| De opstand van 1467 te Mechelen. (Willem De Pauw) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
I. Prolegomena
I.1.A. Brabant (en Vlaanderen) – Algemeen
I.1.A.1. De Bourgondische Staat en zijn leiders: Hertogen Filips de Goede en Karel de Stoute
Na het overlijden van zijn vader midden juni 1467, kwam Karel de Stoute officieel aan de macht. Maar in feite berustte het bewind reeds zo goed als bij hem vanaf april 1465. “Hij had de regeringsstaf in handen”, zoals de Italiaanse koopman Portinari het uitdrukte. Hertog Filips was immers te zeer verzwakt en uitgeput om zelf nog te kunnen regeren, zodat voor Karel vanaf dan de weg open lag. Ook had Karel, als tweede reden voor zijn vroegtijdige macht, aan het langste eind getrokken in een twist tussen zichzelf en zijn vader omtrent de Croy’s. Deze broers, Jean en Antoine, waren beide raadsheren van hertog Filips de Goede en oefenden een grote invloed op hem uit, maar steunden tegelijk de politiek van zijn grootste tegenstander Lodewijk XI1. Het waren zij die in 1457 aan de basis lagen van de breuk tussen Filips en zijn zoon en opvolger Karel, naar aanleiding van de aanstelling van Philippe de Croy, zoon van Jean en heer van Sempy, tot Karels kamerheer. Maar nu was Karel erin geslaagd – met de steun van de burgerij, het volk en enkele belangrijke steden uit de Bourgondische gewesten – de Croy’s te verjagen uit de regering en weg van het hertogelijke hof. Hiermee was Karel de Stoute dus voortaan de werkelijke gezaghebber. Dit bleek enerzijds uit de vervolgingen ingesteld tegen de Croy’s en hun aanhangers en anderzijds uit de toenemende invloed die Karels volgelingen van toen af gingen verwerven2.
Karels politiek was er vooral op gericht het werk van zijn voorvaderen te bekronen; dat was zijn voornaamste doel. Hij besefte maar al te goed dat hem nog veel werk restte om Bourgondië nog machtiger en hechter te maken. In het oosten hadden de hertogen een vijand die niet zo sterk was als de Franse koning, maar daarom niet minder te duchten: de Luikse democratie. Die zou Karel moeten temmen. Tevens zou hij, om het rijk te versterken, de enige vorstendommen moeten onderwerpen die er in de landen ‘van herwaarts over’ in geslaagd waren hun onafhankelijkheid geheel of gedeeltelijk te vrijwaren, namelijk het hertogdom Gelre en de bisdommen Utrecht en Doornik. Het was voor Karel ook onaanvaardbaar dat de Nederlanden en de beide Bourgondiës nog langer van elkaar zouden gescheiden blijven. Vroeg of laat zou de afzondering van deze politiek verenigde delen moeten verdwijnen. Tenslotte was het wenselijk dat de vorst eens zijn talrijke titels van hertog, graaf en markies, waarmee hij zijn privilegiebrieven mocht sieren, zou inruilen tegen één enkele allesoverheersende titel, namelijk die van koning. Zo zou voor de onderdanen van het vorstenhuis van Bourgondië de eenheid worden gesymboliseerd die er volgens hem onder de bevolking moest heersen, en zouden ze beter aanvoelen dat ze allen tot éénzelfde gemeenschap behoren. Alleen de keizer kon deze titel toekennen. Om gemakkelijker druk op hem te kunnen uitoefenen, zou Karel de Stoute zich dus moeten mengen in de politiek van het keizerrijk. Er was echter nog een tweede reden om deze strategie te volgen: het was immers over keizerlijk gebied dat de verbinding tussen Bourgondië en de Nederlanden het makkelijkst tot stand kon worden gebracht.
Aan deze uitbreiding van de territoriale macht van de vorst moest een versteviging van de binnenlandse macht beantwoorden. Alle inwoners van de Bourgondische landen zouden aan dezelfde wet onderworpen moeten worden en de plaatselijke privilegies zouden afgeschaft of althans beperkt moeten worden[3]. Tevens impliceerde dit dat ernaar zou gestreefd worden meer eenheid te brengen in de bestuursinstellingen van zijn vorstendommen, om die ook steviger onder zijn controle te brengen. Het was onder Filips de Goede, Karels vader en voorganger, dat dit proces tot een climax kwam.
Daartoe gebruikte hij drie elkaar aanvullende methodes. In de eerste plaats creëerde hij een aantal coördinerende instellingen met bevoegdheid over al zijn landen of alleen over die in de Nederlanden. Ten tweede bracht de hertog meer gelijkvormigheid in de bestuurlijke praktijken in ieder van zijn landen. En ten slotte trachtte Filips lokale weerstanden te breken door lokale machthebbers persoonlijke voordelen aan te bieden of, indien nodig, door gewapende repressie. Het laatste deel van zijn regering en die van zijn zoon – de periode van 1440 tot 1476 – werden dan ook gekenmerkt door een aanzienlijke versterking van de vorstelijke staatsmacht. Dit proces lokte soms heftig verzet uit en regelrechte opstanden. Hun onderwerping – de hertogen behielden in die tijd immers steeds het overwicht op hun onderdanen – bood zelfs extra kansen tot verzwakking van de tegenkrachten4.
Met het in functie zijn van onder andere een uitgebreid ambtenarenapparaat stoelde het beleid van de Bourgondiërs op een vernuftige en stevige administratieve basis. Het rustte echter ook op drijfzand, aangezien de hertogen er niet volledig in geslaagd waren onder aan de ladder, namelijk in de verschillende gewesten, hun politieke visie op te dringen. Ze moesten voorzichtig te werk gaan, rekening houden met de bestaande instellingen en vermijden de oude voorrechten, waaraan elk vorstendom hardnekkig vasthield, openlijk te bestrijden5.
Karel de Stoute deed echter weinig moeite; hij had weinig oog voor de stedelijke vrijheden en voor de economische belangen van zijn landen. Zo leverden ook zijn talrijke oorlogen vele moeilijkheden op: benden deserteurs stroopten hier en daar het platteland af, Lodewijk XI blokkeerde de Vlaamse kusten en het verkeer met Italië over zee verliep moeilijk6.
Eén van de redenen voor deze houding van Karel is dat hij meer dan zijn voorgangers heeft gestreefd naar de vorming van een echte aparte staat, los van Frankrijk; hij droomde van een herstel van het Karolingische Middenrijk van Lotharius, althans van het noordelijke deel dat Lotharius II bezeten had. Maar ook verlangde hij naar macht in Frankrijk en Duitsland. Zodra hij in 1465 het feitelijk bestuur van Filips de Goede had overgenomen, wist hij een grote coalitie van Franse kroonvazallen in het veld te brengen tegen Lodewijk XI. Militair leed de koning de nederlaag – onder andere op 16 juli bij Montlhéry – zodat hij vrede moest sluiten, maar door diplomatieke manoeuvres zette Lodewijk na de vrede de Franse kroonvazallen buiten spel, zodat zijn positie nauwelijks meer bedreigd werd. Karel gebruikte de volgende jaren om de steden Luik en Dinant te onderwerpen. In 1468 trof hij Lodewijk XI te Péronne; tijdens de onderhandelingen bereikte hem het bericht over een nieuwe opstand van de Luikenaren, waaraan, naar hij vermoedde, Lodewijks agenten niet onschuldig waren. Karel kreeg één van zijn woedeaanvallen, nam de Franse koning gevangen en enkele dagen hing diens leven aan een zijden draadje. Mede dankzij Karels raadgever – in feite een spion voor de Franse koning –, de bekende historicus Commynes, spaarde hij zijn hoge gevangene, maar dwong hem wel getuige te zijn van het wraakgezicht over Luik, dat geheel in brand werd gestoken. Lodewijk kwam met de schrik vrij, maar was eens te meer overtuigd van de gevaren die hem bedreigden7.
I.1.B. Mechelen – Specifiek
I.1.B.1. Mechelen en haar meesters doorheen de tijd: Een kort overzicht
De heerlijkheid Mechelen – de omwalde stad, de gehuchten Nekkerspoel en Nieuwland, de dorpen Hever, Muizen, (Neer-)Hombeek, Leest en Heffen en in zekere zin het dorp Heist-op-den-Berg met afhankelijkheden, onder meer Gestel – is niet te verwarren met het nabije Land van Mechelen, dat een belangrijk en een administratief en juridisch onderdeel van het hertogdom Brabant was, waartoe ook Walem behoorde. Heerlijkheid én Land waren gegroeid uit de verdeling van de domeinen van de heren van Grimbergen tussen hun afstammelingen.
In 1213 hadden Wouter Berthout (+ circa 1221), een telg van het Grimbergse geslacht, en Hugo van Pierrepont, bisschop van Luik, een vergelijk gesloten over hun respectieve rechten te Mechelen en Heist. Berthout zou er zijn bezit mogen uitbreiden, maar erkende het oppergezag van de bisschop, zelfs over eventuele aanwinsten. Hij beloofde in ruil de Luikse kerk een rente uit zijn inkomsten te Mechelen. Het jaar voordien had hij trouwens van de hertog van Brabant bekomen dat deze in het gebied geen uitbreiding zou zoeken en dat zo die hem toeviel, hij ze aan Wouter in leen zou geven.
Van in de jaren dertig gedroeg diens zoon Wouter Berthout (+ 1243) zich als de echte meester te Mechelen. In 1241 erkende de Luikse bisschop hem als ‘voogd’ (= wereldlijk vertegenwoordiger van een kerkelijk heer). Dit was allicht het gevolg van de verpanding aan de hertog van Brabant, waartoe de Luikse kerkvorst enkele jaren voordien was overgegaan, maar waarvoor Berthout het kapitaal had voorgeschoten.
Bij de inlossing ervan in 1260 bleef Wouter Berthout (+ 1287), zoon van de voorgaande, de heerschappij te Mechelen voeren. Hij dankte dit ongetwijfeld aan de sympathie van de stedelijke gemeenschap omwille van de voorrechten waarmee zijn voorganger en hij haar hadden bedacht, en aan zijn positie als lid van de regentschapsraad van de minderjarige hertog Hendrik IV. Om zijn aanspraken op deelname aan dat regentschap in Brabant en zijn rechten op Mechelen kracht bij te zetten, deed de Luikse bisschop Hendrik van Gelre in 1267 vergeefs een inval in het hertogdom.
Zijn opvolger Hugo van Châlons verpandde dan maar op 22 oktober 1300 Mechelen en Heist opnieuw aan Jan II van Brabant en diens opvolgers tot in de tweede graad. Prompt – op 12 november 1301 – kwam de hertog met Jan Berthout (+ 1304) tot een vergelijk, waarbij hij, als opperheer, Berthout alle invloed liet op voorwaarde dat deze hem de helft van alle Mechelse inkomsten overmaakte.
Toen in 1302 de ambachtslui zich, zoals in andere steden, van de macht meester maakten, konden de beide heren de stad slechts na een belegering onderwerpen. De zware boete die zij haar oplegden, dreven de Mechelaars terug in de armen van de Luikse bisschop, Thibaud van Bar, die niet aarzelde hun uitgebreide voorrechten toe te kennen (18 maart 1305). Hij negeerde daarbij de rechten van de Berthouts volledig en werd op 8 april 1305 door de stad als wettige heer gehuldigd. Gielis Berthout (+ 1310) bleef niets over dan het hoofd in de schoot te leggen (28 januari 1308). Tegen de belofte van de helft van alle inkomsten stemde hij ertoe in dat in één grote heerlijkheid onder het oppergezag van de bisschop ook de oude rechten van de Berthouts te Mechelen (met inbegrip van Nieuwland, Nekkerspoel, Hever, Leest, Hombeek en Muizen) werden geïncorporeerd. Al in 1295 en 1303 hadden de Brabantse hertogen en de Berthouts de heerlijkheden Nieuwland en Nekkerspoel op gelijke voet met Mechelen behandeld.
Floris Berthout (+ 1331), neef en opvolger van Gielis, speelde in Brabant een leidende rol; gebruikmakend van de onmacht van de bisschop van Luik, dat door twisten werd verscheurd, deed hij op 30 juni 1312 leenhulde aan de Brabantse hertog voor de voogdij en heerlijkheid Mechelen en afhankelijkheden en voor al zijn bezittingen in Brabant. Hij beloofde de hertog bovendien met al zijn onderdanen, uitgenomen deze van Nekkerspoel en Nieuwland, militaire dienst te doen. Die belofte werd door de stad op 13 oktober 1315 onderschreven. Echt nieuw was dit niet; al in de 13de eeuw werden militaire verplichtingen van Mechelen tegenover de Brabantse hertog vermeld. Opmerkelijk is wel dat de Mechelaars er zich haast geestdriftig van kweten, onder meer in 1318 en 1332, tot tegen de Luikse prinsbisschop toe. Onder de regering van Jan III (1312-1355) gedroeg Mechelen zich bij tijd en wijle als een volwaardige Brabantse stad.
Toch had de Luikse bisschop in 1313 Mechelen voor vijf jaar verpand aan Willem, graaf van Henegouwen, en in de eerste maanden van 1316 verkocht Floris Berthout hem daarenboven zijn rechten, maar bij het eind van de pandtermijn kreeg hij ze terug (25 mei 1318). Ook bij een nieuwe kortstondige verpanding van Mechelen in 1328 aan Reinald II van Gelre, de schoonzoon van Floris, bleef diens positie natuurlijk onaangetast.
In 1331 overleed Floris Berthout, laatste heer van Mechelen van zijn geslacht. Krachtens het huwelijksverdrag van zijn dochter Sophia (+ 1329) met Reinald van Gelre kwam de hele nalatenschap, stad, heerlijkheid en land van Mechelen, in het bezit van de graaf van Gelre en bij de dood van Sophia in dit van hun oudste dochter Margareta, gehuwd met Gerard van Gulik. In het kader van de grote coalitie tegen Brabant, beleende Adolf van der Mark, bisschop van Luik, zijn Vlaamse bondgenoot Lodewijk van Nevers in 1333 met Mechelen; van haar kant verkocht Margareta hem haar rechten op de voogdij te Mechelen (14 december 1333). Bij haar dood, in 1344, viel de rest van haar vaderlijk erfdeel, het latere Land van Mechelen, toe aan haar zus Mathildis, echtgenote van Jan, graaf van Kleef (+ 1368). Naar hem werd soms ook het Land van Kleef genoemd.
De Mechelaars, economisch afhankelijk van het omringende Brabant, kozen partij voor Jan III van Brabant tegen de Vlaamse graaf en zijn bondgenoten. Dankzij de bemiddeling van koning Filips VI van Frankrijk kwam er tussen de oorlogvoerenden een wapenstilstand tot stand en in afwachting van een vergelijk stelde de koning vanaf 18 augustus 1334 de Mechelse heerlijkheid onder de hoede van zijn gezant Ferry de Picquigny.
Buiten de koning om sloten Lodewijk van Nevers en Jan III op 31 maart 1337 een akkoord over Mechelen. Elk zou een helft ervan van de andere in leen houden. De facto bleef Mechelen in handen van Jan III, omdat de pro-Franse Lodewijk in de eerste fase van de Honderdjarige Oorlog nagenoeg alle gezag in zijn pro-Engels graafschap had verloren. Onder druk van de Franse koning, die Brabant uit de alliantie met Engeland wilde losweken, beloofde Lodewijk in 1347 dat Hendrik, de oudste zoon van de hertog van Brabant, bij het geplande huwelijk met Lodewijks oudste dochter, Mechelen van de prinsbisschop van Luik in leen zou mogen nemen. Jan III van zijn kant zegde, buiten medeweten van zijn steden, toe dat, bij de troonsbestijging van zijn zoon Hendrik in Brabant, Mechelen en Antwerpen zouden toekomen aan zijn dochter Margareta, die beloofd werd aan de Vlaamse gravenzoon Lodewijk van Male.
Pas op 18 november 1348 kon Hendrik (+ 1349) als heer van Mechelen zijn intrede doen. Na het overlijden van Hendriks broer en opvolger Godfried in 1354 viel de heerlijkheid toe aan hertog Jan III zelf. Onmiddellijk bij diens dood in 1355 eiste Lodewijk van Male een verdeling van de landen die Jan naliet en maakte aanspraken op Mechelen en Antwerpen, die hem in het vooruitzicht waren gesteld. Op 13 april 1356 stond de Luikse bisschop Engelbrecht van der Mark aan Lodewijk van Male Mechelen in eigendom af en enkele dagen nadat het Vlaamse leger de Brabanders te Scheut een gevoelige nederlaag had toegebracht, liet Lodewijk zich als heer van Mechelen huldigen (20 augustus 1356). Het verdrag van Aat, gesloten op 4 juni 1357, bevestigde Lodewijk in het bezit van de heerlijkheid, die voortaan in de lotgevallen van Vlaanderen zou delen.
Zo werd ze opgenomen in het Bourgondisch landencomplex, waartoe sinds 1430 ook Brabant behoorde. De heerlijkheid Mechelen heeft min of meer een eigen identiteit behouden. Zij verscheen zelfs in de titulatuur van de Bourgondische vorsten en hun opvolgers, en haar afgevaardigden, in feite leden van het Mechels stadsbestuur, verschenen bij gelegenheid op vergaderingen van de Staten-Generaal, die sinds 1465 als een soort van volksvertegenwoordiging fungeerden en onder meer de beden – buitengewone geldmiddelen die de vorsten aan hun onderdanen vroegen – moesten toestaan. De heerlijkheid werd daarbij afzonderlijk aangeslagen, aanvankelijk als een aanhangsel van Vlaanderen. In 1465 werden van Mechelen 500 schilden gevraagd, een som die gelijkstond met 3.000 daglonen van een meester-metselaar; Vlaanderen betaalde 35.000 schilden, Henegouwen 12.0008.
I.1.B.2. Stadsbestuur en vertegenwoordiging
In de jaren 1299-1300 verschenen als vertegenwoordigers van de gemeenschap alleen of naast een schepen ‘gezworenen’. Op een enkele uitzondering na hadden hun families voordien geen schepenzetel bekleed. Een charter van 1301 dat het elitaire karakter van de regerende schepenclan versterkte doordat het de bank zichzelf door adoptie liet aanvullen, moest in meer liberale zin worden gewijzigd door – zoals in vele andere steden – in 1302 aan de ambachtslui enige politieke invloed te gunnen. Het stadsbestuur werd officieel uitgebreid met twaalf gezworenen. Deze werden door de ambachtslui verkozen tussen de leden van de lakengilde, dus tussen de rijke handelaars en lakenproducenten, en zouden de schepenen, die alleen de rechterlijke macht bleven uitoefenen, bijstaan in het bestuur en het financiële beheer.
Toch revolteerden de ambachten tegen de te beperkte toegevingen. De hertog van Brabant en Jan Berthout moesten, met de steun van de Brabantse steden waar de ambachtslui al uit het stadsbestuur waren verdwenen, Mechelen belegeren. Op 28 juni 1303 onderwierp de stad zich en moest de heren zware boetes en de belegeraars ruime schadevergoedingen betalen. Zij ontsnapte evenwel aan een reactionaire reorganisatie door zich over te leveren aan de Luikse bisschop die haar in 1305 een zeer progressief privilegie naar Luiks model toekende. Jaarlijks rond 15 augustus zou het uittredende stadsbestuur zelf de nieuwe regeerders aanduiden: twee burgemeesters als leiders van de gemeenschap en twaalf schepenen. In de stadsraad kregen bovendien de ambachten meer, de lakengilde minder gezworenen en de gezworenen van de ambachten moesten niet langer lid van de lakengilde zijn.
Slechts een tiental schepengeslachten hebben zich kunnen handhaven na de vernieuwingen van 1305; enkele nieuwkomers in de schepenbank lijken af te stammen van schepenen die de heerlijke banken vóór 1308 bezetten. De politieke verruiming is frappant: een zestigtal families zetelden in de jaren 1306-1325 in de schepenbank tegen niet eens twintig in de 13de eeuw. Slechts enkele families (Van de Kalkoven, Van Hofstade, Raduard, Van Zeeland, Van Adegem) staken boven de andere uit. De schepenfamilies bezetten ook de twee burgemeesters- en de drie rentmeestersfuncties. De concentratie hiervan in bepaalde families was nauwelijks groter. De technische onderlegdheid en het bezit van een uitgebreid kapitaal, die van de rentmeesters werden geëist omdat zij de stadskas moesten beheren en tekorten uit eigen zak voorschieten, brachten met zich dat de rentmeesters soms meer dan één jaar in functie bleven bij gebrek aan geschikte kandidaten.
De overige leden van de stadsraad (twee dekens en zeven gezworenen van de lakengilde en telkens vier gezworenen van een twintigtal ambachten) verschenen maar ten dele in de bronnen, ook bij het ophoren van de stadrekeningen. Bij gelegenheid, in 1342 en volgende jaren, doken daarbij ook de gezworenen van de ‘poorterij’ – dus van niet-ambachtsleden – op, ofschoon de charters van 1302-1305 ze niet hadden voorzien. Evenmin hadden zij voorgeschreven dat de ambten van schepenen, burgemeesters en rentmeesters voor de ambachtslui ontoegankelijk waren; toch slaagden zij pas na 1338 enkele van hen erin schepen of rentmeester te worden. Buiten één bakker, één volder en één vleeshouwer ging het om een paar wevers die zich tot ondernemers en lakenhandelaars hadden opgewerkt en via de lakengilde in de kring van de stadsbestuurders waren doorgedrongen. In de jaren 1350-1361 hadden ambachtslui niettemin al één derde van de schepenambten in handen. Het waren vooral vleeshouwers, in mindere mate bakkers, visverkopers, volders, enkele wevers en een huidvetter. Het burgemeesterschap bleef het monopolie van de poorterij.
In april 1361 verjoeg een troep gewapende volders en textielarbeiders het stadsbestuur incluis de ambtenaren van graaf Lodewijk van Male. Hun machtsgreep werd op 30 april door de poorterij en de andere ambachtslui de kop ingedrukt in een bloedig treffen bij de Befferbrug. Vele volders werden verbannen en de ambachten van wevers en volders verloren elke deelneming in het bestuur. De nieuwe verdeling van de schepenzetels kende er zes toe aan de poorterij en zes aan de ambachten. Het ene jaar zouden deze van de vleeshouwers, de vetters en de ververs, het andere jaar deze van de bakkers, de visverkopers en de brouwers vernieuwd worden. Bovendien werden de functies van deken van de lakengilde en van rentmeester aan de poorterij voorbehouden. Bij de lakengilde zou de vorst een klerk als toezichter aanstellen.
Pas in 1380, na een oproer waarbij vooral de wevers betrokken waren, werd één van de drie rentmeesterposten aan de ambachten toegewezen, als een toegeving aan de meer betrouwbare elementen onder hen. Waarschijnlijk werd toen ook een verdeling van de gezworenen van de gilde vastgelegd: vier voor de poorterij en drie voor de ambachten.
De structuur van het Mechelse stadsbestuur is een variant van een in vele Zuid-Nederlandse steden voorkomend overlegmodel tussen poorterij en ambachten, waarbij de lakengilde als een soort centrumgroep fungeerde. Theoretisch vormden de bijna tachtig ambachtsgezworenen in de stadsraad de meerderheid, maar velen hiervan bleven afwezig en in de sleutelposities had de poorterij het overwicht: de twee burgemeesters, de helft van de schepenen en ten minste twee van de drie rentmeesters. Vooral had de poorterij door haar sociaal prestige, voortspruitend uit haar rijkdom en haar adellijke allures (ridderschap, bezit van heerlijkheid) ook een moreel overwicht.
Trouwens, de ambachtslui in de schepenbank waren bepaald geen vertegenwoordigers van de massa. In de omhaling ten behoeve van het Sint-Romboutsschrijn in 1367 droegen de personen die ooit in de schepenbank zetelden of zouden zetelen gemiddeld bijna 100 groot bij, tegen een doorsneecontributie van 16,5 groot. Vier ambachtslui-schepenen slechts bleven onder dat gemiddelde. In doorsnee waren de schepenen-ambachtslui nauwelijks minder vermogend dan hun tegenhangers uit de poorterij. Daarentegen was de kloof tussen hen en hun minder succesrijke ambachtsbroeders enorm, zodat een hechte solidariteit tussen ambachtsgenoten moeilijk werd. In feite waren de schepenen uit de ambachten een veel exclusiever clubje dan hun ambtsgenoten uit de poorterij: gemiddeld acht schepenjaren per kandidaat en 33 schepenfamilies voor de ambachtslui, tegen gemiddeld zes jaren en 64 schepenfamilies voor de poorters. Zelfs in de functies van ambachtsgezworenen bleken steevast dezelfde personen en families op te treden. In 1468 zouden de wevers daarentegen eisen dat de aftredende ambachtsregeerders niet langer hun opvolgers zouden aanduiden, maar dat voortaan vijf ambachtsleden per wijk de nieuwe gezworenen zouden kiezen en de rekeningen van het ambacht overhoren. Bij de overige leden van de stadsraad was het plutocratisch karakter minder uitgesproken.
Het weversambacht verwierf zich terug toegang tot de magistraat op 27 juli 1436; het stortte hiertoe 1.200 rijders (van 72 groot) in de stadskas ten behoeve van Filips de Goede.
De onoverkomelijke schulden waaronder de stad in die jaren gebukt ging, wettigden het ingrijpen van het centrale gezag. De hertogelijke ordonnantie van 24 december 1439 beperkte meteen de gemeentelijke autonomie en maakte een einde aan de uitzonderlijke situatie waardoor de vorst te Mechelen niet betrokken was bij de samenstelling van de schepenbank. Voortaan zou het aftredende stadsbestuur de hertog op 1 augustus vier poorters voordragen, tussen wie hij een burgemeester zou aanduiden. Tevens moest de stad een lijst voorleggen van negen poorters en negen ambachtslui tussen wie de hertog, na advies van zijn schout en raad, telkens drie schepenen zou aanduiden. Deze verkozenen bleven twee jaar in functie. De rentmeesters moesten in de toekomst rekenschap afleggen niet enkel aan de stadsraad, maar ook aan de schout en de rentmeester van de hertog. Het aantal rentmeesters dat in 1423 op vier was gebracht en verder was opgelopen, wegens de aangroei van het aantal kassen voor uitzonderlijke inkomsten en uitgaven, werd opnieuw vastgesteld op vier, twee uit de poorterij en twee uit de ambachten.
In de volgende jaren tastte de hertog daarenboven de rechterlijke bevoegdheden van de schepenbank aan: in 1450 behield hij zich het recht voor de door haar uitgesproken verbanningen te herroepen en in 1455 voorzag hij voor bepaalde gevallen hoger beroep bij zijn raad.
Die vorstelijke inmenging leidde niet tot een inperking van de politieke participatie. In de stadsraad konden theoretisch bijna tachtig personen aanwezig zijn, mogelijk twee procent dus van de gezinshoofden. De spreiding van de raadsfuncties lijkt relatief groot. Bijna 900 verschillende personen zijn in de zittingen tussen 1419 en 1477 verschenen, velen van hen slechts zeer sporadisch. De werkelijke beslissingsmacht lag in de beperkte raad: twee burgemeesters, twaalf schepenen, twee dekens en zeven gezworenen van de lakengilde en vier rentmeesters. Slechts elf van deze 27 waren ambachtslui. De in 1305 voorgeschreven wachttijd van twee jaar om opnieuw schepen te worden, garandeerde een zekere spreiding, maar hij werd opgevuld door mandaten als burgemeester, rentmeester of deken. Een zestigtal personen, behorend tot minder dan vijftig families, vervulden tussen 1441-1465 de tweehonderd functies van burgemeester en schepen. De commissarissen die namens de hertog de magistraat benoemden, waren al te vaak geneigd het zetelende bestuur bij de keuze ter wille zijn. Openhartig noteerden de stadsrekeningen: ghegheven zekere vrienden in myns Heeren hof voir vriendscap, die sy der stad ghedaan hebben in ’t vernuwen van de Raden ende anderssins 40 rijders (van 78 groot). Geen wonder dat de invloed van de poorterij nog steeg en dat de leden van enkele families (Van Heffen, Van den Dale, Schoof) mekaar in het stadsbestuur als het ware aflosten. Zij waren niet alleen onderling door huwelijken verbonden, maar ook dikwijls met de regionale adel en met de wereld van het hof en de ambtenarij. Meer nog dan in de 14de eeuw pronkten zij met hun ridderschap en hun heerlijkheden (onder meer Gestel, Boutersem, Itegem, Orsmaal, Zwyvegem en Terdonk onder Muizen, Waasbeek). Hun wapenschilden in de glasramen van door hen begiftigde kloosters en bedehuizen en hun imposante grafmonumenten en –kapellen brachten elkeen hun grootheid onder ogen. Hun kinderen bevolkten bovendien het Sint-Romboutskapittel en zelf beheerden zij tal van charitatieve en kerkelijke stichtingen.
Deze banden tussen de vorst met zijn ambtenaren en de poorterij, die de hertog in ruil voor gunsten en steun financiële bijdragen op de rug van de stad toestond, waren één van de aspecten die te Mechelen – net als in andere steden – tot de uitbarsting van 1467 zouden leiden9.
I.1.B.3. De vorstelijke vertegenwoordiger: De schout
Sinds 1305 was de schout de belangrijkste ambtenaar in de stad. Hij vervolgde de misdadigers, riep de rechtbank samen en zorgde voor de uitvoering van het vonnis. Daarnaast had hij ook een taak als militair leider en toezichter op het stadsbestuur in naam van de vorst. Onder hem stonden nog een amman – een officieel gerechtsbode –, twee gewapende dienaars en een klerk. De schout werd door de vorst benoemd en genoot, naast zijn wedde, nog bijkomende inkomsten, zoals een aandeel in de boetes. Vele schouten werden gerekruteerd uit de schepenfamilies of de regionale adel. Over zijn ontvangsten en uitgaven moest de schout rekenschap afleggen aan de Ontvanger van Vlaanderen (van 1356 tot 1406), later aan de Rekenkamer. Bij zijn aanstelling en andere gelegenheden kon hij rekenen op geschenken vanwege de stad10.
I.2. Sociaal-economische situatie
I.2.A. Brabant (en Vlaanderen) – Algemeen
I.2.A.1. Belangrijkste economische sector: De lakennijverheid
Het was te Lier dat op 31 augustus 1294 een conventie tot stand kwam tussen koning Edward I van Engeland en hertog Jan II van Brabant. Dit akkoord was van zeer grote betekenis. De Brabantse hertog koos hiermee immers partij voor Engeland tegen Frankrijk. De daaruit voortspruitende exportmogelijkheden voor het Brabantse laken en de verplaatsing van de Engelse wolhandel naar Antwerpen deden Jan II een sterk economisch voordeel behalen op Vlaanderen, dat hiermee in allerlei moeilijkheden geraakte11.
De Brabantse lakennijverheid kende dan ook haar grootste expansie in de loop van de 14de eeuw. Deze hoogbloei van de Brabantse exportindustrie moet vooral verbonden worden aan de koortsige ontwikkeling van de Frankfürter Messen in de loop van de 14de eeuw, en aan de actieve handel, door de Brabanders in de richting van deze Messen opgebouwd. Door deze actieve handel op Frankfurt veroverde het Brabantse laken juist de eerste plaats in het Hoogduitse marktgebied, terwijl in het Noord-Europese Hanzegebied de Vlaamse dominantie niet kon doorbroken worden. Het waren de grotere Brabantse steden, zoals Brussel, Mechelen en Leuven, die baanbrekend waren in het vroegste expansieproces van de Brabantse lakenindustrie. De achterstand van de kleinere lakencentra, zoals Diest, Lier, Tienen, Aarschot, Herentals, Zichem, Vilvoorde en ’s Hertogenbosch, was echter niet zo groot. Het verschil lag hem vooral in hun hoogtepunt: bereikten Brussel, Mechelen en Leuven hun maximale expansie tijdens de eerste helft van de 14de eeuw, dan kenden steden zoals Lier en Herentals hun hoogbloei pas in de tweede helft van de 14de eeuw12. Dit had onder andere te maken met de pestepidemie die uitbrak in 1348, ook in onze gewesten. Ondanks het feit dat Brabant en Vlaanderen er minder van te lijden hadden dan de meeste andere streken, waren ook hier onder meer de economische gevolgen sterk voelbaar. Het grote aantal doden deed de afzetmarkt voor het Brabantse en Vlaamse laken krimpen. Alsof dat niet genoeg was, probeerden de lakenkooplui hun kosten te drukken door de productie te ‘delokaliseren’. Ze gingen op zoek naar plaatsen waar de arbeiders niet of in mindere mate georganiseerd en bijgevolg geen hoge lonen eisten. Zo konden dus plaatsen als Lier, Turnhout, Herentals, Walem, Duffel, Zichem, Geel, Hoogstraten en Mol op termijn uitgroeien tot centra van de lakenindustrie. Dat woog natuurlijk op de traditionele lakensteden. Zo verloor bijvoorbeeld vanaf 1350 de productie van laken in de stad Antwerpen ieder belang13.
In de vroegste expansiefase van de Nederlandse lakenindustrie reisden de Vlaamse en Brabantse kooplieden meestal zelf naar Engeland voor hun wolaankopen. In de 13de eeuw werden zij hierin echter geleidelijk overvleugeld door de grotere Italiaanse firma’s. De Italianen organiseerden hun wolhandel vooral via Londen en Brugge, centra waar zij residentie hielden. In Londen brachten zij hoofdzakelijk de wol samen die bestemd was om met de galeien naar de textielsteden van Noord-Italië verzonden te worden; in Brugge centraliseerden zij de wol bestemd voor de Vlaamse en Brabantse lakenindustrie. Uit deze handel groeide de opbouw van de Brugse wolmarkt.
Vanaf de tweede helft van de 14de eeuw werden de Italiaanse firma’s op hun beurt verdrongen door de Engelse kooplieden, die meer en meer de wol- en lakenexport in eigen handen namen. Reeds in 1362-1376 controleerden de Engelsen 66 à 75 % van de exporthandel uit Engeland en dit aandeel bleef voortdurend stijgen, sinds de woluitvoer zich in toenemende mate organiseerde via een stapelmarkt onder de monopolistische supervisie van de Fellowship of the Staple. In 1363 werd de wolstapel dan voor het eerst tijdelijk naar Calais overgebracht, waar hij vanaf 1391 definitief gevestigd zou worden. Maar ook Mechelen had een eigen wolmarkt, waarvan de opkomst waar te nemen is vanaf het midden van de jaren ’20 van de 15de eeuw. Zo kochten bijvoorbeeld de Lierse wevers vanaf eind 1424 steeds meer wol van Mechelse handelaars14. Vooral de namen van Jan De Leeghe, Austijn Van den Eynde en Jan De Bakker komen steeds terug als verkopers. Ook de Leuvense wevers kochten in de 15de eeuw meer en meer hun wol in Mechelen. Vermoedelijk hield deze wolmarkt verband met de nog steeds belangrijke lakenproductie in Mechelen, maar ook met het feit dat zich in Mechelen een groepagecentrum en een expeditiedienst van afgewerkte lakens naar het Zuiden (Genève en Italië) had ontwikkeld, waarbij zich snel ook het vervoer over land van Engelse wol naar Lombardije was komen toevoegen15.
I.2.A.2. Economische conjunctuur
De dagen van economische voorspoed in de Nederlanden bleven niet duren. Jaren van crisis en werkloosheid volgden op de bedrijvigheid van de 13de, de eerste helft van de 14de eeuw en, voor sommige regio’s, het begin van de 15de eeuw. Reeds in het midden van de 14de eeuw ondervond men de gevolgen van de concurrentie van Engeland, die nog verscherpte in de 15de eeuw16. Reeds in 1418 had Zeeland verbodsmaatregelen getroffen tegen in- of doorvoer van Engelse lakens. Ook in Brabant moet rond dat jaar agitatie merkbaar zijn geweest rond het heropduiken van krachtige Engelse concurrentie. In 1424 belegden afgevaardigden van verschillende Brabantse lakencentra een bijeenkomst met de bedoeling manieren te zoeken om zich tegen de sterke positie van het Engelse laken te verweren. In datzelfde jaar, en met hetzelfde doel, kwamen in Mechelen niet alleen stedelijke afgevaardigden uit Brabant, maar ook uit Vlaanderen, Holland, Luik en het Rijngebied (Aken) samen. De expansie van de Engelse lakenexport had daarenboven nog een keerzijde, die even gevaarlijk was: zij deed immers de vraag naar wol in Engeland zelf sterk stijgen, hetgeen de uitvoer van Engelse wol naar Brabant in gedrang bracht. Gevolgen hiervan vanaf de jaren ’30 van de 15de eeuw waren moeilijkheden van wolaanvoer, duurdere prijzen en eisen tot constante betaling. De situatie werd hierdoor uiterst precair. Nieuwe stedelijke bijeenkomsten te Lier en Dendermonde in 1433, te Gent in 1434, zochten wanhopig naar een oplossing. Het hertogelijke in- en uitvoerverbod voor Engelse lakens, afgekondigd op 19 juni 1434, was het resultaat hiervan: “Alzoo de goede lieden van de steden van Brabant, Vlaanderen en Holland dikwijls ons te kennen gegeven hebben, dat uit Engeland worden overgevoerd groote menigte van wollen lakens en garens, waarbij onze eigen draperie geschapen is ten onder te gaan,… zoo is het… dat de voorschreven lakens en garens gemaakt en gewrocht in het rijk van Engeland, zullen zijn gebannen eeuwigdurend uit onze landen…”17. Maar als gevolg van deze en andere retorsiemaatregelen – zoals het lokken van vreemde kooplieden, het afkondigen van een dubbele vrije jaarmarkt en later van een eng protectionisme – werd de uitvoer van Engelse wol naar Brabant nu nog moeilijker, zodat de Brabantse lakencentra weinig baat hadden bij de hertogelijke verbodsmaatregelen, wel integendeel. Daarnaast was er echter ook nog de munthervorming die Filips de Goede juist in 1433-1434 doorvoerde. Deze was door een revaluatie-idee geïnspireerd en ondermijnde eens te meer de concurrentiepositie van het Vlaamse en Brabantse laken. Naar eigen getuigenis van Filips de Goede, in 1436, was het verval van de wolnijverheid een niet meer tegen te houden feit18. De bloeiperiode van de Brabantse lakennijverheid eindigde rond 1450. Het was dus vanaf het midden van de 15de eeuw dat de economische trend in dalende richting begon te evolueren. De prijzen van de lakenproducten gingen een sterke instabiliteit vertonen en waren het voorwerp van dreigende fluctuaties. Het commerciële zwaartepunt had zich, zoals reeds gezegd, verlegd van het zware laken naar nieuwe, lichtere en daardoor goedkopere lakens, die meer aftrek genoten. In 1464 deden de steden, zowel van Brabant als van Vlaanderen, hun beklag bij de hertog. Ze hadden het onder andere over hoe Engeland voortdurend de prijs van de wol opdreef en de lopende munten van deze gewesten niet aanvaardde, maar de betaling in goud en zilver eiste19. Hierdoor ging al het goud en zilver het land uit, naar Engeland. Hierop stelde hij vanuit Rijsel op 26 oktober, voor de tweede maal – na een eerste keer in 1434 (cf. supra) –, een verbod in op de invoer van Engelse weefsels. Ook de handel in Engelse lakens werd in alle landen van de hertog verboden. De lakens die toch zouden ontdekt worden, zouden worden verbrand. Het mocht echter allemaal niet baten; de doorgevoerde maatregelen konden de val van de Brabantse, en Vlaamse, lakennijverheid niet stuiten20.
Tijdens het eerste derde van de 15de eeuw beleefden in Brabant Mechelen, Diest en Lier echter nog bijzonder gunstige jaren: in de uitvoer naar Spanje, Italië en Duitsland bleven de lakens die zij produceerden immers sterk op de voorgrond. Deze industriële boom van het begin van de 15de eeuw moet in zijn Europees kader begrepen worden. Voorzeker hadden reeds heel wat oude lakensteden in de Nederlanden en het Rijnland met structurele moeilijkheden te kampen en werden zij meegesleurd door de Europese depressie, doch sommige zones, zoals de Leiestreek, Herentals en Weert, hadden zich weten aan te passen aan de zich wijzigende tijdsgeest door lichtere, goedkopere stoffen te vervaardigen. Andere centra bleven aan de kwaliteitstraditie trouw, maar legden zich toe op differentiatie en verfijning, zoals Mechelen en Lier. Een meer soepele industriële politiek van gilden en ambachten wierp wellicht ook gewicht in de balans. Tenslotte speelde ook een conjuncturele factor: de scherpe crisis, die de opkomende Engelse en Hollandse lakenindustrie juist teisterde tijdens de eerste twee decennia van de 15de eeuw. In Holland hadden vooral de agitatie van Jan van Beieren en het oproer van de Hoeken een verlammend effect op de industriële ontwikkeling. Engeland maakte een troosteloze burgeroorlog mee, gevolgd door monetaire onrust; ook kwam het tot een fatale breuk met de Noord-Duitse Hanze, terwijl in het Westen de Honderdjarige Oorlog in een nieuwe dramatische fase trad met de invasie in Normandië. Ongetwijfeld wisten de nog vitale lakencentra in Brabant en Vlaanderen duchtig te profiteren van de malaise van de naburige concurrenten. Het is trouwens zeer opvallend dat het einde van de Vlaams-Brabantse boom-fase van de jaren ’20 en begin jaren ’30 van de 15de eeuw, sterk verband hield met het nieuwe elan van de Engelse lakenindustrie21.
Vanaf het einde van de 15de eeuw zou de opbloei van de transcontinentale handel van de Hoogduitsers in noordwestelijke richting, een allerlaatste herleving van de actieve handel van de Brabanders op de Frankfürter Messen uitlokken, en zodoende een laatste glans bezorgen aan oude lakencentra, zoals Mechelen, Lier en Herentals22.
I.2.A.3. Levensomstandigheden: werkgelegenheid en belastingen
De ambachtslieden van de bloeiende lakennijverheid van de 13de-14de eeuw vormden het echte proletariaat van de Middeleeuwen. De Brabantse, en Vlaamse kooplieden-ondernemers hadden reeds zeer vroeg de leiding over het ganse productieproces en de eigendom van de grondstoffen in handen gekregen, zodat de ambachtslieden van de exportindustrie niet alleen vlug vervallen waren tot de klasse der armen, een groep zonder bezittingen, maar daarenboven helemaal economisch afhankelijk waren geworden van de ondernemers. In tijden van crisis zwierven de werkloze volders en wevers in benden van stad tot stad om werk te zoeken, en vormden broeinesten van ontevredenheid en misnoegdheid23. Bij de lokale ambachten, zoals de bakkers, beenhouwers, metselaars en strodekkers, nam de armoede niet zulke scherpe vormen aan als bij de lakenambachten. Zij waren immers economisch onafhankelijk en kenden over het algemeen niet het drukkende loonstatuut van de lakenambachten. Hun bestaan was veel rustiger, omdat de werkloosheid voor hen minder dreigend was, daar hun aantal aangepast was aan de omvang van de lokale behoeften24.
De crisis in de lakennijverheid bracht logischerwijs heel wat werkloosheid en daarmee gepaard gaande armoede met zich mee. Deze armoede werd nog versterkt door de hele reeks oorlogen, door Karel de Stoute ondernomen, die, om deze militaire uitgaven te bekostigen, steeds hogere beden van de steden ging eisen25. En niet alleen de vele oorlogen, maar ook het onderhoud van ambtenaren en edellieden en het weelderige hofleven kostten de hertogen van Bourgondië heel wat geld. Met hun financiën had het er vaak niet erg schitterend uitgezien, maar de moeilijkheden waarmee Karels voorgangers te kampen hadden, waren niets in vergelijking met wat de nieuwe hertog op zijn weg zou vinden. Het fortuin dat zijn vader en voorvaderen hem nagelaten hadden – het bestond voornamelijk uit juwelen, goud- en zilverwerk, en uit de inkomsten van het domein dat van hem de rijkste grondbezitter van al zijn Staten maakte – was onvoldoende om aan de steeds stijgende uitgaven het hoofd te bieden. Hij moest dus nog andere bronnen van inkomsten zoeken. Naast leningen bij grote Vlaamse en Bourgondische kooplui, uitgiften van renten op de steden van de Nederlanden en kredietaanvragen bij Italiaanse bankiers, was hij verplicht de belastingen te verhogen. Die fiscale politiek viel bij zijn onderdanen niet in goede aarde26. Deze belastingen wogen immers zwaar op de burgers en zorgden voor heel wat ongenoegen onder de bevolking, aangezien de patriciërs, die het bewind in handen hadden, de lasten op de schouders van de ambachtslieden trachtten te schuiven en, samen met de schout als vertegenwoordiger van de hertog, het volk uitpersten.
I.2.B. Mechelen – Specifiek
I.2.B.1. Maatschappelijke verhoudingen
Binnen de burgerij bestond onderscheid tussen de poorterij en de ambachten. Deze opdeling was tevens een sociale scheiding. De poorters waren voor een goed deel bezitters van renten en gronden in eigendom of in erfelijk vruchtgebruik. In dat laatste geval betaalden zij een geringe vaste vergoeding aan de eigenaar, het Sint-Romboutskapittel, de Berthouts, de hertog van Brabant of anderen. Een aantal van deze heren van de bodem behoorde zelf tot de Mechelse leidende families: van Hobergen, van Ralenbeek, van Stadiken, van Hofstaden, van Hove, van Milse, van Maalstede, van de Steene, Mulart en andere. Vele poorters bezaten ook gronden, soms lenen, buiten de stad, hoofdzakelijk binnen de heerlijkheid, maar ook in Duffel, Strombeek-Bever of Sint-Katelijne-Waver. Vele teksten stellen de ‘poorters’ gelijk met wolhandelaars-lakenproducenten, gegroepeerd in de lakengilde, waarvan ook wijnhandelaars en geldwisselaars deel uitmaakten.
De ambachtslieden waren aanvankelijk georganiseerd in het broederschap van Sint-Elooi, al in 1254 vermeld. Ofschoon een religieuze vereniging van de smeden, had zij onderafdelingen voor andere ambachtslui, die zich in de 14de eeuw ontwikkelden tot volwaardige ambachten met een eigen patroonheilige, weerstandskas en steunfonds voor behoeftige leden, en vooral met onderlinge rechtspraak en regelingen voor een eerlijke bedrijfsvoering die overdreven concurrentie en frauduleuze praktijken moesten uitschakelen. Binnen de ambachten onderscheidde men de meesters, kleine ondernemers met enkele werkkrachten, hun geschoolde werknemers of ‘gezellen’ en soms leerknapen (meestal maximum één per meester).
De omhaling voor het Sint-Romboutsschrijn in 1367 verraadt de ongelijke verdeling van het bezit in de stad: 1999 contribuanten schonken bedragen van 0,5 tot 834,5 groot; de echte noodlijdenden waren niet eens bij machte iets bij te dragen: een halve groot was één twaalfde van het dagloon van een metselaarshelper! De welstellende contribuanten (30 groot of meer), samen goed voor 68 procent van de omgehaalde som, vertegenwoordigden 16 procent van de schenkers. Dezen die zes groot of minder schonken (samen 10,7 procent van de opbrengst) vertegenwoordigden 57 procent van de contribuanten. Er stond dus een grote massa kleine lieden (de bescheiden contribuanten en een belangrijke groep behoeftigen) tegenover een beperkte maar bijzonder vermogende elite.
De rijksten leefden van hun grondbezit en handel, waarbij zij meestal niet gespecialiseerd waren in bepaalde goederen en zowel in het groot als in het klein verkochten. Een deel van hun vermogen bestond uit renten ten laste van particulieren, maar vooral van steden die op die manier kastekorten probeerden op te lossen. Mechelaars kochten renten op Mechelen, maar ook op Brussel, Leuven en Antwerpen.
Een aantal ambachtslieden bleek een behoorlijke welstand te genieten. Dit was het geval met lakenververs, visverkopers, vleeshouwers, vetters, smeden, bontwerkers, brouwers en bakkers, die ook uit de handel winsten trokken. Bij de brouwers en bakkers bestonden grote onderlinge verschillen, die soms te maken hadden met hun lokalisatie. Ook onder de veelal proletarische volders waren enkele rijke meesters, terwijl enige wevers als lakenproducent en -exporteur een meer dan gemiddelde welstand bereikten. Natuurlijk waren er veel wevers, bij wie de muizen dood in de kast lagen. Bepaald armoedig waren de schoen-, kleer-, tas- en mandenmakers en de lakenscheerders.
Meesters en gezellen, verenigd in een ambacht, hadden niet altijd gelijklopende belangen. Een meester-volder behield op het stukloon voor een laken zowat 30 procent voor zijn onkosten en winst; het overige was het loon van de twee volders die het laken gedurende drie dagen moesten betrappelen in een kuip. Zo ontving een voldersgezel in 1456 een dagloon van maximum 10 groot. Een meester mocht slechts drie volkuipen bezitten. Om zich als meester te vestigen, moest een volder na een leertijd van twee jaar bovendien twee jaar als gezel hebben gewerkt. Een Mechelse gezel moest voor het meesterschap één rijnsgulden (85,5 groot) neertellen, een vreemde zes rijnsgulden; een zoon van een Mechels meester betaalde een halve gulden. Dekens en gezworenen die de tucht in het ambacht moesten handhaven, werden door de meesters gekozen. De meesterzonen stortten bij de smeden 24 groot ten behoeve van de ambachtskapel en evenveel in de ‘armenbus’ om meester te worden; een ander moest het meesterschap kopen met 300 groot, 48 groot voor de kapel en 72 voor de armenbus. Het is dan ook niet verwonderlijk dat een beroep van vader op zoon overging. Bovendien werden zo dure bedrijfsinvesteringen vermeden.
Bleef het door de meesters aangerekend dagloon van meester en gezel bij vele ambachten tot 1489-1490 gelijk, bij een aantal was er al een differentiatie merkbaar in 1424. Het verschil was van een zelfde orde als dat tussen winter- en zomerloon. In de winter waren de werkdagen immers korter en daarom lag het dagloon dan 10 à 20 procent lager. Opvallend was dat men geen onderscheid maakte tussen mannen en vrouwen bij ongeschoolde arbeid op het land, maar hun loon lag bijzonder laag: minder dan de helft van dit van een handlanger, die zelf ongeveer 70 procent verdienden van een gezel. Door de talrijke onbetaalde feestdagen kon er slechts een 250 dagen per jaar wat verdiend worden.
De koopkracht van de loontrekkenden werd mede beheerst door de graad van tewerkstelling en dus door de conjunctuur, die vanaf de jaren veertig van de 14de eeuw een eeuw lang ongunstig bleef, evenals door de inflaties ten gevolge van de sterke muntdevaluaties, vanaf het midden van de 14de eeuw tot 1433 en opnieuw, maar minder sterk na 1465. Telkens werden de lonen met vertraging en onvoldoende aangepast. Bijzonder pijnlijk waren de misoogsten die nu en dan de prijzen van het voedsel de hoogte injoegen. Hoe zwaar die voedseluitgaven op de looninkomsten drukten, bleek in 1460 toen een dorser die door zijn werkgever werd gevoed, per dag 2 groot ontving, één die zijn kost meebracht, 3 groot27.
I.2.B.2. Belangrijkste economische sector: De lakennijverheid
De jaarlijkse lakenaankopen te Parijs rond 1387 voor het hof van de toenmalige Bourgondische hertog Filips de Stoute bestonden voornamelijk uit Mechels, Brussels en Liers laken.
Wanneer Karel VI, koning van Frankrijk, de vervallen lakennijverheid van Provins wou herstellen, vaardigde hij in 1399 een protectionistische ordonnantie uit, waarbij de verkoop van vreemde lakens te Provins volledig verboden werd, met uitzondering echter van het Mechels, Brussels en Liers laken.
Zelfs in Italië en Spanje verhandelde de bekende koopman Francesco Datini uit Prato, met zijn filialen in Pisa, Firenze, Genua, Barcelona, Valencia en Mallorca, in de periode 1362-1410, bijna uitsluitend Brabants laken, en dan vooral uit Mechelen, Lier en Diest.
In het archief van de stad Krakau, toen de centrale markt van het hele Poolse gebied, bevindt zich een prijstarief van 18 oktober 1396, waarin het Mechelse laken aangegeven staat als van prima kwaliteit: het Brusselse laken werd er hoger geschat, dat van Lier evenaarde het Mechelse in kwaliteit en prijs28, terwijl de andere Brabantse en zelfs Vlaamse lakens minder gequoteerd werden29.
Slechts enkele korte voorbeelden om aan te geven hoe gegeerd en wijdverspreid het Mechelse laken in deze periode was. Net zoals in het overgrote deel van de Zuid-Nederlandse steden was tijdens de Middeleeuwen de wolindustrie in Mechelen dan ook de belangrijkste bedrijfstak. De wol- en lakennijverheid ontstond in Mechelen tijdens de tweede helft van de 12de eeuw. In 1202 beschikten de Mechelaars immers reeds over een lakenhal te Lagny-sur-Marne, in Frankrijk, en in 1213 kwam er zelfs één in de eigen stad, die in dat jaar trouwens al een grote toeloop kende. En reeds vóór 1235 manifesteerden Mechelse wol- en lakenkooplui zich in Engeland30. Hieruit kunnen we dus afleiden dat in het begin van de 13de eeuw de Mechelse lakenhandel al in volle bloei was. De respectievelijke gilde ontstond dan wel maar in de tweede helft van dezelfde eeuw31.
De doorbraak van de Mechelse draperie kwam rond 1270, toen de Vlaamse lakenexport door politieke spanningen gestremd werd. In de volgende decennia verschenen Mechelse kooplui op de jaarmarkten in Champagne en Engeland. In 1293 drong het Mechelse laken door tot in Fuentarabia (Spanje). In de eerste helft van de 14de eeuw werd het in nagenoeg heel Europa verhandeld32. De Mechelse lakenhandel was dus vooral gericht op de uitvoer. Het Mechelse laken ging naar Engeland en Duitsland (Frankfurt en Mainz), maar de grootste afzetgebieden waren Frankrijk (Champagne, Brie, Lagny-sur-Marne) en Italië, waar zelfs het pauselijk hof één van de afnemers was.
In de eerste helft van de 14de eeuw beleefde het Mechelse laken een gevoelige kwaliteitsverbetering en prijsverhoging. Le Dit du Lendit (begin 14de eeuw) verheerlijkte het in één adem met, maar na de Vlaamse stoffen:
Gant et Ypre et puis Douay
et Maaline et Broiselles
je les doi bien nommer com celles
qui plus belles sont à voir.
Op het einde van de eeuw daarentegen kloeg de Castiliaan Pero Lopez de Ayala erover dat handelaars de goedkopere lakens van Ieper en Rouen lieten doorgaan voor luxestoffen van Brussel of Mechelen. In de jaren 1437-1438 betaalde de stad één el (= 0,69m en 1,5m breed) laken voor de kledij van lagere stadsambtenaren 16,5 groot, maar fijn laken kwam op 122 groot. Een meester-metselaar verdiende per dag 10 groot. Slechts een dunne bovenlaag van de samenleving kon zich dit dure laken permitteren33.
De lakennijverheid beïnvloedde heel het stadsleven, beheerste zijn ontwikkeling en zijn bloei. In de 13de eeuw hield men in Mechelen drie lakenhallen open – één op de Graanmarkt, één bij het Vleeshuis en één in de Befferstraat –, waar later ook nog de hal op de Grote Markt bijkwam. Niklaes Steylaert zegt in zijn kroniek dat in Mechelen, ten tijde van Thibaut van Bar, 3.200 gebouwen aan 12.800 wevers werk verschaften, zonder de volders, de droogscheerders e.a. daarbij te rekenen. Van deze bedrijvigheid getuigen vandaag de dag ook nog de straat- en marktnamen: de Lakenmakersstraat op Nekkerspoel, de Drapstraat, waar de lakenwevers vermoedelijk een opslagplaats hadden bij de Dijle om er hun lakens, die per schip zouden verzonden worden, te verzamelen; de Wolmarkt, waar de handel in wol gedurende de 14de en 15de eeuw aanzienlijk was34.
In het midden van de 15de eeuw had de Mechelse lakennijverheid het hoofd te bieden aan een grootscheepse uitdaging, bestaande uit de schaarste aan Engelse wol, de concurrentie van vreemde en dan vooral Engelse lakens, en bovenal het langdurig vasthouden aan een sterke munt35. Een paar cijfers bewijzen het diep verval waarin de Mechelse lakennijverheid vanaf de jaren dertig van de 15de eeuw was terechtgekomen. Tijdens het rekenjaar 1430-‘31 bracht de wolaccijns – waaruit kan afgeleid worden hoeveel er van een bepaald product verhandeld werd – nog 83 lb. op, terwijl in 1438-’39 amper 21 lb. werd opgehaald. Procentueel gezien betekent dit wat de wol betreft een daling van 75 %. Voor het laken bedroeg deze terugval zelfs 76,5 %36. De toenmalige ineenstorting van de vraag had weldra ook een neerwaartse prijsvorming tot gevolg: het tamelijk goedkoop laken, waaruit de stad kaproenen voor haar poorters liet snijden, stond met Pasen 1434 nog geprijsd aan 26 groten Brabants per el, om met Pasen 1435 voor meer dan de helft terug te vallen op slechts 11 groten Brabants per el37.
Na het midden van de 15de eeuw verviel de Mechelse lakenverkoop snel38. Al te schoorvoetend voerde men kostenbesparende aanpassingen in. Invoerverboden tegen goedkope vreemde lakens haalden niets uit en Mechelse ondernemers aarzelden niet hun wol in Walem te laten verwerken. Men kon de problemen daarentegen te boven komen door een grondige of structurele mutatie te ondergaan. Deze bereikte haar doel vooreerst door binnen het traditioneel productiekader van het luxelaken nieuwe procédés toe te passen, die een zuiniger gebruik van de kostbare Engelse wol op het oog hadden, evenals een vereenvoudiging van het aantal bewerkingen, waaruit het succesrijk laken met 80 gangen te voorschijn kwam, zowel op basis van kam- als kaardwol. Een tweede uitweg bood zich aan door de officiële erkenning van de ‘kleine’ draperie, die zich als een innovatie aanmeldde, omdat ze slechts betrekking had op de productie van goedkope stoffen van lage kwaliteit en ze zich daardoor kon veroorloven afbreuk te doen aan alle mogelijke beperkingen die zo kenmerkend waren voor haar klassieke tegenhanger39.
Vanaf 1435 was men verplicht deze ‘nieuwe draperie’ in de stad te dulden, maar de fabricage van deze ‘kleine’ lakens moest gescheiden blijven van de productie van de traditionele Mechelse lakens uit de beste Engelse wolsoorten. Een reeks devaluaties vanaf 1466 en storingen op de Engelse lakenexport bezorgden de Mechelse lakenuitvoer naar Oost-Europa een laatste heropbloei tot omstreeks 1488. Tussen 1450 en 1475 werden zelfs opnieuw wevers en volders door de stad aangetrokken en steden als Leuven, Diest en Bergen op Zoom trachtten door de Mechelse technieken over te nemen hun lakenindustrie aan te passen. In vergelijking met andere centra heeft Mechelen dus beter weerstand geboden. De stad dankte dit ongetwijfeld aan haar voordelige commerciële positie. In 1273 zouden Mechelaars 1.776 zakken wol (bijna de helft van de export uit Engeland door de Zuid-Nederlanders) of meer dan 300 ton voor hun rekening nemen. Zij alleen waren bij machte per koopman partijen van 80 zakken en meer te exporteren. In de volgende eeuwen bleef de Mechelse wolhandel trouwens belangrijk voor steden als Leuven, Vilvoorde, Lier, Herentals en Bergen op Zoom40.
I.2.B.3. Overige industriële en ambachtelijke sectoren
Het belang van de veredelingsindustrie van Engelse lakens, die men in het midden van de 15de eeuw te Mechelen wilde invoeren ter vervanging van de kwijnende lakenproductie, moet echter niet te hoog worden aangeslagen. Bij de nieuwe poorters in de tweede helft van de 15de eeuw zijn de arbeiders in deze sector niet talrijk. In 1457 vormden de rood- en blauwververs samen nog slechts één corporatie.
Ook de linnenweverij slorpte een deel van de werkloosheid in de wolindustrie op en trok bovendien nieuwe poorters aan: tussen 1450-1475 meer dan zestig linnenwevers tegen 115 wolwevers. Enige uitvoer van Mechels linnen naar Engeland in de jaren 1460 is te vermelden.
Het Mechelse tapijtwerk was vooral bedoeld als meubelbekleding en gordijnen; de lakenwevers zochten er soms een bijverdienste in. Ofschoon in 1366 en 1418 Mechelse tapijten naar de jaarmarkten van Antwerpen en Bergen op Zoom werden verzonden, had de bedrijfstak niet veel gewicht. De belasting erop bracht weinig op en de sector trok nauwelijks nieuwelingen aan. Toch kregen de tapijtwevers in 1446 een eigen ambachtsreglement.
Het belang van de wevers in de ambachtsbijdragen, waaruit men het aantal van een bepaalde beroepsgroep kan afleiden, in 1436 is erg overdreven. Zij hadden zo hun reïntegratie in de stad afgekocht. De volders, talrijk maar financieel onmachtig, konden dit niet en vielen op die manier uit het gezichtsveld. Dit gold ook voor de vele niet-georganiseerde vaklui en ongeschoolde werkkrachten, waaronder in de lakenindustrie verbazend veel vrouwen. Hoe dan ook blijft de textielsector, zelfs volgens de inschrijvingen van nieuwe poorters, uitsteken boven de andere bedrijfstakken.
De kleer-, kous-, hoeden- en mutsenmakers lieten het laken dat zij verwerkten soms zelf vervaardigen. De kousmakers, die in feite hozen of broekkousen produceerden, exporteerden in 1339 hun eigen waren en lakens. In 1441 kregen zij gedaan vreemde lakens te mogen versnijden voor de export naar Frankfurt. De kleermakers waren even belangrijk, ondanks mededinging van de oudkleerkopers. De degelijkheid van het laken en de lage levensstandaard maakten de handel in tweedehandskledij een bloeiend bedrijf.
De bontwerkers, die onder meer vellen van konijnen, hazen, katten, lammeren en vossen bewerkten voor de voering van klederen, zo nodig wegens de gebrekkige verwarming, bezaten in 1321 een eigen verkoopshalle. Ook bereiders van perkament, in de 13de eeuw het belangrijkste schrijfmateriaal, waren bedrijvig te Mechelen, maar later werd het, zoals papier, uit Antwerpen aangevoerd. De huidvetterij was al evenmin gewichtig voor de tewerkstelling. Wegens de reukhinder waren de vetterijen buiten het centrum gelegen (onder meer in de huidige Huidevettersstraat). De vetters hadden een gemeenschappelijke schorsmolen en exporteerden hun leder onder meer naar Saint-Ghislain, Bergen, Gent, Bergen op Zoom en Antwerpen.
Het smedenambacht, dat als oudste corporatie in de processie voorop liep, groepeerde allerlei metaalbewerkers: paardensmeden (het paard was het belangrijkste vervoersmiddel), ijzerenkoffermakers, tinnenpotgieters, koperslagers, messenmakers, speldenmakers en goud- en zilversmeden, die ook tweedehandswaar verkochten. Van voor het midden van de 15de eeuw nam de koperindustrie in de Dijlestad toe, maar vooral de vestiging van een achttal koperslagers uit het in 1466 verwoeste Dinant betekende een sprong voorwaarts.
De kanonnengieterij en de klokkengieterij, die al in de 14de eeuw te Mechelen werden beoefend, vonden in de tweede helft van de 15de eeuw ook daarbuiten afnemers. Mechelaars leverden geschut en wapentuig aan de steden Zoutleeuw, Leuven en Dendermonde en aan het hertogelijke hof van Brabant. Mechelse messen- en speldenmakers waren op de jaarmarkten te Bergen op Zoom een niet geringe groep. Mechelse potgieters en handelaars in tin- en koperwerk liepen omstreeks 1320 met hun waar het platteland rond Mechelen af en verzonden koperwerk naar Antwerpen. In 1440 kregen de edelsmeden een nieuw reglement en in 1444 vormden de koperslagers een eigen vakgroep.
In alle middeleeuwse steden waren de houtambachten goed bezet, onder meer wegens de nood aan vervoermiddelen (karren, schepen), verpakking (tonnen, kuipen) en bouwwerken. Hout werd langs de rivieren aangevoerd uit Aarschot (Hageland), Brussel (Zoniënwoud) en Dordrecht (Balticum en Rijnland). Veel ervan werd hier gezaagd voor export naar Vlaanderen en voor de scheepsbouw (vermeld in 1286). Mechelaars verkochten in de 15de eeuw zelfs schepen te Antwerpen, vooral na 1445.
Opmerkelijk is dat er onder de nieuwe poorters meer strodekkers dan schaliedekkers waren; daarentegen waren leemplakkers zeldzaam. Mechelen had al in 1292 bij de Dijle een Tichelrie, een baksteenoven. In 1361 werden Mechelse tegels onder meer te Schoonoven benut. Mechelaars baatten groeven van witte steen uit te Affligem, Steenokkerzeel, Zaventem. De steen werd ook tot kalk gebrand. Vooral in de jaren 1470 kwamen Mechelse kalkschepen te Brugge toe.
Opvallend is het aantal hoveniers en landbouwers dat zich nog in de 15de eeuw te Mechelen vestigde. In 1469 verkochten Mechelaars kersen en erwtjes te Brussel. De Mechelse landwijn ondervond echter concurrentie van Rijnlandse en Franse wijnen en vooral van het verbeterde bier, onder meer ingevoerd uit Engeland, Hamburg, Zutphen en Bremen. Het Mechelse bier, wit of zwart, werd gebrouwen door brouwers of door de verbruikers, eventueel met een gehuurde brouwersgast. In de jaren ‘60-’70 van de 14de eeuw gingen de pachters van de bierbelasting vreemd, vermoedelijk Gouds bier invoeren, om het verbruik in de stad te stimuleren. Vanaf 1371 ging men in de stad zelf, naar het voorbeeld van Haarlem, gehopt bier brouwen, dat beter smaakte en bewaarde dan het gebruikelijke gruitbier, waaraan enkel gagel (een moerasplant) was toegevoegd. Vanaf 1320 liep het verbruik van het gruitbier terug, om omstreeks 1430 onbeduidend te worden. De mede, een uit honing gegiste drank, had al vóór 1400 veel afnemers verloren.
In duurteperioden werden de brouwers beperkingen opgelegd om de broodbevoorrading niet in gevaar te brengen. De graanhandel en broodverkoop waren in de 13de eeuw geconcentreerd in speciale hallen; bij het begin van de 15de eeuw mochten de bakkers ook in hun woning hun producten te koop aanbieden, mits zij het merkteken dat zij in hun broden moesten aanbrengen aan hun gevel uithingen. Particulieren konden in hun eigen oven bakken voor zichzelf en hun buren. De bewoners van Hever, Muizen, Hombeek, Heffen en Leest betaalden voor het voor eigen gebruik gebakken brood geen belasting.
Speciale verkoopshallen voor vlees bestonden te Mechelen (vóór 1220) en zelfs te Nekkerspoel (ca. 1300). In 1318 werden de Mechelse vleesbanken bij lottrekking verhuurd aan 36 vleeshouwers. Zij woonden grotendeels in de buurt. In 1441 bevestigde Filips de Goede dat de slagers tijdens de vasten met vis op de markt mochten staan en dat alleen hun zonen of dochters lid van het ambacht konden worden. In Leest, Heffen, Hombeek, Hever en Muizen mocht het ambacht telkens de enige slager aanduiden. Het toenemend vleesverbruik in de Late Middeleeuwen, de praktijk van het vetweiden in de welige Dijle- en Rupelbeemden en de door de erfelijkheid van het ambacht beperkte concurrentie maakten het vleeshouwersvak zeer winstgevend.
De visverkopers, ‘één van de notabelste ambachten van onze stad’, stonden met hun waren op de Visbrug bij het vleeshuis en met haring ook voor twee stadspoorten (Nekkerspoel en Sint-Katlijne). Zij bewerkten ook vis en haring voor doorvoer. De bevissing van de stadsgrachten werd aan de meest biedenden verpacht. Ook de verkoop van zuivelwaren trok kopers uit een wijde omgeving.
De haven- en marktfuncties van Mechelen stimuleerden allerlei gespecialiseerde bedrijven. De geldhandel en het transportwezen met zijn scheepstrekkers, zak- en manddragers, kruiwagenvoerders, kraanbedienaars, meters, tellers van vis en haring kunnen hier slechts worden vermeld. In 1436 waren er voor het zout alleen een twintigtal dragers.
Al in 1298 was er te Mechelen een apotheker gevestigd en de chirurgijns verenigden zich in 1438 in de corporatie van de HH. Cosmas en Damianus. Het kremersambacht verkocht de meest verscheiden waren van specerijen en kruiden tot spijkertjes en lint. De kruidhal is het normale toneel van hun handel.
Ook de vele administratieve diensten van stad, vorst, Sint-Romboutskapittel en kloosters boden menigeen een broodwinning41.
I.2.B.4. Stapelrecht42
a) Omschrijving en poging tot definitie
In zijn meest brede betekenis duidt de term ‘stapel’ op een plaats waar goederen worden opgestapeld. Het ‘stapelrecht’ lijkt de vrucht te zijn van de politiek van de laatmiddeleeuwse steden om het omringende platteland economisch te domineren en tegelijkertijd de eigen burgers te bevoordelen ten koste van vreemdelingen. Het ‘Gastenrecht’ verbood de detailhandel van vreemde kooplieden. Zij mochten enkel in het groot kopen en verkopen. Voor de detailhandel drong men hun met andere woorden plaatselijke tussenhandelaars op. De door de vreemde kooplieden aangebrachte goederen werden, vooraleer ze op een vastgestelde plaats te koop werden aangeboden, uit de schepen en karren geladen, gemeten en gewogen. Dit systeem dat deel uitmaakte van de bevoorradingspolitiek van de steden, droeg ertoe bij dat het prijsniveau van de aangeboden goederen op een aanvaardbaar peil bleef, zowel voor de handelaars als de consumenten. Het bestaan van die markten vereenvoudigde ook de controle op en de inning van vorstelijke en stedelijke tollen en verhoogde de opbrengsten van de stedelijke accijnzen, omdat de bewoners van het omliggende platteland wel verplicht waren zich op de lokale markten te komen bevoorraden. In een volgend stadium werden vreemde kooplieden vaak verplicht hun goederen gedurende een bepaalde periode in een stapelstad te koop aan te bieden, ook wanneer deze een andere eindbestemming hadden. Het is echter gevaarlijk het stapelrecht te herleiden tot een exponent van de stedelijke economische politiek die erop gericht was de eigen handelaars te bevoordelen ten koste van derden. Zo stelden vele belangrijke handelssteden die een stapel binnen hun muren hadden alles in het werk om vreemde kooplieden in de meest gunstige omstandigheden te ontvangen.
Indien we toch een definitie van het klassieke middeleeuwse stapelrecht moeten geven, kunnen we stellen dat dit recht erin bestond dat de handelaars in welbepaalde goederen, die gebruik maakten van een welbepaalde handelsweg, gelegen binnen een de jurisdictie van een stapelstad, verplicht werden hun reis te onderbreken en hun goederen op de stapelmarkt te koop aan te bieden vooraleer zij hun weg mochten vervolgen. In het geval van Mechelen werden de vreemde kooplieden die de stad stroomopwaarts wilden voorbijvaren met vis, zout of haver verplicht aldaar eerst hun goederen te lossen om ze vervolgens gedurende drie opeenvolgende getijden te koop aan te bieden. Wat dan nog onverkocht was, mocht verder landinwaarts worden gevoerd. Deze regeling gold essentieel voor het transport op de Dijle; het Zenneverkeer kon de stapelverplichting afkopen door het betalen van een doorvoerrecht dat te Heffen werd. Om ontduiking tegen te gaan werd in 1413 een ketting over de rivier de Zenne gespannen43.
b) Geschiedenis
Oorsprong
Oorspronkelijk genoot de stad Antwerpen het statuut van stapelplaats van vis: alle vis die in Brabant werd ingevoerd, moest eerst in de Scheldestad te koop worden aangeboden. Daarna pas mocht het overschot naar elders worden gebracht. Het enige middel om vis te bewaren was inzouten, nadat de kieuwen en ingewanden waren verwijderd. Aan de noordkant van de Sint-Jansvliet werd haring gepekeld. Geen enkele andere soort werd in zo grote hoeveelheden aangevoerd. Omdat zoveel zout nodig was voor het pekelen van vis, was Antwerpen sinds lang ook stapelplaats voor zout. Dat zout kwam hoofdzakelijk uit Zeeland en Frankrijk. Het Zeeuwse zout werd gewonnen door de verbranding van moergrond die doordrenkt was van zeezout. Het Franse zout kwam van de zuidkust van Bretagne en de Golf van Gascogne. Daar werd het gewonnen door de verdamping van zeewater44.
Mechelen ten tijde van de Berthouts
Bij het begin van de 13de eeuw lag het Luikse Mechelen als een vreemde enclave te midden van het Brabantse land, pal op de Zenne en de Dijle, de voornaamste verkeerswegen tussen Antwerpen, Brussel en Leuven. Daar de economische belangen van Mechelen in het omringende hertogdom Brabant lagen en niet in het verre prinsbisdom Luik, moest dit vroeg of laat aanleiding geven tot moeilijkheden. Die unieke en bijzonder strategische ligging van Mechelen werd door de Berthouts, de plaatselijke grootgrondbezitters en mede-heren van Mechelen, vrij snel onderkend. Zij deden al het mogelijke om de heerlijkheid aan het Luikse gezag te onttrekken om ze vervolgens in symbiose met het hertogdom en onder hun medegezag te laten opbloeien. Antwerpen daarentegen was een Brabantse stad en incorporeerde, zoals reeds gezegd, de stapels voor vis, haver en zout. Mechelen, als vreemde enclave te midden van Brabant, wenste zich voor zijn bevoorrading van deze goederen aan dit recht te onttrekken. De Brabantse hertogen, voor wie Mechelen, wegens zijn strategische ligging en economische bloei, een fel begeerd iets vormde, hadden hier wel oren naar. In de 13de en de eerste helft van de 14de eeuw hadden namelijk de Zuid-Brabantse steden, met inbegrip van Mechelen, onder impuls van het belangrijke handelsverkeer tussen Brugge en Keulen, een duidelijke voorsprong verworven op de steden in het noorden van het hertogdom. Dat verklaart waarom Mechelen voor de hertog heel wat meer economisch en politiek belang had dan Antwerpen. In hun pogen de Berthouts ook voor Mechelen tot leenmannen van Brabant te maken en zo de Dijlestad aan Luik te onttrekken, begonnen de hertogen de belangen van de Scheldestad op te offeren ten voordele van Mechelen. Zo verzocht in 1233 de oudste zoon van hertog Hendrik I, de Antwerpse magistraat om de Mechelse scheepvaart op de Schelde vrije doorvaart te verlenen45. Het Antwerpse stapelrecht kwam voor het eerst in het gedrang toen hertog Hendrik II (1235-1248) en Wouter Berthout V – die zich op dat moment gedroeg alsof hij en alleen hij heer van Mechelen was – een verdrag sloten, waarbij de vorst beloofde dat de met vis geladen schepen die voor Mechelen bestemd waren, in Antwerpen vrije doorgang zouden hebben. Om hen gerust te stellen, bepaalde de hertog dat het stapelrecht zonder enige twijfel van kracht was binnen de grenzen van het hertogdom, doch niet binnen de Luikse entiteit die Mechelen tenslotte toch was. Alzo bepaalde hij het recht van de stad als een louter Brabantse aangelegenheid, die door dat privilege ten gunste van Mechelen niet werd aangetast. Zo leken de kwestie rond de visstapel in der minne te zijn geregeld. Het waren dan ook problemen rond de zoutstapel die, vanaf 1255, de gemoederen deden verhitten.
In dat jaar namelijk had Hendrik III (1248-1261), zoon en opvolger van Hendrik II, Mechelen en enkele andere bezittingen in pand gekregen van de Luikse prins-elect, Hendrik van Gelderland. Wouter Berthout VI, die hoogst persoonlijk een deel van de pandsom had voorgeschoten, kreeg hierdoor van de hertog een deel van het pand in bezit, met name Mechelen en Heist. Wouter beloofde het pand aan de bisschop terug te geven van zodra deze de pandsom had terugbetaald.
Mogelijk zag Hendrik III in deze situatie een unieke kans om Mechelen nauwer aan het hertogdom te binden en hij besloot – om zijn nieuwe onderdanen te bevoordelen en ze zo gunstig te stemmen – dat de schepen die de Schelde en de Dijle opvaarden en geladen waren met waren die zij in Zeeland hadden ingescheept, niet meer te Antwerpen hun goederen aan wal moesten brengen en te koop aanbieden, maar vrij tot Mechelen konden doorvaren. Maar de maatregel werd echter nooit uitgevoerd, waardoor de stapels bij de Scheldestad bleven. De Antwerpenaren, die onmiddellijk inzagen welke nefaste gevolgen deze beslissing voor de eigen economie kon hebben, lieten dit namelijk niet zomaar gebeuren. Daar het stadsbestuur echter niet over geschreven documenten beschikte die een instellend of bevestigend karakter aan de stapels verleenden en bijgevolg als bewijsmateriaal konden fungeren, diende de stedelijke overheid terug te vallen op de costuymelijkheid, het gewoonterecht. Daarom deden de Antwerpse schepenen een beroep op de andere Brabantse steden, en voornaamste handelspartners van de stad, opdat deze geschreven verklaringen zouden afleveren die de rechten van de Scheldestad op de zoutstapel zouden bevestigen. In een tijdspanne van enkele weken gaven Brussel, Tienen, Aarschot, Turnhout, Herentals, Oosterwijk, ’s Hertogenbosch, Breda, Hoogstraten, Lier, Zierikzee en Leuven gehoor aan deze oproep en zij bevestigden allen het bestaan van de Antwerpse zoutstapel. Zo wisten ze de vorst van zijn plan af te brengen. Een factor die waarschijnlijk evengoed zorgde voor de niet-uitvoering van de beslissing, was dat Hendrik II geen verdere ruzie wilde zoeken met de Antwerpenaren omwille van een stad die hem toch ontsnapte. Hij moest Mechelen immers het jaar nadien, in 1260, teruggeven aan de Luikse bisschop, die, tegen alle verwachtingen in, erin geslaagd was zijn schulden aan te zuiveren.
Begin 14de eeuw
Tijdens de tweede helft van de 13de eeuw bleef alles verder opvallend rustig rond de stapels. In het begin van de 14de eeuw trad de stapelkwestie echter opnieuw op de voorgrond.
In 1300 kwam de stad Mechelen, samen met Heist, opnieuw als leen van de Luikse bisschop in handen van de Brabantse hertog, nu Jan II (1276-1312), zoon van Jan I en Margaretha, die een dochter was van de Engelse koning Edward I. Zodra Mechelen weer Brabants werd, moesten de inwoners hun vis, zout en haver in principe in Antwerpen kopen, net als alle andere Brabanders. Maar omdat de hertog de stad op zijn hand wilde krijgen en hij in onmin leefde met zijn Antwerpse onderdanen, liet Jan II, samen met Jan Berthout, de inwoners van de Dijlestad – met de grote keure van 13 december 1301 – hun eigen, kleine stapels houden. In de Scheldestad weerklonk luid protest: voor de Antwerpenaren waren de stapels een voorrecht. De hertog reageerde echter niet op deze Antwerpse aanklacht en bleef bij zijn besluit. Dat betekende een ernstige bedreiging voor de economie en de handelsbelangen van de Scheldestad. Aangezien Mechelen de toegang tot de binnenwateren van het hertogdom beheerste, gaf de vorstelijke maatregel de Mechelaars immers de kans om het hart van Brabant voortaan zelf te bevoorraden.
In de vroege zomer van 1302 braken in Antwerpen rellen uit. Er vloeide geen bloed, maar de stad was in rep en roer en de sfeer dreigend. Poorters die niet bij de opstand betrokken wilden raken, namen de benen. De schout en de schepenen kozen partij voor wet en orde, voor de hertog. Een lang leven was de opstandige beweging echter niet beschoren: nog vóór 17 juni keerde de rust weer. De hertog verscheen in hoogsteigen persoon. Hij legde de Scheldestad, zijn eigen aanhang incluis, een zware boete op. Ook werden de ergste heethoofden bij wijze van voorbeeld terechtgesteld. Kort daarop kwam het ook in Mechelen tot een opstand van het gemeen tegen de leidende families. Deze opstand had een meer uitgesproken sociaal karakter dan het Antwerpse oproer. Ook hier riep het patriciaat de hertog te hulp. Maar de stad was in handen van het volk en sloot haar poorten. Hierop, gesteund door de krijgsmacht van zijn andere steden – o.a. troepen uit Antwerpen, Lier en het land van Rijen –, belegerde hertog Jan II Mechelen, waarna de stad gedwongen werd zich over te geven. Omdat die van Mechelen veilig achter hun muren zaten, stationeerde de hertog soldeniers langs de waterwegen die de opstandelingen nodig hadden voor hun bevoorrading. Nadat enkele schermutselingen slecht voor hen waren afgelopen, vatten de Mechelaars het plan op om binnenschepen te verbouwen tot oorlogsbodems en zo naar Antwerpen te varen om daar voedsel buit te maken. Eind mei of begin juni vaarde de kleine Mechelse vloot bij nacht uit. Langs Dijle en Rupel ging het naar de Schelde. Maar Jan II was op de hoogte en stuurde schepen naar Rupelmonde en verwachtte ook hulp uit Antwerpen. Even stroomafwaarts van Rupelmonde, vóór zonsopgang, barstte de strijd op de Schelde los. Om negen uur, waneer het hoge tij opkwam, verscheen de versterking uit de Scheldestad. De kroniekschrijver Jan van Boendale zou in zijn Brabantse Yeesten schrijven:
Die van Antwerpen quaemen doe
vromelic geronnen toe
ende ghinghen scieten, warpen ende slaen,
soe dat die van Mechelen moesten gaen
tonder.
De Mechelse boten liepen vast. Vele bemanningsleden sneuvelden in de strijd, verdronken. Anderen werden door de Antwerpenaren krijgsgevangen genomen. Slechts een klein contingent kon ontkomen en terugvaren naar de stad. Zo werd Mechelen gedwongen zich over te geven. De stad verzoende zich met de hertog, maar behield eens te meer haar zout-, vis- en haverstapel46. In 1306, met de terugkeer naar de Luikse bisschop, verloor Mechelen echter opnieuw – net als in 1260 (cf. supra) – de van de hertog verkregen gunsten.
Om situaties als in de jaren 1260 en 1301 in de toekomst te vermijden, deed Antwerpen een beroep op de Rooms-Duitse keizer Hendrik VII (1308-1313). Hij bevestigde hen, op 23 en 30 oktober 1309, het behoud van hun stapels. Een keizerlijke wet had in de 14de eeuw echter niet meer de autoriteit die ze had enkele honderden jaren tevoren. Ook wanneer, in 1313, vier maanden na de dood van Hendrik VII, graaf Willem I op zijn beurt door de Luikse bisschop Adolf van der Marck met Mechelen beleend werd, beloofde de Henegouwer, zonder ook maar een ogenblik rekening te houden met de beslissing van de pas overleden keizer, dat de stapels terug naar Mechelen moesten komen. De Antwerpenaren lieten echter niet zomaar betijen en wisten ook deze keer de stapels in hun eigen stad te houden.
Tijdens de hieropvolgende periode bleef de politieke situatie wankel. Mechelen ging van de ene hand over in de andere. Van hoe de stapelkwestie in deze tijd evolueerde, is weinig bekend, en dit tot aan de periode van Lodewijk van Male, rond 135647.
Situatie onder Lodewijk van Male, graaf van Vlaanderen
Hertog Jan III (1312-1355), zoon van Jan II, overleefde zijn drie zonen. Daarom liet hij het hertogdom Brabant na aan zijn oudste dochter Johanna, die getrouwd was met Wenceslas van Luxemburg (1337-1383), broer van de Rooms-Duitse keizer, Karel IV. Deze regeling stemde overeen met de wens van de steden en de adel om aldus een verdeling van het hertogdom te voorkomen. De andere dochters van Jan III werden met een geldsom schadeloos gesteld. Margareta, sinds 1347 vrouw van de Vlaamse graaf Lodewijk van Male, moest 120.000 gouden schilden krijgen. Lodewijk was niet echt blij met het aantreden van Wenceslas. Hij aasde op Mechelen. Daarop stuurde hij alvast agenten naar de stad om de inwoners voor zich te winnen. Zijn voornaamste belofte was dat ze vrije vaart kregen op de Schelde en dat ze zich niets hoefden aan te trekken van de Antwerpse stapels. Tegelijk vaardigde de graaf onderhandelaars af naar Luik. Daar zetten zij de prinsbisschop ertoe aan Mechelen aan hem in leen te geven. Wanneer Wenceslas en Johanna uiteindelijk niet in staat bleken het erfdeel van Lodewijks vrouw uit te keren, eiste hij, conform de bepalingen van een geheime overeenkomst uit 1347 – die bepaalde dat Lodewijk, na de dood van Jan III, Antwerpen en Mechelen zou erven, in ruil voor de tijdelijke afstand van de grafelijke rechten op Mechelen ten gunste van de oudste zoon van Jan III – beide steden voor zich op.
De onrust in Brabant was groot op dat moment. Wenceslas zocht tevergeefs steun bij de koning van Engeland. Op 15 juni 1356 stuurde Lodewijk van Male, om zijn eis kracht bij te zetten, de hertog een oorlogsverklaring. Tegelijk verbood hij zijn onderdanen nog langer met Brabant handel te drijven. Daarop viel Lodewijk het hertogdom binnen48. Hij werd hierin gesteund door de Vlaamse steden met hun gildenlegers, omdat zij bevreesd begonnen te worden voor de concurrentie van het opkomende Antwerpen voor hun handel49.
Te Asse, nabij Brussel, kwamen het Vlaamse en het Brabantse leger tegenover elkaar te staan. Het kwam echter niet tot een veldslag: Wenceslas bond in en stond Mechelen af aan de gravin van Vlaanderen. Lodewijk was tevreden, maar hij wou meer. Hij trok verder Brabant binnen, en met succes: zegevierend trok Lodewijk door Brabant. Hij bezette Antwerpen, Brussel, Mechelen, Leuven en Tienen en riep zichzelf uit tot hertog. Op 20 augustus 1356 deed Lodewijk van Male zijn intrede te Mechelen. In de oorkonde, die hij aan de Dijlestad verleende om dit feit te gedenken, bevestigde de graaf plechtig alle privileges, vrijheden, rechten en arresten, evenals de gewoonten en gebruiken, die van kracht waren binnen de stad, “speciaellic vischmaerct, havermaerct ende zoutmaerct…”, die hij als Mechelse verworvenheden beschouwde. Samen met deze bevestiging verleende hij de Mechelse schippers tevens de vrije doorvaart op de Schelde, “zonder upslach…”, met andere woorden zonder zich nog langer om de Antwerpse stapelrechten te bekommeren. Door dit privilege werden de stapelmarkten voor vis, zout en haver de facto van de Schelde- naar de Dijlestad overgebracht; vervolgens konden zij, dankzij een sterk uitgebouwde transportinfrastructuur, instaan voor de vis-, zout- en haverbevoorrading van Brabant ten zuiden en ten oosten van Antwerpen, waardoor bijgevolg deze handel voor de Scheldestad verloren ging. Daardoor trad Mechelen, als draaischijf voor de handel in de drie producten, in plaats van Antwerpen, die hierdoor naar het achterplan werd verdrongen.
Een groot gebied bezetten met de militaire middelen van de 14de eeuw is moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk. Daarenboven was niet heel Brabant in handen van Lodewijk van Male: uitgestrekte delen van het land bleven Wenceslas trouw. Zo gauw de graaf van Vlaanderen, in september 1356, naar Parijs was vertrokken om er een vergadering van de voornaamste leenmannen van de Franse koning bij te wonen50, sloeg de situatie om. Leuven schaarde zich opnieuw achter Wenceslas en Johanna, en op 24 oktober werd Brussel door het hertogelijke paar heroverd; vier dagen later kwam ook Antwerpen opnieuw onder Brabants gezag. Mechelen bleef in handen van de Vlaamse graaf.
Toch besefte Wenceslas dat hij deze oorlog niet kon winnen en naar goede middeleeuwse gewoonte vroeg hij de graaf van Holland en Henegouwen, Willem V, om een scheidsrechterlijke uitspraak. Op 4 juni 1357 sloten Vlaanderen en Brabant de Vrede van Aat. Die bepaalde onder meer dat de gravin van Vlaanderen Mechelen en Antwerpen in leen kreeg van de hertog van Brabant, die markgraaf bleef en die zij er hulde zouden om doen. De inwoners van beide steden moesten aan haar en aan haar momboor of voogd, haar man Lodewijk dus, een eed van trouw afleggen. Op 2 juli 1357 hielden Lodewijk en Margareta hun intocht in Antwerpen. De bevolking ontving de graaf van Vlaanderen erg koel. De schepenen wezen hem erop dat de Scheldestad zijn stapels in leen hield van de keizer en dat hij niet het recht had ze aan de Mechelaars te geven.
Ondanks het feit dat nu zowel de Schelde- als de Dijlestad Vlaams bezit waren, bleef de strijd tussen beide steden om het bezit van de stapels voor vis, zout en haver voortduren. Uiteindelijk, in augustus 1358, drong de graaf zich op als scheidsrechter en hij beval beide partijen alle documenten betreffende de kwestie, die zich in hun bezit bevonden, aan hem voor te leggen. Lodewijk slaagde er tevens in de overheden van beide steden ertoe te bewegen zijn uiteindelijk vonnis te aanvaarden. Na alle documenten grondig te hebben bestudeerd en nadat hij zijn voornaamste raadgevers, evenals de vertegenwoordigers van Gent, Brugge en Ieper had geconsulteerd, sprak de Vlaamse vorst op 13 september 1358 recht in de abdij van Sint-Winoksbergen. De graaf bepaalde “dat de vischmaerct, zoutmaerct, havermaerct, ende alrehande vlot, bliven sal onser voorseide stat van Mechline, alsoot hare privilegien verclaren wel”. Wel mochten de Antwerpenaars zoveel vis, zout en haver uit de voorbijvarende schepen nemen als ze nodig hadden voor eigen gebruik.
Antwerpen was zijn stapels voorgoed kwijt51, ten voordele van Mechelen. Theoretisch betekende dit dat Mechelen het leeuwendeel van de handel in die goederen langsheen Dijle, Demer, Gete en Zenne naar zich trok en hét distributiecentrum voor vis, zout en haver werd. De handelaars uit Lier, Leuven en Vilvoorde kochten hun vis, zout en haver niet langer te Antwerpen, maar in de Dijlestad, de echte draaischijf van de interne Brabantse handel. Aangezien zowel de Dijle- als de Scheldestad sedert 1357 onder Vlaanderen ressorteerden, zag Antwerpen zich verplicht de handel langs de vier bovengenoemde rivieren te beperken tot goederen die buiten het Mechelse marktprivilege vielen, in casu leder, pels en bont, pek, vlas, Nederlandse en Noord-Duitse bieren en, niet te vergeten, steenkool uit Engeland52. Hierdoor kwam Antwerpen ten opzichte van Mechelen in een vergelijkbare positie als Sluis ten opzichte van Brugge.
Zestien jaar later, in 1374, beklaagden de Mechelaars zich bij Lodewijk van Male over het feit dat de Antwerpenaars het vonnis van 1358 niet respecteerden. Ze beschuldigden er de Antwerpse visventers van haring en andere vissoorten aan zee en op plaatsen in het binnenland te hebben gekocht, met het oog op verkoop in de Scheldestad en op meer plaatsen in Brabant. Tevens verweten ze de Sinjoren haring te hebben genomen uit schepen met bestemming Mechelen, zonder een verplicht staal van de weggenomen vis achter te laten. De Antwerpenaars hadden zich ook herhaalde malen veel meer vis toegemeten dan ze nodig hadden voor hun eigen consumptie; het gebeurde ook dat ze in de Dijlestad hun vis niet méér wilden betalen dan de vraagprijs voor de vis van de laagste kwaliteitsklasse. Het was dan zelfs al gebeurd dat Mechelse schippers, geladen met zout of haver, in de Scheldestad werden tegengehouden, zodat de lading op de Antwerpse markt te koop kon worden aangeboden. Deze praktijken waren, volgens de Mechelaars, ongehoord en in contradictie met de Mechelse privileges en met het grafelijke vonnis van 1358. De Antwerpenaars antwoordden hierop door te stellen dat hen de laatste tijd niets ter ore was gekomen dat niet in overeenstemming was met de aloude gebruiken en rechten van de Scheldestad. Opnieuw was het de graaf die als scheidsrechter diende op te treden. Om zo onpartijdig mogelijk te kunnen oordelen, zou hij zijn gedeputeerden naar beide steden zenden, om ter plaatse alle documenten hieromtrent te dupliceren. Toen ze dit vernamen, begonnen de Antwerpenaars onmiddellijk, net zoals in 1258, getuigenissen te verzamelen, die de rechten van de Scheldestad op de drie stapels bevestigden. Op 24 juli bevestigde Arnoud, heer van Kruiningen en Nieuwland, evenals de stedelijke overheid van Bergen op Zoom de Antwerpse stapelrechten. Op 25 juli waren Steenbergen, Valenciennes en Gorinchem aan de beurt. Een dag later bevestigde de vrijheid van Hoogstraten de Antwerpse stapelmarkten. Op 27 juli deden Leuven, Brussel, Herentals, Dordrecht en Dendermonde hetzelfde, net als Gent en Vilvoorde op 28 juli 1374. Nadat de graaf in kennis was gesteld van alle geschriften en na het advies van zijn voornaamste raadslieden te hebben ingewonnen, velde hij, op 30 juni 1376 – dus bijna twee jaar later – een arrest. Acht Antwerpse handelaars werden schuldig bevonden aan de eerste aanklacht – de verkoop van vis op meer plaatsen met het oog op de verkoop ervan – en uit hun ambt ontzet. Tevens werd de schout van Antwerpen opdracht gegeven al hun bezittingen te confisqueren. De overige aanklachten werden onontvankelijk verklaard, daar de Mechelaars niet in staat waren geweest de vermeende overtreders met naam en toenaam te noemen.
Filips de Stoute en zijn zonen
Met het overlijden op 29 januari 1384 van Lodewijk van Male, verloor Mechelen een sterk medestander in de twist omtrent de stapelkwestie. Zijn vrouw Margareta was dan al enkele jaren dood. Ze werden opgevolgd door hun dochter, ook een Margareta. Zij was getrouwd met de vierde zoon van de Franse koning, hertog Filips van Bourgondië (1364-1404), bijgenaamd ‘de Stoute’. Margareta erfde de graafschappen Vlaanderen en Artesië, Nevers, Rethel en Franche-Comté, die zij vanaf dan samen met haar man zou besturen.