| Inventaris van het "Oud archief van de Schepenbank " van Lokeren (ca. 1550 – 1795). (Véronique Bonkoffsky) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
WOORD VOORAF
Hierbij zou ik graag Prof. Dr. G. Janssens en Prof. Dr. E. Put bedanken voor het bijbrengen van de basis van de archivistiek via de cursus ‘Geschiedenis, principes en terminologie van de archivistiek’. Deze cursus was zeer bruikbaar. Verder dank ik Prof. Dr. G. Janssens voor het ter beschikking stellen van de Fondscatalogus van het Algemeen Rijksarchief (2000) en van twee inventarissen die mij als voorbeeld hebben gediend.
Graag wil ik ook Prof. Dr. F. Scheelings bedanken voor het inzicht dat hij ons verschafte in de praktische organisatie van een archief. De lessen van het ‘Werkcollege in de archivistiek’ droegen bij tot een vlotte overgang van de theorie naar de praktijk.
Speciale dank gaat uit naar mijn promotor Prof. Dr. E. Put voor het snel en uitgebreid beantwoorden van de vragen die zich stelden tijdens het inventariseren en voor de talrijke nuttige tips bij de redactie van deze inventaris.
Tenslotte nog een woord van dank aan archivaris N. Van Campenhout voor de steun en het geduld gedurende mijn stageperiode in het Stadsarchief van Lokeren.
A. GESCHIEDENIS VAN DE ARCHIEFVORMER
1. Geschiedenis van Lokeren in de Nieuwe Tijd
Tot het midden van de 16de eeuw is de kennis van de geschiedenis van Lokeren en haar schepenbank zeer gering wegens het gebrek aan archief.
Eén van de belangrijkste gebeurtenissen voor de gemeente in de 16de eeuw, meer bepaald in 1555, was de toestemming van Keizer Karel om wekelijks op woensdag vrije markt te houden. Dit betekende het startsein voor de groei van de gemeente. Factoren die daartoe hebben bijgedragen, waren het toenemend handelsverkeer tussen Gent en Antwerpen dat via Lokeren passeerde en de aanleg van kaaien langs de Durme. In de 17de eeuw verwierf Lokeren bekendheid om haar linnenproductie. In de 18de eeuw werd hieraan nog een nijverheid toegevoegd, namelijk de fabricatie van vilten hoeden. Ook brouwerijen, katoendrukkerijen en leerlooierijen droegen hun steentje bij tot de bekendheid van Lokeren als één van de voornaamste handelscentra van het Land van Waas. Toch bleef de landbouw voor de bevolking de belangrijkste bron van inkomen. Deze economische bloei ging gepaard met een enorme aangroei van de bevolking. Lokeren moest evenwel tot in 1804 wachten om de titel van ‘stad’ toegekend te krijgen. Het was Napoleon Bonaparte die op zijn doortocht door het Land van Waas naar Antwerpen deze titel verleende.[1]
De groei en de bloei werden vanaf de late 16e eeuw voortdurend afgeremd en overschaduwd door oorlog en vernieling. De beproevingen die Lokeren te verduren kreeg, vingen aan in 1583 toen troepen van de Franse koning al plunderend binnenvielen op hun doortocht naar Gent. In 1584 werd de gemeente onder de voet gelopen door de Dendermondse geuzen die zich eveneens overgaven aan plunderingen en het in brand steken van woningen. Deze bezetting vond haar oorzaak in het feit dat Lokeren, dat tot de Spaanse Nederlanden behoorde, trouw bleef aan het katholieke geloof. Dit gold voor het ganse Land van Waas waardoor het geregeld af te rekenen kreeg met invallen van troepen van de Republiek van de Verenigde Nederlanden.[2]
De geschiedenis van de gemeente tijdens het Ancien Régime werd gekenmerkt door de lasten die de oorlogen, op het internationaal toneel uitgevochten, meebrachten.[3] Zij zorgden voor heel wat kommer en kwel bij de schepenen. De gemeente ging voortdurend gebukt onder de inkwartiering van vreemde of Spaanse troepen op doortocht. De soldaten en hun officieren, waarbij laatstgenoemden vergezeld waren van hun vrouw, kinderen en soms van hun huispersoneel, logeerden in de herbergen of bij de inwoners van Lokeren. De kosten van deze logementen liepen dikwijls hoog op en werden in vele gevallen niet, slechts gedeeltelijk of met vertraging terugbetaald door het Hoofdcollege. Hetzelfde gold voor de schade die door de inwoners geleden werd ten gevolge van groepjes rondzwervende soldaten en troepen op doortocht. Om de inwoners van de gemeente te vrijwaren voor ongeregeldheden en plunderingen, trachtten de schepenen door middel van geschenken aan de legeroversten te bekomen dat deze hun soldaten in bedwang hielden. De schepenen boden eveneens geld aan om hen te bewegen verder te trekken zonder halt te houden in hun gemeente. De inkwartieringen brachten immers zware financiële lasten met zich mee. Naast de organisatie van deze inkwartieringen waren de schepenen ook in de weer om onder andere de gevraagde voedselvoorraden, paarden en karren onder de bevolking te verzamelen of elders aan te kopen. Bovendien moest de gemeente regelmatig weerbare mannen ter beschikking stellen. Daarnaast diende Lokeren vaak aanzienlijke contributies te betalen aan de verschillende bezetters en spendeerde grote bedragen aan de verplichte oprichting van verdedigingswerken. De hele periode van het Ancien Régime ging de gemeente gebukt onder een zware financiële last. Tot in 1761 beschikten de schepenen nog niet over een eigen schepenhuis. Zij huurden een aantal ruimten in het huis van de griffier of waar eventueel plaats beschikbaar was. Dit betekende eveneens een vaste bijkomende kost voor de gemeente. Een tweede aangelegenheid die hen in deze woelige periode steeds grote zorgen baarde, was hun archief. De schepenen waren er voortdurend op bedacht hun archief tijdig in veiligheid te brengen.[4]
Ondanks de constante dreiging van invallen van vreemde troepen, werd de gemeente slechts tweemaal echt bezet. In 1675 werd Lokeren het toneel van een treffen tussen het Spaanse en het Franse leger. Het laatstgenoemde overwon, plunderde de gemeente en stichtte brand met een aanzienlijke schade als gevolg. In deze onrustige tijden diende de schepenbank dan ook bijna dagelijks te vergaderen. In 1676 vielen de Fransen een tweede maal Lokeren binnen. Dat de schepenen bezorgd waren voor het welzijn van het volk, illustreren de twee volgende voorbeelden. In 1673 rukte het Franse leger op tot in de buurt van Gent. Onder de inwoners van de gemeente brak paniek los. Het Hoofdcollege beval de schepenen Lokeren te verlaten, maar zij verkregen de toestemming om te blijven omdat ze het hun plicht achtten er voor te zorgen dat de goederen van de inwoners in veiligheid werden gebracht. Na de bezetting in 1675 zetten de schepenen zich ten volle in om de getroffenen te vergoeden. Het Hoofdcollege dat normaliter moest instaan voor een schadeloosstelling, weigerde alle hulp. Samen met andere Wase schepenbanken deden de Lokerse schepenen een beroep op de Geheime Raad te Brussel om een schadeloosstelling voor de getroffenen te bekomen. De schepenen zonden ook hun griffier naar de grote tiendeheffers te Gent om er voor te pleiten dat de gedupeerden zouden vrijgesteld worden van het betalen van de tienden.[5]
Vanaf 1678, het einde van de Franse bezetting, tot 1740 veranderde er niets op bestuurlijk vlak. Aanhoudende inkwartieringen en enorme uitgaven waren schering en inslag. Het gebeurde zelfs enkele malen dat de schepenen door het Hoofdcollege gearresteerd werden. Zo bijvoorbeeld wanneer er te weinig pioniers door Lokeren ter beschikking werden gesteld om een linie op te bouwen. Een andere keer dienden de schepenen om beurten een tijd in de gevangenis door te brengen omdat zij niet in staat waren de opgedragen lasten te betalen.[6]
Te Lokeren bleef het tijdens de Successieoorlog tussen Frankrijk en Oostenrijk van 1740 tot 1748 rustig. Er werd niet geplunderd of gevochten, maar de kosten van inkwartieringen en leveringen aan de bezetter bleven.[7]
Na de Successieoorlog bleef het op militair vlak lange periode vrij kalm in Lokeren. De economie en de handel zorgden tijdens het Oostenrijks bewind voor de bloei van de stad.
De Brabantse Omwenteling veroorzaakte schermutselingen tussen de behoudsgezinden en de democraten waarbij de schepenen verscheidene malen dienden op te treden tegen de ordeverstoorders. Zij gaf de democratisch gezinde schepenen, die hoopten op een meer democratisch bestuur, meer zeggenschap in het bestuur van het Land van Waas voornamelijk in financiële aangelegenheden. Voordien diende het Hoofdcollege de schepenbanken van het Land van Waas in principe te betrekken bij de goedkeuring van de beden en andere van hogerhand opgelegde lasten, maar in de praktijk deelde het Hoofdcollege éénvoudigweg mee hoeveel belastingen de schepenen moesten ophoesten. Na de Omwenteling kwam hier stilaan verbetering in. De schepenen werden effectief geraadpleegd en hun stem werd gehoord bij het nemen van beslissingen.[8]
In 1791 vond de Eerste Oostenrijkse Restauratie plaats onder Leopold II. Hoewel minder expliciet, bleven de schepenen democratisch gezind en bleven ze hopen op een meer democratisch bestuur.
In 1792 kwam een einde aan de Oostenrijkse Restauratie die slechts één jaar stand hield. De Franse bezetter deed zijn intrede en suggereerde een meer democratisch kiessysteem voor het gemeentebestuur. De schepenen organiseerden onmiddellijk de verkiezing van nieuwe schepenen door het volk. Onder de nieuw gekozenen bevonden zich een aantal personen die sterke aanhangers waren van de democratische beginselen tijdens de Brabantse Omwenteling.[9]
Een jaar later vond de Tweede Oostenrijkse Restauratie plaats. Het Hoofdcollege gaf opdracht de schepenbank opnieuw samen te stellen met de schepenen die tijdens de Eerste Oostenrijkse Restauratie bestuurd hadden. Een aantal van hen was in 1792 verkozen door het volk en had de eed reeds afgelegd aan de Fransen. Zij dienden deze eed te hernieuwen aan de Oostenrijkse keizer bij de stadhouder of bij een schepen die de eed niet had afgelegd. De aanwezigheid van de Oostenrijkers was van korte duur.[10]
In 1794 trokken de Fransen opnieuw Lokeren binnen en ditmaal voor een lange overheersing. De Franse grondwet werd afgekondigd op 6 oktober 1795. In de gemeente werd een nieuwe municipale raad gevestigd. Een aantal schepenen van de oude schepenbank werd in deze nieuwe raad benoemd door de bezetter waaruit we kunnen besluiten dat de meeste onder hen in mindere of meerdere mate Fransgezind waren. De overheerser verkoos vanzelfsprekend bestuurders die hen niet zouden tegenwerken.[11]
Op financieel vlak waren deze laatste jaren, voornamelijk vanaf 1794, opnieuw zeer somber. Inkwartieringen en de bevoorrading van de troepen kostten handenvol geld. De schepenen vergaderden dagelijks, zelfs op zon- en feestdagen.
2. Het grondgebied
Lokeren zelf was ingedeeld in het dorp en een aantal omliggende wijken. Het gaat om de wijken Bergendries, Bokslaar, Everslaar, Heiende, Hillare, Naastveld, Nieuwpoort-Oudenbos, Puttenen, Rozen en Staakte. Deze wijken waren zeer duidelijk afgescheiden van het dorp en vormden eigen gemeenschappen.
In tegenstelling tot de hedendaagse situatie behoorden de deelgemeenten Daknam en Eksaarde tijdens het Ancien Regime niet tot het grondgebied van Lokeren.
Eksaarde werd sinds de 13de eeuw in leen gehouden van de graaf van Vlaanderen door een feodale heer. Later kreeg deze de titel van baron en werd Eksaarde dus een baronie.[12]
Daknam was een aparte gemeente met eigen schepenen, zoals Lokeren in het volle bezit van de graaf van Vlaanderen. Zij was slechts voor zaken van gemeenschappelijk belang en voor de rechtspraak in burgerlijke geschillen met de schepenen van Lokeren verenigd in één vierschaar.[13]
Het grondgebied van Lokeren omvatte een aantal enclaves. Aangezien het archief van deze heerlijkheden hier niet zal geïnventariseerd worden, beperkten wij ons tot de opsomming van deze heerlijkheden zonder verdere uitweiding over hun geschiedenis of over hun bestuur.
De grootste van deze enclaves was de heerlijkheid van het Beverse. In 1664 werd dit gebied door de toenmalige eigenaar Robert Moerman verkocht aan de heren van het Land van Beveren. Deze heerlijkheid beschikte over een eigen schepenbank, een baljuw en een griffier die hun grondgebied onafhankelijk van de schepenbank van Lokeren bestuurden en er recht spraken. De verstandhouding tussen de schepenen van het Beverse en de schepenen van de keure van Lokeren was niet optimaal. Regelmatig werden geschillen voor het gerecht uitgevochten. [14]
Andere belangrijke enclaves op het Lokerse grondgebied waren de heerlijkheid van Bokselaar, de heerlijkheid van Kokelberghe, de heerlijkheid ten Oudenakker die elk eveneens een eigen vierschaar hadden.
Tenslotte lag er ook nog het Hof ter Meersche, een andere heerlijkheid op het grondgebied van Lokeren. Naast deze heerlijkheden met een zelfde bestuur en rechtspraak als Lokeren, bevonden er zich nog een aantal kleinere heerlijkheden en lenen te Lokeren waaronder ’sGravenstalle en het Nonnen- of Nieuwenbos.[15]
3. Beknopte geschiedenis van de twee belangrijkste bruggen over de Durme
Belangrijk in de geschiedenis van Lokeren was haar ligging langs de rivier de Durme. Deze maakte landbouw mogelijk en was een belangrijke factor bij de economische groei van de gemeente. De twee oudste bruggen over de Durme waren de Heirbrug en de Lokerhoutbrug. Beide hadden, als deel van verbindingswegen tussen grote steden, ervoor gezorgd dat heel wat handelaars op hun route Lokeren aandeden.
De Heirbrug is de oudste brug over de Durme. Zij dateert uit de 14de eeuw, mogelijk zelfs uit de late 13de eeuw en maakt deel uit van de grote weg die loopt van Gent naar Antwerpen over St.-Niklaas.
De brug was geen eigendom van de gemeente, wat betekende dat de gemeente ook niet verantwoordelijk was voor het onderhoud. Op een aantal akkers en weiden dat oorspronkelijk aan de graaf had toebehoord maar later overgegaan was in privé-handen, rustte een leenplicht. De eigenaars of gebruikers van de betreffende percelen stonden in voor het onderhoud van de Heirbrug. Elk van hen diende een welbepaald onderdeel van de brug te onderhouden. De schepenbank had wel tot taak de brug te schouwen. In 1613 verwierf de schepenbank van de landvoogden Albrecht en Isabella toestemming om tol te heffen op de brug. Op deze wijze verwierf de gemeente een extra inkomen om de markt en de aanpalende straten te laten plaveien. In 1778 besloot keizerin Maria-Theresia dat de brug moest worden afgebroken en worden vervangen door een veer. Verder besliste zij dat de kosten van deze werken moesten gedragen worden door diegenen die belast waren met het onderhoud van de brug. Over dit laatste besluit ontstond enige twist maar men slaagde er toch in, met lichte dwang voor sommigen, tot een overeenkomst te komen.[16]
De tweede belangrijke brug is de Lokerhoutbrug[17]. Deze brug zorgde tijdens het Ancien Régime voor de nodige kopzorgen voor de gemeente. In 1574 werd de voetbrug, die de Lokerhoutbrug oorspronkelijk was, vervangen door een nieuwe, bredere brug. Vanaf de ingebruikname van de voetbrug werd, na de verlening van een octrooi, tol betaald door alle schepen (ook die van Lokeren) waarvoor de brug moest worden opgehaald. Sinds 1574 was het de gemeente door een octrooi ook toegestaan tolgeld te vragen aan alle vreemdelingen die van de brug gebruik maakten. De hele geschiedenis van de brug door diende men rekesten in om verlengingen van beide octrooien te bekomen om het onderhoud van de brug en de afbetaling van leningen, aangegaan om de brug te herstellen, te kunnen bekostigen. Deze herstellingen waren immers talrijk en kostten handenvol geld. Omstreeks 1740 stelden experts vast dat het verder opkalefateren van deze brug zinloos was. Er moest een nieuwe brug worden gebouwd en terzelfder tijd zou ook de loop van de Durme worden gewijzigd. De werken vingen aan in 1742 en werden beëindigd in 1746. Het afbetalen van de aangegane leningen en intresten deed de gemeente, voor zover de bronnen ons toelaten, nog tot de jaren ’80, op zware lasten zitten. Op geen enkel ogenblik konden de tolgelden de kosten aan de Lokerhoutbrug dekken.[18]
4. Statuut, organisatie en bevoegdheden van de schepenbank[19]
Gedurende het hele Ancien Régime stond Lokeren rechtstreeks onder het gezag van de graaf van Vlaanderen waardoor laatstgenoemde de heer van Lokeren was. In de praktijk oefende hij zijn heerlijke rechten niet persoonlijk uit maar liet hij zich vertegenwoordigen door een schout die deze erfelijke rechten in leen had. Zijn taak bestond in het ‘manen’ van de schepenen, wat betekende dat de schepenen enkel op zijn vraag recht konden spreken of handelend konden optreden. In de 17de eeuw liet de schout zich in de uitoefening van zijn functie vervangen door een stadhouder.[20]
De meierij was aanvankelijk verbonden met het schoutambt maar werd hiervan losgekoppeld in het begin van de 17de eeuw. De meier moest erop toezien dat de wetten en besluiten van het rijk en in het bijzonder van het Land van Waas uitgevoerd en nageleefd werden. Overtreders werden door hem aangehouden. Daarnaast had hij een politietaak, zorgde ervoor dat de uitgesproken vonnissen uitgevoerd werden, dat contracten voor de vierschaar gesloten, nagekomen werden en handelde een aantal geldzaken af zoals het innen van boeten.[21]
De schepenbank bestond uit zeven schepenen: vijf van Lokeren en twee van Daknam. Deze vereniging in één schepenbank betekende niet dat het bestuur van de twee gemeenten telkens door de zeven schepenen samen gebeurde. Te Lokeren werden de bestuurlijke belangen door de vijf schepenen van Lokeren behartigd, zonder inmenging van de schepenen van Daknam en omgekeerd. Enkel voor betwistingen of zaken van gemeenschappelijk belang vergaderden de zeven schepenen in buitengewone zitting.[22]
Oorspronkelijk werden de vijf Lokerse schepenen voor de duur van één jaar aangesteld maar vanaf 1658 mochten zij voor een periode van maximum drie jaar hun ambt uitoefenen. In uitzonderlijke gevallen kon deze termijn nog verlengd worden. De schepenen, waarvan er drie gekozen werden uit het dorp zelf en twee uit de omliggende wijken, kwamen krachtens het besluit van 5 januari 1650 elke woensdag bijeen om de zaken van belang te bespreken. Zij ontvingen hiervoor een kleine vergoeding ten laste van de gemeente. De zittingen van de vierschaar of de volledige schepenbank vonden in de 18de eeuw om de 14 dagen op een zaterdag plaats en werden voorgezeten door de stadhouder. Deze kon zich evenwel laten vervangen door de schepen met de hoogste anciënniteit.[23]
Zoals alle schepenbanken in de periode van het Ancien Régime, was ook deze van Lokeren belast met zowel een bestuurlijke als rechterlijke een functie.
Wat de bestuurlijke taak betrof, nam het financieel beheer van de gemeente de voornaamste plaats in. De schepenen stonden in voor de inkomsten en de uitgaven maar mochten deze niet vrij vaststellen. Wanneer de vorst een bede vroeg, moest deze goedgekeurd worden door de Staten van Vlaanderen. Normaliter werden de schepenbanken van het Land van Waas dan door het Hoofdcollege te St.-Niklaas samengeroepen om te beraadslagen over het toestaan van de bede en de opgelegde belasting. In de praktijk echter kregen de Lokerse schepenen éénvoudigweg een som opgelegd door het Hoofdcollege. Zij verdeelden deze dan over hun onderhorigen.[24]
Verder oefenden de schepenen toezicht uit op de wegen- en waterinfrastructuur en stonden in voor het sociaal-economisch welzijn van de bevolking. In tijden van oorlog was het tevens hun taak de door de bezetter opgeëiste contributies te verzamelen en te zorgen voor andere militaire leveringen.[25]
De rechterlijke taak was tweeledig. Enerzijds was er de willige rechtspraak, anderzijds de rechtspraak in geschillen. Tot de willige rechtspraak behoorden het bekrachtigen van verkoopcontracten met betrekking tot onroerende goederen, het bekrachtigen van contracten van leningen en van rentezettingen door de betrokken partijen of de registratie ervan en tevens de zeggenschap in zaken met betrekking tot wezengelden en wezengoederen. Wanneer een minderjarige[26] één of beide ouders verloor, werden twee voogden aangesteld die, ofwel alleen of in het geval er nog één ouder in leven was samen met deze de goederen van de wezen beheerden. Zonder de toestemming van de schepenen, die oppervoogden van de wezen waren, mochten de voogden geen onroerende goederen verkopen; het beheer van de inkomsten en uitgaven dienden zij voor te leggen aan de schepenen.[27]
Naast de willige rechtspraak traden de schepenen eveneens op als rechters in criminele en burgerlijke zaken. Zij hadden slechts rechtsmacht bij kleine misdrijven waar geen bloed had gevloeid en waar geen aanslag op personen was gepleegd. Zij konden geen uitspraak doen in zaken die de graaf rechtstreeks aanbelangden of waarmee de doodstraf gemoeid was. Hun bevoegdheid op het vlak van de strafrechtpleging was kortom beperkt tot de twee laagste graden van de rechtspraak.[28]
Een belangrijke functie was weggelegd voor de griffier. De schepenen registreerden niet zelf de documenten tijdens de uitvoering van hun taken en zij stelden zelf ook geen documenten op. Dit was de taak van de griffier, die tevens instond voor de bewaring van de bescheiden, de oorkonden en de octrooien. Deze documenten bevonden zich in zijn privé-woning wat de reden verklaarde voor zijn vrijstelling van inkwartieringen in tijden van oorlog.
Tot het begin van de 17de eeuw werd één van de schepenen aangesteld voor deze functie. Later kozen de schepenen iemand die geen beslissingsrecht had en dus niet tot de schepenbank behoorde. Vaak benoemde men een oud-schepen tot griffier. Hij werd regelmatig samen met een schepen afgevaardigd naar onder andere het Hoofdcollege. Zijn taak beperkte zich echter niet alleen tot de opmaak van documenten of het maken van aantekeningen maar hij nam ook deel aan de besprekingen zelf. De griffier was een man van aanzien en in Lokeren werd dit ambt meerdere malen door personen van de lagere adel ingevuld en nagestreefd.[29]
Evenals in andere gemeenten kende Lokeren naast de schepenen ook een raad van notabelen. Deze bestond uit vijf vooraanstaanden en twee grootgrondbezitters uit de gemeente. Hun voornaamste taak bestond uit het toezicht op de ommestellingen van de belastingen. Verder werd hun advies ingewonnen bij het nemen van belangrijke financiële en politieke beslissingen en werd er geen proces aangespannen zonder hun advies. Zij werden in principe elk jaar vervangen door andere notabelen uit de gemeente. In de praktijk echter werden ook zij soms meerdere jaren na elkaar gekozen.[30]
5. Relatie tot het Hoofdcollege van het Land van Waas
Aangezien het archief nogal wat reeksen en stukken bevat die voortkomen uit contacten tussen de schepenbank van Lokeren en het Hoofdcollege, is het aangewezen even stil te staan bij de relatie tussen beide.
Het Hoofdcollege van het Land van Waas werd opgericht naar aanleiding van de uitvaardiging van de Keure of de algemene wet voor burgerlijke en lijfstraffelijke zaken in 1241. Het bestond uit zeven hoofdschepenen en een hoogbaljuw die voorzitter was. Door deze Keure werd het Land van Waas ingedeeld in twee administratieve delen waarvan één deel gevormd werd door de Keuregemeenten. Dit waren gemeenten waar het Hoofdcollege in naam van de graaf van Vlaanderen het hoogste gezag uitoefende. Lokeren behoorde tot deze groep van gemeenten. Dit had implicaties voor de schepenbank wat de uitoefening van haar functies betrof.[31]
Bestuurlijke beslissingen dienden, alvorens zij van kracht werden, goedgekeurd te worden door het Hoofdcollege.
Op financieel vlak werden de rekeningen van de schepenbank nagekeken en gehoord door het Hoofdcollege. Wanneer de schepenen speciale heffingen of buitengewone uitgaven wensten te doen, hadden zij daar een octrooi voor nodig. Nu eens was het de vorst die zijn toestemming verleende, dan weer was de toestemming afkomstig van het Hoofdcollege in naam van de vorst.[32]
Het Hoofdcollege als zelfstandig bestuur beschikte tevens over een eigen financiewezen. Het had het recht directe en indirecte belastingen te heffen in gans het Land van Waas. De inwoners van een gemeente die onder de bevoegdheid van het Hoofdcollege viel, betaalden dus driemaal belastingen: aan de gemeente zelf, aan het Hoofdcollege van het Land van Waas en aan de vorst of overheid.[33]
De belastingen die het Hoofdcollege inde voor de generaliteit, werden aangewend om de algemene bestuurskosten en in tijden van oorlog de loodzware oorlogslasten te betalen. De directe belastingen werden niet willekeurig maar percentsgewijs verdeeld. De verdeling gebeurde zoals op het niveau van Vlaanderen, volgens een transportschaal waarop het aandeel van elke gemeente aangeduid was. Het bedrag dat gevraagd werd door het Hoofdcollege werd énerzijds bepaald door de algemene bestuurskosten die slechts licht variabel waren en de buitengewone kosten ten gevolge van de oorlogen die uiterst variabel waren. In jaren waarin geen oorlog woedde, verdween de repartitie voor oorlogslasten uit de rekeningen van het bestuur van het Land van Waas. Het aandeel dat Lokeren diende in te brengen bleef gedurende de Ancien Regimeperiode zeer groot. Hoewel dit vanuit het financieel oogpunt zwaar woog, betekende dit tegelijk dat Lokeren toch een grote invloed had op de vergadering van de minderwetten of gemeentebesturen. Bovendien diende Lokeren, zoals alle Keuregemeenten, nog een supplementaire belasting aan het Hoofdcollege te betalen. Met deze supplementaire belasting werden de kosten gedekt die het Hoofdcollege maakte voor de Keuregemeenten op bestuurlijk en gerechtelijk vlak. Van de 19 gemeenten die gehouden waren deze ‘rijgelden’ te betalen, was het Lokeren dat in de 17de en 18de eeuw het meest diende af te dragen. Voorts werden aan alle Keuregemeenten nog twee andere directe belastingen gevraagd. Het Hoofdcollege hief tenslotte ook nog een indirecte belasting, namelijk een taks op bepaalde verbruiksgoederen. Deze werd niet enkel aan de Keuregemeenten opgelegd, maar aan alle gemeenten in het Land van Waas.[34]
In tegenstelling tot wanneer het Hoofdcollege een repartitie voor eigen rekening uitzond, werden de minderwetten wel bijeengeroepen wanneer het Hoofdcollege gedwongen werd door de landvoogd of door de bezetter om in tijden van oorlog bepaalde uitgaven te doen.[35]
De schepenen van Lokeren zonden in de oorlogsjaren bijna wekelijks afgevaardigden of een bode naar het Hoofdcollege om deel te nemen aan vergaderingen, om meer duidelijkheid te bekomen omtrent één of andere opgelegde maatregel of opeising en om hun problemen, meestal van financiële aard, voor te leggen. Daar de repartities omvangrijk waren, elkaar soms snel opvolgden en de lasten die de oorlogen met zich meebrachten zwaar wogen, was het voor de gemeente soms heel moeilijk om de directe belastingen tijdig te betalen en de gevraagde bijdragen te leveren. Maar ook omgekeerd lieten betalingen meermaals op zich wachten. Een aantal kosten dat de gemeente had gedragen (bijvoorbeeld inkwartieringen), moesten door het Hoofdcollege terugbetaald worden. Dit was echter niet altijd geneigd om zijn verplichting tot schadeloosstelling na te komen, waardoor Lokeren en andere gemeenten zich af en toe gedwongen zagen de Geheime Raad te Brussel bij de zaak te betrekken.[36]
Op rechterlijk vlak fungeerde het Hoofdcollege als beroepshof voor civiele zaken waarbij de Lokerse schepenbank betrokken was. Het verenigen van Lokeren en Daknam in één schepenbank gaf soms aanleiding tot onderlinge twisten en ook tussen de schepenen van Lokeren en de schepenen van het Beverse ontstonden nu en dan conflicten.[37]
In dergelijke gevallen was dan de tussenkomst van het Hoofdcollege van het Land van Waas vereist. Beroep was mogelijk voor de Raad van Vlaanderen. Lichtere strafzaken die door de schepenbank gevonnist waren, kwamen in tweede aanleg eveneens voor het Hoofdcollege. Zware criminele feiten waarvoor de schepenen niet bevoegd waren, werden doorverwezen naar het Leenhof van het Land van Waas en niet naar het Hoofdcollege. Wanneer de schepenbank geen raad wist met zaken waarover zij moest vonnissen, ging zij te rade bij het Hoofdcollege. Zij schetsten de situatie waarna het Hoofdcollege aanwees hoe ze recht dienden te spreken.[38]
Het Hoofdcollege was eveneens betrokken bij het aanstellen van de schepenen. Het koos de schepenen op basis van een door laatstgenoemden opgestelde lijst van notabelen. Voor hun aanstelling legden deze notabelen bij de hoogbaljuw van het Land van Waas een eed af waarin zij beloofden hun ambt trouw en plichtsbewust te zullen waarnemen.[39]
B. BESCHRIJVING VAN HET ARCHIEFBESTAND
1. Geschiedenis van het archiefbestand
Wanneer we de omvang van het bewaarde archief van de schepenbank bekijken, stellen we vast dat een grote hoeveelheid van het oud archief de tand des tijds heeft getrotseerd, niettegenstaande de talrijke oorlogen die tijdens het Ancien Régime in Vlaanderen en dus ook in Lokeren hebben gewoed. Dat zoveel bewaard is gebleven, heeft deels te maken met geluk en toeval, maar in Lokeren ook met de goede zorgen en de vooruitziendheid van de archiefvormer die dit archief in tijden van oorlog vaak voor vernietiging hebben behoed. Wanneer een inval van de bezetter dreigde, namen de schepenen hun voorzorgen en brachten indien nodig hun documenten onmiddellijk over naar veiligere oorden. Een aantal keren voerde men het archief naar Gent. Een eerste maal bij het beleg van Dendermonde in 1667, een tweede maal in 1668 na het sluiten van de vrede van Aken.[40] In 1673, toen een inval van de Franse troepen dreigde, werd het archief in speciaal daarvoor aangekochte kisten gestapeld en op een schip geladen dat klaar lag voor de vlucht indien nodig.[41] In 1701 werden de archiefdocumenten naar het Kapucijnerklooster te Dendermonde overgebracht waar ze meerdere jaren bleven. Tijdens de Successieoorlog in 1744 brachten twee schepenen het archief opnieuw naar Gent bij een geestelijke, Catherina Croes.[42]
Wanneer de schepenen dossiers of documenten nodig hadden, stuurden ze de griffier om deze te halen.[43] De bescherming van hun archief was van prioritair belang voor de Lokerse schepenen. Het hielp hen immers bij de uitvoering van hun bestuurlijke en rechterlijke taken, het had bewijskracht en zorgde voor continuïteit in het bestuur. De voorzorgen die zij namen met betrekking tot het in veiligheid stellen van hun archief waren waarschijnlijk minder ingegeven door de cultureel-historische waarde die pas later aan de documenten werd toegekend.
In 1761 werd het nieuw gebouwde parochiehuis, het latere stadhuis, in gebruik genomen en sindsdien werden de archieven daar bewaard.[44] Voordien huurden de schepenen een aantal ruimten die dienst deden als schepenhuis en telkens wanneer zij verhuisden, namen zij het archief mee. In 1894 werd het Ancien Régime archief van de schepenbank naar de zolder van het stadhuis gebracht waar het tot 1987 opgeborgen bleef.[45] Dat men zich bewust was van de slechte huisvesting van het archief op de zolder kunnen we lezen in het jaarverslag van de stad Lokeren van 1918. We citeren: ‘Als de Stad zich eenmaal de weelde van een nieuw Stadhuis veroorloven kan, zal het Stedelijk archief moeten geborgen worden in vuurvrije kelders. Waar het nu ingericht is, onder daken, gaan de oude, waardevolle papieren, in geval van brand reddeloos verloren.’[46] Hoewel een kelder ook niet geschikt is als bewaarplaats voor een archief, blijkt hieruit toch de aandacht die men toen had voor het vinden van een meer geschikte bewaarplaats en voor de waarde die men aan het archief hechtte.
Tijdens W.O. I bleef het archief waar het was. Tijdens W.O. II, meer bepaald in 1944, heeft men het grootste deel ondergebracht in een kluis van de voormalige bank ‘Crédit anversois’ te Lokeren.[47] Na de oorlog kreeg het archief zijn vertrouwde plaats op de zolder van het stadhuis terug. Toen de zolder in 1987 niet veilig meer werd bevonden, werd het archief van de schepenbank, samen met het oude kerkarchief en het archief van de H.-Geesttafel, overgebracht naar de kelder van bieruitzetter Everaert te Eksaarde. In 1988 verhuisde het een laatste maal, namelijk naar de archiefdienst van Lokeren.[48]
2. Bewaring van het archiefbestand
Papier, een organisch materiaal, is uiterst gevoelig voor vocht, temperatuur-schommelingen en licht. Op de zolder en in de kelder waar het archief bewaard werd, zijn de genoemde factoren van beschadiging niet gecontroleerd. Dit heeft ervoor gezorgd dat sommige stukken in mindere of meerdere mate de gevolgen vertonen van blootstelling aan te hoge of te lage temperatuur, vochtigheid en invloed van licht. Ondanks de verre van ideale bewaar-omstandigheden bevinden de meeste archiefstukken zich toch in zeer goede staat. De schade blijft meestal beperkt tot het bros worden van het papier en soms tot het verbleken van de inkt. Toch hebben een aantal documenten in de kelder van de bieruitzetter te Eksaarde waterschade geleden. Het papier vertoont verkleuringen en bij het hanteren vallen er steeds kleine snippers af. In extreme gevallen stellen we ook vast dat het papier aan elkaar kleeft en dat de bladen niet kunnen worden omgedraaid zonder het boek nog verder te beschadigen.
Het bewaarde archief van de schepenbank is nagnoeg volledig aanwezig in de archiefdienst van Lokeren.
Een deel van het archiefbestand bevond zich vroeger in het Rijksarchief te Gent, waar vele schepenbankarchieven in het begin van de 19e eeuw werden ondergebracht. Op 2 februari 1987 werd bij een uitwisseling een gedeelte overgemaakt aan het Stadsarchief van Lokeren. De transactie betrof een aantal parochierekeningen, kerk- en armenrekeningen. Met betrekking tot het oud archief van de schepenbank zijn voor deze inventaris enkel de parochierekeningen van belang.[49] Later werd het resterende deel, samen met archiefstukken van andere gemeenten van het Land van Waas, overgebracht naar het Rijksarchief van Beveren. Hier bevond zich het bestand van de kasselrij van het Land van Waas en andere stukken van gemeentearchieven die onder haar bevoegdheid vielen. Het is dus aangewezen om de inventaris van het archief van het Land van Waas te raadplegen om na te gaan welke stukken van het archiefbestand van de schepenbank van Lokeren zich in het Rijksarchief van Beveren bevinden. Het gaat slechts om een beperkt aantal stukken.[50]
In het Algemeen Rijksarchief te Brussel zijn in het bestand van de Rekenkamer van Rijsel nog rekeningen van het beheer van de Lokerhoutbrug aanwezig voor de periode 1585-1608, 1743-1745 en 1746-1751.[51]
3. Bestaande inventarissen
Van het archief werden geen eigentijdse inventarissen teruggevonden. Wel hebben vier archivarissen uit de 19de en 20de eeuw het volledige archief geïnventariseerd.[52]
De eerste inventaris werd opgesteld door de geschiedschrijver Henri Raepsaet (1816-1871) die op tijdelijke basis werd aangesteld als archivaris om de archieven te ordenen. De inventaris van het oud archief van de schepenbank maakt deel uit van een inventaris die zowel het oud als het modern archief van Lokeren tot het jaar 1841 en het oud en modern archief van het Beverse in Lokeren beschrijft. Van de volledige inventaris zijn vijf exemplaren bewaard. Het oudste exemplaar is een klad dat dateert van 1 maart 1841 met de titel ‘Inventaire des archives de la ville de Lokeren dressé conformement à l’article 100 de la loi communale du 30 mars 1836’. De vier overige identieke exemplaren, waarvan één gedrukt, kunnen gedateerd worden op 12 december 1857 en dragen alle de titel ‘Ville de Lokeren. Inventaire des archives dressé conformement à l’article 100 de la loi communale du 30 mars 1836’. De vier handgeschreven exemplaren komen vermoedelijk van dezelfde hand en kunnen dus toegeschreven worden aan Henri Raepsaet. Als primair ordeningscriterium voor de inventaris werd de opstelling, de plaatsing van het archief in het stadhuis, gehanteerd. Bijgevolg krijgt men een onderverdeling op basis van de zalen waarover het archief verspreid stond. Wat de structuur van de inventaris van het oud archief van de schepenbank betreft, werd geen onderverdeling naar functie of structuur doorgevoerd. Zelfs een typisch 19de eeuwse onderverdeling naar onderwerp is niet terug te vinden. Er is éénvoudigweg een doorlopende opsomming gegeven van wat aanwezig was en in de volgorde waarin het aangetroffen werd. De beschrijvingen vangen steeds aan met ‘régistre intitulé’ of ‘carton intitulé’ en geven zeer beknopt de inhoud van het register of de doos weer. Een dergelijke wijze van beschrijven blijft nogal vaag en verduidelijkt niet welke stukken, dossiers of onderwerpsmappen in het archief aanwezig zijn.[53]
Een tweede ordenings- en inventarisatiepoging werd ondernomen door Lucien Van Brabant (1841-1933). Hij was stadssecretaris tot 1914 en werd na zijn pensioengerechtigde leeftijd aangesteld als archivaris. De inventaris beslaat opnieuw zowel het oud als het modern archief van Lokeren en tevens het volledig archief van de heerlijkheden op het grondgebied van de stad. De titel luidt ‘Inventaris der handvesten der stad Lokeren opgemaakt overeenkomstig artikel 100 der gemeentewet van 30 maart 1836’. De samenstelling van de inventaris werd beëindigd op 20 juni 1917. Ook hier vinden we voor het volledig archief als primair ordeningscriterium een indeling terug op basis van de zalen waar het archief werd bewaard. Met betrekking tot de indeling van het oud archief van de schepenbank is er op het hoogste niveau opnieuw geen indeling naar functies terug te vinden. De archivaris gebruikte een combinatie van onderwerpswoorden en redactionele vormen om zijn primaire ordening van het bestand te duiden. Als secundair ordeningscriterium opteerde hij voor een chronologische ordening. Zijn beschrijvingen blijven beperkt tot een aanduiding van de materiële vorm, met uitzondering wanneer het om een register gaat, soms gevolgd door een kernwoord om een onderscheid tussen een aantal stukken bij dezelfde onderwerpstitel aan de te geven. Bij het bekijken van de inventaris voor het archief van de schepenbank is verder ook gebleken dat niet alle stukken en reeksen volledig werden opgenomen.[54]
Er werd nog een afzonderlijk katern teruggevonden met de titel ‘Stad Lokeren. Inventaris van het oud archief der vierschaer van Lokeren & Dacknam’. De inhoud en de indeling zijn identiek aan de inventaris van L. Van Brabant van het oud archief van de schepenbank. De opmerkingen in verband met structuur en beschrijvingen gelden dus ook hier. Het katern vermeldt geen naam en datering. Het handschrift komt niet overeen met dat van L. Van Brabant. Het is dus onmogelijk te achterhalen of het gaat om een afschrift van diens inventaris of om een reeds vroeger opgemaakt stuk.
Op 17 juni 1922 vond een nazicht van de oude archieven plaats door Robert Schoorman, de rijksarchivaris van Gent. Deze inspectie gebeurde naar aanleiding van de ministeriële voorschriften van 20 maart 1920 en een omzendbrief van de gouverneur van Oost-Vlaanderen gedagtekend op 7 mei 1920.[55] Zijn komst resulteerde in een ‘Inventaire sommaire des archives seigneuriales et communales de Lokeren’. Dit werk vangt aan met een kleine inventaris van het oud archief[56] dat zich op dat ogenblik in het Rijksarchief te Gent bevond. De uitwisseling in 1987 waarbij parochie-, kerk- en armenrekeningen aan het Stadsarchief van Lokeren werden overgedragen, moet slechts een fragmentarische overlevering geweest zijn. De inventaris van R. Schoorman meldt immers het bestaan van stukken die niet in het Stadsarchief aanwezig zijn. Aangezien het Rijksarchief van Gent noch het Rijksarchief van Beveren over een archief van de gemeente Lokeren beschikken, vermoeden we dat deze stukken verloren gegaan zijn.[57] Vervolgens wordt een inhoud gegeven van het archief van de schepenbank en tenslotte ook van het archief van de heerlijkheden die zich op het grondgebied van Lokeren bevinden. De stukken werden niet genummerd. Er wordt enkel aangegeven hoeveel delen of liassen een serie bevat samen met de vermelding van de uiterlijke data. In deze inventaris ontbreekt elke structuur. Er wordt noch een onderverdeling gemaakt naar functie of organisatie noch naar onderwerp. Belastingkohieren staan in een platte lijst tussen erfenissen en ferieboeken. De beschrijvingen bestaan uit redactionele vormen.[58]
In 1951 werd Pater Vedastus Verstegen (1906-1989) aangesteld als stadsarchivaris.[59] Hij herschikte het archief en stelde een nieuwe inventaris op die geen uitdrukkelijke titel kreeg. De herschikking gebeurde nu meer vanuit de bestuurlijke en rechterlijke functies die de schepenbank waarnam.[60] Hoewel deze indeling in de inventaris niet letterlijk genoteerd werd, zijn de series wel min of meer op deze wijze bij elkaar geplaatst. Deze inventaris komt meer dan de reeds vermelde inventarissen tegemoet aan de archivistische principes met betrekking tot het ordenen van archieven. De beschrijvingen zijn beperkt tot de redactionele vorm. Ook hier weer geen nummering van de stukken, evenmin een verwijzing naar oudere nummers, maar toch een opsomming van de delen of registers van een serie en niet enkel een aantal zoals in de inventaris van R. Schoorman.[61]
Op de registers van de grote series en ook op een aantal losse stukken werden in de loop van de geschiedenis nummers of letters aangebracht. Op basis van het schrift vermoeden wij dat de Franse bezetter deze met een soort stift heeft aangebracht. Ook stadsarchivaris L. Van Brabant heeft een aantal stukken genummerd en gedateerd, soms door etikettering op de ruggen van de registers, soms door op de stukken zelf te schrijven. De etiketten en de nummers in stift werden niet verwijderd omdat pogingen daartoe de stukken nog verder zouden kunnen beschadigen.
Bij het bekijken van de beschrijvingen in de voornoemde inventarissen stelden we vast dat enkel een redactionele vorm werd aangegeven. Daar de archivarissen alleen series en losse delen (geen losse stukken) hebben geïnventariseerd, is de vermelding van de redactionele vorm in de meeste gevallen dan ook voldoende. Bovendien werd de materiële vorm in de vroegste inventarissen in de beschrijving mee opgenomen.
Tenslotte werd nog een genummerde lijst van, op het eerste zicht, enkel octrooien en verlengingen van allerlei rechten teruggevonden. Wanneer men de lijst nummer per nummer onderzoekt, merkt men dat het soms gaat om bijvoorbeeld een sententie of een renteconstitutie. De reden hiervoor of een eventueel verband met die octrooien is niet onmiddellijk te achterhalen. Deze lijst is noch naar onderwerp noch chronologisch geordend. De samensteller van deze lijst is onbekend en ook een datering is niet aangegeven. Zeker is wel dat het geen eigentijdse inventaris betreft.
Hoewel deze inventarissen en lijsten de laatste decennia in de praktijk niet worden gehanteerd, hebben wij deze toch uitgebreid willen beschrijven om te verduidelijken waarom zij niet ter beschikking van de gebruiker werden gesteld en om aan te geven waarom een omnummeringstabel hier weinig zinvol is.
C. BESCHRIJVING VAN DE REEKSEN
Het oud archief van de schepenbank van Lokeren heeft een lengte van 45,16 strekkende meter. Het werd onderverdeeld volgens de functies die de schepenen op zich namen. Het gaat énerzijds om een reeks taken die samen hun bestuurlijke bevoegdheid vormen (nrs. 25-796) en anderzijds om een reeks taken die samen hun rechterlijke bevoegdheid omvatten (nrs. 797-1366). In dit hoofdstuk zullen wij de archiefbescheiden en vooral de series die de neerslag vormen van de door de schepenbank gestelde handelingen toelichten. Hierbij dient opgemerkt te worden dat een groot aantal belangrijke series uit het archief bijna integraal bewaard werd waardoor het archief zeer waardevolle informatie bevat over de geschiedenis van de gemeente en haar inwoners en over het functioneren van de schepenbank.
1. De schepenbank als bestuurlijk orgaan
Wetgeving en algemeen bestuur
Onder ‘Wetgeving en algemeen bestuur’ worden een hele reeks ordonnanties, edicten en octrooien ontsloten die uitgevaardigd werden door de vorst of zijn rechtstreekse vertegenwoordiger namelijk de hoofdschepenen van de kasselrij van het Land van Waas. De eerste reeks edicten en ordonnanties is algemeen geldend waarmee wordt bedoeld dat zij van toepassing is op alle gemeenten en steden in Vlaanderen en niet specifiek op Lokeren (nrs. 25-76). Vervolgens worden de ordonnanties en reglementen weergegeven die gelden voor alle steden en gemeenten binnen de kasselrij van het Land van Waas (nrs. 77-80). Tenslotte volgt een opsomming van de octrooien die specifiek aan de gemeente Lokeren werden verleend (nrs. 81-92). Het betreft in hoofdzaak de toekenning van het recht tot de heffing van bepaalde lasten en de verpachting van de inning van die lasten. Aangezien de graaf van Vlaanderen heer van Lokeren was, hadden de schepenen voor dit deel van hun inkomsten en ook voor andere bestuurlijke beslissingen steeds diens toestemming nodig.
Bij de resoluties vinden we twee reeksen resolutieboeken terug.[62] De eerste reeks omvat de deputaties van de schepenen en van de griffier (nrs. 95-97). Men vindt er de aanleidingen om dewelke de schepenen en/of de griffier naar bijvoorbeeld de Raad van Vlaanderen te Gent of naar het Hoofdcollege te Sint-Niklaas werden afgevaardigd en ook de autorisaties nodig om deze reis aan te vangen. Deze deputaties werden tot in 1695 in afzonderlijke registers genoteerd. Nadien werden ze geïntegreerd in de notitieboeken (resolutieboeken). Deze notitieboeken vormen de tweede reeks resolutieboeken (nrs. 98-110).[63] Zij geven weer wat er in de vergaderingen van de schepenen aan de orde is gekomen en welke besluiten er werden genomen.
In de kladboeken vinden we naast de minuten van uitgaande brieven en de ‘acta’ van de resolutieboeken diverse items terug: sententies, rekeningen betreffende het beheer van de ‘Fabricque’[64] en de Lokerhoutbrug, projecten van staten van lasten (renten en obligaties ten laste van de gemeente) en lijsten in verband met de inkwartiering van soldaten (nrs. 111-113). Slechts één kladboek bevat datgene waar de titel van getuigt, namelijk enkel de kladversies van de resoluties (nr. 114). Hoewel de vier delen de titel van ‘Claddeboeck’ dragen, zijn de vermelde sententies en rekeningen van het beheer van de ‘Fabricque’ en de Lokerhoutbrug voor een aantal jaren uniek. We bedoelen hiermee dat er voor die bepaalde jaren geen andere sententies of rekeningen zijn en ze dus van cruciaal belang zijn om de periodes waarvoor geen zelfstandige sententieregisters of rekeningen opgesteld werden, in te vullen.
Onder de titel ‘Briefwisseling’ werden ook rekesten (nrs. 115-117) opgenomen, met name verzoeken vanwege de schepenen aan hogere instanties. Daar deze rekesten niet erg talrijk zijn, hebben we ze onder deze rubriek geplaatst. De beschikkingen werden op de rekesten zelf genoteerd en deze werden naar de schepenen teruggestuurd.
In de registers met minuten van uitgaande brieven werden ook de verleningen van paspoorten geregistreerd voor de periodes 1773-1779 en 1794-1795 (nrs. 118-119). Iedereen die de gemeente wenste te verlaten voor een korte of lange periode diende hiervoor de toestemming te verkrijgen van de schepenen. De registratie bestond soms enkel uit de vermelding van de naam van diegene die een paspoort nodig had, soms vergezeld van de persoonsbeschrijving, de plaats van bestemming en de reden van de reis. We stellen vast dat de brieven gericht zijn aan verschillende bestemmelingen waaronder de schepenen van het Beverse, andere gemeenten en ook particuliere personen. Dit in tegenstelling tot de registers waarin de inkomende brieven (nrs. 120-122) werden overgeschreven. Deze zijn in hoofdzaak afkomstig van de hoofdschepenen van het Land van Waas. Gezien de relatie tussen de gemeente en het Hoofdcollege is het niet verwonderlijk dat de inkomende brieven van het Hoofdcollege vaak belangrijke aangelegenheden betroffen. De registers met de afschriften van de inkomende brieven bevatten ook enkele minuten van antwoorden op deze brieven.
De briefwisseling (nrs. 123-140), een vierde reeks onder het algemene hoofdstuk ‘Briefwisseling’, is, ondanks de korte periode die bewaard bleef (1778-1795), toch omvangrijk. Wat de periode 1778-1784 (nrs. 123-129) en de jaren 1794-1795 (nrs. 139-140) betreft, gaat het bijna uitsluitend om inkomende brieven, terwijl men in de periode 1785 tot 1793 (nrs. 130-138) heel wat minuten van uitgaande brieven, ‘laet wetens’ en processen-verbaal van bepaalde vaststellingen en schepenvergaderingen terugvindt.
Financiën
Een tweede groot hoofdstuk binnen de schepenbank als bestuurlijk orgaan is gewijd aan de financiën van de gemeente.[65] De schepenen waren belast met het beheer van de inkomsten en de uitgaven en dienden hierover verantwoording af te leggen aan het Hoofdcollege van het Land van Waas.
De inkomsten van de gemeente waren afkomstig uit een aantal belastingen. Deze werden afhankelijk van de soort belasting opgelegd aan de inwoners van de gemeente en in sommige gevallen ook aan personen van buiten de gemeente. Elke belasting vond zijn neerslag in een aantal grote reeksen.
De quoteboeken of verhoofdyngboeken (nrs. 141-227) werden opgemaakt per grondgebruiker, met vermelding van de bewerkte percelen en de eventuele wisseling van de gebruikte percelen. Het ging om belastingen die aan de gebruiker van de grond werden opgelegd en niet aan de eigenaar. Tijdens het Ancien Régime werd voornamelijk het grondgebruik belast. Deze belastingvorm was wegens het agrarisch karakter van de samenleving één van de belangrijkste bronnen van inkomsten. De vroegste drie quoteboeken bevatten de belastingen voor het dorp en de omliggende wijken telkens in één deel (nrs. 141-143). Vanaf 1635 werden de belastingen voor het dorp en voor elke wijk in een afzonderlijk register genoteerd (nrs. 144-227). Ook diegenen die niet in Lokeren woonden maar hier wel grond in gebruik hadden, dienden deze belasting te betalen aan de gemeente. Zij werden met de verzamelnaam ‘afdreft’ aangeduid en eveneens in een apart register genoteerd. Deze personen werden ‘afdrijvers’ genoemd. Wanneer we de jaren bekijken voor dewelke quoteboeken aanwezig zijn, valt het op dat er grote hiaten zijn. Dit betekent echter niet dat deze belasting onregelmatig geheven werd. De genoemde jaartallen geven enkel aan wanneer een vernieuwing van de registers heeft plaatsgevonden. In de registers die aanvangen met het jaar 1600 werden de wisselingen van de gebruikte percelen in de marge opgetekend tot het jaar 1606. In dit jaar begon men een nieuw register waarin de eindtoestand van het vorige register werd overgenomen. Hetzelfde is van toepassing op alle andere vermelde jaartallen. In de inventaris zelf werden de jaren van vernieuwing van het register aangegeven. De laatste vernieuwing gebeurde in 1779 (nr. 213-217). Dit deel bevat aanvullingen tot het jaar 1800. Opvallend is dat voor de delen die vernieuwd werden in 1728 zowel een klad- of oorspronkelijk exemplaar (nrs. 189-200) als een netexemplaar (nrs. 201-212) aanwezig zijn. In het netexemplaar werd later niets bijgeschreven in de marges.
Een tweede bron van inkomsten vormden de tienden. Deze hoorden gedurende het Ancien Régime toe aan het bisdom en het kapittel van Doornik, de abdijen van Boudelo en Drongen, het vrouwenklooster Nieuwenbos, de pastoor van Lokeren en de pastoor van St.-Michiels te Gent.[66] De tiendeheffer stond in voor het onderhoud van het kerkgebouw en de toren en de vergoeding van de pastoor. In de 18de eeuw moest de tiendeheffer ook de pastorij onderhouden. De vermelde processen tussen de schepenbank van Lokeren en deze grote tiendeheffers maken duidelijk dat de relatie niet altijd even vlot verliep (nrs. 303-304, 305-308). De stukken met betrekking tot de tienden horen, wat Lokeren betreft, niet thuis in het kerkelijk archief. De grote geestelijke tiendeheffers verpachtten deze belasting aan de gemeente. De algemene tiendenrekeningen (nrs. 229-287) werden afgehoord door het Hoofdcollege. De tiende pointingrollen (nrs. 289-302) waren lijsten opgesteld door de pointers en zetters van de gemeente en deelden mee hoeveel tiende elke inwoner moest betalen. Dit bedrag varieerde jaarlijks voor elke inwoner.
Ook de kohieren van de zettingen of pointingen, hier pointingrollen (nrs. 310-361) genoemd, vormden een belangrijk element in het belastingsysteem. Het waren lijsten die door de pointers en zetters opgesteld werden en waarin aangegeven werd hoeveel de belastingplichtige diende te betalen. Dit bedrag, afhankelijk van de omvang van de bede die door de vorst of overheid werd gevraagd, werd berekend op basis van de hoeveelheid grond die werd bewerkt, de negotiatie of de inkomsten uit handels-of ambachtelijke bedrijvigheid en de gestaetheyd.[67] De pointingrollen zijn bewaard vanaf 1733 tot 1796.
Een andere bron van inkomsten waren de belastingen op de ‘gestaetheyd’. Dit was een belasting op de inkomsten uit eigendom van gronden of renten en ambten of vrije beroepen.[68] Deze lijsten zijn bewaard voor de jaren 1734, 1766, 1785-1795 (nrs. 363-374). De inkomsten uit de ‘gestaethede, rijckdom ende negotiatie’ werden enkel aangewend ter betaling van de domiciliaire lasten of binnenkosten.[69]
Tenslotte werden ook inkomsten gehaald uit de verpachting (nrs. 375-386) van een aantal rechten. De schepenen verkregen van de vorst via octrooien het recht om belastingen te heffen. De inning van deze belastingen en de uitvoering van de taken die hiermee gepaard gingen, gebeurden niet door de schepenen maar werden verpacht aan de meestbiedende. De processen-verbaal bestonden steeds uit de voorwaarden van de verpachting en uit het contract tussen de pachter en de gemeente. Uitzonderlijk waren deze nog vergezeld van de borgstellingen door derden voor de pachter. Het was de gewoonte om de voorwaarden en het contract afzonderlijk op een gevouwen folio te noteren. De voorwaarden en de contracten vormen dus meestal een parallelle reeks. Dit geldt eveneens voor de borgstelling als die bewaard is gebleven. Het gebeurde soms dat de rechten meerdere malen na elkaar in handen van dezelfde pachter bleven. In deze gevallen vinden we de voorwaarden niet meer herhaald. Enkel het pachtcontract werd dan vernieuwd. Wanneer het afzonderlijk pachtcontract voor een bepaald jaar ontbreekt, vindt men op het folio met de voorwaarden achteraan een soort voorlopig contract, ondertekend door beide partijen, met de datum en de pachtsom vermeld.
Het meetrecht van textielgoederen werd verpacht voor de duur van twee jaar. De pachtsom ging integraal naar de Armentafel. Bij deze verpachting waren ook de pastoor en de gedeputeerden van het Beverse betrokken. De verpachting van het recht tot toekenning van staanplaatsen op de markt en het innen van staangelden werd om de drie jaar vernieuwd. Met betrekking tot de andere verpachtingen kan men de pachttermijn niet of met onvoldoende zekerheid bepalen omwille van het fragmentarisch karakter van de bewaarde voorwaarden en contracten. Tussen de processen-verbaal van de verpachtingen van al deze rechten zijn ook verpachtingen van ‘opgedragen en geabandonneerde’ gronden aanwezig. Zoals de naam reeds laat vermoeden, gaat het om woeste of weinig renderende gronden die door de eigenaars ‘opgedragen’ werden aan de gemeente. Deze mocht dan de gronden verpachten. In ruil hiervoor werden de eigenaars vrijgesteld van alle belastingen op die gronden.[70]
De uitgaven van de gemeente werden in deze inventaris onderverdeeld in drie categorieën.
De eerste uitgavenpost werd gevormd door de domiciliaire lasten of binnenkosten.[71] Dit waren uitgaven die gedaan werden om de goede werking van de gemeente te verzekeren. Onderhoudskosten voor de kerk en het kerkuurwerk, vergoedingen aan de schepenen, de griffier, de ontvanger en ander gemeentepersoneel kan men hier terugvinden. Voor de omslag van de binnenkosten was de goedkeuring van de raad van notabelen vereist. De rekeningen van deze binnenkosten zijn bewaard vanaf 1654 tot 1795 (nrs. 387-392). Op een paar uitzonderingen na vindt men ze terug als onderdeel in de banden met de parochierekeningen. Voor de periode 1653-1679 bevinden deze kosten zich steeds ergens tussen de andere uitgaven van de parochierekeningen. Vanaf 1680 tot 1795 vormen ze een onderdeel dat steeds apart achteraan de parochierekeningen wordt vermeld. Deze evolutie is vermoedelijk het gevolg van de groei van de gemeente die een stijging van de domiciliaire lasten met zich heeft gebracht. Hierdoor zullen de rekeningen van de binnenkosten omvangrijker worden zodat men ze in een afzonderlijke rekening heeft samengebracht. Enkel voor de jaren 1681, 1685, 1686, 1689, 1702 en 1707 hebben de domiciliaire lasten de vorm van losse katernen. De bewijsstukken die bij deze rekeningen hoorden (nrs. 393-419), bestonden onder andere uit kwitanties, staten, facturen, bestekken, en dergelijke meer. Met betrekking tot de domiciliaire lasten bleven ook nog een aantal rendantrekeningen bewaard. Dit waren afschriften die de rekenplichtige bijhield.
Een volgende categorie uitgaven omvatte de renten (nrs. 422-423). Het gaat om rentebrieven en de aflossing van leningen door de schepenen aangegaan ten behoeve van de gemeente.
Een derde belangrijk deel van de totale uitgaven van de gemeenten vormden de militaire lasten (nrs. 424-435). Deze bestonden zowel uit geldelijke bijdragen als uit leveringen van voedsel, paarden en materiaal. Ook de inkwartiering van soldaten en hun officieren en het voeden van hun rijdieren kostten veel aan de gemeente. Zoals reeds vermeld, werden de bijdragen en leveringen door het Hoofdcollege van het Land van Waas in een aantal gevallen terugbetaald, doch meestal slechts gedeeltelijk.
Een laatste onderdeel van de uitgaven werd gevormd door de kosten die het voeren van processen door de schepenbank met zich meebrachten (nrs. 436-438).
De schepenen dienden tenslotte verantwoording af te leggen over hun beheer. Dit gebeurde in algemene rekeningen die zowel de inkomsten als de uitgaven van één of meerdere jaren verzamelden.
De parochierekeningen werden opgesteld door een ontvanger.[72] In de inventaris hebben
we een onderscheid gemaakt tussen de deelrekeningen (nrs. 439-466) en de jaarrekeningen (nrs. 467-610). Bij de deelrekeningen die lopen van 1624 tot 1653 treft men telkens meerdere katernen per jaar aan. Inhoudelijk bevatten de deelrekeningen gewoonlijk de ‘uytsent’ en een aantal buitengewone militaire lasten. De ‘uytsent’ was de jaarlijkse bede van de vorst aan de Staten van Vlaanderen. Eens het bedrag van de bede vastgesteld was, verdeelde de Staten van Vlaanderen deze volgens een vast repartitiestelsel over de steden en kasselrijen. Aan het bedrag van de uytsent werden nog provinciale lasten voor de Staten van Vlaanderen en kasselrijkosten toegevoegd. Samen vormden zij de som die verdeeld werd over de verschillende gemeenten. Deze deelrekeningen vonden hun oorsprong in het feit dat aanvankelijk elke belasting afzonderlijk werd gezet waardoor er meerdere ommestellingen per jaar plaatsvonden. Bovendien legde de overheid in tijden van oorlog nogal vaak uitzonderlijke belastingen op. Deze militaire lasten werden in aparte rekeningen gezet. Hoewel het plattelandsreglement van 1672 bepaalde dat er slechts één ommestelling en één rekening per jaar mocht worden opgesteld, zien we dat men in Lokeren reeds vanaf 1654 de gewoonte had aangenomen slechts één rekening per jaar op te stellen. Uitzonderlijk vinden we voor het jaar 1681 toch nog drie rekeningen terug.[73]
De jaarrekeningen van de gemeente (parochie) lopen niet volgens het kalenderjaar maar steeds van 1 mei tot 30 april van het volgend jaar. De ontvanger bleef echter uitgaven boeken tot het afsluiten van de rekening, meestal tot enkele jaren nadien. Dit impliceert dat in elke rekening uitgaven terug te vinden zijn die betrekking hebben op de volgende jaren. De ontvangsten hebben steeds betrekking op het jaar dat in de rekening vermeld staat. Bij een aantal van deze jaarrekeningen werden purgatieve rekeningen mee ingebonden of achteraan bijgeschreven. De volledige reeks parochierekeningen werd, met uitzondering van het jaar 1655 waarvoor wel purgatieve rekeningen aanwezig zijn, integraal bewaard tot 1795. Zoals van de rekeningen van de domiciliaire lasten zijn ook van de parochierekeningen een aantal rendantrekeningen (nrs. 611-624) en de bewijsstukken voor elk jaar vanaf 1760 bewaard (nrs. 625-655). Na de bewijsstukken wordt nog een formulier voor de parochierekeningen (nr. 656) vermeld. Dit is een model voor de manier waarop men de parochierekeningen diende op te stellen.
Behalve de parochierekeningen die men in elke gemeente of stad aantrof, had men in Lokeren nog andere algemene rekeningen. Het ging om de rekeningen van het beheer van de ‘Fabricque’ en de rekeningen van het beheer van de Lokerhoutbrug en het brughuis.
De rekeningen van het beheer van de ‘Fabricque’ (nrs. 657-667) brengen een merkwaardige situatie aan het licht waar totnogtoe weinig duidelijkheid over bestaat. Voor de toelichting van deze reeks hebben we de rekeningen grondig bestudeerd en onze vaststellingen vergeleken met de bevindingen van V. Verstegen. Indien we ‘Fabricque’ met zekerheid zouden mogen vertalen als ‘kerkfabriek’ dan staat het toch vast dat de rekeningen die in deze inventaris werden opgenomen geen traditionele kerkrekeningen zijn. Bij nazicht van deze rekeningen vinden we geen inkomsten terug uit grondpachten, renten of uit de betaling van begrafeniskosten of uit collecten tijdens kerkdiensten. Ook over uitgaven zoals het onderhoud van het kerkgebouw, processies of de vergoeding van de pastoor wordt niets vermeld. Daarentegen stellen we vast dat de inkomsten en uitgaven betrekking hebben op de inning en de verpachting en het gebruik van het bestiaal-geld, de pacht op de vlashuisjes van de markt en de pacht op het vergaren van het huisvuil (mest). De rekeningen vermelden wel uitgaven voor het onderhoud en het herstel van de kade. De ‘Fabricque’ stond verder ook in voor een aantal openbare werken in de gemeente zoals het kasseien van de straten en het onderhoud hiervan. In tegenstelling tot de kerkmeester die aangesteld werd door de schepenen én de pastoor, werd de ontvanger van de ‘Fabricque’ enkel aangesteld door de schepenen. De opdracht werd verpacht aan de laagstbiedende. De pachter, een privaat persoon, kon deze functie meerdere jaren na elkaar uitoefenen, soms voor de duur van zijn leven en kon ze zelfs overdragen op zijn kinderen. Hij diende enkel aan de schepenen rekenschap af te leggen. Hoewel het geld dat hij inde eigendom was van de gemeente, werd het noch overgedragen aan de gemeenteontvanger noch geïntegreerd in de parochierekeningen van de gemeente. Wanneer de schepenen een mandaat uitschreven, diende de ontvanger van de ‘Fabricque’, als hij het geld in kas had, binnen de acht dagen de betalingsopdracht uit te voeren. In uitzonderlijke gevallen leenden de schepenen geld van de ‘Fabricque’. Deze leningen waren zonder intrest.[74]
De rekeningen werden onregelmatig bewaard voor de periode 1669-1789.
Tenslotte werd nog een reeks algemene rekeningen van het beheer van de Lokerhoutbrug (nrs. 668-689) bewaard.[75] In 1574 verkregen de schepenen het recht om tolgeld te vragen aan alle vreemdelingen die naar Lokeren kwamen via de Lokerhoutbrug. De tol werd aan de meestbiedende verpacht voor een periode van drie of soms van zes jaar. De pachters van de brug en van het brughuis, dat eveneens verpacht werd, dienden de inkomsten en uitgaven te noteren in deze algemene rekeningen. Bij de uitgaven vindt men vooral de kosten voor de talrijke herstellingen aan de brug. De ontvangsten van het tolgeld werden ook aangewend om de leningen af te betalen die aangegaan waren voor de bouw van en de herstellingen aan de brug. Uit het octrooi van 1574 blijkt dat elk jaar ook een bepaalde som diende betaald te worden voor de erkenning van het recht van de vorst. De rekeningen zijn bewaard voor de periode 1650-1780. Hoewel de schepenen na 1780 nog het recht hadden om tol te heffen en de brug bleven onderhouden, zijn geen latere rekeningen bewaard. Tot 1640 moesten deze rekeningen om de zes jaar worden voorgelegd aan de Rekenkamer van Rijsel. Vanaf 1640 was het toegestaan dat de hoogbaljuw van het Land van Waas de rekeningen afhoorde en sloot. In het Algemeen Rijksarchief te Brussel zijn in het bestand van de Rekenkamer van Rijsel nog rekeningen van het beheer van de Lokerhoutbrug aanwezig voor de periode 1585-1608, 1743-1745 en 1746-1751.[76]
Toezicht op en beheer van openbare werken
De processen-verbaal van de schouwingen van verkeerswegen en waterlopen (nrs. 693-773) vormen een laatste grote reeks die getuigt van één van de bestuurlijke taken van de schepenen. De schouwingen vanaf 1796 behoren in principe niet meer tot het oud archief maar aangezien het laatste register (nr. 773) ook de schouwingen van 1794, 1795 en 1796 bevat, dienen wij het jaar 1800 toch op te geven als uiterlijke datum. Welke informatie verschaffen ons deze processen-verbaal? Zij melden ons dat er ‘ordinaire’ schouwingen en ‘extra ordinaire’ of buitengewone schouwingen plaatsvonden. Deze buitengewone schouwingen gebeurden vaak naar aanleiding van klachten van personen die hinder ondervonden van bijvoorbeeld de slechte staat van een weg die langs hun huis liep of van beken die regelmatig overstroomden. Uit de data van de bewaarde processen-verbaal valt moeilijk af te leiden of de ‘ordinaire’ schouwingen op min of meer vaste tijdstippen plaatsvonden. De reeks is vanuit chronologisch oogpunt zeer onregelmatig. Het oudste proces-verbaal dateert van 1650. Dan zijn er voor de volgende zes jaar geen processen-verbaal teruggevonden. Tussen 1684 en 1700, tussen 1718 en 1731 en tussen 1738 en 1756 is steeds een hiaat van meer dan tien jaar. Het is onwaarschijnlijk dat in die tussentijd geen enkele schouwing heeft plaatsgevonden. De reeks is dus niet volledig. Uit de frequentie waarmee de bewaarde processen-verbaal voorkomen, stellen we vast dat de staat van de wegen en waterlopen toch als zeer prioritair werd beschouwd door de schepenen. Dit is niet verwonderlijk wanneer men in acht neemt dat Lokeren een belangrijk handelscentrum was in de 17de en 18de eeuw. Haar welvaart was dus voor een groot deel afhankelijk van de toegankelijkheid via wegen en waterlopen. Vanaf 1764 werden er ook processen-verbaal genoteerd in registers (nrs. 770-773). Het gebruik van losse katernen en registers liep door elkaar aangezien men in de registers hoofdzakelijk schouwingen terugvond die niet reeds op losse katernen waren genoteerd. Slechts uitzonderlijk werd een los katern overgeschreven in de registers. De katernen en de registers vullen elkaar inhoudelijk aan. Het is onduidelijk waarom vanaf 1764 de katernen en de registers naast elkaar werden gehanteerd. Het hiaat tussen 1776 en 1786 bij de processen-verbaal genoteerd op losse katernen wordt wel opgevangen door de processen-verbaal in de registers. Hoewel de titelbladzijden in de registers meedelen dat het register schouwingen van straten en publieke wegen bevat, werden de schouwingen van de Durme, beken en andere waterlopen eveneens in deze registers genoteerd. Doorgaans waren het de schepenen van de gemeente die de schouwingen uitvoerden maar soms gebeurde dit door één van de hoofdschepenen of de hoogbaljuw van het Land van Waas. In de aanhef wordt vermeld wie wat en wanneer schouwde. De rest van het proces-verbaal geeft aan welke inwoner welke taak bij het herstel of het onderhoud voor zijn rekening moest nemen.
Overige
De andere hoofdstukken zoals het ‘Toezicht op openbare orde en veiligheid’ (nrs. 690-692), de ‘Bevordering van het economisch leven’ (nrs. 788-793), ‘Zorg voor het algemeen welzijn’ (nrs. 794-796) en ook het deelhoofdstuk ‘Openbare werken m.b.t. bruggen, wegen en gebouwen’ (nrs. 774-787) worden samengesteld uit losse dossiers en stukken over uiteenlopende zaken en onderwerpen.
2. De schepenbank als gerechtelijk orgaan
Vervolgens zijn we aanbeland bij de bespreking van de reeksen die verband houden met ‘De schepenbank als gerechtelijk orgaan’. Dit hoofdstuk werd onderverdeeld in de willige of voluntaire rechtspraak en in de rechtspraak in geschillen of contentieuze rechtspraak.
Willige rechtspraak (voluntaire rechtspraak)
Tot de willige rechtspraak behoren enkele grote reeksen die bijna integraal bewaard zijn gebleven.
De wettelijke passeringen (nrs. 797-851) vormen een eerste belangrijke reeks. Dit is een zeer algemene term om verschillende zaken aan te duiden die verplicht voor de schepenbank dienden afgesloten of door de schepenen geregistreerd dienden te worden. De registers van wettelijke passeringen bevatten ‘erfenissen en onterfenissen’ en andere akten énerzijds en rentebrieven of renteconstituties anderzijds. Met ‘erfenissen en onterfenissen’ worden verkoopcontracten van onroerende goederen bedoeld. De koper van het goed erft, terwijl de verkoper onterfd wordt van dit goed. Contracten van leningen zijn op hetzelfde principe gebaseerd en dienen dus ook door de schepenbank bekrachtigd te worden. Wanneer de partij die geld ontleende niet tijdig de rente kon betalen, kon de tegenpartij beslag laten leggen op de goederen van de ontlener. Leningen werden immers gehypothekeerd op de onroerende goederen van diegene die geld ontleende. Ook toestemming door de schepenen aan de voogden voor de verkoop van wezengoederen zijn in deze registers terug te vinden. De toegankelijkheid van de registers wordt vanaf 1645 gewaarborgd door telkens twee eigentijdse indices: één voor de ‘erfenissen en onterfenissen’ en andere akten en één voor de renteconstituties (nrs. 808-845). Tot 1784 vindt men de ‘erfenissen en onterfenissen’ en de renteconstituties terug in hetzelfde register. Met uitzondering van het register dat loopt van 7 maart 1795 tot 27 september 1795 worden ze nadien in een afzonderlijk register geregistreerd (nrs. 846-851). Het oudste deel vat aan met het jaar 1558. Tot 1634 ontbreken een aantal delen waardoor kleine hiaten ontstaan in de voor de rest volledig bewaarde reeks. Van deze wettelijke passeringen zijn ook een aanzienlijk aantal minuten bewaard gebleven (nrs. 852-897). Dit zijn de oorspronkelijke erfenissen en renteconstituties die later geregistreerd werden in de registers van wettelijke passeringen.
De staten van goed (nrs. 901-1002) vormen eveneens een zeer omvangrijke reeks waarvan alle delen en banden vanaf 1584 tot 1796 bewaard zijn gebleven.[77] Wanneer er minderjarige kinderen achterbleven bij een overlijden, kregen ze twee voogden toegewezen, één uit de familie van de vader en één uit de familie van de moeder. Deze voogden dienden een inventaris op te stellen van de baten en schulden van het sterfhuis en deze over te maken aan de schepenen die de oppervoogden waren. Bij het bekijken van de reeks stelt men vast dat de jaartallen die in één band zitten soms niet chronologisch geklasseerd zijn en dat de staten van goed van één jaar verspreid zitten over meerdere banden. Bovendien zitten in elke band de staten van goed van het meest recente jaar vooraan en die uit vroegere jaren achteraan. Wellicht zijn het liassen die achteraf ingebonden zijn. Van deze staten zijn eveneens minuten (nr. 1003) bewaard gebleven.
Ook de reeks wezenrekeningen (nrs. 1010-1081) is volledig bewaard gebleven. De aangestelde voogden waren verplicht aan de schepenen rekenschap af te leggen over de administratie en het beheer van de wezengoederen en wezengelden. De verantwoording van het beheer door de voogden vindt men terug in de wezenrekeningen. Deze zijn in Lokeren bewaard gebleven vanaf 1630. De arbitraire wijze van inbinden kan ook hier vastgesteld worden. In enkele banden ontbreekt elk chronologisch verband tussen de rekeningen die ingebonden werden (nrs. 1021 en 1025). Nu eens heeft men de rekeningen van één jaar in één band samengebracht, dan weer zitten de rekeningen van twee of drie jaren bij elkaar. Bij het raadplegen van de banden zal men vaststellen dat in elke band de rekeningen van het meest recente jaar opnieuw vooraan zitten en de rekeningen uit vroegere jaren achteraan. Van deze reeks werd een klein aantal minuten bewaard (nr. 1082). De bewijsstukken (nrs. 1083-1153) bij de rekeningen bestaan voornamelijk uit verkoopcontracten, procuraties, rentebrieven, borgstellingen en andere wettelijke passeringen die verband houden met de verkoop van wezengoederen en het beheer van wezengelden.
De akten met de eedafleggingen van voogden (nrs. 1154-1163) vormen een reeks die loopt van 1636 tot 1796. Tot 1703 werden deze eedafleggingen opgetekend in de ferieboeken (nrs. 1174-1179). Tot 1710 is er een hiaat. Nadien werden ze opgetekend op losse katernen en geliasseerd. Deze zijn in de inventaris terug te vinden in het onderdeel ‘Rechtspraak in geschillen’. De voogden van de wezen, aangesteld binnen een tijdspanne van hoogstens 40 dagen na het overlijden van een ouder, legden een eed af aan de schepenen op het ogenblik dat zij staat van goed die door hen diende te worden opgesteld, overdroegen aan diezelfde schepenen. De eedaflegging bestond uit een verklaring dat alle baten en schulden naar waarheid en zonder bedrog waren opgenomen tijdens de inventarisatie van het sterfhuis.[78]
Rechtspraak in geschillen (contentieuze rechtspraak)
In het onderdeel met betrekking tot de rechtspraak in geschillen vormen de acht ferieboeken (nrs. 1174-1181) zowel inhoudelijk als chronologisch één van de belangrijkste reeksen. Vanuit chronologisch oogpunt zijn zij de oudste van alle reeksen die zich in dit onderdeel bevinden. Vanzelfsprekend bevatten zij de ‘feries’ zelf. Dit is wat we hedendaags ‘de rol’ zouden noemen. Ze vermelden de rechtszaken in de volgorde waarin ze door de schepenen zullen worden behandeld en dit vanaf 1634 tot 1794. Meer specifiek worden dus de namen van de procespartijen aangegeven en wat geëist wordt. Naast deze feries werden aanvankelijk ook sententies, de procesuitspraken, in deze registers genoteerd (nrs. 1174-1180). Deze werkwijze handhaafde men tot in 1723. Echte sententieboeken zien we pas verschijnen vanaf 1773 (nrs. 1182-1183). In dit jaar werden ze afgesplitst uit de kladboeken waarin de sententies van 1750 tot 1772 geregistreerd werden (nrs. 111-113). Voor de periode 1723-1750 zijn geen sententies bewaard.
Tenslotte vindt men nog een derde belangrijk item terug in deze ferieboeken, namelijk de eedafleggingen van de voogden tot 1703. In enkele ferieboeken werden op het einde van de 17de eeuw de eedafleggingen van de officieren (griffiers) en aankomende schepenen opgetekend (nrs. 1175-1178).
Voorafgaand aan de sententie werd de zaak door de schepenen onderzocht. Dit resulteerde in enkwesten (nrs. 1311-1338) die voor een groot deel bestonden uit voorafgaande ondervragingen van getuigen en gerechtelijke vooronderzoeken of ‘informatiën préparatoire’ (nrs. 1211-1297). De reeks enkwesten werd bewaard voor de periode 1762-1795, de voorbereidende onderzoeken reeds vanaf 1686 tot 1796. Deze bevatten op zich reeds zeer interessante en waardevolle informatie maar hun belang wordt nog groter als men vaststelt dat slechts weinig procesdossiers volledig bewaard werden.
Wanneer de schepenen optraden als rechters gebeurde het soms dat zij niet genoeg onderlegd waren om te oordelen. Zij waren immers geen juristen. In dergelijke situaties gin-gen ze te rade bij de hoofdschepenen van het Land van Waas of bij de Raad van Vlaanderen. Dezen deden dan een uitspraak, bindend voor de schepenen. Zij dienden ervoor te zorgen dat de sententie en de opgelegde straf voltrokken werden. Hiervan getuigen de hoofdlastingen of hoofdvaarten die in Lokeren bewaard zijn vanaf 1637 tot 1795 (nrs. 1186-1210).
Verder werden nog de registraties van furnissementen (nrs. 1299-1301) bewaard. Zij beslaan de periode 1709 tot 1795. Hierin werden de bewijsstukken die de beide partijen in hun proces aanvoerden, geregistreerd.
De namptissementen (nrs. 1302-1304) bestrijken de periode van 1709 tot 1795. Het waren voorlopige tegemoetkomingen in de vorm van een betaling door de tegenpartij aan de eiser.
Er zijn drie registers bewaard waarin vanaf 1719 tot 1796 klachten en saisissementen werden geregistreerd (nrs. 1305-1307). Saisissementen hadden dezelfde betekenis als staande klachten (nr. 1308). Het ging om klachten waarbij