| De Zeven Meesteren van Rome. Onderzoekingen over een Middelnederlandse prozavertaling van de Historia Septem Sapientum. (Niels Evers) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Bijlagen
Bijlage 1. De verschillende versies van de Zeven Wijzen-traditie en hun exempelen
|
versie K |
versie C |
versie D |
versie A |
versie L |
versie M |
versie H |
versie S |
versie I |
|
Arbor |
|
Arbor |
Arbor |
Arbor |
Arbor |
Arbor |
Arbor |
Canis |
|
Canis |
|
Canis |
Canis |
Canis |
Canis |
Canis |
Canis |
Arbor |
|
Senescalcus |
|
Senescalcus |
Aper |
Aper |
Aper |
Aper |
Aper |
Medicus |
|
Medicus |
|
Medicus |
Medicus |
Medicus |
Medicus |
Puteus |
Medicus |
Aper |
|
Aper |
|
Aper |
Gaza |
Gaza |
Gaza |
Gaza |
Gaza |
Puteus |
|
Puteus |
|
Puteus |
Puteus |
Puteus |
Avis |
Avis |
Puteus |
Gaza |
|
Roma |
|
Sapientes |
Senescalcus |
Senescalcus |
Filius |
Sapientes |
Senescalcus |
Tentamina |
|
Tentamina |
Tentamina |
Tentamina |
Tentamina |
Tentamina |
Vidua |
Tentamina |
Tentamina |
Senescalcus |
|
Gaza |
Roma |
Roma |
Virgilius |
Virgilius |
Nutrix |
Virgilius |
Virgilius |
Avis |
|
Avis |
Avis |
Avis |
Avis |
Avis |
Anthenor |
Medicus |
Avis |
Virgilius |
|
Sapientes |
Sapientes |
Gaza |
Sapientes |
Sapientes |
Spurius |
Senescalcus Roma |
Sapientes |
Vidua |
|
Vidua |
Vidua |
Vidua |
Vidua |
Filia |
Cardamum |
Amatores |
Filia |
Sapientes |
|
Virgilius |
Virgilius |
Virgilius |
Roma |
Noverca |
Assassinus |
Inclusa |
Noverca |
Inclusa |
|
Inclusa |
Inclusa |
Inclusa |
Inclusa |
|
Inclusa |
Vidua |
Inclusa |
Roma |
|
Vaticinium |
Vaticinium |
Vaticinium |
Vaticinium |
|
Vaticinium |
Vaticinium Amici |
Vaticinium |
|
Het bovenstaande schema heb ik ontleend aan: Campbell 1907, p. xxxv.
Bijlage 2. Beknopte beschrijving van het enig bekende handschrift dat De zeven meesteren van Rome bevat
Staatsbibliotheek Berlijn
Handschriftenafdeling
Potsdamer Str. 33
Signatuur: Ms. germ. Fol. 1001
enkeltekst-handschrift
verhaal over de zeven wijzen van Rome (versie H subversie II)
Middelnederlands, zeer sporadisch een Latijnse spreuk
1470-1475
De bladen van het handschrift zijn van papier. Er is geen gebruik gemaakt van perkamenten verstevigingstrookjes. Op enkele vlekken na verkeert het papier in prima conditie. Het vertoont geen scheuren of rafels waardoor de hele tekst goed leesbaar is. In het papier laten zich twee watermerken onderscheiden. De eerste 4 folia bevatten een P als watermerk. Deze P komt het meest overeen met Briquet nr. 8580. In Piccard hoort hij bij Buchstabe P die in groep IV beschreven wordt. De overige bladen hebben een ossenkop zonder neusgaten, stomp en met een St. Andrieskruis als watermerk. Deze ossenkop komt het meest overeen met Briquet nr. 14239. In Piccard is de ossenkop een variant van Ochsenkopf IX, 183-188.
Het handschrift omvat 30 folia, verdeeld over 4 katernen. Het eerste katern bevat 7 bifolia (septern) en het tweede 6 (sextern). Ten slotte zijn er 2 katernen die ieder uit één bifolium bestaan. In de navolgende tekening vindt men een schematische weergave van de katernen- en bladenstructuur van dit handschrift:
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30
(N.B: in de papieren versie is met potlood de katernen- en bladenstructuur van dit handschrift aangegeven. Ook de verschillende paragraaftekens zijn met potlood in de papieren versie bijgetekend. )
De rectozijde van het eerste blad is minder wit, vlekkeriger en groezeliger dan de overige bladen. De versozijde van het laatste blad vertoont twee grote zwarte vlekken en is nogal smoezelig. Deze observaties leiden tot de hypothese dat het handschrift een tijdlang zonder band en zelfstandig gefunctioneerd heeft. Op de bladen komen geen custoden of katernsignaturen voor. De bladen zijn met potlood in moderne hand gefolieerd: aan de rectozijde van ieder blad is in de rechterbovenhoek een Arabisch cijfer neergeschreven. Ter bescherming is het manuscript zowel aan de voorkant als aan de achterkant van een schutblad voorzien.
De folia zijn ongeveer 27,2 cm lang en 19,2 cm breed. In de bovenmarge van sommige bladen heb ik vier lijngaatjes kunnen ontdekken die de kantlijnen en kolommen uitlijnen. Deze vier verticale lijnen zijn doorlopend en met een droge, witte stift of ‘blind’ aangebracht. Het is zeer waarschijnlijk dat er ook lijngaatjes zijn geprikt die de bovenmarge en ondermarge hebben uitgelijnd: de bovenste 1,8 cm en de onderste 4,4 cm van de bladen zijn nooit beschreven. Misschien zijn deze lijngaatjes bij het binden in de vouw verdwenen. Ik heb ze in ieder geval niet op de bladen kunnen terugvinden. Ieder blad bevat twee kolommen. Deze kolommen bevinden zich 1,7 cm uit elkaar. De bladspiegel per kolom bedraagt 6,8 : 21 cm. Alleen kolom b van f. 30recto is niet helemaal volgeschreven. De regelaantallen variëren tussen de 41 en 48 regels per kolom. De regelhoogte bedraagt tussen de 4,2 en 4,5 mm. De verschillen in het regelaantal en het ontbreken van lijngaatjes die de regels uitlijnen wijzen er mijns inziens op dat de regels niet vooraf gelinieerd zijn: door het uitlijnen van de kolommen en kantlijnen is enkel het schrijfkader weergegeven.
Ik denk dat er 3 handen in het manuscript te onderscheiden zijn. De lopende tekst is door de kopiist aan het papier toevertrouwd. De rubricator heeft de tekst van rubrieken voorzien. Aan (bijna) ieder exempel laat hij een opschrift voorafgaan. Ten slotte heeft de corrector enkele malen het werk van de kopiist verbeterd. Wie wil weten waar hij heeft ingegrepen, zie hoofdstuk 3 noot 23 van deze bijdrage. Deze drie personen schreven alledrie in een C-cursief.
Er is structuur in de tekst aangebracht door zinnen met eenregelige hoofdletters te laten beginnen, door plaatsnamen, eigennamen en Latijnse spreuken of citaten met rode inkt te onderstrepen en door rode lombarden, één rode initiaal, rode paragraaftekens en rode opschriften in te voegen. De eenregelige hoofdletters zijn vaak voorzien van een verticaal rood streepje. De exempelen, op een na, beginnen met een 3 regels hoge lombarde (het 15e exempel kent een 4 regels hoge lombarde). In de zijmarges of onder de rode inkt zijn de representanten nog leesbaar die aangeven welke letter de rubricator diende neer te schrijven. De tekst begint met een eenkleurige (rood) initiaal. Ook ditmaal is de representant nog leesbaar die aangeeft welke letter moest worden opgetekend. De kopiist heeft twee verschillende paragraaftekens door elkaar gebruikt: en . Zij geven aan dat er sprekerswisselingen optreden in de tekst of dat er een nieuw onderwerp aan de orde komt. Boven de verschillende exempels zijn rubrieken opgetekend waarin vermeld wordt wie het exempel vertelt. Alleen aan het 13e exempel gaat geen rood opschrift vooraf. Kennelijk is de rubricator hier vergeten de opengelaten bladspiegel te vullen.
Ter decoratie is op de bovenste regel van een kolom soms een letter in een sierpatroon verlengd. Dergelijke versieringen worden cadellen genoemd. Zij hebben in dit handschrift vaak de vorm van een gezichtje of van een bloemetje. Af en toe kenmerken zij zich door een abstract lijnenspel en hebben ze wel wat weg van een tribal tattoo. Eenmaal is tussen de kolommen een decoratie, in de vorm van een gezichtje, aangebracht. Al deze simpele versierseltjes zijn met dezelfde zwarte - soms ietwat bruine inkt - geschetst en door de rubricator van rode streepjes en puntjes voorzien. Zij vervullen enkel een decoratieve functie.
Het handschrift is op 4 plaatsen aan een 27cm lange perkamenten rug bevestigd: het is met touwen om pinnetjes gewikkeld die op 5½, 11, 15½ en 20½ cm lengte in de rug zijn aangebracht. De rug is aan de platten vastgeplakt. Omdat deze platten van karton zijn, is het uitgesloten dat zij deel hebben uitgemaakt van de oorspronkelijke band van de codex. Er is een papieren dekblad vastgelijmd aan de binnenkant van de kartonnen voorplat. Dit dekblad vormt met het voorste schutblad een bifolium. Aan de binnenkant van het achterplat is ook een dekblad vastgeplakt. Dit dekblad vormt met het achterste schutblad een bifolium. Op de rug is een rode papieren strook bevestigd waarop in goudkleurige letters te lezen valt: ‘Ms. Germ fol. 1001’, eronder is met zwarte inkt het volgende neergepend in moderne hand: ‘Die sieben weisen Meister niederdeutsch’.
Via welke omzwervingen het handschrift uiteindelijk in de Staatsbibliotheek van Berlijn terecht is gekomen, heb ik in het kader van mijn onderzoek niet kunnen achterhalen. Ik volsta hier met het noemen van de gebruikssporen zonder daarbij aan te geven wie wat wanneer waar neergeschreven heeft. Op het voorste dekblad is met potlood de signatuur van het handschrift aangegeven: ‘Ms. germ. Fol. 1001’. Op de rectozijde van het voorste schutblad is in een andere hand met zwarte inkt geschreven: ‘Gekauft vom Buchhändler L. Rosenthal in München in April 1883.’ Op de versozijde van dit schutblad is in de linkerbovenhoek, met potlood, ‘No 488’ neergepend. Hieronder staat een deels uitgegumde aantekening die slechts gedeeltelijk te ontcijferen is. Met behulp van een loep heb ik het volgende kunnen achterhalen: ‘Roman des … … M. 200.’ Op f. 1recto is met zwarte inkt ‘acc. 11,195’ opgetekend. Op het achterste dekblad is met potlood het volgende vermeld in de linker bovenhoek: ‘Fr. R. J. J. Ko. 30 Lee.’ Behalve deze aantekeningen is hetzelfde rode stempel gezet op f. 1verso en op f. 30verso: ‘Ex Biblioth. Regia Berolinensi’.
Bijlage 3
Kopie van het handschrift dat De zeven meesteren van Rome bevat
(NB: is niet opgenomen in de digitale versie, wel in de papieren versie)
Bijlage 4
Doorlopende vergelijking tussen Van den VII vroeden van binnen Rome, De zeven meesteren van Rome en Die historie van die seven wijsen mannen van Romen
In de navolgende vergelijking worden Van den VII vroeden van binnen Rome (in het vervolg aangeduid met: ‘SV’), Die hystorie van die seven wijse mannen van Romen (‘HW’) en De zeven meesteren van Rome (‘ZM’) naast elkaar gelegd. Puntsgewijs worden de contrasten tussen deze drie teksten opgesomd. Omdat HW en ZM tot subversie II van versie H te rekenen zijn, hebben deze teksten meer met elkaar gemeenschappelijk dan met SV die tot versie A behoort. Op de vraag of de lezingen al in de grondteksten van de Middelnederlandse teksten te vinden waren of dat zij juist originele vondsten van de Middelnederlandse auteurs zijn, wordt op deze plaats geen antwoord gegeven.
Voor SV heb ik gebruik gemaakt van de editie Stallaert:
Van den VII vroeden van binnen Rome. Een dichtwerk der XIVe eeuw. Ed. Stallaert, K. Gent 1889.
Voor HW heb ik de editie Botermans gehanteerd:
Die hystorie van die seuen wijse mannen van romen. Bewerkt door A.J. Botermans, tekst Herdruk naar het eenig bekende exemplaar der editio princeps, A. 1479, berustende in de Bibliotheca Academiae georgiae Augustae te Gõttingen. Haarlem 1898.
Voor ZM diende de tekst zoals overgeleverd in het Berlijnse handschrift als voorbeeld.
Vergelijking wat betreft VORM:
SV is in verzen geschreven, ZM en HW zijn in proza opgetekend.
Vergelijking wat betreft VOLGORDE EXEMPELEN:
ZM en HW: 1) Arbor 2) Canis 3) Aper 4) Puteus 5) Gaza 6) Avis 7) Sapientes 8) Tentamina
9) Virgilius 10) Medicus 11) Senescalcus + Roma 12) Amatores, 13) Inclusa 14) Vidua
15) Vaticinium + Amici
SV: 1) Arbor 2) Canis 3) Aper 4) Medicus 5) Gaza 6) Puteus 7) Senescalcus 8) Tentamina
9) Virgilius 10) Avis 11) Sapientes 12) Vidua 13) Roma 14) Inclusa 15) Vatinicium
In HW en ZM zijn de exempelen Roma en Senescalcus tot een verhaal samengesmeed. Hierdoor kon er een nieuw verhaal worden ingevoegd: Amatores. Dit verhaal kwam op de plaats van Inclusa te staan. Inclusa zelf schoof een plaatsje op. Deze verplaatsing is verreweg de interessantste. In SV wordt Inclusa namelijk door een wijze verteld, in HW en ZM door de koningin. De overige verplaatsingen hebben niet tot gevolg gehad dat er sprekerswisselingen zijn opgetreden.
Vergelijking wat betreft INHOUD:
In de onderstaande inhoudelijke vergelijking komen de exempelen in de voor HW en ZM gebruikelijke volgorde aan bod. Enkele exempelen uit SV worden dus op andere plaatsen behandeld dan waar ze in die tekst voorkomen. In dergelijke gevallen verhuist niet alleen het exempel zelf, maar ook de aanloop naar het betreffende exempel, het te leggen verband tussen de keizer en het exempel, de uitleg van het exempel en de afsluiting ervan.
Het begin van het verhaal tot aan het ontbieden van de zeven wijzen (SV, vs. 1-15, ZM
f. 1recto, HW f. a2recto-f. a3recto.)
* HW: in de eerste alinea wordt vermeld dat het boek uit het Latijn vertaald is opdat leken het ook kunnen lezen. In ZM en SV wordt niets geschreven over de bron of het doel van de tekst.
* namen van keizer en zijn zoon. ZM en HW: keizer heet Pontianus, zijn zoon Dyoclesianus. SV: keizer heet Dioclesien, zoontje heeft geen naam.
* In HW geeft de keizerin de keizer een kind, in ZM geeft God een zoon, in SV blijft na het overlijden van zijn vrouw de keizer achter met een kind.
* In HW en ZM sterft de keizerin omdat zij ziek is, in SV wordt de reden voor haar dood niet gegeven.
*In SV ontbreekt de sterfbedscène van de keizerin, in HW en ZM is die wel aanwezig, hoewel verschillend. In HW zendt zij een bode naar de keizer om te melden dat zij doodziek is, in ZM zegt ze dat zelf tegen de keizer. Als de keizerin vraagt of de keizer haar bede wil verhoren, dan stelt hij in HW dat hij haar niets zal weigeren omdat hij haar zo lief heeft. In ZM ontbreekt zijn liefdesbetuiging, daar voegt hij toe dat hij alles zal doen wat binnen zijn mogelijkheden ligt. In beide teksten verschilt de bede van de vrouw. In ZM vraagt de keizerin of hij wanneer hij hertrouwd is, hun zoon door de wijzen wil laten opvoeden, opdat zij hem wijsheid en deugd leren en of hij er voor wil zorgen dat zijn nieuwe vrouw geen macht over hun kind zal hebben. In HW komen de wijzen in haar bede niet voor en ook het verzoek dat de nieuwe echtgenote geen macht over de jongen zal hebben, ontbreekt. Zij vraagt daar of hij ver van de toekomstige vrouw van de keizer opgevoed zal worden.
* Na haar dood is de keizer in alle drie de teksten droevig. Maar in HW en in ZM wordt er een tijdsaanduiding bij gegeven, in SV niet. HW: hij is verdrietig tot lang na haar begrafenis, ZM: hij huilt menige dag om haar.
* In HW wordt vermeld dat niemand de keizer kan troosten, in ZM en SV wordt hiervan geen gewag gemaakt.
* De scène waarin de keizer op zijn bed nadenkt over zijn zoon komt in SV niet voor. In HW vraagt hij zich hier af hoe hij hem wijs kan laten worden en hoe hij hem de kunsten kan laten leren. Deze bagage heeft hij namelijk nodig om na hem het Romeinse rijk te kunnen regeren. In ZM moet zijn zoon ook wijs worden en de kunsten leren omdat hij de erfgenaam is van zijn rijk. Maar hem moet hier ook barmhartigheid geleerd worden opdat hij weet wat goed en wat kwaad is en opdat hij wijsheid van dwaasheid kan onderscheiden. Dit ontbreekt in HW. En ook de opmerking van de verteller dat het koninkrijk waar een kind koning van is, medelijden verdient en dat het koninkrijk waar een ploert regeert, schadelijk is, vinden we in HW niet terug. (Overigens is het vreemd dat de keizer in ZM zo bezig is met de toekomst van zijn zoon, hij had op het sterfbed van zijn overleden vrouw immers al beloofd dat hij hem de wijzen zou toevertrouwen die hem dan wijsheid en deugd zouden leren.)
Het ontbieden van de zeven wijzen tot aan het besluit het kind buiten Rome op te voeden (SV, vs. 16-198, ZM f. 1recto, HW f. a3recto-f. a4verso.)
* In SV ontbiedt de keizer snel de zeven wijzen van zijn rijk, zonder daarvoor anderen geraadpleegd te hebben. In ZM en HW laat hij de wijzen ook komen, maar doet hij dat op advies van zijn raadgevers. In ZM bestaat zijn raad uit hertogen, graven en de wijsten van zijn rijk. In HW uit zijn heren en zijn prinsen. In ZM is bovendien duidelijk dat hij de wijzen niet snel laat opgraven: er wordt vermeld dat de keizer sinds jaar en dag alleen is, voordat hij met zijn raad praat. In HW komt geen tijdsaanduiding voor. In ZM vertelt de keizer zijn raad dat hij wil dat zijn zoon onderwezen zal worden het rijk te eren, in HW wordt hiervan geen gewag gemaakt. In ZM stuurt de keizer de wijzen een verzegelde brief met het verzoek te komen, in HW wordt enkel beschreven dat hij hen gevraagd heeft te komen en in SV dat hij hen ontboden heeft.
* In SV wordt vermeld dat de keizer van zijn vrouw hield, zoals elke man van zijn vrouw zou moeten houden, in HW en ZM ontbreekt deze opmerking.
* In SV is de lezer pas tijdens het gesprek tussen de keizer en de wijzen op de hoogte van het plan wat hij met zijn kind wil: hij wil het een van de wijzen onder zijn hoede geven, specifieker is de tekst niet. In HW en ZM is de lezer al op de hoogte gebracht tijdens de bedscène en de raadgeversscène (vergelijking met die scène leert dat de keizer daar veel verder gaat dan alleen ‘onder zijn hoede geven’). In het gesprek met de wijzen herhaalt de keizer daar wat hij van hen wil: in HW moeten zij zijn zoon wijsheid en kunsten leren, in ZM bovendien ook deugd en wetenschap. Zowel in ZM als in HW zegt de keizer dat hij zijn zoon door hen wil laten onderwijzen omdat hij na hem het Romeinse rijk moet besturen, in SV wordt deze reden niet gegeven.
* In ZM en HW wordt vermeld dat de wijzen wanneer zij opgeroepen zijn niet weten wat de keizer wil, maar dat ze hem graag willen gehoorzamen, in SV niet.
* In SV stelt de keizer de wijze die zijn kind zal opvoeden een beloning in het vooruitzicht: goud en zilver, in HW en ZM wordt niet gerept over een beloning. Iedere wijze gaat er in die teksten juist prat op dat hij nog nooit iets van de keizer ontvangen heeft en dat wanneer de keizer juist hem zijn zoon geeft die eer al voldoende loon is.
* De wijzen dragen soms andere namen. In SV: Bauxilas, Anxilles, Tintillus, Maelquidart, Cathoen, Jesse en Mamas. In HW: Bancillas, Lentulus, Craton, Malquedrac, Josephus, Cleophas en Iochim. In ZM: Bantillas, Mentula, Craton, Maldrach, Iozeph, Cleophasen, Jaochim.
* In HW en ZM is de strekking van de woorden van de meesters hetzelfde tijdens de vragen van de keizer: iedere meester wil de jongen alles leren wat hij weet en ook alles wat zijn gezellen weten. Ook de summiere beschrijvingen van de wijzen zijn in deze teksten bijna hetzelfde. Een klein verschil: de 5e meester is in ZM de oudste en in HW oud. SV verschilt van HW en ZM: in die tekst wordt tijdens het gesprek tussen de keizer en de wijzen het uiterlijk van iedere wijze uitgebreid beschreven. Bovendien zegt in die tekst alleen de derde wijze dat hij het kind alles zal leren wat hij en de andere wijzen weten. De eerste twee wijzen zeggen in die tekst enkel dat ze hem zullen leren wat binnen hun vermogen ligt. De vierde zegt dat hij de zoon zo veel zal leren als God hem vergunt en dat hij zich niet op zaken uit het verleden wil beroemen. De vijfde dat hij hem alles zal leren wat hij weet, maar dat hij niet zal zeggen dat hij hem zal leren wat de andere meesters leren omdat hij niet weet wat hun kennis is. De zesde en de zevende meester zeggen dat zij het kind zoveel zullen leren dat de keizer hen daar de rest van zijn leven dankbaar voor zal zijn. In HW en ZM worden de monologen van de wijzen niet gevolgd door een reactie van de keizer, in SV wel. De keizer vindt daar steeds dat de betreffende wijze mooi gesproken heeft. Maar wil vervolgens zijn gezellen ook nog horen. Zowel in ZM, HW als SV loopt het aantal jaren dat de wijze nodig meent te hebben om de jongen te onderwijzen af. De eerste wijze heeft zeven jaar nodig en de zevende een jaar.
* In alle drie de teksten besluit de keizer dat de zeven wijzen gezamenlijk het kind moeten opvoeden, maar hij geeft hiervoor in iedere tekst een andere reden. In SV: hij wil hen niet uit elkaar halen. In HW: hij wil twist tussen hen voorkomen. In ZM: hij is bang dat er anders tweedracht en toorn van komt.
* In ZM wordt vermeld dat de wijzen bij de opvoeding niet op de centen hoeven te letten. In HW en SV niet.
Het besluit het kind buiten Rome op te voeden tot aan de raad dat de keizer moet hertrouwen (SV, vs. 199-296. ZM f. 1recto-f. 1verso, HW f. a4verso-f. a5recto)
* In ZM en HW bepaalt meester Craton dat ze het kind buiten Rome zullen opvoeden. In ZM is de reden: de drukte van de stad zal hem belemmeren in zijn leren. In HW: het vele volk zal een belemmering vormen voor zijn verstand en fantasie. In SV wordt de jongen ook buiten Rome opgeleid, maar daar wordt dat besloten tijdens een gezamenlijk overleg tussen de zeven. Hier is de reden: in de stad zijn de verlokkingen van vrouwen te groot.
* In ZM en HW weet Craton een geschikte plek, in SV weten de vroeden samen een goede plaats om het kind op te voeden. In HW: een veld met een boomgaard van wel twee mijlen lang, waar ze een toren laten bouwen met kamer erin waar de zeven vrije kunsten op de muur geschreven zijn opdat hij altijd kan leren als uit een boek. In ZM: in een prieel drie mijlen buiten Rome timmeren de wijzen een vierkante kamer met op de muren de zeven vrije kunsten. SV: een omsloten tuin een mijl buiten Rome, waar veel bomen en planten groeien en waar vogeltjes zingen omdat het er zo mooi is. Daar laten ze een zaal maken waar op de muren en deuren de zeven kunsten zijn beschreven en ook de loop van de maan en de zon.
* In SV wordt vermeld dat de wijzen blij zijn omdat de jongen zo snel dingen opneemt, dat wat de ene wijze naliet te leren de andere wel onderwees en dat de zoon allerlei intellectuele zaken met zijn meesters in het Latijn bespreekt. In HW en ZM hiervan geen gewag.
* In HW en ZM vinden de meesters het na zeven jaar tijd om de jongen te testen, in SV wordt geen tijdsduur gegeven. In HW en ZM vraagt de eerste meester hoe ze het kind kunnen testen en beantwoordt Craton deze vraag. In SV weten de wijzen meteen samen hoe ze het kind kunnen testen.
* De test. In ZM: ze leggen een kruid onder zijn bed. In HW: het blad van een klimopplant. In SV: vier groene bladeren onder iedere poot van zijn bed. Bij het ontwaken stelt de jongen in ZM: ‘mij dunct dat nederste dat onderste ende dat onderste dat nederste’, vervolgens direct de verteller ‘meesterscap heeft hi bewesen’. In HW: het plafond is gedaald tot de aarde of de aarde is omhoog gekomen. In SV: zelfde strekking als in HW, maar met de toevoeging: het bed kan ook omhoog gegaan zijn.
* Reactie van de meesters. ZM: als de jongen blijft leven zal hij grote eer verkrijgen. HW: als hij blijft leven zal hij goed terecht komen. SV: ze beseffen dat hij iedere vraag zal kunnen beantwoorden.
De raad dat de keizer moet hertrouwen tot aan de voorspelling in de sterren (SV, vs. 297-366, ZM
f. 1verso-f. 2verso, HW f. a5recto-f. a6recto.)
* In ZM meent de raad van de keizer dat hij moet hertrouwen, in HW menen dat de wijzen (andere dan de beroemde zeven) en de heren, in SV de vorsten.
Reden. In ZM en HW: hij heeft maar een zoon als die sterft dan is er geen keizer van Rome meer. Ook al heeft hij veel kinderen, hij heeft zoveel land dat hij allen veel kan geven. In SV enkel: ook voor drie kinderen heeft hij genoeg.
* De keizer vertrouwt zijn raad en beveelt een vrouw te zoeken. In HW: bevel aan zijn raad: zoek sierlijke zuivere maagd uit een edel geslacht. In ZM: bevel aan zijn ridders, hertogen en belangrijkste uit zijn rijk: zoek een mooie goede vrouw van goede komaf. In SV: bevel aan zijn mannen en baronnen: zoek een vrouw. In ZM wordt er vlijtig gezocht, in HW en SV wordt dit niet genoemd.
* In ZM en HW trouwt de keizer met de dochter van de koning van Castelloen, in SV geen beschrijving van haar komaf. In ZM is zij mooi, behendig en kloek, in HW en SV is zij mooi.
* In SV geniet de keizer lange tijd van haar lijf: hij botviert er zijn lust op en dus hebben ze beide veel plezier. In HW en ZM ontbreekt deze plastische beschrijving.
* In HW en ZM wordt vermeld dat hij haar zo lief krijgt dat hij zijn somberheid over het verlies van zijn eerste vrouw vergeet, in SV wordt hier geen gewag van gemaakt.
* In HW heeft de nieuwe keizerin verdriet dat zij geen kinderen krijgen, in ZM de keizer ook, in SV wordt het niet genoemd.
* In SV weet de keizerin niet van het bestaan van de zoon af en ontdekt zij het pas na drie jaar, in HW en ZM wordt niet vermeld of zij wel of niet iets van zijn bestaan afweet.
* In ZM en HW verklaart de keizer haar uitbundig zijn liefde en de keizerin vraagt hem daarna of ze zijn zoon mag zien. In de tijd dat zij geen kind heeft, kan die jongen haar troost bieden. De liefdesverklaring, de vraag en de reden voor de vraag ontbreken in SV.
* In ZM beveelt de keizer hem te komen opdat ook de keizer zelf kan zien wat hij allemaal geleerd heeft en wat hij allemaal kan, in HW en SV ontbreekt deze reden.
* In HW en ZM is de zoon al zestien jaar weg voordat hij wordt teruggeroepen, in SV drie jaar.
* In HW en ZM worden brieven naar de wijzen gestuurd met het verzoek om te komen. In HW meteen als de keizerin het vraagt. In ZM de volgende ochtend. In SV worden de volgende ochtend boden op pad gestuurd die het nieuws moeten brengen. In HW en ZM wordt erin vermeld dat ze op Pinksterdag moeten arriveren op straffe des doods, in SV niet.
De voorspelling in de sterren tot aan de paleisscène (SV, vs. 367- 420, ZM f. 2verso-f.3recto, HW
f. a6recto-f. a7verso)
* De akelige voorspelling die de wijzen in de sterren lezen. ZM en HW: het eerste woord dat het kind tegen zijn vader zal zeggen, zal zijn dood betekenen. In HW lezen ze ook in de sterren dat als ze het kind niet op de gezette tijd brengen dat hen dan allen het hoofd afgeslagen zal worden, in ZM bedenken ze dit zelf (wellicht door de informatie uit de brief). SV: wanneer de jongen het eerste woord tegen zijn vader zegt, zal zijn hart in tweeën breken. In HW en ZM wordt door een van de wijzen gezegd dat ze van twee kwaden het beste moeten kiezen en dat het beter is dat zij allen doodgaan dan dat de zoon van de keizer zijn leven verliest, in ZM is het duidelijk dat Cleophas deze worden spreekt, in HW is onbekend welke wijze aan het woord is. In HW wordt aangespoord naar de keizer te gaan, in ZM niet. In SV is het bovenstaande helemaal niet opgenomen. In alle drie de teksten ziet de jongen dat het om een periode van zeven dagen gaat dat hij moet zwijgen. In SV omdat hij anders zijn leven niet zal behouden, in HW en ZM omdat hij anders naar de galg zal worden geleid.
* In SV zegt de jongen dat God hem moet bijstaan, in HW en ZM hiervan geen gewag.
*In HW en ZM vertelt de jongen dat iedere meester hem een dag in leven moet houden en dat hij dan zelf op de achtste dag zal spreken en hen allen zal vrijpleiten, daarop danken de wijzen God omdat de jongen hen overtreft in wijsheid. In SV wordt deze gedachte van de jongen en de reactie van de meesters niet vermeld.
* In HW, ZM en SV bieden de meesters vervolgens aan hem elk een dag bij te staan. In SV spreken zij dit aanbod gezamenlijk uit. In HW en ZM doen ze dit een voor een. In ZM wordt de eerste meester bij naam genoemd, in HW de eerste twee.
* In HW en ZM wordt beschreven welke kleren de jongen worden aangetrokken op de dag van vertrek: purperen kleren en in ZM ook nog de toevoeging van zijde. Hiervan geen gewag in SV.
* In HW zitten de meesters en de zoon op hun ‘tollenaer’, in ZM op hun mooie paarden. In HW wordt vermeld dat ze een eerlijk gemoed hebben en in ZM dat ze volwaardige rijders zijn. Van beide zaken in SV geen gewag.
* In SV rijden de meesters achter de jongen aan, in HW en ZM rijden ze aanvankelijk samen, halverwege rijden de meesters echter vooruit. In ZM met de reden dat ze zo het beste het leven van de zoon kunnen bewaren, die zegt dat hij daarmee akkoord gaat. In HW ook eerder genoemde reden, maar ook omdat ze moeten overleggen wat een ieder zeggen zal. Ook in HW stemt de zoon er mee in.
* In ZM wordt vermeld dat het kind nog gezelschap heeft als de meesters weggereden zijn, in HW niet. Voor SV is dit niet van toepassing: de meesters rijden daar immers achter de jongen aan.
* In HW en ZM rijdt de keizer hen tegemoet, in SV niet en dus komt de hierna beschreven scène in deze tekst niet voor. In HW en ZM vindt de eerste ontmoeting tussen vader en zoon plaats op het paard, waarbij vader zijn zoon omhelst, zoon het hoofd buigt en niet spreekt, vader zich hierover verwondert en vervolgens denkt dat de meesters hem hebben geleerd dat spreken tijdens het rijden niet mag. In ZM kust vader zoon ook op de mond, in HW wordt hier geen melding van gemaakt.
De paleisscène tot aan de scène waarin de koningin begint te schreeuwen dat ze verkracht is (SV, vs. 421-504, ZM f. 3recto-f. 3verso, HW f. a7verso-f. a8verso)
* De paleisscène. In HW en ZM vraagt de keizer: wat hebben de wijzen je geleerd, ik heb je lang niet gezien. In HW vraagt hij ook hoe het met zijn meesters is, in ZM niet. In SV heet hij zijn zoon eerst welkom (in deze tekst ziet hij hem immers nu pas voor het eerst), vervolgens zegt hij dat hij van niemand zoveel houdt als van hem. Deze confessie ontbreekt in HW en ZM.
* In ZM wordt de keizer boos als hij merkt dat zijn zoon niet tegen hem spreekt, in SV wordt hij droevig en in HW wordt er niets over vermeld.
* Als de keizerin zijn komst vernomen heeft, is ze in ZM blij omdat hij stom geworden is, hoewel hij vroeger een waardig jongeman was. In HW is ze blij omdat de zoon zijn vader niet toespreekt. In SV is zij er niet rouwig om als ze verneemt dat hij zijn spraak verloren heeft.
* In HW maakt ze zich eerst op, voordat ze naar de keizer en zijn zoon gaat, In SV en ZM hiervan geen gewag.
* In HW neemt ze twee kamermeisjes mee, in ZM en SV niet.
* In SV zegt de keizerin meteen dat de keizer niet ongerust hoeft te zijn, zij zal zijn zoon wel laten spreken. In HW en ZM vraagt ze eerst of ze zijn zoon voor zich heeft. In HW antwoordt de keizer bevestigend en voegt toe dat hij niet spreekt. In ZM bevestigend en voegt hij toe: maar hij spreekt niet tegen mij. Pas dan zegt de keizerin dat zij zijn zoon zal laten spreken.
* In SV hebben de woorden die de keizerin tegen de keizer spreekt en zijn bevel hem mee te nemen ook een erotische lading, in HW en ZM niet.
* In HW en ZM buigt de zoon na het bevel van zijn vader ten teken hem te gehoorzamen, in SV niet.
* In HW en in ZM gaan ze naar haar kamer, in SV naar een kamer. In HW moet ze haar gevolg wegsturen, in ZM haar jonkvrouwen, in SV zijn ze direct met zijn tweetjes.
* De verleidingsscène. In HW vangt de keizerin aan met: ‘lieve Dioclesianus’, in ZM en SV niet. Vervolgens zegt ze in HW en ZM dat ze veel over zijn schoonheid gehoord heeft, in ZM ziet ze dat de geruchten waar zijn, in HW is ze heel blij dat ze nu met eigen ogen ziet wie ze met haar ziel liefheeft. In SV geen gewag over zijn schoonheid. In alle drie de teksten zegt ze dat ze haar maagdelijkheid voor hem bewaard heeft, in HW en ZM daarbij de toevoeging dat ze zijn vader hem heeft laten roepen omdat ze zijn gezelschap wil, in SV niet. In SV is ze een relatie met zijn vader begonnen om plezier met zijn zoon te kunnen beleven, in HW en ZM hiervan geen gewag. In ZM de toevoeging dat zij hem haar maagdelijkheid wil geven, in SV en HW niet. In SV heeft zij hem al zo lang lief en kijkt ze naar eigen zeggen al heel lang uit naar een geheim plekje waar ze plezier met elkaar kunnen hebben, in HW en ZM zegt ze dit niet.
* In SV slaat ze haar armen om zijn hals en wil ze hem kussen, maar wendt hij zijn hoofd af. Ook in ZM en HW tracht ze hem te zoenen en wendt hij zijn gezicht af, maar daar gaan er eerst nog verleidende woorden aan vooraf, die ontbreken in SV. In HW: ‘laat ons samen naar bed gaan’ en in ZM: ‘spreek mij zoetelijk aan, wij zullen veel plezier aan elkaar beleven’ Als Dioclesianus niet antwoordt, vraagt de keizerin waarom hij niet spreekt en zegt ze alles te doen wat hij van haar verlangt. In HW met de toevoeging dat hij de helft van haar ziel is, hiervan geen gewag in ZM.
* Na het afgewende hoofd, geeft de keizerin in SV haar verleidingspogingen op. In HW en ZM niet. Daar vraagt ze waarom hij zijn gezicht afwendt: niemand kan hen hier zien. Ze herhaalt dat ze haar maagdelijkheid bewaard heeft en laat haar borsten en naakte lichaam (In HW nadere omschrijving: ze zijn wit en schoon) zien en roept uit: ‘je mag met me doen wat je wilt’. In ZM verwondert het haar dat hij geen zin in haar heeft, deze verbazing ontbreekt in HW. In HW smeekt ze hem nog eens om een pleziertje omdat het anders slecht met haar zal aflopen. Dit ontbreekt in ZM.
* In HW en ZM geeft ze hem vervolgens inkt en een pen om hem te laten schrijven of zij ooit zijn liefde hebben zal. In HW schrijft hij op perkament, in ZM schrijft hij op papier. (Belangrijk: in HW is het perkament door papier vervangen wanneer de jongen kan spreken en vertelt hoe de keizerin hem trachtte te verleiden). In HW wil hij de boomgaard van zijn vader geen geweld aandoen en vraagt hij zich af wat daar voor hem het voordeel van zou zijn. In ZM wil hij het rozentuintje van zijn vader niet bevlekken en vraagt hij zich af welke wijsheid of eer hij ervan zou hebben. Beide brieven eindigen met de mededeling dat hij God niet wil vertoornen.
* ZM, HW en SV hebben nu weer dezelfde verhaaldraad: gesimuleerde poging tot verkrachting. In SV schaamt ze zich dat ze zo