De crisis van de jaren 1840 in Lokeren. Bepaling van het profiel van de Lokerse gezinnen in deze crisisjaren. (Evelyn Bullaert)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel II: Bepaling van het profiel van de Lokerse gezinnen in de crisisjaren

 

C. HET PROFIEL VAN DE LOKERSE ONDERSTEUNDEN IN 1844 EN 1846

 

1. Algemeen

 

Zoals reeds eerder aangegeven werd de basisinformatie voor de opmaak van de bevolkingsfiches gehaald uit de bevolkingsregisters van 1846.[229] Deze basisfiche werd dan aangevuld met informatie uit verschillende bijkomende lijsten, waaronder de armenlijsten van 1844.[230] In deze bron worden de arme gezinnen die recht hebben op gratis brood, en eventueel een beperkte som geld, aangeduid. Er werden eveneens armenlijsten gevonden voor 1846, maar, de gezinnen die in de lijsten van 1844 voorkomen en reeds op dat moment - net voor de eigenlijke crisisjaren - nood hebben aan onderstand, vindt men nauwelijks terug in de bronnen van 1846.[231] Dit wekt de nodige argwaan omdat men zou verwachten dat net deze groep – de zogenaamde structurele armen - als allereerste wordt getroffen door de precarisering van de levensomstandigheden. Men kan de informatie uit 1846 bijgevolg als een opsomming van de zogenaamde ‘conjuncturele armen’ beschouwen: personen die in een normaal economisch klimaat op de armoedegrens balanceren maar het net redden, maar die in tijden van crisis een beroep moeten doen op het bureel van weldadigheid.

 Dit vermoeden wordt bevestigd wanneer men de percentages bekijkt die beide groepen vertegenwoordigen. De conjuncturele armen van 1844 nemen ongeveer 10% van de Lokerse bevolking voor hun rekening, terwijl ook de armenlijst van 1846 slechts een percentage van 11% ondersteunden aangeeft. Echter, de gegevens in verband met armoede uit de jaarverslagen geven voor 1846 een dubbel zo hoge waarde aan, met name 21%.[232] Vermits ik er vrij zeker van ben dat het in 1844 om structurele en in 1846 om conjuncturele armen gaat, werd besloten om het profiel van de ondersteunden van 1846 te baseren op de som van de ondersteunden van 1844 en 1846. Op die manier verkrijgt men voor het eigenlijke crisisjaar 1846 een doorsnede van het totale aantal ondersteunden, waarin zowel de constant hulpbehoevenden als dat deel van de bevolking dat het tengevolge van de economische crisis kortstondig moeilijk heeft, aanwezig zijn.

 Uiteraard ben ik mij ervan bewust dat door de vele onbevestigde vermoedens en de periode van twee jaar die de lijsten van 1844 en 1846 moeten overbruggen, het uiteindelijke profiel van de ondersteunde klasse van 1846 niet volledig accuraat zal zijn en niet alle wijzigingen die zich in deze twee jaar hebben voorgedaan kunnen worden belicht. Dit betekent dat de verschillende parameters die worden onderzocht eerder ordes van grootte zullen aangeven dan perfect correcte en accurate cijfers. Ondanks dit hiaat ben ik ervan overtuigd dat deze werkwijze en invalshoek een duidelijker beeld zal schetsen van de korte termijn effecten van de crisis op de Lokerse gezinnen.

Wanneer men een doorsnede maakt van de lagere sociale klassen, moet men zich er bovendien steeds van bewust zijn dat de personen die worden opgegeven in de armenlijsten niet representatief zijn voor het totale aantal behoeftigen. De discrepantie die onmiskenbaar bestaat tussen het aantal armen en het aantal ondersteunden moet steeds in het achterhoofd worden gehouden.

 

2. Het aantal ondersteunden

 

In 1844 hebben 112 van de 1123 onderzochte gezinnen nood aan onderstand van het bureel van weldadigheid, dit vertegenwoordigt net geen 10% van het totale aantal Lokerse families.

Wanneer het aantal armen/ondersteunden niet meer dan 10% bedraagt, worden deze beschouwd als de zogenaamde ‘structurele armen’, personen of gezinnen die er zelfs in een gezond economisch klimaat niet in slagen om zonder steun te overleven. Meestal gaat het hier om zieken, gehandicapten of bejaarden.[233]

 In absolute cijfers ligt het aantal gezinnen dat voorkomt in de armenlijsten van 1846 lager, namelijk zo’n 96 families ontvangen gratis brood van het armenbestuur. Echter, de opsomming van het aantal ondersteunde huishoudens werd voor 1846 niet voor alle straten bewaard, zodat dit cijfer geldt voor een beperkter aantal families, meer bepaald 863. Wanneer men de 96 ondersteunde huishoudens uitzet ten opzichte van dit lagere aantal gezinnen, bekomt men een percentage van 11% ondersteunden. Deze waarde geldt enkel voor de conjuncturele armen. Er werd echter besloten om het profiel van de ondersteunde gezinnen van 1846 te bepalen aan de hand van de som van het aantal ondersteunden van 1844 en 1846 samen. Omdat de basis waarop deze percentages werden berekend verschillen voor 1844 en 1846 (1123 gezinnen in 1844 tegenover 863 in 1846), werden beide percentages gewogen. Op deze manier berekend, vertegenwoordigt het totale aantal ondersteunden in 1846 20,6% van het totale aantal gezinnen. Dit cijfer sluit perfect aan bij de waarden die in de jaarverslagen van het stadsbestuur worden vooropgesteld, zij berekenden voor 1846 immers dat de ondersteunde gezinnen zo’n 21% van het totale aantal Lokerse gezinnen uitmaken.

 

3. Beroepsstructuur

 

3.1. Het aandeel van de actieve bevolking binnen de ondersteunde klasse

 

Tweeënzestig procent van het totale aantal personen dat nood heeft aan onderstand van het bureel van weldadigheid is in 1844 aan het werk. Dit cijfer sluit nauw aan bij de waarden die algemeen gangbaar zijn in de jaren 1840, specifiek voor Lokeren bedraagt het aandeel van de totale actieve bevolking 64%. Het hogere percentage actieven dat dit decennium kenmerkt, komt ook in de ondersteunde klasse tot uiting. Toch stijgt de activiteitsgraad van de hulpbehoevenden niet uit boven de algemene gemiddelden. Enerzijds zou men immers kunnen verwachten dat het aantal actieve ondersteunden een hogere waarde vertoont dan de globale cijfers van alle onderzochte gezinnen samen. Vermits deze bevolkingsgroep slechts over zeer beperkte middelen beschikt, lijkt het logisch dat een groter aandeel van hen een baan zoekt om het inkomen wat op te krikken. Anderzijds, en dit vormt een meer plausibele verklaring, mag men niet uit het oog verliezen dat het hier voornamelijk gaat over de structurele armen. Een niet te verwaarlozen aantal onder hen is bejaard, ziek of gehandicapt en is bijgevolg niet in staat om een job uit te oefenen. Het beperkte inkomen dat uit deze ongunstige situatie voortvloeit kan bijgevolg als oorzaak van hun armoede worden beschouwd.

 De activiteitsgraad van de ondersteunden in 1846 vertoont een hogere waarde dan in 1844 en sluit perfect aan bij de algemene gemiddelden. Het feit dat de ondersteunde klasse in 1846 niet enkel uit structurele armen, maar ook uit tijdelijk hulpbehoevenden bestaat, kan als voornaamste reden worden aangehaald. De conjuncturele armen zijn immers wel in staat om in tijden van economische depressie harder te werken, of om een groter aantal personen op de arbeidsmarkt te integreren, om op die manier de daling van hun inkomen binnen de perken te houden. Rekening houdend met de hogere activiteitsgraad lijkt een deel van hen dit ook gedaan te hebben, vaak echter zonder het gewenste effect te bereiken. Het overgrote deel van deze ondersteunden is dan ook werkzaam in de textielnijverheid, een sector die zich in de jaren 1840 kenmerkt door lage en voortdurend dalende lonen.

 

3.2. Procentueel aandeel van de ondersteunde klasse in de verscheidene arbeidssectoren [234]

 

 

De oorzaken van de crisis indachtig, is de dominantie van de textielsector als werkgever van de ondersteunde klasse niet verwonderlijk. Maar liefst 70% van het totale aantal hulpbehoevenden verdient zijn (beperkte) inkomen als textielarbeider. Naast de misoogsten in de landbouw wordt de crisis van de jaren 1840 immers hoofdzakelijk veroorzaakt door de teloorgang van de eens zo bloeiende linnennijverheid. Niet alleen de concurrentie van de mechanische weefsels, maar ook de slechte commerciële organisatie en de starheid en het conservatisme van de individuele spinsters en wevers liggen aan de basis van dit onomkeerbare verval. Dit alles zorgt uiteraard voor een daling van de lonen en een stijgende werkloosheid waardoor de reeds zware levensomstandigheden van de textielarbeiders nog meer bedreigd worden, en velen geen andere uitweg meer zien dan aankloppen bij het bureel van weldadigheid.

 Toch moet men er onmiddellijk op wijzen dat het aandeel van de spinsters en de wevers eerder beperkt te noemen is in Lokeren, amper 13% van de actieve bevolking is werkzaam in één van deze typische huisnijverheidssectoren. Dit percentage komt bijna perfect overeen met het aantal armen in de stad, dit bedraagt namelijk 10%. Uiteraard mag men hieruit niet besluiten dat alle ondersteunden spinsters en wevers zijn of omgekeerd, ook andere beroepen, zoals kantwerksters, arbeiders en dagloners hebben het zwaar te verduren in het midden van de jaren 1840.

 De arbeiders en dagloners vormen met 13% immers de tweede belangrijkste ondersteunde beroepsgroep. Vrij onverwacht hebben de arbeiders echter een groter aandeel binnen de ondersteunden, zij zijn immers goed voor 66% tegenover 34% voor de dagloners.

 In de kledingsector is 5% van het totale aantal actieve ondersteunden werkzaam. Voornamelijk de sociaal minst gewaardeerde beroepen binnen het kledingbedrijf worden vaak beoefend door de ondersteunde klasse. Zo zijn de ‘knechten en gasten’, waaronder de blekersgasten en hoedenmakersknechten, overduidelijk in de meerderheid.

 Bepaalde arbeidssectoren recruteren nauwelijks personeelsleden uit de ondersteunde bevolkingsgroep, andere beroepsgroepen kenmerken zich door een totale afwezigheid van hulpbehoevenden. De handelaars, waarbij opnieuw de inferieure beroepen zoals solferstekverkoper, leurder en voddengaarder op de voorgrond treden en de zogenaamde ‘andere arbeidssectoren’, waarbinnen de solferstekmakers de absolute meerderheid kennen, zijn beiden goed voor een aandeel van 3%. De hoog gekwalificeerde en/of sociaal gewaardeerde beroepen, waaronder voornamelijk de fabrikanten, de vrije beroepen, de grondeigenaars en de renteniers zijn totaal niet vertegenwoordigd in de armere klasse.

 Ook in 1846 zijn het voornamelijk de textielarbeiders die nood hebben aan steun van het armenbestuur, nu kennen ze een aandeel van 68%. Hoewel hun aandeel binnen het totale aantal ondersteunden met 2% gedaald is, vormen de arbeiders en dagloners met 11% nog steeds de op één na belangrijkste arbeidssector in de ondersteunde klasse. Zelfs in dit crisisjaar stijgt het aandeel van de arbeiders, met 62%, nog steeds sterk uit boven het aantal dagloners die 38% van de ondersteunden in deze arbeidssector voor hun rekening nemen.

De kledingsector kenmerkt zich door een duidelijke stijging van het aantal tewerkgestelde ondersteunden, en komt met deze 7% op een derde plaats terecht. In 1846 zijn het vooral de blekers, de schoenmakers en de naaisters die hinder ondervinden van de crisissituatie. Tegenover 1844 blijken het nu niet meer zozeer de inferieure beroepen te zijn die steun nodig hebben van het armenbestuur, dit is opnieuw te verklaren door de verschillende aard van de ondersteunden in 1844 en in 1846.

Handel en de ‘andere arbeidssectoren’ kennen elk een (stijgend) aandeel van respectievelijk 3% en 4%. Wat de handelaars betreft zijn het nog steeds voornamelijk de inferieure beroepen die goed vertegenwoordigd zijn, vooral de omlopende koopvrouwen en de solferstekverkopers zijn in de meerderheid. In de zogenaamde ‘andere arbeidssectoren’ hebben de solferstekmakers het gezelschap gekregen van de olieslagersknechten. Opnieuw hoeft geen enkel lid van de sociaal hoog gewaardeerde beroepen aan te kloppen bij het bureel van weldadigheid.

Ondanks de verschillende aard van de ondersteunden in 1844 en 1846 zijn de discrepanties qua tewerkstelling tussen de structurele armen van 1844 en de structurele en conjuncturele armen van 1846 uiterst beperkt te noemen. De omvang, het belang en de rangorde van de onderscheiden beroepsgroepen is voor beide jaren zo goed als identiek. Wanneer men voor 1846 echter enkel de conjuncturele armen in ogenschouw neemt kan men wel een aantal verschillen opmerken. Zo ondergaat het aantal personen werkzaam in de kledingsector een verdubbeling, en wordt met 10% ondersteunde tewerkgestelden de tweede belangrijkste arbeidssector. Het aantal dagloners en arbeiders zakt terug tot een percentage van 9%, bovendien is het overwicht van de arbeiders op de dagloners sterk verminderd: de arbeiders hebben in 1846 een aandeel van 56%, de dagloners zijn reeds goed voor 44%.

 Behalve voor de textielsector (waar een omvangrijk deel van de productieprocessen in verval is en deze bijgevolg een zeer hoog percentage ondersteunden kennen), kan men stellen dat men het overgrote deel van de Lokerse ondersteunden voornamelijk terugvindt in de best vertegenwoordigde arbeidssectoren. Vermits deze een hoger aantal werknemers tellen is het logisch dat zij meer kans maken om hulpbehoevenden onder hun arbeiders aan te treffen. De arbeidssectoren met de hoogste percentages ondersteunden mogen bijgevolg niet onmiddellijk worden gedefinieerd als ‘arme beroepsgroepen’, door hun omvangrijke groep werknemers kennen zij gewoon een hoger percentage armen.

 

3.3. Spreiding van de verschillende ondersteunde beroepen binnen de textielsector

 

 

Bijna één derde van alle ondersteunde textielarbeiders in 1844 is werkzaam als kantwerkster.[235] Het stigma van het speldenwerk als typisch armenberoep wordt hierdoor opnieuw bevestigd. De omscholing van vele spinsters tot kantwerkster brengt blijkbaar weinig soelaas: het kantwerken kan er evenmin voor zorgen dat men niet hoeft aan te kloppen bij het armenbestuur. De wevers, die tengevolge van de teloorgang van de rurale linnennijverheid eveneens zwaar onder vuur komen te liggen, kennen een belangrijk aandeel binnen de hulpbehoevende textielnijveraars, met name 23%. Ook de spinsters zijn met 19% goed vertegenwoordigd. Blijkbaar slaagt men er noch via het spinnen, noch via het kantwerken in om aan de armoede te ontkomen. De spoelmakers en de hekelaars kennen eveneens een belangrijk aandeel ondersteunden onder hun werknemers, respectievelijk 12% en 7%. Sectoren binnen de textielindustrie die weinig te maken hebben met de thuisnijverheid hebben minder te lijden onder de crisissituatie, zo tellen de twijnders en witwerkers geen enkele ondersteunde onder hun collega’s, en ook fabrieksscheerders, haarsnijders, ververs, enz. komen de economisch zware jaren zonder al te veel kleerscheuren door.

 In 1846 ligt het aandeel van de kantwerksters exact even hoog, meer bepaald 29% van alle hulpbehoevenden tewerkgesteld in de textielsector is werkzaam als kantwerkster. Zowel de spinsters als de wevers kennen echter een lichte verhoging van hun aandeel binnen het totaal van de ondersteunde textielarbeiders. Dit kan worden verklaard door de eigenlijke crisistoestand die kenmerkend is voor 1846. Niet alleen is de rurale linnennijverheid in verval, 1846 is eveneens het tweede opeenvolgende jaar dat een misoogst te verwerken krijgt. Vermits vele spinsters en wevers hun brood verdienen door een combinatie van thuisnijverheid en landbouwactiviteiten, worden zij door deze typische crisissituatie dubbel zo hard getroffen, waardoor hun aandeel binnen de groep hulpbehoevende textielarbeiders nog toeneemt.

 Ondanks het feit dat de crisis net in 1846 in alle hevigheid woedt, en men zou verwachten dat naast de spinsters en de wevers ook de verwante beroepen zware schade lijden, ondergaat het aandeel van zowel de spoelmakers, met 10%, als de hekelaars, nog 5 %, een lichte daling. Andere beroepen, die in 1844 geen of nauwelijks ondersteunden tellen, waaronder de witwerkers en de twijnders, zijn nu wel - maar uiteraard in beperkte mate - vertegenwoordigd binnen de ondersteunde klasse.

 Wat de beroepsstructuur betreft kan men concluderend stellen dat er nauwelijks verschillen zijn op te merken tussen de groep ondersteunden van 1844 en deze van 1846. Zelfs wanneer men voor 1846 de conjuncturele armen apart beschouwd komen amper discrepanties aan het licht.

 

4. Leeftijdsstructuur [236]

 

 

Meer dan de helft van de Lokerse ondersteunden, 54% om precies te zijn, is jonger dan 19 jaar. Dit percentage ondergaat een forse daling voor de leeftijdsgroep tussen 20 en 29 jaar, zij vertegenwoordigt slechts 11% van het totale aantal ondersteunden. Ook de hulpbehoevenden die in 1844 tussen 30 en 39 jaar oud zijn kennen een aandeel van 11%. De 40 tot 49 jarigen zijn iets nadrukkelijker aanwezig en nemen 14% van de totale ondersteunde bevolking voor hun rekening. De vijftigers en zestigers zijn het minst vertegenwoordigd, terwijl de ouderen opnieuw een 11% van de ondersteunden voor hun rekening nemen.

 Het overwicht van de jongeren binnen de ondersteunde klasse kan enerzijds worden verklaard door de demografische tendens dat in het midden van de 19e eeuw slechts 52 à 57% van de kinderen de huwbare leeftijd bereikt.[237] Anderzijds vormt ook het omvangrijke aandeel van de jonge gezinnen binnen de ondersteunde klasse een mogelijke verklaringsfactor, maar liefst één derde van de ondersteunden kan worden gecatalogeerd als jong gezin. Er werden een aantal criteria vooropgesteld om een familie als ‘jong gezin’ te definiëren. Eerst en vooral moet het om een gehuwd koppel gaan dat reeds één of meerdere kinderen heeft, het oudste kind mag ten vroegste in 1832 geboren zijn. De moeder van het gezin is niet actief of is werkzaam in de huisnijverheid, meestal als spinsters of kantwerkster. De meerderheid van de kinderen oefent nog geen beroep uit. Aan de hand van deze kenmerken konden 37 van de 112 ondersteunde families als jong gezin worden aangeduid.

 Deze zogenaamde ‘jonge gezinnen’ vormen een interessante parameter voor de armoede. Tijdens de eerste tien tot vijftien jaar van het huwelijk - voor de negentiende eeuw komt dit grotendeels overeen met de leeftijdsgroep tussen 30 en 49 jaar -, is een verarmingsproces, voornamelijk bij textielarbeiders en dagloners, vaak onvermijdelijk. De vrouw moet zich door de steeds groter wordende kinderlast immers meer en meer uit het arbeidsproces terugtrekken, waardoor het beperkte inkomen (enkel het gezinshoofd is in dit gezinstype nog actief) over steeds meer gezinsleden moet worden verdeeld. In deze eerste fasen van de gezinscyclus zijn de gezinslasten dan ook bijzonder moeilijk om dragen en volstaat de minste tegenslag, of in dit geval de economische crisissituatie, om steun te moeten vragen aan het armenbestuur. Men gaat er dan ook vanuit dat het gemiddelde gezin pas vanaf 45 à 55 jaar kan beginnen denken aan het aanleggen van een spaarpotje, dit wordt eveneens gereflecteerd in het geringe aantal hulpbehoevenden tussen 50 en 69 jaar.[238]

 Het vrij hoge aantal bejaarden dat afhankelijk is van de bedelingen van het bureel van weldadigheid is voornamelijk te verklaren door het gebrek aan sociale voorzieningen in de 19e eeuw. Personen die te oud geworden zijn om te werken - ze worden in de toenmalige bronnen vaak aangeduid als ‘versleten’ – en slechts over een beperkte hoeveelheid spaargeld beschikken, kunnen niet terugvallen op een of andere vorm van pensioen en zien zich genoodzaakt te overleven via de bedelingen van het bureel van weldadigheid. Dat de ouderen 11% van het totale aantal ondersteunden uitmaken, vloeit eveneens voort uit het feit dat het in 1844 vooral om structurele armen gaat.

 De ondersteunden van 1846 bezitten totaal andere leeftijdskenmerken. Het percentage jonge ondersteunden ligt 5% lager, hoewel het aantal jonge gezinnen met 11% gestegen is, dit is op zijn minst een vreemde tendens te noemen en kan niet onmiddellijk worden verklaard.

 Het hogere aantal jonge gezinnen (duidelijk af te lezen in de hogere waarden die de grafiek in 1846 aangeeft voor de leeftijdscategorie 30 tot 39 jaar) vindt zijn voornaamste verklaringsfactor in de aard van de ondersteunden. Het percentage jonge gezinnen scheert reeds hoge toppen binnen de structureel ondersteunden van 1844. Vermits in 1846 ook de conjuncturele armen in rekening worden gebracht, kan men verwachten dat het aandeel van de jonge gezinnen nog verder zal stijgen. Zoals reeds vermeldt geeft Vandenbroeke immers aan dat vooral de jonge gezinnen een zeer onzeker bestaan kennen, de economische crisis die zich in 1846 op haar hoogtepunt bevindt zorgt ervoor dat vele pasgevormde families het niet langer redden en noodgedwongen moeten aankloppen bij het armenbestuur.

 Ook de vijftigers kenmerken zich door hogere waarden in 1846, hun aandeel binnen het totale aantal ondersteunden is met 2% gestegen. De gezinnen die net de moeilijkste jaren in de gezinscyclus achter de rug hebben slagen er, ten gevolge van de crisis, niet in om zich financieel te verbeteren. De 70 – 79 jarigen zijn opvallend minder aanwezig binnen de ondersteunde bevolking van 1846, zij vertegenwoordigen amper 1% van het totale aantal ondersteunden. Opnieuw kan men zich voor de verklaring van dit fenomeen voornamelijk beroepen op de aard van de ondersteunde. Het overgrote deel van de ouderen dat niet langer in staat is om zelfstandig een inkomen te verwerven vindt men immers reeds terug in de structureel ondersteunde groep van 1844. Wanneer men enkel de conjuncturele armen van 1846 beschouwt wordt het onmiddellijk duidelijk dat het aantal bejaarden dat tengevolge van de crisissituatie tijdelijk een beroep moet doen op het armenbestuur uiterst beperkt is, amper 6 van de 411 ondersteunde personen is in 1846 ouder dan 70 jaar.

 Ondanks het feit dat de gegevens in verband met de leeftijdsstructuur van de Belgische bevolking in 1846 anders zijn ingedeeld bij Vanhaute (hij onderscheidt drie groepen: de –15jarigen, personen tussen 15 en 64 jaar en 64 plussers) kan men toch een aantal verschillen bemerken tussen de algemene gemiddelden en deze van de ondersteunde klasse.[239] Zo is de leeftijdsgroep tussen 0 en 9 jaar bij de ondersteunden (31%) bijna even groot als de –15 jarigen voor de hele bevolking (32%). Dit betekent dat de jongeren een meer omvangrijke aandeel kennen binnen de hulpbehoevenden. Wanneer men de totale groep 64+ zelfs maar vergelijkt met de ondersteunde personen tussen 70 en 79 jaar, vertoont deze laatste categorie een waarde die bijna dubbel zo hoog ligt. Hieruit kan men afleiden dat de grote middengroep tussen 15 en 64 jaar minder sterk vertegenwoordigd is in dat deel van de bevolking dat nood heeft aan onderstand.

 

5. Afkomst van de ondersteunden [240]

 

 

Maar liefst 46% van alle ondersteunde Lokerse gezinnen in 1844 bestaat uit families waar beide partners geboren zijn in Lokeren. Bijna de helft van de ondersteunden vindt met andere woorden de geschikte huwelijkskandidaat in de eigen woonplaats. Ook Coene geeft aan dat men de Lokerse huwelijksmarkt als autarkisch kan definiëren, door de geringe mobiliteit zijn in de meeste families beide partners afkomstig uit Lokeren zelf.[241] De alleenstaande autochtone vrouwen vormen de tweede belangrijkste hulpbehoevende groep, zij nemen 11% van het totale aantal ondersteunde families voor hun rekening. Families waarbij de man geboren is in Lokeren en de vrouw afkomstig is uit een andere Oost – Vlaamse gemeente kennen een aandeel van 10%. Zij worden op de voet gevolgd door de alleenstaande vrouwen die vanuit een andere gemeente zijn ingeweken in Lokeren, deze vertegenwoordigen zo’n 8%. Pas op een vijfde plaats, met een aandeel van 7%, vindt men de gezinnen met een autochtone vrouw en een man uit een andere gemeente terug. Combinaties waarbij één van de partners uit een ander land stamt komen niet voor, men vindt wel één alleenstaande buitenlandse vrouw terug binnen de ondersteunde klasse.

 De ondersteunden van 1844 kenmerken zich door een duidelijk overwicht van de exclusief autochtone gezinnen, zij vertegenwoordigen bijna de helft van alle hulpbehoevende families. Wanneer men deze waarde samentelt met het aandeel van de alleenstaande mannen en vrouwen uit Lokeren wordt duidelijk dat de families zonder ingeweken gezinsleden bijna 61% van alle ondersteunden uitmaken. Het aantal autochtone armen kenmerkt zich bijgevolg door hogere waarden dan het aantal exclusief of gedeeltelijk allochtone huishoudens. De alleenstaande vrouwen, zowel uit Lokeren als uit een andere Oost – Vlaamse gemeente, nemen samen eenzelfde percentage voor hun rekening dan de koppels met één autochtone en één allochtone partner. Als voornaamste verklaringsfactor hiervoor kan men het enorm hoge percentage weduwes in 1844 aanhalen, hierdoor spelen zij ook een dominante rol binnen de ondersteunde klasse. Bovenstaande rangorde toont aan dat de mobiliteit van de (ondersteunde) vrouwen duidelijker hoger ligt, niet alleen kennen de alleenstaande allochtone vrouwen een groter aandeel binnen de ondersteunde klasse dan de ingeweken mannen, ook koppels waarbij de vrouw uit een andere streek afkomstig is zijn sterker vertegenwoordigd dan gezinnen met een allochtoon gezinshoofd en een Lokerse echtgenote.

 In 1846 kent het aantal ondersteunde gehuwde koppels met beide partners afkomstig uit Lokeren ongeveer hetzelfde percentage als in 1844. Zowel de alleenstaande vrouwen uit Lokeren als de gezinnen met een autochtone man en een vrouw uit een andere Oost – Vlaamse gemeente, nemen beiden 12% van het totale aantal ondersteunde gezinnen voor hun rekening. Deze volgorde sluit nauw aan bij de rangorde die voor 1844 werd opgesteld. Echter, in 1844 vertonen de alleenstaande autochtone vrouwen een iets hoger percentage dan de gezinnen met een man geboren in Lokeren en een vrouw afkomstig uit een andere gemeente, terwijl ze in 1846 gelijk liggen.

 Ook de autochtone vrouwen gehuwd met een man uit een andere gemeente en de exclusief allochtone gezinnen kennen beiden, met 7%, exact hetzelfde aandeel. Het percentage van de gezinnen met een Lokerse vrouw en een Oost – Vlaamse man ondergaat geen wijzigingen ten opzichte van 1844, daar waar de ingeweken families een lichte stijging kennen, en hiermee, in tegenstelling tot in 1844, op een gedeelde vierde plaats terechtkomen. De families waar een vrouw uit een andere gemeente als gezinshoofd fungeert, zijn in 1846 met 6% minder dominant aanwezig. Toch geldt ook voor 1846 dat mobiliteit van allochtonen meer voorkomt bij personen van het vrouwelijk dan van het mannelijk geslacht.

De vergelijking met de algemene gemiddelden leert ons dat het percentage exclusief autochtone koppels duidelijk hogere waarden vertoont binnen de ondersteunde klasse dan in de totale onderzochte Lokerse bevolking. De ondersteunden van 1844 vertonen een aantal verschillen met de algemene gemiddelden, de cijfers voor 1846 komen echter bijna perfect overeen met de globale waarden. Daar waar de allochtone koppels in de globale cijfers met 10% een vierde plaats innemen, zijn ze binnen de hulpbehoevende bevolking van 1844 met 6% veel minder dominant aanwezig, in 1846 staan ze in de rangorde van de meest voorkomende ondersteunde gezinsvormen opnieuw op een vierde plaats genoteerd. Wat de alleenstaande vrouwen uit een andere Oost – Vlaamse gemeente betreft kan men aangeven dat deze in 1844 vrij sterk vertegenwoordigd zijn, terwijl ze zowel in 1846 als in de algemene gemiddelden een minder aanzienlijk aandeel kennen.

 

6. Gezinsstructuur

 

6.1. Gemiddeld aantal personen per gezin

 

Het gemiddeld aantal personen in de ondersteunde huishoudens bedraagt in 1844 exact vijf personen. Het totale aantal ondersteunde gezinnen in 1846 vertoont echter een iets lagere waarde, met name 4,8 gezinsleden. Dit kan voornamelijk worden verklaard door de beperktere omvang van de families die als zogenaamde conjuncturele armen worden beschouwd, zij kenmerken zich immers door huishoudens waar gemiddeld slechts 4,4 personen onder één dak leven, en halen op die manier het algemene gemiddelde van het totale aantal ondersteunden in 1846 naar omlaag.

De vergelijking met het totale aantal onderzochte gezinnen, die een gemiddelde gezinsgrootte van 4,4 individuen vertonen, leert ons dat het gros van de ondersteunde families omvangrijker is dan het gemiddelde Lokerse huishouden. Binnen de ondersteunde klasse kennen de structurele armen van 1844 de grootste gezinnen, dit kan misschien zelfs als een oorzaak van hun voortdurende armoede worden beschouwd.

 

6.2. Gemiddelde gezinsgrootte

 

 

Bijna één vijfde van de ondersteunde gezinnen, met name 18%, bestaat in 1844 uit vijf personen.[242] Het feit dat de gemiddelde gezinsgrootte eveneens exact op vijf personen werd berekend bevestigt de dominantie van deze gezinsvorm. Ook gezinnen met zes leden kennen met 15% een vrij ruim aandeel. Zij worden gevolgd door tweeledige families en huishoudens met vier individuen, die beiden 14% van het totale aantal gezinnen vertegenwoordigen. Eenpersoonsgezinnen komen, met amper 4%, het minst voor, terwijl uitgebreidere families van zeven, acht of zelfs negen leden maar liefst één vierde van het totale aantal gezinnen uitmaken. Het is onmiddellijk duidelijk dat vooral vrij omvangrijke gezinnen goed vertegenwoordigd zijn binnen de structurele armen van 1844, voornamelijk de families met vier, vijf en zes leden zijn in de meerderheid.

 De resultaten van 1846 kennen een minder uitgesproken overwicht van een bepaalde gezinsvorm. Hoewel de gezinnen met vijf leden, met een percentage van 15,4%, opnieuw het sterkst vertegenwoordigd zijn, ligt het aandeel van de zeskoppige families slechts een halve procent lager, deze kennen een aandeel van 14,9%. Zij worden gevolgd door zowel de families die bestaan uit drie als uit vier personen, ze zijn elk goed voor 14,4% van het totale aantal ondersteunde families. Huishoudens met twee leden vindt men, met 13%, terug op een vijfde plaats. Ondanks de lichte stijging die de eenkoppige gezinnen in 1846 hebben ondergaan - ze zijn nu goed voor 5% van het totale aantal ondersteunden -, komen ze, samen met de tien leden tellende families, nog steeds het minst voor. Opnieuw nemen de zeer omvangrijke families van minstens zeven individuen bijna één vierde (meer bepaald 23%) van het totale aantal ondersteunde gezinnen voor hun rekening.

 Ondanks het feit dat de waarden van de zogenaamde ‘top vijf’ van de meest voorkomende gezinsvormen in 1846 zeer dicht bij elkaar liggen, blijft de onderlinge rangorde nagenoeg dezelfde als in 1844. Enkel het aandeel van de gezinnen met drie personen is duidelijk gestegen, voornamelijk in het nadeel van de tweekoppige families. Hierdoor lijkt het alsof de grotere gezinnen nog sterker vertegenwoordigd zijn in 1846, maar deze these wordt afgezwakt wanneer men bemerkt dat het aandeel van de zeer omvangrijke gezinnen met drie procent is gedaald.

Het gemiddelde Lokerse gezin bestaat echter slechts uit twee, drie of vier personen, vooral de tweeledige families zijn met een percentage van 17% sterk vertegenwoordigd. Ook gezinnen met drie of vier individuen zijn elk goed voor een aandeel van 16%. Huishoudens met vijf leden, de grootste groep bij de ondersteunden, nemen 14% van het totale aantal gezinnen voor hun rekening, dit is 4% minder dan voor de arme families uit 1844 werd berekend, en 1% lager dan voor de ondersteunden uit 1846. De eenkoppige gezinnen kennen met 5% dan weer een iets hogere waarde dan 1844, maar sluiten perfect aan bij de bevindingen voor 1846, hoe dan ook blijft deze gezinsvorm toch eerder beperkt in aantal. In vergelijking met de algemene resultaten is het overduidelijk dat zowel de gezinsgrootte als het gemiddeld aantal personen per gezin in de ondersteunde families iets hoger ligt dan in het globale Lokerse gezin.

 

 

6.3. Inwonende verwanten, niet – verwanten en dienstpersoneel

 

Tabel: Absoluut aantal en percentage gezinnen met inwonende familieleden, niet–familieleden en dienstpersoneel

 

1844

1846

Alg. gemid.

Aantal ondersteunde gezinnen

112

208

 

Aantal gezinnen met inwonende verwanten

5

12

 

% gezinnen met inwonende verwanten

4,5

5,8

7,3

Aantal gezinnen met inwonende niet - verwanten

11

21

 

% gezinnen met inwonende niet - verwanten

9,8

10,1

12,4

Aantal gezinnen met inwonend dienstpersoneel

1

1

 

% gezinnen met inwonend dienstpersoneel

0,9

0,5

16,9

 

Opnieuw vertoont het percentage inwonende niet – verwanten vrij hoge waarden. Dit is, zoals reeds eerder vermeld, te wijten aan problemen in verband met de bronnenconsultatie. Voor personen die niet de familienaam van het gezinshoofd of zijn partner dragen is het immers niet te achterhalen of zij schoonfamilie zijn of helemaal geen verwantschap hebben met het kerngezin.

 Zoals te verwachten is, kenmerken de ondersteunde gezinnen zich zowel in 1844 als in 1846 door een geringe opname van verwanten, niet – verwanten en dienstpersoneel. Vooral het aantal inwonende personeelsleden vertoont een enorm verschil met de algemene gemiddelden.

 In 1844 en in 1846 neemt ongeveer 5% van alle ondersteunden familieleden op in zijn kerngezin, dit is 2% minder dan in het gemiddelde Lokerse huishouden, waar ongeveer 7% van de gezinnen zijn woning openstelt voor verwanten.

 Het aantal inwonende niet – familieleden kent in beide jaren, eventueel ten gevolge van problemen bij de interpretatie van de bronnen, een hogere waarde: zo’n 10% van de hulpbehoevende gezinnen wordt uitgebreid met een niet - verwante. Ook hier bedraagt het verschil met de globale cijfers zo’n 2%.

 Ondanks het feit dat de resultaten voor de hulpbehoevenden wel degelijk lager liggen dan de algemene gemiddelden, is het verschil tussen beiden eerder beperkt te noemen. Zoals reeds eerder aangegeven, stelt slechts een beperkt deel van de modale Lokerse huishoudens zijn woning open voor niet – kerngezinsleden. Vandenbroeke beschrijft dat ongeveer 10% van de gezinnen familieleden en/of niet – familieleden opneemt, deze waarde wordt in Lokeren echter niet gehaald.[243] Ten opzichte van zo’n laag cijfer kan het verschil met de ondersteunden uiteraard geen spectaculaire vormen aannemen.

 Men kan dit geringe verschil eveneens interpreteren als een gevolg van de beperkte invloed van de crisis in Lokeren. Het is immers vooral de aantasting van de financiële en economische draagkracht die de families ervan weerhoudt om extra personen te integreren binnen het kerngezin. Het feit dat de Lokerse ondersteunde gezinnen, wat inwoning van verwanten en niet – verwanten betreft, geen expliciet lagere waarden vertonen dan de algemene gemiddelden, kan men beschouwen als een bewijs van de geringe ondermijning van hun financiële situatie.

 De berekende percentages in verband met het inwonende dienstpersoneel spreken bovenstaande bevindingen echter tegen. In 1844 neemt slechts 1% van het totale aantal ondersteunde huisgezinnen personeel in dienst, in 1846 is dit reeds zeer beperkte aantal nog verder gedaald tot amper 0,5%. Ten opzichte van de globale resultaten vertonen deze lage waarden een enorme discrepantie, het gemiddelde percentage dienstpersoneel bedraagt immers niet minder dan 17%. Dit hoge algemene gemiddelde is voornamelijk te wijten aan de rijke stadswijken die, met een bijzonder omvangrijk aandeel dienstpersoneel, zwaar doorwegen op het percentage dat voor het hele onderzochte gebied werd berekend. Dat het aantal ondersteunde gezinnen met inwonend dienstpersoneel bijzonder miniem te noemen is, is niet verwonderlijk. Immers, gezinnen die een beroep moeten doen op het bureel van weldadigheid om te overleven, zijn uiteraard niet in staat om zich inwonend personeel te permitteren.

 De cijfers in verband met verwanten en niet –verwanten enerzijds en dienstpersoneel anderzijds, kenmerken zich door een zekere contradictie. Daar waar het percentage inwonende familieleden en niet – familieleden amper lagere waarden vertoont in de ondersteunde gezinnen dan in het gemiddelde Lokerse gezin, kan men wat het dienstpersoneel betreft wel een duidelijke kloof bemerken tussen de hulpbehoevende en de modale huishoudens. Deze discrepantie kan voornamelijk worden verklaard door de verschillende kostprijs die de verscheidene inwonenden met zich meebrengen. Inwonende familie en niet – familieleden met een inkomen vormen nauwelijks een extra belasting voor het kerngezin, terwijl dienstpersoneel vaak pure luxe betekent, en daar, zoals steeds, een gepeperd prijskaartje aan vasthangt.

 

6.4. De verschillende gezinsvormen [244]

 

 

Uiteraard vormen de gehuwde koppels de meest omvangrijke groep binnen de ondersteunde klasse, in 1844 is maar liefst 73% van alle hulpbehoevenden getrouwd. Zij worden gevolgd door de weduwes en de weduwnaars, deze nemen 23% van het totale aantal ondersteunde gezinnen voor hun rekening. Dit cijfer sluit perfect aan bij de algemene gemiddelden die werden berekend voor de totale onderzochte Lokerse bevolking. Binnen deze categorie zijn de weduwes overduidelijk in de meerderheid, zij vertegenwoordigen maar liefst 73% van het totale aantal personen dat zijn partner verloren heeft, de weduwnaars nemen 27% voor hun rekening. Dat vooral de weduwes een vrij omvangrijke groep vormen binnen het totale aantal ondersteunden, hoeft niet te verwonderen. Veelal gaat het hier om gezinnen met nog vrij jonge kinderen, waar de vader uit werken gaat en de moeder het huishouden beredderd en voor de kinderen zorgt. Wanneer het gezinshoofd vrij plots overlijdt, hebben de overblijvende gezinsleden geen inkomen meer ter beschikking; steun aanvragen bij het bureel van weldadigheid rest dan als enige uitweg.

De andere gezinssamenstellingen komen in 1844 nauwelijks voor. Slechts 2 van de 112 gezinnen, of 1,8%, bestaat uit een ongehuwde vrouw met kinderen. In één huishouden leven man en vrouw ongehuwd samen en in nog één ander gezin wonen meerdere ongehuwde vrouwen zonder kinderen samen. Men kan dus stellen dat de structurele armen van 1844 amper voorkomen binnen de onconventionele gezinsvormen. Het overgrote deel van hen is immers netjes getrouwd, maar slaagt er op de één of de andere manier niet in om het hoofd boven water te houden.

 Hoewel de gehuwde koppels met eenzelfde 73% nog steeds de dominante gezinsvorm vertegenwoordigen, kenmerkt de ondersteunde klasse van 1846 zich door een aantal belangrijke verschuivingen. Zo hebben het aantal weduwes en weduwnaars een duidelijke daling ondergaan. Daar waar ze in 1844 nog 23% van het totale aantal ondersteunde gezinnen uitmaken, zakt hun aandeel in 1846 terug tot 17%. Er heeft zich bovendien ook een zogenaamde ‘interne’ verschuiving voorgedaan, hoewel de weduwes nog steeds dominant zijn, is hun overwicht duidelijk afgezwakt en nemen ze nog 61% van het totale aantal personen dat rouwt om zijn partner voor hun rekening. De weduwnaars, die nu een aandeel kennen van 38%, hebben een aanzienlijke stijging ondergaan.

 Ook de andere, minder frequente gezinssamenstellingen zijn in 1846 in stijgende mate aanwezig. Zo kennen de ongehuwde vrouwen zonder kinderen nu een aandeel van 3%, terwijl in 1844 geen enkel gezin op deze manier is samengesteld. De huishoudens waar een ongehuwde vrouw met kinderen of meerdere ongehuwde vrouwen zonder kinderen samenwonen, vertegenwoordigen respectievelijk 3% en 2% en vertonen eveneens een verhoging tegenover 1844. Families waarbij man en vrouw ongehuwd samenwonen komen, net zoals in 1844, in slechts 1% van de gevallen voor.

 Men kan zich bijgevolg de vraag stellen of er een verband bestaat tussen de gezinsvorm en de mate van armoede. Het overgrote deel van de structurele armen van 1844 bestaat uit traditioneel gehuwde koppels, de gezinsvorm die financieel gezien de meest voordelige zou moeten zijn. In 1846 is het aantal zeldzame gezinssamenstellingen sterker vertegenwoordigd, zodat men de veronderstelling kan uiten dat de onconventionele gezinsvormen in tijden van economische depressie kwetsbaarder zijn en vlugger een beroep moeten doen op het bureel van weldadigheid.

 

 

7. Geografische spreiding [245]

 

Een opsplitsing van de wijken in een landelijk en een verstedelijkt gebied toont aan dat de stad zich in 1844 kenmerkt door een hoger percentage ondersteunden dan het platteland. Voornamelijk de Luikstraat, met 29% ondersteunde gezinnen, en het Knokkestraatje (19% hulpbehoevenden) zijn goed vertegenwoordigd. Ook in de Voermanstraat, ietwat in tegenspraak met haar eerdere classificatie als ‘middenklasse – wijk’, en in Puttenen Heirbrug op het platteland stijgt het aantal ondersteunden uit boven de norm van 10%. Straten als de Postdreef en de Roomstraat daarentegen kenmerken zich door een totale afwezigheid van ondersteunden in 1844.

 De gebieden die het hoogste aantal hulpbehoevende gezinnen kennen, in casu de Luikstraat en het Knokkestraatje, leunen niet altijd even nauw aan bij de algemene gemiddelden die werden vooropgesteld voor de ondersteunde klasse. Zo ligt de gezinsgrootte voor beide straten duidelijk lager dan de 5 gezinsleden die de arme families gemiddeld vertonen. In de Luikstraat wonen ongeveer 4,3 personen onder één dak, het Knokkestraatje kent één van de laagste waarden van alle onderzochte wijken, meer bepaald 4 gezinsleden.

 Het aantal inwonenden kenmerkt zich in beide straten dan weer door hogere waarden dan de gemiddelde familie met onderstand in 1844. Vooral het percentage dienstpersoneel vertoont hogere cijfers. Daar waar men voor de ondersteunde families een waarde van amper 1% bekomt, heeft in het Knokkestraatje 5% van de gezinnen personeel in dienst, in de Luikstraat is dit maar liefst 9%.

 Met 21% sluit het aantal weduwes en weduwnaars in de Luikstraat vrij nauw aan bij het percentage dat werd berekend voor alle ondersteunde gezinnen, het Knokkestraatje daarentegen, waar de weduwes en weduwnaars bijna één derde van het totale aantal gezinnen vertegenwoordigen, stijgt nadrukkelijk uit boven de algemene gemiddelden.

 Ook de activiteitsgraad vertoont duidelijke verschillen tussen de straten onderling en met de algemene gemiddelden. De Luikstraat kenmerkt zich, met 58%, door een iets lager percentage dan gemiddeld, in het Knokkestraatje is echter maar liefst 74% van de bevolking actief.

 Wat de beroepssector betreft is de textielnijverheid, zoals zo typerend is voor de ondersteunde klasse, eveneens dominant in beide gebieden. In de Luikstraat kennen de textielarbeiders een aandeel van 44%, in het Knokkestraatje is dit maar liefst 62%. Binnen deze arbeidssector zijn de kantwerksters zonder twijfel in de meerderheid, ze worden gevolgd door de wevers en de spinsters.

 

 De geografische spreiding kan voor het eigenlijke crisisjaar 1846 maar bij benadering worden bepaald. Voor een aantal straten, en jammer genoeg net de armste straten, werden immers geen lijsten van ondersteunde gezinnen bewaard. Hierdoor kan men niet nagaan of de gebieden die het reeds in 1844 moeilijk hebben, het ten gevolge van de economische depressie nog zwaarder te verduren krijgen. Rekening houdend met de gestegen waarden van de andere straten, kan men echter veronderstellen dat ook in de Luikstraat en het Knokkestraatje het aantal families dat nood heeft aan onderstand een verhoging ondergaat. Wat de straten betreft waar wel gegevens voor bewaard zijn, wordt het meteen duidelijk dat alle straten zich kenmerken door een stijging van het aantal ondersteunden in het eigenlijke crisisjaar 1846. Voornamelijk Puttenen Heirbrug heeft zwaar te lijden onder de crisisjaren. Ook de Postdreef kenmerkt zich door een enorme stijging van het aantal behoeftigen, door de geringe basis waarop deze gegevens steunen moet deze tendens echter genuanceerd worden.

 

8. Besluit

 

De verschillen die men kan opmerken tussen de ondersteunde klasse van 1844 en deze van 1846 zijn vrij beperkt te noemen. Dit is voornamelijk het gevolg van het zogenaamde ‘manoever’ dat werd uitgevoerd om de onvolledige bronnen van 1846 aan te vullen. Het profiel van de ondersteunden tijdens de eigenlijke crisisjaren werd immers opgemaakt aan de hand van de som van de structurele armen van 1844 en de conjuncturele armen van 1846. Vermits de groep structurele ondersteunden in absolute aantallen net iets omvangrijker is (omdat voor een aantal straten in 1846 geen gegevens werden gevonden), weegt zij in 1846 zwaar door op de algemene resultaten, zodat deze zeer nauw aansluiten bij de cijfers voor 1844. De verschillen die men toch kan opmerken situeren zich vooral op het vlak van de gezins- en beroepsstructuur. In 1846 zijn bijvoorbeeld de mindere courante gezinssamenstellingen, zoals alleenstaande ongehuwde vrouwen en ongehuwd samenwonende koppels, iets nadrukkelijker aanwezig dan in 1844. Men kan hieruit afleiden dat de minder frequente gezinsvormen ook minder goed bestand zijn tegen een economische depressie en dan sneller een beroep moeten doen op het armenbestuur. Wat de beroepsstructuur betreft is de rangorde van de meest ondersteunde arbeidssectoren dezelfde in beide onderzochte jaren, de beroepen binnen deze sectoren die het meeste armen tellen verschillen echter wel voor 1844 en 1846. Immers, in 1844 kennen vooral de eerder inferieure beroepen een hoog percentage ondersteunden, terwijl in 1846 ook de echte ambachtslui niet langer zelfstandig kunnen overleven.

De vergelijking van de Lokerse resultaten met de algemene gemiddelden in verband met het aantal gezinnen dat nood heeft aan onderstand toont aan dat de waarden voor Lokeren beduidend lager liggen, voornamelijk in 1844. Voor dit jaar geeft Ducpétiaux immers gemiddeld 15,2% ondersteunde gezinnen aan voor heel België. In de steden vertoont het aantal armen nog een hogere waarde, meer bepaald 17,8%.[246] De schamele 10% ondersteunden die Lokeren kent, tonen aan dat de zware economische omstandigheden die reeds in 1844 voelbaar waren geen impact hebben op de Lokerse armoedecijfers. Men kan er immers vanuit gaan dat een gebied steeds een percentage structurele armen kent tot 10%, een cijfer dat perfect overeen komt met berekende waarden voor Lokeren.

 Ook in 1846 vertoont het Lokerse armoedecijfer een duidelijke discrepantie met de globale cijfers zoals deze door Ducpétiaux werden beschreven. Gemiddeld genomen leven immers 27%van de Belgische gezinnen onder de armoedegrens; specifiek voor de steden is dit echter slechts 23,6% en dit percentage sluit nauw aan bij de 21% ondersteunde gezinnen die voor Lokeren werden berekend.

 Men kan dus opnieuw stellen dat de crisis in Lokeren geen zware problemen en moeilijkheden heeft veroorzaakt, maar men mag hier uiteraard niet uit besluiten dat de crisissituatie nauwelijks merkbaar is in Lokeren. Wanneer men bijvoorbeeld het procentuele aandeel van de ondersteunden in de verschillende beroepssectoren onder de loep neemt, is het percentage textielarbeiders in de armere bevolkingsgroepen zonder meer hallucinant te noemen, niet minder dan 70% van alle ondersteunden is immers werkzaam in de textielnijverheid. In eerste instantie de kantwerksters, maar ook de spinsters en de wevers krijgen het zwaar te verduren in de jaren 1840, de teloorgang van de linnennijverheid is uiteraard de grote boosdoener. Ook het feit dat het niet enkel meer de arbeiders uit de inferieure beroepen zijn die nood hebben aan onderstand, wijst erop dat het economische klimaat wel degelijk verstoord is in 1846.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[229] SAL, modern archief Lokeren, Bevolkingsregisters 1846.

[230] SAL, modern archief Lokeren, Naamlijst der behoeftigen voor de algemene broodbedeling 1844.

[231] SAL, modern archief, Broodbedeling 1846.

[232] SAL, modern archief, verslagen van het schepencollege, 1840 – 1850.

[233] E. VANHAUTE, Heiboeren. Bevolking, arbeid en inkomen in de 19e eeuwse Kempen, Brussel, 1992, p. 306.

[234] Zie bijlage *** voor de precieze waarden die bij grafiek 48 horen.

 

[235] De exacte cijfers vindt men in tabelvorm terug in bijlage ***

   

[236] Zie bijlage *** voor de bijbehorende cijfers in tabelvorm.

[237] F. COENE, Lokeren als verzorgingscentrum tijdens de 19e eeuw. Sociaal –  economische en demografische determinanten, Gent, RUG (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1980, p. 178.

[238] C. VANDENBROEKE, Sociale geschiedenis van het Vlaamse Volk, Leuven, Kritak, 1984, p. 44.

[239] E. VANHAUTE, Bevolking en arbeid in de 19e eeuw,  pro manuscripto, 2001, p. 4.

[240] De precieze waarden in tabelvorm bevinden zich in bijlage ***

[241] F. COENE, Lokeren als verzorgingscentrum tijdens de 19e eeuw. Sociaal – economische en demografische determinanten, Gent, RUG (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1980, p. 141.

[242] De precieze waarden die bij grafiek 52 horen bevinden zich in bijlage ***

[243] C. VANDENBROEKE, Sociale geschiedenis van het Vlaamse volk, Leuven, Kritak, 1984, p. 36 – 40.

[244] De precieze waarden die bij deze grafiek horen vindt men terug in bijlage ***

[245] Zie bijlage *** voor de bijbehorende waarden in tabelvorm.