De crisis van de jaren 1840 in Lokeren. Bepaling van het profiel van de Lokerse gezinnen in deze crisisjaren. (Evelyn Bullaert)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel 1: Het crisisbeeld te Lokeren tussen 1840 en 1850

 

C. DEMOGRAFIE [108]

 

1. Bevolkingsverloop

 

1.1. Evolutie van het bevolkingsaantal [109]

 

 

Het inwonersaantal van Lokeren kent een vrij woelig verloop. De eerste helft van de jaren 1840 kenmerkt zich door een daling van de bevolking, die zijn absolute dieptepunt kent in 1842. Pas in 1844 bereikt de stad opnieuw het niveau van 1840. Vanaf 1845 vertoont het inwonersaantal een stijgende trend, met het jaar 1846 als absoluut toppunt. Dit uitzonderlijk hoge cijfer is niet het gevolg van een spectaculaire stijging van de bevolking, maar wordt door het stadsbestuur hoogstwaarschijnlijk overgenomen uit de officiële tellingen die dat jaar worden gehouden. 1847 vertoont immers hetzelfde cijfer als 1845. Het jaar 1848 brengt opnieuw een daling in het bevolkingscijfer met zich mee. Het is duidelijk dat de gevolgen van de crisis zich nu ook op demografisch vlak laten voelen. Immers, het geboortecijfer vertoont reeds een daling vanaf 1845, met een absoluut dieptepunt in 1848; het sterftecijfer bereikt zijn hoogtepunt in 1847 en ook de emigraties kenmerken zich reeds vanaf 1845 door een hoger niveau. Onder invloed van de moeilijke levensomstandigheden kent het bevolkingscijfer bijgevolg een kortstondige inzinking. Lokeren herstelt zich echter snel en reeds vanaf 1849 is opnieuw een stijgende tendens waarneembaar. Reeds in 1850 is het Lokerse inwonersaantal uitgestegen boven de piek van 1846. De evolutie voor Lokeren staat in schril contrast met de bevindingen van Jacquemyns. Voor de niet-linnendistricten – waartoe Lokeren behoort - beschrijft Jacquemyns een constante stijging van de bevolking tussen 1841 en 1845 en een beperkte daling in de tweede helft van het decennium, de linnendistricten kennen daarentegen gedurende de volledige jaren 1840 een gevoelige daling van het inwonersaantal.[110] Het bevolkingsverloop van Lokeren verschilt echter van beide beschreven evoluties.

 Ondanks het grillige verloop kan men globaal gezien toch gewag maken van een stijgend verloop van de bevolking. Bovendien heeft de eigenlijke crisis slechts een beperkte impact op het inwonersaantal. Wanneer we geen rekening houden met de sterke stijging in 1846 -die een vertekend beeld geeft vermits het om een telcorrectie gaat-, kan men stellen dat enkel het cijfer van 1848 onder de economische depressie te leiden heeft. De stad herstelt echter buitengewoon snel en vanaf 1849 volhardt het bevolkingscijfer in zijn stijgende tendens.

 

1.2. Natuurlijk, migratorisch en totaal bevolkingssaldo

 

 

Geboorten

sterfgev.

Nat. saldo

migratiesaldo

tot. bev. saldo

tot. bev. 31-12

1840

538

456

82

-97

-15

16188

1841

515

420

95

-185

-90

16098

1842

502

452

50

-104

-54

16044

1843

531

435

96

-46

50

16094

1844

497

391

106

-16

90

16184

1845

518

413

105

-1

104

16288

1846

461

473

-12

190

178

16466

1847

453

552

-99

-87

-186

16280

1848

412

453

-41

-20

-61

16219

1849

514

434

80

17

97

16316

1850

526

352

174

-20

154

16470

 

 

Het verschil tussen het aantal geboorten en het aantal sterfgevallen wordt uitgedrukt in het natuurlijk saldo. Dit saldo vertoont positieve waarden tot en met 1845, met gemiddeld 89 geboorten meer dan overlijdens voor de periode 1840 – 1845. De drie zwaarste crisisjaren, -1846, 1847 en 1848- vertonen een negatief cijfer, voornamelijk in 1847 wanneer er 99 personen meer sterven dan er geboren worden. Dit negatieve saldo is logisch te verklaren. In 1847 stijgt het bruto–sterftecoëfficiënt (BSC) maar liefst tot 34%o, terwijl het bruto- geboortecoëfficiënt (BGC) tijdens de drie crisisjaren een sterke daling kent (zie verder). 1849 vertoont opnieuw een positief cijfer dat onmiddellijk het gemiddelde van de eerste helft van het decennium benadert. Een bijzonder hoog natuurlijk saldo verkrijgt men in 1850, wanneer maar liefst 174 geboorten meer worden geteld. Deze trend komt overeen met een demografische wetmatigheid: na een crisisperiode treedt steeds een recuperatiefase op. Immers, de zwakke elementen hebben het tijdens de crisisperiode niet gehaald zodat de overlevenden samenvallen met het sterkere deel van de bevolking. Deze zijn beter bestand tegen allerlei probleemsituaties, en dit gecombineerd met betere levensomstandigheden zorgt voor een daling van het aantal sterfgevallen. Bovendien zullen de concepties die worden uitgesteld in de crisisperiode nu volop worden voltrokken.[111]

 Het totale bevolkingssaldo bekomt men door het verschil te berekenen tussen het bevolkingscijfer van jaar x en van het jaar x +1. [112] Dit saldo vertoont een grilliger verloop dan het natuurlijk saldo. De jaren 1840 zetten immers in met een negatief bevolkingssaldo, dit is vooral sterk negatief in 1841, wanneer de bevolking afneemt met negentig personen. Wanneer men de verschillende demografische parameters met elkaar vergelijkt, wordt snel duidelijk dat de malaise van het begin van het decennium zich ook in de demografische laten voelen. De gedeeltelijke verwoesting van de oogst van 1840 en 1842, gecombineerd met een opflakkering van de veeziekte, kunnen als oorzaak worden aangehaald. Behalve het totaal bevolkingssaldo is ook het migratiesaldo negatief, het BSC vertoont hogere waarden en het BHC daalt in deze eerste jaren. Van 1843 tot en met 1846 treedt een adempauze in, met positieve cijfers die elk jaar hoger worden. In 1847 en 1848 laat de crisis zich echter duidelijk voelen, volgens de berekeningen daalt de bevolking in 1847 met 186 personen en in 1848 nog eens met 61. Met deze cijfers moet echter voorzichtig worden omgesprongen. In 1846 werd namelijk een volkstelling gehouden en het cijfer dat voor dat jaar in de verslagen van het schepencollege wordt weerhouden is hoogstwaarschijnlijk de gecorrigeerde versie zoals die door de overheid wordt doorgegeven. Wanneer men ervan uitgaat dat de sterke stijging van het bevolkingscijfer van 1846 het gevolg is van een telcorrectie, moet men er rekening mee houden dat het hoge bevolkingssaldo van 1846 en het sterk negatieve cijfer van 1847 een vertekend beeld leveren. Naar alle waarschijnlijkheid was het totale bevolkingssaldo inderdaad reeds in 1847 negatief, maar minder sterk dan nu naar voor komt. Men kan bijgevolg stellen dat de crisisperiode het bevolkingssaldo gedurende twee jaar negatief beïnvloed heeft, maar niet in de mate die deze cijfers aangeven. De laatste twee jaren van het decennium kenmerken zich door een positief saldo; het hoge cijfer voor 1850 verraadt de aanvang van de recuperatiefase.

 Wanneer men het verschil berekent tussen het totaal bevolkingssaldo en het natuurlijk saldo, bekomt men het migratiesaldo. Dit vertoont negatieve waarden voor de volledige jaren 1840, behalve in 1846 en 1849. Dat ook de eerste jaren van 1840 eerder moeizaam verlopen, wordt hier opnieuw bevestigd: het migratiesaldo is zwaar negatief in 1840, 1841 en 1842. Vanaf 1843 tot en met 1845 verbetert de situatie, met in dat laatste jaar een negatieve waarde van amper één. 1846 vertoont een sterk positief cijfer, maar hier moet men opnieuw de telcorrectie in het achterhoofd houden. Ook wat de migraties betreft gaat de crisis niet onopgemerkt voorbij in 1847 en 1848. In 1847 bekomt men immers een cijfer van –87, toch moet worden opgemerkt dat het saldo nog negatiever was in het begin van het decennium. 1849 vertoont een positief cijfer, terwijl 1850, ondanks de recuperatiefase, weerom een negatief migratiesaldo kent. Wanneer men deze cijfers vergelijkt met het migratiesaldo dat werd bekomen door het verschil te berekenen tussen de emigraties en de immigraties, kan men globaal genomen een zelfde evolutie constateren (zie verder). Ook dit migratiesaldo is sterk negatief in de eerste jaren van 1840, hoewel reeds minder zwaar vanaf 1842. Vermits deze cijfers niet worden beïnvloed door de telcorrectie is het migratiesaldo ook in 1846 negatief, net zoals in 1847, 1848 en 1850. 1849 vertoont echter een positief saldo. Dat de crisis zich ook in Lokeren laat voelen is een vaststaand feit. Men kan er echter niet om heen dat de telcorrectie een vertekend beeld geeft, want wanneer men de verschillende demografische parameters bekijkt en vergelijkt met andere gebieden wordt het snel duidelijk dat de impact van de crisis in Lokeren eerder beperkt te noemen is.

 

2. Geboorten

 

2.1. Aantal geboorten in absolute waarden en de bruto – geboortecoëfficiënt [113]

 

 

 

Het bruto – geboortecoëfficiënt (BGC) geeft de verhouding weer van het aantal geboorten in één jaar ten opzichte van het totale bevolkingscijfer van datzelfde jaar en wordt uitgedrukt in promille. Vermits er, zoals eerder werd aangegeven, sprake is van een telcorrectie van het totale bevolkingscijfer in 1846, wordt ook het aantal geboorten in absolute waarden aangegeven en in grafiek gezet, om zo eventuele vertekeningen ten gevolge van de correctie op te sporen.

 Ondanks de correctie vertonen het aantal geboorten in absolute waarden en het BGC een quasi identieke evolutie. Tussen 1841 en 1845 schommelt zowel het aantal geboorten als het BGC steeds rond hetzelfde niveau. Gedurende de periode 1846 – 1848 kent het aantal geboorten en het BGC een dalende tendens, om dan vanaf 1849 opnieuw het niveau van 1845 te bereiken. Vermits de telcorrectie van 1846, zoals aangetoond, geen vertekend beeld oplevert, zal ik mij beperken tot de bespreking van het BGC.

 Algemeen genomen bedraagt het BGC doorheen de 19e eeuw om en bij de 30%o.[114] Voor Lokeren kent het BGC tussen 1840 en 1845 een gemiddelde van 32%o; het vertoont hierop in deze jaren slechts zeer kleine afwijkingen. In de crisisjaren 1846 tot 1848 kenmerkt het BGC zich door een vrij bruuske daling, van net geen 28%o in 1846 tot slechts 25%o in 1848. Even plots als het BGC daalde, bereikt het in 1849 opnieuw zijn niveau van 1845. Deze bevindingen vinden we ook terug bij Coene, die aangeeft dat de nataliteit in Lokeren een dalende tendens kent in de jaren 1840, die zich pas goed doorzet vanaf 1845 volgens haar berekeningen, vanaf 1846 volgens mijn resultaten. [115]

 Dat de crisissituatie het aantal geboorten negatief beïnvloed heeft mag duidelijk zijn. Toch moet men erop wijzen dat de impact van een crisis op het geboortecijfer pas negen maanden later kan worden aangetoond, vermits de dalende concepties in de crisistijd zich pas negen maanden later uiten in het dalend aantal geboorten. Vandaar dat het BGC zijn absolute dieptepunt pas in 1848 kent, terwijl het aantal huwelijken reeds in 1847 zijn laagste niveau bereikte.

Lokeren kenmerkt zich doorheen de hele 19e eeuw als een gebied met een sterke nataliteit.[116] Ook Coene haalt de hoge natuurlijke vruchtbaarheid aan en wijt dit vooral aan het ontbreken van contraceptieve technieken.[117] Ondanks deze hoge nataliteitscijfers lijken het toch de geboorten te zijn die het sterkst te lijden hebben onder de crisissituatie. Daar waar het BHC slechts een kortstondige inzinking kent in 1847 en ook het BSC enkel in datzelfde jaar boven zijn normale waarde uitstijgt (zie verder), vertonen de geboortecijfers gedurende drie opeenvolgende jaren een lager cijfer. De redenen hiervoor zijn divers. Enerzijds kan men ten gevolge van de onzekere economische situatie zelf beslissen om de kinderwens uit te stellen, anderzijds kan de fysische verzwakking van de vrouw als gevolg van het voedseltekort het baren van kinderen gewoonweg onmogelijk maken. Beiden redenen kennen argumenten pro en contra. Wanneer het onzekerheidsgevoel zo sterk aanwezig is dat men zelf besluit de voortplanting uit te stellen, zou men verwachten dat ook het aantal huwelijken sterker en gedurende een langere periode zou dalen. Anderzijds wordt de these van het bewust ingrijpen bevestigd door de beperkte impact van de crisis op de mortaliteit, een factor die men niet zelf in de hand heeft. De fysieke verzwakking van de vrouw als reden voor het terugvallend aantal geboorten wordt dan weer ontkracht door de beperkte stijging van de mortaliteit – de fysieke verzwakking zou immers het aantal slachtoffers moeten opdrijven. Specifiek voor Lokeren kan men vermoeden dat het om een bewuste vorm van plannen gaat, want de Lokeraars hebben nog een redelijke voedselvoorraad tegen relatief gematigde prijzen.

 

Wanneer men de bekomen resultaten voor Lokeren vergelijkt met de cijfers voor België, Oost–Vlaanderen en het arrondissement Aalst, blijken deze eenzelfde trend te vertonen, hoewel de cijfers voor Lokeren een hoger niveau behouden.[118] De nataliteit van België vertoont de meeste gelijkenissen met die van Lokeren. In de eerste helft van de jaren 1840 schommelt het BGC rond 32%o, waarna het een daling kent in de jaren 1846 –1848. Het enige verschil is het feit dat de daling in 1848 voor België minder uitgesproken is dan voor Lokeren.

 Een vergelijking tussen Lokeren en Oost – Vlaanderen leert ons dat het BGC in Oost – Vlaanderen gedurende de hele jaren 1840 lager ligt, en dat het cijfer ook sterker wegzakt in de jaren 1846 – 1848. Deze bevinding komt eveneens naar voren wanneer we de cijfers voor het arrondissement Aalst bekijken, en zelfs in nog iets sterkere mate; het BGC bedraagt in 1848 slechts 23%o.

 De studie van deze cijfers bevestigt opnieuw de reeds vroeger geopperde these, namelijk dat de crisis wel impact heeft gehad in Lokeren, maar dat de schade vrij beperkt is gebleven. Immers, de resultaten van Lokeren komen het best overeen met deze van België, niet heel België viel ten prooi aan de crisis, dus de echte crisiscijfers werden uitgezuiverd door gebieden die geen harde tijden kenden. Oost – Vlaanderen en Aalst werden daarentegen wel sterk getroffen, de cijfers liggen dan ook lager dan deze van Lokeren, dat de dans gedeeltelijk is ontsprongen.

 

2.1. Percentage onwettigheid [119]

 

 

Gedurende de 17e en de 18e eeuw bedraagt het aantal onwettige kinderen slechts nul tot twee procent van het totale aantal geboorten.[120] Op het einde van de 18e eeuw stijgt de onwettigheid echter sterk. Als reden hiervoor wordt de snelle demografische expansie aangehaald. De arbeids- en voedselmarkt kan zich niet voldoende aanpassen aan deze opmars en op de koop toe stijgen de grond- en pachtprijzen. Het verarmingsproces dat hierop volgt laat het sluiten van een economisch verzekerd huwelijk amper toe en bijgevolg worden vele bruiloften uitgesteld tot gunstiger tijden. Voor velen duurt het wachten echter te lang, iets wat zich onder andere uit in het stijgend aantal onwettige kinderen.[121]

 Lokeren kent eveneens een stijging van de onwettigheid gedurende de 19e eeuw. Ook Art geeft in zijn studie aan dat niet alleen Lokeren, maar het hele Waasland, zich kenmerkt door een patroon van hoge nataliteit, hoge kindersterfte en matige illegitimiteit.[122] Oost – Vlaanderen kende in de periode 1840 – 1850 gemiddeld 7,4% onwettige geboorten, terwijl Art voor Lokeren een percentage van 4,5 % bekwam. [123]

Mijn berekeningen geven een gemiddelde onwettigheid aan van 4,4% in de periode 1840 – 1850, een verwaarloosbaar verschil met de resultaten van Art. Tot en met 1845 situeert de illegitimiteit zich steeds rond hetzelfde niveau van 4,5%. In 1846 kent het percentage onwettige kinderen een lichte stijging, om dan in 1847 het laagste niveau van het hele decennium te bereiken, namelijk 3,5%. In 1848 stijgt het cijfer opnieuw tot het – vrij hoge – niveau van 1846, om dan vanaf 1849 te stabiliseren op het percentage van vóór de crisisjaren.

Opmerkelijk bij deze cijfers is het feit dat de daling van het aantal onwettige geboorten slechts één jaar beslaat in plaats van drie jaar zoals het BGC. De lage 3,5% wordt daarbij ook nog voorafgegaan en gevolgd door de hoogste cijfers van het decennium. Bovendien doet de daling van het aantal onwettige geboorten zich een jaar vroeger voor dan de sterkste daling van het BGC. Een verklaring hiervoor is niet onmiddellijk beschikbaar. Men moet echter wel opmerken dat deze cijfers een vervormd beeld kunnen opleveren door het kleine aantal gevallen waarop ze berusten.

 

2.2. Seizoensfluctuaties van de geboorten [124]

 

 

Wanneer men de geboorten per maand groepeert, wordt duidelijk dat de meeste geboorten te situeren zijn in het begin van het jaar, voornamelijk tussen februari en mei, met als absolute uitschieter de maand maart, waarin maar liefst 11% van alle geboorten plaats vinden. Ook de herfstmaanden september tot december kenmerken zich door een vrij hoog aantal geboorten, hoewel zij het niveau van de lentemaanden niet evenaren. In de zomermaanden juni, juli en augustus zien het minst aantal kinderen het levenslicht, het percentage stijgt in deze maanden nooit uit boven de 8%.

 Wanneer men deze maandschommelingen wil verklaren moet men zich voornamelijk richten op de concepties. Kinderen die geboren worden in februari, maart, april of mei worden respectievelijk verwekt in mei, juni, juli en augustus. Dit kan enigszins verbazen, vermits de zomermaanden als de drukste maanden beschouwd worden voor een landbouwersfamilie. De geboorten van de maanden september tot december worden voorbereid in de maanden december, januari, februari en maart. In de maanden december en maart worden respectievelijk 8% en 9% van de kinderen verwekt. Dit is een bijzonder opmerkelijke bevinding, vermits men er altijd vanuit gaat dat de kerkelijke regels omtrent seksuele onthouding tijdens vasten en advent, vooral in Vlaanderen, sterk geïncorporeerd waren. Dit blijkt echter niet zo te zijn en Vandenbroeke schrijft dit toe aan de meer affectieve relatie tussen man en vrouw die in de loop van de 18e en 19e eeuw tot stand komt. In deze liefdevolle omgeving houden koppels minder rekening met externe factoren en bedrijven ze de liefde wanneer ze er zin in hebben. [125]

 Het geringe aantal concepties in de maanden augustus tot november kan eventueel enige vorm van planning verraden. Tijdens de zomermaanden is alle hulp op het land welkom en betekent een geboorte vooral het verlies van een werkkracht. Bijgevolg klinkt het aannemelijk dat partners hun seksuele activiteit terugschroeven in augustus, september, oktober en november. Men zou echter verwachten dat het ritme van de landbouw niet zo’n grote invloed heeft op een tot op zekere hoogte verstedelijkt gebied als Lokeren. Dit beeld moet echter genuanceerd worden vermits slechts een gering deel van de Lokerse bevolking in verstedelijkt gebied leeft, met name in het destijds in oppervlakte nogal beperkte stadscentrum.

 

3. Huwelijken

 

3.1. Aantal huwelijken in absolute waarden en de bruto – huwelijkscoëfficiënt [126]

 

 

 

 

Voor de studie van het aantal huwelijken worden opnieuw zowel het aantal huwelijken in absolute waarden als het bruto – huwelijkscoëfficiënt weerhouden. Ook hier vertonen het aantal huwelijken en het BHC identiek hetzelfde verloop, zodat enkel het BHC zal besproken worden.

 Vandenbroeke bekomt een gemiddeld BHC voor het derde kwart van de 19e eeuw van ongeveer 7%o. Deze referentie beslaat niet perfect de bestudeerde periode, maar de wetenschap dat het BHC doorheen de hele 19e eeuw daalde, kan doen vermoeden dat het BHC in de jaren 1840 nog iets hoger lag. [127] Het gemiddelde BHC voor Lokeren in de periode tussen 1840 en 1850 bedroeg 7%o, een iets lagere waarde dan gemiddeld. Het feit dat de cijfers van Vandenbroeke voornamelijk representatief zijn voor het platteland, terwijl Lokeren daarentegen voor een deel verstedelijkt was, kan hier als verklaring dienen. Men mag dus aannemen dat de bekomen resultaten voor Lokeren zonder problemen kunnen worden ingepast in de algemene gemiddelden voor de negentiende eeuw.

 Tot en met 1844 schommelt het BHC rond hetzelfde niveau van ongeveer 6%o. In 1845 ondergaat het een bijzondere stijging wanneer 8 koppels op duizend inwoners in het huwelijksbootje stappen. Het niveau van vóór 1845 wordt opnieuw bereikt in het jaar 1846. Het BHC kent zijn absoluut en enig dieptepunt in 1847. Dit duidt aan dat de paartjes zich in dit jaar genoodzaakt zien om hun huwelijk uit te stellen naar economisch gunstiger tijden. In 1848 is de waarde reeds hoger dan in de periode vóór 1845 en in het daaropvolgende jaar stijgt het BHC naar maar liefst 8%o. Deze hoge waarde vertegenwoordigt de inhaalbeweging van het tegenvallende cijfer van 1847. In 1850 kent het BHC opnieuw zijn ‘normale’ waarde.

Het schamele aantal van slechts 5 koppels op duizend inwoners die elkaar in 1847 het jawoord geven, heeft, zoals reeds aangetoond, vooral repercussies op het geboortecijfer van 1848, dat vooral in dit jaar lage waarden vertoont.

De evolutie van het BHC vertoont voornamelijk gelijkenissen met het BSC (zie verder), dat eveneens zijn sterkste daling kent in 1847, terwijl het in de overige crisisjaren amper beïnvloed wordt door de onzekere economische situatie. Dit patroon is duidelijk verschillend met het verloop van het BGC, deze coëfficiënt noteert gedurende drie opeenvolgende jaren lagere waarden. Het lijkt er bijgevolg op dat de inwoners van Lokeren enkel in 1847 ernstig rekening houden met de dreigingen die boven hun hoofden hangen. Reeds in 1848 beschouwen zij de omstandigheden als gunstig genoeg om het economische risico dat het huwelijk in die tijd is, te nemen.

De vergelijking van het BHC van Lokeren met dat van België, Oost – Vlaanderen en het arrondissement Aalst leert ons dat de impact van de crisis op de Lokerse huwelijken eerder gering te noemen is. [128] De situatie van Lokeren, waarbij het BHC slechts gedurende één jaar daalt, is vrij uitzonderlijk. Het beeld dat de cijfers van België, Oost – Vlaanderen en Aalst ophangen toont een sterke daling van het aantal huwelijken in 1846 én 1847, bovendien is de daling ook sterker dan in Lokeren.

 De cijfers voor heel België tonen reeds een duidelijke daling van het BHC in 1846 naar 6%o, enkel de waarde voor 1847 ligt 1%o hoger dan die voor Lokeren.

 Oost – Vlaanderen kent een laag BHC gedurende de volledige jaren 1840 en overstijgt in de eerste helft van het decennium enkel nog in 1841 het niveau van 7%o. Reeds in 1846 bereikt de provincie het peil dat Lokeren pas in 1847 zal vertonen, namelijk slechts 5 huwende koppels op duizend inwoners. In 1847 zakt het BHC naar amper 4%o.

 In het arrondissement Aalst is de toestand zo mogelijk nog schrijnender. In de eerste helft van het decennium reeds daalt het BHC in bepaalde jaren onder 6%o. De schamele 5%o in 1846 en 4%o in 1847 tonen de ernst van de crisis in dit arrondissement duidelijk aan.

 Deze bevindingen kunnen opnieuw als een bevestiging worden beschouwd van de these dat Lokeren het niet zo erg te verduren kreeg in de jaren 1840. Immers, de cijfers voor Lokeren situeren zich gedurende de hele periode op een hoger niveau dan de gemiddelden voor België en de provincie Oost – Vlaanderen. Bovendien kent het BHC slechts gedurende één jaar een daling, een daling tot een niveau dat nog steeds hoog uittorent boven de andere gemiddelden.

 Verder moet men ook de specifieke kenmerken van deze demografische parameter in acht nemen. Immers, de huwelijken vormen in de 19e eeuw de demografische factor waar men het meeste vat op heeft en waar men bewust kan in ingrijpen. De mortaliteit kon bij gebrek aan medische kennis niet altijd bedwongen worden en het gebruik van anti – conceptie was evenmin wijd verspreid. Bijgevolg zou men in een crisisperiode verwachten dat men de huwelijkspolitiek bewust afstemt op de moeilijke periode en het huwelijk afblaast tot er betere tijden aanbreken. Het feit dat de inwoners van Lokeren deze ingreep slechts gedurende één jaar nodig achten, kan als een bevestiging worden beschouwd van de beperkte impact van de algemene malaise in Lokeren.

 

3.2. Gemiddelde leeftijd bij het eerste huwelijk [129]

 

 

1841

1842

1843

1844

1845

1846

1847

1848

1849

1850

Gem.

gemid. huwelijksleeftijd man

29,9

28,2

29,1

30,3

28,3

28,1

30,6

30,4

30,8

29,6

29,5

gemid. huwelijksleeftijd vrouw

28,2

26,6

27,9

27,6

27,6

26,4

27,8

27,4

27,3

26,8

27,3

 

De gemiddelde leeftijd bij het eerste huwelijk is een belangrijke parameter. Enerzijds vormt dit cijfer een weerspiegeling van de economische situatie, de huwelijken worden immers uitgesteld, m.a.w. de koppels trouwen op latere leeftijd, wanneer de tijdsomstandigheden niet zo rooskleurig zijn. Anderzijds heeft de huwelijksleeftijd ook invloed op de fecunditeit.

Voor de periode 1841 – 1850 bedraagt de gemiddelde leeftijd van de man bij het eerste huwelijk in Lokeren 29,5 jaar, voor een vrouw ligt de leeftijd iets lager, meer bepaald op 27,3 jaar. Deze cijfers stroken met de resultaten die Vandenbroeke bekwam voor de 17e tot en met de 19e eeuw. Hij berekende dat de mannen op 28 à 29 jaar trouwen, terwijl de vrouwen dit gemiddeld twee jaar vroeger doen, meer bepaald op een leeftijd van 26 à 27 jaar. Vrouwen huwen door de band genomen op jongere leeftijd dan mannen. In de leeftijdscategorie 20 tot 24 jaar bijvoorbeeld, is reeds 10 à 15% van de vrouwen gehuwd tegenover slechts 5 à 6% van de mannen.[130] Voor het tweede derde van de 19e eeuw bekwam hij echter een stijging van de huwelijksleeftijd, meer bepaald tot 31 à 32 jaar voor de mannen en 28 à 29 jaar voor de vrouwen. Deze waarden liggen iets hoger dan de bevindingen voor Lokeren. Wanneer we de evolutie van de huwelijksleeftijd in Lokeren voor de hele 19e eeuw nagaan, merken we dat de cijfers gedurende de hele periode lager liggen dan de algemene gemiddelden, maar dat er een stijging te bemerken is in de jaren 1840 tot en met 1870.[131] De stad volgt met andere woorden wel de algemeen waargenomen trend, zij het met iets lagere waarden.

Lokeren vertoont niet alleen in de jaren 1840, maar gedurende de hele 19e eeuw een restrictief huwelijkpatroon. Dit patroon kenmerkt zich door een hoge huwelijksleeftijd enerzijds en een hoge mate van definitief celibaat anderzijds.

Men zal pas op latere leeftijd huwen wanneer de economische omstandigheden ongunstig zijn en men door werkloosheid of geldgebrek niet voldoende middelen heeft om op eigen benen te staan. Jongeren zullen het ouderlijk huis pas later verlaten en de wens naar onafhankelijkheid en een eigen gezin uitstellen tot betere tijden. [132] Eén van de gevolgen van de langere celibataire levensstijl is het stijgend aantal prenuptiale concepties.

Het restrictief huwelijkspatroon heeft belangrijke consequenties voor de fecunditeit en de nataliteit. Door later te huwen wordt de vruchtbare periode van de vrouw met 30 à 40% ingekort. Deze gedragscode wordt dan ook toegepast als anti – conceptiemiddel, het is een vorm van natuurlijke geboortebeperking die het aantal kinderen per gezin gevoelig vermindert.[133] Vooral in economisch en sociaal zware tijden vormen een gering aantal kinderen voor jonge gezinnen – waar de vrouw thuisblijft om voor de kinderen te zorgen – een budgettair voordeel.

 Gedurende de 19e eeuw, en vooral tijdens de crisisjaren, nam het definitief celibaat een hoge vlucht. Vandenbroeke spreekt over een vierde tot een derde celibatairen in de periode 1850 – 1870.[134] Coene beweert dat toen globaal genomen in Lokeren de helft van de bevolking ongehuwd bleef.[135] De eigen resultaten, die in het tweede deel uitgebreid zullen worden besproken, kennen de gehuwden een aandeel van 75% toe, de overige 25% bestaat uit weduwes en minder frequente gezinsvormen. Het aantal celibatairen ligt bijgevolg beduidend lager dan de bovenstaande gegevens aanduiden.

 De aanwezigheid van het restrictief huwelijkspatroon in Lokeren duidt erop dat ook Lokeren met de economische malaise te maken kreeg. Het feit dat de gemiddelde leeftijd bij het eerste huwelijk toch iets lager lag dan de algemene gemiddelden kan er echter op wijzen dat de gevolgen van de crisis nog binnen de perken bleven.

 

3.3. Percentage eerste huwelijken

 

 

1840

1841

1842

1843

1844

1845

1846

1847

1848

1849

1850

gem

totaal aantal huwelijken

102

112

98

102

100

127

112

82

119

132