselijke (re)productie.[14] Manzano Munguía onderschrijft zelf eerder de visie zoals Marcela Lagarde deze hanteert, door te vermelden (ook uit eigen ervaringen in vrouwenkloosters in het heden), dat de nonnen, zowel vroeger als tegenwoordig, zware fysieke arbeid verrichtten en continue moesten werken om maar niet te zondigen of slechte (seksuele) gedachten te hebben.[15] Bevrijdend wil zij het kloosterleven dus zeker niet noemen. Ook benadrukt zij, dat deze vrouwen nooit gelijke (literaire) kansen hebben (gehad), als bijvoorbeeld andere geestelijken, want het aspect van confinamiento, opsluiting, is bepalend vooral voor de vrouwelijke kloosters.[16] Manzano Munguía benadrukt echter ook, dat er nog veel meer diepgaand onderzoek verricht moet worden, naar de verschillende groepen en ordes van nonnen in Mexico, om een van beide posities te kunnen onderstrepen, hetzij uitsluiten.

Dit aanvullend onderzoek, dat Manzano Munguía adviseert, willen we gedeeltelijk invullen in deze studie naar het leven in de vrouwenkloosters van Puebla in de eerste eeuwen van koloniale overheersing. Bij de invulling van de vraag naar het kloosterleven van de vrouwenkloosters van Puebla in de 17e en de 18e eeuw, is het zeker ook van belang te kijken naar het thema van de mate van striktheid binnen de kloostermuren. We zullen ons onder meer bezighouden met deze vraag of vrouwen voor culturele zelfontplooiing over het algemeen goede kansen hadden binnen de kloostermuren (zoals in het geval van Zuster Juana), of dat we net als Lagarde kunnen spreken van een onderdrukkende positie (gevangenis) binnen de kloostermuren van Puebla?

De uitkomsten van dit onderzoek betekenen wellicht een aanvulling op eerder onderzoek naar de geschiedenis achter de kloostergebouwen, naar hoe kerkelijke instanties als vrouwenkloosters in het Mexico van de eerste koloniale eeuwen handelden, als een aanvulling op onderzoek in algemenere zin naar (de waarde van) Kerk en Geloof vanuit de huidige moderne tijd. Zoals Manuel Ramos Medina zijn studie naar de kloosters van de Carmelieten in Mexico rechtvaardigt: “Uit een fascinatie naar deze plekken (monumentale constructies, over het algemeen beschouwd als musea of ruines, waarin nonnen en broeders leefden) […] die groeit in een rationele wereld, die wellicht op zoek is naar waarden die in andere tijden effectief bleken te zijn.” [17]

Zoals aangekondigd in het voorwoord, is er gekozen voor drie vrouwenkloosters uit het Puebla van de 17e en 18e eeuw, als voorbeeldmateriaal bij het behandelen van het onderzoeksthema. In het komende hoofdstuk, in de introductie van de drie vrouwenkloosters, is te lezen waarom juist deze drie kloosters heel geschikt geacht worden om deze rol in te vullen. Het betreft de volgende kloosters, die in het vervolg van het verslag onder de Spaanse naam genoemd zullen worden: El Convento de Santa Mónica: het Klooster van Sinte Monica, El Convento de Santa Rosa: het Klooster van Sinte Rosa en El Convento de San Jerónimo: het Klooster van Sint Hiëronymus.

 

 

Hoofdstuk 1 Het koloniale leven in Mexico

 

De 17e en 18e eeuw was een periode waarin de meeste vrouwenkloosters van Mexico werden opgericht en invulling kregen. Dit was een zeer Christelijke en veeleisende tijd in de Mexicaanse geschiedenis. Om een beter beeld te krijgen van hoe deze tijd er precies uitzag, wordt in dit hoofdstuk in het kort geschetst wat er vooraf ging aan en plaats vond in die eerste eeuwen van de koloniale overheersing door de Spanjaarden van de kolonie.

 

 

1.1. La Conquista; de verovering van de Nieuwe Wereld.

 

De ontdekking van het Amerikaanse continent was niet gepland: de Spaanse ontdekkingsreiziger Christoffel Columbus (1451-1506) was er op uitgetrokken in 1492 om via een westelijke zeeroute in het Oosten, in Azië aan te komen. Men had in Europa gehoord over de rijkdommen van de Aziatische landen als China, Japan en India. De Spaanse autoriteiten hadden twee redenen gehad om in deze landen geïnteresseerd te zijn,van economische en religieuze aard. Economische redenen waren het uitbreiden van de handelsmonopolies in de wereld, om de eigen Europese positie in de wereld te versterken. Vanwege de exotische specerijen en andere rijke materialen, zoals edelstenen en zijde, die in het Verre Oosten te verkrijgen waren, zette Columbus het plan op om als eerste Spanjaard het tot dusver mythische land India te bereiken. Hiervoor kreeg hij de hulp van de Spaanse koning, die naast deze economische redenen ook religieuze doelen te verwezenlijken had, namelijk de uitbreiding van het Europese Christelijke geloof op het Islamitische geloof van de destijds machtige sultans van het Byzantijnse rijk.

Een nieuwe, geldverslindende, kruistocht was op touw gezet. Hiervoor waren zowel nieuwe materiële rijkdommen als nieuwe zieltjes nodig, die men dacht in het Verre Oosten te vinden. De schepen van Columbus en zijn opvolgers belandden echter in het Westen, een toen nog onbekend wereld deel. In eerste instantie dachten zij aanbeland te zijn op Indiaas grondgebied en dus werd de aangetroffen bevolking ‘indianen’ genoemd Al gauw werd echter duidelijk dat men niet in India maar op onbekend grondgebied was aanbeland en begon men te spreken van een Nieuwe Wereld, die nog te verkennen en te veroveren viel.

In deze Nieuwe Wereld trof men naast een grote rijkdom aan goud en zilver, verwerkt in de machtige steden van met name de Azteekse bevolking, ook een grote rijkdom aan exotische gewassen aan. Columbus sprak erover het ‘Aardse Paradijs’ ontdekt te hebben en hij omschreef de inwoners ervan als ‘goede wilden’.[18] Volgens vele nieuwkomers in de Nieuwe Wereld waren de inheemsen wilden, irrationeel van nature, en zouden dus moeten worden bestuurd door rationele wezens.[19] Het inheemse volk was volgens de nieuwkomers uitermate geschikt voor bekering tot het Christelijke geloof. Twee van de eerste Spaanse veroveraars die in deze visie een belangrijke rol speelden, waren Núñez Cabeza de Vaca en Bartolomé de las Casas.) De Vaca belandde als expeditieleider tussen een groep indianen en schreef later over hen in zijn Schipbreukelingen dat zij zeer ontvankelijk bleken voor het Christelijke geloof [20]. Las Casas was een Spaanse Dominicaanse pater, die zich opwierp als de bekeerder, maar tevens de beschermer van de Indiaanse heidenen.[21] Dat deze bescherming nodig was, blijkt wel uit het feit dat van de oorspronkelijke inwoners die de Spanjaarden bij hun ontdekking aantroffen, de aantallen en culturen in de 16e eeuw vrijwel gedecimeerd werden, door het veroveringsgeweld, de goudkoorts en de meegebrachte ziekten van de conquistadores, de veroveraars.[22]

Uiteindelijk breidden de veroveringen in deze Nieuwe Wereld, nu het Amerikaanse continent, zich snel uit en verschenen er ook andere Europese groeperingen op het toneel. In navolging van Columbus kwamen andere ontdekkingsreizigers naar deze Nieuwe Wereld. In 1519 arriveerde Hernán Cortéz met een paar honderd avonturiers op de kust van wat nu Mexico is. Hij was er door de Spaanse regering op uit gestuurd om het Amerikaanse vasteland nader te verkennen.[23] Spoedig veroverde hij met zijn troepen de hoofdstad van de lokale bevolking, de Aztekenstad Tenochtitlán, waar hij in 1521 de koloniale hoofdstad van de door Spanje overwonnen overzeese gebieden stichtte, die we nu kennen als Mexico Stad.[24] De kolonie die werd gesticht in de veroverde delen van Noord- en Midden-Amerika werd door de Spanjaarden tot het vice-koninkrijk ‘Nieuw Spanje’ verklaard. Meer dan 300 jaar had het Spaanse koningshuis het bestuur hier in handen, destijds ongeveer dubbel de afmetingen in grondgebied dan van het tegenwoordige Mexico.

Er werd een samenleving opgezet, die in hiërarchie, taal, gebruiken en wetten die van het Spaanse koninkrijk moest evenaren.[25] De wetten van Madrid, uiteraard met lokale variaties, waren de wetten van Nieuw Spanje en de religie van Rome, ook met lokale aanpassingen, was de religie van Nieuw Spanje. Het directe bestuur en de controle vanuit het vaderland Spanje waren in de praktijk lastig; grote afstanden van zes tot acht weken over zee en de uitdagingen die de koloniale bestuurlijke en kerkelijke autoriteiten ter plaatse ondervonden wat betreft rijkdom en prestige, droegen bij in een verzwakking van de koninklijke autoriteit vanuit Spanje.[26] Toch was de cultuur die ontstond in de koloniale samenleving van het vice-koninkrijk Nieuw Spanje in de meeste dimensies Spaans te noemen was.

 

 

1.2. Politieke, economische en sociale verhoudingen in Nieuw Spanje.

 

Al snel verspreidde het nieuws van de Nieuwe Wereld zich in het vaderland en spoedig arriveerden de eerste Spanjaarden, expeditieleden, handelaars en adellieden, om zich met de familie in de veelbelovende Spaanse kolonie te vestigen. Dit was mogelijk vanwege het snel groeiende, goed georganiseerde, transatlantische handelssysteem tussen de kolonie en het vaderland.[27] Al in de jaren ’70 van de 16e eeuw was de politieke en administratieve stabiliteit, die het onderkoninkrijk Nieuw Spanje tot in de 19e eeuw karakteriseerde, stevig gevestigd. Ook de sociale stabiliteit, gebaseerd op een raciaal bepaalde hiërarchie, was een opvallend kenmerk van de koloniale samenleving van Nieuw Spanje.[28]

In deze raciale hiërarchie stonden de Spaanse immigranten van het Iberisch schiereiland bovenaan de sociale ladder (espaňoles), onmiddellijk gevolgd door hun afstammelingen, geboren in de Nieuwe Wereld (criollos), daarop gevolgd door een snel groeiende groep van personen van gemengde raciale afkomst (mestizos en mulattos) en onderaan aan de ladder stonden de inheemse bevolking (indígenas) en de geïmporteerde Afrikaanse slaven (negros). Met de komst van de clerus, de Rooms-Katholieke geestelijkheid, werden al deze sociale groeperingen onderwezen in de kerkelijke en morele waarden door middel van de catechisatie, zoals van toepassing voor elke sociaal-raciaal bepaalde groep binnen de koloniale samenleving. De Spaanse jeugd werd daarnaast ook onderwezen in de kerkelijke en civiele posities, die toekwamen aan deze groep in de maatschappij.

Nadat het onderkoninkrijk of vice-koninkrijk Nieuw Spanje vanaf 1630 stevig was gevestigd ging het een lange periode in van stabiliteit en economische groei. Dit ging samen met een snelle bevolkingsgroei, ver weg van de onrusten en militaire conflicten die zich in het vaderland afspeelden. Ook al had de Spaanse Troon officieel de economische en politieke touwtjes in handen, het waren vooral de koloniale handelaren, mijneigenaren, landeigenaren en de lokale autoriteiten die de zaken draaiende hielden en die zich eerder door persoonlijk belang dan door koninklijke belangen lieten leiden.[29] De relatieve economische onafhankelijkheid van de kolonie ten opzichte van het vaderland, zorgde ook voor een solide basis voor politieke stabiliteit. Vanuit het perspectief van Spanje was het onderkoninkrijk Nieuw Spanje een succes verhaal en een belangrijke bron van koninklijke staatsinkomsten.

Mexico Stad was het financiële- en het handelshart van de kolonie. Omdat het grondgebied van de kolonie zo uitgestrekt was en de omvang van de bevolking zo snel groeiende, moest het centrale bestuur vanuit deze hoofdstad opgedeeld worden. De regering (gobierno) van de kolonie stond onder direct bestuur van de virrey, de vice- of onderkoning van de Spaanse Troon.[30] Voorts bestonden er diverse provinciale politieke eenheden of alcaldías. Deze werden bestuurlijk geleid door de alcaldes mayores, lokale burgemeesters of provinciale administratief- ambtenaren, op hun beurt bijgestaan door de regidores of wethouders. Inheemse dorpen die al voor de Conquista bestonden werden door de Spaanse Troon geaccepteerd en gehandhaafd. In elk dorp werd een inheemse bestuurder aangesteld, die met de Spaanse autoriteiten in contact stond.[31] In de jaren ’30 van de 16e eeuw bestonden er naast deze inheemse eenheden niet meer dan een dozijn Spaanse alcaldías. In 1624 waren deze uitgegroeid tot een aantal van 82. Door de grote afstand tussen het vaderland en de kolonie zag de Spaanse Troon zich genoodzaakt aan deze lokale autoriteiten meer gezag te verlenen, dan gewoonlijk was in Spanje zelf. In 1524 werd er een Consejo de Indios opgericht in het vaderland; een adviesraad over Nieuw Spanje of de Indiën, zoals men het nieuwe grondgebied de eerste tijd ook wel noemde. Deze raad was gevestigd in Spanje en gaf de koning advies inzake het koloniaal beleid. Het was eigenlijk de officiële koloniale regering in het vaderland.[32] Deze adviesraad zou zich twee eeuwen lang bezighouden met alle administratieve zaken en correspondentie die voor en met Nieuw Spanje geregeld moesten worden.[33] Het contact verliep meestal direct met de hoogste bestuurlijke autoriteiten in de kolonie: de onderkoning en de aartsbisschop, die beiden gevestigd waren rondom de plaza mayor, het centrale plein in de hoofdstad van de kolonie.

De aartsbisschop stond aan het hoofd van de Rooms-Katholieke autoriteiten en de gehele geestelijkheid. De virrey was verantwoordelijk voor alle bestuurlijke, civiel-administratieve als ook economische zaken in de kolonie. Tussen 1535 en 1808 waren er in totaal 44 onderkoningen, waarvan allen, op 3 criollos na, Spanjaarden waren van adellijke afkomst en met ruime administratieve, militaire en diplomatieke ervaring.[34] Op juridisch gebied werd de virrey bijgestaan door de audiencias, de hoger gerechtshoven of juridische adviesraden in de kolonie. Het patronaat of het beschermheerschap over de kolonie, dat rechtstreeks voortkwam uit de hoogste positie die de virrey in het onderkoninkrijk Nieuw Spanje innam, werd in de jaren ’70 van de 17e eeuw door de Spaanse Troon ingedamd. Deze verkocht aan lokale provinciale heren benoemingen, waarmee de macht van de onderkoning gereduceerd werd. [35] Ondanks dat al deze lokale autoriteiten zichzelf verrijkten via allerlei illegale zaken en hun macht tot op zekere hoogte uitbuitten, was hun betrokkenheid in de samenleving en in allerlei sociale en economische affaires dermate groot (onder meer door huwelijksbanden, verschillende bloedbanden en als pleegvaders of beschermheren) dat zij zeker niet ongevoelig waren voor allerlei lokale belangen.[36]

Zoals hierboven vermeld was ras of etniciteit bepalend voor de sociale positie in de samenleving.[37] Kleur was echter nog sterker bepalend: hoe donkerder van huidskleur, hoe lager op de sociale ladder, hoe lager de klasse. Kleur bepaalde ook de mate waarin men kon deelnemen aan allerlei activiteiten en posities in de samenleving en of er belasting betaald diende te worden. De indígenas moesten in ieder geval een bepaald tribuut betalen aan de Spaanse Troon en wie dit niet kon opbrengen, verviel in een vorm van schuldslavernij. De blanke bevolking, gevrijwaard van belastingen, werd gelijkgesteld met adellijk bloed. Veel blanken hadden uitgestrekte landerijen of fincas, waarop de inheemse bevolking te werk werd gesteld. Het systeem van encomienda (bescherming) bepaalde dat in ruil voor bescherming door de landheer de indígena of de negro op zijn land mocht wonen en naast de werkzaamheden op het land voor de beschermheer een eigen stukje land mocht pachten voor zelfvoorziening. Het systeem van encomienda [38] heeft lange tijd in dezelfde vorm voortgeduurd. Toen in de tweede helft van de 16e eeuw onder grote groepen van (vooral de inheemse) bevolking epidemieën slachtoffers eisten, konden de encomenderos hun landerijen nog verder uitbreiden omdat er meer land beschikbaar was gekomen.[39] Sommige mensen, als leden van de clerus zoals de Dominicaanse pater Bartolomé de Las Casas,[40] kwamen tegen deze ongelijkheden in de samenleving en met name de onderdrukte positie van de oorspronkelijke bewoners in opstand. De Spaanse Troon, uit angst voor gezichtsverlies, besloot hierop al in 1577 een algemeen verbod af te kondigen op de publicatie van werken over de pre-Columbiaanse bevolking, dat tot 1820 voortduurde.[41]

Toen het vermengen van de verschillende rassen goed op gang was gekomen in het onderkoninkrijk, voortkomend uit een tekort aan Spaanse vrouwen in de kolonie, vervaagden met het wegvallen van het strikte onderscheid in kleur tussen blank en zwart ook de strenge grenzen tussen de bevolkingsgroepen enigszins. De kinderen van Spaanse en inheemse ouders, mestizos, gingen een belangrijk onderdeel vormen van de koloniale samenleving, met name vanaf de tweede helft van de 17e eeuw. Wanneer zij door de vader erkend werden, gingen zij tot de groep van espaňoles of criollos behoren en anders tot een lagere klasse van mensen van gemengd bloed.

Nieuw Spanje was een heuse handelskolonie. Na de ontdekking van zilver bij de plaats Zacatecas in 1546, schoten de zilvermijnen in de kolonie als paddestoelen uit de grond. Het zilver werd geëxporteerd naar het vaderland en hiervoor kwam in ruil de import van textielen, als zijde, naar de kolonie. Deze basis van ruilhandel heeft stand gehouden tot in de 19e eeuw. Textiel was Nieuw Spanje’s meest waardevolle importproduct, hoewel slechts weinig mensen in de kolonie zich de stoffen konden veroorloven. De zilverproductie oversteeg zelfs die van een andere belangrijke kolonie van Spanje in de Nieuwe Wereld, die van Peru, bekend om de grote zilverproductie. Andere producten die de kolonie verlieten richting vaderland waren indigo en cochenille (verfstoffen), maïs, vanille, chili en andere pepers en tomaten. Later werden hier ook de export van tabak en cacao aan toegevoegd.

In de jaren ’60 van de 18e eeuw verslechterde door een snelle demografische expansie en inflatie in de kolonie de levensstandaard van de nog altijd groeiende groep inwoners. De Spaanse Troon hield zich voornamelijk bezig met economische belangen en wilde de grip op de kolonie nog versterken om de waardevolle bronnen van het land tegen buitenstaanders te beschermen. Vanaf de late 17e eeuw waren er dreigingen van andere Europese groepen ontstaan, die in de grensgebieden van de kolonie hadden getracht door te dringen. Tussen 1700 en 1707 hadden 50 Franse schepen zich met Europese goederen te Veracruz gevestigd om handel met de lokale bevolking te drijven. Als antwoord hierop door de Spaanse Troon volgden kleine oorlogen en expansie van het koloniale territorium.[42] Om het overzeese koloniale bezit nog systematischer economisch te exploiteren, had de Spaanse Troon in de 18e eeuw ingrijpende economische, politieke en militaire hervormingen doorgevoerd. Deze hervormingen werden in Nieuw Spanje vertaald als een wat liberalere economische politiek en een inperking van de macht van de Kerk.[43] De economische hervormingen bestonden uit beperkte vrijhandel binnen Spaans-Amerika en een verhoging van de belastingsopbrengst voor het moederland. De leidende sociale groep van de aristocraten werd door de opbloeiende economie sterker. De Kerk, die sinds de veroveringen door de Spanjaarden in de Nieuwe Wereld altijd buiten de koninklijke controle was gebleven, had met de tijd een sterke, onafhankelijke macht gecreëerd. De Kerk had namelijk het bezit over uitgestrekte landerijen (meer dan de helft van de grond van Nieuw Spanje), veel onroerend goed in de steden, haar eigen kerkbelasting en een zeer grote invloed op de bevolking. Met de hervormingen van de 18e eeuw werd getracht de privileges van de clerus in te perken en de geestelijkheid onderhorig te maken aan de gecentraliseerde koninklijke rechtspraak.[44] De Spaanse Troon en de creolen profiteerden hiervan, omdat de macht en voormalig kerkbezit in handen kwamen van deze groepen.

In de 18e en de 19e eeuw stegen de onrusten die er al bestonden in de kolonie door de raciaal-maatschappelijke structuren nog verder door mislukte oogsten en een groei van de bevolking met meer dan 50 procent. De Spaanse Troon verwachtte dat de kolonie haar eigen kosten wel kon betalen. Hoewel deze in die tijd de grootste en rijkste aristocratie had van alle Spaanse koloniën, was het maar een klein aantal families dat in redelijke welvaart leefde; de meeste families leefden in de samenleving tegen het bestaansniveau aan. Deze sociale ongelijkheid lag in de wet verankerd en verscherpte nog in de 18e eeuw.[45] De Spaanse Troon geraakte steeds meer in conflict met concurrerende Europese groepen, met als gevolg dat in de kolonie de macht steeds meer in handen kwam van lokale autoriteiten, die elkaar beconcurreerden. De aristocratie, gevormd uit Spanjaarden en creolen, zag haar belangen van elkaar gescheiden raken. De midden klasse en lagere klasse hadden alle vertrouwen in de Spaanse Troon verloren en er ontstonden geluiden van een algehele opstand tegen het koloniale gezag. Uiteindelijk resulteerden deze in een strijd naar onafhankelijkheid van het vice-koninkrijk Nieuw Spanje van het vaderland.[46]

Deze strijd werd versterkt door een groeiende opstandigheid en een politieke en sociale bewustwording van de inheemse bevolking. In 1810 was er een indiaanse opstand geweest, onder leiding van de priester Miguel Hidalgo (de ‘nobele bevrijder van de indianen’), die het begin zou zijn van het proces van onafhankelijkheid.[47] De creolen, bang voor volksopstanden uit de groeiende onrusten in de koloniale samenleving, zagen in een eventuele breuk met het vaderland hun kans schoon om allerlei politieke dromen en idealen te realiseren.[48] Zij besloten de politiek naar hun hand te zetten en er bestonden vergevorderde plannen voor een staatsgreep. Ondanks de vorderingen van opkomende bevrijdingslegers onder diverse bevolkingsgroepen, bestonden er nog voldoende Spaans-Amerikanen die een Spaans regime prefereerden boven een onafhankelijke staat met een onzekere politieke toekomst, met een eventuele bedreiging van de sociaal-economische status-quo. Opstanden werden door het vaderland de kop ingedrukt tot in 1822 een creoolse generaal Augustín de Iturbe de hoofdstad bezette en zich liet kronen tot keizer van een onafhankelijk keizerrijk. In 1823 stootten conservatieven, Spaansgezinden en republikeinen hem van de troon en werd het land verklaard tot republiek van de Estados Unidos Mexicanos met een nieuwe eigen grondwet.[49] Hiermee kwam er een einde aan drie eeuwen van Spaanse koloniale overheersing. Uiteindelijk zou in 1853 het grondgebied van de voormalige kolonie bijna gehalveerd worden door verlies aan de Verenigde Staten en worden tot wat we nu kennen als de republiek Mexico.

 

 

1.3. Positie van de Kerk in Nieuw Spanje

 

Vanaf het eerste begin van de verovering van de Nieuwe Wereld speelde de Katholieke Kerk een belangrijke rol. Het gezag van de Kerk ging hand in hand met het gezag van de staat in de Nieuwe Wereld. De geestelijke en de wereldlijke macht en ideologie waren volledig met elkaar vervlochten en vulden elkaar op gezagsgebied aan.[50] Een van de gezamenlijke doelen van de verovering was het prediken van het evangelie en de Christelijke levenswandel onder de inwoners van deze Nieuwe Wereld. In de Spaanse koloniën als Nieuw Spanje waren het vooral de Franciscaners en de Dominicaners die hierin waren betrokken.

De Jezuïeten maakten in deze kolonie een bijzondere dienst uit: deze monniken stonden onder direct pauselijk toezicht en het hoofd van de orde genoot bijzonder veel macht en aanzien binnen het Vaticaan. Ook hadden deze geestelijken veel invloed aan het Spaanse hof en andere Europese Katholieke koninkrijken. Jezuïeten traden vaak op als biechtvaders voor vorsten en hoge functionarissen en als leraren voor de intellectuele elite van Katholieke landen, zoals in Nieuw Spanje.[51] Uiteindelijk met de hervormingen van de 18e eeuw, zou deze positie door de Troon aangepakt worden in de Spaanse koloniën. De voornaamste taak van deze religieuze ordes, was het onder de inheemse bevolking bekend maken van het woord van Christus en de bekering tot het Christelijke geloof. Ook de geestelijke verzorging en controle van de conquistadores en de Spaanse immigranten van de Spaanse kolonie, behoorde tot hun taken.

Bij het treffen van de Meso-Amerikaanse volkeren en hun geloofsystemen, stonden de Europese missionarissen perplex van de complexiteit aan politieke en religieuze structuren die met elkaar verweven waren. Met name de complexiteit aan goden, aan wie menselijke offers werden gebracht, verweven in de dagelijkse levensstijl deed de missionarissen schrikken. Er wachtte de missionarissen een zware taak om deze bevolking in de 16e eeuw in de nieuwe kolonie tot het katholicisme te bekeren. Door zich echter snel de taal en cultuur van de inheemse bevolking eigen te maken en van visuele hulpmiddelen gebruik te maken, werden er toch relatieve successen geboekt. De indígenas zwoeren echter niet zonder meer hun traditionele pre-Spaanse godsdiensten af. Het heeft de Spanjaarden veel moeite gekost de voornaamste elementen van het Katholieke geloof ingang te doen vinden. In veel gevallen werden de traditionele godsdiensten en religieuze voorwerpen heimelijk vereerd. Bij de ontdekking hiervan konden de koloniale overheersers onverbiddelijk optreden en de heiligenbeelden en tempels en voorwerpen vernietigen.[52] Een gevolg van de botsing tussen beide religies was het zogenaamde syncretisme: een vorm van religie belevenis, waarin meerdere geloven en hun gebruiken en symbolen werden gecombineerd. Dit was voor de meeste missionarissen een onbewust gevolg, maar in sommige gevallen ook een bewuste aanpak door de missionarissen, om bepaalde aspecten van het Christelijke geloof sneller te kunnen introduceren.[53]

Op het algemene concilie van Trente (1545-1563), een kerkelijk beraad waar algemeen geldende disciplinaire maatregelen werden getroffen of bindende dogmatische uitspraken werden gedaan, werden er belangrijke hervormingen voor de christenheid doorgevoerd, die ook in Nieuw Spanje hun weerslag hadden.[54] Zo was er op dit concilie onder meer bepaald dat de Kerk middels de religieuze ordes de volledige greep had op zaken als huwelijk, begrafenis en het onderwijs in de samenleving. Dit gold zowel voor de Europese samenlevingen als de overzeese kolonieën. De Spaans-Amerikaanse universiteiten stonden onder toezicht van missionarissen, maar ook andere instellingen als de vele geestelijke colleges. De Kerk hield streng toezicht op de zuiverheid van de Katholieke leer. Net als in Europa werd in deze kolonie de Inquisitie hiervoor ingesteld. In 1570 werd deze institutie, ontworpen in Spanje om vormen van onorthodoxie en ketterij tegen te gaan, in de nieuwe kolonie ingesteld. De eerste inquisiteur zette zijn hoofdkwartier of Heilig Ministerie op op de plaza de Santo Domingo, plein van Sint Dominicus, te Mexico Stad, waar het zou verblijven tot in 1819.[55] De primaire functie van de Inquisitie was het bewaken van het Rooms-Katholieke Geloof en religieuze dogma’s. Individuen die zich schuldig bevonden aan acties waaruit een disrespect tegenover deze zaken bleek, werden voor het gerecht gesleept en bestraft. Officieel had het Heilig Ministerie van de Inquisitie in Nieuw Spanje geen jurisdictie over de inheemse bevolking, die in de 17e en eerste helft 18e eeuw nog ongeveer 50 procent van de bevolking uitmaakte, maar er zijn strafzaken bekend tegen indígenas in de kolonie. De koloniale onderkoning hoorde in theorie bij alle publieke strafzaken aanwezig te zijn, vanwege zijn symbolische functie van de representatie van Jezus op aarde, die recht spreekt.[56]

De invloed van de Kerk in de kolonie was het grootst in de plaatsen met de grootste aantallen Europeanen. Nadat de eerste missie-ijver onder de inheemse bevolking verflauwde, lieten de geestelijken de indígenas voor wat ze waren en trokken zich terug in de steden, waar ze zich graag lieten onderhouden door plaatselijke notabelen.[57] In de koloniale steden richtten de grote religieuze ordes fraaie kloosters en huizen met weelderige tuinen op.[58] Het geld hiervoor ontvingen zij uit de 10 procent kerkbelasting voor gelovigen en uit allerlei zakelijke activiteiten. De clerus hield zich ook bezig met het koloniale bankwezen: voor leningen tegen lage rentes kon men zich tot de geestelijkheid wenden. Als onderpand werd veelal onroerend goed in de stad of op het platteland gevraagd; hierdoor groeide op den duur het kerkelijke grondbezit aanzienlijk.[59] In de steden leefden de religieuze ordes betrekkelijk dicht op elkaar en beconcurreerden elkaar onderling, vooral in de begindagen van de kolonie, wat betreft het winnen van zieltjes of nieuwe leden voor de congregatie of kloosterorde.

Spoedig na de conquista of de verovering van de Nieuwe Wereld, waren met de Spaanse conquistadores ook de religieuze genootschappen naar de Nieuwe Wereld gekomen. Eén van de definiërende karakteristieken volgens The Oxford History of Mexico van het Nieuw-Spaanse katholicisme, was de aanwezigheid van vrouwelijke religieuze beoefenaars.[60] Tientallen kloosters voor vrouwen werden er in het koloniale Mexico opgericht, met name in de 17e eeuw. Manuel Ramos Medina beschrijft ons hoe deze religieuze genootschappen of kloosterordes reeds tijdens de Middeleeuwen ontstaan waren in Spanje als een antwoord op de sociale, politieke en economische behoefte om vrouwen op een bepaalde plek op te vangen.[61] Het stigma dat er sinds de Middeleeuwen rustte op het vrijgezel zijn, samen met het concept van eer, creëerden de noodzaak om alleenstaande vrouwen op een bepaalde plek op te vangen: het klooster. Voor hen die achterbleven zonder een huwelijksbinding, vrouwen die werden verlaten door hun echtgenoten die voor economische of politieke aangelegenheden op reis moesten, armen of wezen of voor hen die een roeping voelden tot een afgesloten leven, waren de kloosters en begijnhoven ideale plaatsen van opvang, die daarmee een grote dienst aan de maatschappij verleenden.

Machtige personen, vanuit economisch oogpunt, stelden zich op als de weldoeners van deze religieuze communes, wat betreft onder meer de levering van gelden, goederen en nieuwe leden (vaak uit de eigen familie) aan de commune. De eer van vele adellijke families hing in grote mate af van de stichting van een klooster en van het leveren van dochters, familie (doncellas) aan dit klooster, die hun gehele leven voor deze familie zouden kunnen bidden. Op die manier oefende naast de Kerk, die via de bepalingen van concilies de regels voor de kloosters bepaalde en bewaakte, ook de Spaanse adel een bepaalde mate van invloed uit op de kloosters en haar bewoonsters, en via de kloosters weer op de samenleving.

Verschillende van deze religieuze ordes voor vrouwen in Spanje, namen in de 15e eeuw geheel bezit van het Iberische schiereiland en spoedig ook van de rest van Europa. Veel van deze ordes kwamen met de conquista naar de Nieuwe Wereld en trachtten in de kolonieën voeten in de aarde te krijgen door kloosters voor vrouwen in de koloniale samenleving op te richten. Josefina Muriel biedt ons in haar studie naar de vrouwenkloosters van Nieuw Spanje een overzicht van de grootste religieuze ordes, waartoe vrouwen in deze kolonie konden toetreden.[62] In het komende hoofdstuk zullen we zien welke ordes in Puebla in de 17e eeuw vrouwenkloosters stichtten en hoe deze vrouwenkloosters functioneerden binnen de koloniale samenleving van het vice-koninkrijk Nieuw Spanje.

In de 18e eeuw ging er een golf van hervormingsmaatregelen door de kolonie Nieuw Spanje, die niet alleen zoals we zagen de economische en sociale posities in de maatschappij ondermijnden, maar ook die van de Kerk; de praktijken van het katholicisme werden er door getroffen.[63] Ook de praktijken van de Inquisitie werden er door aangetast; de inquisiteurs werden in hun missie steeds minder succesvol door de hervormingen. Ideeën van de Verlichting en van revoluties elders in de wereld drongen door in de Spaanse kolonie en brachten grote onrust met zich mee. De inquisiteurs probeerden politiek-filosofische werken te verbieden en elk werk dat hun positie kon ondermijnen.[64] Sociale revolutionaire ideeën werden gelijkgesteld aan ketterij en het in gevaar brengen van niet alleen de zieltjes van de goede christenen maar van de gehele politieke stabiliteit in het land. De Inquisitie vervreemdde in haar missie steeds meer van de nieuwe ideeën van de Spaanse Troon. Wat orthodoxie definieerde was niet langer duidelijk in de kolonie. Met de voortgang van de tijd verzwakte de positie van de Inquisitie: haar ineffectiviteit in het beïnvloeden van de volksdevotie werd door haar verlichte tegenstanders aan de kaak gesteld en aangevallen.[65] Andere geestelijke autoriteiten werden ook aangevallen en de macht van de Kerk in de samenleving werd sterk ingedamd; de clerus was niet langer onaantastbaar. Tegelijkertijd werden er hervormingen doorgevoerd die de inheemse publieke riten en praktijken verboden en die het Spaanse onderwijs door de geestelijkheid stimuleerden.[66] Tot in de hedendaagse Mexicaanse samenleving is echter het syncretisme in inheemse en Europese religies voort blijven bestaan. Het grootste voorbeeld hiervan is de populaire verering van de Maagd van Guadalupe: deze Maagd, een inheemse versie van de Maagd Maria, is het algemene icoon van Mexico geworden.[67]

 

 

1.4. Positie van de vrouw in het sociaal-culturele leven

 

In de eerste periode van Spaanse koloniale overheersing van het land, toen de Spaanse aristocratie samen met de geestelijkheid het dagelijkse leven bepaalden, was de vrijheid van vrouwen in de Mexicaanse samenleving zeer beperkt. Francisco Lasarte schetst ons in het hoofdstuk De doorbraak van de vrouwen in De Eeuwige Ontdekking een duidelijk beeld van die beperkte vrijheid van de vrouw onder de koloniale overheersing in Spaans-Amerika.[68] De vrouwen hadden in deze periode nauwelijks toegang tot onderwijs en waren voorbestemd om echtgenote en moeder te worden. Het leven speelde zich voor hen vooral binnenshuis in de huishouding af. Volgens Lasarte vormden religieuze dogma’s een strikte scheiding tussen het openbare leven, waar de man de dienst uitmaakte, en het particuliere leven, waar de vrouw in de rol van echtgenote, moeder en gastvrouw deel van uitmaakte. Het gezag van de Kerk beperkte de vrijheid van de vrouw, die altijd onderdanig hoorde te zijn aan de man, omdat zij van nature een zwakker gestel had, (geschapen uit de rib van de man, zoals de Bijbel ons leert) eeuwig geneigd was tot ijdelheid en nieuwsgierigheid, (een eigenschap die had geleid tot de zondeval, doordat Eva de appel had geplukt) en van nature een verleidster was (Eva had immers Adam verleid tot het eten van de verboden vrucht). In de brief van de bisschop van Puebla in de inleiding, is te zien hoe deze persoon deze eigenschappen van de vrouw benadrukte.

Een van de meest overzichtelijke en complete studies naar de positie van vrouwen in het vice-koninkrijk Nieuw Spanje wordt geboden door Josefina Muriel in haar Cultura Femenina Novohispana. In deze studie stelt zij zichzelf het doel te bekijken hoe het sociaal-economische niveau was van de vrouwen die schreven in dit deel van de Nieuwe Wereld; welke mate van intellectuele zelfontwikkeling er bestond en wat er werd gelezen en werd verboden te lezen in deze periode. [69]

De mogelijkheden voor vrouwen om zich te laten onderwijzen, waren in deze periode beperkt tot particuliere scholen, ‘Amigas’ genaamd, tot colleges die door geestelijken werden geleid, tot beaterios of begijnhoven en tot kloosters, die hierin een belangrijke rol vervulden.[70] Uiteraard was er ook de keuze van zelfstudie thuis, voor zover er tijd was naast de huishoudelijke taken en er toestemming werd gegeven door de echtgenoot, ouders en overige familieleden.

Zuster Juana Inés de la Cruz uit het klooster van San Jerónimo was één van die vrouwen die in haar jeugd de mogelijkheden had gehad zich zelf te ontwikkelen aan de hand van boeken. Deze boeken echter, zo zegt Muriel, die het vice-koninkrijk Nieuw Spanje vanuit het vaderland bereikten, werden streng gecensureerd, opdat zij geen ketterijen jegens het geloof zouden bevatten, die de pas bekeerden of de goede gewoonten van de oudere christenen konden aantasten.[71] Voor diegenen die literaire interessen hadden, was er een beperkt aanbod aan boeken, maar wel van diverse genres: ridderromans, werken van de Griekse en Romeinse poëten en filosofen, de grote komedies en tragedies van de Grieken, Spaanse romans als Don Quijote, maar ook werken die de Latijnse taal, grammatica en retorica onderwezen. Verschillende historische overzichtswerken en met name de werken van filosofische, theologische en religieuze aard, werden door de missionarissen en de maestros van de colleges en de Amigas (privé-scholen) gepropagandeerd.[72] Werken van en over de Kerkvaders en de heiligen als uiteraard ook de Bijbel, werden gelezen door alle devote gezinnen en individuen. Zo werden kinderen van jongs af aan opgevoed met de normen en waarden van het Katholieke geloof.

Voor het verkrijgen van boeken was, zoals hierboven genoemd, toestemming en geld nodig. Vooral het eerstgenoemde vormde problemen. Volgens Muriel was het grootste probleem voor vrouwen niet alleen de kosten van de boeken, maar vooral ook de censura masculina, [73] de mannelijke censuur door vaders, echtgenoten, broers en biechtvaders, die een selectie maakten van wat er wel of niet geschikt was voor de vrouwen om te lezen. Zij waren immers degenen die over de uitgaven gingen, maar ook degenen die de boeken van hun reizen naar het vaderland konden meebrengen. Het resultaat was, dat met name de werken van religieuze aard voor de vrouwen werden meegebracht. Dit was weer een gevolg van het beeld dat men in de samenleving had van de vrouw, die hoorde te leven naar de religieuze normen van die tijd, wat vooral gold voor hen die de kloosters betraden.

Muriel schetst drie literair-culturele niveau’s, die vrouwen in de koloniale Mexicaanse samenleving konden behalen. Het eerste niveau was dat van de filosofie-theologie; het hield in dat men kon participeren in de literaire en culturele waarden van deze studies, die zich baseerden op de filosofisch-theologische verklaring voor het bestaan van de mens en zijn relatie met God. Een niveau dat theoretisch voor vrouwen in de samenleving wel haalbaar was middels de catechisatie, die verplicht was gesteld voor alle inwoners in de kolonie. In de praktijk echter bleek dit vaak lastig, omdat de lagere inkomensgroepen het zich nauwelijks konden veroorloven qua tijd en qua uitgaven zich op dit niveau behoorlijk te laten onderwijzen. Ook voor de hogere inkomensgroepen bleek het lastig dit niveau te halen, omdat de colleges en de Amigas geen gesystematiseerd programma van deze studies aanboden.[74] Vandaar dat vrouwen buiten de kloostermuren zelden tot nooit er toe kwamen over filosofisch-theologische thema’s te debatteren en schrijven. Bovendien werd er zelden een werk van een vrouw in de Mexicaanse samenleving gepubliceerd, wat wederom het resultaat was van de paternalistische houding van de kerkelijke en bestuurlijke instanties en van de dominantie van de mannencultuur, die de capaciteiten van vrouwen op literair niveau onderschatten.

Het tweede niveau dat vrouwen konden behalen op de literair-culturele ladder, was dat van het ‘basisintellect’; dit hield in dat vrouwen als meisje hadden leren lezen en schrijven en zich de basisregels van de rekenkunde hadden eigen gemaakt. Muriel vertelt dat er aan deze cultivo de la inteligencia, ontwikkeling van de intelligentie, ook een cultivo del corazón werd toegevoegd, een ontwikkeling van het hart, ofwel van de humanitaire werken [75]: menselijke deugden die onmisbaar waren voor een vrouw binnen haar gezin en de samenleving, zoals naastenliefde en communewerkzaamheden. In de colleges, de Amigas en de begijnhoven en kloosters, maar ook door privé-onderwijzers, werden deze kennis en vaardigheden die een vrouw in de creoolse samenleving behoorde te hebben, onderwezen. In dit niveau werd aan de vrouw een responsibilidad comunitaria gegeven, een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid binnen de samenleving. Indien goed ontwikkeld, zou die de vrouw doen opstijgen tot het prototype van deugdzaamheid en bewondering[76], zoals ook met de vrouwen in de kloosters gebeurde. Dit tweede niveau van literair-culturele ontwikkeling, was over het algemeen enkel toegankelijk voor vrouwen die van hogere of gemiddelde klasse of inkomensgroep waren, die konden betalen voor hun onderhoud in de Amigas, colegios, beaterios y conventos.

Tenslotte, als derde en minst toegankelijke stap was die naar het niveau van de cultura superior, ofwel de superieure cultuur; studies die werden afgelegd voor het bereiken van dit niveau, volgden uit de persoonlijke interessen van de vrouw.[77] Meestal gestimuleerd door de ouders konden de vrouwen zich toeleggen op de ontwikkeling van de eigen vaardigheden in bijvoorbeeld de kunsten, ambachten of het leren van een vreemde taal. De vrouwen konden hierin worden onderwezen door maestros particulares (particuliere onderwijzers), afkomstig van de colleges of de universiteit, die uiteraard niet toegankelijk was in die tijd voor vrouwen. Vaak waren het de jezuïeten, die binnen de colleges en de universiteiten van Mexico verantwoordelijk waren voor een stimulerend intellectueel klimaat[78], in ieder geval waren de onderwijzers op dit niveau altijd mannen. Middels lectuur konden deze vrouwen zich de humane wetenschappen eigen maken om zo met meer dignidad (deugdzaamheid) te leven en het hoogste doel te bereiken van het bovennatuurlijke (de hemel), waarvoor men was geschapen. [79]

Vanwege economische- en geografische condities was dit niveau toegankelijk voor een beperkt aantal vrouwen. Hiervoor dienden zij in de stad te wonen, of hier vanaf het platteland naartoe te trekken. De stad bood alle mogelijkheden tot culturele ontwikkeling; in de stad bevonden zich de beaterios en de conventos, waarbij met name de laatste een plek boden waar men de hoogste studie voor vrouwen kon bereiken. Op deze plekken werden de vrouwen onderwezen door paters en priesters, waar vaak rijke bibliotheken waren en waar door vrouwen werken werden geschreven, die werden gepubliceerd. Ook onderwezen de leden van de kloostercommune of van het begijnhof zelf aan de nieuwelingen, met name wat betreft de kunsten, ambachten en religieuze kennis en praktijken.

Volgens het Concilie van Trente (1545-1563) was bepaald dat de nonnen zich niet in de rurale zone in kloosters zouden vestigen (enclaustrarse); in de stad zouden ze veilig zijn tegen alle vormen van gevaar en onder betere omstandigheden om te leven, te midden van een maatschappij die hen economisch zou beschermen.[80] Een lichtend voorbeeld van vrouwen die voor deze cultura superior naar de stad trokken, is Zuster Juana geweest, die op zeer jonge leeftijd naar Mexico en Puebla toog.

Vele anderen hebben hetzelfde gedaan, hetzij vrijwillig, hetzij op aandringen van anderen.[81]

Uiteindelijk resulteerde dit erin, dat de vrouwen die toegang hadden tot het hoogste niveau van literair-culturele ontwikkeling in de 17e en de 18e eeuw, met name de religieuze vrouwen in de stad waren, afkomstig uit de groep van Spaanse conquistadores, die de culturele elite vormden.[82]

Uit voorgaande zou je kunnen opmaken dat voor vrouwen die zich literair wilden ontplooien en zich wellicht niet tot de huwelijkse staat aangetrokken voelden, de vrouwenkloosters in de kolonie een uitweg boden. Volgens Josefina Muriel bood zelfontplooiing in het schrijven meer perspectief binnen de kloostermuren dan buiten deze muren. Hiermee lijkt ze een stelling in te nemen in het in de Inleiding genoemde meningsverschil onder historici over de (literaire) mogelijkheden en de vrijheden in de vrouwenkloosters tijdens de koloniale overheersing. Haar standpunt sluit aan bij dat van die historici, die beweren dat vrouwenkloosters meer vrijheid en meer (literaire) mogelijkheden boden, dan de samenleving buiten de kloosters. Francisco Lasarte brengt hier tegen in dat de toetreding tot het religieuze leven in feite niets anders betekende dan het inruilen van de ene vorm van patriarchale onderdrukking voor de andere.[83] Hiermee lijkt Lasarte zich aan te sluiten bij die wetenschappers, die van mening zijn, dat nonnen in het koloniale Mexico vanuit een onderdrukkende samenleving van mannelijke dominantie, na toetreding tot het klooster in een minstens net zo onderdrukkend religieus systeem binnen de kloostermuren belandden.

Pas sinds de twintigste eeuw is er een start gemaakt met het in kaart brengen van de geschiedenis van de Spaans-Amerikaanse vrouwenliteratuur. Historici leggen zich steeds meer toe op de rol die vrouwelijke auteurs hebben gespeeld in de ontwikkeling van de Spaans-Amerikaanse literatuur en op de betekenis die de vrouwengeschriften en getuigenissen hebben (gehad) voor de Spaans-Amerikaanse samenleving. Zoals Lasarte zegt, is het literaire canon altijd overheerst geweest door mannen, met als gevolg dat vrouwen nooit meer zijn geweest dan een literaire subcultuur, die beperkt is gebleven tot de goed opgeleide vrouwen uit de hogere- en middenklasse.[84] Daartoe behoorden ook de vrouwen in de kloosters in koloniaal Puebla, die binnen de kloostermuren deze opleiding genoten. Met name in die eerste twee eeuwen van de Spaanse overheersing, waren de literaire mogelijkheden zeer beperkt en werd de vrouwenliteratuur niet gestimuleerd. De enige uitzondering op deze strikte beperking, volgens Lasarte, was de mystieke literatuur, geschreven door vrouwen die tot de religieuze Ordes toetraden.[85] De productie en eventuele publicatie van deze mystieke geschriften, werd sterk door de kerkelijke autoriteiten en de biechtvaders aangemoedigd en zelfs geëist.[86] Het vastleggen van de religieuze ervaringen in de vorm van visioenen had tot doel greep te houden op de religieuze ervaringen, zoals Lasarte het weergeeft, maar ook volgens Muriel om een traditie in leven te houden, die al uit de Middeleeuwen stamde, namelijk het bewaren van de getuigenissen van de mujer exemplar, de voorbeeldige vrouw, voor toekomstige generaties van nonnen.[87] Hoofdstuk 5 van dit verslag richt zich op deze vorm van vrouwenliteratuur.

Lasarte beschrijft ons hoe deze marginale positie van vrouwen, inferieur aan de man, pas veranderde in de 19e en de 20e eeuw, toen vrouwen de eerste passen voorwaarts zetten in onder meer het onderwijs en in politieke en culturele ontwikkelingen. Deze mannencultuur van dominantie over de vrouw is volgens Lasarte altijd een soort culturele absolute geweest. De mannen legden hun waarden op aan de vrouwelijke ‘ander’. De vrouwen zagen zich gedwongen te reageren op deze waarden en normen door zich ofwel hier aan te onderwerpen, ofwel door te trachten dit systeem omver te werpen.[88]

In het laatste hoofdstuk van dit verslag wordt bekeken aan de hand van de geschriften van nonnen uit Puebla uit deze periode in hoeverre deze vrouwen zich hebben onderworpen of juist hebben verzet tegen dit systeem van dominantie. Aan de hand van de getuigenissen van deze nonnen zal worden gepoogd een stelling in te nemen in de discussie rondom de mate van (culturele) vrijheid en mogelijkheden of de mate van onderdrukking en dominantie.

 

 

Hoofdstuk 2 Santa Rosa, Santa Mónica en San Jerónimo te Puebla

 

Inleiding

 

Alvorens over te gaan op de geschiedenissen van de drie voorbeeldkloosters te Puebla, bespreken we hier eerst hoe de stad Puebla werd opgericht, hoe de religieuze ordes naar deze stad kwamen en welke vrouwen er tot deze ordes toetraden.

Een legende over de stichtingsgeschiedenis van de stad Puebla draagt aan deze stad een goddelijke oorsprong toe. Enige engelen zouden naar de wil van God rechte lijnen aangebracht hebben op een door God aangewezen plaats, waar de straten van een nieuwe stad moesten worden aangelegd. Vandaar dat de stad officieel de naam draagt van Puebla de los Ángeles, stad van de engelen. De echte stichtingsgeschiedenis kent echter geen goddelijke oorsprong. Op de plek waar door Spaanse conquistadores op 16 april 1531 de stad Puebla werd opgericht [89], bestond al een indiaanse handelsroute, die leidde naar Cholula, een belangrijke inheemse tempelstad. Puebla werd opgericht op wat ook voor de Spanjaarden een belangrijk knooppunt van handelsroutes was: tussen Mexico Stad (tien jaar eerder boven op de Aztekenstad Tenochtitlán opgericht) en de kustplaats Veracruz, waar Hernán Cortez enige jaren daarvoor met zijn troepen aan land was gegaan.[90] De plek was bedoeld als een plek van bezinning en rust voor handelaars of pelgrims op doorreis, maar ook voor Spaanse landbouwers, die hun gewassen in de vruchtbare vallei van Puebla verbouwden en verhandelden in de stad. Men voegde daarom aan de naam Puebla república de agricultores espaňoles toe: republiek van Spaanse landbouwers.[91] Het idee van een volledige Spaanse republiek bleek in de praktijk echter onmogelijk haalbaar. Om de gronden te bewerken en de stad op te richten had men de hulp van indiaanse werkkracht nodig, afkomstig uit de omringende inheemse plaatsen. De geestelijkheid hield zich bezig met de oprichting van kerkelijke gebouwen en de bestuurlijke ambtenaren met het bouwen van woonhuizen, gemeentehuizen, straten en andere publieke werken.[92]

De voordelige positie van de stad, de mogelijkheid om van inheemse werkkracht gebruik te maken als van de natuurlijke middelen uit de regio, droegen bij aan een welvarende economie die van Puebla een stad maakte die werd beschouwd als de tweede van het vice-koninkrijk Nieuw Spanje. In de 16e eeuw groeide Puebla met haar omringende vallei uit tot een van de grootste maïsmeel producenten van de Nieuwe Wereld, een product dat vooral aan de hoofdstad werd verkocht.[93] Cultuur en de kunsten bloeiden in de stad. Manifestaties hiervan, in het bijzonder vanuit impulsen door de Kerk, hadden plaats op grote schaal in tempels, kloosters en colleges, die zich snel na de oprichting door de hele stad heen vermenigvuldigden.[94]

Zoals elders in de Nieuwe Wereld was de sociale divisie in Puebla tussen de rijke, adellijke Spaanse plaatselijke machthebbers en de arme inheemse indígenas, autochtonen, duidelijk zichtbaar. In ruil voor de verleende werkkracht kreeg de inheemse bevolking onderricht in het Rooms-Katholieke geloof. [95] Kerkelijk en wereldlijk gezag waren vanaf het begin in de stad onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dit verbond in het besturen van alle aangelegenheden van de stad had een grote invloed op het gehele sociaal-maatschappelijke leven. Nieuwkomers waren welkom in de nieuwe koloniale stad, maar ze moesten bewijzen dat ze ‘zuiver bloed’ (limpieza de sangre) hadden.[96] Dat wil zeggen, dat ze van Spaanse afkomst en van het Christelijke geloof waren. Deze Spaanse afstammelingen hadden in het hele vice-koninkrijk Nieuw Spanje een belangrijke rol op economisch en bestuurlijk vlak. Spaanse adellieden leverden ook in Puebla wereldlijke bestuurders, zoals de alcaldes en regidores, en geestelijke bestuurders, zoals priesters, paters en bisschoppen. Ook kwamen uit hun midden de vrouwen voor de kloosters voort, die een belangrijke rol vervulden in het vice-koninkrijk Nieuw Spanje en in de stad Puebla.

De Europese religieuze kloosterordes probeerden direct na de oprichting van Puebla in deze stad hun stempel achter te laten. Van de grote religieuze ordes vestigden zich in 1535 in Puebla de Franciscaners en Dominicaners, in 1550 richtten de Augustijners een eerste kerk en klooster op, gevolgd door de Carmelieten in 1586. De Jezuïeten, die in 1574 te Puebla arriveerden, kenden geen vrouwenkloosters. Deze monniken of paters speelden wel een belangrijke rol in de catechisatie en het intellectuele leven in de stad. In 1600 volgde de kloosterorde van Sint Hiëronymus. In de eerste drie eeuwen van het bestaan van Puebla vestigden nog enige minder grote ordes zich in de zich snel uitbreidende stad. In totaal werden er tijdens de koloniale overheersing van Mexico 57 klooster-communes voor vrouwen opgericht.[97] Het einde van de 16e, begin 17e eeuw is voornamelijk de bakermat geweest van de religieuze communes in het vice-koninkrijk Nieuw Spanje. Volgens historicus Jose V. Medel is juist deze periode in Nieuw Spanje ideaal geweest voor de oprichtin