| De Zeven Meesteren van Rome. Onderzoekingen over een Middelnederlandse prozavertaling van de Historia Septem Sapientum. (Niels Evers) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
1. Het zeven wijzen-verhaal
Op de omslag van deze bijdrage is het slottafereel te zien van het in de late middeleeuwen veel gelezen en gehoorde verhaal over de zeven wijzen uit Rome.[1] Deze geschiedenis rekent men tot het genre van de raamvertelling. Er wordt verondersteld dat zij van invloed is geweest op het ontstaan van Boccacio’s Decamerone.[2] Hoewel er in Europa diverse versies van dit verhaal gecirculeerd hebben in de loop der tijd, is het kaderverhaal in de verschillende versies inhoudelijk meestal vrijwel onveranderd gebleven. De op het prentje afgebeelde karakters zijn hierin de hoofdpersonen. De zeven figuren links stellen de zeven wijzen voor. Op de troon zit de keizer van een groot rijk. Aan zijn rechterzijde staat zijn huidige vrouw. Het kereltje aan zijn linkerzijde is zijn enige zoon, geboren uit een eerder huwelijk.
Het kaderverhaal laat zich als volgt samenvatten. De zoon van de Romeinse keizer wordt na het overlijden van zijn moeder op een plaats buiten de stad opgeleid door de zeven wijste en geleerdste mannen van het rijk. De keizer hertrouwt en zijn tweede huwelijk blijft kinderloos. De nieuwe keizerin vat het plan op om haar stiefzoon te doden en laat hem daarom naar het paleis ontbieden. Door de sterren te raadplegen komen de prins en zijn leermeesters te weten dat de jongen de eerste zeven dagen na zijn thuiskomst niet mag spreken. Doet hij dit toch, dan zal hij sterven. De wijzen beloven gedurende deze eerste week namens hem het woord te voeren. Als de jongen eenmaal in het paleis is aangekomen, probeert de stiefmoeder de prins te verleiden en als hij haar afwijst, zet zij een poging tot verkrachting in scène.
De keizer gelooft haar en veroordeelt de prins onmiddellijk ter dood. Raadslieden weten hem ervan te overtuigen de executie uit te stellen. De keizerin laat dit niet over haar kant gaan en past een nieuwe tactiek toe: zij vertelt een exempel dat de keizer ervan dient te overtuigen dat de prins er op uit is zijn vader te overvleugelen en naar de ondergang te voeren. Het exempel mist zijn uitwerking niet: de volgende dag geeft de keizer het bevel zijn zoon te doden. De eerste wijze snelt de zwijgende terdoodveroordeelde te hulp: hij vertelt een exempel om de keizer ervan te doordringen dat wanneer hij geloof hecht aan de woorden van zijn vrouw hem niets dan spijt en ongeluk te wachten staat. De keizer trekt zijn vonnis in. Een verbale strijd tussen de keizerin en de zes andere wijzen volgt: zij vertelt nog zes verhalen om haar man te overtuigen zijn zoon te doden, de leermeesters vertellen ieder één exempel om de executie uit te stellen tot duidelijk bewijs van schuld verkregen is. Op de achtste dag spreekt de prins zijn eigen verdediging en overtuigt zijn vader van zijn onschuld. De keizerin wordt ter dood gebracht.[3]
2. Onderwerpskeuze
Er zijn twee handschriften bekend waarin Middelnederlandse zeven wijzen-verhalen zijn overgeleverd. Het ‘Cheltenhamse’ handschrift bevat een zeven wijzen-verstekst die sinds de editie van Stallaert Van den VII vroeden van binnen Rome wordt genoemd.[4] Het andere - veel minder bekende - manuscript dat bewaard wordt in de Staatsbibliotheek van Berlijn bevat een zeven wijzen-prozatekst.[5] Ik heb deze voorheen naamloze tekst een titel verleend. In mijn bijdrage duid ik hem aan met De zeven meesteren van Rome. Hij vormt het centrale onderzoeksobject van deze studie. Het manuscript waarin deze tekst is overgeleverd, noem ik in het vervolg: het Berlijnse handschrift.
In mijn scriptie verdiep ik me in het schrijversschap van de auteur van De zeven meesteren van Rome. De hoofdstukken 4 en 5 zijn gewijd aan de wijze waarop hij de Historia Septem Sapientum, de bekendste Latijnse versie van het zeven wijzen-verhaal, heeft bezorgd.[6] In hoofdstuk 4 geef ik een beschrijving van zijn vertaaltechniek en in hoofdstuk 5 worden zijn opvallendste bewerkingstendensen uiteengezet. Ik wil de Middelnederlandse auteur niet verantwoordelijk houden voor onzorgvuldigheden die de afschrijver moeten worden aangerekend. Daarom heb ik in hoofdstuk 3 eerst beschreven welke gedeelten van het verhaal in het Berlijnse handschrift mijns inziens corrupt zijn. In hoofdstuk 6 probeer ik De zeven meesteren van Rome in zijn literair-historische context te plaatsen. Maar eerst zet ik in hoofdstuk 2 de ontstaansgeschiedenis en de verspreiding van het zeven wijzen-verhaal uiteen. Zo wordt duidelijk waar De zeven meesteren van Rome zich in de wijd verbreide Zeven Wijzen-traditie bevindt.
3. Verantwoording
Ik citeer in mijn scriptie zeer regelmatig uit De zeven meesteren van Rome. Deze citaten heb ik stilzwijgend aan hedendaagse conventies aangepast. Zij zijn van moderne interpunctie voorzien en ook het gebruik van hoofdletters is aangepast aan de moderne normen. Bovendien heb ik in de voorkomende gevallen de letters i / j en u / v / w op de huidige spelling afgestemd. Onder de citaten is tussen ronde haken hun vindplaats vermeld. Mijn bron vormde De zeven meesteren van Rome zoals overgeleverd in het Berlijnse handschrift.[7] Ik geef achtereenvolgens aan op welk folio, op welke zijde van het blad en in welke kolom van dit manuscript de betreffende lezing te vinden is. Tenslotte heb ik bovendien het (de) regelnummer(s) van elk citaat vermeld.
In mijn bijdrage vindt men ook veel citaten uit de Historia Septem Sapientum. Deze Latijnse versie heeft Roth in vier subversies onderverdeeld en in een editie bezorgd. De door mij aangehaalde Latijnse passages zijn altijd afkomstig uit de basistekst die hij van subversie II vervaardigd heeft. Deze basistekst is te vinden in dl. 1, p. 231-481 van zijn editie.[8] In hoofdstuk 3 paragraaf 2 ga ik dieper in op de keuze voor juist deze grondtekst.
De door Roth gehanteerde regelnummering heb ik overgenomen. Dit houdt in dat bij de beginregel van ieder exempel opnieuw begonnen wordt met tellen. Naar Duitse gewoonte geeft Roth de v in Latijnse woorden met een u weer. In dergelijke gevallen heb ik de u’s stilzwijgend in v’s veranderd. Zeer sporadisch heb ik de door Roth aangebrachte interpunctie evenzo stilzwijgend aangepast.
Ter wille van de leesbaarheid heb ik van de Latijnse citaten een werkvertaling gemaakt. Deze vertalingen zijn onder de citaten weergegeven. Soms zijn bepaalde woorden in een Latijns citaat gecursiveerd om het voorbeeld te verduidelijken. De equivalente woorden in de werkvertaling zijn dan ook gecursiveerd.
1. Inleiding
Dit hoofdstuk behandelt het ontstaan, de ontwikkeling en de verspreiding van de Europese Zeven Wijzen-traditie. In paragraaf 2 komt de Oosterse traditie aan de orde die zeer waarschijnlijk aan de wieg van de Westerse Zeven Wijzen-traditie stond en wordt ontvouwen hoe zij mogelijk voet aan de grond kreeg in Europa. Vervolgens wordt in paragraaf 3 uiteengezet dat er maar liefst acht versies van het verhaal over de zeven wijzen in Frankrijk zijn ontstaan en dat enkele van deze versies zich in de loop van de 13e eeuw over Europa hebben verspreid. Na deze uiteenzetting sta ik langer stil bij de Nederlandstalige Zeven Wijzen-traditie (paragraaf 4). Ik rond dit hoofdstuk af met een stand van zaken in het Zeven Wijzen-onderzoek (paragraaf 5).
2. De herkomst van de Zeven Wijzen-traditie: het Boek van Sindībad
2.1 Het Boek van Sindībad als bron voor de Zeven Wijzen
Er wordt verondersteld dat het verhaal over de zeven wijzen afstamt van een Oosterse traditie die bekend staat onder de naam Boek van Sindībad.[9] Deze Oosterse traditie vertoont namelijk veel overeenkomst met de Westerse verhaalstof. Zo behoren de verhalen van beide tradities tot het genre van de raamvertelling. Ook inhoudelijk vertonen ze parallellen. In de kaderverhalen van zowel de Oosterse als de Westerse traditie wordt de prins na het overlijden van zijn moeder in afzondering van zijn vader, de keizer, opgevoed. Wanneer hij naar huis terugkeert, is hij op de hoogte van de profetie dat hij zal sterven als hij niet een aantal dagen zwijgt. Pa is woedend als hij bemerkt dat zijn zoon doofstom geworden is. Vervolgens wordt de zoon door zijn vaders vrouw valselijk van aanranding beschuldigd en kan hij zich niet verdedigen omdat hij niet mag spreken. Vanwege deze beschuldiging wordt hij veroordeeld, maar zijn verdedigers weten zijn dood steeds een dag uit te stellen door een exempel te vertellen. Uiteindelijk kent het verhaal een goede afloop omdat de waarheid aan het licht komt
als de prins na de tijd van verplicht zwijgen begint te spreken.[10] Bovendien bevatten de meeste Oosterse en Westerse versies vier dezelfde exempelen: Canis, Aper, Senescalcus en Avis.[11]
De mogelijkheid dat de Westerse traditie onafhankelijk van de Oosterse ontstaan zou zijn, is in het onderzoek nooit uitgediept. In dit geval zou de gelijkenis tussen de Oosterse en Westerse versies louter op toeval berusten.[12]
2.2 De verbreiding van het Boek van Sindībad
Van de Oosterse traditie zijn acht versies bewaard gebleven die gemaakt werden tussen de 10e en de 14e eeuw in landen die grenzen aan de oostelijke oevers van de Middellandse Zee. Traditioneel wordt de Syrische Sindban als de oudst overgeleverde versie van het Boek van Sindībad beschouwd.[13] In de 11e eeuw vormde de Sindban de bron voor de Griekse Syntipas. Laatstgenoemde versie is volgens zijn proloog door Michael Andreopulus op schrift gesteld.[14] Aan het eind van de 12e eeuw vervaardigde As-Samarquandi een Perzische versie in proza. Rond 1300 en in 1375 verschenen twee andere Perzische versies, respectievelijk Nachhebî’s Tuti-nameb en Sindibad-nameb. Tenslotte zijn er representanten uit de 13e en 14e eeuw bewaard gebleven van een Oudspaanse versie, de Libro de los Engannos, een Hebreeuwse versie, de Mischle Sendebar en een Arabische versie, de Seven Vezirs.[15]
Kellers theorie over de oorsprong van het Boek van Sindībad wordt nog steeds als de meest waarschijnlijke beschouwd.[16] Hij veronderstelt dat het Boek van Sindībad van Indiase origine is omdat enkele middeleeuwse kronieken dat vermelden, bijvoorbeeld de 10e-eeuwse kroniek van de Arabische historicus El –Mas’ oūdī.[17]
Keller combineert vervolgens de gegevens uit de kronieken met informatie uit de proloog van de Sindban om een hypothese over de verspreiding van het Boek van Sindībad op te kunnen stellen. In deze proloog wordt beschreven dat het werk van de Arabier Mousos ten grondslag lag aan de Sindban en dat Mousos’ tekst weer een bewerking is van een Perzische mythographos. Deze twee gegevens verleiden Keller tot de volgende gedachte: het Boek van Sindībad verbreidde zich vanuit India via Perzië naar Arabië.[18]
Dit idee vindt veel weerklank.[19] Er wordt getracht hem een steviger fundament te verlenen. In de eerste plaats worden er meer argumenten gegeven die de gedachte dat er een Indiaas origineel bestaan heeft, ondersteunen. Deze argumentatie valt in drie categorieën uiteen. Ten eerste worden andere bronnen van middeleeuwse Arabische historici gevonden waaruit kan worden opgemaakt dat het Boek van Sindībad uit India afkomstig is.[20] Ten tweede wordt er gezocht naar overeenkomsten tussen het Boek van Sindībad en literatuur waarvan de Indiase oorsprong niet aan twijfel onderhevig is. Er worden bijvoorbeeld parallellen tussen het Boek van Sindībad en de Indiase verhalenverzamelingen, Kunāla en Açoka en Pancha Tantra geconstateerd.[21] Ten derde heeft het Boek van Sindībad eigenschappen die mogelijk getuigen van een Indiase oorsprong. Zo is bijvoorbeeld een raamvertelling een typisch Indiase verhaalvorm.[22]
In de tweede plaats wordt in het moderne onderzoek het volgende onderdeel van Kellers theorie, het idee dat het Boek van Sindībad vanuit India via Perzië Arabië bereikte, beter onderbouwd. Men legt een verband tussen het Boek van Sindībad en de Pancha Tantra waarvan de reis naar het westen wel goed gedocumenteerd is. Het laatstgenoemde verhaal werd in de 3e eeuw vervaardigd in het Sanskriet, in de 6e eeuw vertaald in het Pahlavi en in de 8e eeuw in het Arabisch. De reis van deze bundel beschouwt men als prototypisch voor de ontwikkeling van het Boek van Sindībad: men veronderstelt dat deze traditie hetzelfde traject gevolgd heeft.[23]
Door de afwezigheid van Indiase en Arabische tekstgetuigen van het Boek van Sindībad zijn er ook stemmen opgegaan om Kellers theorie te verwerpen. Zo is wel eens betoogd dat de Zeven Wijzen van Athene de inspiratiebron voor het Boek van Sindībad waren of dat het Boek van Sindībad oorspronkelijk in Perzië ontstaan is.[24] Dergelijke onorthodoxe ideeën hebben nooit echt voet aan de grond gekregen. Daarom is voorlopig de theorie dat het Boek van Sindībad zich vanuit India via Perzië naar Arabië verspreidde nog steeds gangbaar.
2.3 Transmissie naar het westen
Er valt slechts te speculeren over de wijze waarop het Boek van Sindībad het Westen bereikte en in de Zeven Wijzen veranderde. Pas wanneer er door een gelukkig toeval nieuwe Oriëntaalse redacties aan het licht komen, zal er misschien met meer zekerheid en precisie over de relatie tussen de Oosterse en de Westerse traditie kunnen worden gesproken.
Degenen die geloven dat het verhaal aanvankelijk een mondelinge overlevering kende, wijzen op de contrasten tussen het Boek van Sindībad en de Zeven Wijzen. Deze verschillen zouden enkel te verklaren zijn door te veronderstellen dat de Oosterse traditie eerst enige tijd in het orale circuit gefunctioneerd zou hebben.[25]
Zij die geloven dat een schriftelijke bron het intermediair tussen het Boek van Sindībad en de Zeven Wijzen vormt, verschillen van mening over welke Oosterse versie als origineel fungeerde. Paris bijvoorbeeld beschouwt de Griekse Syntipas als de brug tussen het Oosten en het Westen. Hij veronderstelt dat deze versie een compleet nieuwe gedaante verkreeg in het Byzantijnse Rijk. Vervolgens zou een tekstgetuige van deze Byzantijnse versie Italië bereikt hebben en aldaar herschreven zijn. Deze niet bewaard gebleven Italiaanse versie zou heel veel overeenkomsten met de bestaande Westerse versies vertonen.[26] Anderen zien in de Mischle Sendebar het intermediair van het Oosten naar het Westen omdat enkele bijzondere kenmerken van de Westerse versies ook in deze Hebreeuwse versie te vinden zijn. Zo krijgen de wijzen bijvoorbeeld een naam en is er tussen hen onderlinge rivaliteit wie de prins mag opvoeden.[27]
Men vermoedt dat de Oriëntaalse traditie Europa niet voor de 10e eeuw bereikt heeft. In het algemeen wordt aangenomen dat zij in ieder geval ook niet na 1150 in het Westen
arriveerde.[28] Zowel de aanhangers van een schriftelijke als van een mondelinge overlevering zien in rondreizende joden, kooplieden, kruisvaarders of jongleurs de personen die mogelijk voor de transmissie hebben gezorgd.[29]
3 De Zeven Wijzen in Europa
3.1 Inleiding
Campbell telt in zijn klassiek geworden studie meer dan tweehonderd handschriften en ongeveer tweehonderdvijftig drukken met het zeven wijzen-verhaal in bijna alle Europese talen.[30] Zevenenzeventig jaar later constateren Runte, Wikeley en Farrell in de inleiding van hun analytische bibliografie over de Zeven Wijzen dat deze aantallen aan de lage kant zijn.[31] Aan hun literatuurlijst worden voortdurend eerder vergeten studies, nieuwe publicaties en ook recent ontdekte teksten met het zeven wijzen-verhaal toegevoegd in een digitale bibliografie.[32] Wie de moeite neemt al de handschriften en drukken met daarin het zeven wijzen-verhaal in de papieren bibliografie en in haar digitale aanvulling te tellen, kan inderdaad niet anders dan concluderen dat Campbells telling volkomen achterhaald is. Het aantal overgeleverde Europese teksten is bijna verdubbeld. Over hoe deze teksten zich tot elkaar verhouden is heel veel onbekend. Hun ontstaansdata en hun onderlinge relaties zijn bijvoorbeeld lang niet altijd duidelijk. Toch is het wel mogelijk globaal de verspreiding van de Zeven Wijzen-traditie over Europa weer te geven.
3.2 Frankrijk als bakermat
De oudste handschriften met het zeven wijzen-verhaal zijn uit Frankrijk afkomstig. Bovendien heeft de Franstalige Zeven Wijzen-traditie bijna alle versies voortgebracht en oefende zij de meeste invloed uit in de rest van Europa.[33] In bijlage 1 staat een overzicht van de verschillende versies en de daarin opgenomen exempelen. Op basis van unieke kenmerken zijn de Franstalige teksten in het huidige onderzoek in zes versies onderverdeeld: K, C, D, L, A en M. Deze zes kapitalen zijn ontleend aan het onderzoek van Paris. Hij bracht de hem bekende Franstalige teksten onder in versies die hij L, A en M noemt. Hij hield drie Oudfranse teksten over die niet tot L, A of M gerekend kunnen worden en ook niet samen één andere versie vertegenwoordigen. Hen noemt hij K, C en D. [34] Sinds de studie van Campbell is het gemeengoed geworden dat K, C en D versies op zichzelf vormen.[35] Omdat K, C en D ook nu nog door één tekstgetuige vertegenwoordigd worden, heb ik er in navolging van Speer voor gekozen de hoofdletters van deze versies cursief weer te geven.[36] In de onderstaande alinea geef ik een korte beschrijving van de zes Franstalige versies. Per versie geef ik aan hoeveel representanten er inmiddels van zijn opgedoken en behandel ik enkele specifieke kenmerken.
Er bestaat slechts één complete Franstalige tekst in rijmvorm. Hij is de enige representant van versie K. Deze versie onderscheidt zich onder andere van de overige versies door de naam en de afkomst van de keizer. Hij heet hier Vespasianus en is de zoon van Methusaleh. Bovendien speelt het kaderverhaal zich af in Constantinopel.[37] Daarnaast is er een tekst in Franse verzen die slechts gedeeltelijk is overgeleverd in een gehavend manuscript. Hij is de enige tekstgetuige van versie C.[38] Verder is er een prozatekst die sporen van rijm vertoont. Hij is de enige representant van versie D. Specifiek voor D is bijvoorbeeld dat de keizer Marcomeris wordt genoemd en dat hij de zoon van Priam is. Ook kent deze versie een unieke ontknoping: de keizerin tracht aan de dood te ontsnappen.[39] Versie L heeft zeven representanten. Zij verschilt van de andere versies door bijvoorbeeld het aantal exempelen: dertien in plaats van de gangbare vijftien. De zevende wijze vertelt hier namelijk geen verhaal en de keizerin één minder.[40] Inmiddels zijn er negenentwintig Franstalige teksten die tot versie A behoren, boven water gekomen.[41] Het unieke van deze versie is dat de keizer Dioclesianus heet en dat zijn zoon geen naam draagt.[42] Er zijn vijf Franse vervolgen bekend op A: Laurin, Cassidorus, Pelyarmenus, Helcanus en Kanor. Elk van deze teksten behandelt op eigen wijze hoe het de prins vergaat als hij eenmaal keizer geworden is.[43] Van versie M zijn tenminste vier vertegenwoordigers overgeleverd.[44] Zij verschilt onder andere van de overige versies door de naam van de prins. Hij heet hier Phisieus. Bovendien is er een nieuw personage ingevoerd: Marcus, de zoon van de wijze Craton.[45]
Paris behandelt de ontstaansgeschiedenis van de zes Franstalige versies. Zij ontstonden alle in de 13e eeuw.[46] K, C en D zijn varianten van een niet overgeleverd origineel in Franse verzen, V genaamd. Van oudsher werd V voor 1155 gedateerd, maar op basis van nieuw onderzoek stelt Speer vast dat zij in de periode 1155-1190 moet zijn ontstaan.[47] Versie A bestaat uit twee delen. Het eerste gedeelte vertoont duidelijk tekstuele overeenkomsten met L: beide kennen dezelfde exempelen in dezelfde volgorde. Het tweede gedeelte van A bestaat uit proza dat nog duidelijk tekenen van versificatie draagt en bovendien andere exempelen dan L bevat. Paris herleidt uit deze gegevens dat de auteur van A gebruik maakte van een incomplete tekst behorend tot L en het einde van zijn verhaal uit V putte. De auteur van M had volgens Paris een verminkt manuscript met daarin een tekst behorend tot A als bron. Waar zijn bron hem in de steek liet, voegde hij zelf verhalen in.[48] Hoewel deze genealogie in de loop der tijd is aangevuld en er een enkele maal andere ideeën over de relatie tussen de verschillende versies zijn geopperd, is Paris’ voorstel in hoofdlijnen nog steeds geaccepteerd.[49]
Naast de zes reeds besproken Oudfranse versies zijn er in Frankrijk ook een Latijnse versie van de Zeven Wijzen, bekend als versie S, en de Dolopathos, een aparte traditie die raakvlakken vertoont met de Zeven Wijzen, ontstaan. Er zijn twee representanten van versie S bewaard gebleven. Zij is een samenvatting van het Liber de Septem Sapientibus, dat omstreeks het midden van de 13e eeuw geschreven zou zijn en waarvan niet een exemplaar de tand des tijds heeft doorstaan. Kenmerkend voor versie S is dan ook haar beknoptheid. Zo worden veel onnodige details uit het raamverhaal weggelaten. Verder onderscheidt zij zich onder andere van de overige versies omdat de wijzen geen naam dragen en omdat de keizerin verdedigd wordt door een ridder op de dag dat zij veroordeeld wordt.[50] Er wordt verondersteld dat een verminkt manuscript met daarin een tekst behorend tot versie L de bron voor versie S geweest is.[51]
Volledigheidshalve besteed ik in het onderstaande enige aandacht aan de Dolopathos. Deze traditie vertoont enkele opmerkelijke gelijkenissen met de Zeven Wijzen met als gevolg dat haar ontstaansgeschiedenis met die traditie in verband wordt gebracht. De Dolopathos is een raamvertelling wier kaderverhaal parallellen heeft met dat van de Zeven Wijzen. Ten eerste bevat ook dit kaderverhaal het Potifar-motief: de prins heeft bij zijn terugkeer naar huis een spreekverbod dat hij ook niet overtreedt als hij door zijn vaders vrouw valselijk van aanranding wordt beschuldigd. Ten tweede worden hier evenzo zeven wijzen ten tonele gevoerd die ieder een dag de verdediging van de prins op zich nemen door een exempel te vertellen. Bovendien heeft de Dolopathos vier exempelen met de meeste versies van de Zeven Wijzen gemeenschappelijk: Canis, Aper, Inclusa en Puteus.[52]
Ondanks deze overeenkomsten vormt de Dolopathos toch een aparte traditie. Zij vertoont namelijk te veel unieke kenmerken. Ik geef hier een paar voorbeelden van. Ten eerste wordt de prins in deze traditie Lucianus genoemd. Ten tweede is zijn vader, Dolopathos, de koning van Sicilië. Ten derde wordt het kaderverhaal in de Dolopathos na de redding van het leven van de prins voortgezet met een beschrijving van diens bekering tot het Christendom. Hierdoor beslaat de raamvertelling ongeveer de helft van het werk, met als gevolg dat haar primaire functie niet langer het omlijsten van een groot aantal exempelen is. Daarenboven wordt de prins gedurende zeven jaar opgeleid door een leermeester, de astroloog Virgilius, en niet door zeven wijzen samen. Ten slotte worden er in de Dolopathos enkel exempelen door de zeven wijzen en Virgilius verteld en niet door de stiefmoeder en de prins, waardoor de Dolopathos slechts acht exempelen bevat.[53]
De vroegst bekende vertegenwoordiger van de Dolopathos-traditie, de Dolopathos sive Historia de rege et septem sapientibus getiteld, is waarschijnlijk tussen 1184 en 1212 op schrift gesteld door de cisterciënzer monnik Johannes de Alta Silva.[54] Er wordt verondersteld dat Johannes bij het schrijven van zijn boek een hem in het orale circuit ter ore gekomen versie van de Zeven Wijzen gebruikte.[55] Van Johannes’ tekst bestaan drie complete afschriften uit de 14e en 15e eeuw. In het eerste kwart van de 13e eeuw wordt de Latijnse Dolopathos bovendien tot een Oudfrans gedicht omgewerkt door Herbert. Deze Franse verstekst is in drie handschriften bewaard gebleven. Ook zijn er enkele fragmenten van 14e-eeuwse Duitse bewerking overgeleverd.[56] Omdat de Dolopathos-traditie los staat van de Zeven Wijzen-traditie, zoals de bovenstaande korte beschrijving toont, blijft zij in deze bijdrage verder buiten beschouwing.
3.3 Doorstroom naar de rest van Europa
De Oudfranse versies K, D, C, L en M en de Latijnse versie S spelen een te verwaarlozen rol bij de verspreiding van de Zeven Wijzen over Europa. Vermoedelijk zijn alleen versie L en S verbreid geweest buiten Frankrijk: er bestaat een representant van L in Catalaanse verzen in een manuscript uit de 14e eeuw en er is een Spaanse vertaling, behorend tot versie S, overgeleverd in een handschrift uit de vijftiende eeuw.[57] Deze zes versies zijn vooral van belang omdat zij - soms op min of meer indirecte wijze - hebben bijgedragen aan de totstandkoming van versie A. Zij vormt de schakel tussen Frankrijk en andere Europese landen. In de late 13e eeuw werd zij vertaald of bewerkt in het Middelengels, het Middelschots en het Italiaans.[58] Toen deze versie eenmaal het Kanaal had overgestoken, ontstond in het Engelse taalgebied een zeer rijkgeschakeerde eigen traditie van de Zeven Wijzen.[59] Bovendien zijn er vertalingen en bewerkingen van versie A uit de 14e eeuw in het Zweeds, het Welsh en het Middelnederlands bewaard gebleven.[60] De Middelnederlandse bewerking van versie A zal in de volgende paragraaf uitgebreider aan bod komen.[61]
Versie A vormde bovendien de bron voor twee compleet nieuwe versies: I en H. Versie I ontstond in de 14e eeuw en kent alleen vertegenwoordigers in het Italiaans. Een van haar unieke kenmerken is dat de volgorde waarin de keizerin en de wijzen exempelen vertellen is omgedraaid. In deze versie vertelt eerst een wijze een verhaal en dan pas de koningin. Bovendien vertelt de prins geen exempel.Versie I is in twee subversies te verdelen. Een karaktertrek van de eerste subversie is dat de prins Stefano wordt genoemd en dat de naam van de keizerin onbekend blijft. In de tweede subversie heet de prins Erasto en de koningin Aphrodisia.[62]
Van veel grotere importantie voor de verspreiding van de Zeven Wijzen-traditie over Europa is het ontstaan van versie H. Zij onderscheidt zich van de andere versies door de namen van de keizer en de prins. De eerste staat in deze versie bekend als Pontianus en de tweede als Diocletianus. Bovendien zijn de exempelen Senescalcus en Roma hier tot één verhaal samengesmeed, waardoor er een nieuw exempel kon worden ingevoegd, Amatores om het aantal exempelen weer op de gebruikelijke vijftien te brengen. Daarnaast is het exempel Vatinicium in versie H uitgebreid met een heel lang verhaal over de lotgevallen van het personage Alexander, dat bekend staat als Amici.[63] In maar liefst 72 handschriften en 11 drukken zijn Latijnse representanten van deze versie bewaard gebleven.[64] Bovendien werd deze oorspronkelijk Latijnse versie in de 14e tot en met de 17e eeuw bewerkt in het Duits, Nederlands, Frans, Spaans, Engels, Hongaars, Pools, Russisch, Deens, Zweeds, IJslands, Boheems, Armeens en Hebreeuws. Tot maar liefst de 19e eeuw blijven er volkstalige teksten verschijnen die tot deze versie te rekenen zijn.[65] De oudst bewaard gebleven vertegenwoordiger van H wordt in de Elzas gelokaliseerd. Omdat zij uit 1342 komt, vermoedt men dat H rond 1330 is ontstaan.[66]
Hoewel versie H de meest verbreide versie is geweest, zijn in het onderzoek met name haar Latijnse representanten lange tijd - volkomen onterecht - stiefmoederlijk behandeld. Mogelijk heeft Paris’ vernietigende oordeel over deze versie in vergelijking met de Oudfranse versies hierbij een rol gespeeld.[67] Tot 2004 was de editie Buchner uit 1889 de enige uitgave met een Latijnse representant van H.[68] De imposante studie van Roth heeft hier verandering in gebracht. Hij heeft niet alleen de overgeleverde Latijnse handschriften en drukken in kaart gebracht, maar hen tevens aan een vergelijkende analyse onderworpen waardoor hij ze in 4 subversies kon onderverdelen. Subversie I kenmerkt zich onder andere door een overvloed aan geestelijke uitleg. Zowel in het kaderverhaal als in de exempelen zijn moralisaties ingevoegd. Subversie II bevat geen moralisaties in de lopende tekst. In 9 van de 26 teksten die tot deze subversie gerekend worden, zijn aan het slot de Reductiones in een lange lijst verzameld, in de overige 17 ontbreekt de geestelijke uitleg in zijn geheel. Subversie III bevat wel weer Reductiones in de lopende tekst, maar zij zijn inhoudelijk zeer verschillend van subversie I. Subversie IV onderscheidt zich onder andere van de overige 3 subversies omdat enkele passages in deze versie ontbreken. Zo is bijvoorbeeld de scène waarin de keizerin haar stiefzoon een brief laat schrijven afwezig en ook de scène waarin de kinderen van Ludovicus moeten worden onthoofd om Alexander het leven te redden. Bovendien heet de keizer hier Dioclesianus en zijn zoon Pontianus.[69]
Roth heeft ook de relatie tussen de verschillende subversies onderzocht. Volgens hem is subversie IV het eerst ontstaan. Zij vertoont namelijk nog de meeste overeenkomsten met versie A. Zo heet de keizer bijvoorbeeld Dioclesianus en de prins Pontianus. Omdat de subversies I en II veel woordelijke overeenkomsten vertonen, gaan ze naar alle waarschijnlijkheid terug op een gemeenschappelijke bron. Deze bron is niet overgeleverd en Roth veronderstelt dat zij jonger is dan subversie IV. Zowel de bron van subversie I en II als het origineel van subversie IV zouden van dezelfde niet bewaard gebleven voorloper afstammen. Subversie III is gebaseerd op een handschrift uit subversie II dat geen verzameling Reductiones ter afsluiting bevatte.[70]
4. De Zeven Wijzen in de Lage Landen
4.1 Inleiding
In het voorafgaande zijn de verschillende versies van de Zeven Wijzen en hun specifieke karaktertrekken besproken en is ook beschreven dat de versies A en H vanuit Frankrijk aan hun opmars door Europa begonnen. In deze paragraaf sta ik langer stil bij de overgeleverde Nederlandse teksten die of tot versie A of tot versie H te rekenen zijn. Eerst bespreek ik echter twee bronnen waaruit de conclusie kan worden getrokken dat de Zeven Wijzen voor 1350 in ons taalgebied bekend was.
4.2 Indirect bewijs voor een vroege kennismaking
Er is een aanwijzing dat het zeven wijzen-verhaal al in de 13e eeuw in de Nederlanden circuleerde. Jacob van Maerlant kende deze geschiedenis en hij vond haar belangrijk genoeg om zijn publiek er voor te waarschuwen. In zijn Spiegel Historiael schrijft hij namelijk dat men zich niet met dit onware verhaal moet in laten:
Tien tiden leveden ghemeene
Die VII vroede van Athene
Maer noit en vandic, alsic gome,
Ghene VII vroede te Rome
Els dan die valsche faloerde
Veinset daer af eene boerde.[71]
Deze passage getuigt volgens Plomp van een 13e-eeuws handschrift met daarin een Middelnederlands zeven wijzen-verhaal.[72] Zo stellig wil ik zeker niet zijn: het behoort ook tot de mogelijkheden dat Maerlant het verhaal van bijvoorbeeld een rondtrekkende minstreel heeft gehoord of dat hij het in een Frans of Latijns manuscript heeft gelezen.
Ook in de ridderroman Seghelijn van Jeruzalem komt de Zeven Wijzen-traditie terug.[73] In deze roman die rond 1350 in Vlaanderen door een onbekende dichter aan het perkament werd toevertrouwd, worden de zeven wijzen van Rome namelijk als personages opgevoerd. Zij zijn hier de zonen van Seghelijn. Hij verwekte hen in de harem van de koning van Oliferne bij zeven jonkvrouwen in een week tijd.[74] Omdat het te toevallig zou zijn als de Vlaming de in de gehele Europese literatuur overgeleverde karakters zelf verzon, moet hij mijns inziens op de een of andere manier kennisgenomen hebben van de Zeven Wijzen-traditie. Overigens is deze haremstamboom niet in de Zeven Wijzen-traditie zelf te vinden en is het dus goed mogelijk dat de Vlaamse dichter haar wel zelf verzonnen heeft.
4.3 De Nederlandstalige teksten met het zeven wijzen-verhaal
4.3.1 Van den VII vroeden van binnen Rome
De enig bekende Middelnederlandse Zeven Wijzen-verstekst is uitgegeven door Stallaert.[75] Men vermoedt dat deze tekst een afschrift is en geen autograaf.[76] Hij bevat de unieke kenmerken van versie A: de keizer wordt Diocletianus genoemd en de prins en zijn stiefmoeder dragen geen naam. In het algemeen wordt het handschrift waarin dit gedicht is overgeleverd als 14e-eeuws beschouwd. [77] Hij is in een 17e-eeuwse convoluut bewaard gebleven dat het ‘Cheltenhamse’ handschrift genoemd wordt.[78]
4.3.2 De zeven meesteren van Rome
Deze prozatekst, in de volgende hoofdstukken het centrale onderzoeksobject, vertoont de kenmerken van versie H. De keizer heet namelijk Pontianus en de prins Diocletianus. Bovendien zijn de exempelen Senescalcus en Roma hier tot een verhaal samengesmeed, waardoor het exempel Amatores kon worden ingevoegd om het aantal exempelen weer op de gebruikelijke vijftien te brengen. Daarnaast is het exempel Vatinicium uitgebreid met het lange verhaal Amici. De prozatekst kan tot subversie II gerekend worden. Ten eerste omdat hij noch aan het slot, noch in de lopende tekst moralisaties bevat. Ten tweede omdat hij bovendien de passages waarin de prins de brief schrijft en de kinderen van Ludovicus onthoofd worden, verhaalt.
Slechts eenmaal, in 1940, is deze tekst aan een onderzoek onderworpen.[79] Het lukte Van Rijnbach toen niet het handschrift waarin De zeven meesteren van Rome zich bevindt precies te dateren.[80] Bovendien klaagt hij over de moeilijkheden die zich voordoen wanneer hij deze prozatekst met een Latijnse representant van versie H wil vergelijken: ‘Vergelijking met het Latijnse origineel is uitermate bezwaarlijk, daar er zoals reeds werd opgemerkt, vele hss. en incunabula bestaan, die echter moeilijk te bereiken zijn.’[81] Door de prachtstudie van Roth is er een einde aan dit probleem gekomen.[82] De vergelijking tussen De zeven meesteren van Rome met zijn Latijnse grondtekst, zal in de komende hoofdstukken ruimschoots aan de orde komen. Bovendien is er opnieuw een onderzoek naar de datering van het handschrift gedaan. Heydeck heeft geprobeerd de watermerken van het handschrift te identificeren, waar ook hij niet helemaal in geslaagd is.[83] Omdat zij niet precies herkend konden worden, vormen zij volgens Overgaauw geen doorslaggevend criterium voor de datering. Alleen in combinatie met een datering van het schrift wint de datering op grond van de watermerken dus aan gewicht. Biemans meent dat het schrift uit ongeveer 1470 dateert en dat de taal zowel Hollandse als IJsselstreek trekjes vertoont.[84] Waarschijnlijk is het Berlijnse handschrift met De zeven meesteren van Rome dan ook tussen 1470 en 1475 ontstaan.
4.3.3 De Nederlandstalige Zeven Wijzen-traditie in druk
Vanaf de late 15e tot en met de vroege 19e eeuw zijn bij verschillende drukkerijen Nederlandstalige boeken verschenen met het zeven wijzen-verhaal. Slechts een van deze drukken, de vroegst bekende te Gouda door Leeu uitgebrachte tekst uit 1479, is ooit in een wetenschappelijke uitgave verschenen.[85] Deze tekst, Die historie van die seven wijse mannen van Romen getiteld, behoort net als De zeven meesteren van Rome tot versie H en is ook onder te brengen bij subversie II omdat zij de onderscheidende kenmerken van die groep bezit.
In verschillende publicaties worden bibliografische overzichten van de Nederlandstalige Zeven Wijzen-traditie in druk gegeven.[86] Wanneer men hen naast elkaar legt, beseft men dat het hoog tijd is voor nieuw onderzoek naar deze traditie. In de eerste plaats omdat deze synopses tegenstrijdige informatie verschaffen. Zo wordt een druk soms in de ene bibliografie wel genoemd en ontbreekt hij in de andere zonder opgaaf van redenen. Ook de jaartallen en titelbeschrijvingen van de drukken wijken af in de verschillende bibliografieën zonder dat daarvoor een oorzaak wordt gegeven. In de tweede plaats zijn door recent onderzoek nieuwe drukken aan het licht gekomen.[87]
In deze scriptie heb ik het niet als mijn taak beschouwd bibliotheken af te struinen om jaartallen en titels te controleren of om nieuwe drukken te ontdekken. In het kader van een scriptieonderzoek is dat een te tijdrovende klus. Ik volsta hier dan ook met het geven van een lijst waarin alle in de bibliografieën voorkomende titelbeschrijvingen en jaartallen zijn opgenomen. Opdat men weet wie welke drukken noemt, zijn achter de titelbeschrijvingen kapitalen weergegeven die staan voor de verschillende auteurs van de bibliografieën. R is Runte e.a., VR Van Rijnbach, DE Debaene, BO Botermans, ST Stallaert en WI Te Winkel.
Lijst met Nederlandstalige drukken die het zeven wijzen-verhaal bevatten
1) Die historie van die seven wijse mannen van Romen. Gouda Gheraert Leeu, 1479. (R, VR, BO, DE, ST, WI)
2) Hier beghint die historie van die seven wijse mannen van Romen. Gouda c. 1480. (R, VR, BO, DE, ST, WI)
3) Die historie van die seven wijse mannen van Romen. Delft 1483. (R, VR, BO, DE, ST, MA, WI)
4) Die historie van die seven wijse mannen van Romen. Antwerpen: Nicolas de Leeu 1488. (R, ST. VR, BO, DE vinden het een Nederduitse redactie.)
5) Die historie van die seven wijse mannen van Romen. Delft 1490 (VR, BO, DE, WI)
6) Die historie van die seven wijse mannen van Romen. Delft 1493. (R, ST)
7) Die seven Exempels of Geschiedenis der seven wijsen van Rome. Delft: Hendrick Eckert van Homberch. c. 1498. (R, ST)
8) Die historie van die seven wijse mannen van Romen. Antwerpen c. 1510-1530. (BO, DE, VR niet zeker over Antwerpen)
9) Die historie van die seven wijse mannen van Romen. Antwerpen. geen datum. (R)
10) Een schoone ende genoechlijcke Historie van de seven Vroeden van Roomen. Amsterdam Wilhelm Janszoon. 1595. (R, VR, BO, DE, WI)
11) Die historie van die seven wijse mannen van Romen. Amsterdam 1640 (VR, BO)
12) Die historie van die seven wijse mannen van Romen. Amsterdam c. 1644 (R, WI,)
13) Die historie van die seven wijse mannen van Romen. Amsterdam 1719 (R, VR, WI)
14) Die historie van die seven wijse mannen van Romen. Amsterdam 1725 (R)
15) Een schoone ende genoegelijke Historie, Van De Seven Wijsen Van Romen. Amsterdam. Erven v.d Wed. v. Gysbrecht de Groot. 1725 (VR, BO, MA, WI)
16) Amsterdam 1747 (VR, DE).
17) Die historie van die seven wijse mannen van Romen. Amsterdam 1788 (R, WI)
18) Een schoone ende genoegelijke Historie, Van de Zeeven Wijzen Van Romen. Amsterdam Erve vander Putte. Amsterdam 1792 (VR, BO, MA.)
19) Amsterdam? 1801 (VR)
20) Een schoone ende genoegelijke Historie van de zeven Wijsen van Romen. H. Koene. 1819. (R, VR, BO, WI)
De nieuwe titels van Mateboer:
1) Een schoone ende genoegelijke Historie, Van de Zeeven Wijzen Van Romen. Amsterdam Erven vander Putte. geen jaartal.
2) Een Schoone ende genoegelijke Historie, Van De Seven Wijsen Van Romen. Amsterdam. Erven v.d Wed. v. Gysbrecht de Groot: Anthony van Dam. 1719
Volgens Botermans is de tekst uit de oudste druk - op enkele veranderingen in de spelling na - identiek met de andere Nederlandstalige teksten in drukvorm die hij heeft ingezien.[88] Als deze observatie juist is, behoren ook zij allemaal tot subversie II van versie H.[89]
4.3.4 De mysteries
Naast Van den VII vroeden van binnen Rome, De zeven meesteren van Rome en de vroege Nederlandstalige Zeven Wijzen-traditie in druk zijn er wellicht nog twee Middelnederlandse teksten met deze stof overgeleverd. Ik zinspeel hier niet op teksten die in bibliotheken verstopt liggen, maar op twee primaire bronnen die al eens in secundaire literatuur genoemd zijn. Ten eerste schrijft Stallaert in zijn inleiding op Van den VII Vroeden van binnen Rome dat Charles Aubertin ‘het bestaan van eene Vlaamsche bewerking van het Boek der Zeven Wijzen’ meldt.[90] Deze beschrijving is zo weinig specifiek dat moeilijk te herleiden is of er een reeds besproken tekst mee wordt aangeduid. Het is alleen zeer onwaarschijnlijk dat met de ‘Vlaamsche bewerking’ De zeven meesteren van Rome wordt bedoeld. Deze is namelijk niet in een Vlaams, maar in een Oostelijk dialect geschreven.[91] Maar misschien is de ‘Vlaamsche bewerking’ wel dezelfde tekst als Van den VII vroeden van binnen Rome of wordt er een van de drukken mee bedoeld die ik heb weergegeven in paragraaf 3.2.3.[92] Het behoort echter tevens tot de mogelijkheden dat met deze omschrijving een tekst wordt aangestipt die in het bovenstaande nog niet aan bod gekomen is. De identificatie wordt ernstig bemoeilijkt omdat Stallaert verzuimd heeft aan te geven waar hij Aubertins opmerking vandaan heeft.[93] In Aubertins Histoire de la langue et de la littérature française au moyen-âge heb ik geen informatie over de mysterieuze ‘Vlaamsche bewerking’ kunnen vinden.[94] Na het doorspitten van deze literatuurgeschiedenis heb ik mijn research gestaakt. Ik heb dus niet kunnen achterhalen of deze bewerking daadwerkelijk bestaat, laat staan of zij een reeds bekende Middelnederlandse tekstgetuige van De Zeven Wijzen-traditie is.
Ten tweede is in de catalogus van de bibliotheek van Serrure een beschrijving opgenomen van een Middelnederlandse zeven wijzen-tekst. Zij geeft kenmerken weer die zowel Van den VII vroeden van binnen Rome als De zeven meesteren van Rome missen: ‘Le Roman de l’empereur Dioclétien, en prose flamande. Manuscrit sur papier de la fin du XVe siècle, cartonné. Le texte en prose de ce Ms. porte en plusieurs endroits les traces d’une versfication ancienne et offre ainsi un intérêt considérable pour l’histoire littéraire du moyen-âge’.[95] Van den VII vroeden van binnen Rome valt meteen af: hij is op rijm en niet in proza geschreven. De zeven meesteren van Rome bevat geen sporen van een vroegere versificatie en in deze tekst heet de keizer Pontianus.
Ondanks deze twee verschillen beargumenteert Van Rijnbach dat de Franse beschrijving op de laatstgenoemde tekst van toepassing is.[96] Mijns inziens kunnen juist deze contrasten er echter op wijzen dat er naast De zeven wijzen van Rome nog een zeven wijzen-prozatekst in een handschrift uit de 15e eeuw is overgeleverd. Mogelijk is hij verwant aan Van den VII vroeden van binnen Rome. In deze rijmtekst heet de keizer namelijk wel Dioclesien. Bovendien zou in dit geval ook begrijpelijk zijn waarom de tekst uit Serrures bibliotheek rijmsporen bevat: zij is dan een omwerking van een gedicht.[97]
Aan de voornoemde mysteries kan een derde worden toegevoegd. In 1621 verschijnt in Antwerpen een lijst met boeken die op scholen verboden moeten worden, opgesteld in zowel het Latijn als het Vlaams door de bisschop Joannes Malderus. Op deze index staat ook een boek met het zeven wijzen-verhaal. Hij behoort tot de groep boeken die totdat bepaalde passages uit de tekst verwijderd zijn uit de scholen verbannen moeten worden.[98] Malderus geeft een beschrijving van de tekstgedeelten die hem niet geschikt lijken voor scholieren. Zo moeten bijvoorbeeld de scène waarin de koningin zich poedelnaakt aan de prins vertoont en de passage waarin sodomie voorkomt worden geschrapt. Echter, in geen mij bekende versie van de Zeven Wijzen komen deze scènes voor. In versie H probeert de keizerin haar stiefzoon wel te verleiden door hem haar blanke borsten te laten zien, maar gaat ze niet helemaal uit de kleren. En in versie A is er een koning die ‘sodomite’ is, maar hij wordt niet al praktiserend beschreven.[99] Malderus heeft dus of deze twee versies door elkaar gehaald en bovendien sterk aangedikt of er heeft in de 17e eeuw een versie van de Zeven Wijzen in Vlaanderen gecirculeerd waarvan geen enkel exemplaar meer aan ons bekend is.
5 Stand van Zaken
5.1 Nationaal
De Zeven Wijzen-traditie is erg verwaarloosd in de Neerlandistiek. De uitgaven van Van den VII vroeden van binnen Rome en Die historie van die seven wijse mannen van Romen verschenen reeds in de 19e eeuw. Het onderzoek zal een enorme stap voorwaarts kunnen maken als deze teksten worden uitgebracht in edities die aan moderne wetenschappelijke maatstaven voldoen.[100] Ook de twee grootste en meest relevante Nederlandse studies van Plomp en Botermans over deze traditie zijn inmiddels erg verouderd.[101]
Na het werk van Plomp werd in de 20e eeuw pas vanaf de jaren tachtig weer belangstelling voor Van den VII vroeden van binnen Rome getoond. In enkele publicaties worden terloopse opmerkingen over deze tekst gemaakt.[102] Aan de Nederlandstalige Zeven Wijzen-traditie in druk is nog minder aandacht besteed.[103] De zeven meesteren van Rome is er het meest bekaaid van af gekomen. Na het verkennende onderzoek van Van Rijnbach is hij nooit meer bestudeerd.[104] Bovenstaande stiefmoederlijke behandeling van De Zeven Wijzen-traditie heeft er mogelijk voor gezorgd dat zij zelfs uit de literatuurgeschiedenissen verdwenen is.[105]
Ik hoop dat mijn bijdrage het onderzoek naar de Nederlandstalige overlevering van de Zeven Wijzen-traditie nieuw leven in zal blazen. Wellicht biedt dit hoofdstuk daarbij een goed aanknopingspunt. In bijlage 4 heb ik bovendien een doorlopende vergelijking tussen Van den VII vroeden van binnen Rome, De zeven meesteren van Rome en Die historie van die seven wijse mannen van Romen opgenomen. Deze vergelijking vormt een heel handig instrumentarium voor toekomstig onderzoek naar de Nederlandstalige Zeven Wijzen-traditie.
Men zou bijvoorbeeld kunnen bestuderen waarom het zeven wijzen-verhaal eeuwenlang zo populair geweest is in De Nederlanden. Misschien speelt bij de beantwoording van deze vraag het feit dat de representanten van versie H ook trekken van een picareske roman vertonen een niet te onderschatten rol. In De zeven meesteren van Rome en ook in de Nederlandstalige Zeven Wijzen-traditie in druk heeft een nieuw motief zijn intrede gedaan in vergelijking met Van den VII vroeden van binnen Rome. Naast aandacht voor de sluwe gemene leugenachtigheid van vrouwen is er in deze teksten namelijk ook veel belangstelling voor de gedachte dat niets is wat het lijkt. Zo wordt in deze teksten bijvoorbeeld een van de dienstmeisjes van de keizerin ontmaskerd. Dit personage blijkt helemaal geen vrouw te zijn, maar de geheime minnaar van de keizerin.[106] Het motief van de schone schijn wordt beschouwd als een belangrijk element in picareske romans. Bovendien is in De zeven meesteren van Rome en in de Nederlandstalige Zeven Wijzen-traditie in druk het laatste exempel uitgebreid met de lotgevallen van Alexander. Deze figuur vertoont kenmerken van een held uit een picareske roman.[107] Hij reist bijvoorbeeld heel wat af en hij moet op veel verschillende manieren in zijn levensonderhoud voorzien.[108] Door de invoering van deze kenmerken is er voor gezorgd dat het zeven wijzen-verhaal aansluiting kon vinden bij het genre van de picareske roman. Dit genre heeft zich vanaf de 15e eeuw ontwikkeld tot een zeer geliefde literatuursoort.[109]
5.2 Internationaal
De situatie in Nederland staat in schril contrast met die in het buitenland. Buiten onze landsgrenzen is het onderzoek naar de Zeven Wijzen-traditie sprankelend. Zo werd bijvoorbeeld al in 1975 The Seven Sages Society opgericht. Dit wereldwijde genootschap bestudeert de Zeven Wijzen-traditie, organiseert onderzoeksbijeenkomsten waarin dit onderwerp centraal staat en geeft jaarlijks een Newsletter uit waarin leden op de hoogte worden gehouden van nieuwe ontwikkelingen in het Zeven Wijzen-onderzoek. In het kader van deze bijdrage zal ik moeten volstaan met het aanduiden van enkele zeer grote lijnen uit dit research.[110]
Behalve de in dit hoofdstuk aan bod gekomen theorieën over de genese van de Zeven Wijzen-traditie en over de relatie tussen de verschillende versies, is er een nieuw type onderzoek in opkomst. Hierin is de centrale gedachte dat het kaderverhaal van de Zeven Wijzen-traditie niet enkel de statische functie van omlijsting voor de exempelen bezit.[111] De exempelen ontlenen er hun betekenis aan: ze spiegelen het kaderverhaal. Ook de studie naar vertaaltechniek is populair. Runte en Gilleland hebben bijvoorbeeld het vakmanschap van de Latijnse vertaler van versie A en van de Franse vertaler van versie H bestudeerd.[112] In Duitsland kreeg het onderzoek naar de volkstalige traditie een enorme impuls door de bijdragen van Steinmetz. Hij legt Duitse vertalingen in druk naast hun Latijnse originelen met als doel meer over de bekwaamheid van de Duitse auteurs te zeggen.[113]
Bovendien blijven in bijna alle Europese landen kritische edities van volkstalige teksten met het zeven wijzen-verhaal verschijnen. Zo kwam er een kritische uitgave van een Schotse tekst op de markt, zag een verbeterde editie van de twee Oudfranse versies K en C het licht en is er gezorgd voor een editie met de vier subversies van versie H.[114]
Nu men zich in dit kapittel een beeld heeft kunnen vormen over zowel het Zeven Wijzen-onderzoek als de Zeven Wijzen-traditie, zal in de volgende hoofdstukken één tekst uit deze traditie in het bijzonder onder de aandacht worden gebracht: De zeven meesteren van Rome.
3. De kopiist van De zeven meesteren van Rome in het Berlijnse handschrift
1. Inleiding
Onderzoek naar middeleeuwse vertaaltechniek is niet zonder haken en ogen. Door de gebrekkige overlevering van middeleeuwse teksten is immers vrijwel uitgesloten dat zich tussen de bewaard gebleven handschriften precies dat handschrift bevindt, dat het werkexemplaar was van de vertaler. Bovendien is meestal niet de originele vertaling bewaard gebleven, maar een afschrift, of zelfs een afschrift van een afschrift. Wanneer men een verkeerde lezing als grondtekst voor de vertaling beschouwt en/of de ingrepen van kopiisten op naam van de vertaler schrijft, geeft dat een vertekend beeld. Het is dus van groot belang om zo dicht mogelijk bij de bron van de vertaling te komen en om bovendien rekening te houden met de activiteiten van afschrijvers.[115] Vandaar dat ik in dit hoofdstuk eerst uiteenzet welke Latijnse tekst ik als grondtekst beschouw en uitleg welke passages ik als corrupt zie. Ter afsluiting van dit kapittel geef ik een voorlopig beeld van de werkwijze van de kopiist. In de twee volgende hoofdstukken ga ik vervolgens in op de vertaaltechniek en de bewerkingstendensen van de auteur van De zeven meesteren van Rome.
2. De grondtekst
Omdat De zeven meesteren van Rome tot subversie II van versie H behoort, komen alleen Latijnse representanten van deze subversie in aanmerking als bron voor de Middelnederlandse vertaling. In zijn editie geeft Roth Latijnse basisteksten van de subversies van H en daarbij een variantenapparaat. Omdat de Latijnse teksten die tot subversie I en II behoren grotendeels woordelijk overeenkomen, heeft hij er voor gekozen één basistekst van deze subversies te verschaffen. Deze basistekst heb ik met één wijziging als grondtekst voor de Middelnederlandse vertaling beschouwd. Omdat zij een combinatie vormt van subversie I en II zijn er reductiones in de lopende tekst opgenomen. Het kenmerk van subversie II is dat lange geestelijke moralisaties in de lopende tekst ontbreken (zie hoofdstuk 1, paragraaf 3.3). Door nu de reductiones uit Roths basistekst van subversie I en II te negeren, creëerde ik een grondtekst die mijns inziens de oorspronkelijke bron van De zeven me