De verreikendende kijk van Manu Ruys op Congo over de periode 1958-2000. (Lore Bertrem)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

Deze eindverhandeling draagt de titel ‘De verreikende kijk van Manu Ruys op Congo over de periode 1958-2000’.

In eerste instantie duidt ze op een beeldvormingsonderzoek, dat van Manu Ruys over Congo.[1] Maar er is sprake van de verreikende kijk van Manu Ruys, waarmee de boven-evenementiële ambities van dit onderzoek blootgelegd worden.

 

De laatste jaren is er steeds meer onderzoek verricht naar beeldvormingsprocessen en wel in eerste instantie vanuit de geschiedenis van de minderheden en de zogenaamde ‘postkoloniale’ geschiedenis. Mensen houden zich overal ter wereld, al sinds mensenheugenis, bezig met het begluren en evalueren van zichzelf, hun buurvolkeren of de volkeren waarmee ze, om welke reden dan ook, mee in contact komen. De classificatie van volkeren en culturen als ‘de’ anderen heeft een belangrijke identiteitsconstruerende functie: door het anders zijn van anderen te bepalen, bepalen wij tegelijkertijd het eigene van onszelf. ‘De’ anderen zijn wat wij niet (willen) zijn.[2] Onmiskenbaar vinden machtsverhoudingen tussen groepen zeer snel hun weerslag in de wijze waarop groepen elkaar afbeelden, opvatten en behandelen. De verhoudingen weerspiegeld in de beeldvorming van wij over ‘de’ ander zijn daarom geen verhoudingen van dialoog maar van overheersing. De verbeelding van Afrika wortelt in deze lange traditie van interpretaties van ‘de’ ander, net zoals de manier waarop vandaag in België over migranten gesproken wordt (de beeldvorming van een dominante groep over een overheerste groep). Blommaert en Verschueren wijzen er in Het Belgische migrantendebat bovendien op dat er tal van gelijkenissen bestaan tussen de (Belgische) benadering van de migranten en de (Belgische) koloniale benadering van de Afrikaan, wat de continuïteit van de imaginaire aanwezigheid van ‘de’ ander in de Europese verbeelding bevestigt.[3] Deze thesis bevraagt de continuïteit in Ruys’ verbeelding van Congo. Om hierop een afdoend antwoord te vinden, kan aan de volgende onderzoeksvragen niet voorbij gegaan worden: wat waren de verspreide denkbeelden over Afrika in de koloniale periode en in de periodes ervoor, en hoe kwamen zij tot uiting? Welke veranderingen bracht de dekolonisatie hierin teweeg? In welke mate verandert het beeld over ‘de’ ander, en de manier waarop dit beeld geformuleerd wordt? In welke mate gaat dit alles op voor de geschriften van Manu Ruys? De aangewende benadering hierbij is taalkundig. Immers taalveranderingen weerspiegelen veranderingen in mentaliteit. Tegelijkertijd worden inhoudelijke veranderingen op de voet gevolgd. De interactie tussen de linguïstische en de inhoudelijke veranderingen is evident en duidelijk merkbaar. In functie van de inhoudelijke wijzigingen dienen een aantal andere vragen beantwoord te worden: waar gaat Ruys’ aandacht naartoe, aan welke gebeurtenissen en/of figuren hecht hij veel belang? Wat schrijft hij over deze ‘aandachtspunten’? Hoe worden deze ‘aandachtspunten’ geëvalueerd? Op deze wijze (combinatie van taal en inhoud) kan nagegaan worden in hoeverre Ruys als een exponent van het traditionele beeldencomplex kan beschouwd worden of in omgekeerde bewoordingen uitgedrukt, in welke mate de mentale dekolonisatie bij Ruys reeds plaats vond.

‘Verreikend’ slaat dus enerzijds op de continuïteit met vroegere denkbeelden. Anderzijds duidt het woord op de omvangrijke reikwijdte van de conclusies van dit onderzoek. Het betreft hier de vraag naar de representativiteit van een onderzoek dat zich toespitst op één individu. Kan het bestudeerde individu als typisch beschouwd worden of niet? Geldt Manu Ruys als een representatieve vertegenwoordiger van de Belgische bevolking (of een deel ervan)? Zijn de resultaten van deze analyse op microniveau (het beeld van Manu Ruys over Congo) transponeerbaar naar een macroniveau (het beeld van de Vlaamse, Belgische, Europese, westerse bevolking)? De situering van Manu Ruys in de communicatieve economieën zal uitwijzen dat hij inderdaad als representatief kan beschouwd worden voor een hele maatschappelijke laag. Dit betekent dat de resultaten van dit onderzoek allesbehalve beperkt zijn tot de leef- en denkwereld van Manu Ruys. Het maakt eveneens duidelijk dat de geleverde commentaar allerminst bedoeld is als een persoonlijke aanval aan het adres van Ruys. De keuze voor Ruys heeft alles te maken met het feit dat hij een representatieve en verantwoordelijke figuur is en niet met zijn individu op zich. De betrachting van deze thesis is sociale kritiek te leveren, geen individuele kritiek.

Deze scriptie gaat niet primair over Congo, maar over het beeld dat Ruys in zijn geschriften van Congo schetst. Dit beeld documenteert veeleer de ideeën, waarden, verwachtingen en verlangens van Ruys en zijn lezers dan de Congolese etnografische realiteit. Evenzo dient het gevaar van de hercontextualisatie in rekening gebracht worden. Deze dreiging kan afgewend worden door de denkbeelden over Congo te plaatsen tegen de concrete historische achtergrond van de periode waarin ze zich voordoen. Op die manier wordt het onderzochte beeld niet ontdaan van de politieke en ideologische dimensies die haar definiëren. Concreet betekent dit bijvoorbeeld dat uitspraken van Ruys uit de jaren 1960, niet zomaar mogen overgeplant worden naar de huidige context en als racistisch bestempeld worden. Een dergelijke werkwijze en redenering wens ik ten stelligste uit de weg te gaan.

Inzicht in de eigen cultuur vormt de eerste stap om niet-westerse landen en hun geschiedenis op een andere manier te benaderen. Door het analyseren van de geschriften van een erg gewaardeerde figuur als Manu Ruys wens ik aan te tonen dat de manier waarop wij Afrika benaderden en dat vandaag nog doen, doordrenkt is van een hardnekkig racisme. Onze houding en berichtgeving ten overstaan van vooral de zogenaamde “Derde Wereld” is er één die ongelijkheid impliceert en gericht is op het behouden van het status-quo. Het gaat daarbij niet zozeer over het klassiek, biologisch racisme maar over cultureel racisme. De verenging van het begrip racisme tot de biologische component heeft ervoor gezorgd dat het racismedebat uit de openbaarheid verdwenen is, terwijl meer subtiele vormen van cultureel racisme een uitbreiding kennen en verfijnd worden. Met deze thesis wil ik dus een bijdrage leveren aan de bewustwording van de eigen beeldvorming van ‘de’ ander. Toch dient opgemerkt te worden dat opklaring van de beeldvorming, hoewel een noodzakelijke voorwaarde, geen voldoende voorwaarde is voor positieverbetering van de gestereotypeerde groep. Zo stelt Nederveen Pieterse dat het elimineren van stereotiepe beeldvorming in het openbare leven in de Verenigde Staten publieke normen verlegd heeft, maar dat de sociale verhoudingen wat racisme betreft niet radicaal veranderd zijn. Daarvoor is meer nodig dan enkel ‘beeldhygiëne’.[4]

Deze eindverhandeling bestaat uit vijf delen. In het eerste deel (Benaderingswijzen) wordt uitgelegd op welke wijzen het onderzoeksobject benaderd wordt. Het gaat om een taalkundig, exemplarisch beeldvormingsonderzoek. Het tweede deel (Manu Ruys) tracht Manu Ruys zo duidelijk mogelijk te situeren in de communicatieve economieën. Dit is noodzakelijk om de reikwijdte van het onderzoek precies te bepalen. Het derde deel (De verbeelding van ‘de’ ander) bestaat uit een theoretische uiteenzetting over de problematiek van de verbeelding van ‘de’ ander. Hoewel de ‘kolonialistische’ verbeelding van Afrika hier ruime aandacht krijgt, ligt de focus vooral op het breukpunt dat de dekolonisatie lijkt te vertegenwoordigen en op de ‘postkolonialistische’ beeldvorming die tot op heden van kracht is. In het vierde deel (De analyse van de geschriften van Manu Ruys) probeer ik in negen hoofdstukken de woordelijke en inhoudelijke continuïteit/veranderlijkheid, wat betreft Ruys’ verbeelding van Congo, op basis van zijn geschriften te onderzoeken. Deel vijf (Conclusies) biedt een overzicht van de belangrijkste vaststellingen uit de andere vier delen. Vooral de vaststellingen van het vierde deel komen uitgebreid aan bod. Als finale afsluiter volgt een eindconclusie.

 

 

Deel I: Benaderingswijzen

 

1.1. Inleiding: mentaliteit-cultuur-ideologie

 

Het is erg moeilijk te weerstaan aan de verleiding deze begrippen door elkaar te gebruiken en het is al even moeilijk deze begrippen van een passende omschrijving te voorzien, niet in de minste mate omdat ‘mentaliteit’, ‘cultuur’ en ‘ideologie’ inzet van strijd geweest zijn of dat nog steeds zijn. Omwille van de duidelijkheid en dus ook de wetenschappelijkheid van mijn onderzoek, ben ik toch genoodzaakt deze drie termen zo goed en zo kwaad mogelijk toe te lichten.

In de jaren 1960 en 1970 maakte een geschiedschrijving opgang die zich richtte op het mentale. De term ‘mentaliteitsgeschiedenis’ is van Franse origine. Volgens de pionier Mandrou houdt het begrip mentaliteit het volgende in: “Een mentaliteit is eigen aan een groep. Ze bestaat enerzijds uit de voorstellingen die een groep zich maakt van de wereld en van de maatschappij waarin zij leeft, en anderzijds uit collectieve gedragspatronen zoals rituelen, waarin deze voorstellingen worden uitgedrukt en aan volgende generaties overgedragen. Een mentaliteit heeft naast cognitieve ook affectieve componenten. De leden van een groep kunnen deelhebben aan een bij die groep horende mentaliteit zonder dat zij zich daar (geheel) van bewust zijn”.[5] Deze omschrijving was echter niet standvastig, waarmee ik bedoel dat steeds andere definities en omschrijvingen het begrip ‘mentaliteit’ kenmerkten. Künzel spreekt van ‘mentaliteit’ als een tijdelijke hulpconstructie, dat vervangen werd door ‘cultuur’ als kernbegrip in de historische antropologie (die op haar beurt het begrip ‘mentaliteitsgeschiedenis’ verving). Het definitieprobleem was daarmee niet van de baan, integendeel er zijn al meer dan 162 definities van het begrip ‘cultuur’ voorhanden. Twee beschrijvingen had ik hier graag als richtlijnen vermeld. De eerste is de definiëring van ‘cultuur’ opgenomen in de Van Dale, de tweede is een omschrijving door Kloos voorgesteld.

Cultuur: 0.1 het verbouwen van gewassen 0.2 beschavingðcivilisatie, 0.3 op een voedingsbodem gekweekte bacteriën (uitgave 1993, blz. 210). Het spreekt voor zich dat enkel de betekenis 0.2 hier van belang is.

Kloos stelt dat cultuur ten eerste niet tot de erfelijke biologische uitrusting van de mens hoort, maar wordt aangeleerd. Het is ervaringskennis, die niet door eigen ervaring hoeft te worden opgedaan, maar in symbolische vorm, vooral door middel van taal, kan worden overgedragen en aangeleerd. Ten tweede is cultuur eigen aan samenlevingen of delen daarvan. Hoewel cultuur gedragen wordt door individuen, heeft ze een boven-individueel, collectief karakter. En ten derde wordt cultuur gekenmerkt door een zekere samenhang en systematiek.[6]

De Van Dale geeft een normatieve invulling van het cultuurbegrip, waarin cultuur fungeert als een kwalitatieve graadmeter (blijkt duidelijk uit de definitie van ‘beschaving’, zie hiervoor Deel III: De verbeelding van ‘de’ ander). Kloos vult het cultuurbegrip eerder descriptief in, waardoor het waardegeladen karakter van de eerste definitie grotendeels ontbreekt. ‘Cultuur’ wordt niet zozeer beschouwd als een bijdrage tot de algemene verheffing van de mensheid (de vooruitgangsidee zit hier duidelijk in vervat), maar als een institutie die een (ordelijke) samenleving mogelijk maakt. Het onderscheid tussen ‘hogere’ en ‘lagere’ culturen wordt niet gemaakt.[7] De historische antropologie is dat onderdeel van de geschiedwetenschap dat gericht is op cultuur, opgevat zoals in de omschrijving van Kloos.

Voor het begrip ‘ideologie’ beroep ik mij op de betekenis die Blommaert en Verschueren aan deze term verlenen in Het Belgische migrantendebat. Zij verstaan onder ‘ideologie’ het gemeenschappelijk referentiekader van een groep mensen. Een gemeenschappelijk referentiekader omvat wat ‘normaal’ is binnen een groep, d.w.z. een reeks veronderstellingen omtrent sociaal gedrag dat aanvaardbaar is, onproblematisch en natuurlijk. Daarom is het voor de leden van de groep zelf nauwelijks zichtbaar.[8] Zo menen Blommaert en Verschueren dat de overheersende ideologie omtrent samenleven (binnen de grenzen van de natiestaat) in het Westen het homogeneïsme is (volgens dewelke de ideale maatschappij zo gelijkvormig mogelijk moet zijn).[9] En net zoals racisme een ideologisch fenomeen is, kan beeldvorming als een ideologisch proces omschreven worden (meer uitleg volgt hierover in ‘Verantwoording taalkundige benadering’).

Deze korte uiteenzetting moet ten eerste duidelijk maken waarom ik het begrip ‘cultuur’ prefereer boven het begrip ‘mentaliteit’, en ten tweede dat ikzelf ‘cultuur’ begrijp zoals in de omschrijving van Kloos.[10] Het spreekt voor zich dat het onderzoek zal moeten uitmaken in welke betekenis Ruys deze term gebruikt. Het begrip ‘ideologie’ zal gehanteerd worden in de betekenis zoals voorgesteld door Blommaert en Verschueren. Beeldvorming zal in eerste instantie als een ideologisch proces opgevat worden.

 

 

1.2. Aanzet tot een gecombineerde benaderingswijze

 

Volgens Nederveen Pieterse moet de eerste vraag die gesteld wordt in een beeldvormingsonderzoek, deze zijn naar de identiteit van de zender enerzijds en van de ontvangers anderzijds. Wie was Manu Ruys en welk publiek bereikte hij met zijn teksten? Uit deze vraagstelling blijkt duidelijk de exemplarische benadering van mijn onderzoek. Het accent ligt op een ‘afzonderlijk geval’, op een individu, met name Manu Ruys. Een sterke kant van exemplarisch onderzoek is dat de onderzochte individuen en fenomenen in hun concreetheid beschreven worden, wat de resultaten van het onderzoek iets directs en levensechts geeft. Hét grote gevaar echter dat van het gebruik van een dergelijke methode uitgaat, is de verleiding zich te verliezen in een detailstudie, waardoor het zicht op meeromvattende verbanden verduisterd wordt. Künzel meent dat deze zwakte kan ondervangen worden door duidelijkheid te verschaffen over de precieze aard van de relatie tussen het onderzochte ‘afzonderlijk geval’ en de grotere gehelen waarvoor volgens de onderzoeker de conclusies gelden waartoe hij/zij gekomen is op grond van dat onderzoek. De aanspraak op algemeenheid die van het onderzoek uitgaat, dient m.a.w. geëxpliciteerd te worden. Deze specificatie zou, binnen de grenzen van het mogelijke, in twee opzichten moeten gebeuren: enerzijds in de tijd (in welke periode en hoe lang deden zich fenomenen voor die vergelijkbaar, verwant of identiek waren met het onderzochte exemplarisch geachte fenomeen?) en anderzijds in de ruimte (in welk gebied deden die fenomenen zich voor?)[11]

Zoals reeds aangestipt, omschrijf ik mijn onderzoek als een beeldvormingsonderzoek. Dit betekent dat het onderzoek zich toespitst op het element beeldvorming, dat beeldvorming als segment uit de westerse cultuur gelicht wordt en als afzonderlijk cultuurelement gevolgd wordt. De zwakte van deze benaderingswijze is dat culturen als gehelen buiten beeld dreigen te blijven. Het gevaar bestaat m.a.w. dat het synchrone aspect verwaarloosd wordt ten voordele van het diachroon aspect. Het bewustzijn van dit gevaar is al een eerste stap in de goede richting om niet aan die verleiding toe te geven; er nauw op toezien dat het uitgesplitste cultuurelement gesitueerd wordt in de cultuur als geheel, doet de omvang van het onderkende gevaar drastisch verkleinen.

Heel concreet betekent dit alles: in mijn onderzoek bestudeer ik het fenomeen beeldvorming aan de hand van geschriften van Manu Ruys. Van kapitaal belang daarbij is de ‘deel/geheel-relatie’ te specificeren. Om dit te kunnen verwezenlijken, moet de representativiteit van Manu Ruys gepreciseerd worden in tijd, in ruimte en in bevolkingslaag (hiermee bedoel ik de groep mensen die eenzelfde mening als Ruys zijn toegedaan). Het onderzoek dient veel aandacht te hebben voor de context(en) en is in sterke mate interdisciplinair.

 

1.2.1. Het uitsplitsen van een cultuurelement: beeldvorming

 

Ik heb ervoor geopteerd te werken rond beeldvorming. In Deel III: De verbeelding van ‘de’ Ander wordt ruimschoots aandacht besteed aan de beeldvorming van wit over zwart doorheen de tijd, wat als fenomeen niet los te zien is van de eeuwenlange en universele traditie van de verbeelding van ‘de’ ander. De klemtoon ligt op de periode gaande van het einde van de negentiende eeuw tot aan het begin van de eenentwintigste eeuw of het heden. Rekening houdend met de waarschuwing die hierboven gemaakt werd aangaande de gevaren van een dergelijke benadering, probeer ik een beknopt maar accuraat beeld te scheppen van de bredere context (met als focus het proces van de kolonisatie en van de dekolonisatie).

 

1.2.2. De exemplarische benadering: Manu Ruys

 

Manu Ruys is de auteur van de bronnen die ik voor mijn onderzoek zal gebruiken. Deze werkwijze stelt mij in staat detaillistisch te werk te gaan, bijzonder concrete voorbeelden te geven en erg gespecificeerde vaststellingen te doen (zie Deel IV: De analyse van de geschriften van Manu Ruys). Door het cultuurbegrip ‘actief’ te hanteren, kan een maximum aan precisie en concreetheid gerealiseerd worden. Om de potentiële zwakte die uitgaat van deze benadering op een efficiënte manier te bezweren, dient echter het verband tussen het ‘afzonderlijk geval’, Manu Ruys, en grotere gehelen, zijn lezerspubliek, waar gemaakt te worden. Volgens Künzel is dit realiseerbaar door de aanspraak op algemeenheid te specificeren in tijd en in ruimte.

Wat de precisering in de tijd betreft, kan het volgende al opgemerkt worden: de teksten die bestudeerd worden, bestrijken een periode van meer dan veertig jaar, gaande van oktober 1958 tot en met het jaar 2000. Uit het onderzoek zal de graad van verwantschap blijken met het kolonialisme en zal het discours van Ruys een plaats toebedeeld krijgen in het vertoog van het postkolonialisme. Ik ben mij er terdege van bewust dat het gebruik van het begrip ‘postkolonialisme’ aanzienlijke gevaren inhoudt. Bij gebrek echter aan het voorhanden zijn van een andere term en de overtuiging dat mijn onderzoek zal uitwijzen dat deze term toch op zijn plaats is, heb ik het er op gewaagd en er hier voor geopteerd dit begrip te gebruiken.

Ruimtelijk gezien kan beargumenteerd worden dat het onderzoek resultaten zal opleveren die in grote lijnen als geldend kunnen beschouwd worden voor wat doorgaat als de westerse cultuur/wereld. Meer specifieker zullen de resultaten vooral van toepassing zijn voor het Belgische (Vlaamse) grondgebied.

Ten slotte kan niet voorbij gegaan worden aan de vraag voor welke groep mensen Ruys en zijn ideeën (beeldvorming) als representatief kunnen doorgaan. Bij de bepaling hiervan zullen bepaalde concepten en termen aangereikt door Van Dijk, Blommaert en Verschueren heel leerrijk en nuttig blijken (zie hiervoor Deel II: Manu Ruys).

 

 

1.3. Taalkundige benadering

 

1.3.1. Verantwoording voor noodzaak taalkundige benadering

 

‘Wij’ en ‘de’ anderen zijn niet te vatten in pure, rationele termen. Er bestaan geen objectieve criteria om groepen te identificeren. Elke parameter (zoals ras, godsdienst, afkomst en taal) kan in de ene context domineren maar in een andere volledig genegeerd worden, afhankelijk van de relevantie die eraan toegekend wordt. Zo wordt taal gezien als een verenigende factor in de relatie tussen Vlamingen en Nederlanders, terwijl ze in de verhoudingen tussen Serviërs en Kroaten de verdeeldheid kracht bijzet. Evenzo is afkomst cruciaal voor lidmaatschap in de Joodse gemeenschap, terwijl ze slechts van secundair belang is in de definitie van een Catalaanse identiteit. Groepsrelaties en groepsidentiteiten bestaan dus voornamelijk in de geest, ze maken deel uit van de denkbeeldencomplexen die opinies over anderen, en het gedrag tegenover anderen, bepalen. Hierbij mag niet uit het oog verloren worden dat het element macht nooit ver weg is; groepsidentificaties hebben immers steeds een strategische functie: die van de allianties en van de uitsluiting.[12]

Dit bewijst dat beeldvorming een ideologisch fenomeen is. Aangezien de belangrijkste ingang tot de ideologie de taal is, dient mijn benadering van het onderzoeksobject dan ook in eerste instantie taalkundig te zijn.

 

1.3.2. Verantwoording keuze taalkundige pragmatiek

 

Ik heb ervoor geopteerd het taalconcept dat thans gehanteerd wordt in de taalkundige pragmatiek, te gebruiken. Het is nuttig te beklemtonen dat het hier om een veel ruimer concept gaat dan het klassieke taalbegrip of wat men doorgaans in de volksmond als ‘taal’ omschrijft (= woorden, zinnen, teksten). ‘Taal’ staat voor een veel ruimer geheel van betekenisvol symboolgedrag. Het gaat om woorden, zinnen en teksten, maar evengoed om intonatie, emotieve uitdrukkingen, de aankleding van een boodschap, de context, de enscenering,…[13]

Bovenal is pragmatiek een essentieel probleemstellend en contextualiserend perspectief op taal, deze kijk op taal en discours lijkt mij het meest aangewezen om een beeldvormingsonderzoek op te baseren.

 

1.3.3. Voorstelling taalkundige pragmatiek

 

Pragmatiek is, in haar meest eenvoudige formulering, de cognitieve, sociale en culturele studie van taal en communicatie.[14] Pragmatisch onderzoek vertrekt vanuit de visie op taal als bij uitstek een veranderlijk, adaptabel en negotieerbaar gegeven en gaat ervan uit dat denkbeelden of conceptualiseringsgewoontes weerspiegeld worden in taalgedrag, communicatie, retoriek. Wie meent een ideologie te kunnen reconstrueren op basis van wat letterlijk wordt beweerd of van wat men zegt dat men denkt, komt bedrogen uit. De pragmatiek maakt het mogelijk om betekenissen te ontdekken die niet letterlijk worden uitgedrukt.

De contextgerichtheid levert het vertrekpunt dat de wijze waarop gesproken/geschreven wordt, samenhangt met individuele, sociale en culturele factoren, en dat daarin per definitie een veranderingsaspect aanwezig is. Dit betekent dat veranderingen in elk van die factoren op hun beurt taalveranderingen - zij het soms met enige vertraging – teweeg brengen. Taalveranderingen die zich bovendien op een gestructureerde wijze voordoen, want aangepast aan de vigerende normen, verwachtingen en gewoonten van de ‘taalgroep’. Op die manier wordt taalonderzoek automatisch een vorm van sociale historiografie, aangezien het betrouwbaar feitenmateriaal biedt om sociale verhoudingen en veranderingen daarbinnen, bloot te leggen.[15]

Dit geeft ten eerste aanleiding tot een sterk relativistisch standpunt. Immers, de onderzoeker zelf opereert in een specifieke context, maar hij/zij mag er zich niet toe laten verleiden betekenissen geproduceerd binnen een bepaald sociaal, cultureel en historisch kader zomaar over te planten naar zijn/haar huidig kader. Zo dient, bijvoorbeeld, tolerantie als gedragspatroon benaderd te worden. Dit betekent in eerste instantie dat tolerantie geen objectieve en tijdloze norm is, maar veeleer als een cultureel en historisch bepaald gedrag moet beschouwd worden. Dit impliceert dan weer dat een zeker etnocentrisme en relativisme niet bij voorbaat als verwerpelijk mogen bestempeld worden. Ten tweede is deze ingebedheid en veranderingsgevoeligheid vooral indicatief voor een subjectief uitgedrukte realiteit. Taal geeft immers geen feiten weer, maar wel interpretaties van feiten.

Ten slotte dient gewezen te worden op de interdisciplinaire dimensie die, gegeven de gecontextualiseerde benadering van taal, onmiskenbaar is. Raakpunten met andere menswetenschappen zoals antropologie, sociologie en psychologie zijn eerder de regel dan de uitzondering.[16]

 

1.3.4. Empirisch luik taalkundige pragmatiek

 

Het theoretisch uitgangspunt is de vaststelling dat elke vorm van communicatie een betekeniswereld meedraagt die de interpretatie bepaalt van wat expliciet wordt uitgedrukt.[17] Dit betekent dat een uitspraak, een taaluiting altijd past binnen een bepaald kader, een bepaalde context. De betekenis van een uitspraak wordt bepaald door de context, de context kleurt het discours.

Concreet vestigen Blommaert en Verschueren bij het pragmatisch onderzoek hun aandacht op drie zaken: de verwoordingsstrategieën, de impliciete informatie en de globale betekenisgehelen.[18]

 

a) Verwoordingsstrategieën

Woorden en structuren dragen geen autonome betekenis. Even belangrijk is dat de grammaticale en lexicale keuzes die gemaakt worden uit het gamma van mogelijkheden door de auteur worden onderzocht, alsook de wijze waarop het onderwerp en de context deze keuzes beïnvloeden.

 

b) Impliciete informatie

Elke tekst draagt op een onderliggend niveau een betekeniswereld met zich mee. Er zijn twee vormen van impliciete betekenis: de implicatie en de presuppositie (of vooronderstelling). Het grote onderscheid tussen beide is dat presupposities blijken uit de “conventionele” betekenis van de gebruikte woorden, terwijl implicaties “niet-conventioneel” zijn; zij kunnen m.a.w. niet onmiddellijk worden afgeleid uit de woorden en zinnen in het taalgebruik.[19] Allebei duiden ze op een vooronderstelde algemene kennis, op datgene wat niet langer expliciet moet gemaakt worden aangezien het als algemeen bekend of aanvaard kan worden voorgesteld. Dit niveau van impliciet taalgebruik is derhalve ideologie-aanduidend.

 

c) Globale betekenisgehelen

Dit is de laatste stap, waarmee op grond van de analyse van het woordgebruik en de impliciete informatie een samenhangende analyse opgebouwd wordt in relatie tot de context en de historische verankering van de taaluiting.

 

Het geheel van implicaties, presupposities en veronderstellingen vormt het algemene wereldbeeld dat een taalgebruiker meent te delen met andere taalgebruikers in dezelfde communicatiegemeenschap. Samen genomen leveren de genoemde aandachtspunten een onderzoeksstrategie op waarmee het gemeenschappelijke referentiekader – het ‘normale’ en niet meer in vraag gestelde deel van de communicatie - op een systematische, empirische wijze kan worden onderzocht. Het vanzelfsprekende wordt aldus in vraag gesteld en niet de in het oog springende kenmerken.

Referentiekaders zijn begrijpelijkerwijs groepsgebonden. Deze thesis onderzoekt het beeldvormingsproces van wit over zwart en wordt dus ondernomen vanuit het perspectief van de blanke. Een specificatie van dit perspectief dringt zich evenwel op en daarvoor wordt het ‘genre’-begrip van Blommaert geïntroduceerd.[20] Genre wordt gezien als een relatief stabiel type uiting dat tot een bepaalde communicatiesfeer behoort en dat enkel kan afgelijnd worden met inachtname van de productievoorwaarden van taaldaden. Het relatief stabiele karakter van een genre is het product van een hoge mate aan adaptatie aan vigerende normen, gewoonten en verwachtingen, en het garandeert herkenbaarheid en interpreteerbaarheid. Genres zijn dus historische objecten en precies doordat hun genese en ontwikkeling parallel loopt aan die van de maatschappij treden de door genres ondergane veranderingen zo goed als ongemerkt op. Zelfs wanneer conventies verschuiven, blijven de genres conventioneel. Genres kenmerken zich daardoor uit hoofde van de taalgebruiker dikwijls door een lage graad van bewustzijn. Precies dit lage niveau van bewustzijn biedt rijke mogelijkheden tot manipulatie en strategische controle. De constructie en instandhouding van genres is immers gebaseerd op waardenpatronen, en blijkt daardoor een ideaal terrein voor sociale controle en machtsuitoefening. Hier komt Gramsci’s ‘hegemonie’-begrip van pas. Genres zijn gezien hun gebondenheid aan sociale normen, verwachtingen en gewoonten, net zomin perfect egaal verspreid als de sociale stratificatie dat toelaat. Via vormen van legitimatie worden bepaalde genres afgesloten of voorbehouden voor bepaalde klassen binnen de maatschappij, en op die manier vormen ze een voorwerp van macht. De communicatievorm of het genre waarvan de geschriften van Manu Ruys deel uitmaken, is te situeren in de publieke sfeer en laat zich omschrijven als journalistiek. Het is nuttig te onthouden dat zowel Blommaert en Verschueren als Van Dijk dit genre als elite-discours typeren. Bovendien zal blijken dat Ruys als een ‘sterke’ producent geldt (zie Deel II: Manu Ruys).

 

 

Deel II: Manu Ruys

 

2.1. Een korte schets van leven en loopbaan

 

De informatie voor dit onderdeel putte ik vooral uit: Waarnemer in de stroomversnelling (Ruys, 1989); Een levensverhaal (Ruys, 1999); De Standaard. Het levensverhaal van een Vlaamse krant. Van 1948 tot de Vum (Durnez, 1994); Een standaard in Vlaanderen? Vlaams-katholieke krant op zoek naar kwaliteit en politieke invloed 1947-1976 (Van Nieuwenhuyse, 2001-2002) en uit de video Portret van één van de meest invloedrijke journalisten van het naoorlogse België (TV2, 1991).

 

Manu Ruys wordt op 25 februari 1924 geboren in “een christelijk én liberaal denkend gezin, dat behoort tot wat men de gegoede Antwerpse burgerij noemt”.[21] In zijn geboortestad volgt Ruys de oude humaniora aan het jezuïetencollege, waarna hij tussen 1944 en 1948 Germaanse filologie gaat studeren aan de katholieke universiteit van Leuven.

Wanneer hij in 1949 zijn intrede doet bij De Standaard als redacteur, geniet hij al een stevige reputatie in flamingantische jeugdkringen. Vóór de Tweede Wereldoorlog was hij jarenlang actief in de jeugdbeweging, eerst als Chiroleider, en later als bondsleider in de KSA. Na de Bevrijding zet hij zich in om de ontredderde Vlaams-Nationalistische Jeugd via nieuwe tijdschriften en weekbladen enig houvast te bieden en, naar buitenuit, haar stem te laten horen. Zo had hij samen met Walter Bouchery meegewerkt aan de bladen Wit en Zwart en Het Spoor der Lage Landen, met Jan Olsen en Staf Vermeire aan Vive le Gueux. Maar bovenal was hij hoofdredacteur van het semi-politieke, semi-literaire maandblad Golfslag (1945-1948). Golfslag behoorde tot wat men het oppositionele Vlaanderen noemde; het maandblad richtte zich tot de traditionele Vlaamsgezinde jongeren in het hoger secundair onderwijs en aan de universiteiten en verleende steun aan gebroodroofden en geïnterneerden. Met Golfslag werd een waarschuwing gelanceerd voor het herstel van de ‘oude’ situatie, voor de snel stijgende amerikanisering en werden er pro-Europese ideeën aangemoedigd. Het blad hield stand tot 1950.

Op 1 februari 1949 start Ruys zijn loopbaan op de binnenlandse redactie van De Standaard. Al gauw wordt hij verantwoordelijk redacteur voor de wekelijkse pagina ‘Standaard der Jeugd’, in de beginjaren werkt hij tevens mee aan de filmpagina. In maart 1950 volgt Ruys Jos Grauwels als parlementair redacteur op. Na een goed jaar voert hij de nieuwe rubriek ‘Van Kamerleden en Senatoren’ in (de rubriek verschijnt voor het eerst op 25 april 1951). De rubriek kent onmiddellijk veel succes en blijft onafgebroken verschijnen tot Ruys in 1989 met pensioen gaat. Vanaf 1955 is Ruys ‘chef binnenland’, vanaf 1960 ‘politiek coördinator’; op 20 maart 1975 wordt hij aangesteld tot ‘politiek hoofdredacteur’; Luc van Gastel wordt benoemd tot ‘journalistiek hoofdredacteur’. Jaren later, wanneer Ruys de algemene hoofdredactie aangeboden krijgt, weigert hij deze functie en kiest hij voor de formule van de tweehoofdige leiding, die hij vanaf dan samen met Lode Bostoen op zich neemt. In juni 1989 gaat Ruys op rust, maar hij blijft desalniettemin stukken schrijven voor De Standaard.

De vier principes, waarop de basisideologie van De Standaard gebaseerd was, zijn verhelderend voor de maatschappijvisie die Ruys persoonlijk is toegedaan. Het betreft de verdediging van de christelijke waarden, van de Vlaamse waarden, van de parlementaire democratie en van de (sociaal-gecorrigeerde) vrije markteconomie. De bewering als zou de krant lange tijd als propagandamiddel voor de CVP (de huidige CD&V) gefungeerd hebben, wordt door Ruys als een legende afgedaan. Durnez meldt dienaangaande dat “van 1964 af geen directe stemadviezen meer werden gegeven bij de verkiezingen”.[22]

De reputatie van Ruys is er één van een gerespecteerde verslaggever en gewaardeerde opiniemaker. In de Belgische politieke (pers)wereld groeit hij in de beginjaren zeventig definitief uit tot ‘monsieur Standaard’. In de wandelgangen wordt hij ‘Zijne Eminentie’ en ook wel ‘The Kingmaker’ genoemd. Zijn eerste boek, De Vlamingen (1972), waarin zijn bewogenheid om Vlaanderen duidelijk tot uiting komt, wordt een bestseller. Een oplage van meer dan twintigduizend exemplaren wordt bereikt en een Franse, Engelse en Duitse editie komen op de markt.[23] Ruys wordt echter niet alleen op politiek vlak als een expert aanzien, maar zal zich ook via talrijke reizen en verblijven in de grootste,voormalige Belgische kolonie ontwikkelen tot de ‘Kongo-Zaïre-specialist’ van de Vlaamse pers.

Kongo was bij Ruys thuis een vertrouwd gespreksonderwerp, aangezien de familie er missionarissen, beheerders van koloniale maatschappijen en ‘colons’ telt. In 1950 is Ruys aanwezig op de persconferentie van minister Wigny, waarop deze zijn ‘Tienjarenplan’ voor de kolonie onthult. Het duurt echter tot 1958 vooraleer Ruys, op uitnodiging van Inforcongo, de persdienst van het Ministerie van Koloniën, Kongo kan bezoeken. In mei 1955 had die gelegenheid zich reeds kunnen voordoen, naar aanleiding van de eerste reis van koning Boudewijn naar de kolonie, maar toen genoot Louis de Lentdecker, eerste reporter en trouwe medepassagier op koninklijke tochten, voorrang. Vanaf 1958 reist Ruys regelmatig naar Congo (in totaal gaat het om een dertigtal bezoeken) en bouwt er spoedig een opmerkelijk, sociaal netwerk van geprivilegieerde gesprekpartners uit (waartoe ondermeer Lumumba, Kasavubu en Mobutu behoren).

De drie weken die Ruys in 1958 in Kongo doorbrengt, vormen de directe aanleiding voor zijn eerste grote Congo-reportage: Van Kolonie naar Kongostaat (6.11.1958-14.11.1958). Andere reportages volgen, met de veelbetekende titels: Van Kongo naar Zaïre (18.5.1972-1.6.1972), Waarom naar Zaïre? (23.9.1975-2.10.1975), Zaïre: breekpunt of keerpunt? (16.8.1977-20-21.8.1977), Herkansing voor Zaïre (29.9.1978-4.10.1978), Onzeker Zaïre (25.8.1979-27.8.1979) en Een negatieve balans. Twintig jaar Zaïre (5.2.1980-30.2.1980).

 

 

2.2. Situering in communicatieve economieën

 

Zoals al eerder aangegeven, dient de vraag naar de identiteit van de zender en ontvangers altijd als eerste gesteld te worden in onderzoek naar beeldvorming. Ten eerste omdat het hier immers niet primair over Congo gaat maar over het beeld dat Manu Ruys en zijn lezerspubliek zich van Congo vormden. Dit beeld informeert veeleer over de opvattingen, waarden, voorstellingen en verlangens van de zender en ontvangers dan over de Congolese etnografische realiteit. En ten tweede is deze vraag stellen en pogen te beantwoorden van cruciaal belang aangezien op die manier de reikwijdte duidelijk wordt van de conclusies die uit het onderzoek getrokken worden. In wat volgt, poog ik de identiteit van Manu Ruys en zijn lezerspubliek te achterhalen om later de reikwijdte van mijn conclusies op afdoende wijze te preciseren.

Zoals eerder werd uitgelegd, maakt dit onderzoek gebruik van de taalingang tot de ideologie om de karakteristieken van de onderzochte beeldvorming bloot te leggen. In Debating diversity. Analysing the discourse of tolerance stellen Blommaert en Verschueren een perspectief voor waarin discours benaderd wordt in termen van een economisch model: met producenten, productiemiddelen, distributieprocessen,...[24] Discours wordt op die wijze benaderd als een bron en instrument om macht en status te verwerven en uit te breiden (evenwel op symbolische wijze).[25]

 

2.2.1. Manu Ruys als producent

 

In communicatieve economieën – de zeer algemene sociale patronen van taalproductie en taalverwerking – bestaan onderscheiden tussen producenten. Het taalgebruik van de ene is dat van de andere niet; het gaat meer bepaald om verschillen in autoriteit en macht, maar ook om verschillen in de geproduceerde boodschappen. Het onderscheid op basis van autoriteit behoeft weinig nadere uitleg; het spreekt voor zich dat de opvatting van een arts over een medisch thema zwaarder doorweegt dan die van een schoenmaker. Wat het verschil in macht betreft, gaat het er om dat de een zijn/haar opvatting makkelijker ingang kan doen vinden bij een publiek dan een ander. Zo kunnen groepen en individuen die controle hebben over de media makkelijker hun stem laten horen in de media. Het feit dat niet iedereen gelijk is wanneer het erop aankomt boodschappen in de samenleving te laten circuleren, zorgt ook voor verschillen in boodschappen. De eigen stem laten horen voor het publieke forum is een voorrecht van weinigen, de meerderheid van mensen komt nooit op televisie, in de krant of op de radio. Bovendien zien boodschappen er anders uit, afhankelijk van wie ze produceert. Een ‘sterke producent’ maakt boodschappen die net, verzorgd en professioneel zijn, waardoor ze zeer effectief zijn. Die boodschappen worden doorgaans beschouwd als ‘beter’, juister, geloofwaardiger, dan die van anderen.[26]

Manu Ruys was jarenlang dé Afrika-autoriteit op de redactie van De Standaard. Zijn vele reizen naar het Afrikaanse continent, evenals zijn persoonlijk, uitgebreid netwerk van geprivilegieerde gesprekpartners, bestaande uit zowel Belgische als Congolese prominenten, zijn hier niet vreemd aan. Als journalist en later als hoofdredacteur kon Ruys decennialang zijn opvattingen makkelijk bij een groot publiek ingang doen vinden, bovendien was hij wat Blommaert een ‘sterke producent’ noemt. Hij verzorgde zijn boodschappen, ze waren keurig en professioneel opgesteld, waardoor aan hun effectiviteit niet hoeft getwijfeld te worden.

 

2.2.2. Journalistiek als communicatiegenre

 

In ‘Taalkundige benadering’ kwam het begrip ‘genre’ al ter sprake. Daarin werd uitgelegd dat er binnen een gegeven maatschappij een reeks genres bestaan, die elk behoren tot communicatiesferen en daardoor ingebed zijn in sociale en culturele normen, verwachtingen en gewoonten. Belangrijk is ook de link die met het ‘hegemonie’-begrip werd gelegd. Genres kunnen immers een voorwerp van macht zijn, wanneer ze via vormen van legitimatie afgesloten of voorbehouden worden voor bepaalde klassen binnen de maatschappij. Een concreet voorbeeld hiervan, is het grotendeels ontoegankelijk houden van de genres wetenschap, politiek discours en journalistiek voor gekoloniseerden tijdens de koloniale periode. Zij bleven het voorrecht van de kolonisatoren. Indien de gekoloniseerden deze vormen van discours toch hanteerden, gebeurde dit op een niet-legitieme en daardoor vaak machteloze manier. Dus ondanks het feit dat bijvoorbeeld hun politiek discours exact dezelfde kenmerken kon vertoond hebben als het politiek discours vanwege de kolonisatoren, de uiteindelijke perceptie en het effect van hun discours zou toch totaal verschillend zijn aangezien zij vanuit een niet-hegemonische positie spraken.[27] De effectiviteit van een boodschap is m.a.w. in sterke mate afhankelijk van de hegemonische positie van de producent, en ook van de status van het communicatiegenre waarvan de producent gebruik maakt. Hierboven is Ruys als producent al aan bod gekomen. Hij bleek in alle opzichten een ‘sterke producent’ te zijn (autoriteit, macht, opmaak van boodschappen). Het communicatiegenre waartoe de onderzochte teksten van Manu Ruys behoren, is de journalistiek.[28] Nogal vaak wordt naar de media verwezen als naar de vierde macht. Sommigen onderschrijven deze bewering met klem, anderen vinden ze overdreven. Hoe het ook zij, niemand zal de grote invloed van de media op de samenleving nog ontkennen, ook al blijft de omvang van haar macht/invloed een omstreden discussiepunt.

Communicatiegenres, zoals de spot, het duidingsprogramma, het boek, leggen voorwaarden op aan wat er kan gecommuniceerd worden binnen dat genre en wat niet. Een reclamespot bijvoorbeeld moet in een aantal seconden een vernuftig samenspel van woord en beeld leveren, voorzien van goedklinkende, makkelijk te onthouden slogans en herkenbare, nazinderende beelden. Een journalist dient er voor te zorgen dat zijn artikels op de actualiteit gericht zijn, dat de herkenbaarheid van de nieuwsitems groter wordt door bijvoorbeeld het nieuws te concentreren rond personaliteiten, dat hij in staat is complexe situaties terug te brengen tot de twee meest tegenstrijdige aspecten ervan, enzovoort. Hoewel de economische, politieke en technische druk op het krantenbedrijf niet uit het oog verloren mag worden, is het in de context van deze thesis interessanter om in te gaan op de interne druk op journalisten.

Als werknemer werkt een journalist tegen een vast loon en levert hij zijn prestaties af aan zijn oversten. De directie kan en zal de teksten van de redacteurs van tijd tot tijd redigeren, inkorten, aanpassen, wijzigen of zelfs helemaal niet publiceren.

Ten tweede bevindt de journalist zich in een ondergeschikte positie tegenover de hoofdredacteur en de directie, die de grenzen bepalen waarbinnen hij zich als journalist mag begeven. Mijns inziens zou het echter verkeerd zijn, zich baserend op deze informatie te stellen dat journalisten totaal machteloos staan tegenover de directie. Zeker voor Manu Ruys gaat het beeld van de hulpeloze, onmachtige journalist niet op. Vanaf 1960 bepaalde hij samen met Luc Vandeweghe de redactionele lijn van de krant, vanaf 1975 was Ruys zelf hoofdredacteur (politiek).

Volledigheidshalve dient hierbij opgemerkt te worden dat de gebruikte bronnen divers zijn; het gaat om krantenartikels, tijdschriftartikels en boeken. Twee zaken hebben alle bronnen gemeenschappelijk: de auteur, Manu Ruys, en het hoofdthema, Congo. Het zou overdreven zijn te stellen dat daar elke gelijkenis stopt maar het verdient toch vermelding dat de bronnen als medium verschillen (denk alleen al aan de stijl, de accenten en inhoud, …).[29] Vooreerst is de reikwijdte van een krantenartikel niet enkel doorgaans groter maar zijn vooral de verwachtingen van het lezerspubliek verschillend. Van een krant wordt op de eerste plaats verwacht dat ze inspeelt op de actualiteit terwijl in een tijdschriftartikel of boek verondersteld wordt een meer overzichtelijke analyse terug te vinden. Niet alleen heeft de auteur van een tijdschriftartikel of boek meer tijd om te reflecteren (en dus ook om te vergeten), maar schrijft hij ook vaak vanuit het ‘perspectief van de afloop’, wat ervoor zorgt dat het perspectief en de persoonlijke opvattingen van toen (op het moment dat de besproken gebeurtenis plaatsgreep) niet altijd gerespecteerd worden.

Vaak is er ook een opmerkelijk verschil wat de schrijfvrijheid van de auteur betreft. De journalist dient te schrijven conform de grote, principiële regels van de krant; hij heeft bijvoorbeeld ook niet de toestemming oneindig uit te weiden over een bepaald thema, etc. De auteur die beslist een eigen boek te schrijven, kan in theorie doen wat hij wil (uiteraard dient hij er in de praktijk bijvoorbeeld rekening mee te houden dat zijn product de interesse van een uitgever moet opwekken).

Hoewel dit geenszins een exhaustieve opsomming van de verschillende kenmerken, eigen aan de gebruikte bronnen is, meen ik toch enkele belangrijke verschillen aangeraakt te hebben, die in dit onderzoek niet uit het oog mogen verloren worden. Dit doet echter geen afbreuk aan de eerder vooropgestelde, overkoepelende typering van de teksten van Manu Ruys als behorend tot het communicatiegenre journalistiek.

Dit communicatietype bevindt zich binnen het publieke domein (waardoor een grote toegankelijkheid verzekerd is). Zoals alle communicatievormen beroept ook de journalistiek zich op een uitzonderlijk statuut: op dat van objectiviteit, duiding en informatiegehalte. In haar scriptie staaft Isabelle Ferrand dat objectiviteit in de journalistieke ideologie meestal onbewust gebruikt wordt als een codewoord voor de bescherming van de gevestigde belangen.[30] Deze stelling sluit aan bij en bevestigt tevens de hegemonische positie waarover de media beschikken. Het is dan ook in dit kader dat de categorisering van journalistiek door Blommaert en Verschueren evenals door Van Dijk als een autoritair discours of elite-discours moet begrepen worden.[31]

Journalistiek als genre is een voorwerp van macht en wel omdat het genre gecontroleerd wordt door een elite. Immers het grootste deel van de bevolking heeft enkel actief toegang tot de alledaagse conversaties met vrienden, familieleden, buren of collega’s. Het discours van het te onderzoeken corpus daarentegen kan als autoritair en publiek bestempeld worden. Het communicatiegenre zelf legt wel een aantal specifieke restricties en voorwaarden op aan de producent en zijn boodschap.

 

2.2.3. Het lezerspubliek van De Standaard als consument

 

Dezelfde kwestie als hierboven geeft aanleiding tot verwarring; met name de diversiteit van de geraadpleegde bronnen. Het is inderdaad zo dat de lezers van de door Ruys geschreven tijdschriftartikelen en boeken niet hoeven samen te vallen met het lezerspubliek van De Standaard, dat in dit onderdeel geviseerd wordt. Wel kan verondersteld worden dat de lezers van zijn boeken énige notie hadden van zijn werk in De Standaard. Daarenboven meen ik te mogen stellen dat het profiel van de lezers van de gebruikte tijdschriften (die alle over een vrij respectabele status beschikten) niet fundamenteel verschilde van dat van De Standaardlezer (de politieke strekking niet te na gesproken). Het feit dat het lezerspubliek van De Standaard het grootste deel van het gehele lezerspubliek van Ruys uitmaakt en dat de informatie daaromtrent het gemakkelijkst te bemachtigen is, hebben tot deze keuze geleid.

De Standaard heeft de naam een kwaliteitskrant te zijn. Het zoeken naar een goede omschrijving van wat een kwaliteitskrant precies inhoudt, zou ons te ver leiden. Hier wel vermeldenswaardig zijn de voorwaarden waaraan een kwaliteitskrant moet voldoen wat betreft zijn lezerspubliek. Er wordt immers gesteld dat de lezers van kwaliteitsbladen eerder in de hoge dan in de lage welstandsklassen gezocht moeten worden. Ze zouden eveneens beschikken over een uitgesproken politieke en maatschappelijke belangstelling, en een goede onderwijsopleiding genoten hebben.[32] Volgens het onderzoek van Ferrand was en is De Standaard het meest geliefd bij de katholieke Vlaamsgezinde burgerij en intellectuelen.[33]

Lezers zijn evenwel geen passieve recipiënten. Een lezerspubliek oefent altijd invloed uit op een krant. Een eerste heel belangrijke invloed van de lezer op het krantenbedrijf, is het feit dat hij een krant koopt. Een krant leeft maar bij de gratie van het lezerspubliek: ze houdt op te bestaan als ze niet langer gekocht wordt in groten getale. De oplage is m.a.w. van groot belang. De Standaard verkoopt gemiddeld 78.128 kranten per dag Hiervan zijn meer dan de helft abonnementen. Het Centrum voor Informatie over de Media (CIM) raamde het dagelijks aantal lezers van De Standaard in 2001 op 310.000.[34]

Het feit dat de lezer de krant moet kopen opdat die zou kunnen voortbestaan, brengt met zich mee dat het oordeel van de lezer gevalideerd wordt (bijvoorbeeld via lezersbrieven). Daarnaast kan ook nog aangestipt worden dat de lezer evenzo invloed uitoefent door het ter beschikking stellen van informatie aan de krant (heel vaak vloeit ‘investigative journalism’ voort uit de informatie die de krant verkreeg via burgers die anoniem wensten te blijven).[35] Er is dus duidelijk sprake van wederzijdse beïnvloeding.

Het lezerspubliek van De Standaard is dus behoorlijk groot en bestaat uit (hoog)opgeleide, welgestelde burgers met een vrij grote interesse voor de centrale onderwerpen van hun tijd. Hun omschrijving als consumenten betekent bovendien niet dat zij het voorwerp zouden zijn van éénrichtingsverkeer.

 

2.2.4. Slotsom

 

Een journalist leeft niet in een vacuüm, net als dit onderzoek niet contextloos kan gevoerd worden en niet contextloos is. Dat Ruys zich hier terdege van bewust was, evenals van zijn bevoorrechte positie als verslaggever, wordt door het volgende citaat geïllustreerd (uit Waarnemer in de stroomversnelling, 1989, blz. 172-173):

[Pol Van Den Driessche:] Waar haalt een kommentator het recht of het gezag om bijna dagelijks zijn mening te geven bij de aktualiteit, zonder dat hij daar eigenlijk verantwoording over moet geven?

[Manu Ruys:] Ieder burger heeft in een behoorlijk funktionerende demokratie het recht zijn mening te uiten. Ik heb dat recht – en ik herhaal: het was tevens een voorrecht – mogen uitoefenen in een toonaangevende krant. Ik heb die mening niet opgedrongen. Ik trachtte ze te motiveren en te verwoorden, beschaafd en korrekt, zonder te kwetsen en zonder gebruik te maken van manipulatietaktieken. De lezer hoefde die mening niet te delen of te onderschrijven.

De plicht om verantwoording te geven, was van indirekte aard, maar bestond wel degelijk. Zoals een verkozen politicus kan worden afgekeurd en weggestuurd door de kiezer, zo kan een krant worden gesanctioneerd door haar lezers. De kommentator onderhoudt een onzichtbare, maar zeer reële, relatie met zijn lezerspubliek dat hem – b.v. via lezersbrieven of via de aanschaf van de krant en het abonnement – ter verantwoording kan roepen en afstraffen. Ik ben me steeds heel scherp ervan bewust geweest dat ik in een soort van communio leefde met het miljoen lezers van de krantengroep… Een kommentator leeft niet op een eiland; tussen hem en de lezer is een stevig weefsel gegroeid.

 

Het is duidelijk dat uitspraken en teksten niet mogen gedissocieerd worden van de communicatieve economie waarin ze geproduceerd worden en circuleren. Het belang van een uitspraak of tekst zit in de praktijk niet enkel in de woorden maar evengoed in de wijze waarop ze geproduceerd zijn, door wie, voor wie, wanneer en hoe.[36] De onderzochte teksten van Manu Ruys behoren tot het (machtige) communicatiegenre journalistiek. Bovendien is Ruys zelf een voorbeeld van wat een ‘sterke producent’ genoemd wordt. Het door hem bereikte lezerspubliek is omvangrijk.

Uit dit alles kan geconcludeerd worden dat Ruys een belangrijke ideologische actor was, iemand die op een zeer actieve wijze het beeld van Congo heeft mee-gevormd. Dit zorgt ervoor dat in Manu Ruys, net als in een microkosmos, de kenmerken van de beeldvorming van een hele maatschappelijk laag ontdekt kunnen worden.

 

 

Deel III: De verbeelding van ‘de’ ander

 

3.1. Inleidende nota

 

3.1.1. Algemene inleiding

 

Individuen houden zich sinds mensenheugenis en overal ter wereld bezig met het zoeken naar gepaste definiëringen voor zichzelf en hun belangen, via identificatie met diverse referentiegroepen die in mindere of meerdere mate geformaliseerd zijn. Deze referentiegroepen kunnen gebaseerd zijn op familiebanden, een gedeelde ideologische visie op de maatschappij, nationalistische gevoelens, ...[37] De referentiegroep die in het bestek van deze thesis centraal staat, kan als ‘het Westen’ omschreven worden, met als tegenpool ‘Afrika’.

Door het anders zijn van anderen te bepalen, bepalen wij dus tegelijkertijd onszelf. ‘De’ ander wordt uitgevonden en geëtiketteerd, om de eigen identiteit te construeren en af te lijnen. Dit heeft tot gevolg dat ‘wij’ en ‘de’ ander niet te vatten zijn in pure rationele categorieën. De verhoudingen tussen beide worden situationeel bepaald. Het spreekt voor zich dat dergelijke etiketteringprocessen niet los te koppelen zijn van de bestaande machtsverhoudingen tussen de ‘wij-groep’ en ‘zij-groep’.[38]

 

3.1.2. Voorstelling van begrippen

 

Voor het bespreken van een onderwerp als ‘de verbeelding van ‘de’ ander’ wordt een beroep gedaan op een specifiek begrippenapparaat. Daarom lijkt het mij aangewezen de belangrijkste begrippen vooraf van een welomlijnde definiëring of duiding te voorzien.

 

Beeldvorming:

Beeldvorming is een mentaal proces dat zich deels bewust, deels onbewust afspeelt en waarin informatie uit de omwereld actief door het individu wordt geïnterpreteerd en waarin wordt geselecteerd wat betekenis heeft. Verschillende factoren brengen die selectie en betekenis tot stand: persoonlijke behoeften, belangen en aspiraties, groepsbelangen en –cohesie, collectieve filters van taal, maatschappij en cultuur, ... De gecreëerde voorstellingen zijn geen spiegels van de realiteit: in het beeldvormingsproces grijpt een structurering plaats waarin de informatie altijd minstens gedeeltelijk tot het bekende herleid wordt. De voorstelling is daarom altijd een verkleuring van de realiteit die gepaard gaat met een zeker dimensieverlies.[39] Bovendien blijft beeldvorming achter op de maatschappelijke ontwikkelingen.

Onderzoek naar de beeldvorming van ‘de’ ander is een studie van de politiek van de representatie, waarbij het niet gaat om een puur signalement van een verschil, maar om het evalueren van het verschil (hoog-laag, meer-minder, sterk-zwak).

 

Stereotypen:

Een stereotype is een geheel van karakteristieken dat door de observator aan een groep wordt toegekend en waarvan verondersteld wordt dat het het denken en handelen van alle individuele leden dwingend bepaalt. De basismechanismen van stereotypering zijn simplificatie en veralgemening. Deze twee cognitieve operaties zijn ingrepen om de werkelijkheid te ordenen.[40] Stereotypen kunnen negatief of positief zijn, al naar gelang van de waardering van de kenmerken die aan de groep worden toegeschreven. Stereotypen zijn samen met vooroordelen - ongeacht hun irreële, fictieve oorsprong - reëel in hun maatschappelijke gevolgen. Immers hun maatschappelijk belang ligt besloten in hun effect op het toeschrijven van rolpatronen aan leden van de betreffende groep. Bovendien werken ze tot op zekere hoogte als zichzelf waarmakende voorspellingen.[41]

Voorbeelden van westerse stereotypen met betrekking tot Afrikanen zijn onder meer: zwarten staan ‘dichter bij de natuur’, ze zijn ‘seksueel losbandig’, ‘muzikaal’, ‘kinderlijk’.

 

Beschaving:

Het begrip beschaving of civilisatie heeft betrekking op de meest uiteenlopende zaken: op de stand van techniek, de omgangsvormen, de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis, op religieuze ideeën en gebruiken, etc. Goed beschouwd kan bijna alles op een ‘beschaafde’ of ‘onbeschaafde’ wijze worden gedaan. Het is met andere woorden allesbehalve eenvoudig in een paar woorden samen te vatten wat men allemaal onder ‘beschaving’ kan verstaan. Wanneer echter nagegaan wordt wat de algemene functie is van het begrip en wat al die verschillende menselijke houdingen en verrichtingen die ‘beschaafd’ genoemd worden gemeen hebben, dan kan geconcludeerd worden dat het nationale bewustzijn van Europees-westerse volkeren hierin tot uitdrukking komt. Alles wat de westerse samenleving van de twee of drie laatste eeuwen meent vóór te hebben op vroegere of meer ‘primitieve’ hedendaagse samenlevingen, wordt erin samengevat. De bewoners van de westerse landen proberen dus onder ‘beschaving’ alles te vangen wat hen kenmerkt en waar ze als samenleving trots op zijn: het niveau van hun techniek, hun samenlevingsvormen,…[42]

 

Cultuurrelativisme:

Cultuurrelativisme wordt als term gebruikt voor standpunten die culturele diversiteit pluralistisch taxeren als het resultaat van verschillende, maar principieel gelijkwaardige opties gemaakt door de diverse culturen.[43] Er wordt m.a.w. aanvaard dat gebruiken, denkvormen, normen, enz. relatief zijn aan een particuliere cultuur, dat elke cultuur haar eigenheid heeft en dat er geen unieke, beste of superieure cultuur bestaat.

 

Etnocentrisme:

De socioloog William Sumner, die de term in 1906 creëerde, omschrijft etnocentrisme als volgt: “Deze kijk op de dingen, die maakt dat de [culturele] groep waartoe iemand behoort het centrum van alles is en dat alle andere [culturele] groepen met verwijzing daarnaar worden gerangschikt en gewaardeerd”.

De culturele diversiteit wordt anders bekeken dan bij een cultuurrelativistisch standpunt het geval is. Drie, etnocentrische varianten zijn mogelijk:

Het overaccentueren van culturele verschillen, los van elke maatschappelijke context, leidt tot exotisme; het fixeren van culturele verschillen in een sfeer van ongelijkheid leidt tot racisme.[44] Racisme wordt vandaag de dag beschouwd als de meest kwalijke, extreme vorm van etnocentrisme.

 

Racisme:

Racisme staat voor vijandigheid jegens andere rassen. Een ras is een groep individuen die zich door dezelfde erfelijke eigenschappen onderscheiden van andere groepen van dezelfde biologische soort, aldus de van Dale (uitgave 1993, blz. 819). Onderzoek heeft echter uitgewezen dat ‘rassen’ als dusdanig niet bestaan. Veeleer moet het begrip ‘ras’ als een historisch-politieke en niet als een biologische constructie begrepen worden. Het gebruik van dit begrip heeft dus een niet-wetenschappelijke maar ideologische basis.

Veelzeggend is dat het begrip ‘racisme’ heden ten dage zo zwaar belast is met negatieve connotaties (dit grotendeels doordat het concept racisme nog steeds aan de biologische betekenis gekoppeld wordt) dat een erkenning ervan meteen een veroordeling inhoudt. Immers het doet afbreuk aan het positieve, Europese zelfbeeld van tolerantie en openheid.[45] Over het algemeen worden de noties ‘racisme’ en ‘racist’ (in het Europese en Amerikaanse publiek discours) gereserveerd voor anderen, zoals extreemrechtse groeperingen of partijen, die buiten de publieke consensus gesitueerd worden. Het geloof in het biologisch determinisme is misschien inderdaad nog slechts marginaal, maar dat kan niet beweerd worden van het geloof in het cultureel determinisme!

 

Homogeneïsme:

Het homogeneïsme (deze term werd bedacht door Blommaert en Verschueren) is de ideologie volgens dewelke de ideale maatschappij zo gelijkvormig mogelijk moet zijn. In het homogeneïsme wordt ervan uitgegaan dat de homogene maatschappij niet enkel de gewenste maatschappijvorm is, maar zelfs de norm, de meest normale verschijningsvorm van een menselijke samenleving. De aanwezigheid van grote groepen vreemdelingen wordt daardoor geconceptualiseerd als abnormaal en problematisch.[46]

 

3.1.3. Beknopt overzicht van de veranderende verbeelding van Afrika vóór de tweede kolonisatiegolf

 

In het kader van deze thesis is het vooral aangewezen de verbeelding van Afrika typerend voor het koloniale tijdperk en de daaropvolgende periode, onder de loep te nemen. Toch is het belangrijk de voorgaande periodes in vogelvlucht eens de revue te laten passeren.

Als naar hét kenmerk bij uitstek gevraagd wordt van beeldvorming, is het antwoord zonder twijfel de historische betrekkelijkheid ervan. Dit impliceert dat een beeldencomplex allesbehalve statisch is maar bovenal situationeel bepaald. De grootste bepalende factor daarin zijn veranderingen die zich voordoen in de eigen samenleving en zodoende in het zelfbeeld, en dus niet zozeer daadwerkelijke veranderingen in de samenleving van ‘de’ ander.

Drastische veranderingen hebben zich al meerdere malen voltrokken in de Europese verbeelding van Afrika. Van de Oudheid tot de vroege Middeleeuwen evolueerde het overheersende positieve beeld van Afrika naar een negatieve variant ervan. Tussen de vroege en de late Middeleeuwen vond een transformatie plaats van de benaderingswijze die de zwarte als wilde demon beschouwde in een benaderingswijze die de zwarte als erkentelijke christen opvoerde (denk aan de legende van Pape Jan, het motief is duidelijk van Europese aard; Europa heeft Afrika’s hulp nodig als bondgenoot tegen de Islam). De 16e en 17e eeuw vormden een overgangsperiode, waarin de grootste aandacht uitging naar de nieuw ‘ontdekte’ Amerikaanse Indianen. Opnieuw in de schijnwerpers, in de 18e en 19e eeuw, werd Afrika volkomen negatief voorgesteld. Aan de bron van deze ommekeer liggen drie oorzaken, die quasi tegelijkertijd tot ontwikkeling komen: de systematische exploratie van Afrika, de doorbraak van de kapitalistische productiewijze en de opbloei van verschillende wetenschapstakken.

 

3.1.4. Situering context: kolonisatie en dekolonisatie

 

Vooraleer de specifieke karakteristieken van de beeldvorming van wit over zwart in de 19de, 20ste en in het prille begin van de 21ste eeuw te bespreken, lijkt het mij aangewezen een schets te maken (hoe vaag en onvolledig dan ook) van enerzijds de tijdsomstandigheden en drijfveren die de moderne kolonisatie en het imperialisme mogelijk maakten en meer zelfs, tot een must maakten en anderzijds van de factoren die ervoor zorgden dat de dekolonisatie een onafwendbaar proces werd.

De belangrijkste verklaringsgronden voor de kolonisatie moeten in Europa zelf gezocht worden. Europese belangen en machtsverhoudingen brachten de negentiende-eeuwse en twintigste-eeuwse kolonisatie op dreef. Motieven van uiteenlopende aard lagen daaraan ten grondslag.

Een eerste drijfveer om overzeese gebieden te controleren was economisch-commercieel. Dankzij toegenomen efficiëntie en productiviteit in de landbouw en nijverheid, groeide vanaf de vroegmoderne tijd de noodzaak nieuwe afzetmarkten te vinden. Al vlug raakte men ervan overtuigd dat dé oplossing hiervoor gezocht moest worden in prékapitalistische samenlevingen. Maar ook de zoektocht naar goedkopere grondstoffen, arbeidskrachten en naar mogelijkheden om vrijgekomen kapitaal te kunnen investeren, dreven de westerse mogendheden in de richting van bijvoorbeeld Afrika.

Een tweede motief was sociaal-demografisch. Kolonies werden immers vaak gebruikt als demografische uitlaatklep voor het moederland, m.a.w. de kolonies vormden uitgelezen immigratiemogelijkheden voor bevolkingsoverschotten uit het moederland. Een derde drijfveer was politiek-ideologisch en moet gezien worden tegen de achtergrond van toenemende nationale rivaliteit binnen Europa. Hoewel lang niet alle koloniserende mogendheden staten waren, werd de inbezitneming van kolonies gezien als het middel bij uitstek om de nationale grandeur op te krikken. De fysieke grootte van het imperium, de claims van soevereiniteit en controle, het paternalistische ‘beschavingswerk’, en de vermeende rijkdom van de geclaimde gebieden speelden een belangrijke prestigerol.

Een laatste drijfveer was mentaal-ideologisch. Het bezitten van kolonies zorgde niet alleen voor politiek-ideologisch prestige maar was ook dermate belangrijk voor ‘nationale trots’ en identiteit. Ondanks de Verlichte, achttiende-eeuwse prediking van idealen als vrijheid, gelijkheid en broederschap, groeide het westerse superioriteitsgevoel meer dan ooit aan. In de ondernomen exploratiereizen zagen de Westerlingen onomstotelijk het bewijs van hun vermeende superioriteit. Het eindproduct van deze mentale kolonisatie werd het imperialisme gedoopt, deze term is een specificatie voor de 19de- en 20ste-eeuwse manifestatie van het kolonialisme.[47] De vanzelfsprekendheid van de ‘beschavende’ aanwezigheid in de kolonies werd niet in vraag gesteld.

Het koloniale systeem botste van meet af aan op verzet van de gekoloniseerde bevolking. Daarenboven was de effectieve controle over de kolonies nooit honderd percent succesvol, het gevoel van controle bij kolonisatoren en in het moederland daarentegen was wel zeer krachtig en efficiënt.

De Eerste Wereldoorlog was een eerste en erg belangrijke katalysator voor het protest tegen de kolonisering. Na 1918 vond er een zekere hertekening van de koloniale kaart plaats, toch bleef het systeem in omvang en macht vrij ongeschonden bewaard. Maar de contestatie nam toe en dit zowel binnen de kolonies als binnen de koloniserende mogendheden zelf. De grote verstoring kwam er met de Tweede Wereldoorlog. Alle koloniale gebieden waren zonder de minste zeggenschap bij de oorlog betrokken geraakt: rechtsreeks in de zones van het wapengeweld of onrechtstreeks door andere bezettingen of door de verhoogde inzet van mensen, grondstoffen en geproduceerde goederen. Tezelfdertijd verloren de meeste kolonisatoren in een groot deel van de kolonies hun vaste greep, zowel militair-administratief als psychologisch. Wanneer de oorlog ten einde liep, waren de handelsstromen gewijzigd onder druk van de oorlogsnoodwendigheden, hield Japan nog vele koloniale gebieden bezet en werden de V.S. de dominerende bevrijdingsmacht. Een herstel van de oude koloniale machtssituatie in Azië bleek ondenkbaar. De Europese koloniserende mogendheden waren verzwakt en ver van het terrein, het autochtone nationalisme had zich tijdens de oorlog op vele terreinen ontwikkeld en de Amerikanen hadden noch door traditie, noch door belang, veel zin om hun Europese bondgenoten te helpen bij het herstel van hun imperia.[48] Geïnspireerd door de Aziatische dekolonisatiegolf, werd in Afrika de roep om onafhankelijkheid luider. Tijdens de eerste helft van de jaren 1960 werden veruit de meeste Afrikaanse landen onafhankelijk. De onafhankelijkheid in de Portugese kolonies en in die kolonies met een vrij grote blanke bevolking (zoals Namibië dat pas in 1990 onafhankelijk wordt) bleef niettemin nog een poosje uit.[49]

Voorzichtigheid is echter geboden wanneer men de termen ‘dekolonisatie’ en ‘onafhankelijkheid’ in de mond neemt. Castryck zegt hierover het volgende: “Tegelijk [naast de vaststelling dat de dekolonisatie een verwezenlijking was van autochtone elites, die de kolonialistische opdeling in ‘traditioneel’ en ‘modern’ doorbraken, en die als nieuwe ‘nationale’ elite doorstoten in de ‘vaart der volkeren’] kunnen we ‘dekolonisatie’ meestal niet gelijkstellen aan ‘onafhankelijkheid’. De poging om een ongebonden koers aan te houden heeft uiteindelijk nergens voorgoed kunnen stand houden. De koloniale afhankelijkheid werd tegen wil en dank ingeruild voor een nieuwe afhankelijkheid in de context van de Koude Oorlog en de neokoloniale vrije marktlogica. Ongeveer gelijktijdig met de val van het IJzeren gordijn, begaf ook het laatste verzet tegen neokoloniale dictaten van organisaties als de Wereldbank en het IMF. De dekolonisatie is in werkelijkheid dan ook enkel een politiek of nationale ontvoogding van de elites gebleken, en geen sociale of economische ontvoogding.”[50]

De mentale dekolonisatie is nog altijd niet volledig voltrokken, de eurocentrische beeldvorming van de “Derde wereld” prevaleert nog steeds. Onze wereldvisie is in de 19e eeuw gekoloniseerd geweest en wordt thans gedekoloniseerd. Het imperialistische denken wordt geruild voor het globaliserende denken, maar er blijven wel restanten (zelfs prominente) van het imperialistische denken doorschijnen.[51]

 

 

3.2. De kolonialistische Afrika-verbeelding

 

Deze tekst is grotendeels gebaseerd op het werk van Jan Nederveen Pieterse (Wit over zwart. Beelden van Afrika en zwarten in de westerse populaire cultuur, 1990) en Raymond Corbey (Wildheid en beschaving. De Europese verbeelding van Afrika, 1989). Ik beperk mij tot deze beknopte bronvermelding enerzijds om de leesbaarheid te bevorderen en anderzijds om een al te uitgebreid voetnotenapparaat te vermijden. Wanneer bijkomende werken geraadpleegd worden, wordt dit wel op de traditionele manier in een voetnoot aangegeven.

Nog even specificeren waarom ik hier spreek van de kolonialistische Afrika-verbeelding. Met deze term doel ik op de overheersende beeldvorming van de blanken over zwarten tijdens de koloniale periode, dus grofweg vanaf 1880 tot en met de jaren 1960. Hoewel beargumenteerd kan worden dat ik de eerder opgegeven definiëring op die manier niet echt respecteer, wil ik daartegen inbrengen dat het gebruik ervan zeer nuttig is om het onderscheid te maken met de beeldvorming van wit over zwart na de dekolonisatiebeweging, waarvoor ik het adjectief postkolonialistisch gebruik. Ik had ook een beroep kunnen doen op de adjectieven imperialistisch/globaliserend, wat misschien in een aantal opzichten correcter was geweest, maar sowieso ook een accentverschuiving had ingehouden. Daarenboven blijkt de verstrengeling heel duidelijk uit het begrippenpaar kolonialistisch/postkolonialistisch, terwijl dit voor imperialistisch/globaliserend veel minder het geval is.

 

3.2.1. Afrika, het vervloekte continent

 

In middeleeuws Europa was de heersende voorstelling van de wereld die van de in drieën verdeelde aardkloot. Deze driedeling werd vaak gelijkgesteld met de drie zonen van Noach: Sem, corresponderend met Azië of de Semieten, Jafeth corresponderend met Europa, en Cham met Afrika. De continenten, gepersonifieerd door Sem, Jafeth en Cham, stonden in een dienstverhouding tot elkaar. In Genesis (9:18-27) is immers het verhaal opgenomen van de vervloeking door Noah van Cham en diens zoon Kanaän tot ‘knecht der knechten’. Terwijl Cham en zijn nakomelingen vervloekt werden, te wijten aan Chams onwil zijn (dronken) naakte vader te helpen, werd Sem geprezen en Jafeth gezegend omdat zij hun vader aangekleed hadden. Tot ver in de negentiende eeuw zou dit de meest populaire legitimatie voor slavernij en raciale ongelijkheid blijven. Paradoxaal genoeg had men voorheen, in het kader van de imperialistische expansies in Afrika, een beroep gedaan op de christelijke roeping om juist die slavenhandel te bestrijden!

Naast Cham werd ook de vervloekte broedermoordenaar Kaïn als personificatie van Afrika opgevoerd. De zwarte huidskleur, een ‘Kaïnsteken’, werd traditioneel in verbinding gebracht met vuil, onreinheid, zondigheid, hel en verdoemenis, terwijl aan wit of blank tegengestelde kenmerken toegedicht werden. Hoewel het niet realistisch is te veronderstellen dat heden ten dage de interpretatie van een donkere huidskleur als een teken van degeneratie, ontaarding niet meer voorkomt, mag aangenomen worden dat diegenen die vandaag nog de Afrikanen als afstammelingen van de vervloekte Cham of Kaïn beschouwen, een zeer minieme minderheid vormen.

 

3.2.2. ‘Ras’, Rassenwetenschap en Rassentheorie

 

Discriminatie van ‘vreemdelingen’ en in het bijzonder van mensen met een donkere huidskleur gaat waarschijnlijk terug tot de Oudheid. Toch is het begrip ‘ras’ relatief nieuw, zo’n tweehonderd jaar jong. De rassenwetenschap kwam laat tot ontwikkeling en is pas betrekkelijk kort geleden als wetenschap in diskrediet gebracht.

Ontstaan in de schoot van de Verlichting, kan de rassenwetenschap beschouwd worden als een poging oude vooroordelen te verwetenschappelijken. De opmars van het Europese expansionisme, doortrokken van culturele arrogantie en gekleurd door politieke en economische belangen, domineerde de achttiende eeuw. Het Verlichtingsdenken en de ontwikkeling van de rassenwetenschap kaderen in die specifieke tijdsgeest. Voornamelijk naturalisten en vervolgens filologen en antropologen hielden zich bezig met het uitwerken van een wetenschappelijke discipline, die op basis van biologische kenmerken mensen en samenlevingen een plaats toedacht op de as inferioriteit-superioriteit. De rassentheorie, de extrapolatie van rassenwetenschap tot een algemene visie op de menselijke geschiedenis, is het werk van aristocratische en door aristocratische denkbeelden geïnspireerde denkers. De opleving van raciaal denken in Europa had een Europese problematiek tot achtergrond: de crisis van de aristocratie wier status sinds de achttiende eeuw in permanente onzekerheid verkeerde. Een belangrijke, ‘burgerlijke’ variant van de rassentheorie is het sociaal-darwinisme, waarin het evolutiedenken centraal staat. Verhelderend dienaangaande is het onderscheiden van de twee componenten die minimaal aanwezig moeten zijn om van evolutie te kunnen spreken: ten eerste moeten verschijnselen een plaats toegekend worden in een rangorde (1 komt voor 2; 1 is ouder dan 2, dat op zijn beurt ouder is dan 3, enz.) en ten tweede dient een proces aangeduid te worden waardoor de rangorde in de tijd voortschrijdt.[52]

 

3.2.3. Afrika en de ontkenning van gelijktijdigheid

 

De logische opvatting die voortvloeit uit dit evolutionistisch denken is dat Afrika Europa niet kon bijhouden, dat het ergens in één of meerdere van de te doorlopen stadia blijven haperen is. Op de lineaire as der ontwikkeling, vanaf het nulpunt begonnen, kom je eerst Afrika tegen, een heel eind verder Europa. Afrika komt achter, is ten achter, een verschil van eeuwen. Op deze manier wordt een tijdskloof gecreëerd, waardoor het mogelijk en tevens gangbaar wordt ‘Afrikaanse toestanden’ te vergelijken met ‘toestanden’ zoals die zich voordeden in onze Middeleeuwen of hun gebruiken, riten en dergelijke meer te vergelijken met deze die onze voorouders er op na hielden (de Afrikanen als onze ‘eigentijdse voorouders’). Het hoeft weinig betoog dat een dergelijke benadering van de onomstootbare superioriteit van Europa uitgaat. Fabian schrijft daarover het volgende: “Time, much like language and money, is a carrier of significance, a form through which we define the content of relations between the Self and the Other. Moreover, Time may give form to relations of power and inequality under the conditions of capitalist industrial production”.[53] Termen zoals primitief, wild, tribaal, traditioneel, stam en Derde Wereld zijn essentieel temporele concepten van het westerse denken. Een dergelijk discours ontkent het bestaan van ‘de’ ander in dezelfde tijd als de onze; ‘wij’ bestaan ‘hier en nu’, ‘zij’ ‘daar en toen’.[54]

Schijnbaar contradictorisch met diezelfde evolutionistische opvattingen is de vaststelling dat door de eeuwen heen zowel aan zwarten als aan blanken bepaalde karakteristieken, gebreken, kwaliteiten worden toegedicht die blijkbaar niet kunnen veranderd worden, omdat ze ingebakken zijn, deel uitmaken van hun of onze natuur, cultuur. De uitspraak “Ze zijn zus of zo” maakt gebruik van termen die zowel tijdloosheid (‘zijn’) als generalisering (‘ze’) uitdrukken. De andere blijft de andere: de eeuwige andere.[55]

 

3.2.4. Associatie met seksualiteit

 

In de verhouding tussen blank en zwart, in de feitelijke omgang en op het niveau van representaties speelt seksualiteit een intrigerende rol. Enerzijds wordt het niet-Westen geïdealiseerd en geërotiseerd, anderzijds wordt het afgewezen, veroordeeld en gevreesd. Dat spanningsveld tussen aantrekking en afstoting maakt het mogelijk de ambivalentie jegens de eigen seksualiteit te beleven via de buitenwereld en te projecteren op de buitenwereld. Die buitenwereld wordt primitiever en losbandiger naarmate de vrees voor de eigen seksualiteit groter wordt. Op die wijze kan er een verband tot stand komen tussen de onderdrukking van de eigen seksualiteit en de onderdrukking van ‘de’ ander.

Terwijl in de V.S. de slavernij de erotisering en taboeïsering van andere culturen bepaalde, vervulde in Europa de kolonisatie die rol. In Amerika waren zwarte mannen en witte vrouwen, omwille van de bekommernis voor het in stand houden van de status quo, de op kleur gebaseerde sociale hiërarchie, in hun seksuele keuze beperkt (denk aan de vruchten die een seksuele relatie tussen beide zou kunnen afwerpen). Door de noodzaak deze beperkingen te motiveren, kwamen de mythes van de zwarte man als superseksueel wezen, het ‘zwarte beest’, en van de witte vrouw op het voetstuk, de ‘witte godin’, tot stand. Hoewel de visie op de zwarte man aan de andere kant van de Atlantische Oceaan niet wezenlijk verschilde, was de situatie in Europa meer beheersbaar. De zwarte man vormde er geen directe bedreiging, hij was geen rivaal voor de blanke man (omwille van het schaarse aantal zwarte mannen aanwezig in Europa), zoals dat in Amerika wel het geval was.

In Europa was het overheersende beeld van de zwarte vrouw dat van een geseksualiseerde vrouw. (In Amerika was het belangrijkste beeld van zwarte vrouwen dat van de mammy, zij is de gedienstige en gedeseksualiseerde zwarte vrouw. Ook deze voorstelling staat in dienst van de logica van de Amerikaanse etnische sociale hiërarchie.) Zij werd, net als de prostituee, geassocieerd met ongebreidelde seks. Afrika werd afgeschilderd als een erotisch paradijs, uitsluitend bevolkt met bereidwillige, schaars geklede ‘inheemsen’. De confrontatie met schaars geklede of naakte mensen, in combinatie met de strikte taboes die in West-Europa op naaktheid rustten (heeft veel te maken met de toenmalige gangbare christelijke waarden en normen, zie de vervloeking van Cham na de aanschouwing van zijn naakte vader, Noah), gaven telkens weer aanleiding tot een fundamentele, etnocentrische beoordelingsfout: men zag Afrikanen als schaamteloos, zedeloos, onbeheerst. Men redeneerde dat er geen andere, serieuze, aannemelijke overwegingen waren die zulk gedrag rechtvaardigden of begrijpelijk maakten, dit gedrag werd zodoende geïnterpreteerd als passend in, deel uitmakend van hun eigen (inferieure) cultuur. Nochtans is het niet zo onbegrijpelijk dat culturele normen met betrekking tot de bedekking van het lichaam min of meer beantwoo